De tijd

image_pdf

16 oktober 1964

Ik wijs u er op, dat wij niet alwetend zijn of onfeilbaar. Ik hoop dan ook, dat u zelfstandig zult nadenken.  Ik koos een onderwerp voor vandaag, dat wel een beschouwing waard is: De tijd.

In de oude mythen vinden wij Kronos als de vader van alle dingen, die, gezeten in de kloof van het bestaan, al zijn kinderen wreedaardig verslindt. Wij horen, hoe de goden tot aanzijn komen, doordat hun moeder hen heimelijk onttrekt aan de vreemde eetlust van hun vader. Daarmede is het karakter van ‘de tijd’ misschien wel juister en scherper gedefinieerd, dan in menig wetenschappelijk modern betoog. De tijd is voor ons immers het ouder worden, het veranderen. In onze ogen is hij evolutie en ondergang. Hij is, kort en goed, voor ons ‘het leven’.

Toch rijst altijd weer de vraag, wat het wezen van die tijd wel werkelijk zou kunnen zijn. Er is een legende, die, al stamt hij dan niet uit het westen, ons het wezen en karakter van de tijd misschien nog verder en juister toelicht.

Eens was er een boog gebouwd tussen Aesan – wij zouden zeggen “Eden” – en de hemel. Deze boog bestond uit glinsterende kristallen. Als over een brug konden de mensen hierover gaan tot de wereld der goden en vrijelijk en zonder aarzeling betreden langs deze weg, en ook de goden de wereld der mensen. Toen echter kwam er een mens, die het wezen van één enkel kristal voor zich begeerde. Hij nam het uit de boog. En zie, de verbinding was verbroken. Vanaf dit ogenblik blijven de mensen in hun wereld, en ook de goden betreden niet meer vrijelijk de wereld der mensen, en zo de goden soms nog de wereld der mensen kunnen benaderen, zo zullen de mensen de wereld van de goden niet meer kunnen betreden in de stof. Deze typische legende – die overigens een zeer vroeg Perzische oorsprong heeft – is eigenlijk een karakteriseren van dat, wat de tijd nu voor ons is. Wij nemen een facet uit de tijd. In dit ene facet verdiepen wij ons.

Hierin menen wij te leven. Maar zodra wij ons verdiepen in een enkel facet van de boog, de brug, die tijd heet, zijn wij verloren: Voor ons is er geen verbinding meer tussen de wereld van de goden en onze wereld, er is geen contact meer met de werkelijkheid, waarin goden en mensen elkander kunnen ontmoeten.

Ik heb dit misschien wel wat dichterlijk begin gekozen, om uw aandacht te wekken voor dat ene facet in de tijd, dat altijd weer door ons wordt vergeten. Wij zijn het, die de tijd maken. De tijd wordt niet gemaakt door werelden en sterren en zonnen. De tijd wordt niet gemaakt door eeuwige wetten. De tijd is enkel maar de mens, die voor zich een eeuwige beweging slechts ziet als een ogenblikkelijke evolutie en daarin zo zeer opgaat, dat hij hierdoor het contact met al het andere verliest. Dat dit verlies van contact met een grotere werkelijkheid niet onvermijdelijk en noodzakelijk is, moge blijken uit het feit dat bij hypnotische proeven – o.m. in Parijs – mensen aan de hand van zuiver genetische – dus lichamelijke waarden – sporen van hun voorgeslacht bleken te kennen en zelfs het leven van hun onmiddellijke voorvaderen in details – zij het vaak fragmentarisch – wisten te beschrijven.

Hier was sprake van een zuiver stoffelijke band met het verleden. Je zou dus mogen zeggen, dat de mensen, ook al beseffen zij dit niet, een groot aantal persoonlijkheden uit het voorgeslacht in zich dragen. Andere proeven, die o.m. in Frankrijk en Italië werden genomen en later werden herhaald in een centrum in Californië, maakten het duidelijk, dat de mens ook geestelijk soms terug kan gaan naar andere tijden en soms ook vreemde werelden. Daarbij kwam het voor, dat werelden werden beschreven, die de mensen geheel niet kenden, dingen, die in de wereld van de mensheid niet gekend worden of zelfs onvoorstelbaar zijn. Dit geschiedde echter met een zodanige samenhang en consequentie, dat de onderzoekers vaak moeite hadden hun stelling te handhaven, dat dit alles alleen maar een uiting van fantasie zou zijn, zo reëel, zuiver in wetten en relaties waren de beelden, die deze onder mesmeristische invloed verkerende mensen naar voren brachten. Ook hier was de tijd uitgeschakeld. De mens verloor, zijn belangstelling in één moment van tijd en was opeens vrij om door het geheel der tijd te dwalen. En daarin vond hij, zij het in andere vormen en werelden, zichzelf terug.

Wij zijn gebonden aan de tijd, zover onze belangstelling gericht is op één ogenblik. Zodra onze belangstelling niet meer een enkel ogenblik betreft, of een enkele vorm omvat, of zelfs maar een enkele wereld, maar zich bezighoudt met de totaliteit van het Zijn, krijgen wij – dit kunnen wij weer leren uit de Indische wijsheid – een typische uitbreiding van bewustzijn. De legenden, die in dit verband bestaan, zijn grotendeels reeds bekend, zodat ik daarop niet te ver wil doorgaan. Zoals u weet, is een van de aardigste wel het verhaal van de man, die langs de weg gaat zitten, even inslaapt en gelijktijdig het leven van de mieren, de vogels, de goden beleeft, vreemde sterren betreedt, een ster ziet sterven en elders nieuwe werelden ziet ontstaan om, als hij ontwaakt, te ontdekken, dat hij slechts enkele seconden ingedommeld heeft. Een ander, meer plastisch, voorbeeld is de Arabische tapijtmakerslegende. Hierin verheft de doodsengel een tapijtmaker, die ontevreden is met het gebeuren op de wereld, eerst tot op de top van een minaret, van waaruit reeds een zekere samenhang blijkt, om hem daarna steeds hoger te verheffen, tot hij ziet, dat de gehele wereld een kostbaar tapijt is, waarin elke schijnbaar willekeurige beweging van de mens niets anders blijkt te zijn dan het op de juiste plaats brengen van een bepaalde kleur draad. Tezamen met een reeks hier niet genoemde legenden blijkt hier een verhalende reeks te bestaan, waarin de mens terugkeert tot het geheel en daarin de orde, de verklaring van juistheid vindt, die voor hem in eigen beperkte wereld en tijd ervaren niet schenen te bestaan.

Maar al deze legenden, verhalen, verklaringen en gelijkenissen bestaan niet zonder meer. Ik ben zo vrij, hieraan dan ook de ervaring van een Bodhisattva, neergelegd in de boeddhistische lectuur, gedeeltelijk aan te halen:

“Ziet, ik was en ik was niet. En rond mij bloeide de wereld open. Een voortdurende beweging, die toch een plaats was. Waar een boom was, zag ik duizend bomen, huizen en mensen, dieren en jagers. Dit alles wervelde dooreen. Het verwarde mij en ik sprak daarom tot mijzelf: is dit eeuwigheid? Toen vervaagde dit alles. Het werd tot een niet-zijn, waarin de schemerende kleuren van het Al mij omringden als een regenboog, en ik wist: Dit is eeuwigheid.”

Dit is dus een klein deel uit de leringen, die deze bewuste geeft, waarbij hij zijn eigen ervaringen aanhaalt als zoeker naar de oneindigheid. Deze gedachtegang zou ons, ook in deze dagen, zeer veel te zeggen moeten hebben. Want wij zijn allen geneigd, steeds maar te zien naar ons zelf.

Wanneer u hier zit, dan ziet u nog steeds naar uzelf. U zegt uzelf nog steeds: ik ben zo oud, ik ben zo wijs. Of misschien zegt u: “Ik heb nog zo lang te leven, ik moet nog zoveel volbrengen enz.”

