De taal van de Meesters.

De taal van de Meesters.

De taal van de Meesters is altijd een beetje anders dan die van de gewone mensen. Als je een Meester hoort en hij heeft het over de spiege­lende lotusvijvers en dergelijke, dan moet je dat zelf vertalen. Ik heb geprobeerd om daarover het een en ander te weten te komen en dat ga ik u nu vertellen. U heeft dan meteen iets om uw bewustzijn wat verder te laten groeien, een soort kunstmest.

Een Meester zal over het algemeen spreken in termen die behoren bij zijn eigen cultuur en beschaving, maar die door een samenhang zich net onttrekken aan het normale taalgebruik. Als men gewoon tot u zegt:

He jôh, sta niet zo te ……… vult u zelf maar in, dan is dat heel iets anders dan als iemand u toeroept: bedenkt wel, gij zult niet …….. De Meester moet afstand nemen van het normale taalgebruik om gehoord te worden.

Een Meester heeft verder uit de aard der zaak heel veel dingen die hij niet zo gemakkelijk kan vertalen. Een gewoon mens kan meestal wel ge­woon met anderen praten. Zelfs als je over kleuren praat. Je ziet ze mis­schien wat verschillend, maar je weet van elkaar wat je bedoelt. De Meester heeft te maken met kosmische kleuren. Hij heeft te maken met alles wat eigenlijk niet te zeggen is. Het resultaat is dat de Meester over het algemeen spreekt in gelijkenissen. En als gelijkenissen niet vol­doende zijn, dan vertelt hij verhaaltjes.

Heeft u zich wel eens afgevraagd waar al die vreemde legenden en sprookjes vandaan zijn gekomen? Het merendeel van die verhalen is eigenlijk het eindproduct, door mensen gemaakt, uit datgene wat Meesters eens hebben verteld. Soms maken ze een hele roman van iets wat eigenlijk een volksver­haal is. Neem bv. de Golem.

De Golem, zeggen de mensen, is een robot die door een magische rabbi werd gemaakt en die bezield werd door een heilige naam die in het voor­hoofd was gegrift. Wat de mensen niet weten is dat de herkomst van dat verhaal is te herleiden tot een Babylonische Meester, die ongeveer 2700 jaar v. Chr. heeft geleefd. Deze vertelde namelijk zijn versie van het scheppen van de mens.

Zoals velen uit die tijd vertelde ook hij dat de mens uit aarde was gevormd. Hij moest duidelijk maken dat de mens uit materie was gevormd door de geest. En om nu uit te leggen waar het leven vandaan kwam, sprak hij inderdaad over de magische naam die in het voorhoofd werd gegrift. Vanaf dat ogenblik en niet voor die tijd kon de mens leven.

Een gevarieerde versie daarvan zien we trouwen ook in het joodse geloof. Leest u maar in de Thenach (het Oude Testament) de eerste schep­ping: God blies aan Adam zijn adem in. Hier heeft men dus de naam willen afschaffen, want de naam van God was heilig. Andere namen waren niet er­kend. Dus moest er iets voor in de plaats komen, namelijk God die zijn geest zond in het stoffelijke voertuig. Zo is het eigenlijk gekomen

Die Golem bleef een eigen leven leiden in de legende. Langzamerhand ging men begrijpen dat de mens bepaalde goddelijke kwaliteiten bezit. Dan zou het dus ook mogelijk moeten zijn dat de mens die kwaliteiten ge­bruikt om de goddelijke kracht naar beneden te halen. Als hij dan de naam schrijft op het voorhoofd van een pop uit leem of uit aarde, zou die opeens gaan leven. Daar komt nu het hele begrip van de Golem vandaan.

Het verhaal van de Golem is indertijd, door een overigens niet joodse verteller omgezet in een soort poppenspel, net zoals de Faust. Dat was oorspronkelijk ook een poppenspel. Daaruit heeft men weer nieuwe overleve­ringen gehaald. Uit die nieuwe overleveringen is tenslotte omstreeks 1900 een roman ontstaan die uitbeeldt wat u weet van de Golem. Woorden van een Meester geworden tot een mystieke roman. Het klinkt krankzinnig maar het is zo.

