De tijd

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 4 )- januari 1975

De tijd

De mens is altijd een beetje verzot geweest op de tijd. Het klinkt misschien wat vreemd maar toch is het waar. Toen de eenvoudige stammen nog overal rondzwierven en er nog geen landbouw was en veeteelt iets was voor zonderlingen, zoiets als homoseksualiteit in deze dagen, waren de mensen al bezig om de tijd te meten. Dat deden ze niet, zoals u zou denken, in dag en nacht want dat was voor hen normaal; neen, ze maten dat in seizoenen. En toen naast de jagers en veeboeren ook de eerste boeren waren ontstaan, was het wel zeer belangrijk de tijd te meten. Er is zelfs een periode geweest waarin elk seizoen werd aangesproken met jaar. Nu weet u meteen waarom er in de bijbel mensen worden genoemd waarvan men zegt dat ze zo ontzettend veel jaren hebben geleefd. Methusalem heeft dus vele seizoenen geleefd en is nog tamelijk oud geworden, maar toch niet meer zo heel erg oud.
Daarna krijgen we de tijd van de opkomende beschavingen en dan wordt de tijd nog belangrijker. Men gaat niet alleen met dagen rekenen maar men gaat de dag ook nog indelen. Er zijn op vele plaatsen kleine obelisken opgesteld en als die geen schaduw werpen, dan is het het midden van de dag. En zo gaat dat verder.
De mensen gaan nu de tijd meten eerst met water, later ook op andere manieren. De Chinezen hebben zelfs kaarsklokken gehad en elke keer gaat de mens proberen de tijd nauwkeuriger te meten. Kijkt u maar eens naar de ontwikkeling van de klok.
In 1500 ‑ 1600 de eerste uurwerken. Er is een wijzer die alleen de hele uren aangeeft. Nog voor 1800 twee wijzers. Je kunt dan ook de minuten tellen. Vijftig jaar later komt de secondewijzer in zwang en kun je ook de seconden tellen. In uw dagen zijn er zelfs al extra wijzers op sommige horloges waarmee men honderdsten van seconden kan meten.
De mens is erg verzot op het indelen van het leven in tijd. Misschien komt dat wel door de wijze waarop hij zijn leven moet indelen. Hij moet dat allemaal precies organiseren en organiseren kan alleen worden gedaan indien eenieder eenzelfde tijdsmaatstaf toepast. Een persoonlijke tijd is goed voor een boerenfamilie. De boer zegt: Ik heb honger, nu moet ik eten. Maar dat kun je niet doen als je in een stadsgemeenschap leeft, als er staatsbezoeken, godsdienstplechtigheden en dergelijke zijn. Daarvoor heb je een steeds nauwkeuriger definitie van de tijd nodig.
Het is dan ook opvallend, dat we vooral in de tempels de beste tijdmeters vinden. De waterklok van Memphis b.v. liep 24 uur en dat wil wat zeggen. In Rome liepen dergelijke wateruurwerken maar 6 uur, daarna moesten ze weer worden bijgevuld.­
Als ik u dit allemaal vertel, probeer ik duidelijk te maken hoezeer de mens zijn bestaan fragmenteert; hij haalt het uit elkaar in stukjes. Hij maakt er a.h.w. een reeks van op zichzelf staande momenten van waar­van de continuïteit alleen wordt bepaald door een externe, buiten de mens staande factor.
Als je in onze wereld komt, is dat een beetje anders. Wij kennen ook tijd maar bij ons kan de tijd niet worden gemeten met een algemene maatstaf. Willen wij met een ander een afspraak maken, dan moeten wij ons oriënteren op het tijdsbesef van de ander. Als dit medium klaar is om te werken, dan zien wij het signaal en zeggen dan: het is kennelijk tijd en we beginnen. Het kan wel eens zijn dat we denken dat het signaal nog niet zal komen en dan moet het medium nog even wachten. Maar als we het zien, komen we wel direct.
Ook wij hebben onze eigen indeling. Die is persoonlijk, ze wordt intern bepaald. De tijd is een meer esoterische kwestie geworden en in plaats van een fragmenteren is het bij ons meer een opbouwen. Elk moment dat wordt beleefd, wordt bij het volgende gevoegd en zo ontstaat er een stapeleffect. Dan zeggen we: Het resultaat van alles wat wij aan tijd hebben doorgemaakt is het besef van ons wezen. Wij zitten dan nog altijd binnen de tijd.
Er bestaat ook een wereld buiten de tijd. Die wereld is moeilijk voorstelbaar. Ik heb het eens geprobeerd en ik moet zeggen: Ik ben er nog net niet horendol en gek van geworden maar als ik erin was blij­ven steken, had ik het niet kunnen verwerken. Ik moest terug.
