De strijd tussen verschillende groepen van denkers

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 45

16 december 1956

 De strijd in Jezus tijd, tussen de toenmalige esoterici heeft  mede invloed gehad op de wijze, waarop later het christendom is uitgedragen en dus indirect ook op de interpretatie van Jezus leer, zoals die in deze dagen bestaat. Ik ben gelukkig weer in de gelegenheid geweest de assistentie te verwerven van iemand, die in die tijd geleefd heeft en die bovendien terzake kundig is. Deze zal dan na mijn beschouwing zijn eigen visie geven op het gebeurde.

Wanneer een volk verdrukt wordt, zoekt het uitwegen in geestelijke en stoffelijke zin naar alle kanten. Vanaf het ogenblik, dat het Joodse volk voor de zoveelste keer zuchtte onder de dwang van een overheerser, ontwikkelden zich vooral in Jeruzalem in die dagen een der brandpunten een reeks van verschillende beschouwingen, die alle gebaseerd waren op de Mozaïsche wetgeving. Er zijn in de eerste plaats de lettergetrouwen. Zij zeggen: “Jahwe is een machtige God. Hij zal ons wreken. Wij bidden tot Hem, dat Hij Zich kenbaar zal maken en de ongelovigen verdelgen uit de steden van het rijk.” Er is weinig filosofie en veel fanatisme voor nodig om deze stellingen te aanvaarden. Maar er zijn mensen geweest, die dit uitdroegen. Want er waren beloften door de Ouden gegeven dat in de dagen, dat Israël verdrukt zou zijn, Jahwe een bevrijder zou zenden. Een bevrijder, die Israël zou plaatsen boven alle volken. Deze belofte mogen we niet verwaarlozen. Het geeft weer het geloof aan grootmachtigen, die onmiddellijk Gods stem openbaarden op deze wereld. Zo wachtten zij op de Messias en baden en smeekten, dat hij zou komen en zich openbaren op deze wereld. Dat was van hun standpunt uit een zeer logische gedachtegang.

Daarnaast echter vinden we de aanhangers van de zondetheorie. Ook zij kennen een soort Messiasverwachting, al is die gebaseerd op geheel andere begrippen en een geheel ander standpunt. Zij zeggen: “Israël is de God zijner vaderen ontrouw geworden. En deze ontrouw heeft Jahwe vertoornd. Hij is thans gewelddadig tegen ons opgetreden. Hij heeft ons gegeseld door de Romeinen, gegeseld door onderlinge verdeeldheid. Een ieder, die niet zuiver en sterk is in het geloof en in de Wet, moet worden uitgeroeid, moet worden gestenigd en van deze aarde worden verdelgd. Want eerst dan zal Jahwe wederom goedgunstig zijn tegenover ons volk en ons verheffen op de plaats, waarop wij als Zijn uitverkoren volk recht hebben.

Er is hier wel een aanmerkelijk verschil. De een baseert zich op het geloof aan de letter van de Wet en zegt: “Het zal gebeuren,” zonder meer. De tweede fractie, waartoe o.a. ook Paulus behoorde (in die dagen nog Saulus), beziet het een klein beetje anders en zegt: “Wij hebben wel degelijk schuld hieraan.”

Een derde fractie vinden we bij de Levieten, waarvan Aeneas en Simeon beiden eigenlijk de leiders zijn. Simeon is een pure Jood, Aeneas is een Joods van Griekse origine en van de stam Levi, dus Levietisch en behorende tot de tempel. Zij beiden zijn bij de priesters niet zo erg gezien, omdat hun stellingen zijn: “De dagen zijn geteld, dat men in deze tempel nog Jahwe zal aanbidden. De tijden zijn verder gegaan, maar ons volk is achtergebleven bij de werkelijkheid. Zo zal Jahwe Zich openbaren op een nieuwe wijze al weten wij nog niet hoe en Hij zal Zijn gezondene ons sturen om te tonen, hoe wij thans Jahwe moeten vereren.” Dat begint al gevaarlijk te worden. Vandaar ook, dat de priesters het hier helemaal niet mee eens zijn.

