De spreuken van de wijze

image_pdf

21 mei 1957

“De wijze dankt zijn wijsheid aan het feit, dat hij de beperking van zijn weten kent.”

Dit zal een ieder in de esoterie zich te allen tijde weermoeten voorhouden. Het gaat niet om het vele weten. Dat weten komt wel. Maar het kennen van je eigen begrenzingen, weten waar je zelf niet verder komt, dat is noodzakelijk. Want de praktijk vraagt een gebied betreden, dat je kunt beheersen, het zoeken, de ontwikkeling, de bewustwording en daarnaast het ontsluiten van nieuwe terreinen, waarin je langzaam maar zeker je ervaring opdoet tot het ogenblik, dat je ze ook in je praktisch leven kunt gaan gebruiken.

“De wijze zal altijd twee dingen gelijktijdig nastreven het bevestigen van zijn weten en het vergroten van zijn weten.”

Natuurlijk, u hebt een zekere wetenschap, en wanneer u langere tijd met deze groep hebt mee gestreefd, gezocht, gedacht, geluisterd, hebt u hier een behoorlijke hoeveelheid weten kunnen opdoen. Want onze betogen zijn niet alleen filosofie en theorie. Ze hebben altijd weer een ondergrond, die reëel is. Dat weten is belangrijk voor u. Want met dat weten kun je aan je leven gestalte geven, vorm geven. Je kunt ze baseren op de punten, die daaruit zijn voortgekomen. Het is gelijktijdig noodzakelijk, dat je tracht dit weten te vergroten. In de eerste plaats beleven, wat je weet. In de tweede plaats zoeken nieuwe gebieden te veroveren.

Er zijn nog een tiental spreuken, die hetzelfde steeds weerleven in een ietwat andere vorm. Maar voor ons wordt ongetwijfeld belangrijk het punt, waar de wijze zijn contact met de werkelijkheid begint te krijgen. Zo stelt deze reeks van spreuken: “De wijze weet, dat wat hij werkelijkheid, noemt waan is. Evenzeer weet hij, dat in zijn waan vele werkelijkheden kunnen schuilen. Hij weet echter voor alles, dat het beleven van zijn werkelijkheid waan of niet hem brengt tot een realiteit, die niet alleen gebonden is aan zijn eigen wezen.”

Dat is een beginsel. Als esotericus kan men zich niet altijd maar blijven vastklampen aan, dit is waar en dat is niet waar, dit is echt en dat is niet echt. Er zijn te veel punten, die zich onttrekken aan Uw beheersing en aan uw kennen. Het resultaat is, dat ge moet proberen om te leven met wat ge hebt in uzelf ook wanneer een ander zegt: “Uw wijze van beleven is niet goed.” Wanneer het de enige weg is, die u vinden kunt, is dat de weg voor u. Want de grondslag van alle dingen is waar. Wanneer de grondslag van alle dingen waar is, zullen wij alle dingen – hoe verwrongen we ze oorspronkelijk zien en beleven – tenslotte een waarheid kunnen vinden, indien we zoeken naar de kern van de zaak. En dat is het belangrijkste punt.

De wijze vraagt zich niet af: “Wat betekent dit voor mij”, doch altijd ” Wat betekent dit voor de wereld, die ik ken.” Zodra ge zelfzuchtig zijt, loopt ge vast in die zelfzucht, zoudt ge uzelf begraven in een wereld, die ge vergroot, omdat ge verwacht, dat de wereld zal beantwoorden aan uw streven, uw denken, uw wensen. Maar wanneer u afvraagt: “Wat betekent dit voor de wereld”, stelt ge Uw eigen standpunt bij dat van de wereld achter. U begrijpt dus beter de verhouding, die bestaat tussen u en de wereld, die zich als werkelijkheid aan u voordoet. Deze verhouding maakt het mogelijk juist in die wereld te werken.

De wijze echter is zeker niet tevreden met een wereld. Bij deze spreuken vinden wij dan ook: “De wijze beleeft een wereld, kent meer werelden en streeft naar alle werelden.”

De wijze leeft zoals u in een bepaalde wereld, evenals wij. Hij weet echter, dat er meer werelden zijn en zal ze leren kennen, bijvoorbeeld zoals wij neerdalen om hier met u te spreken en lezingen te geven. Hij weet echter, dat zijn wetenschap omtrent die werelden een te onbelangrijk deel is van het Al. Hij kan daarmee geen genoegen nemen. Hij zoekt dus zijn kennen en weten van werelden steeds uit te breiden.

“De wijze, die zijn eigen wereld beheerst, zal weten, dat deze beheersing doorklinkt in elke wereld, dis hij kan omvatten.”

Wanneer ge uw eigen wereld meester bent en dat klinkt moeilijker dan het is, want in feite vraagt het niets anders dan uzelf zo aan te passen aan de wereld, dat ge uzelf kunt blijven zonder u door de wereld te laten overheersen dan hebt ge een kracht in uzelf, die gelijkelijk geldt in elke wereld, waarin ge bewust kunt zijn.

Zo stelt de wijze nog veel meer punten. Hij omschrijft in deze reeks van spreuken zijn eigen beleving in verschillende werelden. En hij stelt vast: “Werelden verschillen, doch ik blijf mezelf. Wanneer ik mezelf echter verlies, zal er geen wereld voor mij bestaan.”

Het “ik” is en blijft primair. Niet omdat het ik zo belangrijk is, maar omdat het het enige punt is, waarvan ge kunt uitgaan om de wereld te veroveren, te leren kennen of te beleven.

Wanneer hij echter heeft aangetoond (het is een reeks van bijna vijftig spreuken), dat er meer werelden bestaan en dat een ieder, die innerlijk een zekere wijsheid bezit, met deze werelden in verband staat en daarin zichzelf beleeft, gaat hij over tot de praktijk van het leven. En dan komen wij spreuken tegen, die op het eerste gezicht misschien wat ongewoon zijn. Zo zegt hij bv.: “De wijze weet, dat zijn daad niets betekent, de reden van zijn daad alles,” en hij laat er onmiddellijk op volgen: “De wijze streeft dus zijn doel na, ongeacht de daad, die daarvoor noodzakelijk is.”

Het klinkt haast als een “Het doel heiligt de middelen.” Toch is dat niet helemaal waar. Want de wijze heeft immers betoogd, dat zijn doel buiten het ik ligt. Punt 1. In de tweede plaats, dat hij de wereld aanvaardt en dat hij in die wereld leeft, alsof ze reëel ware. Maar hij komt tot de conclusie, dat de beheersing van het ik meer het ik een belangrijk punk is voor elke wereld. En hij stelt dan: “Wanneer ik een handeling of een daad verricht, is ze deel van een waanwereld. Maar streven is haar werkelijke inhoud en betekenis. Anders niet. Dus is mijn daad gerechtvaardigd, wanneer ik beantwoord aan alles, wat ik in mijzelf draag.”

En wat hij in zichzelf draagt vinden we in een van de laatste hoofdstukken in een paar spreuken vastgelegd. Hij zegt hier n.l.: “De wijze is een mens. Want dat is de bron van zijn wijsheid.”

De wijze als mens beantwoordt aan de eisen der mensheid, echter volgens het bewustzijn, dat hij als mens in zich draagt. De wijze is aan niemand verantwoording schuldig behalve aan zichzelf, maar in zichzelf is hij verantwoordelijk, niet slechts voor zichzelf maar voor alle wereld, die hij kent. Om te besluiten “De wijze kent de kracht, die in hem woont. Uit die kracht put hij de rechtvaardiging zowel als het vermogen voor elke daad, die hij stelt, onverschillig in welke wereld. En zo puttende realiseert hij zichzelf in de oneindigheid, komende uit waan en beperking tot de onbeperkte waarheid.”

Ik geloof, dat ik daaraan niet veel behoef toe te voegen. Het geeft ons een inzicht in zeer oude opvattingen omtrent de ware mens en het ware leven. Het is een praktisch inzicht. En juist omdat het praktisch is kunnen wij het nader beschouwen vanuit een standpunt, dat zowel voor u als mens als voor ons in minder menselijke, maar geestelijke vorm acceptabel, reëel en verwerkelijkbaar is.

Zo beginnen we dan allereerst te vragen: Wat is onze wereld? Onze wereld is een samenstel van werelden, die elkaar beroeren en elkaar beroerend elkaar voortdurend beïnvloeden. De beïnvloeding, die zo ontstaat, maakt alle werelden tenslotte tot een geheel, daar geen wereld op zichzelf doch slechts middels de andere kan bestaan. Een belangrijk punt. Onze wereld en uw wereld zijn geen afzonderlijke eenheden. Zij danken hun bestaan aan de vele andere werelden, die rond hen zijn en hen beïnvloeden. Omgekeerd helpen onze werelden ook weer andere werelden in stand te houden.

Wanneer wij ons hiervan bewustzijn zullen we zeker niet terugschrikken voor de consequenties hiervan. Alles wat wij beleven, wat wij volbrengen, wat wij zijn, heeft zijn uitwerking en zijn betekenis niet slechts in onze wereld, maar in alle werelden die gezamenlijk onze wereld uitmaken.

