De steen der wijzen

image_pdf

8 januari 1960

Aan het begin van deze avond wil ik er allereerst op wijzen dat wij niet alwetend, of onfeilbaar  zijn. Dit geldt ook voor mij, wanneer ik zo dadelijk over uw onderwerp moet gaan spreken. Ons onderwerp voor heden is: De steen der wijzen.

De Steen der Wijzen is een vreemd verhaal. Men heeft er een miraculeuze steen van gemaakt, die wonderen doet. Zelfs sprookjes heeft men erover geschreven. Men heeft getracht dit concept, dat deel uitmaakt van de alchemistische geheimtaal, in te voegen in een meer concrete wereld. U moet het mij niet kwalijk nemen dat ik eerst de sprookjes tracht te ontzenuwen.

De Engelsman spreekt niet van de ‘Steen der Wijzen’, maar van de ‘Philosophers Stone’.

De Steen der Denkers, of ‘der filosofen’ dus. Indien wij deze term nader bezien, dan blijkt hieruit, dat de steen der wijzen niet zo veel heeft te maken met materie – of magie – maar meer met filosofie. Zij heeft niets te maken met de chemische kant, de alchemie, of met tovenarij. Het vinden van de ware inhoud en betekenis heeft mij er toe gebracht het gehele concept door alle tijden na te gaan en te onderzoeken. Daarbij kwamen enkele zo vreemde dingen aan het licht, dat ik geneigd was mij even op het achterhoofd te krabben. Indien ik een meer stoffelijke gestalte had bezeten, zou ik dat in verbluftheid ook zeer zeker gedaan hebben.

Betrekkelijk ver in het verleden – ongeveer 3.000 jaar voor het begin van uw jaartelling – bestond er een primitief mathematisch denken. Onder meer werd dit gebruikt door de Chaldeeën, maar ook door de toen opkomende priesterkaste in Egypte. Men ging hierbij uit van verhoudingen tussen de werelden der elementen. Dit is voor de moderne mens misschien wat moeilijk te begrijpen. Men erkende vijf bepalende waarden in het leven. Men trachtte een op mathematische basis geformuleerde verhouding te vinden die op elke toestand, die op aarde maar mogelijk was, evenals op elke gedachtegang, van toepassing zou zijn. Ook bij een contact met Goden – of geesten – zou deze formule een mogelijkheid tot nadere definitie geven en zo de nodige zekerheid verschaffen. Naar ik meen hebben wij hier reeds te maken met de eerste vorm van de Steen der Wijzen.

Wanneer wij een kleine stap in de tijd verder gaan, vinden wij in Indië een concept dat hier dicht bij komt: de bron der wijsheid. In vele sprookjes is deze later geworden tot de Bron der Eeuwige Jeugd, of ook wel de Bron des Levens. Deze bron beantwoordde aan bepaalde afmetingen, had een vaste waarde, doch was in zijn diepte niet te peilen. Hier was wederom de toetssteen in gelegen voor elk concept van wereld en geest. De bron des levens maakte het mogelijk het water des levens – of der wijsheid – te puren. Wanneer de wijsheid niet verkleurde in beroering met een gedachte, een uitvinding, een gedachte, een daad, dan kon worden gesteld dat deze harmonisch was met de verschillende sferen – of werelden – der Goden en tevens in overeenstemming met de grondwaarden van de wereld der mensen.

Het is vreemd, dat de afmetingenkwestie overal weer op de voorgrond komt. De Ark van Noë, het bekken van Salomo ’s tempel, de kist van de Grote Piramide, het Schrijn van de heilige Slang te Benares, een schrijn dat in de tijd der Kelten te Worchester bestond, hebben allen dezelfde verhouding in afmetingen. Evenals de legendarische Bron der Wijsheid beantwoorden zij allen aan eenzelfde formule van verhoudingen. Dit kan niet als een louter toeval worden gezien. Overal in het middelpunt van religieuze en magische belevingen zijn dezelfde verhoudingen. Men vraagt zich dan ook af, waarom men juist deze verhoudingen en getallen heeft gekozen.

Uit de vele uitleg die ik hierover vond, noem ik u een van de meest typische: wanneer wij werken op de aarde – of in een sfeer – werken wij niet met één enkele realiteit, maar met meerdere parallel lopende werkelijkheden. De termen die ik hier gebruik zijn overigens van mij, want indien ik u dit concept in de oude, versleutelde taal letterlijk zou moeten vertalen, komt u er helemaal niet uit. Elke wereld moet worden uitgedrukt als een bepaald deel van het menselijk wezen. Wij kunnen dit vereenvoudigen door het weer te geven in de termen die u kent. Elke mens behoort gelijktijdig tot verschillende sferen. De invloed van die sferen in hem kan worden uitgedrukt in een bepaalde getalsverhouding. Wanneer sfeer één dus getal 45 heeft, dan heeft sfeer 2 misschien 12 en sfeer 3 misschien 6. De gegeven verhoudingsgetallen en indeling zijn overigens niet juist. De getallen geven dan de invloed en mogelijkheden der sferen t.o.v. elkaar aan. Op deze manier bezien, zou de Steen der Wijzen een formule zijn voor het innerlijke leven van de mens en de juiste indeling ervan.

Voor ik deze zaak ging onderzoeken had ik dit – eerlijk gezegd – niet achter deze fabelachtige steen gezocht. Alle esoterische gegevens hierover wijzen in deze richting. Indien wij dit dus als geheel en onverbrekelijk voor waar aannemen, volgt hieruit, dat de mensheid reeds in een ver verleden in staat was zich een redelijk beeld te vormen van de bindingen die bestaan tussen het menselijke leven en de zogenaamde onzienlijke werelden. Zolang er mensen zijn van gelijke ontwikkeling en bewustzijn, zal dezelfde formule blijven gelden. Wanneer wij heden de Steen der Wijzen zouden kunnen bezitten, dan zou ook voor ons – volgens de overleveringen – nog steeds dit gelden: Dood en leven zijn gelijk. De waarheid van alle dingen ter wereld is kenbaar.

Er is geen beperking voor ons van plaats. Wij zijn meester over alle dieren. Wij kunnen alle kwalen genezen. Wij kunnen alle stoffen omvormen naar onze wil. Ten slotte kunnen wij in alle dingen steeds weer het door ons gewenste terug scheppen. Dat zijn 7 punten. Indien je dit alles met een eenvoudig tovermiddel zou kunnen doen, zou dat wel aardig zijn, maar waar haal je de toverformule vandaan? Indien er echter alleen sprake is van een innerlijke gesteldheid, die je moet bereiken, dan gaat de zaak er anders uitzien. Het tovermiddel, waarmee dit alles bereikbaar wordt, is niets meer of minder dan de mens zelf.

De alchemisten hebben in deze concepten nogal wat verwarring teweeg gebracht; niet, dat dit hun bedoeling was. Maar juist, omdat zij chemici en filosofen tegelijk waren, trokken zij vele leerlingen aan, die niet in staat waren hun filosofie in zijn werkelijke betekenis, of de ware achtergrond van de door hen gebruikte termen, te begrijpen. De alchemisten geven zelfs enige recepten voor het vervaardigen van de Steen der Wijzen. Oppervlakkig gezien is dit alleen niet meer of minder dan cru bijgeloof. Maar er is een zeer leerrijke tijd geweest voor alle mensen die geestelijk verder door wilden dringen dan de massa. Niet, dat een ieder, die durfde te denken, een beker met scheerlingsap te drinken kreeg, of door de inquisitie op de pijnbank werd gelegd.

Indien u de kerk en de staat erkende, dreef men het niet zo ver met u, maar buitenbeentjes werden toch niet geapprecieerd en ofwel tot onmogelijke prestaties gedwongen, dan wel onmogelijk gemaakt. Een alchemist was in de ogen van zijn tijdgenoten niets meer of minder dan een soort tovenaar. En dat in een tijd, die dodelijk benauwd was voor alles, wat maar leek  op een heks, of een tovenaar.

De werkelijke alchemist was een vrijdenker in een tijd dat alle denken – kerkelijk zowel als politiek – zeer sterk aan banden werd gelegd. Het gevolg was dat de ingewijden onder deze denkers zich een op hun chemische proeven gebaseerde geheimtaal hebben geschapen. Een deel van die geheimtaal was te danken aan de Italianen. Hier waren de alchemisten wat vrijer dan in vele andere landen en daardoor in sterkere mate aanwezig. Zij hebben dan ook een grote invloed gehad op alles wat er in verband met de alchemie gebeurde in Frankrijk. Nadat echter de alchemisten in Engeland hun stellingen bekend konden maken en hun praktijk ook daar meer naar buiten kwam – een van de slachtoffers daarvan was John Dee – werden aan de geheimtaal termen toegevoegd, die te herleiden zijn tot de gebruiken van de priesterkaste en de overleveringen van het volk der Kelten. Zo ontstaat op den duur een aardig mengsel van reële en ideële woorden, die een niet materiële betekenis krijgen in het alchemistisch filosofische concept.