Het is de eigenaardige jachtigheid, mede door deze dingen ontstaan, waardoor de mens alles tegelijk wil beleven en zijn, waardoor hij verdeeld wordt tegen zichzelf, de tijd maakt tot een slavendrijver, het leven maakt tot een jachten van het ene, dat nog niet voltooid is, naar het andere, dat men nog niet voltooien kan – kortom: komt tot verwarring.

Laat ons het wezen en programma van de tijd dan eens ontleden. Vanuit een menselijk standpunt natuurlijk, want hoe zouden wij het anders kunnen begrijpen. Wij bezien het dan allereerst in de zin van een kosmisch bestaan. Wij kunnen dan gaan spreken over de wegen van de tijd en de veelheid van mogelijkheden, waarvan er enkele worden gerealiseerd. Wij kunnen het echter ook anders gaan zeggen: “Datgene, wat ik in mijzelf bewust draag, is voor mij de werkelijkheid.  Al datgene, wat ik in mijzelf als een verandering van ik of wereld erken, is voor mij tijd.” Hier heb ik dan de eerste definitie gegeven, die tijd in wezen omschrijft vanuit ons standpunt: Verandering. De Kronos van eens is onveranderlijk. Hij is wreed, onmenselijk. Dit is logisch, want de tijd kan nu eenmaal niet beantwoorden aan menselijke gevoelens en menselijke verlangens. Zij wil niet pauzeren, zolang men zich aan haar hecht. De tijd verslindt inderdaad haar kinderen, want ternauwernood heb je beseft of bereikt, en besef of bereiking zijn reeds weer voorbij en een volgend moment van beseffen, of misschien ook bereiken staat alweer voor de deuren van ons bewustzijn klaar. Dit laatste echter weet je niet, zodat je in de tijd zelden de gaven van morgen beseft, maar wel steeds weer je verlies betreurt.

Als mensen kunnen wij volgens mij daarom het beste stellen: Het is mijn eigen bewustzijn, dat de tijd bepaalt. “En alle invloeden van de tijd dan?” zo hoor ik u denken. “Wat moeten wij dan aan met al die kosmische invloeden, waarvan u spreekt, met het tijdperk van Aquarius en al wat daarmede samenhangt? Waarom moeten wij dan Aquarius beschouwen als een kosmische heerser over een tijdperk? Waarheen moeten wij dan met de tijd?”

Het antwoord op deze vragen is eenvoudig, wanneer men de relativiteit van dit alles maar beseffen wil. Deze dingen zijn voor ons werkelijk, omdat wij ze aanvaarden en ondergaan. Zij zijn niet werkelijk in kosmische zin. Zij bestaan niet eeuwig en onveranderlijk. Deze dingen zijn, om op een legende terug te vallen, voor ons als een kristal, dat wij nemen uit de brug, die dient te bestaan tussen de geheel bewuste mens en de oneindigheid. Pas wanneer wij leren, niet alleen eigen wezen of eigen mens-zijn te bezien, maar de gehele mensheid door alle tijd als een eenheid beschouwen, komen wij verder. Zo ik denk aan geheel de wereld, zal ik ook als mens niet meer kunnen gaan denken in minuten en uren. De belangrijke perioden worden uitgedrukt in honderden jaren. Wanneer ik denk aan de mensheid als een wezen in ontwikkeling, blijkt mij, dat 1000 jaren hier niet veel meer is dan in mijn leven een seconde. Hoe meer mijn bewustzijn zich verdiept in het Grote, hoe meer de waarde van de tijd, zoals men deze menselijk beleeft en ziet, afneemt. Haar waarde verandert en de belangrijkheid van de eenheden, waarin wij haar plegen te verdelen, verandert. Op den duur blijft een tijdloos begrip over en zal de erkenning voor het ik alleen nog maar een woord of beeld zijn, dat men neerschrijft op het duistere bord van de oneindigheid.

Dit heeft voor ons ook een praktische betekenis. Het is dus niet alleen maar een interessante en zelfs juiste theorie:  De mens, die in deze dagen leeft zal vaak de tijd gevoelen als iets, wat hem kwelt. De kwelling is soms gelegen in de tijd die men “te veel” heeft, de tijd, waarin men doelloos en nutteloos zoekt naar een bestemming, en de vraag rijst: wat is eigenlijk de zin van het leven, wat ben ik eigenlijk werkelijk, als ik eerlijk ben? Wat voor nut heeft het leven? Anderen worden gekweld door een doorlopend te kort aan tijd. Zij zouden zo graag een ogenblik tot zichzelf inkeren. Voortdurend zijn er echter de eisen en vragen van de wereld buiten hen, die hen niet tot rust laten komen. Een voortdurende volgorde van nieuwe noodzaken en eisen achtervolgt hen en zij komen er niet toe zichzelf te vinden.

Beide groepen zouden de legende, die ik citeerde, misschien kunnen gebruiken als een voorbeeld voor zichzelf. Wanneer een mens een ogenblik kan slapen – een kort ogenblik maar – en in die tijd sterren ziet ontstaan en sterven, werelden ziet opkomen en ondergaan, daarbij het leven van een mier ziende als even belangrijk en in duur gelijk aan het zijne, om als verdere vergelijkbare waarde het bestaan te beleven van een kosmisch wezen als een ster, dan moet het ook voor ons mogelijk zijn, ons aan de slavernij van de tijd te onttrekken, door onze persoonlijke instelling t.a.v. de tijd te veranderen.

Ik kom nu tot enkele stellingen, waarover u in het begin wel eens zult vallen. Vooral wel, omdat het moeilijk blijkt dit alles in de praktijk te toetsen of om te zetten, zolang men zijn gehele denken, zijn gehele aanvaarding van de wereld niet heeft leren veranderen. Toch geef ik deze punten hier, omdat zij praktische waarde bevatten en praktisch bruikbaar kunnen zijn.

Het eerste punt is dan dit:

“Hoe meer ik wacht, hoe langer ik moet wachten.”

Dit is belangrijk, want wachten ontstaat door een aanvoelen van de tijd, waarmede men zich bezig houdt, als nog komende. Daardoor brengt men zichzelf in een sequentie van belevingen, waarin deze tijd inderdaad steeds komende schijnt te willen blijven en zo het verloop van de ogenblikken langzaam is, de vervulling, die men begeert wel kenbaar is, maar niet naderbij schijnt te willen komen.

Ook de tweede zin is eenvoudig:

“Om voor mijzelf tijd te gewinnen moet ik leren de tijd te verachten.”

Ook dit is schijnbaar een tegenspraak. Toch blijkt het waar wanneer je alles, wat je moet doen, op je gemak afdoet, maar dan ook regelmatig bezig blijft – dus niet wachten of pauzeren, maar gewoon regelmatig doorgaande – is het opvallend, hoeveel meer men voor elkaar kan krijgen in dezelfde tijdsspanne, die eens een haastig en alles vergende inspanning bleek te vergen. En dan houdt men ondertussen zelfs nog tijd over voor geestelijke bespiegelingen, geestelijke overwegingen zowel als stoffelijke zaken, die normalerwijze onafgedaan blijven of steeds weer uitgesteld schijnen te moeten worden.

Dan is er nog een regel, die ik eveneens in uw aandacht wil aanbevelen:

“Naarmate ik meer tijd begeer, zal ik haar minder verkrijgen.”

Een mens, die tijd wil maken voor iets, verliest daarbij vaak tijd, omdat hij onnodig en voortijdig de normale gang van zaken pleegt te onderbreken.

Dan nog een laatste regel:

“Het is voor mij steeds belangrijk het geheel van mijn wezen, mijn werk enz. en niet de details daarvan, te zien en te beoordelen. Hoe meer ik het geheel in overweging neem, hoe minder tijd en ook tijdnood mij kunnen kwellen in wat ik beschouw als het heden”.