Dan hebben wij verder nog de Sadduceeën. Hun geloof is: “In ons is een kracht die ons bevrijden kan van de overheersing van Rome zowel als van de slaven aan de tempel. Want een is de machtige God; Hij regeert ons en sterkt ons; zonder Hem zijn wij niets.” Een opvatting, die dan zeer sterk wordt uitgewerkt in allerhande geschriften, maar die niet meer aanvaardbaar is voor het ware Jodendom. Want het voornaamste, de tempel en de Ark des Verbonds, blijven buiten beschouwing.

De tweede esoterische richting, die we moeten aanhalen, is meer magisch ingesteld. Zij zegt: “Slechts indien de mens uit zichzelf komt tot de God, Die hij kan naderen, zal de openbaring van al het levende het gebeuren van deze wereld duidelijk maken. Zo lezen wij en zoeken wij Zijn naam in alle dingen en uit Zijn naam openbaart Hij ons in alle dingen het wezen der werkelijkheid.” Ook alweer geen tempel, geen apart geloof.

Er zijn natuurlijk nog meer richtingen, want er zijn weinig volkeren, die in zovele groepen verdeeld zijn geweest, als juist het volk der Joden, vooral in die tijd. Op een bevolkingsaantal van minder dan een miljoen hadden ze soms 30 tot 60 geloofsrichtingen, alle a.h.w. verenigd onder het gezag van de tempel, maar toch elk met een eigen interpretatie en eigen visie.

Deze sfeer wordt doorzindert van verwachting. Want op de een of andere wijze verwacht elk van deze groepen een bevrijding. En het is opvallend, dat de drie grotere en in het openbaar meer bekende richtingen deze stellen in de vorm van een Messias, een Verlosser, die komt. Terwijl slechts de twee esoterische richtingen, door mij genoemd, daar tegenover zoeken naar een innerlijk contact met God, zoals ook wij, dat U zeggen. Hiermede kentekenen wij eigenlijk de gehele wereld, waarin Jezus geboren zou worden. Een wereld, vol met mystiek, omdat mystiek een vlucht is voor een realiteit, die het gros van een volk niet aanvaarden kan. Het is een wereld, waarin men vlucht voor het werkelijke en het onwerkelijke steeds dichterbij komt.

Kleine, onbetekenende gebeurtenissen worden tot wonderen. Een lichtglans aan de hemel wordt tot een engel, die verschijnt. Een ster, een komeet, komende uit de ruimte, waaierend met zijn gouden staart over de vlakten van Judea, wordt tot een boodschap uit de hemelen, een aankondiging van naderend heil. Het volk heeft behoefte aan deze dingen, aan het exceptionele.

Dit is het begin van Kerstfeest geweest: De verwachting van een heel volk. En die verwachting wordt nog verdiept en versterkt door het geweld van de volkstelling, die hun wordt opgelegd. Want hiermede wordt hun weer een extra smaad aangedaan. En gelijktijdig wat de Romeinen niet goed hebben bezien op hun betekenis komen de stammen weer bijeen. De oorspronkelijke familiegroepen, die allang verstrooid waren, worden hernieuwd tot een soort eenheid.

Degene, die dat begrijpen kan, ziet hier ook het tweede aspect van het Kerstfeest naar voren komen: De intense gebondenheid, de innigheid, het onderling contact, waar Rome, ja, waar elke buitenstaander geheel buiten blijft. Hier hebben we de achtergrond van het Kerstverhaal.

Het Kerstverhaal spreekt over een stal, die eigenlijk een grot is. Het spreekt over een kribbe, die eigenlijk een uitgeholde etenstrog is. Kortom alle attributen in het verhaal worden opgenomen om het nog meer vertederend, nog roerender te maken. Vol zijn de herbergen, zeker. Maar er zou over te praten zijn of Jozef misschien niet tegen een paar penningen, die hij liever voor iets anders spaarde, toch nog in een herberg onderdak had kunnen vinden. Maar hij beriep zich op zijn, afstamming van David en zijn recht op gastvrijheid. En zo wordt hij verwezen naar de grot. Het is geen slecht verblijf. Het zal er misschien niet erg warm geweest zijn, maar zó koud, als men meent, dat het is, neen, dat is het toch zeker niet geweest. En dat is ook begrijpelijk. Wanneer het zo koud zou zijn, als de mensen denken, als de mensen zeggen, dan zou van kamperen buiten van de herders bv. al geen sprake zijn geweest. De dierenfiguren, die er vol tederheid bij worden gebracht, is een aardige aanvulling van het verhaal, maar het behoeft geheel niet op werkelijkheid te berusten. De ezel wel. Jozef zal wel een ezel gehad hebben, want hij was niet arm, zoals wordt verteld.