Over de existentie buiten de tijd bestaan er vele mooie formulerin­gen. Er zijn heel veel mooie voorbeelden van. Men spreekt over de spi­raal van de tijd. De eeuwigheid of tijdloosheid kunnen wij ons slechts voorstellen als een oneindige tijd. Maar is die tijd nu wel zo oneindig als wij denken? In bepaalde leringen van het taoïsme horen wij dat de tijd is als een rad dat tegelijkertijd vooruit en achteruit draait. Het draait vooruit in de externe ontwikkeling en gelijktijdig draait het terug voor de beschouwer omdat hij ziet dat wat geweest is, weer terugkeert. Ik meen dat daar wel iets in zit. De totale tijd is voor ons een onont­koombare opeenvolging van gebeuren. Maar als je er buiten staat, moet je zien dat de dingen terugkomen.
Als je dat in de historie ziet, is het gemakkelijk: woningnood in Amsterdam, het kraken van panden. 30 jaar v. Chr.: woningnood in Rome, het kraken van panden, onderdrukt door gladiatoren. In Amsterdam doet de politie er niet zoveel aan maar dat kan nog komen. Daar zit al een parallel in.
Een ander voorbeeld. Een geestelijke in Florence krijgt allerlei visioenen. Op grond daarvan beïnvloedt hij weer een ander (Savonarola). Deze gaat nadenken over de noodzaak der vroomheid. En dan begint hij maar gewoon die vroomheid aan eenieder op te leggen. Alleen de vromen zijn goed en wie niet vroom is, moet weg. Boeken moeten er worden ver­brand enz. Is zoiets in 1937 ook niet gebeurd? Het is weer precies het­zelfde.
Iemand wordt gek gemaakt door ideeën die helemaal niet van hem zijn. Hij gaat dat zien als een roeping, een noodzaak. Op den duur ziet hij zichzelf als de enige man die de problemen kan oplossen. En zoals die waanzinnige monnik ten slotte moest falen bij een vuurproef toen hij over gloeiende kolen moest lopen, zo heeft een waanzinnig politicus, toen het erop aan kwam verstandig te reageren en zich te beheersen, zijn be­heersing verloren hij eindigde met zelfmoord.
Het zijn parallellen. U kunt zeggen: ze zijn niet helemaal exact. Neen, dat zijn ze ook niet. Maar toch, als je kijkt naar het verleden en het heden, dan zie je dat dat heel vaak parallel loopt. Dat iets wat misschien duizend of tienduizenden jaren geleden aan de gang is geweest, op een gegeven moment in het heden weer de kop opsteekt. En dan vraag je je toch af of de taoïsten gelijk hebben. Zou er een mechanisme zijn waardoor je, schouwende van buiten de tijd, kunt zien en zeggen: het ver­leden keert terug. Maar dat is niet alles. Het wordt nog veel interes­santer.
Wat heb ik indien de tijd wegvalt? Dan zit ik als een kleine jon­gen op moeders schoot, ik ben op school, ik denk dat ik de wijste van de wereld ben, ik trouw en ontdek dat ik het niet ben. (Een man verloor zijn rib en daarmee ook zijn rust. Vrij vertaald uit het Engels. Het is het begin van een parodistisch paradijsverhaal.) Als ik alles naast elkaar zet, ben ik niet meer een persoon maar ik ben een reeks persoonlijkheden die allemaal een bepaald iets doen. In dat tijdloze ben ik zelf geen omschrijfbaar ego meer. Ik ben zoiets als de registratiecentrale, een soort computer, waarin dat geheel ge­lijktijdig kan worden geregistreerd en gesorteerd naar betekenis en volgorde naar gelang van de behoefte. Die behoefte kan alleen bestaan uit een vergelijking tussen wat ik ben en wat iets anders is. Misschien is de mens niet voor niets bezeten van de tijd. Want hij loopt eigenlijk een beetje weg voor de eeuwigheid.
Als wij de ontwikkeling van de mensheid proberen te volgen, dan zien wij twee dingen: ze beroepen zich steeds meer op een eeuwigheid en eisen die ook steeds meer voor zichzelf op en gelijktijdig leven ze minder in de zin van die eeuwigheid. Anders gezegd: Naarmate het chris­tendom een meer aanvaarde macht op aarde wordt, worden de waarheden door meer mensen intenser beleden en de praktijk ervan wordt door steeds meer mensen in feite verafschuwd. Daar komt het op neer. Dus die mens vlucht in zijn tijdsbesef weg voor de werkelijkheid. En het is juist daar dat de fragmentatie van de tijd, dit in kleinste delen uiteen doen vallen van de tijd, hem helpt. Want als ik een ogenblik be­langrijk maak en mij niet zozeer bezighoud met de continuïteit maar al­leen met een enkel moment, dan kan ik mijn besef van het leven uitscha­kelen. Het is zoiets als iemand die leeft voor een doelpunt. Hij kan toeschouwer zijn bij de een of andere wedstrijd. En valt dat doelpunt, dan is hij zo geëmotioneerd dat hij bijna een hartverlamming krijgt. Maar als je vraagt wat die mens eigenlijk van de wedstrijd heeft gezien, dan blijkt dat alleen maar het wachten op het doelpunt te zijn geweest, dat was het enig belangrijke.