Dit zijn in wezen zeer eenvoudige regels. Zij zijn echter zeer moeilijk toe te passen, omdat men als mens nu eenmaal niet geneigd is om te redeneren: “Ik heb haast, dus zal ik het wat kalmer aandoen.” En toch …. Misschien zijn er heren, die zich de boordknoopjes nog herinneren? Het haastig zich willen kleden betekent daarbij vaak lange tijd op de knieën liggen, omdat dat …. ding niet te vinden is. En ook de dames weten waarschijnlijk ook wel, dat haast bv. bij het bereiden van een maaltijd pleegt te betekenen, dat je iets vergeet enz., zodat je ofwel alles over moet doen, of met de ellende zit van een verknoeid maal.

Laat ons wel beseffen, dat de tijd ons alleen verslinden kan als in de mythe, wanneer wij onszelf tot zijn kinderen verklaren. Wij zijn niet in werkelijkheid de kinderen van de tijd.

Er is eens een bard geweest, die dit wonderlijk mooi heeft bezongen. Hij sprak:

“Phoenix ben ik, uit vuur geboren en herboren keer ik en ga ik tot de wereld. De tijd bepaalt niet mijn vlucht doch slechts mijn wezen, dat zichzelf erkent.”

Dat is een waarheid van de ziel. Phoenix is de mens, want zelfs wanneer hij zich verteert in een leven op aarde, dat hem niets schijnt te geven, wiekt zijn ziel weer opwaarts. En wanneer de tijd vervuld is, stort hij zich weer neer in het verterende vuur van de stof om te komen tot een reinigen en toetsen van zijn wezen. Verrijkt met kennis en bewustzijn wiekt hij dan weer op naar de sferen.

Er is geen werkelijke onderbreking van het leven. Er is geen werkelijke dood. Wij zijn eeuwig.

Wanneer wij die eeuwigheid voor onszelf leren beseffen, wordt ons leven misschien wat anders.

Er zijn op aarde mensen die steeds ontzettend veel haast hebben, omdat zij vooral in de hemel willen komen. Ik zou haast willen zeggen, dat juist door dit haast wanhopige pogen – hoe goed zij op aarde daardoor ook schijnbaar mogen zijn – met hun haast om in een latere hemel te komen, aan de hemel, die steeds in henzelf bestaat, eenvoudig voorbij lopen. Zij vinden de hemel niet, omdat zij eenvoudig tijd te kort menen te komen, om een ogenblik te verpozen en de innerlijke hemel te leren aanvaarden. Er zijn mensen, die zo zeer naar kennis zoeken, dat zij niet komen tot de wijsheid, die noodzakelijk is, om verworven kennis ook goed te kunnen gebruiken. Er zijn mensen, die zo zeer naar het beleven hunkeren, dat zij in hun zoeken naar de beleving geheel vergeten de innerlijke waarden, die aan het beleven verbonden zijn en dit eerst werkelijke zin geven, in zich te beseffen. En zo blijven zij, blijft hun wezen en leven leeg ondanks alles.

Hier staan wij dus als eeuwige wezens, ook al weten wij dat voor onszelf met ons huidig bewustzijn, de tijd misschien beperkt is. Dit hindert echter niet. Wij hebben een taak te verrichten.

Zeker. Maar de tijd, waarmee wij rekenen is niet bepalend voor de voltooiing van die taak. Die taak is een eeuwige. Zij is een verwezenlijken in onszelf. Daar kunnen jaren, dagen of minuten niets aan toevoegen, zij kunnen daarvan ook niets wegnemen. Wij hebben dus geen haast om naar de hemel te gaan of naar de hel, wij hebben geen haast om volmaakt te worden. Want wij zijn dit alles reeds voor en in onszelf: Wij zijn onszelf hemel en hel. Wij zijn in wezen volmaaktheid binnen God: Eeuwigheid in bestaan. Want zo zijn wij geboren en geschapen.

Laat ons dan niet dwaas zijn en dit alles in stukken willen breken, door zonder besef van onszelf dit alles buiten het ik en reeds nu te willen. Nu op dit moment. Zo dit ogenblik, dat beseft wordt, uit de keten van bestaan te lichten, die wij in wezen zijn, betekent dus een afbreken van alle bruggen en verbindingen, die ons verbinden met de sferen en de werkelijkheid van het tijdloos bestaan. Dit verbreekt de bewuste banden met de Kracht, waaruit wij leven en alle mogelijkheden van Licht en duister, die wij beheersen kunnen en waaraan wij verwant zijn. Het is voor een mens altijd weer belangrijk, de tijd te leren zien als een dienaar, in plaats hem te beschouwen als een meester van zijn leven.

Het wezen van de tijd is beweging, het is de beweging van de aarde rond haar as, die de dag tot stand brengt met haar uren. Het is de gang van de aarde rond de zon, die het jaar schept met haar maanden, het is de vlucht van de zon langs een parabolische baan door de ruimte, die de klok der sterrentekens, de dierenriem, zich voor de aarde langzaam doet verplaatsen. Wij noemen deze dingen ’tijd’. In feite zijn zij echter beweging. Het is de beweging, die van belang is. Dit is de werkelijke invloed, niet de tijdmeter.

Wanneer je elke klok op aarde sneller laat tikken en zegt: “Nu zijn er dus weer 2200 jaren voorbij”, denkt u dan, dat de kosmische klok zich daarvan ook maar iets aantrekt? Indien de beweging van de aarde twee maal zo snel zou zijn door de ruimte, dan mogen menselijke klokken zeggen, dat er pas 1200 jaren of 700 jaren voorbij zijn, maar de kosmos brengt een nieuwe kosmische Heerser tot gelding. Want voor haar telt de afgelegde afstand, de verplaatsing in de ruimte, niet de meting van bewustzijnsmomenten door mechanismen of menselijke vindingen.

Het is de beweging, die ook de mogelijkheden van beleving en bewustzijn bepaalt, niet de tijd. Ons leven is in de eerste plaats: Bewustzijn. Ons persoonlijk denken speelt hierbij een grote rol.

Maar groter nog is de rol, die de integratie van het ik met de wereld, waartoe wij behoren, hierbij pleegt te spelen. Onze beweging is geen beweging naar buiten toe. Het is geen extroverte neiging, om zichzelf overal te openbaren. Het is eerder een terugkeer tot jezelf; met al wat wij naar buiten toe doen, kunnen wij uiteindelijk toch niets anders vinden dan de weg naar de innerlijke waarheid.

Ook dit dienen wij goed te beseffen. Er zijn mensen, die daden en feiten van het allergrootste belang vinden. Zij zeggen: “Ziet, dit was een groot mens, want hij heeft veel uitgevonden, maar die was een slecht mens, want hij heeft velen bedrogen, dit was een gemeen mens, want hij heeft velen gedood, maar gene was een heilige want in hem hebben wij geen kwaad gevonden.”

Maar dit zijn alleen uiterlijkheden. Degenen, waarvan men zo spreekt hebben in feite alleen maar één facet laten zien van iets, dat wij allen bezitten. Of u het nu gelooft of niet, in u allen leeft Hitler evengoed en werkelijk als Thomas van Aquino, in u bestaat een Sint Franciscus en u bent ergens innerlijk verwant met een Ichnaton of een Mozes. Alle grote persoonlijkheden, die u buiten u erkent, leven ook in uzelf. Hun bewonderde eigenschappen zijn ook eigenschappen, die in uw wezen verankerd zijn. U toont slechts een enkel deel van dit alles op dit ogenblik aan de wereld. Dat is waar. Dat hebben deze mensen ook gedaan. Dat hebben ook de krachten gedaan, die het lot bepalen, de krachten, die een wet worden, waaraan men zich niet geheel kan onttrekken, omdat dit de wet is krachtens welke de materie bestaat. Maar ons bewustzijn hoeft deze wetten niet te volgen.

Ja, indien wij de tijd aanvaarden als de rechter van ons wezen, is hij voor ons een verschrikkelijk wezen, dat ons verslindt en vermaalt tussen zijn kaken, ons oud, grijs en moedeloos doet worden, ons doet uittrekken om werelden te veroveren of ons moedeloos terug doet zien op de werkelijkheid van een bestaan, waarin wij eens dachten zoveel te kunnen zijn en betekenen.