Wanneer er een recept wordt gegeven voor het vervaardigen van de Steen der Wijzen, moeten wij dit niet zien als een recept waarmee wij uit beschikbare grondstoffen iets van onmetelijke waarde kunnen vervaardigen, maar eerder als een opsomming van waarden die in de mens aanwezig zijn en in bepaalde verhoudingen voor de mens een bijzondere bewustwording, met alle gevolgen daarvan, betekenen. Die waarden zijn ook in de mensen van uw tijd nog steeds aanwezig. Wel zou je bij de meeste moderne mensen een mijnwerkersunie moeten huren om deze kwaliteiten en gaven uit te graven, maar zij zijn aanwezig. Laten wij eens enkele van de ingrediënten nagaan. Ik zal ze ontdoen van hun sleutelnaam: Goddelijk Licht. Goddelijk Licht is in elke mens aanwezig en kan door hem bewust worden beleefd, indien hij zich maar vrij kan maken van de invloeden van zijn milieu en zich weet over te geven aan de Godheid. Heeft men eenmaal een bewustzijn van deze vonk, die in elk wezen leeft, dan betekent dit tevens een innerlijk weten, dat onuitwisbaar en onuitblusbaar is. Dan is er noodzakelijk: Kosmische of Goddelijke wijsheid. Deze kan elke mens vergaren op elk ogenblik dat hij in staat is zijn kleine ik-heid te vergeten voor het grotere ego, waarvan hij deel uitmaakt. Ook dit is bereikbaar.

Verder heeft hij nodig: Het moedige vuur. Het vuur in de mens is over het algemeen de uitdrukking van een perfecte overtuiging, gesteund door een volledige wilsuiting. Soms neemt de hartstocht de plaats in van de overtuiging. Dit is geen bruikbaar – of Goddelijk – vuur, daar het niet beheerst wordt. Een dergelijk vuur draagt elke mens in zich en het wordt vaak zelfs opgebracht voor heel wat slechtere waarden dan de Steen der Wijzen. Het zal dus zeker in het heden niet onmogelijk zijn, ook deze waarde in het Ik te vinden en te hanteren.

Dan is er: De eenheid met de aarde. Een noodzaak. Deze eenheid met de aarde bezit elke mens die zich los weet te maken van zijn kunstmatig milieu en de natuur hernieuwd beleven kan, a.h.w. leert verstaan wat de wind fluistert, leert zien wat de sterren, zon en de maan hem te zeggen hebben.

Indien je deze dingen leert verstaan, bezit je de eenheid met de wereld. Zelfs in deze gemechaniseerde tijd zijn er vele mensen die dit nog bezitten. Het is niet voldoende dat deze waarden in de mens aanwezig zijn. Zij moeten bewust gehanteerd worden en dienen bovendien nog in een bepaalde verhouding op te treden. Typisch is daarbij, dat het Goddelijk Licht – iets, waaraan wij in ons leken-denken de grootste nadruk zouden willen geven – slechts voor een betrekkelijk klein deel aanwezig hoeft te zijn om de vervaardiging van de steen mogelijk te maken. Dit is ongetwijfeld te danken aan het feit, dat het haast onbeperkt potent is. Het heeft dan ook wel een zeer groot veranderend vermogen binnen de mens. Wie nu het Goddelijke Licht heeft, plus het weten, de wil en het begrip voor de aarde, zal alles kunnen bezitten wat met de krachten des levens samenhangt, indien hij het eigen kleinere Ik onder kan laten gaan in het grotere ik. In de Goddelijke kracht en door het Goddelijke Licht ben je bv. ontheven van alle tijd. In het begrip voor de aarde vloeit voort een begrip voor de essentie van alle stoffelijk leven.

Na dit alles zou ik u willen vragen, klinkt het u nog als een fantasie, wanneer men beweert dat de Steen der Wijzen het eeuwige leven geeft? Wanneer je de krachten kent van ruimte, tijd, van leven en kosmos, is het niet zo’n groot toverwerk, wanneer je een stukje materie gaat veranderen. Dan is het zelfs geen kunst om goud te maken. Maar zinnebeeldig is dit goud meer dan een kostbaar metaal. De gave der transformatie betekent in deze zin: het vermogen om alles edel en onaantastbaar te maken, wat binnen de mens aanwezig is. Meestal doet men dit door iets aan het aanwezige toe te voegen, maar in enkele gevallen ook wel door iets weg te nemen, of van het aanwezige iets af te halen, want het gaat om de juiste verhoudingen.

Op deze manier worden al de geheimzinnige spreuken die aan de Steen der Wijzen verbonden zijn, alle vreemde gedachten, die ermee verknoopt zijn, teruggebracht tot een nuchtere en systematische, ja, bovenal zelfs logische reeks van esoterische stellingen. Deze stellingen komen overigens op vele verschillende plaatsen voor. Wij kunnen ze dan ook in alle mogelijke vormen op gaan dreunen. Er zijn vele mensen geweest die deze waarheden op de een of andere wijze hebben vastgelegd. Dat loopt van de geschiedenis van het boek Thoth af, de geschriften van een Heraclitus en vele andere, via de middeleeuwen tot het heden toe.

In het voorbijgaan wilde ik u enkele van die regels citeren. Ik neem deze uit verschillende boekjes en overleveringen, nu eens een stukje hier, dan weer enkele regels daar. Ik hoop op deze wijze voor u een beeld op te bouwen van wat de Steen der Wijzen in feite is. Ik begin dan met een vrij citaat uit een heel oud boekje, dat tot de Vedanta behoort: “In de mens is de edelsteen der Godheid geborgen. (Daar moeten wij altijd mee beginnen: God leeft in ons).Wie deze steen in zich beziet en bestendigt, bezit de kracht der Goden.” Over die kracht der Goden zullen wij niet strijden, maar als je in jezelf iets van het Goddelijke herkent en dit geheel reëel accepteren kunt…… mijn lieve mensen, wat zou je daarin al niet zonder meer aan onmetelijke kracht bezitten. Het weten alleen, het erkennen van de band met God, het uit en van de Goddelijke kracht door jezelf, dat is op zich al een Steen der Wijzen, een Bron van Eeuwige Jeugd. Wij gaan een stapje verder. Veel later schrijft een Egyptenaar ongeveer: Men meent, dat het wezen van de mens uit vele verschillende delen bestaat, hij noemt deze dan ook: Ka, Ba en Ra. Na een vergelijken hiervan komt hij tot zijn conclusie: In feite moet er sprake zijn van een directe tegenstelling in de mens, waarvan een deel Goddelijk is en een deel behoort tot het rijk van de zoon…. de farao. (Ik ken wel alle titels, maar zie niet in, waarom ik deze hier allen aan zou halen.) Hij overweegt dan verder op welke wijze het leven kan bestaan en stelt dat het stoffelijk lichaam, tezamen met het laagste voertuig, als eenheid moet worden bezien. Deze beide dienen dan een evenwicht te vormen met de hogere voertuigen, of delen van de persoonlijkheid. Er is dus sprake van een evenwicht tussen het eigenlijke wezen en de omhulsels daarvan. “Want” zo zegt hij: “Wanneer wij in de bovenwereld leven, maar het bewustzijn van beide werelden – de wereld van de ziel en die van de stof – gelijkelijk en evenwichtig bewust zijn, zullen wij in beide werelden kunnen spreken”. Onder spreken verstaat hij dan magische krachten ontketenen, waarnemingen doen en al wat daar nog verder bij te pas komt. Ook dit is niet onlogisch. Tegenwoordig spreken wij van de menselijke psyche en kunnen aannemelijk maken dat deze gedeeld kan worden in verschillende grootheden, of waarden. U zit hier tezamen en elk denkt over zich als een eenheid, maar wanneer je achter de façade doordringt en jezelf verder bekijkt, zie je iets, dat meer op het huidige Rusland lijkt: uiterlijke sterkte, maar innerlijke verdeeldheid.

Ergens in u is een deel, dat het hogere leven en weten erkent. U hebt, naast het directe bewustzijn, ook een onderbewustzijn, u hebt een uitstraling en een astraal voertuig. Zeg nu: dat dit de ene helft van je ogenblikkelijk wezen is. Dit alles is vorm-gebonden, vorm-bepaald, of vormverwant. Breng dit nu eens in evenwicht met al het vormloze in uw wezen, het aanvoelen, het innerlijke erkennen enz. Wat hebt u dan gewonnen? Een volmaakt inzicht in uzelf en uw eigen mogelijkheden. Ook buiten u is een betere mogelijkheid tot erkennen geschapen, want elk daar optredend probleem wordt door de evenwichtigheid van uw wezen van twee zijden gelijkelijk belicht. U ziet de twee kanten van de medaille. Juist door dit kennen van beide kanten van een zaak kan je voorkomen, dat je voor een blinde muur komt te staan in leven en streven. Ook zal men niet meer in een staat komen te verkeren waarin men niet verder meer weet. Wanneer het stoffelijke bewustzijn niet meer verder kan erkennen, neemt het geestelijke bewustzijn de waarneming onmiddellijk over en verwerkt dit op eigen wijze. Vanuit de geest kan dan de stof een aanvulling verkrijgen, daar, waar tekorten aan kennen of vermogen optreden, zodat alle leven en werken voortgaat, zonder een enkele hapering, of enig oponthoud. Ook dit behoort bij de Steen der Wijzen.