Zo kijken wij in ons leven ook heel vaak naar iets uit en alles wat wij zien en ervaren, proberen wij daarop te betrekken. Je kunt zeggen: Die mens doet een beetje monomaan. Bijna elke mens in deze tijd moet wel een beetje manisch zijn, anders is hij niet acceptabel meer. Eigenlijk is de mens alleen maar bang omdat hij zijn eigen sleur beseft. Hoe meer je het doelloze van de voortdurende herhaling der dingen gaat beseffen en hoe minder je daarin je vrede en bevrediging kunt vinden, hoe meer haast je hebt. Op zo’n manier denk je de sleur te ontlopen maar dat kun je niet.
Buiten de tijd is het veel gemakkelijker want de sleur is een ele­ment en dat kan ik heel rustig opzij gaan zetten. Als ik zegt: Nero speelt viool terwijl Rome brandt (de mooiste histori­sche leugen die ik ooit heb gehoord want de viool was nog niet uitge­vonden. Misschien heeft hij een lier bespeeld en gedichten geïmproviseerd), dan is dat verschrikkelijk. Maar is dat eigenlijk wel zo? Gelijktijdig bestaat er een nieuw Rome en daar zit de hele rij pausen al­lemaal naast elkaar onfeilbaar te wezen. Daar zitten alle Cesars en de eerste struikrovers, die eigenlijk het Romeinse Keizerrijk mogelijk hebben gemaakt omdat ze de rijkdom van de Etrusken hebben gestolen, naast elkaar. Die brand is maar een moment. Het is een indruk die plaatsheeft in het ­geheel van wat je Rome zou kunnen noemen. Eigenlijk is het een onbelangrijke factor. Zodra we kijken naar het moment zelf, wordt het ontzet­tend belangrijk. Daaruit heb ik een paar conclusies willen trekken.
1. Naarmate ik het gevoel heb minder tijd te hebben, zeg ik tot mijzelf dat ik meer angst koester voor datgene wat ik ben of wat mijn wereld voor mijn besef rond mij is.
2. Een tijdmeter kan nooit de tijd bepalen zoals ze voor mij be­staat. Ik kan in een ogenblik een concept van eeuwigheden in mij dragen. Dat is misschien een breukdeel van een seconde voor de wereld en ik kan honderd jaar leven volgens die wereld en eigen­lijk niets beseft hebben wat de moeite waard is.
3. Als ik mij wil bezighouden met het leven in de tijd, moet ik tenminste proberen het concept tijdloosheid enigszins te begrijpen.
4e. Elke mens kan in zich de tijdloosheid ervaren en beleven indien hij afstand kan doen van zijn ‘ik’-omschrijving zoals hij die op dit moment hanteert.
Wat is namelijk het geval? Als ik in die tijdloosheid moet aanvaarden wat ik ben, kan ik niet meer zeggen: ik ben mevrouw Zus of mijnheer Zo; dit is mijn stand, dit is mijn inkomen, dit is mijn bezit en dat is mijn toekomst. Die dingen bestaan niet. Ik ben de registratie van het gehele gebeuren. Het wonderlijke is dat de mens soms toch even dat ‘ik’‑begrip kwijtraakt en dan noemen ze dat een mystieke beleving.
In die mystieke beleving ‑ zo zegt men ‑ treedt de mens voor God. Dat kan waar zijn. Maar in ieder geval treedt hij voor het eerst buiten het tijdbeperkte concept van zijn ‘ik’ om binnen in het niet‑tijdbeperkte wezenlijke ego dat hij ook is. Daar draait het eigenlijk allemaal om.
De mens heeft voorbeelden gemaakt om de tijd uit te drukken. Soms zijn die zeer romantisch. Begin 18e eeuw is er een denker die zegt: “Hij die zoekt naar de waarheid, klautert over de bergen van besef en steeds weer ligt een nieuw dal voor hem. Maar hij gaat ver­der naar de einder, het onbekende zoekend waarin de eeuwige stad op hem wacht.” Die eeuwige stad, het hemels Jeruzalem, hoorde erbij, anders was het niet religieus genoeg.