Dat is natuurlijk voor een mens een zeer interessant maar ook belangrijk punt. Wat je doet, werkt niet alleen in deze wereld maar ook in andere werelden. Je moet niet denken, dat je alleen t.o.v. mensen kunt handelen of alleen t.o.v. de geest. Elke handeling die je stelt, beïnvloedt en de wereld der mensen en de geestelijke werelden, die je omgeven. Het interessantste en belangwekkendste daarbij is, dat dus de gevolgen in alle werelden worden gebaard door ons handelen.

Wanneer ik hier met de vingers knip, krijg ik bij u een reactie. Maar ik krijg door de daadstelling, door de gedachte, die eraan voorafgaat de impuls en tevens een reactie in de sferen. De reacties mogen onbelangrijk lijken voor degenen, die daarin leven en deze invloeden niet bewust ondergaan, zij is desalniettemin aanwezig. D.w.z., dat iemand op dat vingerknippen kan reageren met als resultaat een onmiddellijke werking op uw eigen wereld.

Het verband, dat tussen de werelden bestaat, is zo groot, dat geen enkel verstandig mens, geen enkele ook maar enigszins bewuste geest zal trachten, een definitieve scheiding aan te geven.

Wij nemen normalerwijze de dood aan als een begrenzing van het bestaan in uw wereld. Maar in feite is dat niet waar. Men kan een langere tijd aan die wereld gebonden zijn zonder daar stoffelijk deel van uit te maken. Men kan daar stoffelijk vele dingen ondergaan en in een voorstellingswereld volledig stof gebonden blijven. Vanuit het bewustzijn is dan dus de wereld nog steeds de begrenzing van het eigen bestaan. Omgekeerd kan men reeds, voor men door de dood stoffelijk deze wereld verlaat, geestelijk het contact met een andere wereld zo intens gevonden hebben, dat er op de duur haast geen onderscheid te vinden is tussen deze werelden.

Waar ge echter leeft in een wereld, die voor u toch altijd de kern van uw bestaan blijft uitmaken, zolang ge erin toeft, moet ge met het volgende rekening houden: “Al hetgeen bij een geestelijk beleven geschiedt, in een geestelijk beleven wordt aangeduid, wordt gerealiseerd, moet in overeenstemming met de regelen en wetten van de wereld, waarin ge zelf leeft, zo goed mogelijk en zo zuiver mogelijk verwerkelijkt worden.” Dat is begrijpelijk.

Wanneer ge in een andere wereld iets hebt gepresteerd, moet ge trachten dat, wat ge reeds hebt gedaan, ook weer voor uzelf dus in uw bewustzijn van werkelijkheid vast te leggen. En dat kunt ge alleen door deze impulsen, deze beleving zo goed mogelijk te herhalen in uw eigen wereld.

Ook het omgekeerde is waar. Wie een grote stap heeft gesteld binnen zijn eigen wereldbeperking en zijn eigen zij het schijnbare werkelijkheid, die tracht bij zijn belevingen in de geest zoveel mogelijk een gelijke toestand te wekken. Dat is helemaal niet een kwestie van noodzaak. U kunt het zonder dat ook. Maar juist door steeds weer een gelijksoortige uiting te stellen in elke wereld, die u beroert en bereikt, krijgt ge een absolute eenklank tussen die werelden.

Die eenklank houdt in: Waar een harmonie bestaat tussen verschillende werelden, zal hun onderlinge band de voortdurende en vaste leiding voorden in elke afzonderlijke beleving, die binnen een van die werelden plaats vindt. Voor deze beleving zal geput kunnen worden uit de krachten die in alle werelden ter beschikking van de persoon staan, die de realisatie ondergaat of voortbrengt. Er is geen grens in kunnen, in weten en vermogen tussen deze werelden, zodra deze realisatie geheel heeft plaats gehad dus harmonie.

Dat is in feite ook weer een magisch principe. Wanneer u een harmonie tot stand weet te brengen tussen verschillende werelden, kunt U daaruit in elke wereld een prestatie mogelijk maken, die normaal daar niet bereikbaar is. Of dat nu ligt in weten en kennen of dat het ligt in daden op ander gebied, u kunt dan de kracht van alle werelden, die voor U openstaan, in die ene wereld produceren.

Maar wanneer ik dat alleen in een wereld doe, dan loop ik vast want dan zal ik door die daadstelling in één wereld de harmonie tijdelijk of misschien zelfs voorgoed verstoren. Ik heb in deze wereld voor mij een nieuwe waarde gecreëerd, die in de andere niet aanwezig is. De wisselwerking bestaat wel, maar deze wordt door mij niet als zodanig gerealiseerd. U zult altijd weer in de magie zien, dat de magiër a.h.w. eerst symbolisch zijn handeling tracht te stellen in elk der aparte sferen en elementen, voor hij overgaat tot zijn realisatie in de eigen wereld. Hij doet dit om de harmonie tussen de door hem gekende sferen in zijn wezen niet te verstoren en zo voor de beheersing van hetgeen hij in zijn eigen wereld tracht te scheppen voortdurend alle krachten van haar sferen binnen zijn wezen te kunnen verenigen en hanteren. Een zeer begrijpelijk iets zou ik zeggen en ik geloof niet, dat er tot nog toe duistere punten zijn opgetreden.

Nu wil ik trachten om u een paar punten zuiver technisch duidelijk te maken. Dus we gaan ons even met de techniek bezig houden. Dit was grotendeel filosofie met aanduidingen in de richting van mogelijke realisatie. Op gevaar af dat ik u door herhalingen verveel, het volgende: Een groot gedeelte van de menselijke levenskracht Od-kracht, – eventueel mana – wordt onttrokken aan de omgeving. Zij is a.h.w., kracht in een praktisch niet materiele vorm, die gebonden binnen de materie ook voor u bereikbaar is. Elke juiste ademhaling vergroot dus de hoeveelheid kracht, die in het wezen aanwezig is. Echter ligt deze kracht op een grensgebied.

M.a.w. wat voor u levenskracht is, is ook voor ons levenskracht.

Het beste voorbeeld kan ik misschien geven door te wijzen op de invloed van onweders op bepaalde seances. Zij worden door de verhoogde elektrische spanningen in de lucht eenvoudig onmogelijk gemaakt. Het feit, dat statische spanningen de lucht elektrische verhoudingen sterk veranderen en daarmede ook de aanwezigheid van levenskracht op een ongewone wijze samenbundelen, maakt het praktisch onmogelijk eenvoudig normaal op te wekken verschijnselen op dat ogenblik te produceren. Zelfs wanneer men werkt met een zeer afgesloten geheel, zoals wij dit gewend zijn te doen, blijkt van onze kant steeds weer, dat weersomstandigheden, temperaturen, elektrische spanningen, vochtigheidsgraad e.d. mede invloed hebben. Zij hebben invloed op de toestand van het medium, de vermoeidheid van het medium, enz maar zij hebben ook wel degelijk invloed op de wijze, waarop wij contact kunnen krijgen met onze toehoorders. Dus die kracht is zowel voor ons als voor u bruikbaar en belangrijk. Het is dus een invloed, die zuiver materieel verschillende werelden met elkaar verenigt. En dat is het punt waar ik heen wil.

Wanneer ik deze krachten heb, kan ik natuurlijk kunstmatig zo gunstig mogelijke omstandigheden gaan wekken. U kunt dat o.a. doen door bepaalde statische spanningen aan te leggen in een vertrek tussen vloer en plafond. Ik verander dan de lucht elektrische verhoudingen door mijn opgelegde, spanning in gunstige – of wanneer ik niet goed weet, wat ik moet doen – misschien in de meest ongunstige zin. Verder kan ik gebruik maken van een bepaalde ontbinding van zuurstof. Ozon bv. heeft bepaalde opwekkende kwaliteiten, die zij dankt aan een zeer speciale moleculaire structuur, waarbij een zekere energieafgifte gemakkelijk plaats vindt dan bij de gewone zuurstof. Wanneer wij echter te veel Ozon binnenkrijgen, zien we een eigenaardig verschijnsel. Ondanks het feit, dat alle andere gassen in normale hoeveelheden aanwezig zijn, ontstaat er een soort dronkenschap. Hieruit kan een soort vergiftiging voortkomen. Zo kunnen wij bij een teveel aan levenskrachten evenzeer als bij een tekort aan levenskrachten in onze omgeving lichamelijk daaronder lijden en ook geestelijk daarvan de invloed sterk ondergaan. Als wij ons hierop baseren, is het dus wel erg gewichtig, dat wij voor elk beleven esoterisch beleven, ook magisch beleven juist een ogenblik kiezen, dat de omstandigheden voor ons zo gunstig mogelijk zijn.