Verder, staat er: “Indien in mij een weten is, zo zal ik dit weten tot uitdrukking moeten brengen. Slechts indien mijn denken – stem of woord is hier als vertaling ook mogelijk – mijn daad en mijn weten één zijn, kan ik mijzelf zijn.” Ik zal u dit weer in mijn eigen woorden weergeven: Wanneer ik in mijzelf iets weet, voel, dat iets goed is, of verkeerdelijk zeg dat het goed is, of verkeerd, en ik handel daar niet naar, dan schiet ik tekort. Er ontstaat iets, dat voor mij verkeerd is. Daardoor is mijn innerlijke eenheid in gevaar en zal mijn vermogen tot overlegd en doelmatig handelen en denken aanmerkelijk worden bekort. Naarmate een eenheid van daad en weten sterker is, zodat de eenheid van geest en stof sterker wordt, zal het eigen willen en streven sterker tot uitdrukking komen in stof en geest beide. Ik heb daarvoor een vuur, een bezieling gevonden, waardoor het op den duur zelfs mogelijk wordt in vol begrip eeuwige waarden in de stof te laten werken en omgekeerd. In dit geval is mijn wezen dus een directe schakel geworden tussen twee gebieden, twee werelden.

In een stoffelijk leven is hiervoor nog meer te zeggen. Wij gaan echter verder. Wat schrijft Augustinus hierover? Zijn uitspraken moeten van belang worden geacht, omdat hij als mysticus zeer grote ervaring heeft. Hij stelt: “De wereld eist van mij zoveel, dat ik slechts zelden de stem van mijn God kan horen. Zo deel ik mijn tijd, opdat ik mijn Schepper niet te kort zou doen.”

Deze denkwijze vinden wij in enigszins gewijzigde vorm later ook terug bij Thomas a Kempis. Binnen de christelijke kerk vinden wij trouwens nog iemand die een voor ons heel belangrijke uitspraak doet, namelijk Ambrosius. Deze kenner van de mens constateert nuchter: “Indien ik mij te veel aan mijn beleven van God wijdt en te weinig aan mijn plichten, zal de Vader mij uitwerpen….” Al deze denkers wijzen er met nadruk op: Wij moeten in het leven de juiste verdeling van onze tijd en krachten weten te vinden. De verdeling tussen stof en geest, maar ook tussen het gebruik van innerlijke, of geestelijke, wijsheid en stoffelijke wijsheid. Wij moeten de verhoudingen van het leven vast leren stellen, opdat elk deel van ons wezen zijn voldoende nadruk en invloed heeft gedurende elke fase van het bestaan, zonder dat ooit een deel van de persoonlijkheid de andere delen helemaal overvleugeld.

Op deze wijze kan ik zo nog een tijdje voortgaan, maar uiteindelijk zijn wij hier niet op een zware esoterische school. Vandaar dat ik het, wat de stellingen betreft, er maar bij laat en terugkeer tot de Steen der Wijzen. Ik kan mij voorstellen dat een Steen der Wijzen, die onttrekt aan elke stoffelijk en zelfs geestelijk gezag – zij doet God werken in de mens en maakt de mens tot uitsluitend voertuig van God – voor velen een steen des aanstoots zal zijn. Als zelfs de hoofdprijs van de voetbaltoto een steen des aanstoots kan zijn, omdat anderen hiermee tegen de voorstelling van een bepaalde groep in handelen, zou men zich zeker in sterke mate trachten te verzetten tegen een innerlijk, of uiterlijk proces, dat de mensheid nog minder aantastbaar zou maken voor de eigengereide meningen van bepaalde minderheden. De bekendheid met deze Steen der Wijzen en haar werkingen zal dan ook door velen worden verworpen, of onderdrukt, het zoeken daarnaar moet in beslotenheid geschieden. Maar zij is er. Daaraan kan niets van de menselijke wereld iets af, of toe doen.

De steen der filosofen is een denksysteem, waarvan de regels zijn uitgedrukt in een geheimtaal. Een denksysteem, dat de juiste verhoudingen aanduidt, die in de mens noodzakelijk zijn om volgens eigen capaciteiten en vermogens te komen tot een perfecte eenheid met de Schepper en al het geschapene. Zo gezien is de Steen der Wijzen ongetwijfeld iets, wat een ieder zal moeten zoeken. Vinden kan men haar nooit, wanneer men tracht haar slechts voor zich te verwerven. Slechts wie de Steen der Wijzen niet voor zich begeert, doch haar slechts zoekt om het Licht dat zij voor de wereld kan betekenen, zal er in kunnen slagen de formule te voltooien en in het vuur der bezieling deze stralende vrucht van Goddelijke wijsheid en menselijk besef tot de wereld te brengen.

Daarmede, vrienden, heb ik mijn betoog ten einde gebracht. Indien u vragen zou stellen die alleen voor de meer ingewijden bestemd zijn, zal ik u hetzij een dubbelzinnig, hetzij geen antwoord geven, want het onthullen van dergelijke geheimen zonder meer kan heel gevaarlijk zijn.

Vergelijkenderwijze, je zult een kleine jongen ook niet vertellen hoe en waarmee hij een atoombom in elkaar kan zetten. Je weet, dat de kans dan groot is, dat hij besluit het volgende nieuwjaar met een extra grote klap in te luiden. En wanneer dat gebeurt, zit je met het gegooi in de glazen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  •   U sprak van de elementen. Wat bedoelde u daarmede?

Dat waren, gezien de tijd, waaruit het citaat stamde, de z.g. oude elementen. Zoals u misschien weet, zijn dit water, aarde, vuur en lucht, samengevat in het vijfde element: De ether.

Dit zijn de vijf elementen der oudheid. Men nam aan dat in alle materie, maar ook in alle leven, deze elementen de hoofdrol speelden en alle bekende waarden daaruit opgebouwd waren. Het zijn dan ook deze elementen, waarmee de alchemisten nog rekenen. Overigens niet alleen de alchemisten, maar ook de geneeskunde van die dagen. Zelfs Paracelsus houdt in zijn verhandelingen over de geneeskunde rekening met de verhoudingen der elementen in de mens. Paracelsus geeft vooral in zijn eerste verhandelingen magische recepten, die bestemd zijn om de juiste verhoudingen van water en vuur in de mens te herstellen. In zijn latere verhandelingen en geneesmethoden beschouwt hij deze stelling veel nuchterder dan de meesten van zijn tijdgenoten.

  • U laat doorschemeren, dat u het onderwerp slechts oppervlakkig behandeld hebt. Ik ben het daarmede niet eens. U hebt veel gezegd en voor een goed verstaander is een half woord genoeg.

M.a.w.: Indien u zelf in staat bent het deel, dat ik niet mocht behandelen erbij te voegen, krijgt u een tamelijk volledig geheel. Voor degenen die hier iets over weten, is alles wat belangrijk was, gezegd. Maar er zijn aanwezigen die niet alles al weten en misschien over een bepaald punt graag nog iets meer willen horen.

  • Was die John Dee een alchemist? Kwam hij verkeerd terecht?

John Dee was een goede man. Hij was een van die alchemisten die meenden dat vooral het geheim van het stoffelijk goud maken erg belangrijk was. Hij kwam door middel van een oplichter in het bezit van het rode en het witte poeder. Hij verkondigde hierop, dat hij uit lood en andere bestanddelen goud kon maken. Dit gelukte hem niet altijd. Hij verliet Engeland al snel voor het vasteland en werkte daar als goudmaker, onder meer in Beieren en Polen. Door gebrek aan resultaten, door oplichtingen door zijn partner, geraakte hij steeds meer in moeilijkheden. De helper gaf zich uit voor een mens, die met hoge geesten in verbinding stond.