Maar indien wij de tijd verwerpen als een meester, indien wij de tijd gebruiken en de beleving voorop stellen, ons eigen wezen en onze eigen waarheid, daarbij al het andere beschouwende als secondair, dan meen ik dat wij de indeling en het gebruik van alle tijd zelf in de hand hebben.

Zeker, volgens de klok zult u nog steeds 8 of 10 uren moeten werken, maar die 8 of 10 uren vloeien tot een enkel moment samen, zodra de reeks van handelingen en gebeurtenissen voor u onbelangrijk is. Het werk is dan haast alweer voorbij, voor het begonnen is. Dan komt er het ogenblik van vrije bezinning, dat volgens de klok misschien 10 minuten telt, maar waarin uw wezen de adem der eeuwigheid een ogenblik kan ondergaan, waarin alles zich gedijt en niet alleen uw geest, maar zelfs gesteldheid en krachten van het lichaam een verandering kunnen ondergaan.

Er zijn binnen dit kader stellingen te noemen, die onjuist zijn en waarvan de onjuistheid meerdere malen op aarde is gebleken, maar die toch op aarde nog steeds als juist worden gehuldigd. Een zeer eenvoudige zegt bv.: De mens heeft 6 à 8 of 10 uren slaap nodig. Toch is bewezen, dat een mens, die zich absoluut kan ontspannen, maar aan ook geheel, in 10 minuten lichamelijk evenveel herstel kan ervaren van zenuwkrachten, evenveel kwade stoffen uit het lichaam kan doen afscheiden, als een ander in de slaaptijd van 8 uren. Hoe vreemd dit lijkt, het is mogelijk. Het enige verschil tussen 10 minuten en 8 uren is in wezen mentaliteit. Het ik speelt hierbij een rol. Wanneer de geest uit het lichaam pleegt uit te treden, zal, gedurende de tijd dat het werkelijk bewustzijn afwezig is, ontspanning, rust en herstel in het lichaam slechts langzaam vorderen. Dan wordt men vermoeid wakker. Noodzakelijk is dit echter niet, wanneer je geleerd hebt, om innerlijk te beseffen, dat tijd van geen belang is en men zich daardoor leert werkelijk geheel te ontspannen, zonder met enige tijdswaarde rekening te houden, zal het korte ogenblik tussen terugkeer en ontwaken reeds voldoende zijn, om alles wat er nog in het lichaam verkeerd is, te herstellen. Tijd is in wezen onbelangrijk.

Soms kunnen wij dit wel eens constateren. Zo is er een proefstation, waarin men planten onderwerpt aan licht van verschillende kleuren, geluidsvibraties, bestralingen van verschillende aard en hardheid. Daarbij bleek bv., dat een plant, die van zaad tot vruchtdragend gewas bv. drie maanden nodig had, dit onder zeer speciale condities kon doen in – schrik niet – zes dagen. Dit was het gevolg van proeven, waarbij, zowel door straling als anderszins, het natuurlijk ritme wel werd nagebootst, maar de duur daarvan werd verkort. De plant paste zich hierbij steeds meer aan.

Nu weet ik wel, dat men deze laboratoriumproef niet in het groot kan nemen. Wel is men ertoe gekomen, met bepaalde cultures een veel eenvoudiger schema binnen een soort kassen te volgen. Met vruchtdragende gewassen heeft men dit echter nog niet gedaan, omdat het te kostbaar blijkt en men voor het verkrijgen van een volwaardige vrucht in korte tijd nog niet de juiste voeding heeft weten te vinden. Men weet er dus zeker nog niet alles van af. Daarmee is echter toch reeds het bewijs geleverd, dat een plant een ander tijds ervaren kan verkrijgen.

Daarvoor blijkt het bij planten dus noodzakelijk, dat de natuurlijke omgeving, de factoren van het milieu, die groei en groeitijd bepalen, zich wijzigen. Bij de plant komt de wijziging dus alleen van buiten uit tot stand, dit is begrijpelijk: De plant heeft geen eigen bewustzijn, dat het ik beheerst. Zij kan dus haar maatstaven niet wijzigen. Groeitijd enz. zijn ingebouwd. Bovendien kunnen wij wel zeggen, dat het bewustzijn van de doorsnee plant zo gering is, dat daarmee geen feitelijk tijdsbewustzijn en zelfs maar een zeer beperkt ik-bewustzijn verbonden kan zijn.

De mens echter heeft een dergelijk bewustzijn wel degelijk. Daarom kan de mens deze processen in zich, door eigen wil en bewustzijn a.h.w. veranderen. Denkt u nu niet, dat ik hiermee een sprookje vertel, iets weergeef, wat alleen in theorie, maar in de praktijk niet mogelijk is.

Het is bewezen, dat bepaalde traumata – wonden – onder hypnose zoveel sneller genezen, dat het haast ongelooflijk was. Dit geschiedde bij mensen, die geen enkele training op dit gebied hadden gehad, maar alleen onder hypnose stonden van iemand, die dit bewustzijn van tijdsbeheersing en ik-beheersing wel bezat. Dergelijke proeven zijn o.m. genomen in Vancouver.

Ook in Duitsland worden dergelijke proeven op het ogenblik genomen. Verder bleek, dat een fakir, die zichzelf goed in bedwang had, bij zelfverwonding eveneens dergelijke verschijnselen produceerde. Het wegnemen van het mes, dat hij voor het zich verwonden gebruikt had, liet een druppel bloed achter. Er was toen een wond zichtbaar, die echter reeds even later verkleurde, roze werd – als een vers litteken – om daarna zeer snel te worden tot een soort rode striem. Degenen, die de proef bijwoonden zagen, dat ongeveer drie minuten, nadat de hand was verwond met een kukri mes, waarbij het weefsel tussen de vingers van de hand zo was doorboord, dat praktisch tot bij de aanzet van de pols een wond bestond, de wond verdwenen was en, buiten een lichte verkleuring van de huid, van de verwonding geen enkel teken meer aanwezig was.

U vraagt zich misschien af, wat dit alles met tijd te maken heeft? Wel, de zaak is eenvoudig genoeg: Normaler wijze vergt het genezen en opbouwen van weefsels bij de mens een bepaalde tijd. Er is daarvoor een norm. Zolang de mens aan de natuurlijke normen gehoorzaamt zal genezing en opbouw van weefsel dus een bepaalde tijd vergen. Van verwonding tot genezing verloopt dan ongeveer twee maanden. Nu komt er iemand, die voor zich of voor een deel van zichzelf, kennelijk deze tijdswaarde weet uit te schakelen. Hij gelooft niet meer aan een regeren van de omstandigheden en baseert zich niet meer op de ritmen van de natuur. Hij is zelf de meester en stelt zelf het tempo vast. Gevolg: Wat anders maanden vergt, doet het lichaam nu in drie minuten. Dergelijke dingen zijn geconstateerd door mensen. U hoeft mij niet te geloven, deze proeven zijn vastgelegd. En daaruit blijkt volgens mij, dat tijd toch maar een zeer relatief iets is. Maar dit betekent ook, dat wij in wezen dus veel meer kunnen doen, dan wij meestal plegen te doen. Wij kunnen veel meer tijd vinden, zowel voor onszelf als voor ons menselijk leven, dan wij normalerwijze plegen te hebben.

Dat is hetgeen ik op deze bijeenkomst onder uw aandacht wilde brengen: De mens is in doorsnee de slaaf van de tijd. Ik zou zelfs kunnen zeggen, dat dit de tijd van de slaven is. Maar dit zou misverstanden wekken en mij zou verweten worden, dat ik mij met politieke beschouwingen bezig hield.

Dus nogmaals: De mens van heden is de slaaf van de tijd. Naarmate hij zich sterker bindt aan de tijd, zal zijn vermogen om voor zichzelf iets te bereiken, of in zichzelf iets te bereiken, afnemen.

