De sferen, zoals zij zich spiegelen in de mens

15 februari 1955

Ik zou met u willen spreken speciaal over: De sferen, zoals zij zich spiegelen in de mens.

Kan u dat interesseren? Wij moeten ons goed realiseren, dat in het menselijk lichaam verschillende bewustzijnstrata aanwezig zijn. Je moet de mens niet alleen zien als een complex geheel van allerhande invloeden, geregeerd door de hersenen, waarin dan bovendien nog een geest schuilt.

Wij zouden de mens kunnen beschouwen als ook weer een soort piramide. Een piramide met een betrekkelijk brede basis. Die basis is het celweefsel. Het celweefsel heeft een eigen, ofschoon zeer beperkt bewustzijn. Wanneer wij de mens zien en hij heeft een levensduur van vele jaren, dan leeft de cel betrekkelijk kort. Hier vinden wij de vergelijking met de laagste sfeer. De laagste sfeer is het bestaan, waarin de houdbaarheid der vorm en al hetgeen er bij de vorm wordt aangepast, zeer klein. Er is een voortdurend vervloeien en een voortdurend verwisselen van vorm. Een voortdurend breken en bouwen. Het bewustzijn is hier zodanig, dat ten hoogste kan worden gesproken van enig leven in het eigen ik.

Voor de geest kan deze sfeer een zeer groot lijden betekenen. Lijden, omdat de geest niet de gelegenheid heeft zich te uiten en de ze behoefte in zich draagt. Nu wij spreken over de diepste sferen der hel, meen ik, dat wij daarbij rustig aan kunnen knopen. Daarboven liggen reeds de georganiseerde weefsels, die op zichzelf ook weer een entiteit zijn in het lichaam. Wij zouden kunnen zeggen, dat elke spier weer een betrekkelijk onafhankelijk leven voert. Zeker, zij wordt door het zenuwstelsel en de zenuwprikkels geregeerd. Maar per slot van rekening zijn er altijd krachten, die ook de mens regeren. Een spierweefsel dan, is ook een lage sfeer. Hier heeft de geest nog de mogelijkheid tot functioneren. Maar zij kan zichzelf en eigen handelingen daar niet regeren. Wij zien dit optreden bij mensen en personen, die zeer sterk worden getroffen door hun eigen begeerten en verlangens en hieraan niet kunnen ontkomen.

Zij hebben niet geleerd begeren en verlangen als een middel om te komen tot een doel, maar zijn de slaven ervan, zoals de spier de slaaf is van impulsen, die zij niet begrijpt en daardoor tot handelingen wordt gedwongen, die onder omstandigheden pijnlijk kunnen zijn. Denkt u maar aan een mens, die met al zijn krachten loopt, zover als hij kan. Op de duur gaan de spieren pijn doen. Voor hen is dat een kwelling. Vermoeidheidsstoffen, gifstoffen hopen zich op. Toch moeten zij verder. Zo wordt in een lagere sfeer ook de geest vaak gedreven door zijn begeerten, tegen wil en dank, omdat hij niet begrijpt, wat zij zijn en waarvoor zij zijn. Vandaar uit komen wij tot de organen, die ook weer een zekere mate van bewustzijn bezitten. In vele gevallen zullen zij onafhankelijk kunnen functioneren en een heel andere vervaltijd hebben dan de normale weefsels van het lichaam. Zij ontbinden sneller, maar aan de andere kant reageren zij ook veel sneller. Er zijn natuurlijk geesten, die, ofschoon zeer laag staand en in zeer lage sfeer vertoevend, toch altijd zich bewust zijn van een taak, die zij te vervullen hebben. Zij vervullen deze taak ten goede of ten kwade, dat is hen onverschillig, zoals de nier rustig een vergiftigende werking doorzet, in plaats van een reinigende werking, wanneer de omstandigheden zo zijn, dat het orgaan wat verandert, wanneer het lichaam er aanleiding toe geeft.

Deze kwade geesten, hier mogen wij werkelijk spreken van kwade geesten, de anderen zijn de werkelijk verdoemden, maar dit zijn dan de werkelijk kwade geesten, zullen dus voortdurend trachten hun eigen drijfveren, hun eigen bestaan te handhaven, onverschillig wat de resultaten daarvan zijn voor de omgeving, een sfeer dus, die zeker niet hoogstaand is. De gevolgen van hun drift tot zelf bevrediging en zelfhandhaving wordt kenbaar in de ergste gevallen van bezetenheid. Zij vragen niet, wat zij vernietigen, zij zullen ook nooit, wanneer zij bezit nemen van iemand, om dat lichaam te sparen en daar een redelijk gebruik van te maken, maar trachten dat te vernietigen. Zij willen alleen zichzelf uitleven. Daarboven krijgen wij dan het gecoördineerde werk van bv. een heel zenuwstelsel. Ook dit is in zich zelf niet hoogstaand. Toch kan ook de menselijke geest, die een zeker bewustzijn nog niet bereikt heeft, in deze sferen vertoeven. Wij zouden kunnen zeggen: het is het zenuwstelsel der sferen en ligt dicht bij de natuurgeesten. Hier zijn de invloeden, die alle uitstralingen op kunnen vatten, die alle reacties en van de lagere sferen en in de stoffelijke vormen verwerken, maar niet in staat zijn hieromtrent zelf besluiten te nemen. Zij kunnen slechts enkele reacties onmiddellijk tot stand brengen. Over het algemeen echter zijn zij afhankelijk van wilsinvloeden, die boven hen staan.

Wanneer wij dat hebben gehad, komen wij aan de hersenen, de hersenen van de mens kennen een automatisch gedeelte. Hier worden bepaalde functies door een gewoontepatroon, dat erfelijk is ingeplant, tot stand gebracht zonder dat het bewustzijn hieraan deel heeft. Dit is de sfeer, die het dicht ligt bij Uw eigen aarde. Dus de sfeer van degenen, die, onbewust zijnde, ronddolen en voortdurend zoeken naar bewustzijn.

Die functioneren vaak ook ten goede, terwijl zij heel vaak coördinerend kunnen werken ten opzichte van natuurkrachten. Zij hebben een redelijk inzicht, maar dit inzicht brengt niet met zich mee een erkennen van eigen daad en toestand. Vergelijkend met de bekende termen zou men dit kunnen beschrijven als de laagste sfeer in het nevelland. Dus niet meer het rijk van het duister, maar het rijk van mist en nevel. Wij gaan een klein stukje verder. Wij krijgen nu het verstand in de mens. Het verstand is het symbool van de stoffelijke mens. De stoffelijke mens zelf kan alleen redelijk denken en handelen, indien hij althans blijft wat hij is; een stoffelijk wezen zonder meer, met een stoffelijke begaafdheid. Alle invloeden, die verder werkzaam zijn, als instincten en drijfveren van organen en organismen kunnen door iemand, die een redelijke ontwikkeling heeft, zeer zeker worden geregeerd en zodanig geleid, dat zij binnen bepaalde perken blijven.