Toen die helper dan ook verliefd werd op de vrouw van Dee, kwam er een uitspraak van de geest, waardoor hij die vrouw tijdelijk aan de helper diende af te staan. Dee gehoorzaamde, maar moreel verval was het gevolg hiervan. De man die eens alle eer ontving van Stanislaus van Polen, gooide steeds meer het besef van de werkelijkheid over boord, baseerde zich op de aanwijzingen die hij – door middel van de bedriegende helper – kreeg van salamanders en andere wonderlijke geesten. Uiteindelijk is Dee in een gevangenis gestorven. Uit zijn geschiedenis kunt u wel leren, dat zelfs de ware alchemist komt tot een zelfmisleiding, wanneer hij de nadruk op het stoffelijke, i.p.v. geestelijke verwervingen, op het stoffelijke i.p.v. het geestelijke legt. Het is deze misleiding die hem dan – sneller dan een normaal mens – tot de ondergang voert.

  • Wat was dat rode en witte poeder?

Men geloofde, dat, indien bij bepaalde metalen deze poeders werden gevoegd, zij gemakkelijker hun wezen zouden kunnen omzetten in edele metalen. De poeders die John Dee bezat, waren afkomstig uit het graf van een Ierse kardinaal, die buitengewoon bekend was als succesvol alchemist. In diens graf bevonden zich overigens verschillende fiolen met geheimzinnige substanties. Men geloofde zelfs, dat deze priester met behulp van een rood en een wit poeder uit samenstellingen van kwikzilver, ijzer en lood, zilver en zelfs diamanten wist te maken. Deze reputatie is er waarschijnlijk de oorzaak van geweest, dat Dee zich geheel liet inpalmen, toen iemand hem vertelde, dat hij beschikte over de twee substanties, die door hem – op verzoek van de geest van de kardinaal – uit diens graf waren gehaald. Natuurlijk staan deze beide substanties, die in de recepten voorkomen, binnen het geestelijk systeem, voor heel iets anders. Het witte poeder heet dan: wijsheid in onschuld. Het rode poeder is dan moed, die alle gevaren trotseert, gemengd met de liefde, die God boven alles erkent en het leven, dat zichzelf hernieuwt en daardoor eeuwig is. Zuivere esoterische aanduidingen van mogelijkheden dus.

Maar ja, wanneer je de mensen vertelt dat zij iets zonder verdere moeite met een poedertje kunnen doen, geloven zij u graag. De gedachte iets kostbaars voor weinig of zonder moeite te kunnen verkrijgen, doet de menselijke rede vaak zwijgen. Zo ook hier. Overigens hebben de beide poeders werkelijk bestaan. In de meeste gevallen was het rode poeder een oxide menging. Het witte was een zout en zelfs wel een primitieve vorm van sodium-pentotaat.

  • U hebt de Steen der wijzen beschouwd als een denksysteem. Mag men hieruit concluderen dat de juiste methode om de Steen der Wijzen te vinden ligt in het perifeer maken van het denkvermogen? Dus een zich openstellen voor inspiratieve krachten?

Enigszins komt dit er wel bij te pas, maar het is niet voldoende. Om precies te zijn komt het hierop neer: Het inspiratief denken, het geestelijk erkennen en het materieel denken, of menselijk denken, hebben alle drie een bepaalde functie in het leven. Zij dienen t.o.v. elkaar in een bepaalde verhouding gebruikt te worden. Het je openstellen voor inspiratie is dus inderdaad een deel van het systeem, maar het is niet het geheel. Neem mij niet kwalijk dat ik niet op de vaststelling van de juiste verhoudingen verder inga. Anderen zouden in de verleiding komen het te proberen en de gevolgen daarvan zouden schadelijk kunnen zijn. Het is net als bij bepaalde yoga-oefeningen. Wanneer je die zonder meer aan iedereen vertelt, gaat er iemand aan beginnen die geen oefening heeft gehad, wiens wezen er niet op berekend is. In plaats van nieuwe krachten eindigt hij dan met een hartcollaps.

Wel mag u het volgende over de weg onthouden: In de eerste plaats komt de contemplatie: Deze brengt innerlijke bewustwording.

In de tweede plaats vinden wij de meditatie: Deze brengt ik-realisaties en zo inzicht in de verhoudingen tussen het ik en de wereld.

In de derde plaats komt de inspiratie: Het ontvangen van kennis uit andere gebieden en persoonlijkheden binnen het ik, waardoor een verruiming van eigen denken en beschouwen mogelijk wordt.

In de vierde plaats komt het persoonlijk denken: Waarbij men zich eigen gesteldheid en wensen realiseert.

In de vijfde plaats komt dan het handelen: Waardoor het ik in de wereld de plaats kan innemen, waarvoor het innerlijk rijp is.

Dit zijn een paar van de ingrediënten die in de geestelijke Steen der Wijzen mede zijn vervat. Er hoort nog iets meer bij, maar zoals ik reeds gezegd heb: een werkelijk recept mag ik u hier niet geven. Wie iets van deze dingen afweet, begrijpt ook, dat in de Steen der Wijzen vele anderen weerkaatst zijn. Misschien is het nog beter te zeggen, dat vele esoterische systemen en geheimscholen uiteindelijk niets anders doen dan op hun eigen wijze zoeken naar de Steen der Wijzen.

  • Ik begrijp niet waarom in het begin John Dee, en met hem vele andere verlichten, de weg der alchemie opging en dus de stoffelijke weg bewandelde.

In de eerste plaats is het fout te stellen dat de alchemisten mensen waren die de weg van de stof wilden volgen. Met evenveel recht zou men kunnen zeggen dat elke vrijmetselaar een bouwvakarbeider is. Er zijn heus wel verschillen. In de tweede plaats, ook verlichte mensen worden vaak door hun eigen zwakheden gedreven op paden die zij beter zouden kunnen mijden.

Bij John Dee was de zwakheid een behoefte aan erkenning en een overmatige gehoorzaamheid aan en liefde voor zijn echtgenote. Wie niet sterk genoeg is om de waarheid bovenal te dienen, wordt vaak het slachtoffer van zijn pogen om iets van die waarheid tot eigen voordeel te gebruiken. Nu hoop ik maar, dat die goede verstaander van zo-even aan dit halve woord ook voldoende heeft.

  • Zijn de verhoudingen waarover u spreekt, in bepaalde gebouwen, tempels en boeken ook gebruikt?

Die verhoudingen zijn terug te vinden, zoals u reeds uit mijn inleiding hebt kunnen distilleren, in verschillende bouwwerken. Daarnaast zijn zij voor wetenden terug te vinden in verschillende handelingen op esoterisch gebied en zelfs in de heilige boeken van verschillende godsdiensten. Verder dan dit mag ik niet gaan.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterische beschouwingen

 Ik hoop dat het u geen overdaad lijkt, wanneer ook ik tracht nog over enige geestelijke zaken te praten. Er zijn altijd vele onderwerpen die voor u interessanter schijnen te zijn, zoals de vraag: Wat het komende jaar zal gebeuren, of hoe het staat met vliegende schotels en ruimtevaart.  Deze dingen, zijn uiteindelijk maar de uiterlijke verschijnselen van een innerlijke werkelijkheid. Het is voor een mens vaak moeilijk die innerlijke werkelijkheid geheel tegemoet te treden. De dingen die buiten u bestaan, baren u immers zo onnoemelijk veel zorgen en kunnen u ook zo veel genoegen geven. Kortom, u wordt door alles, wat buiten u bestaat, zo zeer geboeid, dat een ingaan op de innerlijke werkelijkheid vaak zeer moeilijk wordt. De voorstelling van het leven die de mens over het algemeen van het leven heeft – in het bijzonder in het westen – is in de eerste plaats een beeld van gebonden zijn. Een leven dus waar je je aan vast moet klampen, iets wat je een noodlot is. In vele gevallen ziet men het leven als iets, waaraan je zelf niets, of slechts zeer weinig veranderen kunt. Nu zijn al deze stellingen voorwaardelijk juist. Voorwaardelijk, maar niet helemaal.

Indien wij trachten ons het eigen leven te realiseren, staan wij in de eerste plaats wel in contact met een grote oneindigheid. Hoe die oneindigheid er uit ziet, is moeilijk te definiëren. Het is immers al moeilijk om een mens duidelijk te maken, hoe de ruimte buiten de wereld er in feite uit ziet. Nog moeilijker is het u duidelijk te maken, wat eigenlijk de kracht is, waaruit geheel die Schepping ontstaat en waarheen zij uiteindelijk ook weer terug zal vloeien. Een technisch woord daarvoor gebruikende, zou je die oerkracht-potentie kunnen noemen. Er is altijd een potentiële wereld. Soms is zij als Al geuit, soms vloeit zij terug tot een soort Niet. Wijzelf, ongeacht de wijze waarop, of de toestand waarin wij verkeren, blijven daarmee echter steeds verbonden. Wij zijn onverbrekelijk deel van die grote kracht. Wie ook het leven tot uiting brengt, ongeacht de kracht of het bewustzijn dat de uitingen van ons leven regelt, altijd weer blijven wij deel van die grote kracht.