Daar staan we dan voor een wereld, die aan een Messias wil geloven. En nu wordt er een kind geboren, dat toch in zich de kenmerken draagt van een grote en belangrijke geest. Is het een wonder, dat de Messiaanse verwachtingen zich plaatsen op dat kind, vooral in een dorp als Bethlehem, dat reeds lang onder de dreigende toorn van Rome lijdt? Kindermoord ommentwille van Jezus? Waarschijnlijk kindermoord, omdat de Messiasverwachting de opstandigheid in Bethlehem zozeer vergroot had, dat men meende te moeten ingrijpen en maatregelen te moeten nemen.

Kijk, daar staan we dan en beginnen de eerste lijnen zich af te tekenen. Gedachtekracht van een geheel volk, nu plotseling in focus gebracht door verwachting en bedreiging. Daar ligt dan het kind Jezus, dat nog niet wordt uitgeroepen als de Messias, de Verlosser, maar wel wordt geëerd als een gezondene, een bijzonder kind, dat de mystieke krachten, die men hoopt, dat de godheid zal zenden voor zijn volk, in zich zal dragen.

Hierover zal later veel gestreden worden. Laten we van te voren beginnen met vast te stellen, dat niemand eraan heeft gedacht om dit volk, ja, dit gehele bestel van filosofieën plotseling te richten op een figuur. Men heeft er niet aan gedacht om dit kind te zien als een wonderdoener. Wanneer Simeon in de tempel de verschillende kenmerken vaststelt, dan doet hij hier, wat gebruikelijk is te doen. En filosoof in zijn eigen richting zegt hij: “Ziet, hier is er een, die mijn taak beter kan vervullen dan ik. Het is goed, dat mijn ogen dit aanschouwd hebben; dat er iemand zal blijven, die het mystieke element goed zal leiden in mijn volk. Nu kan ik heengaan.” Maar Aeneas – meer twijfelaar zijnde dan Simeon – zegt: “Hoe zoudt gij kunnen gaan, waar dit kind slechts een kind is en lange jaren zal strijden voor het weet, wat Uw wijsheid draagt in oude jaren?”

Daar wordt niets over geschreven. Dat wordt weggelaten. Die figuur past niet in het verhaal omtrent dit wonderlijk gebeuren. Daar horen geen twijfelaars in, alleen maar degenen, die zich hiertoe bekennen, die zich voortdurend onderwerpen aan het gebeuren. Niet degene, die kritiseert.

En zo krijgt men dan hier het verhaal, dat U in de komende dagen weer verteld zal worden, terwijl de kinderstemmen zingen, de kaarsen zullen branden. Een verhaal, waarin een hele wereld gelooft, omdat die hele wereld vlucht in mystiek. Want evenals eens de Joden zal menig mensenkind vluchten in de mystiek, waar hem geen andere uitweg meer blijft, waar het leven hem niets anders meer schijnt te bieden. Daarom spreekt het verhaal nog steeds aan. Het is als een belofte, een bevrijding. Niet uit jezelf, maar een bevrijding van buitenaf door goddelijke krachten.

Vrienden, het is zeker mijn bedoeling niet Uw Kerstfeest te ontluisteren. Wel is het mijn bedoeling U duidelijk te maken, hoezeer heden ten dage dezelfde wereld bestaat, die in Jezus’ dagen wachtte op de Messiasvervulling. Zeker, Jezus was een gezondene. Maar er zijn meer gezondenen geweest. En wanneer er een gezondene zal komen in deze dagen, dan zal hij ongetwijfeld even weinig aan de verwachtingen beantwoorden als vroeger Jezus aan de Messiaanse verwachtingen van het Joodse volk. Maar dat is onbelangrijk.