Echter, achter het bewustzijn van de hersenen schuilt de tweede sfeer: de sfeer van de geest op aarde. Er zijn geesten, die zo intens met de stof verweven zijn, dat zij alleen het redelijke en het redelijke argument kunnen erkennen, alleen redelijk beschouwend op stoffelijke basis tot bewust zijn willen komen. Daarachter ligt de geest, die levend in een stof lichaam, enigszins de mogelijkheid heeft gevonden zich daarvan vrij te maken. Deze geest ervaart en realiseert zich al, wat er stoffelijk gebeurt beter dan het lichaam dat kan. Maar zij zal gelijktijdig daar uit een sequenties trekken, die ver buiten het normale bestel der rede liggen. Het onbewust deel in de stoffelijke mens is gelijk aan de vrij wordende geest, die in het lichaam werkend, niet in staat is zich in de rede uit te drukken, maar toch een sterke invloed uit kan oefenen op het totaal van handelingen en daden. Kunt u het zover met mij eens zijn? Heeft u hier misschien commentaar op te leveren? Ik meen van niet. Echter zijn wij nu nog niet klaar, wij hebben alleen de sferen pas doorlopen tot de grens van de bewuste mens, de bewuste mens, die leeft, in vergelijking der sfeerverhoudingen, in de hoogste sfeer van het nevelland, waar het de geest betreft, met de mogelijkheid zo nu en dan, reeds uit te treden in de lichtende sferen en krijgen wij de geest. In het menselijk lichaam is een gewoontepatroon, dat wij wel begeerte lichaam noemen. Het is een kwestie van vitaliteit, van zenuwkracht, maar bovendien nog van een fijnere essence, die het gehele wezen doordringt. Ook wanneer er lichamelijk geen neiging of capaciteit aanwezig is, kan vaak juist dit begeertelichaam tot bepaalde handelingen en daden prikkelen, bepaalde verlangens a.h.w. aan het lichaam op dringen, zonder dat het lichamelijk acceptabel is. In een dergelijk geval is het natuurlijk zeer somber. Maar datzelfde begeertelichaam kan ook dienen om de mens te richten tot het goede.

Want begeerten en angsten, die beiden in het begeertelichaam zeer sterk tot uiting komen, op de juiste wijze in evenwicht gebracht, geven de mens een soort stabilisator. Hij kan dus hierdoor bewust gericht leven en zal voortdurend grijpen naar die argumenten, instinctief, naar die handelingen en daden, die zijn eigen geestelijk welzijn bevorderen. Het begeertelichaam kunnen vrij gelijk stellen met de laagste sfeer van het zomerland: een sfeer, waarin de gedachten tot rust komen, waarin gedacht wordt op stoffelijke basis, maar van waaruit men aan de andere kant toch ook weer een grote bewustwording zal kunnen ondergaan. Boven het zeer grove en door de bewuste geest over het algemeen zeer snel afgelegde begeertelichaam bevindt zich, wat wij noemen, een etherisch lichaam.

Dit is nog sterk verwant ook met de stof en staat in sfeerverhouding, ongeveer als de meer hoge sferen van zomerland. Onder u wordt dit meestal de derde sfeer genoemd, als ik mij niet vergis. Hier is voor de geest de mogelijkheid tot leren en het contact met hogere wezens aanwezig. Gelijktijdig ontstaat hierin een realisatie van krachten in het ik, die voor de stoffelijke mens kunnen betekenen het consequenties trekken uit de ervaring van het begeertelichaam. Het etherisch lichaam, het z.g. etherisch dubbel, dat ook uit kan treden soms; het begeertelichaam behoeft daar niet altijd als voertuig bij te zijn, kan de mens zijn eigen kwalen en fouten in het lichaam erkennen, even zeer als hij zich buiten het eigen lichaam voor waarnemingen omtrent eigen lot, of het lot van anderen, kan bewegen. Het is ook dit lichaam, dat de speciale begaafdheid aan de mens brengt. Onder bepaalde omstandigheden in het lichaam, dit kan o.a. optreden bij het gebruik van bepaalde opiaten, kan het etherisch lichaam zich zo sterk uiten, dat de impulsen daarvan in het zenuwstelsel merkbaar worden.

Het geeft dan helderziendheid, visioenen, enz. enz. U zult dus begrijpen, dat dus dat etherisch lichaam een zeer belangrijk lichaam is en ook boven de sfeer van het zomerland een zeer belangrijke is. Het is voor de mens de grens tussen twee werelden. De grens tussen zijn eigen wereld en een wereld, die er onmiddellijk naast ligt. Het is voor de geest de laatste scheiding van de aardse vormgebondenheid, die ook in de sferen voort bestaat en het aanvaarden aan de meer vormloze, naar daar door veel schonere en vrijere wereld van het geestelijk bestaan. En nu kunnen wij die mens verder even met rust laten. Ik heb getracht u een klein beeld te geven van sferen, zoals wij die als een piramide zich op zien bouwen uit de verschillende impulsen en factoren van menselijk lichaam en menselijke geest. Boven deze echter bestaat iets wonderlijks; hierboven vinden wij n.l. de sluitsteen van het geheel. De van de ziel bewuste geest. Niet Ziel maar van de ziel bewust.

Want de gehele geest is niets anders dan een bewustzijnsvorm van de Goddelijke levenskracht, die de kern van het gehele bestaan is. Wanneer dit wordt ervaren en ondervonden, is de piramide perfect. Over de gangen in de piramide heeft een vriend van mij u eens gesproken. Ik geloof niet, dat het voor mij nodig is om daarop terug te komen.

Wanneer u echter de symboliek vergelijkt met hetgeen ik hier op gebouwd heb, zult u ontdekken, dat deze samen wonderlijk goed kloppen, dat zij een zeer sterke samenhang hebben. Nu wil ik verder gaan en trachten nog kort, voordat een tweede spreker komt, u iets te tonen van de invloeden, die wij geestelijk ondergaan, wanneer wij in de stof gaan leven uit deze verschillende sferen. Laten wij nooit vergeten, dat de mens altijd gebonden is met alle sferen, u denkt, dat u hier op het ogenblik bestaat. Maar niet alleen wat er op aarde gebeurt heeft invloed op uw wezen. Datgene wat in alle geestelijke sferen plus wat in de ruimte, in de gehele kosmos gebeurt gelijktijdig zijn invloed op U en bepaalt mede, wat u doet, wat u denkt etc. het leidt U a.h.w. in gebaande paden, waarbij u dan zelf vaak de keuze hebt, of het pad wilt gaan of niet. In een sfeer bewust zijn betekent nog niet, alleen in die sfeer bestaan, wij hebben een vorige keer over dat paradijs gesproken. Ik ben daar ook bij geweest. Als ik u daar even aan mag herinneren: er bestaan grenzen, waar men als stofmens niet buiten kan gaan, maar over een grens is niet gesproken. De mens in het paradijs en de paradijstoestand kon omhoog schouwen. Hij kon schouwen tot in het diepst der hemelen en wandelen met God, nietwaar? M.a.w. onze begrenzingen liggen in het horizontale, maar niet in het verticale vlak.

Wij bestaan gelijktijdig in de hoogste sfeer en in de laagste. Ons wezen is a.h.w. een lange rij van ervaringen, waarin op dit bepaalde punt ons bewustzijn gekristalliseerd is. Alle factoren, die in ons mee spreken, in alle sferen zullen dus voortdurend in dit brandpunt samen vloeien.

En uit deze samenvloeiing kunt u wel nagaan, komt natuurlijk de sterke werking van niet nagaanbare invloeden en impulsen op de mens. Nu kan ik echter op een bepaald moment als mens een sfeer bereiken. Dan moet ik gaan langs de weg van mijn verschillende voertuigen. Ik begin met stoffelijk een toestand van vrede te zoeken. Een toestand van vrede, die vaak gepaard gaat met een bepaalde houding en soms zelfs met een zekere volheid van voeding en rust en drank. In deze rust moet ik mijn begeertelichaam evenzeer tot rust brengen. Deze delen van mijn bestaan moeten slapen. Zo goed als ik mijn lichaam tot een minimum van werkzaamheid heb gebracht moet ik dit ook doen met mijn begeertelichaam. Heb ik ook dit tot stand gebracht, dan kan ik met mijn etherisch lichaam, aannemen de dat ik voortdurend stofmens ben dus, uittreden naar een sfeer en daar zien en waarnemen. Ik kan dus zien, hoe het daar uitziet. Ik kan van hieruit naar boven of naar beneden gaan. Dus doordringen in de diepten van mijn, op dit ogenblik stoffelijk, wezen, in de diepten van de aan het duister gebonden geest, of opstijgen tot aan de hoogste sferen. Hoe verder ik ga, hoe meer ik verlies.