Het is logisch te stellen, dat onze eerste werkelijkheid, de realiteit van het bestaan zelf, in deze kracht gelegen moet zijn. Zouden wij hier over ons zelf willen gaan spreken als persoonlijkheden, dan zouden wij geestelijk, zowel als stoffelijk, vast moeten lopen. Het begrip persoonlijkheid, zoals wij dit kennen, is uiteindelijk maar een verschijnsel. Het is niet de kracht zelf. Het is zeker ook niet de potentiële kracht die zou kunnen blijven bestaan, nadat al het andere is uitgeblust. Toch is ons wezen blijvend, of – zoals men liever zegt – eeuwig, alleen kunnen wij de manier waarop deze kwaliteit in ons is gelegen, of de werking die zij op ons heeft, moeilijk bepalen.

Vanuit ons weten omtrent de eeuwigheid van eigen wezen moeten wij, ter betere definiëring van onze oerkracht, gaan zien naar de mogelijkheden in het bestaan. In de eerste plaats moet er een geestelijk bestaan zijn. D.w.z. een bewustzijn, waardoor wij ons onderscheiden van de andere delen van de Schepping. In de meeste gevallen zullen wij moeten stellen dat dit bestaan en bewustzijn ons bepaald wordt door factoren van lust en factoren van onlust. Soms bent u bang voor het leven, of iets in het leven, soms echter begeert u het leven, of iets in het leven, boven alle dingen. Het zijn deze twee waarden die niet alleen ons eigen bestaan definiëren en omschrijven, maar tevens verantwoordelijk moet worden gesteld voor een geuite en kenbare Schepping.

Dat klinkt u misschien wat vreemd in de oren. Ik hoor u al zeggen: de geuite Schepping is toch door de Schepper tot stand gekomen? Misschien door een Scheppingswil? Ik neem aan, dat, wanneer ergens een onderscheid wordt gemaakt tussen Licht en duister, de verschijnselen daarin zullen worden veroorzaakt door de reacties van alles wat binnen deze mogelijkheid van Licht en duister is geschapen. Voor ons leven en beleven is het in de eerste plaats onze eigen reactie, die creatief werkt. De sterkste is ons voorstellingsvermogen. Degene die de sterkste begeerten en de sterkste angsten zal hebben, zal dan ook het meeste scheppen. Degenen die dus tot uitersten van lust en onlust komen, zullen wel in een zeer grote, zo niet beslissende mate bepalen, wat uw wereld is, wat alle werelden kunnen zijn en zullen zijn, en wat de Schepping voor de schepselen betekent. Hoe zwakker onze angsten en begeerten, hoe minder sterk de band die ons verbindt aan het scheppingspatroon dat uit deze twee waarden is voortgekomen, of voortkomt. Je zou als omschrijving van een geestelijk, of stoffelijk bestaan kunnen stellen: Hoe minder ik begeer en hoe minder ik vrees, hoe kleiner de band tussen mij en de Schepping. Maar ook hoe minder ik onderworpen zal zijn aan de wetten, die in die Schepping voor de andere schepselen nog heersen.

Willen wij verder komen in geestelijk opzicht, ons als geestelijke kracht ontplooien, of als mens betekenis hebben wanneer wij op aarde zijn, dan zullen wij m.i. iets van deze vrijheid moeten trachten te bereiken. Soms doet men dit door een levenshouding te aanvaarden die men wel fatalisme noemt, een noodlotsaanvaarding dus. Dan krijgen wij te maken met stellingen als: Zolang mijn innerlijk niet met het gebeuren gebonden is, heeft het voor mij geen werkelijke betekenis. Als een waar gebeuren bestaat het voor mij dan niet. Ik moet dus alles zonder meer en zonder eigen streven dienen te aanvaarden. Dan zal ik vrij zijn. Geheel logisch is dit niet.

Wanneer wij alles zonder meer aanvaarden, kunnen wij trachten onze eigen persoonlijkheid uit te roeien, of te veranderen. Maar zullen wij met deze verandering tevens de begeerte uitroeien, die in ons leeft, zullen wij daardoor de angst die ons zelfs tijdens het aanvaarden blijft beroeren, op de juiste wijze kunnen overwinnen? Het is niet zo gemakkelijk jezelf los te maken van een kosmos, een beleven, waar je zo geheel mee vervlochten bent. Je zult dus wel moeten kiezen uit de vele mogelijkheden van goed en kwaad, licht en duister.

Nu kan ik natuurlijk wel gaan zeggen wat ik daarbij goed acht. Maar zal dit het absolute goede zijn? Voor mij misschien. Zeker is het in overeenstemming met mijn huidig stadium van ontwikkeling. Of het voor u goed is? Dat zult u zelf uit moeten uitvinden. Van mijn standpunt uit zou ik het volgende willen stellen: Het is voor elke mens belangrijk zoveel mogelijk meester van zichzelf te zijn. Meester zijn van jezelf wil niet zeggen, afstand doen van je angsten en begeerten, maar wel in staat zijn deze in je besloten te houden en in jezelf deze waarden t.o.v. elkaar zoveel mogelijk in evenwicht te houden. Je maakt je op die manier vrij van de wereld buiten je. Wanneer niemand meer je kan dwingen door van je angsten gebruik te maken en niemand je meer kan kopen door gebruik te maken van je begeerten, heb je de persoonlijke vrijheid grotendeels overwonnen. Eerst dan ben je werkelijk in staat om in overeenstemming met je eigen persoonlijkheid te leven.

In de tweede plaats lijkt het mij erg belangrijk, dat je leert de kracht die in jou is, te beseffen en te gebruiken. Ik kan natuurlijk ook hier weer gaan stellen: ik aanvaard dit alles zonder meer, maar wanneer ik alles aanvaard, accepteer ik niet de werkelijkheid, maar de verschijnselen. Tot de werkelijke oorzaken en krachten zal ik, door mijn aanvaarden, niet door kunnen dringen.

Voorbeeld: wanneer iemand in uw omgeving ziek wordt en u zegt: “Indien het Gods wil is, zal hij sterven”, dan zult u dit verlies desalniettemin vrezen. U zult de beterschap van de patiënt, ondanks uw verklaring, blijven begeren. U bent dus niet werkelijk en geheel onverschillig. Zelfs indien u dit zou kunnen zijn, dan zou u voor uzelf aan menselijkheid te kort schieten wanneer u de patiënt zonder meer aan zijn lot over zou laten.

Evengoed kunnen wij stellen, dat wij steeds verplicht blijven te pogen naar eigen beste vermogen. Slechts waar ons eigen streven, denken en werken tekort schiet, mogen wij aanvaarden dat hier een hogere macht ingrijpt, of een noodlot zich voltrekt, waaraan wij niet kunnen ontkomen. Een persoonlijk werkzaam zijn is noodzakelijk, niet voor de wereld, maar voor onszelf. Wij kunnen rustig aannemen dat die wereld alles zal volbrengen, wat de scheppende geest van het ogenblik wenst. Wij kunnen rustig aanvaarden, dat alles wat in de ons kenbare delen van de Schepping gebeurt de onmiddellijke wil is van de Schepper Zelf, of van de persoonlijkheid, die op instigatie van de Schepper dit deel van het Al in overeenstemming met diens wil tot stand heeft gebracht. Voor ons zelf echter is het niet voldoende ons te laten drijven op de vloed der gebeurtenissen. Wij moeten persoonlijk streven en ook als persoonlijkheid steeds weer registreren, weten, wat wij persoonlijk tot stand kunnen en moeten brengen. Ons denken moet steeds op het hoogste zijn gericht.

Wat is nu voor ons wezen en vermogen het hoogst vatbare? Natuurlijk, dit zijn mijn inzichten, dit is mijn weg. Misschien kent u een betere, of een andere. Maar ik geloof dat voor de mens het meest belangrijke “erkennen” is, het erkennen van de tegenstellingen waarin hij bestaat.

Anders gezegd: de mens moet zijn eigen licht en duister leren kennen. Het duister vloeit voort uit het licht, zoals een positieve waarde altijd de negatieve met zich mee brengt. Op het ogenblik dat wij vanuit een daadbewust bestaan willen gaan streven, zullen wij in de eerste plaats met onze gedachten tasten moeten naar het positieve, naar het Licht. Ik zou haast willen stellen, dat het voor de mens een plicht is de vreugden van de wereld te erkennen. Het is een verplichting van de mens al het goede, wat er rond hem bestaat, te erkennen. Niet als een persoonlijk ervaren, maar als een openbaring van het geschapene, van de Schepper Zelf in het geschapene zelf.

Op deze wijze, door het zoeken naar het Licht, zullen wij kunnen begrijpen wat voor ons de positieve factor is van het heelal waarin wij leven. Naarmate de kennis van het positieve groter wordt, zal ook het begrip voor het negatieve in ons bewustzijn groeien. Wij zullen altijd in de wereld staan als op het middelpunt van de balans, waarop tegen elkaar worden afgewogen, de angsten en de begeerten die gezamenlijk de werkelijkheid van onze Schepping uitmaken, het duister en het Licht, waartussen zich nu eenmaal de gehele scala van voor ons vatbare verschijnselen zich af moeten spelen.