Als we andere verhalen ontleden (de godenverhalen van de Ramayana bv.), dan hebben we niet alleen te maken met allerlei vreemde figuren, een soort wajang wong die zich afspeelt tussen hemel en aarde, maar we hebben gewoon te maken met de woorden van de oude wijzen. Die woorden moesten iets duidelijk maken. Daarom moesten ze spreken over de held die in staat is om de goden, de koningen der demonen, te verslaan. Daarom moesten ze spre­ken over de deugd, niet alleen maar als iets wat je doet, maar als een situ­atie waaruit onmiddellijk een kracht voortkomt. Daarom moest men delen van de dierenwereld vergoddelijken om duidelijk te maken dat de mens samen met de natuur sterker is dan de meeste demonen.

De woorden van de Meesters zijn altijd bijzonder duister voor degenen die proberen ze uit te leggen. Die uitleggingen worden dan de verhalen die op den duur als een sprookje blijven voortbestaan.

Laten wij eens kijken naar de Wereldleraar. De Wereldleraar zei eens letterlijk: “Je bent een dwaas, als je van de ene stad naar de andere gaat lopen terwijl je haast hebt, als er ook een trein gaat.” Dan zeg je: wat is dat voor een krankzinnig beeld. Zo gek is het ook weer niet. Misschien komt er later een heel verhaal over het voordeel van het rijden in treinen. Er zouden dan geen treinen meer zijn. De gelovigen gaan dan kunsttreintjes maken om daarmee een geestelijke beleving te hebben, want zo gek zijn ze nog wel.

De Wereldleraar heeft eigenlijk dit bedoeld: als er twee mogelijkheden zijn om iets te bereiken en je wilt het bereiken, dan moet je de snelste weg kiezen. Zo eenvoudig is het: Hij bedoelde dat niet alleen in stoffelijke zin, dat hebben de mensen gedacht. Hij bedoelde het als een werken met geestelijke krachten, zowel als met stoffelijke krachten. Het resultaat is dat hij kwam tot allerlei gelijkenissen die laten zien dat de man heel erg nuchter was. Dat vergeten de mensen nogal eens. Zij denken altijd: een Meester is iemand die stoffelijk gezien bezopen is, maar mystiek buitengewoon. Laat mij u ver­tellen dat een Meester meestal praktischer is dan de doorsnee mens die zichzelf een practicus noemt.

Een ander woord dat ook uit de laatste leringen van de Wereldmeester stamt: “Wanneer ik inga tot de geest, dan word ik mij bewust van mijn mate­rie.” Hoe kan dat? Ingaan tot de geest (dus slapen) en dan je bewust wor­den van je materie. Neen, het is zo: als ik inga tot de werkelijkheid van mijn persoonlijkheid (de geest is mijn werkelijkheid), dan word ik mij pas be­wust van de betekenis die het stoffelijke voor mij heeft.

Eens zal er wel iemand komen die daarover een heel verhaal maakt: iemand die worstelt om de moeilijke weg te gaan naar het rijk van de geest, die door het rijk van de geest doolt, tijdelijk terugkomt op aarde en in plaats van een heel gewone nietsnut plotseling een vorst is ge­worden. Zo gaat dat.

De taal van de Meesters is onbegrijpelijk omdat je probeert haar in je eigen termen om te zetten. En als dat niet gaat, dan maak je er maar een verhaaltje van.

Als ik u een verhaal zou willen vertellen over al datgene wat die Meesters allemaal hebben gebracht, dan kan ik kiezen. Ik kan proberen het weg te drukken, dan wordt het een evangelie een Koran of iets der­gelijks, iets wat in feite los staat van de stoffelijke werkelijkheid. Of ik kan het verwerken tot iets wat praktisch is, maar dan maken de men­sen er een verhaaltje van, omdat ze geen raad weten met de conclusies die daaruit worden getrokken. Neem nu ‘Doornroosje’.