Maar laten wij nu het beeld aannemen van een groot aantal doosjes, die in elkaar sluiten. U weet wel, zo’n Japans doosje. Elke keer, wanneer vrij door een sfeer komen, dan gaat er de buitenste hul af. De rest gaat verder. Op de duur heb ik nog één klein doosje. Laten wij zeggen, dat wij dit nu in contact brengen met radioactiviteit. Wij maken het radioactief. Dan zal geen van de andere doosjes kunnen zeggen, waar het vandaan komt. Zij weten alleen, dat het uit die kern komt, uit dat binnenste doosje. Maar wanneer zij lang genoeg samen zijn in de oude verhouding is het geheel radio actief, nietwaar?

Zo gaat het nu ook met ons. Wanneer wij, geest en stof zijnde, doordringen tot de hoogste sfeer in een ogenblik van beschouwing, dan krijgen wij daar een licht, dat op de duur al onze voertuigen moet beïnvloeden. D.w.z. dat ik begin met geestelijke gezondheid, geestelijk evenwicht en geestelijke vreugde en eindig met een perfect stoffelijk evenwicht, waar vanzelf een onsterfelijkheid van de cellen en weefsels het resultaat zou kunnen zijn. Omgekeerd echter moet voor mij de mogelijkheid bestaan, om waarden uit mijn stoffelijk bestaan te projecteren naar een sfeer. Dat is voor mij niet onbelangrijk, want ik leef in dit bewustzijn, in dit milieu. Ik moet in dit bestaan alles zo goed mogelijk regelen. Maar er zijn problemen, die ik op dit vlak niet kan oplossen. Wat moet ik doen? Ik kan het niet mee nemen in het voertuig, waarin het probleem geboren wordt en andere voertuigen kunnen het niet helemaal bevatten in de vorm, waarin het bestaat. Ik moet leren mijn probleem terug te brengen tot een zeer kleine omvang, het a.h.w. te comprimeren tot ik de kernvraag eruit heb. Heb ik deze kern gevonden, dan heb ik zoor veel bijkomstige waarden natuurlijkerwijze moeten hebben verwaarloosd. Die kern is iets, waarin echter mijn weten en mijn gevoel gelijktijdig spreken. Ik kan daarmee dus in ieder geval komen tot het etherisch lichaam. Waarschijnlijk ook wel verder. Elke keer, dat ik in een sfeer kom en het niet verder mee kan of mee mag nemen, kan ik het nog weer aanpassen aan de omstandigheden.

Ik behoef mijzelf alleen maar voldoende te trainen, zodat het mij mogelijk is hetgeen, dat ik terug breng niet alleen te ondergaan, maar bewust te kennen voor wat het ís. Dan heb ik de oplossing van al mijn problemen. Ik heb de perfecte weg door het leven gevonden. Dit alles uit de harmonische opbouw van mijn bestaan. En ik kan terug koren tot in de kleinste kern van mijn wezen en zelfs daar de kracht, die ik uit het Goddelijke verworven heb tot uiting brengen.

Er bestaan in deze verschillende pogingen en oefeningen, die men wel doet, verschillende gevaren, dunkt mij. Maar voor de mens, die werkt binnen deze piramide van zijn geestelijke en stoffelijke persoonlijkheden bestaat er maar één groot gevaar. Dat is dit: Op het moment, dat een mens zijn realiteit prijs geeft in een wereld, moet hij dit volledig doen. U kunt niet voor een klein deel uw werkelijkheid prijs geven en verwachten daarvoor nog een andere gelijk waardige werkelijkheid in de plaats te kunnen zetten, dan wordt u gek. Maar wanneer u deze wereld geheel aflegt, met al, wat er bij is, dan zal, omdat uw bewustzijn hier ligt, een hernieuwd aannemen van deze persoonlijkheid en realiteit noodzakelijk zijn, anders kunt U niet voortbestaan. U zult dan terug keren tot het geheel. De les, die u hieruit kunt trekken is deze: Elke mens, die naar geestelijke erkenning streeft moet volledig leven in de sfeer, die op dit ogenblik zijn werkelijkheid uitmaakt. Verlaat men de stoffelijke sfeer en wil men geestelijk gaan werken, goed. Dan is alle stof vanaf dat moment, waan. Keert men echter terug, dan is alle stof werkelijkheid en zijn alle waarden der stof werkelijkheid. Wanneer men zo leeft, komt men op de duur tot een symbolische handeling in de stof. Daarover heeft trouwens, als ik mij niet vergis, vriend Abraham al eens uitvoerig gesproken op een andere bijeenkomst. Men kan dan door het symbool, dan dus handelingen verrichten, die op aarde reëel zijn, maar gelijktijdig een realiteit met zich mee brengen in een andere sfeer. In een andere bewustzijnstoestand. Kan men dit tot stand brengen, dan zal men hierdoor een zeer hoge graad van bewustzijn verwerven, waar men gelijktijdig handelen kan en kan bewustzijn in meerdere strata van het bewustzijn.

o-o-o-o-o

Ik zou vandaag willen spreken over: De esoterische betekenis van de Ark van Noach.

Noë of Noach is de noodlotsschipper, die varend over een stervend land, een verdronken wereld het leven overbrengt en behoudt, opdat het opnieuw zal opbloeien. Hij is degene, die door God gewaarschuwd wordt. Wat is ons direct opgevallen, toen wij dat verhaal voor de eerste keer hoorden? Dat Noë een goed mens was en dat al de andere mensen slecht waren. Zou dat werkelijk waar zijn? Of moeten wij hieraan misschien een symbolische betekenis geven? Hetzelfde wordt per slot van rekening verteld over de ondergang van Sodom en Ghomorra. Wanneer er slechts tien rechtvaardigen zijn, zo zal ik u de stad sparen. Indien er slechts vijf rechtvaardigen zijn, zo zal ik u de stad sparen.

Dat laatste wordt nogal eens een keertje weg gelaten. Dat wordt de vertalers schijnbaar te bar. Het idee van een hele wereld die slecht is en een goed mens, dat dan ook blijft voortbestaan, dat kan niet helemaal kloppen. Want wanneer de hele wereld dan zo slecht zou zijn, zou geen goed mens te midden van al die kwade mensen kunnen bestaan. Hierin ligt dus niet in de eerste plaats van het werkelijk goed zijn, maar van een ander levensbesef, een ander levensbewustzijn. Noë kan nog spreken met God en de anderen niet. Die anderen kunnen verder wel heel goede mensen geweest zijn, maar zij konden niet spreken met God.

En wat is spreken met God? Dat betekent een harmonisch wezen zijn. Dat je harmonisch bent ten opzichte van de kosmos. Dan eerst kan God in je spreken. Dat is dan het eerste punt, dat ons opvalt.

Dan een tweede punt. Dat is ook al zo vreemd. Want de maten van de ark, die hij bouwt, worden hem door God, let wel, door God, nauwkeurig opgegeven. Dan komt er in ons al weer een vraag. Per slot van rekening, God zou hem waarschijnlijk beter een paar tips hebben kunnen geven over de manier, waarop hij werken moest dan hem precies te vertellen, hoe groot dat schip wel moest zijn, nietwaar? Dus die ark zal ook wel niet precies hetgeen zijn, waarvoor zij schijnbaar bestaat. Die ark heeft n.l. symbolische maten, die onmiddellijk met kosmische waarden in verbinding staan. Het is zelfs zo, dat, wanneer wij de berekening gaan maken van het grote bekken in de tempel van Salomo, van de lege sarcofaag in de grote piramide van Cheops en van het grote tempelbad in de omgeving van Orchutz, dat ook al een heilige plaats is, wij altijd weer dezelfde verhouding van afmetingen vinden; dezelfde verhoudingen, grootte en maten verschillen. In het ene geval wordt in meters gesproken en gerekend, in het andere geval over ellen of inches. Maar reken je de zaak om, dan blijkt, dat de verhouding tot op het laatste decimaal hetzelfde is. Het is dus wel aan te nemen, dat de ark in de eerste plaats een symbool was, Een symbool, dat mogelijkerwijze ook wel aan een werkelijkheid kan ontleend zijn. Maar ook al zou er geen Noë geweest zijn en zou hij zich niet met een schuit voor een grote overstroming hebben, gered, dan stelt de wijze, waarop dit in de Bijbel wordt gezegd, ons toch nog voor enigszins andere problemen. Want, is de ark symbolisch, waarvoor is zij dan het symbool? Voor de geestelijke kracht en plaats van de aarde in het kosmisch bestel. Dat betekent nogal wat. Is Noë dan wel een mens? Mij, is het lang niet zeker, dat met Noë een mens wordt bedoeld zonder meer. Eerder zou men kunnen aannemen, dat hier een bewuste geestelijke invloed vormend werkt en het totaal van het bewustzijn brengend en bergend a.h.w. binnen de beslotenheid van deze aarde, onder de bescherming van de heersers der aarde en de aardgeest, weet te bewaren voor een verschrikkelijk onheil. Wat voor onheil?