Een ander bekijkt het een beetje logischer en zegt: De tijd is een spiraal die zich voortdurend herhaalt. Ze loopt van buiten naar binnen en daarbij versnelt zich de tijd. Op elke straal, getrokken van middelpunt tot buitenlijn, bestaan gelijke invloeden. En dat wil zeggen dat een mens die op de spiraal een be­paald punt passeert, de invloed daarvan ondergaat en, in overeenstem­ming met zijn bewustzijn, ook daarop zal moeten reageren. Als men nagaat dat Nederland en Spanje een 80‑jarige oorlog nodig hadden om elkaar voldoende in nood te brengen en dat het tegenwoordig al mogelijk is dat te doen in minder dan een dag, dan is de mens toch wel vooruit gegaan. Bovendien is het doden van een mens wat duurder geworden. Maar aangezien men het niet uit de krijgskas hoeft te fi­nancieren, doet men het nu uit staatsmiddelen; die zijn onuitputtelijk zolang de burgers betalen. Ik begin modern te worden, zoals u merkt. In mij sluipt iets van de geest van deze tijd; het groeiend protest. Maar is dat wel zo nieuw? Het is misschien een aardig voorbeeld. Als ik nu spreek over de spiraal van de tijd en dus ook over de versnelling waarmee de gebeurtenissen terugkeren op de weg (de herhalin­gen worden meer), dan zou je kunnen zeggen: Op dit moment beleven wij een mate van losbandigheid (u moogt ook zeggen: emancipatie, dat scheelt niet zoveel) en aan de andere kant hebben wij een steeds toenemend protest tegen alles. Wanneer was de vorige periode waarin dit sterk zichtbaar was? Dat was de periode van 1920 ‑ 1924. We leven nu in 1975. De invloed is nu ongeveer 3 jaar werkzaam, dan is aan te ne­men dat ze binnenkort zal eindigen. Ze zal in ieder geval niet meer dan 4 jaar duren. Gaan we naar het verleden, dan moet iets dergelijks veel langer hebben geduurd.
Neem b.v. de opstand van Ichnaton tegen het godsmonopolie van de priesters. Dat is net zo erg als je tegenwoordig zegt dat een vak­bond niet deugt. Zijn protest heeft in het geheel, met alle demonstra­ties, gewelddadigheden daaraan verbonden, meer dan 20 jaar geduurd.
Als je dat dan zo bekijkt, zeg je: Die invloed is geweest, ze moet zich dus herhalen. Maar wanneer?
Als ik de voorgaande grote revoltes neem, dan moet ik toch wel teruggaan tot de pre‑Napoleontische periode. Er is dus een verminde­ringsfactor van misschien 9 à 10. Dat zou betekenen dat de volgende fase waarop diezelfde invloed kan optreden van ons afligt in de perio­de tussen 20 en 50 jaar. Die volgende invloed zal dan waarschijnlijk over ongeveer 5 1/2 jaar optreden. Dan zit diezelfde dreiging erin van overal revoluties, omwentelingen e.d.
Als je het absolutisme gaat bekijken is dat al precies eender. Er is een periode dat de absolute tirannen kort op elkaar volgen. Dan komt er een lange tijd dat er wel klein despotisme is, maar geen alomvattende tirannie. Die tijd ligt tussen ongeveer 750 en 1100.
Daarna hebben we de periode van religieuze tirannie. 200 jaar later komen we terecht in de grote opstanden van de volkeren, voor u het meest bekend door de kwestie van de Magna Charta in Engeland en al wat daarbij hoort. Zo gaan we verder en we zien dat de periode steeds iets korter wordt en zich plotseling uitbreidt, want tussen 1400 en 1700 is er niet zoveel van te merken. Dan krijgen we een periode van achter­eenvolgens grote omwentelingen, een periode van burgerlijkheid tot 1900, weer een aantal omwentelingen gepaard gaande in dit geval met oorlogen.
Dat is heel vreemd. Een religieuze omwenteling gaat gepaard met kruis­tochten en martelingen. Politieke omwentelingen gaan gepaard met oorlogen, heldendom en concentratiekampen. Het verschil is niet groot, maar het schijnt dat de betekenis anders is omdat de ene alleen maar tegenstanders doodt en de andere zielen redt. Periodiciteit in de historie is ‑ uitgaande van bepaalde premissen ‑ aantoonbaar.
Die spiraalwerking is dus redelijk. Ik kan dus invloeden berekenen op grond van het verleden, maar ik kan nimmer de resultaten daarvan voorspellen omdat die afhankelijk zijn van het besef dat in het heden regeert . En dat maakt de tijd zo interessant. Als het alleen maar een kwestie is van: ik leef zus of ik leef zo, nu ja, als je maar leeft.