Het erkennen van het Licht in onszelf maakt ons – ongeacht deze positie – toch een innerlijke identificatie met het Licht mogelijk. Wij zouden op den duur ook afstand kunnen doen van de vele beperkingen die voor de mens en ook voor de geest nog lange tijd plegen te bestaan.

O.m. van het ego-concept als een zuiver persoonlijke waarde, i.p.v. een begrip omtrent een behoren tot, een deel uitmaken van een grotere eenheid, die het werkelijke ego is. Daar is bv. ook nog het vorm-bewustzijn dat een bepaalde prestatie, een bepaald vermogen, een bepaald gezag en wat dies meer zij probeert te associëren met vaste vormen, bepaalde huidskleur, of een bepaald accent. Als wij daar boven uit kunnen groeien en de kosmische factor leren begrijpen die in ons allen gelijkelijk zijn rol speelt, dan vlieden wij weg uit de wereld van het kleinmenselijke. Niet, dat je nu opeens meer wordt dan een mens. Je gaat niet boven het menselijke uit: het mens-zijn verdiept zich. Alle dingen in de kosmos spreken voor u verstaanbaar. D.w.z.: zij openbaren zich in dezelfde reeks van tegenstellingen, die ook in u leeft. Zij openbaren zich in dezelfde waarden, die ook u steeds weer beroeren.

In het begin zal de Schepping voor ons in zijn geheel niet meer zijn dan een klankbord, waarop de tonen van onze eigen persoonlijkheid worden versterkt, tot zij weerklinken in geheel het kenbare bestaan en – althans voor ons – het zijnde beheersen. Hiermede treedt identificatie op, dus met het ik, maar dan kosmisch uitgedrukt. Op den duur wordt het wezen van alle andere waarden zo, ook in uzelf, overgedragen en werkzaam. U zult dan misschien leven als een fonkelende ster, of een duistere nevelwolk, die ergens zijn weg zoekt tussen de lichtende vangarmen van een sterrennevel. Het is onmogelijk te zeggen wat u zult zijn, of hoe u zult zijn met de Schepping; maar het is wel zeker, dat u een deel zult zijn van het groot kosmisch bestaan, dat niet meer wordt gelimiteerd door de vloed van tijdseenheden, die het menselijke zijn nu eenmaal zo sterk omschrijven en beheersen.

Als de tijd eenmaal voor u stil blijft staan, blijft u als ervaring nog de eeuwige ademhaling van het Al over. Soms stromen de sterren uit de kern uit om het bestel, dat wij ruimte noemen, dit tot zichzelf kerende en in zichzelf besloten geheel, te vullen. Een volgend ogenblik keren wij met alle sterren en krachten weer terug tot de kern, vanwaar eens alle Zijn is uitgegaan: het eerste atoom, de eerste ster. Maar ook deze terugkeer tot een toestand, die vanuit menselijk standpunt “niet-zijn” kan worden genoemd, maakt voor ons dan niets meer uit. Wij zijn ons door vele levens van de structuur van het gehele Zijn bewust geworden. Door het uitschakelen van de tijd en het erkennen van de werkelijke structuur der ruimte – het erkennen van de beweging die de oorzaak is van alle tijds aanvaarden ook – zullen wij voor onszelf kunnen besluiten, of wij dit alles zullen herscheppen, en zo bij een hernieuwde uiting van de eeuwige potentie de vormgever van deze potentie te zijn, dan wel dat wij ons terug wensen te trekken in het niet geuite bestaan.

Dit is misschien een beetje moeilijk voor u. Ik zal proberen u het eenvoudiger te maken. Waar mijn betoog in feite op neer komt, is dit. Om als mens goed te leven, als mens dus, is het niet voldoende alleen goed te denken, maar dien je ook goed te handelen. Het is niet voldoende alleen goed te handelen, je moet daarbij ook goed denken. In dit goede handelen en goede dienen ben je grotendeels je eigen maatstaf. Je moet dus wel je eigen baas zijn. Wil je dit bereiken, dan zul je moeten leren al datgene wat in de Schepping met je wezen parallel loopt, wat één is met je denken en streven, te verstaan. Stel bv. dat ik op dit ogenblik niet alleen tot u spreek, maar tevens denk. Stel verder dat ik in dit denken u tracht een reeks waarden in het innerlijk te projecteren die voor u niet vatbaar zouden zijn in woorden. Wanneer u dan leert op een enkel ogenblik één te zijn met mij – het luisteren maakt u dit gemakkelijker – dan kunt u dus mijn gedachten opvangen. U kunt een bepaalde sfeer proeven. U wordt innerlijk rijper, buiten het stoffelijk denken om.

Nu zeg ik dit, omdat ik persoonlijk graag zo werk. Dit is natuurlijk onbelangrijk. Er zijn zovele dingen van het allergrootste belang in de wereld, waarbij dezelfde mogelijkheid bestaat. Of dacht u, dat deze wereld niet een eigen leven had? Dacht u misschien, dat de sterren onbezield waren? Met al die dingen kun je een eenheid bereiken. Dat, wat rijper, ouder, of wijzer is dan u, maar hetzelfde streven kent als u, kan door de eenheid van kracht u meezuigen, meedrijven zoals een stofje met een werveling van de lucht. Zo zal deze verbinding u hoger brengen dan uw eigen vermogen u ooit kan brengen. In deze toestand zult u voor uzelf problemen op gaan lossen, alleen al, omdat u leert de juiste vragen te stellen.

Ik wilde de materie wat eenvoudiger maken, maar ik vrees, dat het voor sommigen nog moeilijk blijft. Hoe vaak komt het in uw leven niet voor, vrienden, dat u met een probleem, een raadsel zit, waarvoor u werkelijk geen oplossing weet. U bent u wel van het probleem bewust. U zult gaan zoeken naar een oplossing daarvoor. Indien u voldoende volharding hebt bij uw zoeken, zult u die oplossing uiteindelijk moeten vinden. Stoffelijke kennis kan u daarbij vaak verder helpen. In de meeste gevallen is het de inspiratie, de vonk van hoger, of zelfs Goddelijk Licht, die u over de drempel heen helpt. Per slot van rekening, wanneer James Watt de stoom ontdekt als kracht, zijn alle verschijnselen en gegevens reeds bekend. Het probleem bestaat waarschijnlijk ook al enige tijd. Nu komt de inspiratie. Opeens voegen zich verschillende onafhankelijke waarnemingen samen in een nieuwe erkenning. Water, dat kookt, vormt stoom, die zich gedraagt als een uitzettend gas en zekere druk veroorzaakt. Een zekere druk heeft ook een zeker arbeidsvermogen. Het lijkt zo eenvoudig. Je kijkt naar een ketel kokend water en vindt de stoommachine uit.

Haast elke werkelijke uitvinding op de wereld is op een dergelijke wijze tot stand gekomen. Ook elke openbaring komt op soortgelijke wijze tot stand. De geestelijke wijsheid die u vindt in de openbaringen van verschillende volkeren, is ook door inspiratie tot stand gekomen. Het is een plotseling proces, waarin voorgaande mogelijkheden in een geheel nieuw licht komen en voeren tot geheel nieuwe reacties en handelwijzen. Neem bv. het leven van Jezus. Dertig jaren lang leeft Hij gewoon, werkt en doet als iedere mens. Dan opeens komt Hij tot een nieuw inzicht en een geheel afwijkende reeks van handelingen. Hij erkent Zijn taak, ziet Zijn leven in een geheel nieuw licht en gaat daarnaar leven. Soms gaat er aan die inspiratie een tijd van zoeken en pogen vooraf.

Een ander voorbeeld hiervan zien wij in de levensgeschiedenis van Prins Siddharta, die een lange tijd rondtrekt en stoffelijke kennis vergaart, terwijl hij alle mogelijke filosofieën nagaat.

Opeens wordt hij gevangen in een inspiratie, een contact met het hogere, waardoor hij zich een geheel nieuw beeld kan vormen van wereld, leven en mensheid. Zo wordt hij de Gautama Boeddha. Mohammed geeft ons weer een geheel ander beeld. Deze kameeldrijver worstelt een tijdlang met innerlijke en uiterlijke tegenstellingen in de godsdienst van zijn volk. Hij wordt geïnspireerd, krijgt visioenen en besluit een heilige oorlog uit te roepen.