Nu blijkt dat de beste temperaturen voor verschillende mensen variëren. Over het algemeen liggen deze tussen 13 en 22 graden. Dat zijn de gunstigste temperaturen voor de mens om te werken, te opereren. Is de temperatuur hoger dan blijkt, dat lichamelijke spanningen gaan optreden, die ten slotte tot een soort versuffing of een soort afstomping kunnen leiden. Men is niet in staat zo te reageren, die krachten en die concentratie op te brengen, die men normaal wel zou opbrengen.

Zo hebben we ook de kwestie van de vochtigheid. Te grote vochtigheid werkt versuffend te grote droogte daarentegen schept lichamelijke spanningen, die geestelijk werk ook weer onplezierig maken. Van dit laatste zult u in uw eigen land weinig last nebben van het eerste meer, waarbij het nog zeer belangrijk is, hoe de vochtigheid in de lucht in vorm aanwezig is.

Een fijne nevel is bv. schadelijker dan een grote regenval. Een zware regenval kan weliswaar een zekere afsluiting van de wereld bevorderen dus een soort terugtrekken van het “ik” maar ze zal nooit het “ik” doen verdolen, d.w.z. in wanorde brengen, zoals fijne nevels dat kunnen doen. Zelfs de grove mist, die lichamelijk veel zwaarder te ondergaan is, heeft niet dezelfde schadelijke invloed op geestelijke werking. Wij houden dus rekening met deze toestanden. Dat is voor ons noodzakelijk.

Hebben we deze condities eenmaal gevonden, dan moeten wij er ons verder altijd van bewust zijn, dat onze werkingssfeer zeer beperkt is. Ons vermogen tot werkzaamheid gaat niet verder dan een reeks van werelden, die wij voor onszelf als werkelijkheid kunnen beleven. Ik hoop, dat dit voor sommigen geen al te zware slag is. Wanneer u dus alleen de eigen wereld werkelijk kunt beleven, dan moogt u zich alleen baseren op uw wereld. Anders niet. Dan moet heel uw leven, uw streven en werken daarop zijn ingesteld. Dan moogt u daarbij de hoogste idealen aanhangen, die uw eigen wereld mogelijk maakt. verder kunt u niet gaan.

Gelukkig zit hier een soort clausule aan vast. Het doet haast denken aan de ontsnappingsclausule, die men in sommige contracten vindt. Want, indien ik mij houd aan mijn eigen wereld en daarin het gunstigste nastreef, begeef ik mij zowel qua instelling van levenskracht, trilling van aura alsook afstemming van mijn normaal denkvermogen en het onderbewustzijn op een terrein, dat reeds behoort tot de laagste sfeer van een volgende wereld. Dus in feite leeft u, reeds in een volgende wereld en hebt u alleen maar af te wachten, totdat deze voor u duidelijker kenbaar wordt.

Nu zult u soms zo’n wereld beter kennen dan anders en u afvragen, waarom bij vlagen uw gevoeligheid voor een andere wereld bestaat en wegvalt. Ook dit is te verklaren. De gevoeligheid voor die wereld valt niet weg, maar zo goed als hier het peil der mensheid voortdurend fluctueert en dus sfeer, gedachten en instelling zich wijzigen, gebeurt dit ook in een andere wereld.

Op de ogenblikken, dat uw eigen instelling niet in overeenstemming is met wat in die andere sfeer gebeurt, bent u plotseling eenzaam. Die wereld is dan tijdelijk voor u iets, dat niet bestaat. Want u hebt contactpunten nodig. Zo zou het kunnen voorkomen, dat u in een lagere sfeer voortdurend thuis bent. Nemen we bv. iemand, die mediamiek begaafd is of helderziend is. Men is gewend regelmatig met wezens van die andere wereld te confereren, hen te bezoeken, waarnemingen te doen in die wereld, en op een gegeven ogenblik krijgt men dat contact minder en minder en dan niet meer. Die mens zou dan tot het idee komen: dan ben ik zeker uit die wereld gestoten. Het tegendeel is meestal waar. Wanneer die mens n.l. werkelijk ten goede streeft, heeft hij zijn eigen bewustzijn verhoogd tot een peil, dat reikt boven de directe en onmiddellijke, werking, die in die sfeer plaats vindt. Zijn zoeken naar hoger en niet naar gelijk plaatst hem dus volgens eigen concentratie en denken geestelijk boven de wereld, die hij kende. Hij moet wachten op contacten in die nieuwe wereld, voordat hij deze wereld als werkelijkheid kan beleven.

Ik hoop, dat dit voor sommigen tevens een praktische aanduiding is.

Ik wil echter terug tot de normale mens, want daarmede hebben wij te maken. De normale mens moet dus leren zo goed mogelijk zijn omstandigheden, zijn condities te kiezen. En nu zijn er bepaalde invloeden, die voor een mens van belang kunnen zijn, wanneer het om zijn gedachteleven gaat. U moet daarbij de volgende punten voorlopig meer proberen te onthouden.

De zon, het ondergaan van zonlicht en zonnestraling, betekent een bevestiging in het levensprincipe van uw eigen wereld, maar tevens aan mogelijke verheffing boven die wereld.

Als gevolg zullen meditaties, concentratieoefeningen e.d. in vol zonlicht over het algemeen weinig stoffelijk kenbaars produceren. Zij zullen daarentegen wel een grote geestelijke verdieping kunnen betekenen.

Maanlicht draagt een zeer eigenaardige invloed in zich. Het maanlicht is een weerspiegeling van de zon. Het heeft de eigenaardige kwaliteit om de mens vooral wanneer de condities voor het denken (eventueel suggesties van buitenaf) ook gunstig daarvoor zijn in de eerste plaats zichzelf te doen ervaren en beleven. Wie mediteert in maanlicht, meditere over zichzelf. Hij zal een zuiver beeld van zichzelf kunnen krijgen en vele dingen omtrent zichzelf kunnen ontdekken, juist in een dergelijke meditatie. Degene echter, die in zonlicht mediteert, meditere over kosmische en oneindige principes. In dit geval wordt het hem n.l. gemakkelijker mogelijk juist daarin door te dringen.

En dan nog iets: Onder zonlicht verstaan we niet alleen direct zonlicht maar ook weerkaatst zonlicht, mits geen gepolariseerde reflex. Misschien weer erg technisch. Laten we het zo zeggen een normale reflex, zoals u op aarde kent van zonlicht, is dus even waardevol als direct het licht van de zon voor uw meditatie. Maar indien bepaalde eigenschappen van het zonlicht daaraan worden ontnomen (dat krijgt u bv. wanneer op een gegeven ogenblik kleuren wegvallen in de reflex, in de omgeving) dan valt deze eigenschap van zonlicht ook weg. Dus als u zich zult bevinden in een omgeving, waar het licht hoofdzakelijk blauw weerkaatst, dan moet u niet denken, dat u dezelfde resultaten kunt krijgen als bij zonlicht, waarin deze reflex niet voorkomt. De absorptie en weerkaatsingsverhouding bepaalt dan een andere beïnvloeding van uw wezen.

  • Wanneer iemand geen zonlicht kan verdragen door een bepaald ziekteverloop, een soort vergiftigings…, wat heel veel gebeurt in de tropen?

Men zegt wel eens wie het felle zonlicht niet verdraagt, zette zich in de schaduw. Ook daar schijnt de zon. Daarom zeg ik uitdrukkelijk, dat niet het directe zonlicht alleen hier wordt bedoeld. Maar er is een verschil tussen een u onttrekken aan directe zonnestralen en een u  afsluiten van het zonlicht. Dat zult u toch met mij eens zijn. En ik geloof niet, dat er een mens op de wereld bestaat, voor wie het zonlicht direct schadelijk is, terwijl hij lichamelijk enigszins normaal is. Dus zelfs wanneer men de directe felle zonnestraling niet dadelijk verdragen kan, kan men toch – zelf beschut tegen de onmiddellijke straling -, als reflex genieten en ik heb er op gewezen, dat hier dezelfde resultaten mee te behalen zijn. Zij zullen misschien iets minder zijn, maar dat is toch niet veel.

Wanneer wij nu weten, dat we de beïnvloedingen en de stralingen op eigen wereld altijd kunnen gebruiken om onze eigen instelling in een bepaalde richting te leiden, zal het ons ook duidelijk worden, dat wij door onze eigen wereld te gebruiken als training in een bepaalde richting voor onszelf de vermogens tot uittreden in bepaalde werelden en begrippen steeds vergroten. Nu keer ik weer even terug tot de wijze: “De wijze weet, dat alles middel is en niet doel. Want wie een doel aanvaardt, beperkt zich. Maar wie al gebruikt als een middel om al te beleven, is het leven.”