Een watervloed, die de hele wereld verdelgt? Het is wel bewijsbaar, dat een dergelijke overstroming hier op aarde in de tijd der mensen niet heeft plaats gevonden. Wel is te bewijzen, dat op ver, uiteen liggende tijden overstromingen praktisch elk vasteland geteisterd hebben. Overstromingen, waarbij inderdaad tijdelijk of voorgoed grote gebieden tot zee geworden zijn. Maar dat betekent niet, dat de gehele wereld gelijktijdig werd omspoeld. Zelfs is er geen bewijs voor te vinden, dat er te enigerlei tijd bv. een grote vloedgolf de aarde omspoelde en bv. alles behalve enkel bergen voor korte tijd heeft bedekt. Dus ook die ramp moeten wij als een symbool zien. Waarschijnlijk gebaseerd op een bestaande werkelijkheid. Ik vermoed, dat het verhaal zich afspeelt ergens bij Euphraat en Tigris, dus uit de omgeving van Ur genomen is, waar dergelijke overstromingen soms voorkwamen. Maar wij kunnen wel vragen: wat is het element? Noë overwint het water. Zeker. Met God’s hulp. Maar hij overwint de wateren en keert zo terug tot het vaste land. Wat hebben wij hier mee te maken? Wat kan dit ons zeggen? Elke mens kan een Noë zijn. Zou de wereld ook nooit meer geteisterd worden door de wateren, dan zijn er nog meer elementen. Lucht en vuur en aarde. Het water staat klaarblijkelijk voor een elementale ontwikkelingskracht. Hoe is een mens, die in zijn bewustzijn zichzelf zodanig verhoogde, dat hij niet alleen een uiterlijke verandering van levensomstandigheden, maar vooral een innerlijke verandering kon ondergaan, waardoor een nieuwe aarde hem kon dragen en leven geven. Wat is het voertuig, dat hem daarbij helpt? De ark, die het symbool is van de kosmische plaats der aarde? De aarde heeft een heerser, wiens lichaam deze aarde zelf is. Daarin zien wij verschillende hoog geestelijke krachten werken als de Heer der Wereld en degenen, die namens hem optreden, die door die aarde worden geuit. geest der wereld beschermt Noë. Het doet mij denken aan de Openbaring van Johannes en het aantal der geredden, dat honderdvierenveertigduizend is. Het getal van de mens, van de priesterlijke mens het getal negen. Noë is de priesterlijke mens van een oudheid. Hij is de mens die met zijn God spreekt en zich daardoor aan kan passen aan omstandigheden, die voor de anderen niet houdbaar en niet duldbaar zijn. De levende invloed, die van de aarde uitgaat: de waarschuwende stem God’s, die in hem klinkt. Dit doet hem alle maatregelen op het juiste ogenblik treffen. Opvallend: als de ark klaar is, gaat het regenen. Niet voor die tijd. U leeft in een wereld, die ook weer binnenkort haar overgangsperiode tegemoet gaat. Het is moeilijk om te zeggen, of het deze keer de elementen zullen zijn, of alleen de geest, die de huidige mens langzaam maar zeker zullen terug brengen tot een minderwaardig schepsel, dat ondergaat.

Zoals de wereld er voor staat zou een plotseling optreden van een algemene steriliteit bv. niet verwonderlijk zijn. Een steriliteit, geboren uit mentale spanningen, die niet meer gedragen kunnen worden. Dan zou er misschien ook weer een Noë kunnen zijn, een wezen, dat, mens zijnde, onberoerd door deze spanningen zich zelf gelijk weet te blijven, zich zijn dienende functie in de schepping realiseert en daardoor zich en de zijnen zal, kunnen redden.

Misschien bent u wel zo’n Noë. Want een mens, die goed is, kan rond zich een sfeer van rust en zegening verspreiden, die aan allen, die in die sfeer leven, rust geeft, hen zelve maakt tot elementen, die tegen een stootje kunnen in een wereld vol veranderingen, in een wereld vol van spanningen en nood. Ook wij moeten onze ark daarvan bouwen. De ware ark, die voor u zou moeten betekenen, onverschilligheid voor aardse waarden, zover zij niet onmiddellijk voor het eigen leven en voortbestaan noodzakelijk zijn. Daarnaast moet men dan alle vrij gekomen krachten gebruiken om in innerlijke harmonie met God te komen. Dit om een nieuw beleven te scheppen, dat groot is en waardevol. Dan dringt men door tot de kern van het leven dezer aarde, de aardgeest, de engel, die deze aarde haar kracht en bezieling geeft. Daarin geborgen kan men alles doorstaan, wat de elementen, waaruit het lichaam dezer aarde is gebouwd, u aan willen doen. Dan kan nog het somber geweld van het op u vallende gesteente, nog het laaiende vuur van zelfs atomaire kracht, of van een plotselinge uitbarsting der zon, nog de schrale kilte van een tot ijs verstijvende atmosfeer u iets kunnen doen. U bent dan onkwetsbaar. Onkwetsbaar, omdat u dan gebonden bent in en beschermd door het wezen der aarde zelf. Wanneer u zich realiseert zult u ongetwijfeld zeggen: dit zou ik graag willen zijn.

Maar er staat in de Bijbel nog meer: Noë nam met zich in de ark alle dieren der aarde en wel van elk een paar. De feitelijke onmogelijkheid om binnen een ark van dergelijke afmetingen ook maar een twintigste deel van het aantal dieren, dat er in die tijd op aarde bestond, te bergen, doet ons ook hier weer zien, dat dit een reëel verhaal, maar een symbolische uitspraak is. Wij zijn voor alle onder ons staanden, alle lager besnaarden, die ons niet afwijzen, verantwoordelijk. Wij moeten ook hen redden door hen leiding te geven. En hij leidde de dieren in de ark. Men moet zijn eigen geestelijke bescherming, verworven uit deze grote geest, niet voor zichzelf houden. Men mag daarin inleiden een ieder, die dierbaar is en de voorwaarden accepteert. Hij nam met zich zijn zonen en hun vrouwen. Maar daarnaast is men verplicht om ook alle lagere leven, waarmee geen directe band bestaat, in te leiden, te brengen in deze gemeenschap, waarin alle wezens tijdelijk met elkaar in vrede leven. Later kunnen zij weer tot geschillen komen. Want het leven moet voort gaan, of de wereld nu een gloeiende bol is, of een koude steenrots, die in de ruimte zweeft. En leven zal er zijn. Leven, dat daar aan aangepast is. Leven, dat begint misschien in een beheersing van het stoffelijke en zich steeds verder ontwikkelend komt tot een langzaam maar zeker ontwaken van geestelijke waarden, waarbij de aarde, waaruit men geboren is, nog steeds de ark blijft, vanwaar men zelf, zoals eens in het verhaal de duif, kan uit vliegen om te zoeken naar de tekenen van groter bewustzijn en wordend besef. Zo komende tot de realisatie van de eenheid, ook van de geesten der aarde, met de Alziel, die de drijvende kracht is van alles, die de heersende macht is in alle delen van de kosmos. Die uiteindelijk betekent voor een aardgeest, die twijfelt, voor een engel, die met zijn stoffelijk bestaan overhoop ligt, een reddende ark kan geven, waardoor men uit de dreiging van ondergang in het ledig niet kan komen tot het rijk van het ware bewustzijn.

o-o-o-o-o

Ik zou gaarne met u willen spreken over: De Tolteken en hun verschillende riten.