Deze mens zal steeds meer worden herleid in zijn leven tot een natuurlijk ritme, dat uit grotere krachten ontstaat en bijvoorbeeld als kosmische golven, kosmisch licht, ingrijpen van kosmische krachten op aarde voor hem tot uiting komt. Krachten, die hij zou moeten kunnen beheersen en gebruiken, maar die nu de omstandigheden voor hem vormen, zodat hij zelf niets meer te vertellen heeft. Een dergelijke mens kan vergeleken worden met een plant, die voor haar ervaringen en levensprocessen geheel afhankelijk is van buiten het ik liggende en door haar niet begrepen krachten als zon, temperatuur en vochtigheid.

Maar wij zijn meer dan dat. Wij, mens en geest, zijn een brok eeuwigheid. Wij zijn de verbinding tussen hemel en aarde, meer nog, wij zijn hemel en aarde. Wij zijn het uiteinde van een goddelijke uiting, maar ook de directe weergave van God zelf.

Wij hoeven niet de slaven van het toeval en de tijd te zijn, wanneer wij maar leren ons zelf te bevrijden uit de ban van deze dingen. Zeg nu niet: Dan is het mijn wil, die hier belangrijk is. Want hoe belangrijk wilskracht ook moge zijn op aarde, juist deze wilskracht brengt de mens er toe, alle dingen in stukken te hakken, om vele afdelingen te maken uit het geheel van het leven, en te dwingen: nu moet het zus, nu moet het zo. Dit in plaats van het ervaren binnen het Ik als: “Zo is het.”

Wanneer je leert om de kosmische krachten te dienen en de mogelijkheid daartoe bestaat voor zeer velen in deze dagen, zal men bemerken dat er ogenblikken zijn, waarin je alle besef van tijd verliest. Wat dan nog blijft is een vorm van denken, een beleven. Het is misschien het aanvoelen van een noodzaak of een kracht. Maar het ene ogenblik vergt hetzelfde volgens menselijke tijd 10 seconden, het volgende ogenblik 5 uren Het is alleen maar een toestand en uit die toestand komen vermogens voort, waarmee haast niemand werkelijk raad schijnt te weten. Een vermogen, dat ingrijpt in het normale tijdsritme, in de gewone gang van zaken, in de beheerstheid van anderen. De mens die werkelijk de hand op kan leggen en zonder meer een ander kan genezen, schakelt indien hij bewust genoeg is, daarbij vaak de tijd uit. Hij brengt de cellen van het lichaam ertoe, sneller te werken, sneller zich te reinigen. Hij dwingt het lichaam er toe Kracht van buiten het ik sneller te absorberen en desnoods ook weer sneller af te geven, dan normaal is. Hij verandert a.h.w. het levenstempo van degene, die hij beroert en de ander geneest als door een wonder.

Weer anderen zien in de toekomst. Zij waarschuwen en voorzien. Zij hebben de tijd uitgeschakeld. Hun bewustzijn ziet reeds nu, wat voor anderen eerst over een jaar werkelijk zal zijn en brengt de kennis daarvan terug in een met anderen gedeeld heden. Hij beheerst dan een groter deel van heden en toekomst door de mogelijkheid in alle streven met de erkende feiten van heden en toekomst een direct verband te leggen. Er zijn mensen, die spreken van het onmogelijke. Zij zeggen: Het is er de tijd niet voor, ik heb er de kracht niet voor, ik kan het niet.

Zolang je blijft leven in de gebondenheid aan tijd, vaste volgorde, onderworpenheid aan invloeden buiten je, kan dit alles waar zijn. Maar op het ogenblik, dat de innerlijke waarde, de innerlijke wet domineert en niet de uiterlijkheid, maar het ik in zich de waarden van het leven stelt, doordat het de invloeden van buiten selecteert en desnoods afwijst, ontstaat er een innerlijke vernieuwing, waaraan men moeilijk een naam kan geven. Men kan haar zelfs moeilijk omschrijven. Of men zou moeten zeggen, dat je eindelijk weer kunt leven op aarde en wandelen in de hemel der goden tegelijk.

  • Wat is het verschil tussen wilskracht en de andere Kracht?

Wilskracht is een gerichtheid naar buiten toe. D.w.z. dat alle willen in wezen gebaseerd is op begeren, en de sterkte van de begeerte in wezen de kracht van het willen bepaalt.

Innerlijke kracht is een vermogen, dat geen richting heeft en geen bepaalde vervulling wenst of afdwingt, maar eenvoudig een potentiaal is, dat in het Ik bestaat t.a.v. de omgeving, die een dergelijk bewustzijn niet bezit. Het is dus geen wil, maar een kracht, die in het ik zonder meer berust en die men met een eenvoudig gebaar zonder meer aan anderen kan overdragen.

Ik zal een vergelijking maken om dit te verduidelijken: Wij kunnen ons voorstellen, dat iemand zich inspant om een medemens te genezen door kracht. Wanneer iemand, die het werkelijk eerlijk meent, daarmee ernst maakt, zo zien wij een verkramping van houding als gevolg van intense concentratie. Zweetdruppels kunnen op het voorhoofd parelen. Zo iemand geneest met alle wilskracht, waarover hij beschikt. Wanneer hij een tijd bezig is geweest, zal hij misschien resultaat boeken. Maar hij is helemaal uitgeput.

Stel daar tegenover, iemand, die geheel geen wil tot genezen toont, maar iemand ontmoet, die tot hem zegt: “Ik geloof, dat je mij kunt genezen.” Dan maakt deze mens een gebaar en de genezing is een feit. Zover wij konden zien was hiervoor geen inspanning, concentratie, geen richten van de wil noodzakelijk. Het was a.h.w. of de vrager door zijn geloof – aanvaarding dus – in de wereld van de genezer werd opgenomen. En daar, als in het tijdloze, ontstond de genezing. Dat is het verschil tussen innerlijke Kracht en wilskracht.

  • Is wilskracht niet het richten van het ik?

Voor mij is de ziel ook ik. Daarom zou ik het zo willen stellen: De wilskracht, die wij bezitten, vloeit voort uit onze erkenning van onvolkomenheid plus onze behoefte tot een althans uiterlijk bereiken van die volkomenheid. Dit behoort, zoals u het zou zeggen, tot het lagere ik.

De innerlijke Kracht is de erkenning – al wordt deze niet geheel bewust in woorden of gedachten omschreven – van eigen oneindigheid en volmaaktheid in God, waaruit zonder meer geput wordt. Men is en behoeft dus niet te uiten. Dit is het grote verschil tussen deze twee.

  • U sprak van onderzoekingen. Op welke wijze werden deze gedaan?

Op wetenschappelijke wijze. De proeven in Parijs vonden plaats door leden van de Academie en hadden tot doel de waarde en mogelijkheden van het mesmerisme te onderzoeken. Terwijl de sujetten onder suggestie stonden, werden hun verklaringen stenografisch vastgelegd, terwijl later werd nagegaan, of de plaatsen en personen, die zij noemden, in feite bestonden en in hoeverre de juistheid van het verklaarde nog te achterhalen was. Dit bleek voor een behoorlijk deel van deze verklaringen inderdaad het geval te zijn.

Bij de proeven die in de USA, Frankrijk en Italië werden genomen omtrent het geestelijk ik, bleek een bewijs moeilijker te brengen. Hierbij kwamen beschrijvingen naar voren, die niet geheel te toetsen waren, dan wel niet conform de gekende feiten waren of schenen te zijn.

Ofschoon de onjuistheid van enkele punten bewezen werd, was voor de juistheid van de verklaringen geen wetenschappelijk bewijs te leveren. Wel was aan de hand van deze proeven duidelijk, dat de beschrijvingen grote levensechtheid bezaten en vooral in details, die niet algemeen bekend waren, men toch wel opvallend veel bleek te weten over de periode, waarin men geleefd zou hebben.

Wij mogen wel stellen, dat deze experimenten door de wetenschap werden genomen. Het door mij geciteerde geval van de fakir behoort tot een reeks proeven, die in Indië werden genomen door particuliere onderzoekers en waarnemers, die behoorden tot de leden van de Royal Society for Psychical Research. Zij onderzochten daarbij fakirs en wijzen, ontdekten verschillende trucs en constateerden daarbij o.m. dat sommige mensen in staat waren het gevaar van een gevaarlijke slangenbeet te keren door een vorm van hypnose, waarbij alle doorbloeding van een bepaald deel van het lichaam, of een bepaalde spier, geheel onmogelijk werd gemaakt tot men in staat was het gif weg te halen.