Wanneer u zich een bepaald doel gaat stellen, dan is dat heel aardig. Dat maakt u mogelijk, om binnen een zekere beperking verder vooruit te komen. Uw bewustzijn te vergroten. Maar er komt een ogenblik, dat u ontdekt, dat specialisatie de dood is van het bewustzijn. M.a.w. dat u te eenzijdig gaat denken en daardoor uzelf afsluit voor andere bewustwordingen, voor andere realisaties. U zult altijd gebruik moeten maken van de mogelijkheid uit vele richtingen gelijktijdig te ondergaan en te beleven. Hebt u dit gedaan, dan kunt u zich niet meer een bepaald doel stellen. Dan is het grootste deel van het bestaan a.h.w. het bestaan. Er is geen verschil meer tussenzijn en het doel van het zijn. Ze zijn beiden een. Kan men zich dit realiseren, dan zal men begrijpen, dat het zoeken naar een innerlijke harmonie in feite is het scheppen van een harmonie in het zijnde. Deze conclusie is begrijpelijk.

Dan, mijne vrienden, gaan we weer een ogenblik heel gezellig terug tot de vaagheid, die over het algemeen aan de esoterie eigen is. Dat moet ze wel zijn, omdat de esoterie nu eenmaal niet in staat is scherp te definiëren, waar zij de persoonlijke beleving van een ieder als even belangrijk en gewichtig erkent en dus slechts zeer algemene erkenningen, gaande over een zeer groot gemiddelde, kan stellen en definiëren.

Om werkelijk bewust te worden, je intens te realiseren wat er mogelijk is, moet je leven. Maar het leven zelf lijkt ons soms een beperking tot het vaststellen van al, wat we doormaken. Een mens komt vaak tot de conclusie dat hij, wanneer hij alles beleeft wat er te beleven is, geen tijd overhoudt om zichzelf te zijn. Dit is oppervlakkig waar. Maar degene, die alles beleeft en ondergaat met het doel juist daarin zichzelf te vinden en zichzelf te zijn en zo in de vergroting van het eigen bewustzijn tot realisatie van het Goddelijke te komen, die legt van te voren voor heel zijn wezen geest en stof gelijkelijk een conditie vast, die bepalend is voor elke beleving.

De beleving zelf is identiek geworden met bewustwording.

Een bewustwording is voor ons een noodzaak. Niet “weten”. Weten zal voor de wijze iets zijn, dat hij altijd zoekt te bereiken, mits het in overeenstemming is met hetgeen hij uit zichzelf als streven erkent. Want het weten is slechts een middel tot zelfrealisatie. Kennis is iets, dat wij in onszelf bereiken en er is een groot verschil tussen weten en kennen. Kennen is een-zijn met geheel begrijpen. Weten is de oppervlakte. De werkelijke waarde van het leven kan nooit aan de oppervlakte liggen. Verborgen onder de uiterlijk heden, die wij ondergaan, die wij nastreven en doormaken, liggen de diepten van de eeuwigheid. Het zijn de diepten van de eeuwigheid, die we zoeken. Wij kunnen dit niet doen door ons af te zonderen van de oppervlakte. De duiker, die de geheimen der diepzee wil nasporen, zal eerst de waterspiegel moeten doorbreken en afdalen. Wanneer wij onszelf een impuls willen opleggen om de diepte, de werkelijkheid te zoeken in al, wat wij beleven en doormaken, dan bereiken wij voor onszelf een impuls, die zelfs wanneer wij menen de oppervlakte door te maken gelijktijdig het daar onderliggende peilt. In ons groeit geen kennis. In ons groeit een innerlijk weten, een begrip dat je niet onder woorden kunt brengen, een voelen, een eenklank met….. Ja, met wat? Met het Al.

Deze eenklank nu met het Al is belangrijker dan alle dingen. Het Al legt ons geen beperkingen op dat doen wij zelf.

De beperkingen, die wij ons opleggen, worden geboren uit ons erkennen van de oppervlakte.

De oppervlakte van de werkelijkheid, die wij thans betreden en beroeren. Het is onze taak dit zo goed mogelijk te doen, want op het ogenblik dat wij alle remmen overboord gooien en zeggen “Nu ja, dit is toch maar de oppervlakte, beleef nu maar”, dan lopen we zelf vast, omdat we onszelf de mogelijkheid hierdoor ontnemen, de diepten, die schuil gaan onder het uiterlijk beleven, voor ons zelf te realiseren. Maar hebben wij ons dan gehouden aan de wetten, die onze huidige oppervlakkige belevingen en de samenleving ons opleggen, dan kunnen wij ongetwijfeld door het ondergaan van de ondergrond het verborgene zonder het zelfs maar te kunnen denken of te formuleren voor onszelf een steeds grotere eenheid voelen met de werkelijkheid. Dit voelen van die eenheid is belangrijker dan iets anders. Ik heb het al gezegd. Het is zo belangrijk, dat dit doorvoelen van de werkelijkheid ons toegang geeft tot die vele werelden, die met elkaar in contact staan, die elkaar onderling in stand houden.

Het beleven van onze wereld of krachten uit onze wereld kan voor u nooit iets redelijks zijn. U kunt proberen om er een redelijke beschrijving van te geven, het aan te duiden, maar u kunt het niet. Wanneer u dat doet dan beperkt u het en vernedert u het a.h.w. enigszins tot uw eigen wereld. Een werkelijk omschrijven van wat u doormaakt, van wat u beleeft kunt u niet.

Dat is maar goed ook, want anders zoudt u een andere wereld maar kunnen dwingen in het harnas van wat u thans werkelijk noemt. Dat mag niet. Maar u leeft dus in al die werelden. En van al die werelden draagt u waarden in u. Op deze manier brengt het leven ons een kapitaal.

Een kapitaal, dat uit te geven is in elk geestelijk gebied, dat we ooit zullen beroeren.

Om u een voorbeeld te geven: Uw werkelijkheid heet Nederland en u zult hier verschillende banktransacties volbrengen. Nu kunt u proberen alles terug te brengen tot Nederlands geld en Nederlandse koers. In de eerste plaats zult u daarmede wisselverliezen hebben, in de tweede plaats zal het een heleboel moeite betekenen dus tijdverlies. Maar u kunt ook die gelden in eigen valuta laten staan. Niet samensmelten tot een eenheid, rustig het gescheiden zijn daarvan accepteren. Dan zult u, ongetwijfeld moeite hebben om bv. een Zweedse Kroon in Nederland uit te geven. U zult ze als het noodzakelijk wordt kunnen inwisselen. Maar stelt u het zo lang mogelijk uit. Want de wereld is groter dan Nederland. Er zal een ogenblik zijn, dat u in Zweden bent, of in Duitsland, Frankrijk, België, Zwitserland of Oostenrijk. Wanneer u daar komt, hebt u de valuta van het land nodig om u zo vlot, zo prettig mogelijk te bewegen. Dan heeft de valuta van uw eigen land maar een beperkte waarde. Nu weet ik wel, dat dit in het internationaal geldverkeer niet helemaal waar is. Maar stelt u zich nu eens voor, dat er grenzen zijn tussen die landen, waardoor u geen valuta kunt overbrengen, zodat u alleen maar wat u in België verdient in Belgische munt kunt behouden en wat u in Frankrijk verdient alleen in Franse munt. Wat dan? Dan zoudt u natuurlijk kunnen proberen om het terug te brengen tot iets van uw eigen wereld, maar dan zou er helemaal niets overblijven.

Daarentegen, wanneer u in die landen komt, hebt u niets aan guldens, die u in Holland verdient.

Zo staat het nu met de verhoudingen tussen verschillende sferen en werelden. Op het ogenblik leeft u a.h.w. in Nederland. Uw grondkapitaal is dus stoffelijke werkelijkheid. Maar terwijl u werkt en actief bent in die stoffelijke werkelijkheid, verricht u ook werkzaamheden in de aangrenzende gebieden: staten, die door een zeer scherpe afscheiding vanuit uw wereld a.h.w. afgesloten zijn. Zoudt u nu zo dwaas zijn uw gelden van daar hier onder te brengen en hier te besteden? Neen. U bewaart ze in die andere gebieden, opdat u daar over enig kapitaal kunt beschikken.

Zo gaat het met de esoterie, met de geestelijke wijsheid. U kunt nooit door volledige esoterische waarheid een beleving tot een zuiver stoffelijk redelijk iets maken. Doet u dat, dan ontwaardt u haar, er blijft niet veel meer over, en gelijktijdig verarmt u uzelf in de geestelijke gebieden, die ook – al lijkt het op het ogenblik misschien niet zo – minstens eren belangrijk zijn voor uw ego, voor uw ik-heid, als de wereld, waarin u thans leeft. Leer dus innerlijk rijkdommen te vergaren van de meest verschillende gebieden.

Daarbij geeft u natuurlijk de voorkeur aan de lichte sferen zoals u bij een verzamelen van verschillende valuta’s ongetwijfeld aan harde valuta’s de voorkeur geeft omdat wat u in een donkere sfeer wint aan bewustzijn, aan kracht, erg vergankelijk is. Wat u in de lichte sfeer wint wordt eeuwiger en onvergankelijker, naarmate die sfeer in zichzelf meer licht draagt.

Licht is a.h.w.de basis van ons kapitaal, het goud van ons leven, overal gelijkwaardig.