U zult zich misschien herinneren, hoe ik verschillende spreuken heb geciteerd, waaruit u duidelijk werd, dat hun verering voor de zon en het licht een zeer feitelijk iets was. Dat het gebaseerd was op een wijsheid, die in het volk leefde. Het geheel van de eredienst en het geheel van de symboliek, bij de Tolteken gebruikt, is vooral in de eerste periode, wanneer wij nog de offers van graan en vruchten kunnen wijzen op een zeer oude afkomst van de eredienst en een sterke binding van de mens aan de zon. Nu wilde ik vandaag gaarne het geheel duidelijk maken. Na enig nadenken hen ik besloten een aantal citaten met uitleg te laten volgen, waardoor u zult kunnen begrijpen, hoe deze mensen de zon beschouwden. Wat de werkelijke waarde was, die voor hen hier achter verborgen was.

Men moet niet denken, dat zij zon vereerders en zon aanbidders waren, omdat zij in de zon zelf een God zagen, Dit blijkt wel zeer duidelijk uit een citaat, dat deel is van een oud lied.

Dit lied werd door een hogepriester gemaakt en veel gezongen tot de eredienst aan de oorlogsgod Huitzecatl de overhand kreeg. Het loopt ongeveer als volgt:

Verborgen in het stralend licht, zijt Gij, o machtige. Gij trekt Uw baan, ons kussend en ons weer verlatend. Wij weten van Uw voortbestaan, maar kunnen niet in het duister zien. Het duister hatend, dat ons onttrekt Uw heerlijkheid en ook verbergt het leven.

Het gaat nog veel verder. Maar waar het mij hier in de eerste plaats om gaat is: Gij Machtige, die gaat in de zon en als de zon. Men beschouwt dus schijnbaar de godheid als een wezen, dat zich verbergt in een zodanige felle lichtuitstraling, dat men evenals de zon zelf, deze God niet kan aanschouwen, krachtens al hetgeen wij leren in onze eigen sfeer is deze voorstelling van het Goddelijke opmerkelijk juist. God is niet te benaderen voor ons, wij kunnen Hem niet zien en aanschouwen, omdat ons wezen, omdat onze zintuigen niet in staat zijn, Zijn straling en Zijn gloed te weerstaan. Verder is het opmerkelijk, dat zij aannemen, dat God komt en gaat als de zon. Dit komen, dat kunnen wij nog begrijpen, maar dat zij aannemen, dat hij ook gedurende het leven der mensen de mensen beschijnt en daarop een nacht laat volgen, vraagt wel enige nadere beschouwing. Wij vinden dit o.a. in een soort Isisverhaal, dat ik uit de aard der zaak wel zeer vrij moet gaan vertalen.

De godheid leeft niet tegelijktijdig in al wat Zijn schepping is.

Ik zal de beelden er maar uit laten, als ik u die ga beschrijven, neem ik te veel tijd.

Hij komt op een bepaald moment en is dan krachtig werkzaam bevorderend de geestelijke groei van de mens, zijn gezondheid en zijn welvaart. Wanneer hij er is, dan is er volheid, dan is de oogst goed, dan is er vreugde en gezang, dan worden de offers aangenomen en zijn de voortekenen gunstig. Dan blijkt al les goed te zijn. Dan is er vrede.

Zodra de God weggaat echter, d.w.z. als hij zijn aandacht ergens anders op richt, kunnen er grote rampen optreden als hongersnood, over stromingen, vulkanische uitbarstingen, oorlog.

Kortom alles, wat het volk onaangenaam is. God is dus klaarblijkelijk voor hen een symbool van al het goede. Zij nemen aan, dat zolang God zijn ogen op hen richt, zij de ogen van God op hun volk gericht kunnen houden, dit volk gelukkig en goed zal zijn. Zij associëren zelfs heel duidelijk de godheid met de welvaart. Hiermede lijkt het wel even, of zij terug gaan naar de primitieve zonverering, waarbij de zon als leven en lichtbrenger zonder meer wordt geëerd. Maar een volgend citaat, vertaald uit het beeldschrift van dezelfde bouwval, zal u misschien uit de droom helpen.

Want waar Gij zijt, zijn onze harten tevreden. Waar onze harten tevreden zijn, daar heerst de welvaart, daar is de aarde goed, daar groeit het koren rijk.

Eigenlijk is het maïs, geloof ik. Kortom het is een loflied, waarin staat, dat de mens, wanneer hij in het licht God’s staat, zoveel kan doen, dat alles hem dan mee loopt, dat alles hem dan gehoorzaamt. Die opvatting lijkt mij niet dwaas. Wanneer wij ons zelve een weten met de Goddelijke kracht, onverschillig op welke wijze: het kan bv. gebeuren in een kerk, wanneer u bidt, of, wanneer u in de natuur is en de grootheid der gebeurtenissen ziet, de grootsheid van de natuur, kortom, wanneer men zich een voelt met God, het ineens is, of alle dingen je goed af gaan. Er wordt hier een direct verband gelegd tussen de mens en zijn prestaties. Dit geheel, zegt men nu hier, is afhankelijk van God. Iets verder vinden wij wel een heel eigenaardig citaat. Het is geschreven in een oud schrift, dat speciaal op metalen platen werd gegrift, o.a. op goud. Dat er zo weinig van is over gebleven heeft u te danken aan de vrienden van Pizarro, die deze kostbare dingen eenvoudig versmolten om ze eenvoudiger te kunnen transporteren.

Ik leef uit de kracht van U, o zon en Uw kracht leeft in mij. Indien ik wist, o zon, hoe Gij zijt en kon doordringen door het licht, dat U vermomt en verhult, zo zou ik een zon zijn en stralen. Echter ben ik geen zon, zo zijt Gij, o zon, mijn leven en dood. Tot ik U bereik, begrijp en zelf zo zijnde U noemend zal misschien Broeder, maar zeker niet meer Meester.

Eigenlijk een Luciferiaanse gedachte: ik stijg op tot God en wordt Zijn gelijke. Het is maar goed, dat wij in de oude volksoverlevering de uitleg vinden hiervan. Er is een groot wezen. Dit wezen geeft (en nu vertaal ik zeer vrij) aan de geestelijke en de stoffelijke zon het aanschijn. Deze beiden samen zijn slechts een deel van zijn uiting en zijn kracht. Zij kunnen stijgen tot vrij leven in het paleis van de stoffelijke zon, met ons wezen leven gevend aan de aarde, of wij kunnen stijgen tot de geestelijke zon, leven gevend aan alle schepselen, in wie meer leeft van de Goden dan alleen maar de zuivere materie.

Zoals ik reeds zeide, ik vertaal zeer vrij. Ik meen, dat wij de gehele zonnecultus, zoals die daar wordt beleden, kunnen uiteen rafelen en stellen op deze wijze: de zon zelf is het symbool van een onzichtbare kracht, die aan de zon gelijk wordt geacht, qua intensiteit. Die belangrijk is voor het leven van alle wezens. Uit de aard der zaak moet het een zeer hoge geestelijke sfeer zijn, waaruit die zon geboren wordt. Een geestelijke en stoffelijke zon worden gelijkelijk gewaardeerd en beschouwd als een soort partners of tegendelen. Zij kennen dus klaarblijkelijk een gelijke waardering voor het leven der sferen en het leven der aarde. Zij kennen hier een absolute overeenkomst. Zij gaan zelfs zover, dat zij, ofschoon ik dit alles de vorige keer heb aangehaald en dat nog zeer terloops, dat hun hiërarchie, zoals zij die op aarde kennen een reproductie heet te zijn, van wat er bestaat in de landen van de geest. Hun verering echter is een erkenning van de voornoemde kracht, terwijl zij toegeven, dat er misschien een andere kracht daarbuiten kan staan. Hun God is in ieder geval, zo zij hem zien, nog niet het geheel.