Doornroosje vind ik een schitterend sprookje. De meeste mensen rea­liseren zich allang niet meer waar het vandaan komt. Het is overigens een sprookje dat niet zo oud is als sommigen denken. Het stamt eigenlijk in zijn aanleg uit de vroeg Frankische tijd, dat is ongeveer 500 na Chr.

Er was toen een ingewijde (noem hem maar een kleine Meester) die het verhaal vertelde dat eigenlijk ging over de ziel. Hij zei: je wordt gecon­fronteerd met goed en kwaad. Het kwade brengt altijd de beperking van het goede. Hoe groter de innerlijke schoonheid is die je bereikt, des te kwets­baarder ben je voor de aanvallen van het kwaad. En omdat je het kwaad nooit verwacht, zal het je treffen. Dan komt er een ogenblik, dat je bent omringd door een ondoordringbare haag. Je bent niet te bereiken voor de mensheid dan slaap je. Maar dan komt er iemand, die eindelijk door de haag heendringt. Een kracht, een begrip, een lichtstraal beroert je en op­eens begint alles weer te leven, ben je deel van de wereld, maar gelijk­tijdig ben je veranderd en vernieuwd.

Toen ze vroegen hoe dat moest worden voorgesteld, werd er maar een koning en een koningin bijgehaald. Het is tegenwoordig nog zo. Je hebt het sprookje van Oranje, het geheim van Soestdijk en al die dingen meer. Daar kunnen ze later ook hele sprookjes over vertellen.

Dat soort dingen begrijpen is natuurlijk een beetje moeilijk. En toch, aan de andere kant, als u de woorden van een Meester hoort, waarom zou hij het zo gezegd hebben?

‘Er is geen God dan God. En geen God boven God, want God is en God is de Hoogste.’

Een vrije vertaling van de oorspronkelijke aanhef van de Koran. Waarom moet dat zo ingewikkeld worden gezegd, dat er geen God is dan God? Een eengodendom dus? Neen, het gaat nog iets verder. Er is maar één kracht waaruit alle krachten voortkomen. Als wij alles herleiden tot deze ene kracht, dan blijkt dat er niets anders duurzaam is dan deze kracht. Dat werd daarmee bedoeld. Maar als je ziet wat ze ervan gemaakt hebben, dat is meestal een aanleiding om anderen om hals te brengen

Mohammed was in zijn eigen recht een priester. Dat vergeten de men­sen, want hij was niet christelijk. En als je niet christelijk bent, kun je nooit een Meester zijn. Mohammed drong door tot de essentie en in bepaalde verhalen zelfs tot de dromen die hij eens heeft gedicteerd. In zijn opstij­gen tot de zevende hemel zit veel meer dan de mensen begrijpen. Niet dat er zeven hemelen zijn. Het is wel zo dat wij door heel veel verschillende begripstoestanden heen moeten gaan voordat wij in staat zijn om ook maar een vliedend contact te hebben met de werkelijkheid van God. Maar als Mo­hammed dat op zijn manier vertaalt en in de termen van zijn tijd zegt, dan maken de mensen er een sprookje van of een heilige legende. Dat is iets wat altijd pijnlijk aankomt.

Als u de woorden van de Meesters leest (wij hebben er al verschil­lende gegeven in de loop der tijden), dan moet u niet trachten dat te zien als een letterlijke waarheid zonder meer. De taal van de Meesters is de taal van het onzegbare uitgedrukt in gelijkenissen. Pas als u dat gaat begrijpen, dringt u door tot de essentie van de boodschap die ge­geven wordt.

Het is gemakkelijk genoeg te zeggen: ‘er is geen God dan God’. Of: ‘ik ben de Here uw God en gij zult geen vreemde beelden voor mijn aanschijn stellen.’ Maar wat het betekent, kun je pas begrijpen, als je doordringt tot de essentie die de Meester heeft bedoeld. Dat kun je nooit als je de zaak vormvast opperst en laat staan. De meeste mensen gebruiken hun geloof als een soort stijfsel om de waarheid die hun is ge­leerd te doen verstarren totdat niemand meer daarmee weg weet. Dat wrijft je ziel nog erger dan een stijf boordje je hals.

