De splijtzwam

image_pdf

10 juni 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er nog aan herinneren, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Heden zou ik u willen spreken over: De splijtzwam.

Indien onze vriend Henri hier aanwezig zou zijn, zou hij ongetwijfeld stellen, dat de splijtingen onder de mensheid hoofdzakelijk aan het gezwam te danken zijn. Ik meen dat wij in deze dagen de aandacht wel mogen vestigen op de voortdurend voorkomende splitsingen, die zowel politiek en economie als ook godsdienst, esoterie etc. aantasten. Er moet een verklaring te vinden zijn voor de te grote verdeeldheid, die de mensheid in de richting drijft van een steeds verminderd bewustzijn, een steeds groter gebrek aan zelfkennis en wereldkennis.

Stellen wij allereerst, dat elke waarheid, die geopenbaard wordt, een eenvoudige waarheid moet zijn. De waarheid kan niet ingewikkeld zijn. De waarheid kan ook nooit geheimzinnig zijn. Zij is, zij bestaat en zij moet passen in alle bekende verschijnselen en wetten der natuur. Wanneer wij God zoeken als de bron en de kern van alle waarheid, zo is het wel zeker, dat deze God geen bijzonder complex wezen is. Hij is niet raadselachtig, iets, dat wij wel kunnen overzien, maar waarmede wij geen raad weten. God, zover Hij voor ons kenbaar is, zal eenvoudig en oprecht zijn zonder meer. Wanneer wij naar de mensen luisteren, dan blijkt, dat haast een ieder een eigen opvatting heeft over wat God zei over wat Hij zelf is. Elk voor zich meent de wijsheid in pacht te hebben. Waar komt die wijsheid vandaan? Ons blijkt, dat zeer vele mensen angst hebben voor de eenvoud; men vreest, dat bij een eenvoudig geloof, een eenvoudig denken, een eenvoudig direct handelen, men gehouden zal zijn aan hetgeen men gelooft, verklaart of doet.

Het is daarom, dat men alles ingewikkeld tracht te maken. Niet voor niets is de splijtzwam, waar wij over spreken, het beste kenbaar in ambtelijke en theologische taal. Dezen vloeien over van voorbehoud, toegevoegde gedachten, interpretaties en indelingen in sub a en b. Het aantal mogelijke interpretaties aangenomen uitzonderingsgevallen en afwijkingen is haast ontelbaar. De mens verschanst zich hier achter de onzekerheid, om zich zo de eigen onvolledigheid te kunnen verbergen. Op het eerste gezicht is deze verklaring wel zeer somber.

Bijvoorbeeld uit de politiek. Wanneer er een topbijeenkomst is, een wereldconferentie, een UNO bijeenkomst, zo blijkt ons al snel, dat een ieder de waarheid vanuit zijn eigen standpunt belicht, maar dat men het over de waarheid zelf meestal wel eens is. Wanneer er een topbijeenkomst is, zo zijn allen het er over eens, dat er vrede moet heersen op de wereld. Maar een ieder eist tevens, dat zijn eigen interpretatie van vrede zal aanvaard worden. Wanneer men spreekt over atomen, zo zijn allen het eens, dat de ongeregelde proefnemingen moeten worden gestaakt, omdat deze voor de mensheid te gevaarlijk zijn. Maar een ieder eist, dat dit staken op zijn manier en volgens de door hem gegeven regels zal plaats vinden. In een UNO-bijeenkomst blijken de geachte afgevaardigden het zeer vaak in principe eens te zijn, maar zij voeren een grote en lange strijd over de vraag, hoe dit dan wel geformuleerd zal worden. Men weigert elkaar medewerking en komt, alleen om de formulering tot het afwijzen van plannen, die voor heel de mensheid een zegen hadden kunnen zijn. Indien u zich de moeite getroost de moderne berichtgeving te volgen, kunt u daaruit verder uw eigen conclusies trekken.

Nu kan ik mij dit alles in geval van politiek nog enigszins indenken. Hier gaat het om macht, om begrippen van rechten, bezit, beheersing van wereldmarkten en economische verhoudingen. Het is menselijk. Daarom kunnen wij het optreden van de splijtzwam hier tenminste nog begrijpen en onder enig voorbehoud zelfs nog wel aanvaarden. Dit laatste is niet meer mogelijk, wanneer het gaat om godsdienst. Er is één Christenheid. Er kunnen niet meer soorten van Christenen bestaan, want er is maar één Christus geweest. Jezus’ leer wordt dan ook door alle Christelijke groepen uit dezelfde evangeliën genomen. Alle Christelijke gemeenschappen aanvaarden dezelfde evangeliën. Hoe zou het dan komen, dat zovele gemeenten elkaar zo sterk bestrijden en belasteren, dat de Christenen zo sterk verdeeld zijn? Zeker niet, doordat het zo moeilijk is Jezus leer te begrijpen. Wat Jezus leert, is al heel eenvoudig: Mens, wees goed voor je naasten, geloof in je God, probeer het materialisme uit je hoofd te zetten en, door jezelf te kennen en te richten op het Goddelijke, in te gaan in het Koninkrijk Gods. Dat is eigenlijk alles.

Al, wat er verder aan gelijkenissen wordt gegeven, alles, wat wij verder over het leven van Jezus horen, is slechts een onderstreping van deze eenvoudige leer, deze simpele waarheid. Men strijdt dan over het ritueel, de vorm, de plaats van de priester in de gemeenschap.

Stel nu eens een vraag in andere context. Is het, wanneer je honger hebt, nu zó belangrijk, of je met je handen moet eten, of met vork en mes? Wanneer er grote honger heerst, is het voedsel de noodzaak. De wijze waarop dit wordt genoten, komt eerst op de tweede plaats. De strijd tussen de Christenen doet mij denken aan een aantal mensen, die besluiten een gebied, waarin hongersnood heerst, te gaan helpen. Zij strijden er over, of men eerst eten moet brengen, dan wel eerst moet zorgen, dat er voldoende juist gedekte tafels in dit gebied aanwezig zijn. Ook in het christendom is er vaak een partij, die meent, dat de correcte wijze van beleving belangrijker is dan de beleving zelf. Dwaas!

Ook andere dwaasheden zien wij te over. Onder de Christenen vinden wij bv. vele groepen en groepjes, die een uitverkiezingsleer aanhangen. Zij willen gaarne boven de mensheid verheven, uitverkoren zijn. Wanneer je op de achtergrond gaat kijken, zul je vaak nog een minderwaardigheidscomplex vinden, of een zich gekrenkt voelen. Neem bv. het ontstaan van de reformatie.

Hier hebben wij wel degelijk te maken met een pogen terug te keren tot een eenvoudiger en juister Christendom. Maar daarnaast vinden wij in de hoofdfiguren een nijd tegen de wereld, een zich miskend gevoelen, een verzet tegen bestaande toestanden, dat juist de hervormers aanzet tot een zeer bepaalde interpretatie van Jezus leer. Indien je dit verder ontleedt, wordt het geheel van deze geschiedenis nog pijnlijker. Ons blijkt dan, dat velen in Duitsland zich reformeren, omdat zij hierdoor zonder meer beslag menen te kunnen leggen op het bezit van de kloosters en zo het bezit in de dode hand tot hun eigen bezit maken. Op deze manier verder denkende, vraagt men zich af, of vele van de splitsingen, hervormingen, verdeeldheden niet ontstaan door een steeds weer verwarren van geestelijke aangelegenheden met stoffelijke.

Al te vaak lijkt het mij, dat men Goddelijk Licht verwart met stoffelijk gezag en harmonie in de kosmos met een persoonlijke uitverkiezing. Is het noodzakelijk, dat er in de godsdienst dergelijke grote verschillen bestaan? M.i. niet. Ik meen zelfs, dat de Christen, de Moslim, de Hindoe en de Boeddhist eenzelfde doel hebben. Zij zoeken immers elk op hun eigen wijze naar een contact met God. Indien wij dit primair stellen, dienen wij elkaar te helpen om dit streven te verwezenlijken en dan heeft het weinig zin er over te strijden, wiens weg de meest juiste is, elkaar aan te vallen, uit te maken voor heidenen enz. Toch valt steeds de nadruk op de verschillen, niet op de overeenkomsten.

Vreemd, maar nog vreemder wordt het, wanneer wij gaan zien naar de vele verschillende inwijdingsscholen en esoterische systemen. Hier zie ik, hoe verschillende richtingen in de kern het gelijke aanhangen. Zij geloven allen gelijkelijk in een voortbestaan na de dood. Zij geloven allen aan de wet van oorzaak en gevolg, die zelfs door reïncarnatie de noodzakelijke correctie aan kan brengen, wanneer een mens niet in staat was voldoende compensatie te scheppen in één bestaan. Allen geloven aan de mogelijkheid door de scholing van lichaam en geest reeds op aarde een zeker contact met het Goddelijke te bereiken. Allen zijn het er over eens, dat de mens zichzelf dient te leren kennen en zijn omgeving dient te leren begrijpen, terwijl hij de werkingen van die omgeving a.h.w. dient te kunnen vastleggen. In stelling en streven dus een zeer grote eenheid.