Dit lijkt wel op een vrijwillige zelfbeperking, om zodoende te komen tot een voor ieder aanvaardbaar beeld, waarin de God gevonden kan worden. De zonverering is krachtens hetgeen wij gehoord hebben en gezien, ach, gezien heeft u het niet, excuseert u mij. Naar wat wij gehoord hebben, komen tot een leer van ingewijden, die voor het volk trachten hun eigen inwijdingssfeer duidelijk te maken en dit alleen kunnen doen met een stoffelijk voorbeeld. Dan valt ons op, dat wij hier enkele tegendelen zien van de zonnegang van Osiris. N.l. dit: wanneer de zon verdwijnt kan men, volgens het volksgeloof, gaan kijken in een krater en men kan dan de zon onder de aarde voorbij zien trekken. Er gaat zelfs een verhaal, dat eens in een tijd van grote nood en verdrukking, toen het volk door de wilde stammen uit het Zuiden werden belaagd, een man in een nacht in een vulkaan daalde en bleef wachten, tot hij beneden de zon voorbij zag trekken. Hij sprong toen door de krater en kwam bij die zon terecht. Hij mocht zijn vraag stellen, maar toen verbrandde hij, althans stoffelijk in haar stralen. Maar, zo zegt men, men ziet hem soms nog naar de zon komen, vooral in de ochtend- en avonduren. Dus de morgen of avondster. Dat is de legende. Maar lezen wij het nu eens anders: een mens kan zichzelf vernietigen door de zon op te zoeken in de onderwereld en het licht niet te vrezen, zelfs niet in de diepste duisternis. Hij kan daardoor hier op aarde een gehele verandering van condities tot stand brengen. Dus zo ongeveer als Jezus deed door Zijn kruisdood voor de mensen, Verder kunnen wij ons nog af gaan vragen, wat dit in de leer van inwijding betekende. Wij vinden dan op aarde geen enkele bron meer, die nog bereikbaar was. Er zijn nog enkele geschriften, maar die zullen nooit aan de openbaarheid worden prijs gegeven. Wat geloofde men in deze kringen van priesters en ingewijden? Nu zal ik toch maar de spreuk herhalen, die werd gezegd, wanneer men als leerling, als novice werd aangenomen; Gij zult het vuur drinken om aan het vuur gelijk te worden. Het vuur zal u een smart zijn, maar in de smart zult gij de krachten van het vuur kunnen weerstaan. Zo zult gij uiteindelijk kunnen binnen gaan daar, waar het licht is van de grote kracht die onze Vader en onze Moeder, de zon is.

Inderdaad was het leven voor die leerlingen niet direct erg aangenaam. Wanneer zij dan enige tijd in een soort opleiding, een school, hadden doorgebracht, werden zij naar een tempel gebracht, die ergens in de rotsen lag, die was daarin uitgehouwen. Dan zeide men tot hen: Nu gaat gij in tot het duister; gij, hebt het vuur der wijsheid gedronken, zo draagt gij uw licht met u. Zo gij in het duister vreest, zo roep dit licht, dat in u is en gij zult zien, dat de zon u ook in het duister bereikt.

Hier was dus wel sprake van een zuiver geestelijke invloed, want een stoffelijke zon kan niet schijnen in een duistere grot en ook niet in die rotstempel. Later hebben zij in die tempel wel een truc gebruikt; zij hadden toen in het dak een koker gemaakt en daar scheen op zekere dagen de zon in. Dan scheen opeens een felle lichtbundel op een gouden zonneschijf, die zij daar hadden staan. Tegen de mensen zeiden zij dan; Zie je wel, de God schijnt als hij wil, zelfs door de rotsen heen. Een oplichterij, zoals de priesters in alle tijden wel meer pleegden. Ik meen, dat sommige Christenpriesters wel eens de veren uit de vleugel van de Aartsengel Gabriël hebben laten zien. Het valt mij nog mee, dat zij nooit de staart van Beëlzebub getoond hebben. In de Moslimwereld heeft men wel van die eigenaardige relieken, waarvan men beweert, dat zij deel zijn van sheitans, duivelen, die er eens op zo’n plaats zijn geweest en waarvan toen de een of andere heilige een stukje heeft vast gehouden. Maar ter zake ik moet verder gaan. Deze kandidaten voor de inwijding bleven een lange tijd in het duister. Het enige licht, dat hen gegeven werd, was dat van een fakkel en in sommige gevallen ook licht van vulkanische oorsprong. Zij werden er op getraind om in bedorven lucht en vulkanische dampen te leven. Er werd hen geleerd om met zeer weinig voedsel uit te komen. Hen werd geleerd zichzelf door concentratie steeds verder te overwinnen. Op het moment, dat men dan dacht, dat men heel wat bereikt had, kwamen de priesters in plechtige optocht en namen de kandidaten mee naar buiten toe. Dan stonden zij daar in het volle licht van de zon en waren verblind. Dan zei men tot hen: Gij hebt geschouwd bij uw eigen vuur. Zie hoe groot het vuur is van onze Vader en onze Moeder, van onze kracht, de zon. Hij verblindt u. Maar gij moet leren om zijn stralen te verdragen, ook wanneer gij uit het duister komt. Licht en duister moeten voor u één worden. Wanneer licht en duister een zijn, zult gij kunnen aanschouwen, wat er verborgen is achter de stralen vloed, die u thans verblindt.

Hier zit een zeer ware filosofie achter. Stel u voor, dat wij op een gegeven moment zoeken naar God. Dan gaan wij proberen om alles in ons zelf te vinden. Wij gaan proberen in ons zelf de waarden te vinden, die ons dichter bij God brengen. Wij gaan dus, beroerd door het Goddelijke, dat in ons de drang doet ontstaan tot bewustwording, in tot de grotten van ons eigen wezen. Het enige licht, dat wij daar op ons pad vinden, is het licht van ons eigen ik. Het licht van onze hartstochten en van ons wezen. Maar verder komen wij niet, Wanneer wij dan lang genoeg hebben gezocht en wij denken, dat wij gevonden hebben, leidt degene, die ons inwijdt, ons weer naar buiten toe. Hij stelt ons plotseling voor het raadsel der Goddelijke macht en wij zijn verblind. Dan wordt ons duidelijk gemaakt, dat wij in het licht en in het duister deze kracht gelijkelijk moeten zien, willen wij haar zonder masker vinden, willen wij de werkelijkheid begrijpen. Wij kunnen God niet alleen in ons ik vinden, maar ook niet alleen buiten ons. Wanneer wij ons er van bewust zijn, dat hij zich in beide aspecten voortdurend aan ons openbaart is pas een verdere inwijding en bewustwording mogelijk.