Wat dat betreft zou ik zeggen: laat mij in de tijd leven en de zondag­morgen doorbrengen bij kout en een gezellige roemer wijn. Maar als het gaat om de herkenbaarheid van het gebeuren, dan zeg ik: Er komt een mo­ment dat de gebeurtenissen zo snel gaan dat er geen mogelijkheid meer is om ze uit elkaar te houden. Dan is het een opeenvolging van invloe­den geworden en zijn we aan de binnenkant van de spiraal beland. En wat gebeurt er dan? Dan gaat de spiraal onder een wat andere hoek weer net zo hard naar buiten toe en krijgen we weer de vertraging.
Als iemand vraagt: Wat is nu de eeuwigheid? Dan zijn dat al die spiralen bij elkaar, die samen weer een cirkel maken. Als ik zeg: Wat heb je dan gezegd? Dan antwoorden ze dat ik gezegd heb dat alles zich tot in eeuwigheid blijft herhalen. Dan zeg ik weer: Je bent stom, want alles komt dan weer terug op zijn begin.
Wie het zo formuleert, kan de ontleedbaarheid van de tijd misschien bewijzen of aannemelijk maken, maar gelijktijdig zegt hij: Alles is een kringloop. Een kringloop is een ontwikkeling waarin geen scheiding bestaat tussen begin en einde, daar beide voortdurend in elkaar overgaan en men het begin als het einde op elk punt van de kringloop zou kunnen veronderstellen.
Deze hele kringloop vinden we weer terug in de taoïstische opvat­ting. We vinden haar ook terug in bepaalde boeddhistische, vooral boed­dhistisch‑lamaïstische opvattingen en in de hindoe‑opvatting van de reïncarnatiecyclus waarin staat dat hij, die zich niet bevrijdt, terug incarneert tot de laagste wezens of wederom opstijgt tot de hoogste en zich onttrekt aan het menselijk zijn. Zelfs als ik terugga naar een ver verleden, dan tref ik daar opvattin­gen aan, b.v. in het gebied van de Eufraat en de Tigris, waar men een­voudig zegt:
De mens kan naar de hel gaan en terugkomen. Maar hij, die naar de hel gaat en terugkomt, gaat naar de hemel. Alleen indien hij die hemel kan waarmaken, zelf kan beheersen, zal hij er blijven, anders komt de onderwereld hem weer halen en begint de zaak opnieuw.
De mens zelf wordt dus gefascineerd door het idee van de kring­loop. Er zijn mensen die er een einde aan maken door het hemels Jeruzalem als eindpunt te stellen. Er zijn mensen die zeggen: Reïncarnatie is een zuiver karmische kwestie. Altijd vergeten ze één ding: Ik ben niet alleen maar wat ik nu meen te zijn, integendeel, ik ben alles wat ik ooit ben geweest en ooit zal kunnen zijn vanuit mijn huidig standpunt gerekend, want dat is de inhoud van mijn werkelijk ‘ik’. Voor mijn ‘ik’ bestaat er geen tijd, want ik ben al deze dingen gelijktijdig.
Alle vormen die wij op dit moment zo belangrijk vinden, zijn niet veel meer dan de bloedlichaampjes die mee pulseren in het lichaam van de werkelijkheid dat wij buiten de tijd bezitten. En dat doet je toch wel wat. Maar het heeft gelukkig ook consequenties. Die consequenties kan ik het best duidelijk maken door terug te duiken in de historie.
We vinden Lau Te Ping (een dichterlijke krijgsman zou ik hem willen noemen) die 2700 jaar v. Chr. in China leeft. Wat zegt deze man?
“Vandaag leef ik. Vandaag sterf ik. Vandaag bemin ik. Vandaag haat ik. Vandaag drink en eet ik. Vandaag droom ik. En ik heb alles gedroomd, totdat ik weer ontwaak en opnieuw droom.

De kringloop!

Dan is er nog een andere denker, die we een hele tijd later moeten zoeken. Het is een brahmaan in de buurt van Srinagar ongeveer 700 jaar na Chr. Deze brahmaan zegt:
“Gij zegt tot de tijger: grootvader. Maar wie zal u zeggen dat niet de tijger, die ge ontmoet, uw eigen ‘ik’ is? Want wie weet hoe vaak wij gelijktijdig leven in een wereld zonder het te beseffen? Maar wij, die beseffen deel te zijn van alle leven, zullen ons niet meer afvragen in welke vorm wij bestaan.”
Dat werd hem erg kwalijk genomen. Per slot van rekening komt dat in een kastenmaatschappij erop neer te zeggen dat iemand wel aan de ene kant brahmaan en aan de andere kant een uitgeworpene, een paria, zou kunnen zijn. En een brahmaan kan niet uitgeworpen zijn, die is tweemaal of zelfs meermalen geboren.