Nu het vreemde: A zweert bij yoga, B bij onthoudingsproeven, C dat het spreken over bepaalde onderwerpen het meest belangrijke is. Daarom verwerpen zij elkaars stellingen en verklaren vaak openlijk, dat de andere groep minderwaardig, dwaas, of kinderlijk is. Dit begrijp ik niet goed. Deze splijtzwam is – zeker op dit terrein – iets demonisch. Zij ontneemt juist in het laatste geval de mens al te vaak de mogelijkheid van anderen te leren. Zij verwijdert de mens van de gemeenschap, waarin hij gelukkig kan zijn, de gemeenschap, waarin hij de beste resultaten zou kunnen boeken. De waan, die met deze gespletenheid gepaard gaat, maakt het de mens zelfs vaak onmogelijk hulp te aanvaarden van mensen of groepen, die hem helpen kunnen.

Overigens zien wij dit in heel de wereld. De westerling zou in vele gevallen voor zijn problemen baat hebben gevonden bij de filosofen van het oosten. Maar het is slechts met pijn en nood, dat men in het christendom, in het begin tenminste, de Griekse filosofen nog aan durfde te halen. Verder durfde men niet te gaan. Al het andere was immers duister en demonisch? Het lag dan ook voor de meeste Christenen ver buiten de grenzen van eigen denken.

Bij inwijdingsscholen zien wij vaak precies hetzelfde. Er zijn richtingen te over, die stellen: Wij geven u de juiste leer. Bij ons kan je tot een inwijding komen… . Dit is juist en waar, maar dan vervolgt men: Daarom mag je geen deel uitmaken van een andere groep, je mag niet luisteren naar de lessen van die andere groep en zo mogelijk dien je van het bestaan van die andere groep zelfs geen kennis te nemen… . Waarom zou een mens het recht niet bezitten uit het geheel van het voor hem bereikbare het voor hem meest juiste, meest hanteerbare te nemen?

Waarom zouden niet allen – zoals in enkele genootschappen dan toch mogelijk blijkt – ongeacht hun geloof en hun denkwijze, samen kunnen werken om verder te komen? Het ontkennen van deze mogelijkheid, of het bestrijden van een gebruik van deze mogelijkheid, is bij inwijding en godsdiensten in gelijke mate een typisch verschijnsel.

Bij de esoterie gaat het vaak nog verder. Nu is de esoterie een moeilijk terrein, want men zoekt niet alleen naar kennis van eigen wezen, maar zoekt daarnaast al te vaak het onverklaarbare te verklaren. Dit verklaren van het onverklaarbare is dan aanleiding tot vele diepzinnigheden. Men tracht bv. God te definiëren. Maar wij kunnen God alleen vanuit ons eigen standpunt definiëren en mogen niet stellen, dat elke andere definitie à priori onjuist is. Wij trachten de verhoudingen van geestelijke krachten en mogelijkheden vast te leggen, maar kunnen dit alleen vanuit ons standpunt doen. Hierbij geleid door eigen denken en beperkt door de mogelijkheden van eigen wereld. Dit alles kan door zijn eenzijdigheid nooit geheel volledig en juist zijn.

Zonder mijzelf te houden voor iemand, die alle dingen weet en wiens oordeel het enig juiste is, zou ik toch gaarne trachten de splijtzwam te bestrijden door van mijn kant eens iets te stellen over esoterie, inwijding en geloof. Ik ben mij ervan bewust, dat ik hierbij eenzijdig ben en laat u gaarne de mogelijkheid uw eigen interpretatie aan dit betoog te verbinden. Indien u het met mij eens bent, zou u misschien het punt, waarop wij het eens zijn, als basis kunnen nemen. Dit kan dan de basis zijn voor een samenwerken en streven, niet alleen met ons, maar ook met de vele andere mensen, die hetzelfde basispunt op dezelfde wijze kennen.

Ik begin dan met een zeer oude stelling der esoterie. De mens, die in de wereld leeft, werpt zijn handelingen in de wereld uit. Hij ontvangt uit de wereld hetzelfde terug, want wat hij uitzendt volgens leven, denken en werken, is niets anders dan zijn eigen wezen, zijn persoonlijk zijn en denken. Hij is dus slechts vatbaar voor hetgeen hijzelf in de wereld stelt. Hij is alleen hiervoor werkelijk geheel gevoelig en ondergaat dus juist dit.

Conclusie: elk leven in de wereld, dat bewust is, bevordert de zelfkennis. Wanneer een mens zijn God zoekt, zij het in geloof of door redeneren en denken, vergeet hij over het algemeen, dat wij met het woord God het alomvattende aanduiden. Het is onmogelijk te stellen, dat iets, wat in de Schepping bestaat, niet uit God zou zijn. Zelfs indien wij in een duivel blijven geloven, zo zullen wij aan moeten nemen, dat deze uit en door God geschapen is, terwijl hij voortdurend door God in stand wordt gehouden. Dit houdt in, dat wij, indien wij God ook hierin trachten te vinden, God Zich ook hierin voor ons openbaren en kenbaar maken kan. In het Al kan het dan ook niet onze taak zijn iets te verwerpen, of iets te aanvaarden. Onze taak is slechts in het Al te vinden, met welke waarden wij harmonisch kunnen zijn en uit welke waarden wij het Goddelijke kunnen proeven en kunnen vinden.

Dit laatste vraagt een kleine verduidelijking. Op een gegeven ogenblik komen wij voor een moeilijkheid te staan. Wij hebben gezocht, gedacht, maar wij lopen vast. Wij stellen namelijk vast, dat er toch kwaad in de wereld is, of dat er veel in de wereld is, wat niet rechtvaardig is, veel wat wij niet kunnen begrijpen, aanvaarden, of ondergaan op de juiste wijze. Hier tegenover stellen wij dan, dat het gestelde vanuit ons ogenblikkelijk standpunt voor ons wel juist kan zijn, maar toch alles, wat gebeurt, zijn zin en betekenis heeft. Niets wat in deze wereld geschiedt, zou weg gelaten kunnen worden, omdat zonder dit immers de Schepping niet volledig en volmaakt zou kunnen zijn.

Dit geldt dan ook voor onze eigen dwaasheden en fouten, evenzeer als voor onze grootste bereikingen. Ook dezen zullen behoren tot een groot kosmisch plan. De wijze, waarop wij dit alles beleven is onze eigen zaak. Indien wij uit het Licht weten te putten, wanneer wij zelfs in het diepste leed toch nog een vreugde kunnen vinden, dan zullen wij juist door deze kracht beter kunnen beseffen wat God in feite betekent in Zijn Schepping. Overigens is dit een persoonlijke mening van een betrekkelijk grote groep, waartoe ik ook behoor.

Wanneer ik geloof, kan ik door dit geloof veel volbrengen, wat mij zonder dit geloof onmogelijk zou zijn. In de praktijk geldt, dat een mens, die door geloof of angst eigen beperkingen en begrenzingen vergeet, tot een prestatie komt, die het veelvoud is van zijn normaal presteren. Dit geldt zowel op lichamelijk als geestelijk terrein. Mag ik dus stellen, dat elk geloof – ongeacht zijn inhoud – waardevol is voor de mens, omdat het zijn prestatievermogen vergroot? Leven zonder geloof is onmogelijk. Om het geloof op de juiste wijze te kunnen verwerken, zullen wij dit geloof moeten zien als onze persoonlijke benadering van God. Geloof vergt voor elke mens steeds weer een nog begrijpelijke voorstelling. Geloof in abstracties is alleen mogelijk, indien wij de symbolen hiervoor weten te vinden. In de Phytagorese school gebruikte men hiervoor het algebra, dat niet alleen een mogelijke vereenvoudiging van de rekenwijze inhoudt, maar ook wel degelijk een filosofie. Slechts wanneer de mens door symbolen de beleving en zijn geloof uit kan drukken, hebben dezen voor hem betekenis. De wijze, waarop hij de symbolen gebruikt, zowel als het soort van symbool dat wordt gebruikt, zullen alleen betekenis hebben in relatie tot het Godsbeleven en buiten dit geen werkelijke zin hebben. Laten wij onze symbolen zo goed mogelijk leren begrijpen, zo concreet mogelijk maken. Wanneer een ander geloof met zijn symboliek ons wat onbegrijpelijk voorkomt, mogen wij nooit stellen, dat dit geloof zinloos is, of – een uitdrukking, die helaas nogal eens wordt gehoord – een poppenkast. Wel mogen wij zeggen, dat een bepaald geloof voor ons geen werkelijke betekenis heeft, omdat wij de inhoud ervan niet kunnen beleven of gebruiken. Het is belangrijk, dat wij dit doen, alleen op deze wijze kunnen wij elk geloof, eenvoudig of zeer hoogstaand, respecteren met al zijn gebruiken en toch gelijktijdig onze eigen godsvoorstelling, godsdienst, ritueel en symboliek zonder enige belemmering ook daar blijven gebruiken ter bevestiging van onze eigen innerlijke waarden.