De veelheid onzer filosofieën, onzer denkwijzen, doet ons steeds weer zoeken naar een weg tot het ontvluchten. In Uw dagen is het de wetenschap, die spreekt over ruimtevaart. De vreemde mystiek van de mens, die van huis tot huis gaande U zegt: “Ziet, de tijd is aanstaande. De Heer zal wederkomen om te oordelen.” Een wereld, waarin leraar na leraar leringen geeft, aanvaard wordt in theorie, maar in de praktijk verworpen.

Het is misschien aardig Jezus eigen zienswijze hierover aan te halen. Hij was toen 23 jaren oud en men sprak hem toen ook over de verwachtingen van de Messias. Men sprak hem over Johannes, die had besloten de woestijn in te gaan om als kluizenaar te leven. Men sprak over de wonderdoeners, die door het land trokken. En zo probeerde men hem eigenlijk te krijgen tot een verklaring, dat Gods tekenen toch wel zeer kenbaar waren. Dan zegt Jezus zo heel fijntjes: “Ach, wanneer de helft Uwer gedachten werkelijkheid waren, hoe schoon zou de wereld zijn. Indien gij de helft van de kracht, die gij geeft om degenen te volgen, die U een tijdelijke vlucht prediken, een ogenblik van verlossing, zoudt besteden aan de werkelijkheid, hoe groot zoudt gij niet zijn. Want ik zeg U, niemand kan U verlossen. Er staat geschreven dat Jahwe het gehele volk verlossen zal. Hij zal het volk ook de middelen geven, doch de ketens zal het zelf moeten verbreken. Dit is de weg des mensen, dat hij uit zichzelf ga en tot zichzelf kere, zo zichzelf verlossend van de ketenen, die hij zich heeft opgelegd.”

Het lijkt mij, dat hierin meer dan in het hele Kerstverhaal de gedachte zit van wat komen gaat, van wat er gaat gebeuren. Want ….Kerstfeest, geboortefeest, kan er alleen zijn voor de mens, die voor zichzelf heeft geleerd dat, wat ín hem leeft, te uiten; en al, wat hij rond zich ervaart,in zich te verwerken. Dat is de enige weg.

Daarmede heb ik dan mijn beschouwing tot een einde gebracht en geef ik het woord over aan een volgende spreker. Wij zullen eenvoudigheids halve hier een normale vertaling doen plaatsvinden, dus via een tussenpersoon, die dit tot stand kan brengen. De stem, die U dus hoort van de persoonlijkheid zal slechts zeer ten dele weergeven, wie deze denker is. Het is niet mogelijk dit thans op andere wijze te doen. Ik dank U voor Uw aandacht en geef het woord over.

o-o-o-o-o

Te spreken over de denkwijzen van het volk, dat gij Joden noemt, is moeilijk. Zelden was een volk zozeer tegen zich verdeeld als dit volk. Te spreken over Jezus geboorte is al even moeilijk. Het zijn maar enkelen, die de geboorte van het kind Jezus hebben opgemerkt. Velen weten niet, dat er een Jezus leefde, voordat deze wonderdoener in hun nabijheid kwam en zo de aandacht tot zich trok. Het is een stil, wonderlijk gebeuren geweest. Wonderlijk en stil, zoals alle werkelijke wonderen zijn, stil, schijnbaar onbelangrijk.

Het ligt in de gehele leer, die wij kennen. Een god, Die een klein deel der mensheid heeft uitverkoren tot Zijn volk. Het is begrijpelijk, wanneer wij aannemen, dat deze God niet de Algod is, en dat elk volk zijn eigen God met zich voert. Zo was het in mijn dagen, zo is het vaak nog onder andere namen te Uwen tijde.

Wij geloofden intens in deze God, en in Zijn wetten, maar vóór alles moesten wij wel leren te geloven in de mens zelve. Want ziet, verslagen werd ons volk gevoerd naar Babylon, gevangen werkte het in Egypte. Maar het waren de mensen, die het doorstonden, het waren de mensen, die tenslotte de terugkeer bewerkstelligden. ‘t Was de ziel van de eenling in het volk, die het volk heeft gedragen.