Een esotericus mag dus eigenlijk niet eens proberen zijn werkelijk beleven in stoffelijke vorm te omschrijven. Hij moet juist trachten in zichzelf, een geheel te vormen van verschillende werelden, die het hem mogelijk maken in eigen wereld juist zo te handelen, als voor hem en hier en in andere werelden het beste is. Dit houdt in, dat de doorsnee esotericus niet in menselijke zin door de rede geleid wordt. Hij wordt geleid door iets hogers en belangrijkers door de innerlijke kracht, die in hem leeft, het innerlijk bewustzijn, dat hij niet kan uitdrukken of omschrijven, waaraan hij geen uiting kan geven, maar wat, voor hem voldoende is om aan de hand daarvan zijn handelingen en daden te bepalen.

o-o-o-o-o

Daad, Motief, Doel, Waan, Werkelijkheid

  • Mag ik een voorstel doen? Zoudt u een these willen opbouwen uit de vijf begrippen: Daad, Motief, Doel, Waan, Werkelijkheid.

Die these zou je heel eenvoudig zo kunnen zeggen: De werkelijkheid van het wezen drukt in de waan van het bestaan krachtens de motieven, die op waarheid berusten, in schijn de daad uit, waardoor de schijn van de daad een realisatie wordt van het motief en het motief een bewustwording, waar uit de bewustwording de werkelijkheid voortspruit Het is allemaal eenvoudig. Maar we kunnen het allemaal wel uiteen gaan rafelen en dan komen we in de eerste plaats terecht bij motief en daad. Het zijn twee, dingen, die zelfs in het menselijk denken met elkaar volkomen gereleerd zijn.

Een motief kan nooit bestaan, wanneer het geen oorzaak heeft. Een oorzaak kan liggen in een waan en in een werkelijkheid. In feite is het motief dus altijd een begrip omtrent eigen wezen en wereld, foutief of reëel, waaruit de drang tot een daad voortspruit.

Nu is het motief voor ons altijd veel belangrijker dan de daad. Want wij leven immers in een wereld, die niet volkomen werkelijkheid is. Dat moet je goed begrijpen. Er zijn trouwens. voorbeelden te over te geven, dat ook andere geestelijke richtingen en zelfs godsdiensten dit beseffen. Er bestaat een overlevering over een heilige, die overigens martelares is geworden en deze dame betaalde aan de veerman met haar lichaam zoals uitdrukkelijk in het verhaal staat, omdat het niet rechtvaardig was een werkman zijn loon te onthouden. Het motief rechtvaardigde in dit geval de daad.

Dat is begrijpelijk. Want wanneer wij iets doen, omdat wij het goede nastreven, dan is de daad de uitdrukking van onze wil ten goede, onverschillig wat de daad is. Als het motief goed is, is de daad dus goed. Maar we mogen niet vergeten, dat die daad gevolgen met zich meebrengt.

Die gevolgen liggen buiten onze waan. Die hebben voor een groot gedeelte hun basis in de werkelijkheid. En die werkelijkheid benadert ons in onze waandenkbeelden, dus de wereld, waaruit wij ons motief hebben opgebouwd. Daardoor wordt ons a.h.w. onder het oog gebracht, dat wat wij nastreven en wat wij trachten te bereiken niet altijd juist is en dat wij dat op een andere manier kunnen doen. Doordat wij veel van die ervaringen hebben, krijgen wij op de duur een beeld van iets: kijk, dat zou ik zo willen bereiken.

Een doel heb je niet zo maar. Een doel berust op een serie ervaringen. En elke ervaring is voortgekomen uit een daad en heeft dus een motief gekend. De reeks van motieven tezamen gebracht met de ervaring van het leven vormen het doel, dat slechts de uitdrukking is van deze waarden.

Nu moet jullie eens goed kijken. We kunnen heel goed van het bewustzijn uitgaan, dat zelfs wanneer we dat doel hebben gesteld dat doel niet echt is, dat het niet eens bestaat. Er zou filosofisch over te vechten zijn want per slot van rekening elk doel, dat je je stelt, moet om als doel gesteld te kunnen worden voorstelbaar zijn in je eigen wereld. Wat voorstelbaar is in je eigen wereld moet ergens in de werkelijkheid reëel zijn. U kent die stelling. Maar goed, voor ons kan dat doel volkomen waan zijn. Het staat niet in werkelijke samenhang met ons werkelijk leven en streven. Het is iets, dat wij gebruiken om ons te richten in het leven. Het is waan. Uitstekend.

Maar doordat wij die waan nastreven, zijn we in ieder geval in beweging. En dat is belangrijk.

Want wanneer je geen waan kent en geen werkelijkheid, ben je daadloos. Je moet ergens een drijfveer hebben, dia je tot de daad aanzet. Je moet ergens een bewustzijn hebben dat je die daad doet motiveren. En nu kan het motief aan de daad vooraf gaan of de daad aan het motief. Dit is in verschillende gevallen anders. Maar zeker is, dat wij geen enkele daad stellen zonder voor onszelf een motivering daarvan te kennen. Dus ons streven daadwerkelijk uitgedrukt omdat wij het reëel noemen, al is het duizend keer waan zorgt, dat wij een voortdurende beweging krijgen in onze eigen wereld. En waan kan nooit oneindig zijn.

Dat is nu eigenlijk een stelling, die voor u onbegrijpelijk is. Ik zal proberen het duidelijk te maken. Stel eens even: Wanneer er een werkelijkheid is en er bestaat een waan dan zouden ze beide gescheiden van elkaar beide oneindig kunnen heten, waar ze in een ander vlak liggen.

Maar de waan, die een mens kent, staat altijd in verband met de werkelijkheid, omdat zijn leven de werkelijkheid is en slechts zijn voorstelling de waan. Als zodanig is zijn waan slechts een beperking van de werkelijkheid, een gedeeltelijk overzien daarvan, een gedeeltelijk mis interpreteren daarvan. Is dat akkoord? Is dat duidelijk? Dan vloeit daaruit voort, dat mijn waan dus altijd beperkt is. Wanneer ik door die waan in een richting ver genoeg doorga, dan kom ik altijd terecht op een punt, waar de werkelijkheid begint. Logisch, nietwaar?

Dat is nu juist het mooie. Daardoor kunnen wij ons elk willekeurig doel stellen, mits dat doel in overeenstemming is met ons eigen bewustzijn van goed. En wat wij goed noemen, of wat Jantje goed noemt, vindt Piet niet goed. Je hebt bv. mensen, die zeggen: “Het is goed om eens een keer heerlijk tipsy te zijn.” (Ze gebruiken er ook wel eens een naam voor van iemand, die door Jezus werd opgewekt Lazarus.) Maar een ander zegt “Het is goed om voortdurend nuchter te zijn.” Er zijn mensen, die zeggen “Het is goed om intens te leven, om de vreugden en alle ervaringen, die het leven geeft, door te maken.” Anderen zeggen “Neen, wij moeten ons juist onthouden van alles, wat maar enigszins vreugde geeft in het leven, want de Heer heeft ons geschapen om te lijden. Het is een straf, dat wij op de wereld leven.” Goed, ieder voor zijn waan. Maar wanneer ze in die waan bevestiging zoeken we wat zij in zich voelen als waarheid, dan komen ze tot een stellen van een doel. Ze hebben een motief voor hun wijze van leven. Dat motief houdt in een beeld van toekomstige mogelijkheden. Dit beeld van toekomstige mogelijkheden betekent ook een keuze. Deze keuze is het doel. Dit doel leidt ons dus door de waan van de eigen wereld steeds verder, totdat we op een ogenblik terechtkomen, waar de waan moet ophouden, omdat de stellingen, waarop wij ons hebben gebaseerd, niet meer kunnen gelden in deze conditie en toestand.

  • Dan kan de waan door een nieuwe waan vervangen worden misschien?

Akkoord. Maar zelfs dan gaan we nog verder en komen uiteindelijk aan een punt, waar de realiteit begint. En wanneer de waan vervangen wordt door een andere, dan zal de tweede waan altijd dichterbij komen bij de werkelijkheid dan de eerste, omdat een reeks van waanvoorstellingen reeds is uitgeschakeld uit het totaal van ons denken, voordat wij een nieuwe waan kunnen aanvaarden. Dus de begoocheling van de wereld wordt steeds kleiner en daardoor de intensiteit van ons beleven van de Wereld en ons contact met de werkelijkheid steeds groter.

Dan wil ik mijn nieuwe these dus zo stellen en dan ga ik hetzelfde, dat ik zo net in een kort zinnetje zei dat was natuurlijk zo’n klein bravourestukje even samenvoegen op mijn manier.

(Het lijkt wel of ik Henri ben. Die heeft het ook altijd over zijn manier.)