Men onderzocht verder z.g. hysterische genezingen bij fanatici, die zich met pennen en dolken doorboren en ontdekte dat ook hierbij een zekere trucage bestaat. Daarnaast vonden zij mensen, die werkelijk in staat waren zich ernstige verwondingen toe te brengen en op een voor de toenmalige wetenschap raadselachtige wijze in zeer korte tijd onder de ogen van waarnemers deze wisten te genezen. Om te voorkomen, dat men door suggestie of hypnose bedrogen zou worden, heeft men daar fotografische en zelfs in één geval een – zij het primitief – filmisch verslag gemaakt. Het fotografisch materiaal bevestigde genezing en verwonding, zoals men die met eigen ogen meende te hebben gezien. In dit geval kan dus worden gezegd: Het onderzoek was niet 100% wetenschappelijk en vond niet onder laboratoriumcondities plaats, maar bezit toch wel een zekere bewijskracht.

Ten laatste wil ik hier nog even wijzen op de bekende Europese fakir, die zich – terwijl hij doorgelicht werd met röntgenstralen – een sabel door het hart liet steken. Hij verkeerde in een toestand van intense concentratie. Doctoren zagen, dat het hart werkelijk doorboord was. De sabel werd vervolgens teruggetrokken, waarop het hart normaal verder functioneerde.

Eenmaal was de man – in Zwitserland – niet voldoende geconcentreerd, toen de proef werd genomen. Hij stierf als gevolg hiervan. In de laatst genoemde gevallen berustte het resultaat op een vorm van concentratie, waarbij alle bewustzijn van tijd en gebeuren in tijd tijdelijk werd opgeheven. Wat stoffelijke gezien geheel waar was, was dit dan ook niet voor de levensprocessen van het lichaam, dat eigen maatstaven hanteerde en daardoor schijnbaar onmogelijke prestaties leverde.

Ik zal nu mijn betoog af gaan sluiten. Wij spraken nu wel over de tijd als iets, wat wij meester kunnen worden, maar hebben daarbij nog geen aandacht gewijd aan de vraag, hoe dit dan wel te bereiken zou zijn. Ik meen, dat juist dit voor een mens een van de meest moeilijke punten zal zijn. Daarom wil ik trachten, zo goed mij dit mogelijk is, enkele meer praktische aanwijzingen in die richting te geven. Ik begin dan met de stelling:

Concentratie, of actie, of overweging, is gelijktijdig een uitschakelen van tijdsbewustzijn. Wanneer dit tijdsbewustzijn niet gebonden is aan een besef van eigen levensduur of reactietijd, zal de tijdsduur niet alleen betekenen, dat men in een voor anderen kort ogenblik zelf uren beleeft, maar ook omgekeerd, dat eigen reactiesnelheid – dus mogelijkheid in de werkelijkheid van die anderen – aanmerkelijk hoger zal liggen. Belangrijk bij dit alles is een zekere sensitiviteit, die de meeste mensen kunnen bezitten. Er zijn er onder u velen, die, staande tegenover een medemens, diens mentaliteit, problemen, stemming en uitstraling hebben aangevoeld. Dit aanvoelen vergemakkelijkt op zich reeds de contacten met andere mensen. Er is echter meer aan verbonden: Wanneer dit aanvoelen gepaard gaat met een geheel verwaarlozen van eigen begrippen van tijd zal blijken, dat men in zeer korte tijd onmetelijk veel met deze ander zal kunnen uitwisselen, zodat men zelf veel wijzer wordt en de ander ook vaak veel rijker achterlaat, dan aan de hand van de tijd, dat het contact duurde, theoretisch mogelijk is. Het begrip voor deze ander en zijn problemen is vaak veel groter, dan men anders in jaren van elkander ontmoeten en met elkander spreken zou kunnen verkrijgen.

Hier blijkt dus wel, dat het gebruik maken van eigen gevoeligheid voor stemmingen, problemen, neigingen en fouten van de wereld rond het Ik de mogelijkheid biedt haast spontaan de tijd te leren beheersen.

Je kunt de tijd beheersen, naarmate je meer leert vanuit een innerlijk aangevoelde harmonie, waardering enz. en niet uit blijft gaan van de nu redelijk kenbare feiten en mogelijkheden. De mens, die leert, met zijn innerlijke waarden te werken, zal dus in staat zijn het tijdselement in zijn contacten met anderen steeds meer te beheersen. Heeft men dit eenmaal in het contact met anderen vele malen tot stand gebracht, dan zal blijken, dat de waardering voor de tijd als onveranderlijke waarde – die in elke mens pleegt te bestaan – zwakker is geworden. Dit is van groot belang, omdat de meeste mensen diep in zichzelf geloven in de tijd, als iets, waaraan je niets veranderen kunt, een volgorde, die je aanvaarden moet en die je niet verbreken kunt. Op het ogenblik, dat dit geloof door voornoemde contacten met, en reacties op, anderen is verzwakt, wordt de mens ook beter in staat gesteld, om de vaste tijdsmaat voor zich te vergeten. Dan krijgt hij de grotere beheersing van de tijd.

Ik wil besluiten met de opmerking, dat er op aarde maar zeer weinig mensen zijn of zijn geweest die absolute meesterschap over de tijd wisten te verwerven, maar dat er zeer vele mensen zijn, die in staat blijken te zijn, zich wat losser te maken van hun vaste tijdsbesef. Het is alleen maar jammer, dat de meesten die dit bereiken, dit doen door zich gelijktijdig los te maken van de menselijke gemeenschap waarbinnen zij bestaan. Dit laatste is, en zeker in deze dagen, niet gewenst. Daarom zullen degenen, die de capaciteit hiertoe bezitten – ik meen, dat er in deze dagen velen zullen zijn – moeten trachten om hun eigen tijdsindeling te vinden, die niet gebaseerd is op uren of minuten, of zelfs maar op een noodzakelijk schema, tenzij dit noodzakelijk is en gedicteerd wordt door hun relatie met de wereld rond hen.

Maar verder vanuit zich het verloop der dingen moeten laten opwellen en vanuit zich deze dingen moeten volbrengen met algehele concentratie, doch zonder ooit te trachten de taak snel af te maken, of haar nog even uit te stellen.

Neem eenvoudig voor alles de tijd. Het resultaat zal u in het begin wel teleurstellen, want dan zult u voor vele dingen inderdaad meer tijd dan anders gebruiken. Wanneer u echter ingespeeld raakt op deze methode van leven en werken, zult u ontdekken dat u veel tijd wint, dat u langzaam maar zeker een besparing van tijd en energie vindt en op den duur ook van lichamelijk krachtverbruik. Zodat u niet alleen sterker en wat gelukkiger zult zijn, maar bovendien steeds meer bewust kunt leven voor uzelf en bewust kunt zijn van uzelf, zonder tegenover de wereld hierdoor tekort te schieten.

Ik weet wel, dat dit alles eigenlijk onvoldoende is. Men zou de mensen jarenlang in deze dingen moeten kunnen scholen, steeds weer dezelfde waarheden herhalende, zodat zij a.h.w. overrompeld door de suggestie, geheel in de persoonlijke waarde van de tijd zouden kunnen geloven en daardoor sneller en sterker resultaat zouden kunnen behalen. Maar die mogelijkheid hebben zij niet. De enige mogelijkheid, die zij bezitten, is: U in overweging te geven, dat bv. het element tijd niet de onverbiddelijke meester is, die menige mens daarin ziet maar eerder gemaakt kan worden tot dienaar van onze eigen behoeften, tot verwezenlijking van ons ego tot opbouw van datgene, wat wij in de eeuwigheid reeds zijn, maar nu binnen ons eigen bewustzijn.

Esoterie: De innerlijke betekenis van kosmische werkingen en krachten.