Er is nog een fase der inwijding, die ik u verder kan en mag beschrijven, n.l. het moment, dat de priester terugkeert tot de tempel zelf. Dit is een zeer bijzondere plechtigheid. Over het algemeen vindt deze plaats direct na het middagoffer. Zoals u weet zijn hierbij een groot aantal personen aanwezig, ofschoon niet zoveel als bij het avondoffer. Na dit offer legt men deze mens eerst op het altaar der wereld. Men tracht het licht hem te doen beroeren door middel van een parabolische metaal spiegel, waar mee men het licht weerkaatst. Wordt hij hierdoor inderdaad beroerd, kan men hem in de lichtbundel vangen, terwijl hij op het altaar van de aarde ligt, dan is het zijn taak om onderwijzer te worden. Hij wordt niet verder ingewijd. Hij krijgt een taak bij de tempel als leraar, of wondgenezer. Soms kan hij zelfs raadsman van de vorst worden of wichelaar. Gebeurt dit niet, dan wordt hij gelegd op het zonnealtaar. Hij moet dan echter in staat zijn om de pijn van het geconcentreerde licht te verdragen, totdat een wond is geschroeid. Hij moet dus een zeer grote zelfbeheersing hebben. Meestal koos men daarvoor een plaats op de borst, Wanneer de novice deze wond heeft gekregen, dan heeft hij het teken van de God ontvangen en mag verder gaan met zijn inwijding. Men zegt hem dan het volgende; Onthoud, gij, die de waarheid zoekt van de lichtende zon, dat de zon niet alleen leven geeft, maar ook doodt. Dat zij niet alleen geneest, maar ook kwetst. Onthoud vooral, dat, wanneer de mens de krachten van het Goddelijke hanteert, hij dreigt onder te gaan. Dat, wie naar het licht der zon, dat vaak schaadt, wat hij wil genezen. Wanneer gij ingaat, onthoud en laat het niet uit uw weten en denken ontsnappen. Er is een lichtende kracht overal, zoals de zon overal straalt. Maar het is gevaarlijk voor u deze kracht te bundelen en te werpen. Want zo gij bundelt en werpt, verwondt gij uzelf of verwondt gij een ander. Slechts wie het offer breng u heeft het recht de spiegel te hanteren en het licht te werpen.

De God kan alleen beslissen of wordt aanvaard, wat Gij wilt geven, ofwel dat het wordt verworpen. Zo de God echter verwerpt, laat U niet ontmoedigen, maar offer opnieuw. Eens zal hij het offer van u aannemen en eerst dan zijt Gij een werkelijke priester, die draagt zijn macht Na hetgeen wij deze en de vorige keer hebben behandeld zult u zelf wel inzien, dat er een sterke overeenkomst bestaat tussen deze opvattingen en wat er over het paradijs werd verkondigd. Let wel: zodra de priester zelfzuchtig is en buiten zich een doel zoekt, heeft hij de kans zichzelf te verwonden. Dat is heel begrijpelijk. Er was in het paradijs toch ook een grens, waarbuiten de waan u voortdurend begoochelde? Dan, wanneer hij niet aanvaard wordt door de God, wanneer hij in de waan blijft, in de wereld, dan is hij niet verder voor priester geschikt. Want hij zal in de waan steeds verder van de ware plaats des levens afgaan. Omkerend eerst zal hij kunnen ontdekken, dat hij steeds een hersenschim heeft nagejaagd. Hij is goed genoeg om het volk te genezen of te onderwijzen. Maar niet goed genoeg om door te dringen in de grote geheimen. Ik geloof, dat deze kleine vingerwijzing voldoende is om verdere analogieën zelf te vinden.

o-o-o-o-o

Wij zullen een ogenblik over de meer gewone dingen na gaan denken. Het onderwerp, dat zich aan mij opdringt is “Licht”. Laat ons dan een ogenblik denken over het licht, zoals het in al onze werelden, in al onze sferen van een andere en toch even grote betekenis voor ons is. Wanneer het licht de aarde kust en haar zacht verwarmt, dan zal zelfs een zaadje, dat sluimert in de donzen diepten der aarde, ontwaken. Het ziet niet, maar het wordt gewekt en tracht wanhopig zich ontspannend, wringend en borend een weg te banen door de harde aardkorst om op te kunnen stijgen in het licht van de zon. Rond ons is het licht van de geest. Gevangen als wij soms zijn in ons voertuig en onze begoocheling, kunnen wij dit licht nog niet zien. Maar door de dikke waden heen van waan en begoocheling raakt en roert ons iets, dat ons wekt. Ons wezen begint een weg te zoeken door de vaak, o zo harde laag van materie en rede, van wat wij noemen onze werkelijkheid, heen, door de vorm van onze sferen en de opvattingen van ons leven, opdat wij eindelijk ons wezen zullen mogen ontplooien in het licht van de zon. Het licht van de geest, dat altijd bij ons is.

Dagen en dagen voor het zaad eindelijk heeft bereikt wat het wil. Tegelijkertijd met het opzenden van zijn schoten zullen de wortels naar beneden gaan, want het licht leert ons om vast te staan in alle dingen. Niet te zijn een vluchtige glans , die meedanst in de zon. Een vlinder, even spelend in de wind om dan te sterven van de kou van de avond. Het licht van de geest leert ons om ons langzaam en voorzichtig te ontwikkelen. Het leert ons om onze wortelen vast te slaan in de wereld waarin wij leren en leven om onze sfeer toch vooral niet te verlaten. Wij moeten niet boven onze sfeer uit willen groeien, maar uit onze sfeer naar boven. Dat is het verschil. Het Goddelijke licht. Wie zal in staat zijn om de grootheid van deze kracht te omschrijven? De zoetheid en de warmte, die het geeft, wij kunnen ze slechts flauw beseffen. Want rond ons is het nog steeds de aarde of de sfeer, waarin reeds meer ontwikkelde geesten een schaduwdak werpen boven onze schamele pogingen om in het daglicht te treden. Voor ons dansen de nevelen nog tussen de stammen, boven ons is er een groen waas, dat ergens het licht verhult, dat een ogenblik neerpiekte, ons beroerend en weer weggaand. Toch is het licht rond ons, maar wij zien op een bepaalde wijze. Wij schouwen alleen maar naar de glans van de zon. En toch, wanneer de hemel bedekt is met wolken, wanneer de trage regen staag neer sijpelt tot de half verdronken wereld schijnt te klagen in het murmelen van stromend water, dan is er licht. Maar men weet niet, van waar het komt.

Het schijnt een ogenblik mee te reizen met een regendruppel. Het schijnt in een vreemd grijs toch nog een ogenblik de kleur te ontdekken. Wanneer de regen een ogenblik verder drijft en de droogte als een koele vlaag de vochtigheid in zweeft, dan lijkt het, of ramen en daken en deuren van kleur veranderen. Het is, alsof de glazen een andere schijn tonen, of huizengezichten eensklaps grijnzen. Dat is het licht. Dat is het werkelijke licht. Een licht, waarvan wij niet kunnen zeggen, het komt daar vandaan of daar vandaan. Het is diffuus. Het komt van alle kanten en geen schaduw tekent een richt, van waar het valt. Maar het is er: licht. Zelfs wanneer wij denken, dat de nacht duister is, zien wij tocht nog weer schimmige vormen zicht aftekenen van wat weer een dieper duister betekent. Ergens in de fluwelen zwartheid van de nacht moet licht zijn, licht, altijd weer. Al vragen wij naar het licht, wij menen maar al te vaak de zon, niet begrijpend, dat haar brandende felheid op den duur de aarde moet verdorren, bleek doet worden de kleuren en schriel en mager de mensen. Wij vragen naar de zon, omdat wij het niet beter weten. Wij vergeten dat licht iets anders kan zijn dan de zon. Licht is er in allen dingen des levens, zolang er rond u nog vreugde is en een reden om te bestaan, is er licht. Anders zou gij niet zien, waarom gij leeft en dat gij leeft.