Aan elke daad ligt een motief ten grondslag. Elk motief is in feite een bevrediging van de persoonlijkheid, het opheffen van de tekorten in de persoonlijkheid dan wel een bevrediging van de wereld ofwel het opheffen van de tekorten in de wereld. Als zodanig is elk motief in meerdere of mindere mate een streven naar realiteit, naar werkelijkheid. Door dit streven wordt een ontwikkeling dus een bewustwording mogelijk gemaakt en naarmate de bewustwording verder stijgt, wordt het duidelijker, in welke richting wij moeten streven. Wij leren ons een doel stellen. Wanneer wij ons dit doel gesteld hebben, zullen wij op de duur leren realiseren, dat veel van ons beleven en veel van onze waarderingen in feite waan zijn.

Maar deze waan zullen wij rustig accepteren, omdat wij voelen, dat achter de waan de werkelijkheid ligt verborgen. En door ons beleven van de waan wordt voor ons de werkelijkheid steeds inniger en duidelijker uitgedrukt tot het ogenblik, dit wij de moed hebben de waan weg te gooien. Dan staan we in de werkelijkheid. En de werkelijkheid kennen wij nog wel de daad, want die vloeit uit de werkelijkheid voort. Werkelijkheid is dus ook leven en bestaan, maar het motief is niet meer nodig, omdat geen motivering, geen beredenering van de daad mogelijk is, waar zij voortvloeit uit organisch een zijn met het AL. Een doel kennen we dan ook niet meer. Het doel is gerealiseerd, waar de eenheid met de schepping in feite voor ons de vervulling is van al het voorstelbare.

Dan blijft ons alleen nog over de vraag van waan en werkelijkheid. En wetend, dat wij in werkelijkheid leven, zullen we zien, dat elke beperking van de werkelijkheid een waan wordt en zo zullen wij vanuit ons weten trachten om de waan van anderen te verbreken. Wij helpen hen hun doel te bereiken, opdat zij na het bereiken van dit doel de nietigheid ervan zullen erkennen en zo, zullen komen tot het aanvaarden van de werkelijkheid met een achterlaten van de waan, die hen tot op dat ogenblik heeft beperkt.

Ja, het is niet fantastisch. Dit is het leuke. Wanneer u zegt “fantastisch”, dan denkt u onmiddellijk aan fantasie, maar dat is dit zeker niet. Integendeel. Maar het is een poging om vanuit mijn beperkte waan in uw grotere waan mijn beeld van de werkelijkheid te projecteren en dat is dan ook puntgaaf.

  • Het gebeurt wel eens, niet alleen mij maar ook anderen, dat we iets horen, waarvan wij denken: “Hé, wat vreemd ik hoor het voor het eerst en toch is het, alsof ik het al weet.” Hoe komt dat?

Dat is eigenlijk heel eenvoudig. Dat is een kwestie van waan. De meeste mensen verkeren in de waan, dat ze niet weten, wat ze in feite wel weten. En dat komt zo: Wanneer je leeft, vergaar je ervaringen. Die ervaringen bouwen in je persoonlijkheid een wereldbeeld op, dus ook een bepaalde methode van denken, van benadering. Je komt er alleen niet toe ze voor jezelf uit te spreken. En nu komen wij met een geleende en daarom niet minder grote mond en beginnen te redeneren. Maar wat u niet kunt realiseren, omdat het te diep in u begraven lag, maken wij wakker. Wij doen eigenlijk niets anders dan u wakker maken. U leren om datgene te denken, dat u al weet. We kunnen u immers iets nieuws geven. Wanneer wij iets nieuws brengen, zegt u:” Dat is fantastisch maar het zegt u niets. Wanneer ik u vertel, dat over 150 jaar de mensen eenvoudig een atoomgenerator gebruiken om eten gaar te maken, dan zegt u “nu, eh, een klein tikje …… ” Of u zegt “Het zal wel mooi zijn” en u stelt zich een soort piano voor, waarop je de Mondscheinsonate speelt om de doperwtjes gaar te krijgen en waar je een ragtime op speelt om de biefstuk gaar te krijgen. Zo kom je dan tot een voorstelling, maar die is niet met de werkelijkheid in overeenstemming.

  • Maar dat weten, dat moet toch ergens vandaan komen?

Dat weten komt dus voort uit de ervaring. Alleen datgene wat u reeds eerder ervaren heeft, hetzij in dit of in een vroeger bestaan, wat dus innerlijk uw eigendom is, kunnen wij in u wakker maken, Meer kunnen wij niet doen. Dus met andere woorden wanneer u geestelijk ligt te dutten, dan zeggen wij juist die paar woorden, waardoor u wakker schrikt en zegt “He, dat heb ik toch al eens eerder gehoord.” Neen, u hebt het in u. Maar u hebt het nooit gerealiseerd. U hebt er nooit over nagedacht. Begrijpt u? Dat is de hele kwestie. Het is eenvoudig genoeg. Ik hoop niet, dat het een teleurstelling is, dat wij niets anders zijn dan een soort ruitentikkers, die u voortdurend wakker schudden uit uw geestelijke slaap. Het klinkt niet erg verheffend. Het is prettiger te zeggen Meesters en leraren, die grote wijding en wijsheid brengen. Maar wanneer je het kind bij de naam noemt, dat is het uiteindelijk niets anders. Wij maken u geestelijk wakker. En daarbij hebben wij de hoop, dat wanneer wij zo dadelijk indommelen, u ons ook weer een tik op het hoofd geeft, zodat wij walker zullen schrikken. Je zoudt kunnen zeggen het is de geestelijke coöperatie, de samenwerking.

  • Het hoeft toch niet zo te zijn, dat je a.h.w. wakker wordt geroepen?

Het kan al lang in je leven, zoals u zo-even gezegd hebt en je kunt er op een of andere manier over nagedacht hebben, maar om het werkelijk in hoorbare woorden te formuleren is nu de moeilijkheid. En die horen we nu zo graag van u. Dat kan ik mij voorstellen. Het is vaak heel moeilijk voor u om gevoelens in woorden om te zetten. Als wij dat nu doen, vindt u het buitengewoon knap, maar in feite hebben wij alleen uw denkvermogen wakker geschud. Want wat u voelt bent u zich niet bewust. Daarover droomt u. Maar op het ogenblik, dat u het als woorden, dus als een uitdrukbaar, in uw wereld hanteerbaar begrip krijgt, dan bent u wakker. Dan kunt u er iets mee doen.

  • Maar dan hebben wij nog niet de knapheid om het goed te formuleren.

Ja, maar weet u, formuleren is iets, waaraan je je eigenlijk niet te veel moet wagen.

Het klinkt misschien wel heel gek, als ik het zo zit te beweren, maar in het formuleren beperk je je onwillekeurig. Elke formulering is een beperking van een begrip. Maar je moet zover komen, dat je over het begrip zelf redelijk kunt praten. Dat is de hoofdzaak. Het is heel gemakkelijk en wat dat betreft is Henri heus niet de enige in de groep, die dat kans om nu eens een begrip te nemen en daarover eens een paar zinsneden te lanceren, die raak zijn. Maar daarmede is het begrip zelf niet beroerd. Je hebt er maar een klein beetje van omschreven. Wanneer ik bv. zeg: “Een dictator is een man met grootheidswaanzin gekoppeld met een minderwaardigheidscomplex”, dan zeg ik een waarheid als een koe. Maar daarmede heb ik het begrip dictator niet omschreven. De formulering is aardig en nuttig, wanneer je met anderen in contact komt. De hoofdzaak is niet, dat je het zo mooi kunt formuleren en zeggen, maar dat je het in ieder geval weet te gieten in woorden, al kost het je nog zoveel moeite. Daar gaat het om. En ik geloof, dat je zo langzaam aan van ons kunt leren. Het is natuurlijk weer erg verwaand. Maar wanneer u uw eigen methode van praten juist over dit soort dingen gaat vergelijken met 5 jaar geleden, komt u dan niet tot de conclusie, dat u heel wat rijker bent geworden aan mogelijkheden tot uitdrukking? Daar gaat het toch om? Dus een heleboel mogelijkheden, die eerst voor u niet actief waren, zijn nu voor u zo reëel geworden, dat je ze durft en kunt hanteren in je gewone dagelijkse bestaan. Daar gaat het om.

  • Al is het alleen maar voor jezelf, en niet voor een ander.

Maar ik zeg toch niet, dat ze het tegen een ander moet vertellen? Het feit, dat je het kunt, dat je iets voor jezelf kunt omschrijven, dat je een beeld er van krijgt, dat past binnen de redelijke. begrippen van je eigen wereld, dat je het kunt uitdrukken in termen van een wereld en een tijd, waarin je leeft, dat is het belangrijkste. Dan wordt het echt. Dan kun je er over gaan praten. Met jezelf desnoods. Er zijn heel veel mensen die met zichzelf praten en dat noemen ze denken (het is niet helemaal zuiver), die houden een soort twistgesprek met zichtzelf. Er zijn soms mensen, die hebben zelfs slaande ruzie met zichzelf. En die twistgesprekken zijn betrekkelijk weinig vruchtbaar. Dat wordt een zelfverwijt net als een jongen uit een 1e klas, die zichzelf om de oren slaat, omdat hij nog niet in de 7e zit. Dat heeft geen zin. Maar het feit, dat je met jezelf kunt praten over wat in je leeft, maakt het mogelijk om te formuleren en het maakt dus ook makkelijker het om te zetten in een bewuste, beredeneerde daad. Je blijft met die twee voeten heerlijk op de grond staan en toch ben je in staat op die manier je geestelijk beleven te uiten op de wereld. Je hoeft er je werkelijkheid niet voor los te laten je kunt het maken tot deel van je werkelijkheid. Daarom gaat het.