De grootste verdeeldheid onder de mensen komt voort uit hun behoefte zich van de massa te onderscheiden. Elke mens, die zich van de massa onderscheidt, dient zich t.o.v. de massa te handhaven. In 99 van de 100 gevallen doet men dit door zich tegen de massa te verzetten. Dit is niet juist. Wij kunnen ons nooit door verzet bevrijden, wanneer dit verzet tevens tracht de massa te breken, haar wetten en waarheden te verwerpen, of als minderwaardig te zien. In dit geval zullen wij door het afstand nemen van de massa geen enkele stap geestelijk verder kunnen komen. Wel kunnen wij uit de massa groeien en reeds nu worden tot een symbool van hetgeen de massa eens zal kunnen bereiken. Indien wij hierbij denken aan de oudchristelijke term: “Broeders en zusters” kunnen wij hierin een duidelijk beeld vinden.

Wanneer er een familie is met vele kinderen, waarvan er één een genie is, dan zal om deze ene de gehele familie bekend worden, eer ontvangen en zo nodig hulp. Het kind, dat door het verwerpen van zijn familie beter tracht te worden dan deze, zal nooit meer een werkelijk behoren tot deze familie kunnen bereiken. Ongeacht de bereiking zal dit kind dan ook in eenzaamheid ondergaan.

In de psychologie vinden wij verklaringen voor de vereenzaming en haar ontstaan. Ook leren wij, hoe uit de verwerping van het milieu, de behoefte ontstaat zich in een ander milieu in te passen om zo de eenzaamheid te ontkomen. Vandaar, dat men slechts aan de massa kan ontsnappen en voortbestaan door zich tot een soortgelijke massa te wenden. Dit is binnen de kosmische verhoudingen niet zo eenvoudig. In feite is de massa, waartoe wij ons wenden, dan identiek met de massa, waarboven wij menen verheven te zijn, waaraan wij dachten te ontkomen. Vandaar, dat wij bij alle streven uit moeten gaan van de wereld, waarin wij leven, de mensen, waarin wij onszelf kunnen erkennen. Indien wij meer kunnen worden dan deze anderen, zo kunnen wij dit alleen blijven door hen voortdurend tot onszelf op te heffen. Wij kunnen nooit een blijvende verheffing bereiken door anderen iets te ontnemen. Elk pogen om van anderen iets van waardigheid, geloof, inzicht, of gebruiken te ontnemen, zonder dat wij in staat zijn hen iets beters daarvoor te geven, dat ook voor henzelf aanvaardbaar en interpreteerbaar is, moet dan ook demonisch en zelfzuchtig worden genoemd. Overigens is dit laatste een van de meest voorkomende oorzaken van de splijtzwam, zowel in kleinere groeperingen en verenigingen, als in werelden en volkeren.

Ten laatste: Wanneer wij een inwijding ondergaan, mogen wij deze inwijding nooit beschouwen als behorende tot een genootschap of behorende tot een bepaalde groep, een bepaald geloof, of een bepaalde zienswijze. Elke werkelijke inwijding immers moet kosmisch zijn. Ingewijd worden, betekent immers ingaan tot een grotere eenheid met het totaal zijnde, een beter leren kennen van het totaal zijnde en een in zich dichter tot de Schepper van het zijnde treden. Indien ik dit stel, mag ik tevens zeggen, dat elke inwijding, ongeacht de wijze, waarop zij tot stand komt, in waarde en betekenis volkomen gelijk is. Er mag geen verschil worden gemaakt tussen een inwijding, die voortkomt uit een geloof, een spiritistische kring, Rozenkruisers, theosofie, maçonnerie enz., waar de inwijding – ongeacht haar bron – in wezen gelijk is. Het gaat niet om de weg, of de gevolgde methode, maar om de verinnerlijking, waardoor men – zichzelf kennende – leert begrijpen, wat de relaties en verhoudingen in de kosmos zijn, wat men zelf in die kosmos betekenen moet, waarvoor men eigenlijk zelf is geschapen, want dit is inwijding.

De gedachte, dat inwijding de mens een superioriteit t.o.v. anderen geeft, is dwaas. Hoe gaat het met het oudste kind in een groot gezin? Is dit vrijer, omdat het al zo oud is en zoveel weet?

Juist in het grote gezin krijgt het oudere kind de taak voor de jongeren te zorgen. Inwijding betekent niet: Vrijwording, maar: in staat zijn verantwoording te dragen voor de geestelijk jongeren. Ook dit verliest men maar al te vaak bij zijn streven naar inwijding uit het oog. Laat mij stellen, dat – ongeacht de wijze, waarop men tot inwijding komt – elke inwijding slechts dan voltooid is, wanneer men in zich de Goddelijke kracht en het Goddelijke Licht kent, het innerlijk geheim, de waarheid omtrent eigen wezen beseft en voor zich in de kosmos eigen plaats en taak erkent, evenals de harmonische verhoudingen tussen ik en kosmos en de juiste taakvervulling, waarvoor men van den beginnen in de kosmos reeds bestemd is. Slechts indien hieraan beantwoord wordt, is sprake van werkelijke inwijding. Slechts op deze wijze wordt alle splijting terzijde gesteld en de ware eenheid, de enige waarheid ook gevonden en beleefd. Dan is het ook onmogelijk een behaald systeem de voorkeur te geven op andere dan persoonlijke gronden. Het is onmogelijk een bepaalde school of godsdienst te noemen, die in de mensheid de meeste ingewijden heeft voortgebracht. Want ingewijden komen niet voort uit richtingen, maar uit een innerlijk zoeken, een innerlijke honger naar waarheid, die hen tot God brengt.

Voor ik mijn betoog over “De Splijtzwam” ten einde breng, wil ik u nog een aanbeveling doen. Bedenk steeds en te allen tijde, dat eenheid met anderen belangrijk is. Belangrijk is het voor u en de wereld, dat u ook anderen in hun denken en streven kunt aanvaarden, dat u niemand veroordeelt of verwerpt, maar een ieder helpt om tot inwijding en bewustzijn te komen, indien hij dit begeert. Het is niet belangrijk, dat u een bepaald filosofisch, of ander systeem onderwijst; wel dat u een mens die innerlijke problemen heeft, zoveel mogelijk duidelijk tracht te maken, hoe hij verder kan. Het is in wereld en sfeer steeds onze taak elkaar bij te staan en te helpen. In de eerste plaats in geestelijk opzicht, maar daarnaast – indien een noodzaak hiertoe blijkt – ook wel degelijk in materie en kracht van de wereld, waarin wij leven. Wie zich aan deze regels houdt, bevordert niet alleen de eigen bewustwording, maar ook de totale bewustwording van de wereld, zodat allen tot besef van de voltooide Schepping kunnen komen.

  • Wat u als inwijding stelt, is zoveel omvattend, dat het niet opeens bereikt kan worden, maar trapsgewijze benaderd moet worden. Men zou kunnen zeggen, dat er meerdere inwijdingen noodzakelijk zijn om tot de laatste inwijding te kunnen geraken.

Te spreken over kleinere inwijdingen is hoofdzakelijk een kwestie van terminologie. Spreken wij bij de roos alleen van de bloem, of beseffen wij, hoe zij zich uit de aarde omhoog worstelt, eerst blad en doornen zal moeten vormen, voor zij in de knop haar grote bloei en vruchtbaarheid kan tonen? Zoals de roos, is ook de mens. Er is sprake van een groeiproces, ook innerlijk. Wij kunnen dit niet verantwoord in mootjes hakken. Indien men alle fasen van de groei als afzonderlijke inwijdingen aan zou gaan spreken, zou dit aanleiding geven tot grote misvattingen. Denk eens aan een boom. Je kunt haar ouderdom nooit vaststellen door haar omtrek in centimeters te meten. Alleen wanneer zij omgehakt is, kan men aan de jaarringen zien, hoeveel seizoenen zij groeide. Zo is het ook met de inwijding. Bij de inwijding bereik je steeds weer een nieuw vlak, maar van buiten af is de werkelijke fase van inwijding niet te herkennen.

Laten wij bovendien niet vergeten, dat de werkelijke en kosmische inwijding, waarover wij spreken, iets anders is dan de priesterlijke inwijdingsgebruiken, die men in de Oudheid kende.

Het inwijdingsgebruik van de Oudheid deelde inderdaad de inwijding in verschillende trappen in.