Als ik nog verder ga, kom ik bij de kerkvaders terecht. Een zeke­re Augustinus – van wie een deel van de uitspraken zorgvuldig bewaard is omdat ze imprimatur kregen en andere voor een deel verdonkeremaand zijn – deze Augustinus, waarschijnlijk aangestoken door zijn studie van Griekse denkers, zei:
“Indien ik God dien op mijn wijze, zo doe ik dit omdat ik besef dat dit nu in waarheid is. Maar het is mogelijk dat ik gelijktijdig dans in de stoet van Dionysos.” Hij mocht natuurlijk zeggen dat hij God aanbad maar dat hij Dionysos achterna zat, mocht niet; d.w.z., het mocht wel, maar hij mocht het niet zeggen.
Dat is ook typisch voor de mens. Hij deelt zijn tijd vaak in tweeën, namelijk dat wat hij zegt te zijn en dat wat hij is. Alles bestaat in te­genstellingen, waarom de mens niet?
Nu komen we in de moderne tijd de existentialisten tegen. Zij zeg­gen: “Wat maakt het eigenlijk uit wat er is, ik besta. Dit bestaan en de waarden die ik nu in dit bestaan vind, is het enig belangrijke.” Waarmee ze helaas dit bestaan vaak beperken tot de vorm van menselijk leven. Maar er zijn filosofische existentialisten die dat verder hebben uit­gebreid. Zij zeggen:
“Ik besta en de illusie van tijd, die rond mij is, kan mijn bestaan niet aantasten, maar hoogstens mijn besef daarvan veranderen.” Dit vind ik een heel mooie stelling. Zo heeft de mens eigenlijk altijd overhoop gelegen met de eeuwigheid.
Als je probeert iets duidelijk te maken omtrent de eeuwigheid, dan is één ding opvallend. Als je iets over de eeuwigheid wilt zeggen, moet je heel veel tijd hebben om na te denken. Want zolang wij ons be­staan nog indelen in fragmenten, zijn wij niet in staat de eeuwigheid te concipiëren. Maar op het ogenblik dat wij die fragmenten vergeten en de eeuwigheid kennen, kunnen wij niet meer reageren als een levend mens. Dit brengt mij tot het laatste deel van mijn betoog van vandaag.
Wij komen in de historie altijd weer wezens tegen waarvan men zegt dat ze eigenlijk bijzonder zijn: ze zijn eigenlijk God, maar ze leven nu op aarde. Of eigenlijk zijn ze deel van Nirwana, maar uit mede­dogen spreken ze tot de mens, enz.
Als je dat hoort, dan denk je in het begin: dat kan niet. Die mensen leven op aarde, maar wie zal zeggen of van het werkelijk Ik, die grote computer, die persoonlijkheid op aarde niet meer is dan een marionet? Dat heeft een wonderlijke betekenis waaraan de meesten voorbijgaan.
Op het ogenblik dat de grote tijdloze persoonlijkheid een fragment in de tijd beheerst en manipuleert doordat een deel‑zijn van dat bewust­zijn voor de vorm mogelijk is geworden, is die vorm niet meer vrij.
De vorm kan namelijk niet alleen leven in zijn eigen tijd met de volitie (wilsuiting) die men daarin pleegt te tonen. Hij kan alleen nog maar waar maken wat er in het besef van het ego vaststaat. Het gebeuren is onvermijdelijk geworden omdat de ervaring gefixeerd is. We kunnen zeg gen:
Als Jezus wordt geboren, staat zijn kruisdood reeds vast. Zodra hij be­seft wie en wat hij is, moet hij die kruisdood en alles wat daarna komt, aanvaarden. Hij kan geen stap afwijken van het pad, dat voor hem is ge­tekend. De woorden die hij spreekt, zijn onvermijdelijk geworden. Hij weet wat de ander zal antwoorden en toch kan hij niets doen om daarin ver­andering te brengen.
Zou dat dan voor eenieder waar zijn? Wel, als je je bezighoudt met de ontwikkeling van de mensheid, van de historie, van de geeste­lijke vormen en de bewustzijnsmogelijkheden, dan moet je die vraag toch stellen. En dan zou je je kunnen afvragen: Ben ik een marionet van dit totale Ik, dit tijdloze, dit eeuwige Ik? Het antwoord dat ik u daarop kan geven, is natuurlijk erg beperkt. Laat mij het zo formuleren:
Wanneer het totale Ik zich van zichzelf bewust is in alle ver­schijningsmogelijkheden, zal elk voertuig vanaf dat ogenblik marionet zijn. Er is vanaf dat ogenblik een totaalconcept dat het leven bepaalt. Maar zolang dat grote Ik nog niet van zichzelf bewust is, be­staat de vrije wil, omdat de ervaringen van elk leven wel moeten leiden tot dit totaalbewustzijn, maar daarmee de vorm van leven ook te veran­deren is. Het kleine ‘ik` leeft in de tijd totdat er een besef is gevon­den van het totale Ik buiten de tijd. Vanaf dat moment zullen verschijningsvormen in vele tijden toch nog bestaan, maar ze zijn niet meer vrij; ze zijn dan marionetten geworden.