Hier spreken wij niet meer van een grote God, Die wonderen doet. Wanneer al Mozes wordt voorafgegaan door een donkere wolk op de dag en een lichte zuil in de nacht, dan is dat een aanduiding, maar de feitelijke tocht, het feitelijk geweld is dat van de Joden zelf als volk. Wanneer God het wonder doet en de Rode Zee – beter gezegd de Schelfzee, dat was het oorspronkelijk – doet opdrogen voor een korte tijd en zo het volk doorgang biedt, dan is het misschien Zijn kracht, die de natuur beheerst, maar het is weer het volk, dat het gebruikt.

Wij moeten het verschil leren zien tussen het Goddelijk ingrijpen en het resultaat van de mens. Rond ons ligt een wereld vol van mogelijkheden, vol van nieuwe krachten, vol van wonderlijke bereikingen ook. Maar wanneer het ons gegeven wordt door het Goddelijke, dan zullen wij het zelf moeten zijn, die de dingen verwerkelijken, evenals het aanvaarden en er een deel van te maken in ons leven.

De gedachtegang in de dagen van Jezus geboorte, hoe goed herinner ik ze mij. Het was bij het volk meestal wanhoop. En dat is geen wonder. Want onze schatten waren niet groot en Romes soldaten plunderden graag. Ze dronken wijn in de taveernen en lieten scherven als loon achter. Ze dreven de kudden van de eenvoudigen tezamen. Ja, zij namen zelfs het bruikbare huisraad van de armen om zo voor zichzelf burcht en vesting aangenaam te maken.

Wanneer Romes gehelmden te paard door het land snelden of wanneer de snelle loop der legioenen zich een pad baande naar de kust, dan was dit erger dan een horde van wilden, erger dan een sprinkhanenplaag, zoals eens Egypte geteisterd heeft. Niets was veilig voor hen, vrouw noch kind, bezit, noch heiligdom. We mogen niet zeggen, dat de Romeinen slecht waren, maar de soldaten van Rome waren ruw. Ze pasten niet in onze wereld.

In die wanhoop zochten wij allen naar een uitweg. En weinigen zijn er geweest, die voor zichzelf grepen naar de innerlijke weg. Toch zijn ze er geweest, jonge vrouwen en grijsaards, die alleen met de macht van hun ogen, het besef van hun persoonlijkheid, de wildste wilden onder de Romeinen in bedwang hielden en eerbied afdwongen.

Het waren er niet veel. De gedachte van mijn volk was onderwerping. Onderwerping, slaafs en kruiperig, totdat het de Allerhoogste zou behagen om hernieuwde krachten te geven, wonderdadig. Telkenmale, wanneer er gelegenheid werd gegeven, telkens weer , wanneer het wonder zich aandiende, zat het volk bijeen gekropen en zong de oude gezangen, en weigerde een hand uit te steken uit angst voor mogelijke consequenties. Dit is het volk der Joden. Misschien een gekweld volk, zeer zeker een ongelukkig volk. Maar een volk, dat te weinig vertrouwt. De methoden van afpersing, van plundering, die na de geboorte van Jezus begonnen zijn meestal op instigatie van enkele kleinere machthebbers, die tenslotte de Maccabeën organisaties sterk zouden maken degenen, die daarmee tegen Rome vochten, waren ofwel jonge avonturiers, die nog niet nadachten over consequenties, of de mannen en vrouwen, die niets meer te verliezen hadden, omdat hun alles al ontnomen was. Dat is het volk, dat is Israël ten tijde van Jezus geboorte.

Het is ook weer begrijpelijk, dat juist de Novembermaand, waarin het gebeuren oorspronkelijk plaats vond, een ellendige periode was. Want in die tijd kwam plotseling een decreet van Tiberius af. In die dagen was het voor ons zo moeilijk om heen te gaan en van stad tot stad te wandelen. Het is niet de prettigste tijd van het jaar. Vandaar ook, dat dan het kind Jezus geboren kan worden en een brandpunt wordt voor ons allen.