Wij kennen drie reeksen van negen trappen. Ook vinden wij drie hoofdtrappen van bereiking, die elk weer bestaan uit drie grote inwijdingen, die weer in drie fasen bereikt worden. Daarnaast kennen wij trapvoorstellingen van bv. 9×7 treden. Negen inwijdingsfasen, die elk dan weer uit zeven trappen van bereiken bestaan. Gezamenlijk is het aantal dan 63. Dit is gelijk aan negen, waardoor het hoofdgetal van een dergelijke inwijding 32 wordt. Deze indelingen zijn in feite willekeurig. Wanneer de mensen iets meer weten en toch op deze oude inwijdingen zich baseren, blijkt dan ook, dat zij alleen de eerste fasen omschrijven; het gevoel van behoefte aan inwijding, het werken aan de inwijding en het zich verwerven van de middelen tot de inwijding.

Voor deze drie trappen kent men proeven en controle. Voor alle andere graden bestaat dan geen controle of proef meer. Wanneer men dergelijke hogere graden al pleegt toe te kennen, zo geschiedt dit veelal door verkiezingen of benoeming. Op zich is dit heel mooi, maar het bewijst tevens, dat er geen werkelijke maatstaf voor alle fasen van inwijding bestaat. Dit is ook begrijpelijk, want in de inwijding is de enige maatstaf de innerlijke harmonie, die de mens bereikt met zijn God en de kennis, die hij innerlijk bezit omtrent zijn verhouding met het totaal van de kosmos. Dit is alleen innerlijk en in de persoon, maar nooit op andere wijze vaststelbaar.

Juist omdat er sprake is van een groeiproces zou ik dan ook niet graag willen spreken over verschillende inwijdingen. Daardoor zou ik onwillekeurig terug vallen tot de gedachte omtrent inwijdingsprocessen, die wij bij de menigte zo vaak vinden, tot de gebruiken ook van oude scholen, die immers slechts het begin van het inwijdingsproces weergeven, zonder ooit de voltooiing daarvan aan te duiden.

Ook de Pythagoreërs kenden drie klassen: Het leren luisteren, het leren hanteren en spreken, daarnaast het leraren en erkennen van harmonische waarden. Had men met succes de drie trappen doorlopen, dan gold men niet als ingewijde, doch slechts als iemand, die de middelen bezat om voor zich tot inwijding te komen. Slechts hij, die, in zich verzonken de middelen en instrumenten wist te hanteren, werd tot ingewijde. Hij gebruikte dan harmonieleer, wiskunde, algebra, bepaalde reeksen enz., maar was in wezen geen Pythagoreër meer. Dit is een eigenaardig verschijnsel, want deze erkenning, hoe waar ook, vinden wij zelden op aarde: De ware ingewijde ontgroeit aan de inwijdingsschool, omdat hij op een kosmisch vlak leeft en zich op het beperkte vlak van de school zich niet meer met voldoende vrucht kan bewegen.

  • Kan men deze inwijding geheel bereiken op aarde?

Dit hangt van uzelf af. De ware inwijding kan op zovele wijzen bereikt worden, dat het onmogelijk is het bereiken en ondergaan van een inwijding geheel afhankelijk te stellen van kennis, van vermogen, kracht, e.d. Al deze dingen zijn bijkomstig. Wanneer het ik zich kan verzinken in de Godheid, het contact met de Godheid kan vinden om hieruit dan de juiste gevolgtrekkingen te maken voor eigen relatie met de wereld en de kosmos, is er sprake van een inwijding en wordt men ingewijde. Dit kan soms in een zeer korte tijd voltooid worden. Om eerlijk te zijn; voor de meeste mensen en geesten vraagt het meer dan één enkel leven op aarde, of het bestaan in één enkele sfeer.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Het niets

 Wij spreken over het “Niets”.

Wist u overigens, dat het absolute Niets identiek is aan het Al? Dit klinkt vreemd, doch mag ik hier nog wel even over filosoferen.

Wanneer ik spreek over het Al, bedoel ik daarmede het totaal van het geopenbaarde. Wanneer ik spreek over het Niets, kan ik, waar God het enig werkelijke is, alleen bedoelen hetgeen niet geopenbaard is. Aannemende, dat Al in God bestaat, zal dat wat wij het Niet noemen, vanuit ons standpunt een potentie zijn, dan wel een negatief beeld van de Schepping in onze ogen. Het Al is voor ons werkelijk en wordt positief genoemd. Dat wat voor ons werkelijk heet te zijn, is slechts onze onvolkomen waarneming van het Oneindige. Waar wij alle kenbare verschijnselen het Al en alle niet kenbare verschijnselen het Niets noemen, doch in beide gevallen de waarheid Gods geheel bevat en geopenbaard is, mogen wij stellen, dat vanuit kosmisch standpunt beide waarden geheel gelijk zijn.

Om niet in de paradox gevangen te blijven, zullen wij trachten dit op meer menselijk niveau te brengen. Wanneer wij leven, vooral op aarde, vinden wij het vaak noodzakelijk bepaalde dingen als nietswaardig of volwaardig voor te stellen. Daarbij vergeet men over het algemeen, dat voor een dergelijke bepaling het eigen standpunt zeer belangrijk en alles bepalend is. Indien ik hier een klomp goud en een klomp lood neerleg om u een vrije keuze te geven, zult u het goud kiezen. Want, zo redeneert u, het lood is toch niets waard. Voor u is dit nu waar; toch kan er een ogenblik komen, dat het lood belangrijker is dan het goud. Naargelang de omstandigheden kan de waardering voor deze twee stoffen veranderen. Een ding hebben zij gemeen: Beiden zijn metalen en behoren tot de elementen, waaruit alles volgens de menselijke kennis is opgebouwd.

De waarde, die zij gemeenschappelijk bezitten, is belangrijker dan het verschil.

Wanneer wij de materie gaan ontleden, vinden wij stabiele en niet-stabiele atomen; wij vinden eenvoudige en zeer complexe atomen. Deze atomen kunnen van aard veranderen, maar hoe zij ook zijn, één ding hebben zij allen gemeen: zij bestaan allen uit kleinste deeltjes. Deze kleinste deeltjes zijn, ofschoon hun aantallen verschillen bij het lichtste en het zwaarste atoom, geheel gelijk. Alleen de verhouding kan verschillen. Indien wij naar de geaardheid van de materie zoeken, zullen wij alleen tot een resultaat kunnen komen, wanneer wij niet de verschillen, maar de gemeenschappelijke waarden nagaan.

De doorsnee mens redeneert over het algemeen volgens de weg der eliminatie: hij stelt vast, wat hem niet past. Wat hij overhoudt, is dan voor hem het juiste. Dit systeem is bruikbaar en geeft in de wetenschap, maar ook beperkt zelfs in de filosofie, resultaten. Dit geef ik gaarne toe.

Wanneer wij verder willen doorgaan, kosmischer willen leven, hebben wij aan het proces der eliminatie, dat door ons gebruikt wordt, niet veel. Indien wij zoeken naar de waarde, die in alle dingen gelijkelijk aanwezig is, vinden wij een waarde, die niet uit onszelf voortkomt, niet door ons gesteld werd, maar het wezen der dingen uitmaakt. Hierin komen wij dan tot het onderscheid tussen niets en iets: Het onderscheid tussen het voor ons negatieve en het voor ons reële of positieve. Wanneer in Al het gekende een waarde aanwezig blijft, zal deze binnen elke potentie mede bevat, binnen elke negatieve uiting bestaande moeten zijn. Daardoor wordt zelfs het negatieve voor ons hanteerbaar. Wanneer wij zoeken naar God, naar kosmische waarheid, zullen wij dan ook steeds uit moeten gaan van de gemeenschappelijke waarden, die wij in het leven kunnen vinden en niet van de kenbare verschillen. Wij letten dan alleen op verschillen zonder te beseffen, dat deze alleen door de gelijkheid van grondwaarde mogelijk worden.

Stel, dat twee dames over mode praten. “Dat schuin getrokken buste naadje en die rug plooi geven juist dat aparte karakter. Het rokje is schuin geknipt, daardoor klokt het zo leuk, daarom is het geheel zo geslaagd.” Wat vergeten deze dames in hun modepraatje maar al te vaak? Dat de stof, waaruit het model is vervaardigd, beslissend pleegt te zijn voor het succes ervan.

Wanneer een bepaald patroon in zijde wordt uitgevoerd, is het effect rijk; in goedkope bedrukte katoen – die overigens dezelfde kleur mag hebben – valt hetzelfde zeer tegen. Door te vergeten, dat voor de bereiking niet alleen het grondpatroon, de bewerking belangrijk is, maar ook wel degelijk de stof, waarmede deze wordt uitgevoerd, begaat men de fout, die men in de wetenschap zo vaak maakt; want de wetenschap tracht vaak via een eliminatieproces tot bepaalde grondlijnen te komen.