Wat u moet doen is gewoon zoeken naar de betekenis van:i k ben de Heer uw God. Gij zult geen vreemde beelden voor mijn aanschijn stellen. Aanschijn is niet alleen maar aangezicht. Het betekent namelijk ook stra­ling. Als u het precies vertaalt, dan staat er eigenlijk: elke voorstel­ling die ik mij maak van het Goddelijke staat tussen de uitstraling van de werkelijkheid en mijn eigen wezen. Het schermt mij af voor God. Het ver­vreemt mij van de stralende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaak. En dan klinkt het ineens heel anders.

Op die manier zou u moeten proberen na te gaan wat het kan bete­kenen. Niet een onveranderlijke strakke waarheid. De taal van de Meesters is de taal van de gelijkenis. Het is de taal van de aanleiding, de indicatie van iets wat je in jezelf moet voelen om het waar te maken.

Er zijn heel veel mensen die zeggen: zonder strakke normen komen we er niet. Onthoudt u één ding: als je de waarheid in het korset rijgt, dan valt ze voortdurend flauw vanwege de vapeurs. De waarheid moet vrijelijk kunnen bestaan. De kracht in ons moet vrijelijk kunnen bestaan. Al datgene wat zich in ons afspeelt, moeten we niet zien als iets wat apart staat van de werkelijkheid, het is er deel van.

Een Chinese Meester heeft eens gezegd: “Wanneer ik wil opstijgen tot de hemeldraak en mijn blik daarop richt, zo sta ik al voor de gloeiende draak die de onderwereld beheerst. Pas als ik deze heb overwonnen, kan ik opstijgen tot de ruimte.” Ja, zeggen dan de mensen, draken. Er zijn natuurlijk wel draken, maar dat zijn geen echte. Er bestaan geen geestelijke draken. Nu, ik ken veel geeste­lijken die ook draken genoemd mogen worden. Waar het om gaat is dit: als ik probeer het hoogste Licht te bereiken, dan zal ik het diepste duister moeten erkennen. Dat heeft die Meester feitelijk gezegd.

Als u wist hoeveel drakenlegenden en drakenmagie in de taoïstische benadering daardoor ontstaan zijn, dan zou u zich doodschrikken. De woor­den van de ingewijden werden weer ontdaan van hun werkelijke betekenis. Toch heeft hij in wezen niets anders gezegd dan vele christenen in hun ge­loofsbelijdenis zeggen: Hij is gestorven, afgedaald ter helle en de derde dag herrezen uit de dood. Dat is het raadsel.

Je kunt niet tot het Licht komen dan slechts door het duister, want slechts hij die het duister kent, kan bewust het Licht beleven.

Dan zeggen de mensen: daar heb ik helemaal geen zin in. Ik heb deugd­zaam geleefd, ik heb geleden en dan zal God zijn engel wel even sturen en ik kom franco per post aan in de hemelpoort met palmtakken, hallelujage­zang en al wat daarbij hoort. Dat is weer het menselijke sprookje dat op ba­sis van de waarheid berust.

“Er is geen hemel dan de hemel die je in jezelf vindt, als je de hel hebt doorproefd die in je bestaat.” Dat is ook een woord van een Meester. Om af te sluiten zou ik er nog dit aan willen toevoegen:

In datgene wat de Meester zegt, zoeken wij dat wat onze visie bevestigt. En juist daarmee maken wij de grote fout. Daarom maken wij van de waarheid een sprookje en beseffen niet dat, terwijl wij het sprookje vertellen, wij de waarheid aan een ander doorgeven en onderwijl leven wij zelf met de leu­gen. Dit is dan van mij.

Vrienden, ik hoop dat ik u iets verder heb gebracht als u ooit weer eens evangelie, bijbel, profetieën of wat dan ook leest. Als u zich dan eens gaat afvragen wat er werkelijk mee bedoeld zou zijn. Want een geeste­lijke waarde kun je alleen uitdrukken in gelijkenissen en nooit in concrete woorden, laat staan in concrete bevelen, geboden en opdrachten.