  • Er bestaat dus een merkwaardige correlatie, waar wij hier in een wereld van waan leven, dat men altijd in de knoei zit met de begrippen vertrouwen en twijfel.

Vertrouwen en twijfel. Twijfel is een bewustzijn van je eigen onvermogen, waarbij je niet geneigd bent jezelf te nemen voor wat je bent. Je drukt dit over het algemeen uit door in anderen minder vertrouwen te stellen, dan mogelijk zou zijn. Is het duidelijk genoeg? En het vertrouwen is het aanvaarden van waarden, die je in jezelf kent maar in anderen niet definitief kent, dan wel het aanvaarden van krachten, die je aanvoelt, maar nog niet kunt omschrijven.

Dat is simpel gezegd. En juist in een waanwereld is dat allebei noodzakelijk. De twijfel vloeit voort uit het feit, dat je aanvoelt, dat je in een waanwereld leeft, zonder het voor jezelf duidelijk te kunnen maken.

En dan ben je niet geneigd te zeggen “Ik leef nu eenmaal in een waanwereld, dus accepteer ik haar.” Je gaat proberen wat je meent, dat werkelijk is, (dus een tweede waan) af te wegen tegen de waan, waarin je leeft. Het resultaat is, dat je niet weet of je links of rechts zult gaan en op de duur heel vaak tussen vele stoffelijke mogelijkheden en veel geestelijk voedsel verhongert, omdat je niet weet of je links of rechts zult handelen.

Vertrouwen is ook weer een noodzaak. Zoals twijfel een logisch resultaat is van uw leven met zijn beperking vat waarheid, zo is vertrouwen evenzeer een noodzaak en een gevolg hiervan.

Want waar onze waarheid, die wij beleven, onze werkelijkheid die grotendeels waan is, hebben we geen houvast wan die werkelijkheid. Toch voelen we bepaalde factoren daarvan aan. Dan moeten we in plaats dus van een voor ons aanvaardbaar iets op een gegeven ogenblik een vertrouwen zetten. Bv. Ik ben eerlijk. Het is zelfs geen leugen, het is volkomen waar. Nu moet ik aannemen,dat een ander eerlijk is. Ik kan wel aan nemen, dat dit het geval is, zolang dat voor mij geen verschil kan uitmaken maar er komt een ogenblik, dat ik mijn eigen oordeel a.h.w. op de proef moet stellen. Dan moet ik iemand vertrouwen, opdat door vertrouwen mijn oordeel bevestigd of beschaamd wordt. Nu zijn er heel veel mensen, die vinden niets ergers, dan dat je vertrouwen beschaamd wordt. Maar mij dunkt, dat in vele gevallen dit maar een heel goedkoop lesje is t.o.v. het inzicht, dat je ermee verwerft omtrent mogelijke fouten en beweegredenen in anderen en daardoor een benadering van de waarheid in je wereldbeeld.

  • Men leeft dus eigenlijk van de ene waan in de andere hier in de stoffelijke wereld?

Ja. Om mijn confrater en collega te citeren: De werkelijkheid van de wereld is een voortdurende waan, waarin de zin der waan leidt tot een waanzin, waarin de werkelijkheid uiteindelijk gerealiseerd kan morden. Dus zoals je zou kunnen zeggen, dat een verplaatsing bestaat uit een reeks van kilometers, die elk op zichzelf geen wij zijn, maar gezamenlijk een weg kunnen vormen een goede of een slechte zo kun je zeggen, dat elke bewustwording en realisatie van werkelijkheid bestaat uit een aaneen rijen van de waan, waarbij het door leven van de waan een elimineren van het waan element betekent en dus een appreciatie voor het werkelijkheidselement, dat er nog in schuilt. Zodat je uit vele fragmenten werkelijkheid – verzameld in vele verschillende waantoestanden – uiteindelijk het beeld der werkelijkheid voor jezelf tot een aanvaardbare realiteit kunt maken.

  • Dus jezelf steeds weer confronteren met hoe is het, wat is het en hoe moet ik het oplossen?

Hoe moet ik het oplossen? Daarbij zit nog een punt. Dan zeg je: Ik los het nu op volgens mijn huidige kennis. Wanneer ik merk, dat ik fouten heb gemaakt, dan zal ik er niet rouwig om zijn, want ik heb het beste gedaan, wat ik doen kon en het feit, dat ik een fout heb gemaakt, betekent voor mij, dat ik die fout in de toekomst zal weten te vermijden, zal kunnen vermijden, dus dit deel van de waan kan uitschakelen en daardoor mijn eigen realisatie van de werkelijkheid kan vergroten. Wat zijn we filosofisch vanavond, niet? Het is zuiver esoterische filosofie, zou ik zeggen.

  • Het gebeurt wel eens, dat iemand naar je toekomt met een probleem, dus zijn/haar probleem. Je gaat dat probleem belichten, hangt er theorieën over op, en de ander is ermee geholpen, terwijl je zelf uitgaat van het standpunt: ik tracht te helpen. Maar nu ga je allerlei dingen zeggen, waarvan je later zegt “Hoe ben ik daar nu in vredesnaam aan gekomen.”

Dat kan ik u verklaren. Altijd, wanneer je iemand raad geeft, ontstaat er een wisselwerking tussen degene, die de raad vraagt en degene, die de raad geeft. De raadgever wordt bewust of onbewust geleid door de reacties van degene, die raad vraagt. Dus je begint met een logische ontleding van het probleem te geven volgens je eigen denken, maar de reactie van degene, die om raad vraagt, doen je overgaan in de logica van die persoon, ook al denk je, dat je volkomen uit jezelf blijft praten. Naarmate je daar sensitiever voor bent, zul je dus meer en meer je gaan verplaatsen in de logische begrippen van de ander, die heel sterk van de uwe verschillen. Dan is het bovendien nog mogelijk, dat u met het probleem nog derde invloeden dus bv, uit onze wereld hebt ingeschakeld. Er zijn er bij ons velen ik doe het zelf ook wel eens die zeggen: Er zit er een op de wereld in de ellende die gaan we helpen, want dat probleem ken ik. En die geven we dan weer hun oplossing. Maar doordat zij zuiverder en bewuster dan u de werkelijkheid van die ander aanvoelen, zal dan uw eigen betogen nog veel meer gaan slaan op wat die ander denkt, dan op wat u denkt. En dan komt het in feite hierop neer, dat wanneer u denkt, dat u de goede oplossing heeft gegeven aan degene, die raad vraagt, dan gaat die heen, maar doet het nooit precies zoals u het hebt gezegd of gedacht te zeggen, maar hij doet dit volgens zijn eigen interpretatie. Hij of zij heeft dus zichzelf iets gerealiseerd, wat in het ik sluimerde, dank zij uw betoog. En naarmate uw betoog meer ingesteld was op wat voor die persoon werkelijk en dus aanvaardbaar is, zal de realisatie van wat er in het ik daaromtrent leeft intenser zijn en dus de oplossing van het probleem meer in de richting en lijn van de eigen persoonlijkheid liggen.

Het is heel simpel. Maar men moet één ding onthouden je denkt, dat je op de wereld alleen staat. Dus dat je een beperkte groep bent of een beperkte persoonlijkheid. Maar dat is niet waar. Zonder dat je het weet, word je voortdurend door anderen beïnvloed en beïnvloedt je anderen voortdurend. En je interpreteert die dingen op jouw manier, de ander op de zijne Wanneer nu dit contact komt, zul je daden stellen, die voor jezelf wat vreemd zijn woorden spreken, die voor jezelf achteraf wat onbegrijpelijk zijn terwijl je in feite niets anders hebt gedaan dan wat jij van de werkelijkheid van een ander aanvoelde in jezelf, uitspreken, formuleren of in daad omzetten.

En nu ga je verder. Nu denk je dus, dat het jouw raad is, die een ander drijft maar dat is niet waar. Het is jouw realisatie van zijn persoonlijkheid, die in die persoonlijkheid die bewuste factoren heeft wakker gemaakt waardoor die persoon gaat handelen. Op die manier sta je dus nooit alleen. En wanneer je rekent dat er heel wat werelden rond je zijn, goede en minder goede, ik noem het een beetje niet prettig geurende kwaliteit, die ook bij u in de omgeving zijn al die werelden hebben hun invloed. En naarmate u meer aanspreekt op de waarden, die zij uitstalen, zult u in hun werkelijkheid ingrijpen, doordat u iets doet wat voor hen weer een realisatie betekent in hun eigen zijn, en omgekeerd zult u zich iets realiseren uit hun werkelijkheid.