Men stelt: in -vak is het zus of zo. Men vergeet meestal hierbij te voegen: deze regels zijn wel juist, maar kunnen buiten mijn speciaal vak niet overal worden toegepast, dus zullen zij niet geheel juist zijn. Immers zal een grondregel, die voor mijn speciaal vak geldt, maar ook op alle andere gebieden evenzeer geldt, dan eerst universeel zijn. Men vergeet de noodzaak tot universeel denken en weten te veel, waardoor de moderne wetenschap maar al te vaak verzandt in een onvruchtbare specialisatie. Men vergeet steeds weer, dat er allereerst sprake moet zijn van grondwaarden, die alle vakken gelijkelijk omvamen. Dan eerst is een begrip werkelijk mogelijk. De filosoof, de atoomfysicus, de historicus en de geoloog etc., zouden gemeenschappelijke regels moeten kennen, die in elke richting gelijkelijk gelden. Dan zullen zij elkaar kunnen benaderen en begrijpen, zullen zij elkanders speciaal gebied kunnen zien als een aanvullende werking op eigen terrein. Zonder deze gemeenschappelijke waarde kent men dit niet.

Zolang van een gezamenlijke regel geen sprake zal zijn, hoort men steeds weer: dit betekent voor mij niets…, dit behoort tot een ander gebied, een ander vak… . Ook hier weer: Niets en Al.

Mijn eigen denken, míjn terrein van kennis is mij Al, al het andere is mij Niets. Gezien het relatieve van deze uiting, is dit op zich nog aanvaardbaar, wanneer men tenminste beseffen kan, dat het Niets – het Al van anderen dus – voor het Ik een grote potentie betekent, waaruit men moet leren putten. Daartoe zal men eerst de waarde ervan moeten aanvaarden, om, wanneer dit binnen eigen vak nodig lijkt, of bij een beoordeling noodzakelijk blijkt, ook met de waarden van anderen te leren werken. Volgens mij is het dan ook voor elke mens steeds

noodzakelijk in het leven de gemiddelde waarden te zoeken. Nu weet ik wel, dat je daarbij vaak stuit op verschijnselen, die voor jou minder prettig zijn. Je stuit bv. op het dierlijke in de mens. Dan schaamt men er zich voor in een ras thuis te horen, dat ook dergelijke praktijken nog kent. Maar die dingen tellen mee. Wij kunnen ze niet negeren, of uitschakelen. Zij zijn reëel. De theorieën, die geheel de wereld door alle tijden heeft gekend, hebben bepaalde waarden gemeen. Deze waarden vinden wij zowel terug in het laagst stoffelijke als in het hoogst geestelijke. Dezelfde factor moet in elke wetenschap, maar ook in elk geloof tot uiting kunnen komen, zij behoort deel uit te maken van elke filosofie, van elke aanvaarding. Zo bouw je a.h.w. een piramide op.

Wanneer een mens begint met het verzamelen van feiten, studie enz., begint hij een grondlaag te leggen. Deze bestaat uit helemaal afzonderlijke vakken, stenen, die elk voor zich van de andere geheel afgescheiden kunnen worden gezien. Wel passen zij bij elkaar, maar elke waarde blijft afzonderlijk. Wanneer de mens zijn begrip verhoogt en gaat vereenvoudigen, vallen er steeds weer stenen af. De bovenlagen worden steeds kleiner. Zij omvatten precies hetzelfde als de grondlagen, alleen mooi gecomprimeerd. Uiteindelijk wordt alles teruggebracht tot één enkele steen, die in vorm van de andere stenen zal verschillen: de top. Dit is de hoeksteen, die volgens Jezus verworpen werd en tot grondsteen is geworden. De top omvat dan de samenvatting van alle krachten, die in heel het Al geheel in gelijke mate te kennen zijn, in negatieve en positieve verschijnselen tot uiting komen en ons voor elk afzonderlijk gebied in de Schepping een grondwaarde geven, waardoor dit gebied voor ons te benaderen en te begrijpen is. De grondwaarde is belangrijk, niet de verschillen. Indien wij, gewapend met de grondwaarde in alle gebieden gaan zoeken, zullen wij in elk gebied wel ontdekken, dat bepaalde afwijkingen bestaan van hetgeen wij elders als wet meenden te moeten constateren. Omdat er een bindende gedachte is, kunnen wij deze verschillen verklaren en toch alles tot eenheid van denken en beleven samenvatten.

De wijze, waarop de mens handelt en denkt, is bepalend voor het uiteindelijke resultaat. Voorbeeld: Mensen zijn stenen aan het uitzoeken. Er zijn vele stenen van verschillende vorm etc. Nu gaat men zeggen: Dit zijn grote en dit zijn kleine stenen. Wanneer alles is uitgezocht, zien wij chaos; vele hopen stenen van gelijke waarde, zonder enige onderlinge samenhang, een ruïne, die nooit vorm heeft gekend. Een ander gaat zoeken naar hetgeen de stenen gemeen hebben. Hij zegt: De vlakken van deze steen passen bij vlakken van die steen. Ik kan deze dus samen passen. Zo vindt hij, dat de ene steen naast, of op, de ander behoort, terwijl een grotere steen als een pilaar in het geheel past. Wanneer deze mens klaar is, heeft hij een volledig bouwwerk. De kosmos is een bouwwerk. Wij moeten daarom de samenhangen trachten te vinden; wij zullen moeten beseffen, wat de dingen verenigt, niet waar de verschillen schuilen.

Onze aandacht dient te zijn gericht op eenheid. Pas dan kunnen wij beseffen, dat potentie en uiting dezelfde grondslag en kernwaarde bezitten, dat Al en Niet samen de tempel van het Zijn vormen, dat zij niets anders zijn dan de twee zijden van een medaille. Voor zich zal de mens dan beseffen, dat het beperkte leven, beëindigd door de dood en de oneindigheid zelf, ook slechts twee zijden zijn van eenzelfde medaille. Onvolmaaktheid en volmaaktheid behoren, zo ziet men dan, onscheidbaar tezamen. Alleen op deze wijze kunnen wij werkelijk zijn. Dit alles begrepen hebbende, bevatten wij dan voor onszelf de zin van het bestaan. Zo kunnen wij dan geestelijk verder komen en kan worden gesproken van een groei tot de werkelijke, of hoogste inwijding.

  • Dit sluit prachtig aan bij “de splijtzwam”.

 Ik zou op willen merken, dat wij, zolang wij zoeken naar de waarheid en dit onpartijdig doen, alle dingen zullen kloppen en bij elkaar zullen aansluiten. Maar zodra wij onze eigen overtuiging gaan gebruiken om het erkende een voor ons aanvaardbare en voor ons prettige vorm te geven, zullen wij ontdekken, dat het enige kloppen, dat nog blijft, meer lijkt op het kloppen van een zwerende vinger.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Praktische esoterie

Ongetwijfeld hebt u de laatste tijd al meermalen de zin gehoord: “Wij hebben maar weinig tijd meer”. Dit is inderdaad waar. In een wereld, die zo sterk verandert als op het ogenblik het geval is, kunt u niet meer voorzichtig zijn, kun je je niet te veel meer gaan richten naar het bevattingsvermogen van de mensen. Aan de andere zijde kunnen wij niet voorkomen, dat op bijeenkomsten als deze ook veel gepraat wordt, waar dit eigenlijk overbodig is. Wij zullen dus moeten trachten hier tussen een gemiddelde te vinden. De grondslag van ons werk is in de laatste jaren steeds sterker geweest, een de mens voorbereiden op veranderingen in zijn eigen leven, een hem wijzen ook op de invloeden, die hem van buitenaf zullen bereiken.

Gelijktijdig hebben wij getracht de mens rijp te maken voor een meer praktisch toepassen van de lessen der esoterie. Je hebt er weinig aan de mensen met theorieën te overstromen, zonder dat hier meer uit voortkomt. Wij stellen ons dan ook voor door discussieavonden, cursussen etc., de mensen duidelijk te maken, hoe zij tegenover bepaalde verschijnselen en toestanden in het leven dienen te staan. Daarbij zijn zowel probleem als oplossing natuurlijk van onze zijde uit bezien. Een belemmering zal altijd wel blijven bestaan voor een algeheel succes: U leeft op aarde, maar wij leven in een andere wereld en ervaren en beleven de dingen dus wat anders.

Wat voor u nog heel erg belangrijk lijkt, daar wordt door ons schouderophalend aan voorbijgegaan. Dingen, waar u zich druk over maakt, worden door ons terzijde gelegd met een: “Mens, waar maak je je eigenlijk druk over?” Omgekeerd zullen wij de nadruk leggen op punten, die u dan weer onbelangrijk lijken. Dit is nu eenmaal niet te vermijden.