Ik kan mij voorstellen dat ergens in een verre en onbegrepen toe­komst er een wereld zal zijn met een wereldbevolking zo groot of groter dan de huidige en dat er in die wereld maar 10 of 12 mensen leven, die nog vrij hun keuze kunnen maken, die nog zelf leven. Al de anderen zijn de marionetten geworden van een tijdloos ik dat alleen maar zichzelf bevestigt. Want de relatie met degenen die nog onbewust leven is een noodzaak voor het tijdloze ik, omdat het een band is die tijdloos be­staat. De uiting wordt aangepast aan de behoefte.
Er kunnen mensen leven die alleen maar het decor zijn voor de le­venden in tijd. Want zij die tijdloos leven, kunnen zich alleen maar ver­tonen in vormen waarin zij het tijdloze waarmaken en gelijktijdig de tijd­loze banden in de tijd bevestigen. Dit is misschien een moeilijk te vat­ten conclusie, maar ik kan het mij voorstellen. Als u echter even na­denkt, kunt u ook tot die conclusie komen want de meesten van u hebben volgens de menselijke tijdrekening al enige tijd gehad om na te denken.
Hoeveel werkelijk belangrijke beslissingen heeft u geheel bewust zelf genomen? Dat zijn er veel minder dan u denkt. Wij worden beheerst door allerlei invloeden van buitenaf, zeggen we dan. Maar al die in­vloeden van buitenaf moeten toch een reden van bestaan hebben, ook in uw leven. En als ze ook deel zijn van uw persoonlijkheid, dan moeten ze toch wel iets te maken hebben met de eeuwigheid, met banden die u heeft buiten de tijd, ook wanneer u nog leeft tegen het decor van de tijd.
Ik heb u aan het begin gewaarschuwd dat het deze keer een beetje moeilijk zal zijn. Wat hier achter ligt is nog veel belangrijker en veel­omvattender.
Het in de tijd en buiten de tijd leven, is iets waaraan een mens mis­schien wil denken als aan een gelijktijdigheid, maar waarbij hij niet wil beseffen dat een tijdloos bestaan altijd elk tijdgebonden bestaan moet do­mineren. Toch is het belangrijk dat u dat ziet. Wij kunnen nu wel zeg­gen dat grote mensen hun eigen noodlot hebben bepaald. Daarnet had ik het over de dolle monnik Savonarola, die zijn lot zou hebben bepaald. Maar is dat wel waar? Als er nu niet in Florence een priester was ge­weest, die zijn geloof had overgebracht op een epileptische half idiote jongen, die daardoor naar het klooster ging waar Savonarola zat, zou deze dan al die denkbeelden hebben gehad? Zou hij zo absoluut zijn op­getreden? Dat is maar een vraag.
En als Hitler nu eens niet een beetje bijgelovig was geweest en hij zich nu eens niet had laten leiden toen hij nog een jonge jongen was door een paar politici en een mysticus; als hij zich later niet zou heb­ben omgeven met steeds meer raadslieden die zich ook bezighielden met allerlei vormen van Germaans en pseudo-Germaans mysticisme, zou hij dan hebben gedaan wat hij heeft gedaan? Zou dan zijn leven precies zo ver­lopen zijn? Het zijn vragen, die een mens niet graag stelt. Natuurlijk, Hitler was een schoft. Klaar. Afgelopen! De onvermijdelijk­heid van hetgeen hij heeft gedaan, daarover denkt men liever niet na.
Hetzelfde is dat met Nixon. Nixon is een schoft, zegt men. Maar of hij niet ‑ bewust of onbewust ‑ is beïnvloed door anderen in zijn gehele streven, in zijn mislukkingen, in zijn grootste bereikingen en mis­lukkingen gelijktijdig, zijn presidentschap, wie zal dat bepalen? Dat be­tekent iets. Het betekent dat wij nooit zonder meer iemand als persoon kunnen veroordelen. Het betekent dat wij ook niet kunnen zeggen: wat ik heb bereikt, heb ik alleen zelf bereikt en als ik ben mislukt, dan is dat alleen maar mijn schuld of de schuld van de ander. Het is ons eigen bewustzijn dat een rol speelt. Ons bewustzijn dat ons ‑ door te incarneren ‑ heeft gebracht in een lichaam dat onder bepaalde invloeden staat. Ik geloof ook een beetje aan astrologie. Je wordt geboren onder bepaalde omstandigheden.