Maar wanneer ge wilt weten, hoe ik Jezus zie, dan moet ik eerlijk zeggen:” Het kind betekent mij weinig, weinig en veel tegelijk. Kinderen zijn er altijd geweest in ons volk. Bar en onvruchtbaar zijn, zonder kinderen, dat heette in onze dagen een vloek, een straf van God. De eerste zoon van Jozef en Maria was als kind onbetekenend. Hij is later betekenisvol geworden, omdat hij een weg wist te vinden. Hij wist ons een weg weer te geven, waardoor onze eigen leer een beter doel kreeg.

In die dagen leraarden wij, dat alles geoorloofd is, wat niet tegen de wet is; en dat niets geoorloofd is, dat tegen de wet is. In die dagen hebben wij gepredikt, dat weerstand gerechtvaardigd was, zolang de kosten van die weerstand niet op anderen verhaald konden worden. In die dagen geloofden wij sterk aan een machtige God, Die met ons zou zijn. En wij geloofden voor alles in het zelfstandig een doel stellen en daar op af gaan, in het zoeken van ons eigen levensdoel met de middelen, die God ons zou geven.

Jezus was het, die dit doel nader omschreef. Jezus zou het zijn, die terwijl hij onderging een deel van ons volk een nieuwe impuls gaf: De impuls van de zelfverloochening. Een zelfverloochening, die wij niet kenden, omdat ons volk immers uitverkoren was en dus zichzelf niet behoefde te verloochenen, volgens hun eigen opvattingen. Het wegvallen van het Verbond, waarop het Jodendom gebouwd is en het stellen daarvoor van een nieuw Verbond, dat is het werkelijk gebeuren, dat belangrijk is. Al het andere heeft weinig te zeggen.

Men kan spreken over Jezus grootheid. Men kan spreken over het feit, dat hij mens was en toch God leek in onze ogen. Men kan spreken over al deze dingen niets zeggen, Maar belangrijk is een ding: Hij heeft ons geleerd de weg te gaan naar binnen toe, de daad te stellen als uiting van onze innerlijke toestand. Ja, Hij heeft ons geleerd ons een doel te kiezen en dit zelf te verwerkelijken, vertrouwend op onze God, Die ons bijstaat. Dat is het ware Kerstfeest.

Wanneer Uw klokken zullen luiden over de hele wereld, en iedereen woorden zal spreken over vrede en behoefte aan vrede en de noodzaak van vrede, dan is dat een hoon aan de werkelijkheid van het christendom. De werkelijkheid van het christendom is niet de vrede, die men predikt. Het is niet de klok, die buiten luidt en vrede moet aankondigen. Het is de mens, die in zich het doel heeft gesteld, waardoor hij durft opgaan tot zijn God.

In mijn dagen trad slechts de Hogepriester in het Heilige der Heiligen voor Zijn aangezicht, zich buigende voor de Seraphim. Hij beefde voor de glans tussen de vleugelen en trad aarzelend voor God. Slechts een mens, een uitverkorene, gewapend met het magisch ritueel van de stenen. De stenen, gevat in een tablet, aangevende alle stammen en de kracht, die schuilt in alle stammen. Hij was eigenlijk het beeld van de mens, die zonder magische impedimenta niet voor zijn God durft te treden, die zich verre houdt van Hem in een voorhof, of in de eigenlijke hof op een altaar zijn bloedige offers brandt.

De werkelijkheid van Jezus’ leer en leven voor ons is de verandering van deze gedachtegang. Niet slechts een mens, die voor allen tot God spreekt, niet slechts een weg tot God, gesloten voor allen, behalve de uitverkorene. Een weg voor elke mens tot God, zonder offer, zonder noodzaak om eerst in een voorhof te verwijlen, tot men toegelaten wordt door de priester. Zonder behoefte eerst je penningen neer te tellen om tenminste een duif te kunnen offeren. Elke mens heeft het recht om voor God te treden. En dat heeft Jezus ons geleerd.

Geen mysterie tussen de mens en zijn God. Daar hebben wij naar verlangd, daar hebben wij in geloofd. Jezus heeft ons getoond, dat het kan. Elke mens kan voor zijn God treden. Daarmee is de bevrijding begonnen. Hij heeft ons geleerd, dat je niet voor je God kunt treden zonder je leven daarnaar te voegen. En dat dit in het leven soms offers betekent, om jezelf te blijven en rein te blijven, zodat je je God steeds weer kunt ontmoeten.