De tendens van het afgelopen en zeker ook voor het komende jaar is als volgt: Wij hebben te weinig aan theorieën. Filosofie is alleen nuttig, zoverre zij ook in de praktijk kan worden toegepast. Het geven van stellingen heeft alleen zin, wanneer er ook sprake is van een praktische achtergrond, een gebruiksmogelijkheid. Een mens dient op deze wereld niet alleen als gewoon mens te leven, maar ook hoe geestelijk leven en denken te verenigen is met een stoffelijk bestaan. Dit laatste is heel goed mogelijk, zodat wij allereerst hierop een voortdurende nadruk zullen gaan leggen. Het programma zelf is minder belangrijk. De leden krijgen dat wel en zullen dus precies kunnen nagaan, welke onderwerpen wij nu eigenlijk hebben gekozen. Met één ding zal men dienen te rekenen: Wij zullen steeds meer op de praktijk af gaan, steeds sterker gaan hameren op de dingen, die uzelf en dit haast onmiddellijk, toe kunt passen. Regels, die u zullen worden gegeven, zijn alleen van nut, indien zij inderdaad toegepast kunnen worden. De regels, die u zullen worden gegeven in het komende jaar – zoals ook de laatste tijd reeds – zijn allen regels, die u zonder meer kunt gebruiken en volgen.

Niet voor een ieder zal de uitwerking van deze regels geheel gelijk kunnen zijn. Elke mens reageert wat anders. Wij menen, dat een mens, die leert voor zichzelf stoffelijk en geestelijk juist ingesteld te zijn en gebruik te maken van de verschillende psychologische en ook magische trucjes, die wij u zullen leren, in staat zal zijn een zodanige harmonie te bereiken, dat de geest op hen ook onmiddellijk in kan werken. Wij achten het buitengewoon belangrijk, dat een steeds sterker contact tussen mens en geest tot stand komt. Daarbij moet u niet rekenen op een onmiddellijk en onfeilbaar contact. Het onderbewustzijn van de mens heeft een zeer grote invloed in dit bereik. Voor men over dit werken uit eigen onderbewustzijn en fantasie geheel heen raakt, zal wel enige tijd verlopen. Wij rekenen in deze dagen, dat het meer waard is, u in de praktijk twee schreden dan in de theorie een gehele cursus verder te brengen. Ook de vrijdagavonden zullen steeds meer worden gewijd aan onderwerpen, waaraan u naar ons inzicht werkelijk iets hebt.

Het oordeel over bv. het eerste deel van deze avond kan zeer verschillend zijn geweest. Naast degenen, die het buitengewoon mooi vonden, zullen er ook zijn, die het maar zo-zo vonden.

Indien u geluisterd hebt naar de grondslag, die daarin ligt, zult u geestelijk verder kunnen komen. Ik wil u niet te lang bezig houden met onze voornemens. Wel wil ik u een paar kleine voorbeelden geven. Het schijnt immers op het ogenblik mode te zijn, dat iedere firma, die een nieuw product heeft, daarvan gratis monsters doet verspreiden. Ik zie niet in, waarom de O.D.V. hier een uitzondering op zou maken. Hetgeen ik u te bieden heb, is natuurlijk geen kippensoep, margarine, of schuurmiddel. In zekere zin is het zelfs nog esoterie.

Er zijn in het leven problemen, waarmede elke mens regelmatig geconfronteerd wordt. Een daarvan is de kwestie van sympathieën en antipathieën. Wanneer iemand u sympathiek is, zult u over vele van zijn fouten weg zien. U aanvaardt dan zo iemand zonder verder na te denken, of deze sympathie nu ook werkelijk en innerlijk verantwoord is. Als iemand je antipathiek is, wijs je zo iemand af. Doe je dat niet en overwin je deze antipathie, dan ben je zo beschaamd over je schijnbaar verkeerd oordeel, dat je dan alle fouten goed begint te praten, tot je een keer pijnlijk en definitief teleur wordt gesteld.

Wat zijn voor u hier de praktische regels?

  1. Antipathieën en sympathieën kunnen voortkomen uit stoffelijke waarnemingen van bv. handelingen of toestanden, die onbewust geregistreerd worden, maar niet tot het directe bewustzijn doordringen. Verder kunnen zij ontstaan door een zekere overeenstemming, dan wel tegenstrijdigheid van denken. Voor een juist oordeel hebben deze dingen slechts beperkte waarde. Wanneer wij iemand sympathiek vinden, zullen wij eerst na moeten gaan, of dit komt door de kleur van zijn ogen, zijn gedrag en dergelijke, voor wij verder gaan. Dan komen wij aan het meer geestelijke element hierbij. Wij zijn geneigd alle geestelijke krachten af te wijzen, die niet bij ons schijnen te passen. Hierbij speelt onbewuste telepathie een rol. De doorsnee mens heeft een bepaalde reeks van grondgedachten in zich. Hiermede werkt hij, zonder dat men dit beseft, leest men juist deze persoonlijke grondwaarden vaak af. Iemand kan ons dus ook antipathiek zijn, omdat wij in hem bepaalde plannen aanvoelen, die ons niet bevallen. Het aangevoelde kan betrekking hebben op aanslagen op ons bezit, onze idealen, maar ook voortkomen uit een groot verschil in culturele, of zedelijke waardering.

Wie zich te sterk door deze dingen laat beïnvloeden, zal daardoor vaak onjuist handelen. Het is raadzaam jezelf er aan te wennen sympathieën en antipathieën te beschouwen als werkingen van het gevoelsleven, die een redelijke bevestiging vragen, dan wel te niet moeten worden gedaan. Dat is wel mooi, maar niet zo praktisch. In de praktijk zullen gevoel en rede immers steeds met elkaar verward blijven. Wanneer iemand ons werkelijk sympathiek is, zullen wij eerst voor onszelf trachten na te gaan waarom. Indien wij ontdekken, dat dit geestverwantschap is, zullen wij trachten deze verwantschap voor onszelf zo uit te buiten, dat wijzelf daarmee geestelijk verder komen. Dus niet alleen sympathie, omdat wij de ander verder kunnen brengen, maar omdat ook wij kunnen leren. Alleen bij een wisselwerking heeft de sympathie werkelijk zin.

Bij antipathie zullen wij ons afvragen, van waar zij komt. Is dit te ontleden, dan zullen wij haar kunnen beheersen. Zo niet, dan stellen wij: Indien er voor ons geen geestelijk eenheid mogelijk is, een aanvoelen van elkaar, zo zal ik mij in handelingen beperken. Juist omdat er sprake is van een antipathie zal ik, zover ik met de persoon te doen heb, mijn gevoelsleven uit dienen te schakelen. Eerst op deze wijze kan men steeds tot een redelijk en verantwoord contact komen. Men wordt nu niet meer gebracht tot een onredelijk handelen en zal niemand werkelijk onrecht doen, terwijl daar, waarvan een werkelijk geestelijk contact sprake is, een wederkerig nut kan worden verwacht. Dit systeem is niet zo moeilijk, als het klinkt, maar vraagt wel enige training.

  1. Vele mensen zijn bang voor de dood. Dit is niet alleen een kwestie van een niet weten wat volgt. Zelfs wanneer je zeker weet in een hemel terecht te komen, zal je weinig lust hebben te sterven. De overgang is voor elke mens een belangrijke, maar ook moeilijke kwestie. Verzet daartegen hangt in hoofdzaak af van de vraag, wat het leven ons op aarde bieden kan. Op het ogenblik, dat het leven op aarde leeg begint te worden en ons leven geen zin meer heeft, zullen wij de dood gemakkelijker kunnen aanvaarden, tenzij wij door schuldgevoelens of angsten niet daarvoor terugschrikken. In het afgelopen jaar hebben wij gesproken over de kunst van het sterven. Belangrijker is het in de praktijk de dood tot een bewust deel van je leven te maken.

De oude Egyptenaren hadden lange tijd de gewoonte tijdens de feestmaaltijden en bijeenkomsten opeens een beeld van de dood te tonen. Dit werd niet gedaan om de mens aan de dood te herinneren als een dreiging, maar om hem in staat te stellen het leven intenser te genieten.

De dood moet voor de mens geen schrikbeeld zijn, doch een aansporing om nu – heden – in dit leven zoveel mogelijk te handelen, zoveel mogelijk te volbrengen. De mens, die aan de dood denkt als iets, wat hem duidelijk maakt, hoe beperkt zijn tijd op aarde is, zal meer presteren.

Hoe meer een mens in zijn leven presteert, hoe voller zijn leven is, hoe gemakkelijker hij ook de dood zal aanvaarden. Hij heeft immers de idee op aarde werkelijk iets volbracht te hebben.

Angst voor de dood is heel vaak een gevolg van een gevoel te kort te schieten, of ook wel een aanvoelen, dat men nog niet alles heeft genoten, wat die wereld een mens kan bieden. Hoe voller het leven, hoe gemakkelijker het sterven.