Alle krachten, die de mens beroeren, zijn tweeledig: Hij wordt beroerd door de kracht in de werkelijkheid, in de diepten van zijn wezen, zijn ziel. Verder wordt hij beroerd door de spiegeling van deze kracht in zijn materieel bestaan, in al datgene ook, wat hem omringt.

Wanneer wij door willen dringen in de innerlijke betekenis van kosmische werkingen en krachten, zo zullen wij dit onderscheid goed voor ogen moeten houden. Juist het begrip voor de spiegeling van waarden, die optreedt, het begrip ook voor de allereerst en meest waar zijnde innerlijke beleving van krachten, kan bijdragen tot een juister begrip van ons werkelijk wezen.

Onze ziel staat in direct contact met de eeuwige waarde. Deze eeuwige waarde, ongekend en niet omschreven, openbaart zich aan ons in opeenvolgende reeksen van krachten, trillingen en velden. Ook van deze krachten, trillingen en velden activeert een deel van ons werkelijk ik. Zo zal, terwijl wij onszelf gelijk blijven in waarheid, de nadruk in dit gelijkblijvend bestaan afwisselend vallen op aspecten die verwant zijn aan het creatief proces, die verwant zijn met begrip, of wijsheid, en verwant zijn met zelfverloochening, de opgang van het ik in de grote Kracht.

Wij kunnen daarbij stellen: Elke kosmische kracht, die op aarde merkbaar is, zal voor de ziel betekenen; een lering, die zij in zich kan aanvaarden en opnemen, een waarde, waardoor zij haar betekenis voor zichzelf kan vergroten. Elke kosmische kracht, die de aarde bereikt, betekent voor ons daarnaast – zolang wij op aarde bestaan – een reeks van belevingen, veranderingen in onze wereld, veranderingen ook in ons gevoels- en gedachteleven.

Deze veranderingen kunnen alleen gebruikt worden met een kennis van de innerlijke kracht.

Er is tussen deze beiden dus een zekere overeenstemming, een parallelle ontwikkeling noodzakelijk. De mens, die niet innerlijk komt tot een besef van de ware Goddelijke Kracht – die zich aan hem openbaart – zal niet in staat zijn de werkingen en krachten, die zich rond hem openbaren en ontplooien, op de juiste wijze te benaderen en te bestieren.

De mens echter, die in zich wel besef heeft van de nieuwe innerlijke leringen, die hij ontvangt en deze van toepassing weet te verklaren op de werkingen en de wereld rond hem, blijkt meester te zijn van de kracht, die hem beroert. Want datgene, wat zich spiegelt, is meester over het spiegelbeeld, en de bewuste spiegelt zich vanuit een oneindige werkelijkheid in een stoffelijke wereld, haar beheersend en regerend door de erkenning, dat hij dit alles zelf is; heb ik in de spiegel aanschouwd.

De tijd, die mijn voorganger zo plastisch voor u heeft behandeld, speelt daarbij natuurlijk voor de mens een rol. Maar eeuwig is de innerlijke kracht, is de ziel. Zij is tijdloos. Zo zijn de werkingen van de tijd voor ons alleen belangrijk, wanneer zij een eeuwige waarde voor ons tot uiting brengen.

Ook hier meen ik mij aan te mogen sluiten bij de vele grote wijzen, die hebben gezegd: “In mij is de erkenning van het Hoogste. Het Hoogste kennende en uitende door mijzelf, ben ik een weg, die voert tot de bevrijding. Erkennende in mijzelf de eeuwigheid, waarvan alles rond mij slechts een weerspiegeling is, ben ik de waarheid. En zie, in mijn erkenning als waarheid, in mijn bestaan als weg ben ik de bevrijding voor mijzelf en het middel tot bevrijding voor eenieder, die mijn wezen kan aanvaarden.”

Hier speelt wel degelijk het tijdloze een grote rol. Wanneer wij zien, hoe een grote meester of leraar op aarde neerdaalt, zo zijn wij geneigd hem alleen te zien als in zijn vorm belangrijk. Maar de gebeurtenissen worden door hem aanvaard en bepaald. Hij zelf is het, die zijn wezen vanuit het goddelijke weergeeft in een stoffelijke vorm. Ook wanneer dit in het begin van zijn leven onbewust gebeurd, zo zal hij toch altijd teruggrijpen op de Kracht, waaruit hij stamt. Hierdoor wordt hij voor ons niet alleen maar een mens, die ons een weg door het leven toont of een lering brengt, hij wordt gelijktijdig deel van een door ons nog niet geheel besefte waarheid, weergegeven binnen de aspecten der tijd.

Hierbij zullen wij rekening moeten houden met het feit, dat aspecten, zoals zij in de tijd worden geopenbaard, steeds onderhevig zijn aan de krachten van die tijd. Het eeuwige Licht projecteert zichzelf en afwisselend worden er lenzen tussen gezet van verschillende kleuren. Voor ons doet de kleur de waarden veranderen, maar het Licht blijft hetzelfde.

Wanneer nu het Licht zich openbaart door een meester of leraar, zo moeten wij beseffen, dat het Licht, waarin wij hem zien het Licht van zijn tijd is, maar dat het wezen, dat hij openbaart, eeuwig zijnde, ook vertaald kan worden in de termen, in de kleur, van de tijd, waarin wij leven.

Op deze wijze kunnen wij uit de Groten, die vanuit de eeuwigheid kwamen tot de tijd, leren, hoe wij het eeuwige in onszelf sterker kunnen maken en zo, evenals deze grote voorbeelden, een beheersing kunnen bereiken, die niet slechts gaat over het beperkte stoffelijke ik, maar uitgaat over het gehele gebeuren, waarin wij een rol spelen.

De vraag, die men zich in de esoterie steeds weer stelt, is de meest wonderlijke en gevaarlijke, die er bestaat. Het is altijd weer: “Is dit waar? Is dit werkelijk?” Maar zolang wij alleen maar zien naar de uiterlijke normen en vormen, kunnen wij alleen maar antwoorden: “Dit is schijn, dit is niet de waarheid”. Zien wij echter de essentie, die er achter schuilt, die daarin bestaat voor ons wezen en onze kracht, zo moeten wij zeggen: Dit is waarheid.

Helaas is het mij niet toegestaan, onbeperkt op dit onderwerp door te gaan. Maar toch meen ik, dat het goed is een korte conclusie te verbinden aan datgene, wat ik tot nu toe gesproken heb: Waarheid is voor ons al datgene, wat de directe innerlijke betekenis weergeeft van wat wij zijn en doen. Onwaar is al datgene voor ons, wat gebonden is aan uiterlijkheden en alleen in stoffelijke actie of handeling zijn waarde vindt en zijn rechtvaardiging.

Hieruit volgt, dat hij, die het pad van innerlijk bewustzijn wil volgen zich niet zal moeten afvragen: “Wat is het verschijnsel?” Maar: “Wat is de kracht, die mij beweegt?”

Om te komen tot de waarheid van de kosmische krachten en openbaringen, zoals zij ook in uw dagen zo veelvuldig zijn, betekent in wezen: Terug te keren tot de oervorm van het menselijke bestaan, tot de vorm, waarin men beschikt over al wat nodig is, waarin men de wetenschap heeft van al wat belangrijk is en waarin het doel van eigen wezen is gelegen in het bestaan zelf en niet in datgene, wat men er mee doet.

Zo dadelijk zal een waardig meester de taak, u toe te spreken van mij overnemen. Ik kan dus mijn onderwerp niet verder ontwikkelen, maar uit alles, wat ik u gezegd heb, moet u toch wel het beeld rijzen van een werkelijkheid, waarover ook gij beschikt: Niet krachteloos zijn wij ten opzichte van het noodlot. Niet verlaten en eenzaam zijn wij in een zee van tijd en gebeurtenissen, in een keten van opeenvolgende incarnaties.

Geboren zijn wij als kinderen en meesters van Licht. Ontstaan zijn wij als Licht uit de bron van alle Licht. Wij zijn niet de minderen van grote geesten, de meerderen van lagere wezens. Wij zijn slechts Licht, dat leven geeft aan alles, wat het doordringt.