Zo spelen wij voortdurend een spel met elkaar, waarbij wij denken dat wij een ander iets leren, totdat u tot de conclusie komt wij weten het nu eenmaal, zover hebben wij het al gebracht dat je eigenlijk niets anders doet dan verborgen en sluimerende facetten van een andere persoonlijkheid wakker maken en daardoor deze in staat stellen wat dichter bij zijn eigen werkelijkheid te komen. Zijn eigen werkelijkheid, want die is nog lang niet synoniem met jouw werkelijkheid. Maar al die werkelijkheden zijn convergerende lijnen, die op een punt uitkomen. Tout court, tout simple.

  • Dus een soort psychosomatiek in de geest.

Ja. Je zou het een soort psychosomatiek kunnen noemen, maar… de slaap hier eigenlijk een verstoring van de slaap niet alleen het ontdekken van het sluimerende, maar het wekken van het sluimerende. En daar ligt wel enig verschil. Psychosomatiek is een bepaalde naam, die men geeft voor een wijze van therapeutische benadering van problemen en ziekten. Zo kunnen ook wij natuurlijk onze methode van werken een naam geven. Maar wat ik heb uitgedrukt geldt ook overal, ook voor een eerste klas van de school.

De juffrouw denkt, dat zij de kinderen wat leert maar zij zou schrikken, als ze weet tot hoeveel kattenkwaad ze hen heeft aangezet zonder het zelf te weten.

Dit geldt ook voor de godsdienstleraar. Er zijn geen mensen, die grotere ketters en meer atheïsten maken dan dominees en pastoors. Weet u waarom? Omdat zij zoveel praten over onderwerpen, dat ze de eigen gedachten en denkbeelden, die in de persoon sluimeren daaromtrent, wekken en dus naar buiten brengen. Het is een kwestie van slapende honden wakker maken. En het is niet gek, want honden, die wakker zijn, leven. En als ze leven kunnen ze misschien bijten. Dat is erg onplezierig, maar aan de andere kant weet je in ieder geval, wat je er aan hebt.

o-o-o-o-o

Meditatie.

Zelfbedrog.

De wereld is mooi en die schoonheid van de wereld wil je passen. Je leent van de Wereld al datgene, wat je begeerlijk lijkt en kent het jezelf toe. Je bouwt jezelf een masker, een beeld, waaraan je grote waarde hecht en je noemt het je persoonlijkheid. En in deze persoonlijkheid leef je. Je acteert a.h.w. datgene, wat je niet bent. Je bedriegt jezelf en je bedriegt jezelf meestal meer, dan het je gelukt de wereld te bedriegen.

Maar in dit zelfbedrog bereik je toch een gewoontevorming. Het zelfbedrog schept innerlijke condities en toestanden, die voor jezelf meer en meer reëel worden, tot zij op de duur niet meer ontkend kunnen worden tot zij op de duur niets anders meer zijn dan een onverbrekelijk deel van je bestaan. En daar komt de waarde van het zelfbedrog naar voren.

Een mens, die denkt goed te zijn, handelt alsof hij goed ware. Daardoor wekt hij in zichzelf een verplichting steeds het goede te doen en zal zo bepaalde kwade kanten van zijn persoonlijkheid, die reëel en werkelijk bestaan, wegwerpen, ontkennen, negeren, omvormen tot iets actiefs en iets goeds. Zelfbedrog is niet zonder zin. Zelfbedrog bouwt evenzeer aan de persoonlijkheid als bewustwording. Alleen de bewustwording is een erkenning van de realiteit.

Zelfbedrog een ontkenning. Bij een bewustwording bestrijdt je het kwade in zelfbedrog buig je het kwade om tot het goed schijnt en op de duur goed is.

Kan er echter een werkelijk zelfbedrog bestaan? Een ieder, die zichzelf bedriegt, weet in zichzelf, dat wat hij handelt en doet niet waar is volgens zijn eigen wezen. Dat hetgeen hij (of zij) voorgeeft te zijn en te doen, niet datgene is, waarvoor het wordt uitgegeven. Maar de kennis van dingen zal juist door de beleving der uiterlijkheid op de duur verstommen. Op de duur zullen de waarden, die men omwille van een wereld heeft aanvaard, ook deel van het eigen ik worden.

Er is ongetwijfeld veel zelfbedrog, dat berust op de beperking van uw wereld. Men zegt zichzelf dat dit wel, dat niet geoorloofd is. Men erkent deze weg wel en meent aan de andere voor zichzelf te kunnen ontsnappen. Men predikt waarden, die men in zijn hart niet begeert.

Men verwerpt warden officieel die men zo gaarne zijn eigene zou noemen, want men houdt zich aan de uiterlijkheid. En zo kan het zelfbedrog een mens verarmen zowel als verrijken.

Zonder zelfbedrog echter is het de doorsneemens en velen in de geest niet mogelijk te bestaan. Zij hebben nu eenmaal een beeld nodig, waarin zij zich kunnen bewegen, omdat zij vrezen de werkelijkheid van het eigen ik te moeten ontkennen. En een ontkenning zou het worden. Want mij willen de fouten, die in hun eigen wezen schuilen, niet aanvaarden. Zij willen de consequenties van hun handelingen en daden, van hun begeerten en betogen, niet accepteren. Maar juist deze mogelijkheid tot uitwijking, tot bedrog, maakt het mogelijk te blijven leven en vele dingen te accepteren en in zich en in anderen, die men anders niet zou kunnen verdragen.

Het zelfbedrog beperkt zich niet alleen tot eigen wezen. Het zelfbedrog is ook een beeld, dat we aan de wereld opleggen. Wij aanvaarden niet, wat de wereld werkelijk is, maar willen haar zien, zoals ze volgens ons moet zijn, en zelfs waar ze niet wil en niet kan beantwoorden aan de eisen, die wij haar stellen, trachten wij voortdurend verklaringen te vinden, redenen, verzachtingen, die het mogelijk maken onze eigen denkbeelden en idealen nog verder te handhaven.

Het zelfbedrog is een middel, waardoor wij leven in een waanwereld en ons in een waan weten te handhaven. Wij moeten leven in een waanwereld tot het ogenblik, dat wij een werkelijkheid kunnen accepteren zonder te vluchten in het onbegrip, de verwijdering van alle bewustzijn. Zo is zelfbedrog een factor in alle bestaan. Maar er komt een ogenblik, dat je je te zeer bewust wordt van het bedrog, dat je pleegt tegenover jezelf, van de begoocheling, die je zelf maakt van een wereld rond je. Wanneer je jezelf daarvan bewust bent, zoek dan naar waarheid. Ook dan zul je jezelf vaak bedriegen, maar niet bewust. En in het onbewuste bedrog schep je voor jezelf een mogelijkheid tot leven, tot levensaanvaarding, die je anders niet zou bezitten. Wie bewust zichzelf bedriegt is iemand, die in zijn eigen leugens zijn geestelijke bewustwording ombrengt.

Iemand echter die eerlijk t.o.v. zichzelf uiteindelijk een deel van zijn wezen en zijn wereld als waan ziet en beleeft, terwijl hij innerlijk hieromtrent soms een aanvoelen bezit, doet niet anders, dan wat alle mensen en alle geesten doen. De wereld is geen bedrog en geen waan. Wij maken een waan van de wereld. Wij maken een waan van onszelf en ons leven. Daarom is zelfbedrog een kosmische waarde. Een kosmische waarde, die langzaam maar zeker overwonnen wordt, veranderd wordt in een werkelijkheid. Want indien het zelfbedrog ten top wordt gevoerd, wordt het tegendeel van de waarheid ervaren en uit het tegendeel van de waarheid kan de waarheid voortvloeien. Wie zichzelf bedriegt en daarmede te ver gaat, dwingt zichzelf tot erkenning van een eigen waarheid. Zo is zelfbedrog iets, dat de bewuste probeert te voorkomen, voortdurend tracht te vervangen door zelfkennis en waarheid.

Maar anderzijds is het een middel, dat ons gegeven is door de Scheper om ook zonder een bewust streven vooral wanneer we de innerlijke grootheid daartoe niet hebben te komen tot Hem, opdat wij de lichtende waarheid van het Al kunnen realiseren en onszelf daaraan kunnen overgeven en daarin kunnen opgaan.

Ik geloof, dat ik daarmede de betekenis van zelfbedrog voor u duidelijk gemaakt heb. Ik zou slechts nog willen zeggen: Wie zichzelf bewust bedriegt, bedriegt niet zichzelf, maar de eeuwige waarden, die in hem leven.

Wie onbewust zichzelf bedriegt, zal door het bedrog heen de waarheid, die in hem leeft, leren zien.

Zo is de waarheid in ons belangrijker dan alle dingen. Indien wij haar kunnen bezitten, mogen wij al het verdere accepteren of verwerpen, zo wij willen, want slechts de waarheid is de openbaring van de werkelijkheid.

image_pdf