De stem eens roepende in de woestijn

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 32

9 september 1956

Op deze bijeenkomst zijn wij nog niet in staat om gastsprekers tot U te laten komen. Het ligt in de bedoeling in de loop van het komende jaar verschillende figuren, die Jezus’ school zelf hebben meegemaakt, van hun zijde uit bepaalde aspecten te doen belichten. Enkele toezeggingen daaromtrent zijn reeds ontvangen. U zal in het komende seizoen verschillende malen weer lezingen ontvangen van degene, die bij U bekend staat als het Pastoortje. Hij zal meerdere malen de taak van eerste spreker op zich nemen, waar hij krachtens zijn ontwikkeling en bewustwording het best in staat moet worden geacht juist deze aspecten van het christendom nader voor U te belichten.

Voordat Jezus in het openbaar optrad, leefde in de woestijn Johannes, zijn neef, van wie gezegd wordt, dat hij was :“De stem eens roepende in de woestijn.”

Een asceet, een vreemde figuur en vaak een exhibitionist. Van hem is bekend, dat hij zich huid en haar der dieren hechtte op vreemde plaatsen, enz. Maar deze Johannes heeft zijn bewustzijn althans voor een deel te danken aan de gesprekken, die hij vóór zijn openbaar optreden met Jezus had, de jonge Jezus. Mij dunkt, dat wij juist aan het begin van onze reeks enkele van deze beschouwingen mogen plaatsen. Johannes de Doper is een ijveraar voor recht en wet, maar hij is ook tevens een nationalist. En zo kan het zijn, dat hij zich in een gesprek met Jezus, die in deze tijd ongeveer 22 jaar oud is, uitspreekt over de Romeinen:

“Deze vervloekte heidenen ontheiligen de stad.” Hij spreekt dan over Jeruzalem. “Dat de Heer ze met Zijn bliksem versplintere en hen dode, zoals Hij eens het leger van Farao doodde in de zee.”

Jezus is het hiermede niet eens. “Johannes, hoe kan God doden, wanneer wijzelf niet rechtvaardig zijn?”

“Wij zijn het uitverkoren volk. Wij zijn de erfgenamen van Zijn macht en glorie. Zal Hij ons verloochenen?” meent Johannes. En dan krijgt de toekomstige Doper een les, die hem zijn leven lang zal bijblijven.

“Je denkt aan het volk der Joden als de ware deelhebbers aan de kracht en de glorie des Vaders. Maar ik zeg je, Johannes, de Vader heeft meer geschapen dan alleen ons volk. Zijn belofte treft meerderen dan alleen Abraham. In de volheid van Zijn wezen omvat Hij al, wat is. Maar wie tot Hem in wil gaan in dit volk, hij zal herboren moeten worden in de geest.”

“Herboren in de geest? Zijn wij dan niet uit het zaad van Abraham? Kennen wij niet de wet van Mozes en eren wij niet de ware God?”

“Het is niet voldoende om de ware God te eren, af te stammen van Abraham of Mozes’ wet hoog te houden. Want er zijn wetten, die belangrijker zijn. Luister: Tot het zaad van de ware Abraham behoort een ieder, die innerlijk rein van harte is. Want in de stof van het lichaam wordt weliswaar een stempel gedrukt, maar hoe kan een geest uit Abraham stammen, wanneer zij niet uit God werd geboren en door Hem word gebracht tot Abraham? Het is wat in ons leeft, dat de ware kracht is. In ons is een rijk, dat groter is dan alle wereld, het rijk van de Vader, Die in ons leeft.”

“Maar hoe moeten wij weten, dat de geest dan tot Abraham behoort? Hoe moeten wij dan weten, wie waarlijk Hem volgt en wie niet?” “Ik” zei al, Johannes, wie rein is van hart. Wie zich bekent tot de Vader, wordt herboren in Zijn wezen. Wie zich openlijk tot Hem bekent, behoort waarlijk tot het uitverkoren volk, of hij nu stamt uit Rome of uit Jeruzalem”, of hij een Griek is of stamt uit Davids geslacht. Hij zal tot de Vader behoren, wie zich tot Hem bekent.”