Dan zou gij geen reden meer kennen en geen drijfveer en geen kracht. Zoek het licht, waar het is. Denk niet, dat alleen maar de felheid van het plotseling ontwaken in een nieuwe vrije wereld voor u van betekenis is. Begrijp de waarheid van het esoterisch gezegde, dat hij, die de sluier afneemt, vaak sterft. Men kan niet ongestraft een sluier weg nemen zonder voorbereid te zijn. Maar onder de sluier tekenen zich reeds de vormen af van het beeld der waarheid. De schaduwachtige, schimmige wereld vol van ons grijsheid, die ons regeert, als de aarde een regendag, het schaduwachtige licht als in een woud op een vroege zondag, zijn uiteindelijk onthulde vorm van het licht. Het licht is er. Nu bestaan er bepaalde lenzen, die zelfs, wanneer er weinig licht is, al dit licht schijnen in te zuigen en het werpen op hetgeen zij willen of moeten tonen. Het is alsof zelfs het meest diffuse licht, geconcentreerd nu als bij een zoeklicht, daarbij aan kracht gewint. Wij zijn niet in staat om zonder meer tot het grote licht te gaan. Dat kunnen wij niet. Maar wij kunnen wel al het licht rond ons absorberen, zover als ons dat maar mogelijk is. Zo ons leven wat helderder maken, wat zonniger en wat lichter.

Maar dan zullen wij tevens een fakkel van het licht zijn voor anderen. Een teken. Het is vaak moeilijk om te begrijpen, dat er licht is. Het is vaak moeilijk om de kracht van de geestelijke zon te zien in de duisternis van je leven en bestaan. Het is vaak moeilijk om in de vormenrijkdom van een geestensfeer het licht te zien als een vorm. Als een ster, maar als de werkelijkheid, die overal is. Zonder verpozen. Wij willen het licht van de zon. Wij willen het licht vangen en in een flesje mee dragen als een curiositeit. Wij willen God in hart en geest sluiten om te kunnen zeggen: “Daar heb je Hem”. Wat zijn wij eigenlijk voor dwazen? Is het dan nodig om een hersenschim of een onbereikbaar iets na te streven? En dat, terwijl het werkelijke vlak rond ons ligt. Er bestaat een verhaal over een kaffer, die zijn kraal had opgebouwd op een plaats, waar thans een diamantmijn ligt. Vele diamanten lagen rond hem.

Toch reisde hij dagen om een paar kralen te kopen. Soms lijkt het mij, dat wij even dwaas zijn. Wij van geest en stof. Rond ons is het ware licht, niet in de vorm, waarin wij het voorstellen misschien. Het lijkt onaanzienlijk en grauw, omdat wij nog niet geleerd hebben, hoe wij het moeten concentreren, zoals die kaffer niet wist, hoe je een diamant moet slijpen. Dus zoeken wij naar kralen. Wij gaan ver uit onze baan, trachten de meest absurde dingen soms, omdat wij dat licht alleen maar willen hebben, zoals wij ons dat voorstellen. Zou het niet verstandiger zijn om dat licht eerst te zoeken in dat wat wij hebben? Wij leven in een sfeer, in een wereld; je hebt een geloof, een gedachte. Je hebt iets, dat je als een taak in je leven ziet. Je hebt iets wat je voelt als een kracht, die voor jou van belang en betekenis is. Zou dat ook geen Goddelijke kracht zijn?

Zou dat ook niet het Goddelijke licht zijn? Laat ons proberen de alle daagse vaagheid er van af te nemen, dan zullen wij zien, dat wij iets kostbaars hebben. Maar nog is het niet genoeg. De ruwe diamant moet gekloofd en geslepen worden, voordat zij het verblindend sieraad wordt. Lang zullen wij moeten werken voor wij uit de alledaagse waarden rond ons, die toch het Goddelijke licht bleken te bevatten, iets hebben gemaakt, dat dat licht uitstraalt en zichtbaar maakt. Maar hebben wij de edelsteen van het licht gevonden, dan dragen wij het werkelijk met ons mee. Dan is het niet een zon, die schimmig aan de hemel gaat en die je najaagt, die je doet versmachten en omkomen, of je teleur stelt door achter een wolkenbank schuil te gaan. De grote wijsheid van de zoeker naar het licht is, dat het licht in eenvoud geborgen is. Dat het licht in alle dingen tot uiting komt. Dat, wie dit begrijpt, de volheid van het bestaan ervaart in licht en vreugde, omdat hij leeft en zijn leven in de ware vorm ziet. Wanneer men het pad der inwijding gaat, krijgt men vele moeilijke taken en vele beproevingen. De tocht is zwaar. Wij zijn vaak de uitputting nabij. Maar wanneer wij de tempelberg betreden hebben en eindelijk gevonden hebben het moeizame pad, dat langs kloof en wand omhoog leidt, dan zien wij, dat van de tempel af een weg gaat, die ons zonder meer weer bij onze woning brengt. Een korte en gemakkelijke weg. Wij willen het altijd veraf zoeken. Wij willen het hoog zoeken. Maar het is zo dichtbij. Het licht, dat wij zoeken, leeft altijd in en rond ons. Het is aan ons om voor ons zelf dit licht te onthullen in de dingen, die ons nabij zijn. Dan kun je blijven, wie je bent, dan hoef je niet te worstelen met demonen en duivels in jezelf. Dan zie je langzaam uit het leven de kracht groeien, die je opneemt en draagt en leidt, die je anders maakt, als je je dat bewust bent. Er zijn veel zoekers naar geestelijk licht en velen zoeken op duizenderlei wijze overal, behalve daar waar zij het zeker kunnen vinden. God is lichtende kracht. God is leven. God’s licht is leven. Leeft Gij dan niet? Leef ik dan niet? Zijn wij dan doden, die rond dwalen en in een wereld van verdwazing? Wij leven toch? Het leven is zo dichtbij. De dingen rond ons, zijn die dan de dood? Of leven zij? Zelfs een huis vol dode dingen schijnt te leven, wanneer wij er zijn. De Goddelijke kracht, die uit u straalt, die in alles leeft, die alle dingen schept, bezielt alles. De dingen kennen elkaar en zij spreken tot elkaar. Overal rond u kunt Gij dat licht zien.

Een weerkaatsing van Uw eigen licht misschien, maar licht. God. Het licht, waarnaar wij zozeer begeren. Waar vinden wij het, waar zullen wij het ooit kunnen vinden dan in ons zelf? Waar is een weg, die anders voeren kan dan tot hetgeen wij zijn. Waarom zouden wij dan naar buiten toe strijden? Het is voldoende, wanneer wij het licht althans begrijpen, wanneer wij weten, dat het er is, zoals, wanneer op een grauwe dag, je weet, dat het licht er is; het plotseling je opvalt, dat er kleur en glans is, ondanks alles. Dat er in de regen schoonheid geborgen kan zijn, die soms de stralende zon niet wekken kan. Zoek dan het Goddelijke licht in uw wezen. Zoek het toch. Ik heb er al een klein beetje van gevonden, maar heil weinig. Ik ben de kaffer, die van het gewone steentje een stukje af heeft geslagen en een glimp van glans heeft opgevangen, meer niet. En hoe gelukkig maakt het mij. Hoe vol is mijn bestaan geworden, nu ik dit weet. Hoe vol kan uw wereld zijn.

Licht, het licht van onze geestelijke zon, van onze Schepper, dat is een ding, waar wij alle dagen mee omgaan. Wij zijn er zo zeer aan gewend, dat wij het niet zien. Wat zijn wij een dwazen, grote dwazen. Maar niet zo dwaas, of onze dwaasheid realiserende, zullen wij proberen om er wat aan te doen, nietwaar? Wij zullen proberen om het licht, dat in ons leeft, te vinden; wij zullen proberen het lichte, het wonderlijke van God’s goedheid te zien in alle dingen, die gebeuren rond ons en die rond ons zijn. Wij willen niet meer als blinde dwazen, als stamelende idioten het leven voorbij gaan, de dingen, die alle waarden hebben in het leven.

Wij willen niet meer alleen in een droom verder weg grijpen in een ledige ruimte, waar een zon speelt, misschien wel miljoenen jaren weg. Wij zullen het licht zoeken, waar wij het bereiken kunnen, in elke sfeer, in elke vorm, in ons wezen en wat daar rond is. En dan zullen wij misschien wat minder dwaas worden. Althans, dat hoop ik.