  1. De kwestie van de opvoeding. Een probleem, dat regelmatig weer op de voorgrond komt. De grote fout, die de mens bij de opvoeding tegenwoordig meestal maakt, is wel, dat hij zich te veel bezig houdt met de psychologie van het kind. Dat klinkt de meeste hedendaagse opvoeders natuurlijk als ketters in de oren. Elke mens, die in een maatschappij leeft, zal moeten leren zich naar die maatschappij te richten. Ongeacht het feit, of dit nu psychologisch aanvaardbaar lijkt of niet, of hij dit nu prettig vindt, ofwel het hem complexen bezorgt. Elke mens heeft in de maatschappij plichten. De maatschappij leert steeds weer – door ervaring – dat eerst vanuit de vervulling van de plichten een recht voort kan komen. Wanneer men de jeugd daarvan kan overtuigen en haar daarnaast de zekerheid verschaft, dat zij voldoende aandacht en genegenheid krijgt, zolang zij zich deze waardig toont, dan zijn vele der hedendaagse problemen in de opvoeding uit de weg geruimd.

Daarnaast is het noodzakelijk je steeds weer te realiseren, dat ook de jonge mens leeft als mens, dat hij een eigen wereld heeft en een eigen denken. De oudere heeft niet het recht daarin zonder meer en zonder zeer duidelijke redenen in te grijpen. Men kan nooit een jonge mens met goed gevolg dwingen het replica van de oudere mens te worden, hoe zeer deze laatste dit misschien ook begeert. Zou men daarin slagen, dan zou men de jonge mens daardoor feitelijk tevens te gronde richten. Laat elke jonge mens dus, mits hij zich houdt aan de vervulling van zijn plichten, zoveel mogelijk zijn eigen weg gaan. Waarschuw desnoods en wijs hem op de mogelijke gevaren. Dwing niet. Slechts daar, waar de jonge mens tégen zijn verplichtingen in zou handelen, heeft men het recht werkelijk en onmiddellijk in te grijpen. Zoals u ziet, zijn er vele praktische onderwerpen, die voor de mens van grote betekenis kunnen zijn.

  1. Stel nu de vraag, of men geestelijke mogelijkheden heeft en of men deze kan leren gebruiken. Elke mens heeft geestelijke vermogens en krachten, want elke mens draagt in zich een geest. Dientengevolge beschikt elke mens over geestelijke krachten en capaciteiten, ongeacht de wijze, waarop hij al dan niet in staat zal zijn deze stoffelijk beheerst te uiten. Mag een mens deze geestelijke krachten en capaciteiten dan gebruiken? Zeker. Het is zelfs de plicht van de mens dit te doen, mits het gebruik van deze geestelijke krachten en capaciteiten ook past in het kader van zijn stoffelijk leven. Het is voor de mens uit den boze alleen het geestelijke te uiten en daardoor het stoffelijke, of een deel van het stoffelijke leven, van zich af te wijzen, want als mens leeft men in de stof.

Mag men een mens geestelijk genezen en daarbij gelijktijdig de medische wetenschap terzijde schuiven? Neen, want de mens, die u geneest, leeft evenals u in de stof. Ook hij heeft zich, evenals u, te onderwerpen aan de stoffelijke gebruiken, verantwoordelijkheden etc. Slechts daar, waar op verantwoorde wijze een stoffelijk ingrijpen vertraagd kan worden, kan men trachten tijdens het uitstel tegen de medische verwachtingen in, in te grijpen.

Heeft het zin steeds weer contact te zoeken met de geest? Het heeft zin met de geest contact te zoeken, indien men bereid is die geest op voet van gelijkheid te ontmoeten. Een mens die de geest alleen wenst te zien als de alwetende leraar, zal over het algemeen zichzelf schaden door zijn weigeren zelfstandig te denken, te zoeken en te handelen. Hierdoor kan een groot deel van zijn geestelijke inhoud en leven teloor gaan. Indien men de geest op voet van gelijkheid ontmoet, betekent dit, dat men bereid is tot bekritiseren, te overwegen, maar anderzijds niet bang is eigen denken en mening tegenover de boodschap van de geest te stellen. Verder dient men er rekening mede te houden, dat men geen recht heeft de geest op te roepen. Dit laatste is ook een zeer belangrijk punt. Zelfs wanneer u zeer naar contact met een bepaalde geest verlangt, hebt u nog niet het recht deze geest op te roepen. Doet u dit toch en blijkt u in staat dit werkelijk tot stand te brengen, dan bent u al sterker dan die geest en heeft die geest voor u weinig betekenis. Kunt u de geest niet oproepen, dan zullen vaak andere geesten van lager gehalte antwoord geven in naam van de geest, die u roept. Dit is een misleiding, die u vele pijnlijke ervaringen kan veroorzaken.

  1. Daarnaast kennen wij de problemen van het huwelijk. Ook dit schijnt vaak moeilijk voor de mens te zijn. Want men vraagt zelfs wel eens: Wanneer moet je nu eigenlijk trouwen en wanneer niet? Vanuit ons standpunt is het antwoord zeer eenvoudig: Een huwelijk is nooit te berekenen, tenzij men het beschouwt als een zakelijk contact. In dat geval verdient het aanbeveling rekening te houden met de geboortehoroscopen van beide personen, daarnaast met bezit, sociale standing etc. Toch zal een dergelijke verbintenis maar zelden een werkelijk huwelijk zijn. Een werkelijk huwelijk kan o.i. alleen tot stand komen, waar in de eerste plaats reeds een gelijkheid van denken en streven aanwezig is, die uit kan groeien tot een gevoel van stoffelijke eenheid, dat daarom ook in de stof een uitdrukking vindt en eist. Geheel verkeerd is een huwen om alleen maar kinderen voort te kunnen brengen, of maatschappelijk veilig zijn lusten bot te vieren. In beide laatste gevallen zal het huwelijk zelden of nooit kunnen beantwoorden aan zijn hoge bestemming en zullen niet alle mogelijkheden worden verwerkelijkt, die het huwelijk als geestelijke beleving in zich draagt.

Uit de aangehaalde praktische punten zal het u, ondanks het wat caleidoscopisch karakter van mijn betoog, duidelijk zijn geworden, dat wij in staat zijn ook in meer praktisch opzicht de mensen te helpen en hen in hun mogelijkheden en plichten een beter inzicht te geven. Maar met al die stoffelijke raadgevingen zullen wij niet veel verder komen, wanneer wij hier geen praktische geestelijke raad aan toe kunnen voegen.

Kan ik geestelijke kwaliteiten ontwikkelen? Geestelijke kwaliteiten kan iedere mens door voortdurende oefening ontwikkelen. Het is dus niet een gave proberen te gebruiken, maar een voortdurend jezelf op de proef stellen. Pas wanneer je een volledige zekerheid bezit omtrent je gave, mag je haar ook voor anderen in de praktijk gebruiken. Door voortdurende oefening en training is de mens in staat vele geestelijke gaven te ontwikkelen. Geestelijke gaven staan in direct verband met de graad van bewustzijn en gevoeligheid van de persoon in kwestie.

Hoe kom ik tot zelfkennis? Je komt niet tot zelfkennis door pogingen tot zelfontleding zonder meer. Een mens die zich te veel tracht te ontleden, gaat de delen van zijn wezen wel bezien en kennen, maar beseft niet, wat hij als geheel betekent. Werkelijke kennis omtrent het Ik wordt wel in de eerste plaats vergaard door een voortdurend acht slaan op de betekenis, die men in de wereld heeft voor anderen. Wanneer je weet, wat je voor anderen betekent en wat je voor anderen bent, terwijl je daarnaast je mening over jezelf kent, is het je mogelijk reeds zeer veel omtrent je eigen wezen te weten. Zoek niet eerst naar de grote innerlijke kennis. Wacht tot je in het stoffelijke en meer uiterlijke leven voldoende kennis en ervaringen hebt opgedaan. Wanneer je in jezelf doordringt, dien je niet naar een redelijk proces te zoeken. Op een gegeven ogenblik ligt de weg naar zelfkennis immers juist op een gebied, dat door de rede niet meer beheerst kan worden.

Hoe kan ik iets doen voor de wereld? Goed denken en goed handelen. Dat is allemaal gemakkelijk gezegd. Maar voor elke mens is een oplossing in eigen omgeving mogelijk, die heel wat praktischer is. Opvallend is daarbij, dat je voor de mensen in je omgeving vaak al heel veel kunt doen door er zorg voor te dragen, dat jezelf niet teveel te kort komt. Dat klinkt weer vreemd in de oren van de esotericus, maar het is waar. Een mens die honger heeft en een ander ziet eten, blijft prikkelbaar. Een mens die zich voortdurend als minderwaardig gevoelt, is niet in staat een ander werkelijk afdoende te helpen Zorg dus voor jezelf, begrijp, wat je voor anderen feitelijk waard bent. Begrijp, wat je wel en wat je niet kunt doen. Weet precies, wat je wilt. Dit betekent tezamen, dat je voor de wereld het beste kunt gaan doen, want daardoor kan je eigen belang plus het belang van de wereld overzien en eigen doel sneller en nauwkeuriger overzien.