Dat is een begin. Het wordt gesproken in een tijd, dat Jezus zelve nog leest uit de heilige wetsrollen. Dat hij de Thora uitlegt in de synagoge. Dat hij als vrijwillig leraar optreedt in de scholen, die aan elke godsdienstige bijeenkomst verbonden zijn. Hij is nog lang niet de vernieuwer. En in de openbaarheid is hij nog niet bekend. Maar wat hij hier zegt, is het begin van het christendom. Vóór die tijd leeft hij (en van christendom is er niets bekend) van een nieuwe gedachte, van een eenheidsgedachte, die verder gaat dan een enkel volk en een enkele God. Een al overkoepelende gedachte, die een ware God stelt i.p.v. een beeld, dat een stam zich maakt.

Johannes zal uitgaan. Hij zal zoeken naar begrip van deze woorden; en kort daarop gaat hij uit in de woestijn. Wanneer hij er lang over heeft nagedacht, dan zal hij waarlijk worden de stem eens roepende. Dan zal hij zonder aanzien des persoon een ieder verwijten, waar hij zondigt, een ieder prijzen, waar hij gerechtvaardigd is in de liefde Gods.

Ik weet, men heeft de Doper waarlijk een vreemde mens genoemd. En misschien dat hij volgens de huidige termen ook niet normaal was. Maar uit deze woorden van Jezus trekt hij zijn eigen lering. Hij doopt in de Jordaan. Wat meer is, hij doopt ook indien zij wensen Romeinen en Grieken, ja de Arabieren, die eigenlijk de grote vijanden zijn van het Joodse volk. Hij vraagt niet hoe of wat.

Wanneer hem dat verweten wordt, dan zegt hij: “Waar de Heer spreekt, zal de dienaar Zijn woorden wijzigen? Zal een priester mij woorden in de mond leggen, wanneer ik Zijn wezen weet als waarheid in mij te zijn?”

Dat is ook voor ons een begin van het christendom. Wij kunnen natuurlijk ons ook baseren op de wetten en regelen van onze kerk, op de uitverkiezing, die voor ons bestaat. Maar wij weten, dat het niet zo is. Johannes de Doper beroept zich niet op Jezus, op degene, die in hem dit bewustzijn wekte. Hij beroept zich direct op de Vader. Daar heeft hij zijn reden voor. Geen profeet en geen leraar, geen heilig boek kan ons de waarheid brengen. Dat kan alleen de grootgoddelijke Liefdekracht zelf. Uit Hem moeten wij putten. En wanneer dit in ons leeft, is de bron, waardoor wij tot bewustzijn van deze God zijn gekomen, onbelangrijk.

Zeker, Johannes erkent Jezus, maar hij volgt hem niet. Velen hebben dat niet begrepen. Ze hebben zich afgevraagd: “Waarom heeft Jezus, toen hij zijn openbaar leven begon, niet onmiddellijk Johannes de Doper genomen. Deze wegbereider, die toch werkelijk verdiend had deel te hebben aan zijn lering.

Maar hij had Johannes meer gegeven dan dat. Meer zelfs nog dan de apostelen. Een innerlijk bewustzijn, waardoor hij in staat was zichzelf te wenden tot de Vader.

Zo zou het bij ons, mens en geest, moeten zijn. Wanneer wij spreken en denken over christendom, wanneer wij ons bezighouden met de esoterische betekenissen van Jezus’ leer, wanneer wij zoeken misschien ook in de oude geschriften en bij de oude leraren, hebben die dingen weinig waarde, tenzij zij voor ons een middel worden om Gods stem in onszelf te horen.

Veel van hetgeen Johannes de Doper deed, zou men in deze dagen ongetwijfeld zedeloos, stuitend, onnatuurlijk e.d. noemen. Men zou hem misschien dwaas vinden, een aansteller, enz. Maar wat betekenen die waarden, wat betekenen de waardemeters ook, die de mens gebruikt? Waaraan de mens tracht te bepalen, wat een ander is? Is er niet iets, dat veel belangrijker is? Belangrijker voor ons is God. God, Die in ons werkt en Zich in ons openbaart.

Uit Jezus’ openbaar optreden is veel bekend omtrent zijn verwijzingen tot het Koninkrijk Gods, dat in ons is. Minder bekend zijn de leringen, die hij aan de zeventig gaf, waarbij hij ook dit onderwerp ter sprake bracht. Dat geschiedde kort na de bruiloft te Kana. Hij gaf toen de volgende lering, die ik zo goed mogelijk voor U zal vertalen:

“Wanneer gij naar de wereld schouwt, dan ervaart ge deze en beoordeelt deze. Gij gaat door de velden en zegt: “Ziet hoe rijk de oogst is.” Gij schouwt naar de lucht en zegt: “Ziet, de regen komt,” of “de zon schijnt.” Maar deze dingen liggen buiten U. Indien gij in U de Vader kent, zo verandert de betekenis. Dan gaat gij door de velden, gij ziet een oogst en gij zegt: “Ziet, de aarde leeft en haar kracht is uit de Vader.” Gij schouwt naar de zon en zegt: “Ziet, hier is het licht, dat in mij leeft, weerkaatst door de zon,” Gij ziet de regen komen en vruchtbaarheid schenken en ge zegt: “Ziet, de kracht des Vaders, die mij sterkt, komt tot de aarde en brengt haar nieuw bloed.” Want in de Vader zijn alle dingen. Doch de Vader is in ons; en in ons wekt Hij de volmaaktheid. Wie een bloem beschouwt en getroffen wordt door haar schoonheid, bedenkt niet, dat zij leeft. Toch leeft ook zij en is een met God, zoals wij allen.

Roepen tot de Heer heeft weinig zin. Want hij, die luidkeels roept om hulp, wanneer de helper naast hem staat, is een dwaas en vaak beroept hij zich door zijn luidruchtigheid van de hulp, die geboden wordt; Om de eenheid met de Vader te vinden moeten wij stil zijn. Stil in onszelf, vertrouwend in Zijn kracht, moeten wij aanvaarden, wat Hij ons oplegt. Juist in de stilte zullen wij in staat zijn Zijn stem te verstaan, Zijn wil te begrijpen. Zo we Zijn wil begrepen hebben en Zijn stem verstaan, zullen wij Zijn woorden spreken en Zijn daden stellen, voltooiende het werk, dat Hij voor ons als taak heeft gevonden.”

Veel commentaar is daar eigenlijk niet op nodig. God leeft ook in ons. Hoe meer wij leren Hem te aanvaarden, bewust van Zijn aanwezigheid in en rond ons, hoe sterker Zijn wezen zich voor ons zal openbaren. Wanneer wij streven naar een God, Die ver weg is, ach, dan zien wij de God niet, Die Zich aan ons toont. Wanneer wij luidkeels roepen tot de verste hemelen, dan verstaan wij de stem niet, die spreekt in ons hart en ons de waarheid van God openbaart.

Er zijn veel wegen, die men kan gaan door het leven. Men meent vaak, dat Jezus één weg heeft gewezen, een weg in menselijk opzicht. Men beroept zich op zijn woorden: “Want ziet, ik ben U de weg en de waarheid,” om te bewijzen, dat men slechts zich houdende aan hetgeen omtrent zijn leven is bewaard kan komen tot een bewustwording en een eeuwige zaligheid. Maar Jezus, sprekende tot de zeventig, heeft eens het volgende gezegd:

“Wanneer ik U mijn broeder noem, omdat ge mij erkent, onze zielen elkaar beantwoorden, wat deert het mij, uit welke moeder gij geboren zijt? Wat deert het mij, welke taal gij spreekt en, hoe gij Uw God noemt? Eén zijn in God wordt niet bepaald door daden of leven, wordt niet bepaald door ras of geloof. Eén zijn in God wil zeggen: uit zichzelf datgene volbrengen, waarvan men weet, dat het is de wil des Vaders.”:

Daarop kwam natuurlijk commentaar. Want kort voor deze redevoering had Jezus gesproken met een Samaritaanse vrouw. De Samaritanen werden verworpen door de Joden. Daar kwam nog bij, dat deze vrouw meerdere malen gehuwd was, wat een schande was in de ogen der Joden. Zij was volgens hun begrippen een ontuchtige. Zo zeggen zij dan tot Jezus:

“Maar wanneer een dan meerdere mannen bekent of een man meerdere vrouwen, wanneer hij de zeden onzer vaderen verloochent en weigert te komen tot de tempel, is hij dan nog Uw broeder?” .

Jezus antwoordt hen: “Nog zijn wij verwant in de Heer en nog zal ik zeggen “broeder” of “zuster.” Want is het niet mijn Vader, Die hen de daad heeft gegeven en de mogelijkheid tot de daad? Is het niet Zijn stem, die ook hun bewustzijn leidt? Is het niet Zijn kracht, die hun leven in stand houdt? Wie ben ik, dat ik oordelen zal over de uiterlijkheden van hun leven? Indien in mij de stem antwoordt op de stem, die in hen leeft, zo zijn wij één, zoals ik één ben met de Vader. Want gij, die oordeelt en twijfelt, ik zeg U: “Vele zijn de wegen, die de wereld der mensen tot God leiden. Maar er is één kracht, die ons voert tot de Vader en den weg. De weg, die Hem aanvaardt en maakt tot leidende Kracht in alle leven. Die zich niet verzet tegen Zijn wil, maar aanvaardt de lasten, die Hij geeft.”