Ja, ik moest over Kerstfeest spreken. Laat mij dan dit zeggen: Zolang de mens niet zelve voor zijn God durft treden, eerlijk en oprecht, zonder schijn, zolang hij niet metterdaad alles durft te doen, wat hij nodig vindt om zijn God te dienen en zichzelf te zijn, zal de wereld tevergeefs Kerstfeest vieren, zullen Uw klokken tevergeefs luiden en zal alles een zoete waan en een droom blijven, zoals Uw opvatting van wat er gebeurd is in Bethlehem. Het kind Jezus was een werkelijkheid. Het contact van het kind Jezus met God was ook een werkelijkheid. Al de andere dingen zijn schijn. Het is de schijn, waarin ze U baadt en U vertedert. Vandaar dat U de weg moet gaan, die het kind U reeds wees: een te zijn met Uw God. Te leven, totdat ge die God bewust ook hebt gevonden, zijn wegen gaande, altijd.

Het spijt me, dat ik mij niet duidelijker heb kunnen uitdrukken, zodat soms de ware zin moest worden omgezet in een, die misschien wat minder duidelijk is en U minder aanspreekt. Ik heb mijn best gedaan en ben dankbaar aan allen, die hebben medegewerkt om mij de mogelijkheid tot uiting te geven. Ik wens U allen verder een dag vol licht.

o-o-o-o-o

BELEVING

Kan dat werkelijkheid zijn? Je beleeft iets en je weet niet eens, of het geheel waar. Een flits, een seconde, dan is het voorbij en laat in je achter een rumoer van gedachten, een verwachting, een zekerheid. Er is iets gebeurd. Je hebt wat gewonnen of je hebt iets verloren. Maar de beleving zelve was vluchtig. Het is voorbijgegaan voor je de ervaringsinhoud kon begrijpen.

Dat gebeurt telkenmale weer. En toch is de beleving voor ons het enig middel tot werkelijke bewustwording. Wij moeten bewust worden, vóór alles. Zo moeten wij de impulsen, die de beleving ons brengt, omzetten in onze eigen wereld, in onze eigen ervaring en in ons eigen gekozen bestaan. Er zijn geen andere mogelijkheden. Pas in dat geval kunnen wij zeggen: beleving.

Wonder vreemde gloed, die uit de ruimte mij ontmoet en brengt mij soms een stille groet: Beleving, beeld van eeuwigheid, dat voor een ogenblik in aardse tijd mij wederom is uitgebeeld. Beleving, innerlijk verdeeld en tijdelijk tot eenheid weer gebracht. Wonderspel van werkelijkheid, van grote scheppingskracht. waar ‘t ik en God tezamen gaan, waar ‘t leven wordt tot werkelijkheid, omdat in ‘t wezen was en lijn, die tot die God geleidt, werkelijk beleving waard.

En ziet, gij zet het leven voort, omdat beleving steeds geeft bewustzijn, dat behoort bij het leven op de juiste tijd. Beleving, gaan in waan. Maar laaf U niet te veel er aan, want waan kost ons vaak strijd.

Het leven is gegeven opdat ge zult leven en streven voort in de eeuwigheid. Dat is het punt, vanwaar het eigen streven voortgaat, en waar de beleving verdwijnt.

Ik hoop, dat ik daarmede iets heb uitgedrukt van hetgeen beleving betekent. Beleving is werkelijkheid, maar een werkelijkheid, die we moeilijk op zijn zuivere waarde kunnen schatten, zolang wij leven in de wereld, waarin de beleving ons deel is. Pas later zullen we de volledige inhoud, het ware verloop ervan begrijpen. Beleving is onze interpretatie van iets, is onze duiding van een werkelijkheid, die in zijn geheel ons nog ontgaat. Daarom mogen wij de beleving verlangen en zoeken, mits wij onthouden, dat zij slechts een richtsnoer is, en niet een onontkoombaar lijden. Wanneer wij onthouden, dat zij slechts een middel is en niet een doel op zichzelf. Dan zal de beleving in ons het bewustzijn doen ontwaken, tot wij eens volledig bewust zonder beleving zullen kunnen bestaan, in rustige vrede.