Misschien vindt u dat deze inspiraties alle maar betrekkelijk zijn en mijn uitleg niet volledig mag worden genoemd. Misschien heeft u gelijk, maar voor die mensen was de inspiratie van één ogenblik de oorzaak van een totale verandering in hun leven en denken. Ook voor u moet dezelfde mogelijkheid bestaan. Natuurlijk, kennis hebt u nodig, u moet zelf zoeken naar de juiste formulering en uiteindelijk ook naar de oplossing van uw probleem. Wanneer er van een werkelijke en algemene oplossing sprake is, zullen wij altijd dat vreemde element vinden dat inspiratie wordt genoemd. Inspiratie verkrijgt u het eenvoudigst wanneer u één leert te zijn met grotere krachten en in harmonisch denken steeds meer gelijkstrevende krachten als aanvulling van eigen bewustzijn in u weet te wekken.

Er zijn mensen die heel nuchter zeggen: Er is toch geen voortbestaan en als er toch een mocht zijn, dan zien wij het wel wanneer het eens zover is… . In zoverre verstandig, dat men hierdoor in ieder geval niet in de verleiding wordt gebracht, tijdens het menselijke bestaan, reeds te leven alsof men behoorde tot de werelden van het hiernamaals, dit is altijd dwaasheid, omdat men dit nu eenmaal niet op gezonde wijze stoffelijk kan verwerken. Het voert u tot innerlijke strijdigheden. Ook zijn er mensen die stellen: er is géén God. Wanneer er wel een God was, zou Hij Zich wel duidelijker aan de mensen openbaren… . Ook zij hebben ten dele gelijk. Maar indien je deze dingen niet gelooft, zul je voor jezelf moeten trachten te bewijzen dat zij ook werkelijk niet bestaan. Mogelijkerwijze zul je ontdekken dat zij wel bestaan, maar dat is niet belangrijk. De poging het probleem definitief op te lossen, is noodzakelijk. Het andere telt niet mee. Gelijkheid van streven doet een zekere harmonie ontstaan. Deze harmonie kan u met andere mensen samenbrengen en leiden tot een eenheid van streven, denken en werken, zij kunnen u met hogere krachten en hogere vormen van bewustzijn verbinden. Het is dan meestal dit grotere bewustzijn, wat in u zich kenbaar maakt als de invloed, die u inspiratie noemt. De stelling van het probleem op de juiste wijze, waardoor je je opeens bewust wordt van dingen, die je onbewust je hele leven lang al hebt geweten, geeft je tevens een nieuw licht op vele dingen, een veranderde houding tegenover de betrokken verschijnselen. Hierdoor vind je op je vragen dan ook altijd weer het juiste antwoord. Zo gesteld is dit voor u eenvoudig en begrijpelijk genoeg.

Toch wil ik nog iets verder gaan. Ik heb zo’n flauw idee dat er onder u hier velen aanwezig zijn, die voor zich steeds weer zeggen: wij willen geestelijk rijper worden. Zij willen alle geheimen des levens geopenbaard zien. Hebt u zich wel eens afgevraagd hoe een appel aan de boom rijpt?

Wij zien dan niet onmiddellijk de rijpe appel ontstaan na het vallen van de bloesem. Neen, eerst komt de bloesem. Dit is de schoonheid die nog geen vrucht kent. De eerste gedachte, die weer vergaat, maar uit zich het vruchtbeginsel doet ontstaan. Uit het vruchtbeginsel groeit langzaam en moeizaam de vrucht. Wanneer dan een appel pas begint te groeien, is het een kleine, onsmakelijke en onzienbare vrucht. Worden de appels wat groter, maar zijn zij nog niet rijp, dan moet men er zich niet aan vergrijpen. Menig kind heeft daardoor al maagpijn opgelopen.

Wanneer je weet te wachten, ontstaat uiteindelijk die mooie door zon gerijpte vrucht, waarvan je kunt zeggen: Dit is een rijpe en mooie appel.

Zo gaat het de mens ook. Je kunt zeggen: wij willen geestelijk rijp worden. Maar je kunt niet zo maar opeens geestelijk rijp worden. Er bestaat geen enkel toverwoord waardoor dat mogelijk is.

De begeerte is als de bloesem. Veel moet volgen vóór er een werkelijke mogelijkheid is tot geestelijke rijping. Altijd blijft de noodzaak bestaan om zelf te streven. Bovenal is er voortdurende de noodzaak eerst te beginnen met die dingen die voor jou op dit ogenblik het belangrijkste zijn. Je mag niet proberen een appel een door zon gerijpte kleur te geven, wanneer hij eerst nog het sap van de boom moet opnemen, om tot zijn ware grootte te kunnen groeien. Een mens moet niet proberen de tekens van rijpheid in zich te tonen, vóór zijn kennis en zijn bewustzijn de daarvoor noodzakelijke inhoud verkregen hebben. Wanneer u dit begrijpt, zult u ook weten, dat vóór alles steeds belangrijk zal zijn, dat u aan uw eigen probleem werkt. Begin steeds aan de problemen die het dichtst bij u liggen. Dezen zijn op het ogenblik de voor u enig juiste middelen tot een harmonische verdere ontwikkeling.

Vele mensen komen hier in de verwachting dat wij hen geestelijk de neus zullen poetsen en al, wat daarbij hoort als haartjes kammen, kleertjes goed trekken, om dan te zeggen: zo, nu zie je er goed genoeg uit. Nu ben je klaar voor de eeuwigheid…. . Eigenlijk ziet men dan in ons een soort vergeestelijke versie van “la maternelle”. U hebt uw bewaarschooltijd gehad. De tijd van onbewustzijn is voor de meesten van jullie al voorbij. Anders zou u zich niet voor deze dingen interesseren. Het is uw eigen wezen en uw eigen leven, wat u tot deze interesse brengt. Het betekent dus ook, dat u – geestelijk gezien – nu oud en wijs genoeg bent om zelfstandig en daadwerkelijk te gaan streven. Dat daadwerkelijk streven moet u vooral niet zien als een naar boven toe uit grijpen. Niet een: “Nu wil ik met de geest spreken”, of: “Nu wil ik alle krachten in mij bezitten, die er maar bestaan”. Dat gaat niet. Het geestelijk streven moet u zien als een doodgewoon en voor alles nuchter en logisch proces. Er zijn vele vragen in uw leven, iedere mens heeft vragen. Neem daarom nu reeds de vraag die voor u de meest belangrijke lijkt en tracht daar een antwoord op te vinden.

Begin niet aan problemen als: “Wat is God?” en “Hoe is de wereld ontstaan?” De volle waarheid kunt u nu toch nog niet vinden. Indien u zich af gaat vragen, waarom u in uw leven dit of dat door moest maken, dan zult u met het beantwoorden van deze vragen geestelijk een heel eind verder komen. Leert u daarbij steeds weer u in te stellen op het Licht, opdat u het verschil tussen Licht en duister zult kunnen beseffen. Tracht steeds weer zorg te dragen voor de juiste sfeer, de juiste stemming in jezelf. Daardoor zal je niet alleen eerder een antwoord vinden, maar ook innerlijke vrede. Zó zal je het geluk kunnen ervaren van het Zijn.

Het eenvoudigste doet u het zo: Breng jezelf tot rust. Wanneer er werkelijk een zo groot mogelijke rust in je heerst, stel dan je probleem. Laat je door de krachten die in je werken, meevoeren boven je eigen vermogen tot begrip. Laat de krachten in je werken, desnoods tot het een wartaal lijkt. Probeer het niet uit te spreken, of om te zetten in een vergroting van geestelijk vermogen. Aanvaard dat, wat zich binnen u afspeelt voor wat het is. Wanneer je je dan bewust wordt van jezelf op aarde, wanneer de rust langzaam plaats maakt voor een besef van je eigen wereld, moet je je vraag nog eens weten te stellen. Opnieuw moet je trachten haar te beantwoorden, steeds weer. In het begin zullen er misschien verschillende antwoorden zijn, die uit het ik voortkomen. Maar wanneer je het proces een paar malen herhaalt, komt er een ogenblik dat je in jezelf voelt: nu heb ik het goede antwoord gevonden…..

Misschien vindt u het moeilijk om de juiste vraag te stellen. Wel, vrienden, de mensheid is vele duizenden jaren oud. Vele duizenden jaren heeft men reeds de gedachten van de grote denkers der wereld vastgelegd. Vele duizenden jaren heeft de mensheid gebouwd aan verschillende systemen van godsbeleving, geloof, wereldvoorstellingen, ethische scholen, de erkenning van magische procedures en onbewuste krachten. Neem daar – zover u dat kunt – kennis van. Probeer niet verder te gaan dan uw begripsvermogen reikt. Vermoei u niet met iets, wat nu nog niet voor u bestemd is. Probeer alles, wat u begrijpen kunt van de stellingen van andere en grotere denkers te verwerken en te overzien in al zijn consequenties. Een redelijke mentale training is noodzakelijk om de geestelijke bewustwording, waarvan zovelen steeds weer dromen tot een reële en nabij gelegen mogelijkheid te maken. Dit klinkt wel wat anders, dan u verwacht had? Toch blijf ik hiermede niet te dicht bij uw wereld en denken, ongeacht de wijze, waarop u misschien denkt over mijn toespraak.