Zoals ik U in het begin reeds zegde, wij moeten een basis vinden om onze verdere betogen op te bouwen. Juist omdat wij willen zoeken naar de achtergronden van Jezus’ leer, moeten wij goed begrijpen, hoe hij deze leer zelve geeft en bedoelt. Hier ligt dan het gehele panorama voor ons. christen zijn wil zeggen:

In jezelf het streven naar God kennen, dat Jezus geperfectioneerd had; en zo te komen tot de eenheid met de Vader, die de kracht was van zijn leven. Dat is de weg. En een ieder, die hiernaar streeft, ongeacht zijn handelingen en daden in de stof, ongeacht zijn vroeger leven, zijn afkomst, zijn geloof, is één met Jezus. Een moslim, die eerlijk streeft naar God, is meer verwant met Jezus dan een christen, die slechts de vormen van zijn geloof beleeft.

Dit is de kern van de zaak. Wij mogen niemand oordelen naar zijn uiterlijke verschijning. We mogen niet trachten iemand een wet te stellen voor zijn gedrag. We moeten streven naar een innerlijk bewustzijn van eenheid met God. En zo wij dit erkennen in een ander ongeacht de uiterlijke vorm, zullen wij weten: wij zijn één, wij gaan een weg. De weg tot God, waarvan Jezus zegt: “Ik ben U de weg en de waarheid.” Innerlijke eenwording.

Ook de Doper begrijpt dat. Want zegt hij niet tot velen, die hij doopt: “Zie, ik was en doop U tot een nieuwe eenheid en een nieuwe waardigheid. Want de Heer, de Verschrikkelijke en de Grote is een met U, omdat gij een wilt zijn met Hem.”

Het is Johannes de Doper, die dat zegt, de exhibitionist. Het is geen woord van Jezus. Maar het is een woord, dat doorklinkt, een woord, dat geïnspireerd is door de gesprekken, die hij eens had. Gesprekken, die zovele zijn geweest. Eerst de gesprekken van een paar spelende jongens. Dan van wordende mannen, die pas verheven tot nieuwe waardigheid, samen gestaan hebbende in de hof van de tempel elkaar trachten een godsdienstig begrip op jongensmanier uit de doeken te doen. Jonge mannen, die de ernst van het leven beginnen te begrijpen. Die de taak van het leven aanvaarden. Die gezamenlijk God zoeken. Daaruit wordt dit alles geboren.

Juist deze Johannes de Doper is een figuur, die wij kunnen benaderen. Zeker, hij wordt een martelaar van zijn wil tot waarheid, van zijn afkeer voor het verworpene en het verdorvene. Daarom zal hij sterven. Maar hij is dan toch maar een doodgewoon mens. Ik zei het U reeds: een neuroticus. Iemand met felle ogen en met grote hartstochten. Iemand, die zich aan de wereld toont in een gewaad, dat de aandacht moet vestigen op zijn ascese en op zijn mannelijkheid. Iemand, die reclame maakt. Een mens zoals wij allemaal. Met zijn hartstochten, met zijn onverdraagzaamheden, met zijn gebrek aan liefde soms en ook weer zijn groot vermogen tot liefhebben voor heel de mensheid. Hij gaat niet als volgeling van Jezus precies diens pad, maar hij komt verder dan de meesten van hen.

Het zal lang duren, voordat een Petrus begrijpt, wat Jezus wil. En wanneer hij het begrijpt, is het te laat. Dan sterft hij de dood van zijn Meester volgens eigen verkiezing. Johannes, die Jezus begrijpt, vlucht weg. Johannes, de lieveling, die zich verwijderen moet, omdat hij weet, dat in de gemeenschap van deze christenen zijn Meester vaak eerder geloochend dan geëerd wordt.

Moet ik de anderen opnoemen? Judas, de verrader? Andreas, de ijveraar? Moet ik ze opnoemen al die rechtvaardigen, die strebers? Zij leefden jaren lang met Jezus. Zij zagen, hoe hij door de Vader geleid wonderen deed. Toch waren ze de minderen van Johannes de Doper. Dat heeft Jezus trouwens eens gezegd: “Ik zeg U de stem, die mij heeft aangekondigd in de woestijn, kende de Vader en sprak Zijn woord. Doch gij, die met mij zijt en die hoort, hoe ik één ben met de Vader, gij, die mijn wonderen aanschouwt, gij gelooft niet en aanvaardt niet wat hij aanvaardde. Gij weigert de eenheid met de Vader, die voor hem de werkelijkheid was.” Een bitter verwijt. Dat spreekt Jezus uit, wanneer zijn leerlingen hem weer eens vragen, wanneer hij het land zal bevrijden. Zij zien in de Messias in de eerste plaats een strijder.