Dit te beseffen, is het begin van alle waarheid. Want wie weet, dat hij eeuwig is, weet ook, dat niets belangrijker is buiten dat ene: Waarlijk en waardig zichzelf te zijn in alle dingen en zijn innerlijke waarden en kracht tot uiting te brengen, ongeacht de beperkingen of schijnbare onmogelijkheden, die daaraan in meer stoffelijke zin verbonden zijn.

Laat ons, zo zou ik zeggen, leven uit de waarheid van ons bestaan. Laat ons kracht vinden in de werkelijkheid van het ik, niet in de schijn, die het omringt, en laat ons bovenal zonder gevoelens van onwaardigheid, minderwaardigheid, of meerwaardigheid t.o.v. het geschapene, de kracht erkennen, die in ons leeft en, puttende uit deze kracht, het leven steeds meer maken tot een uiting van het eeuwige, in alle aspecten, stromingen en invloeden, die maar denkbaar zijn binnen de oneindigheid der mogelijkheden.

Hier, mijne vrienden, moet ik tot mijn spijt eindigen. Tot mijn spijt, omdat ik gaarne nog verder tot u gesproken zou hebben over deze punten.

Tot mijn vreugde ook echter eindig ik hier, omdat een wijzere u – en daarmee ook mij – waardig heeft bevonden, zijn leringen aan te horen.

Gastspreker: Wat in werkelijkheid geschiedt in deze dagen.

Beminde vrienden in de stof.

De grote Schepper, Zijn macht en werkingen, omringen ons in steeds duidelijker beeld van de vernieuwing der waarden, van de benadering van Zijn werkelijkheid. Uit de Lichtende werelden zijn wij, als bevrijd, gekomen tot een wereld, die wij eens niet konden bereiken door de duisternis, die haar omringde. Op deze avond wil ik trachten, u weer te geven, wat in werkelijkheid geschiedt in deze dagen.

De onmetelijkheid van Goddelijke Aanvaarding en Liefde heeft de banden tussen geest en stof versterkt.

Steeds groter en sterker zijn ook de krachten geworden, waarmee de kosmos zelf tracht te spreken tot de mens in de materie. De mens, die deze dingen niet verwerken kan, sluit zich vaak af voor het Grote en het voor hem onbegrijpelijke gebeuren, dat zich rond hem afspeelt.

Daarom grijpen ook wij, die leven in en uit het Licht, in op uw wereld. Niet om uw wil te breken, niet om u te dwingen tegen uw wil, maar steeds weer, u gevende de inspiratie, de gedachte en de kracht, die nodig zijn voor een juist en goed beleven van alles wat deze dagen bieden.

Onze gave is er een van Licht. Gij, die u af wilt sluiten, zult ontdekken, hoezeer het Licht uw ziel beëngt en in vrees zult gij willen vluchten, zoals eens, volgens het verhaal, Rome’s soldaten vluchtten, toen de dood overwonnen werd en een graf zich opende.

Ook de graven van het verleden zullen in deze dagen openbreken. Veel van dat, wat verborgen werd opdat de mens een eigen weg zou gaan, wijsheid, en begrip voor het oude, zal in deze dagen de mensheid opnieuw geschonken worden. Erfdeel uit tijden, die vergeten zijn, zullen wij terug brengen binnen het bereik van de mensen van heden.

Maar ook krachten, die de mens vergeten heeft, de krachten van de natuur, de krachten van de bezielende wezens of machten in de natuur als luchtgeest, aardgeest, vuurgeest, watergeest, zullen spreken tot de mens. Want zie, dat wat geheerst heeft, wordt in deze strijd geketend en gebonden, opdat er een rust zal zijn, die – symbolisch – duizend jaren duurt. Dit is nog de strijd om te ketenen. Maar ik zeg u: Dit zal geschieden. En in uw dagen zult gij het kenmerk zien en het stempel van de krachten der natuur, van de wijsheid uit het verleden.

En gij zult ook ervaren de nieuwe zegeningen van Licht, die zich voorbereiden om uw wereld, ook in meer persoonlijke vorm, te benaderen. Zeer nabij – in uw dagen geteld misschien slechts enkele honderden – is het ogenblik, dat alle broeders uit het werkelijke Licht zich zullen openbaren en direct zullen inwerken op de mens op aarde.

Het ogenblik, dat niet slechts zij, die eens een godsdienst stichtten, of banden hebben met de wereld, maar allen, die het Licht in zich dragen, zullen keren tot u, opdat het demonische gebonden weze, opdat de mens bevrijd worde van het duister dat hij zelf geschapen heeft en opdat de isolatie verbroken moge worden, waarin deze wereld zo lang heeft verkeerd.

Al wat geschiedt, zal u tot verwondering en misschien erger strekken. Ik echter zeg u: Erger u niet en verwonder u niet, maar streef naar het Licht, de Kracht, die onmiddellijk is en die zich in u kan openbaren.

Aanvaard de gaven van deze dagen reeds nu. Want zo zullen wij u wapenen en sterken, opdat het ogenblik der verwarring, het ogenblik der beslissing – dat niet zover meer af ligt – u zal aantreffen als bewuste, als Lichtende geesten, beschermd ook, zelfs tegen de materie, tegen de krachten, die aantasten al wat nu vorm en gezag schijnt te zijn.

Aanvaard wat komt en wapen u met Licht. Dan zult gij de vreugde zien van een wereld die waarlijk door de band met het eeuwige en Lichtende, waaruit wij stammen, en de wereld, waartoe gij behoort, wordt gevormd tot weergave van het kosmische wezen.

De kosmische kracht, die, in haar pulserende werking, de mensheid oproept dit rap te bekronen met een bewustwording en een bereiking en aan dit ras de taak op zal leggen om het bereikte verder te dragen, zodat onbewusten elders, geleid zoals gij eens geleid zijt, zullen komen tot de erkenning van de kosmische eenheid, die wij allen bezitten, waaruit wij bestaan en waarin wij leven. De kosmische eenheid, die is het werkelijke Licht van deze tijd.

Zo gij aarzelt in deze dagen, zo gij niet weet, welke weg te kiezen, zo kan ik u slechts dit zeggen: Aanschouw mij, niet in de vorm, waarin ik spreek, maar in de vorm, waarin ik besta.

Beluister mij, niet met uw oren, maar met uw ziel en weet, dat uw wezen aan het mijne verwant is, dat mijn Licht of Kracht ook de uwe kan zijn.

Wees gesterkt in het weten dat de grens tussen ons er slechts een is van begrip, niet van wezen, niet van kracht.

Weet, dat het Licht, dat ik in mij draag, dat de kracht die ik ben uit mijzelf, de kracht is van een God, die is in mij en spreekt in u. En laat dit Licht tot u komen, opdat gij mag zijn: Vrij en wetend, bewust van wat tot u spreekt en machtig in de erkenning van de werkelijkheid.

Nog is het Licht niet vol geopenbaard. Want nog is het niet de tijd, dat wij kunnen komen, ons tonen en spreken, zoals wij begeren. Maar deze tijd is niet ver af. Bereid u voor, opdat gij niet verblind wordt, maar aanschouwen mag de werkelijkheid, die ons Licht en Schepper toestaan te openbaren, zelfs aan onze beminde broeders in de stof.

Laat het oude teken en het nieuwe teken het symbool zijn van uw erkenning en bereiking en laat de band met het Licht ongebroken blijven.

0-0-0-0-0-0-0-0

Citaat uit “Bede”, gegeven 14 juni 1951.

Schat van Licht, bron van al besef, verhef, wat leeft, opdat de plicht worde tot erkend beleven, van Uw wezen, van Uw Licht.

Zee van waarheid, doe erkennen, erken, wij zijn uit uw werkelijkheid, willen erkennen Uw wezen Uw waarheid.

God, erkend in de mens mens, bewust van God.

Overwinnen alle lot: Dit is eeuwigheid.

image_pdf