Er komt voor ons allen een ogenblik, dat onze persoonlijkheid, waarvan wij nu steeds weer dromen en die wij zo belangrijk vinden, zich oplost. Er komt een ogenblik, dat wij tot eenheid komen met grotere vermogens en grotere krachten. Er zijn ogenblikken, dat het denken zich boven de norm hoger verheft, dan de Himalaya ’s boven de zeespiegel. Dan heb je het gevoel dat je gehuwd bent met de wind, of reiken kunt naar de sterren en reizen kunt met het licht van de zon. Reeds nu is dat mogelijk. Dat zijn de korte, maar kostbare ogenblikken in het menselijke leven, waarin je ontdekt wat je werkelijke wezen en je werkelijke bestaan in feite is: een denken, geboren uit de eerste scheiding tussen Licht en duister, een bewustzijn, gevormd uit lust en onlust, dat in zich de gelijkmatigheid kan vinden van het Scheppende Principe Zelf. Niet alleen een opgaan in de Schepping kunt u. U kunt de gekende Schepping geheel verlaten.

Er komt een ogenblik dat je al het geschapene terzijde zet, al het geuite. Dan ontstaat er zelfs geen eenheid meer met de direct scheppende krachten van het Al. Dan ben je één met de grote en voor ons nog niet kenbare potentie die achter alle Zijn schuilt, de potentie die je tot een onveranderlijke werkelijkheid wordt, waarmede je één bent en waarin je op onbegrijpelijke wijze bent versmolten.

Zeg nu niet: “Dan sterf ik…..”, want dat bestaat niet. Hoe het leven dan zal zijn, weet niemand. Al deze dingen kun je vinden, wanneer je de moed hebt om te streven, wanneer je je de moeite wilt getroosten je zo nu en dan eens te verdiepen in de gedachten van de oude filosofen, je de moeite wilt geven om zo nu en dan eens te mediteren over de eenvoudige vragen van eigen leven. Dit alles kun je bereiken, wanneer je leert de raadselen der Schepping in jezelf te ontsluieren. Want dit is de enige weg. Woorden kunnen u soms stimuleren, zoals hopelijk ook de woorden die ik thans gebruik. Maar slechts wat zich ín uzelf afspeelt, fijner en etherischer zelfs dan de gedachten, die u als mens denkt, is de uiteindelijke oplossing van alle raadselen, van het raadsel van uw eigen bestaan. Het is de vrijwording van lust en onlust, de beheersing van Licht en duister. Het is het vinden van het ware bestaan en de ware Schepping.

Er is een waarheid die altijd rond ons is, een waarheid waarvan wij deel uitmaken, maar waartoe wij alleen kunnen ontwaken, wanneer wij niet vrezen stap voor stap verder te moeten gaan, zo nodig leven na leven en sfeer na sfeer. Alleen zo kom je tot, wat men wel noemt, de voltooiing van het esoterische werk: Het kennen van jezelf en de plaats die je hebt in het geschapene, ja, zelfs de erkenning van hetgeen wij nu nog niet weten, de wijze, waarop je dan één bent met God.

Ik dank u, dat u naar mij hebt willen luisteren. Het was misschien niet veel. Een pogen om  iets weer te geven van de krachten die werken, ook in ons geestelijk wezen en bestaan.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Het schone woord

 Wanneer je alle ernstige beschouwingen hoort, vraag je je wel eens af: “Zouden mijn pogingen om wat vreugde in het leven te scheppen niet een kwaad zijn?” Ik vind hierop maar één enkel antwoord.

Wanneer wij geloven in engelen en vreugdige sferen, geloven wij ook in de eeuwige vreugde.

Wat zou ons dan belemmeren, ook wanneer wij de engelenvleugelen nog niet bezitten, tenminste iets van die vreugde in ons hart te dragen?

Wij kunnen proberen door te dringen in alle dingen. Wanneer wij dit te eenzijdig doen, moet ik toegeven, dat mijn voorganger gelijk heeft. Want menig huwelijk is gebroken, doordat de vrouw des huizes zich te veel met geestelijke zaken bezig hield en te weinig met de afwas.

In ons eigen bestaan zijn dergelijke mislukkingen ook mogelijk. Je kunt je zozeer met het hoog-esoterische bezig houden, zodat je de verplichtingen van het stoffelijke bestaan zou vergeten.

Wanneer je werkelijk verder wilt komen, kun je de verplichtingen van je eigen wereld niet verloochenen, tenzij je natuurlijk van tevoren de zekerheid wilt hebben, dat je niet alleen in het huidige, maar ook in enkele volgende levens onmetelijk veel last en ellende zult krijgen.

Wanneer ik al die overpeinzingen zo hoor, zie ik altijd weer de wijze waarop wij aan God denken voor mij. Wij denken m.i. allen op onze manier aan God.

Wat is nu het ware beeld? De één stelt, dat zijn God een sterke en toornige God is, Die hem beschermt en tegen zijn vijanden beschermt. Die God is de beheerser van zijn lot, de Schepper van hemel en aarde; de kracht die waarde geeft aan alle bestaan.

“In Hem leef ik”, zo stelt men dan. Meestal denkt men er achteraan: “En Hem geef ik iets, dan krijg ik daar zeker meer voor terug.” Dat is dan weer een fout. Menigeen probeert van zijn God een soort contractkoelie te maken, die je door bedelen, of gaven, kunt overhalen om je zin te doen en het leven naar jouw inzichten te regeren.

Een andere mens beziet God al weer iets prettiger. Hij stelt: “Vader, Gij leeft overal. In de hemel, zowel als op de aarde. Al, wat waarde heeft, is aan Uw goedheid ontsproten. In mij erken ik Uw geboden. Deze wil ik volgen. Ik geloof, God, dat Gij mij kunt doden, of herscheppen. Gij kunt mij tot leven wekken in de hemelen, of uitzenden om door het duister te gaan. Uw wil, o God, is mijn wet, Uw liefdekracht is het Licht van mijn bestaan”. Daar zit natuurlijk al meer in.

Indien God ons al geschapen heeft, dan moet Hij daarmede ook een bedoeling hebben. Wanneer God ons uit haat, of onverschilligheid geschapen zou hebben, zouden alle werelden overwegend ongelukkig zijn. Maar zolang er nog werkelijk geluk en werkelijke vreugde kunnen bestaan, moet er in God liefde zijn. Laat ons dan daarop de nadruk maar leggen.

Toch is ook dit beeld van God nog te beperkt en te persoonlijk.

De Vader zit nog met een soort Sinterklaasbaard aan op Zijn hemelse troon, wuift naar de engelen, of vervloekt de wereld. Voor de werkelijk denkende mens is dit beeld nog net een beetje te eenvoudig.

De denkende mens schept zich geen beeld meer van God in menselijke zin. Zijn Godheid is een abstractie: “Gij, eerste kracht, Gij enig antwoord, uit U is het akkoord tot scheppen wel gekomen. Licht is Uw wapen, het duister teken van Uw macht. Ik ken U niet, o God, maar leef uit Uw kracht. Ik ken U niet en wil toch in het leven U erkennen, mij gewennen U altijd, altijd weer te zien als kern van mijn bestaan, want gij zijt waarheid, ook in mij”.

Daarmee zijn wij alweer een stap verder, maar er zijn nog te veel beperkingen en pogingen Gods wezen en de eeuwigheid aan de banden van een persoonlijk denken te leggen.

Volgens mij zouden wij het beter zó kunnen stellen: “Mijn God, Gij zijt de eerste kracht. Gij zijt geopenbaard – zoals men zegt – in al, wat ik hier rond mij zie. Maar ken ik U, Wezen? Kan ik U kennen in mijn eindigheid, waar Gij de kern zijt en het al zijt, Wezen buiten tijd? Ik ken U niet, mijn God. Ik wil U wel aanvaarden, maar allereerst moet ik, kennen eigen leven, eigen waarden en in mij zien, dat, wat alleen uit U geboren is en mijn bestaan verrijkt. Ik wil erkennen het deel van mij, dat Uw Zijn geheel gelijkt.”

Daarmee zijn wij er dan, naar ik meen. Natuurlijk moet eenieder zijn eigen weg gaan in geloof en esoterie. Dat is ieders recht, misschien zelfs een plicht, maar ik voor mij wil eerst doordringen in eigen Zijn, hopende zo eens de ware banden die er tussen mij en God bestaan, of zouden bestaan, te definiëren.

Ik zal mijn God, of de kracht die achter dit woord schuil gaat, niet definiëren in mijn huidige toestand, ook al gebruik ik het woord vaak. Maar dat komt, omdat ik geen beter woord heb voor dingen die in en rond mij leven.

image_pdf