Deze vreemde mens, deze Doper, was meer dan een apostel. Hij was een profeet en een ziener. Goed. Maar hij was er ook één, die de inhoud van Jezus’ leer begreep, en niet alleen de uiterlijkheid. Dat geeft ons goede hoop. Want indien wij dan toch mogen erven uit de tijd en het kosmisch geheugen dat, wat Jezus was in zijn dagen op aarde, mogen wij verwijderd als wij zijn van zijn leven dan niet hopen, dat wij evenals Johannes zullen begrijpen, waar de werkelijke bron én de werkelijke kracht ligt?

Ik zou dit eerste gedeelte van deze bijeenkomst willen besluiten met een aanhaling van iets, wat door Jezus word gezegd tot zijn moeder. Zij zegde hem toen: “Zoon, gij gaat heen. Ik weet niet, wanneer ik U zal weerzien. Mijn hart is zwaar.”

Toen antwoordde Jezus: “Vrouw, ik zeg U, indien ik heen ga uit Uw ogen, zó zult gij één met mij zijn in de Vader, Die ons vereende. Indien Uw hart zwaar is, verhef het tot de Heer en Hij zal Uwe lasten nemen. Want de volheid van Zijn liefde verheft ons boven leven. Hij is het, Die mij roept en daarom ga ik. Hij is het, Die tot U spreekt en U troost, wanneer ge volgens Zijn wil blijven zult.”

Het geeft niet, wat er gebeurt in het leven. Wanneer wij gaan op Gods weg, dan geeft God de kracht aan ons en aan allen, die rond ons zijn.” Maria vraagt niet aan Jezus: “Wat ga je beginnen?” Ze zegt wel: “Het hart is mij zwaar.” Wanneer in ons het bewustzijn komt van Jezus’ kracht, het bewustzijn ook van de goddelijke Liefde, de taak, die ons daardoor wordt opgelegd, dan wordt ook ons soms het leven en het hart zwaar. Soms menen wij ons juist in het bewustzijn van al deze levende kracht, het weten, omtrent deze grote mogelijkheden verlaten. De meester, die ons leerde, gaat heen. Degenen, die in ons leven de volheid en de kracht betekende, leeft niet meer. Het bezit, dat ons dierbaar was, verdwijnt. Dan zouden wij ook met Jezus’ moeder willen zeggen: “Het hart is mij zwaar.” Maar juist dan geldt voor ons ook Jezus” antwoord: “Van hetgeen werkelijk tot ons behoort, kunnen wij niet gescheiden zijn, ook wanneer de uiterlijke scheiding noodzakelijk is van de kracht, die in ons leeft, kan niemand ons scheiden, behalve wijzelf. Zolang wij weten dat God met ons is, wat zullen wij dan treuren of de wereld vrezen?

Wij moeten onze eigen levensweg gaan. leder van ons zal door de poorten der beproeving moeten gaan, keer op keer, om zich het geestelijk bewustzijn te verwerven, dat noodzakelijk is. Om tot bewuste eenheid met God te komen. Maar achter dit alles staat voor ons deze ene waarheid: Zolang wij God niet verlaten, verlaat God ons niet. Zolang wij de Vader wensen te aanvaarden, zolang wij zoeken naar Hem, is Hij met ons. Dan kan er niets gebeuren, dat werkelijk van belang is. Dan vinden wij onze weg. Dan vinden wij nieuwe mogelijkheid en nieuwe openbaring. Nieuwe daad en nieuwe bewustwording. Waar wij dit weten, kunnen wij verder gaan.

Wij zullen verdergaan in deze kring met te spreken over waarheden en grote geestelijke belevingen. Maar gij zult verdergaan in Uw leven en wij in ons leven. Gij zult Uw taak volbrengen en zoeken naar Uw uitdrukking van de werkelijkheid, zoals wij dit doen op onze wijze. Hoe wij het doen, doet niet ter zake, indien wij het slechts doen ommentwille van de Vader, ommentwille van het grote licht, dat de bron is van ons aller wezen.