Zonder een gevoel van gebreken of tekorten kun je de wereld als een gelijke benaderen en helpen. Dit bevordert ook geestelijke eenheid, die door gedachtekrachten dan verder uit gedragen kan worden.

Mag ik deel nemen aan een inwijdingsgroep, aan een groep, die verder gaat dan normaal? Natuurlijk mag u dat, maar voor u daaraan begint, dient u zich wel eerst eens af te vragen, of u er werkelijk wel rijp voor bent. Inwijding betekent in de meeste gevallen het volgen van een bepaalde scholing. Je kunt nu eenmaal geen kind van de kleuterklas opeens naar de H.B.S. sturen, laat staan naar de universiteit. U kunt niet zo zonder meer aan een in wijdingsgroep deel gaan nemen. U zult zich wel degelijk eerst moeten voorbereiden.

Wat moet ik doen voor inwijding? Gebruik de middelen en instrumenten, die u gegeven zijn.

Elke mens heeft in zijn leven bepaalde capaciteiten, gaven en mogelijkheden. Maak hiervan gebruik zoveel en zo goed als je kunt. Dan vindt elke mens op een gegeven ogenblik op zijn weg een boek, een les, een oord, dat voor hem een bijzondere betekenis heeft. Beschouw dit alles als bouwstof, als materiaal, waarmee jezelf moet werken. Gebruik alle gaven, die het leven je schenkt. Daardoor kun je zoveel verder gaan, dat inwijding mogelijk wordt.

Is yoga goed? Het antwoord op dergelijke vragen moet wel zeer relatief gegeven worden. Voor de een zijn deze dingen zeer goed, voor een ander gevaarlijk of schadelijk. Een algemene beantwoording op dergelijke vragen is niet mogelijk. Om daaraan tegemoet te komen, zullen wij trachten de antwoorden op dergelijke vragen – tijdens de cursussen – tenminste iets persoonlijker te geven dan voordien. Hierbij wordt het antwoord afgestemd op de behoeften van de vrager en daarnaast uitgebreider gegeven in het algemeen. Bedenk, dat dit alleen een hulp kan zijn, maar dat men geestelijk niets geheel aan anderen over mag laten. Alleen wanneer je zelf doet, kom je verder.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 De wetten van harmonie.

Harmonie kan op 1001 wijzen worden uitgedrukt. Men kan haar uitdrukken door een incantatie, door geluid, door het samenvoegen van woorden, het dreunen van een trommel, zowel als het flitsen van gedachten. Harmonie is voor de mens in feite een zekere ontspanning. Wanneer wij naar harmonie zoeken met grotere wezens, grotere krachten, zullen wij onszelf eerst moeten ontspannen. Wij kunnen immers slechts met hen harmonisch zijn, indien ons wezen in staat is veel over te nemen van een hoger weten en een hogere kracht. Wanneer ons ik in staat is het grootste deel van eigen wezen in een ander wezen op te doen gaan, of aan een ander wezen over te dragen, is er sprake van grote harmonie. De wetten van harmonie zijn natuurlijk te ontleden. Wij komen dan tot vele verschillende gegevens en regels.

De kern blijft steeds het volgende. De mens kan alleen harmonisch zijn met datgene, wat althans voor het grootste deel gelijkwaardig is met zijn wezen. Daarbij zal hij harmonie slechts dan helemaal kunnen ervaren, wanneer hij de niet harmonische elementen in zijn wezen tijdelijk weet te onderdrukken of beter nog, te vergeten. De harmonische mogelijkheden, die voor ons bestaan, worden niet alleen uitgedrukt tussen mens en mens, gelijke geest en gelijke geest, of in de hoogste vorm tussen ik en God. Elke mens heeft een eigen betekenis en plaats in de kosmos. Er zijn mensen, die harmonisch zijn met lagere Lichtgeesten, anderen zijn harmonisch met Licht- vormkennende geesten. Daarnaast zien wij mensen, die hun hoogst harmonisch bereiken vinden in een eenheid met niet meer vormkennende Lichtkrachten, maar ook wel mensen, die één weten te worden met kosmische krachten. Dit wordt vaak uitgedrukt door te stellen, dat de mensen door hun geestelijke ontwikkeling behoren onder een bepaalde heerschappij of troon, dan wel, dat zij behoren tot de harmonische groeperingen van een bepaalde aartsengel. Dergelijke gebieden omvatten natuurlijk niet slechts enkel krachten, geesten, of mensen. Zij bevatten zeer grote gebieden, die zowel in stof als geest bestaan.

De samenstellingen van deze groepen zijn wel zeer different. Het doel van een harmonisch zijn met een dergelijke groep is niet in de eerste plaats een rusten, maar een absorberen van hetgeen in die macht bestaat. Daar, waar een harmonie bestaat, dan wel de macht aanwezig is tot een harmonische werking, zal een enkele gedachte in het geheel zijn weerklank vinden en elk deel daarvan op eigen wijze beroeren. D.w.z., dat een gedachte, die in de hoogste sferen ontstaat en daar kosmisch is, in de mens weerklank vinden kan, maar dan op menselijk vlak, volgens eigen menselijk bewustzijn en de in de mens bestaande geestelijke waarden. Harmonie kan alleen behouden worden, wanneer elke impuls geuit wordt. Wanneer wij een impuls ontvangen en wij trachten deze in ons te besluiten, voor onszelf te behouden, zo sluiten wij ons daardoor van het Goddelijke af. Eerst wanneer wij de ontvangen krachten en het ontvangen weten verder schenken aan anderen, zullen wij in staat zijn hernieuwde krachten en weten uit het Goddelijke of het hogere te ontvangen. Dit geldt evenzeer voor geestelijke groepen, waarmee wij harmonisch zijn. Juist met lagere krachten kunnen wij niet harmonisch zijn, evenals met mensen, tenzij er sprake is van een voortdurende uitwisseling.

Op het ogenblik, dat wij alleen geven, zal er een ogenblik van verzadiging aan de andere kant optreden. Op het ogenblik, dat wij alleen trachten te ontvangen, zullen wij op een gegeven ogenblik zoveel ontvangen hebben, dat wij niets meer kunnen opnemen, waardoor de harmonie breekt.

Wanneer wij zoeken naar het grootst mogelijk bereiken en daarbij de wetten van harmonie gebruiken als een grondwaarde voor ons denken en leven, zullen wij voortdurend er zorg voor moeten dragen, dat de kracht en het weten, die wij ontvangen, de levensinhoud ook, die wij erkennen als komende uit hoger wezen en hogere kracht, ook voortdurend uitdragen.

Wij dienen uiting te geven aan alles, wat er in ons leeft, opdat de harmonie kan blijven voortbestaan. Elke impuls, die vanaf de hogere krachten tot ons komt en door ons wordt geuit, betekent zo tevens een beïnvloeding van het hogere Zelf. Het is niet zo, dat wij alleen gemanipuleerd worden en bespeeld door hogere krachten als de snaren van een harp door de speler. Wij zijn allen snaren in hetzelfde kosmisch bestel. Sommigen van ons hebben een hoge toon, anderen zijn langer en dieper van klank. Wanneer één enkele snaar van een samenstel wordt aangeslagen klinken er anderen mee. Wanneer de klank van de andere snaar reeds gedempt is, terwijl haar invloed bij ons nog naklinkt, zo zullen wij in de veroorzaker van deze triller nu ook zelf weer een reactie wekken.

Wanneer wij leven volgens de wetten Gods, gaat er van ons een werking uit, die het Goddelijke, of het deel van het Goddelijke, waarmee wij harmonisch kunnen zijn, t.m.  bereikt, terwijl wij bij elke werking, die uit het Goddelijke, uit het Grote plaats vindt, voor ons de impulsen, het weten en het verwachten, die voor ons wederom de tekenen zijn van deze harmonische éénwording.

Logischerwijze zullen wij de wisselwerking van de geesten om moeten zetten in een daadwerkelijk samengaan. Wanneer uit het hogere in ons een verwachting, een weten, een zekerheid wordt geschapen, zo zullen wij daaraan uiting moeten geven. Wij zullen dit moeten verwerken, wanneer wij stofmensen zijn in het dagelijkse stoffelijke leven, in een leraren, een zoeken en werken in de geest, wanneer wij reeds tot het rijk van de geest behoren. Ook dienen wij, zelfs wanneer wij ons van een kosmische harmonie, of een contact met het hogere volgens de harmonische wetten niet bewust zijn, er steeds op te achten en vast te stellen, dat het

Hogere antwoord geeft op onze daden en gedachten. Vraag u niet af, onder welke groep u behoort. Het is niet belangrijk, welke engel, troon, heerschappij voor u de kern is van de harmonie. Belangrijk is, dat u met het hoogste, wat voor u bereikbaar is, inderdaad harmonisch bent, dat u de wisselwerking tussen het ik en het Hogere voortdurend in stand weet te houden.

image_pdf