Je hebt een aantrekking daartoe gevoeld. Je ontmoet mensen die je mis­schien zelf niet hebt gekozen, naar ze zijn onvermijdelijk. Deze beïnvloeden zo’n leven. Wie kan zeggen: Ik ben wat ik ben, alleen door mij­zelf? Dat kun je in de tijd nooit zeggen en buiten de tijd kun je slechts zeggen: dit omvat ik.

Dit, vrienden, is mijn les voor vandaag. Ik hoop dat u zich de moeite wilt getroosten om haar eens een keer te overdenken. Ze lijkt misschien op het eerste gezicht hier en daar wat warrig. Maar indien u uw vooroordeel, uw denken eens een keer opzij zet en probeert mijn re­deneringen te overdenken, dan zullen er toch wel vragen bij u rijzen. Die vragen zijn belangrijk. Want uw pogingen om die vragen op te lossen in de tijd voert tot mislukking. Maar uw pogingen om de betekenis van de vraag te beleven, kan u soms een beetje dichter brengen bij uw wer­kelijke existentie buiten de tijd en u daaruit doen beseffen de onver­mijdelijkheid van hetgeen u bent en de noodzaak om te beseffen wat an­deren in uw wezen en leven werkelijk betekenen.
Onthou dus: Alle ontwikkeling ontstaat niet uit het scheppen van het nieuwe maar uit het herontdekken van het bestaan. Als u zich daar nu eens mee bezighoudt.

Verhouding leraar – leerling

Er bestaan heel veel legenden over de verhouding van leermeester tot zijn volgelingen, zijn leerlingen. Sommige ervan zeggen dat je abso­luut gehoorzaam moet zijn aan de leermeester. Andere weer zeggen dat je zelfstandig moet denken. Als je het goed bekijkt, dan ligt het eigenlijk tussen absolute slavernij aan je meester en aan absolute vrijheid waar­bij je echter niet altijd op je meester zult kunnen rekenen. Ik meen dat het voor deze avond misschien goed zou zijn om die ver­houdingen nader te definiëren en duidelijk te maken wat er aan de hand is.
U moet allereerst onthouden dat een leermeester zijn leerling kiest want de leermeester, die iemand als leerling aanvaardt, neemt daarvoor de verantwoordelijkheid op zich. Met alles wat de ander denkt, wat de ander doet, heeft de leermeester in het vervolg te maken. In zekere zin heeft hij dus wel gezag. Maar dat gezag kan nooit worden opgelegd. Je kunt niet tegen iemand zeggen: Je bent mijn leerling, dus moet je nu maar gehoorzaken. Wat de leermeester doet, is dit: Hij schenkt een deel van zijn gedachten, en soms zelfs een deel van zijn kracht, aan zijn leerling. Door bij herhaling ditzelfde te schen­ken, maakt hij het hem mogelijk dingen opnieuw te beseffen. Dat klinkt misschien een beetje vreemd: opnieuw te beseffen.
Stel u eens voor dat u probeert om alleen maar de betekenis te leren van de zon die op uw huid schijnt. Het is iets dat u voelt. Maar wat voelt u precies ? Of stel u voor dat u de betekenis van een woord nagaat, zoals dat in u weerklinkt wanneer een ander het uitspreekt. Dan gaat u begrijpen dat het niet alleen maar een woord is maar dat er ook een bepaalde emotie overkomt en er bepaalde associaties worden wakker ge­roepen. U gaat dan de dingen anders zien, anders beleven.
Wat de leermeester in de eerste plaats mogelijk moet maken voor zijn leerling, is dat hij zichzelf en het bestaan anders gaat beleven. Dat heeft niets te maken met het leren van lessen. Hier in het Westen en soms ook in het Oosten denkt men heel vaak dat de leermeester iemand is die je vertelt wat je moet doen en hoe je het moet doen en dan wordt dat allemaal prima in orde gebracht. Maar zo is het niet. Je moet zelf denken. Maar je denken moet verdergaan dan het tot nu toe gegaan is. Je moet je krachten gebruiken zoals je dat altijd hebt ge­daan maar je moet ze alleen en juister gaan gebruiken. Je moet besef­fen wat ze zijn.
“Een leerling”, zo zegt men in de oude codes, “is iemand die de wijsheid van een ander aanvaardt als zijnde groter dan zijn eigen wijs­heid. En zoekend naar een vergelijkbare wijsheid zichzelf vindt zodat hij de gelijke wordt van zijn leermeester.” Dat is heel wat anders dan gewoon lesjes volgen.
Waarom zou dan een leerling toch verplichtingen kunnen hebben aan zijn leermeester? Daar bestaat geen enkele wet voor. Het is zelfs zo dat de leermeester het recht niet heeft dat van zijn leerling te eisen. Maar de leerling, erkennend hoeveel van de persoonlijkheid van de meester in hem tot leven is gekomen en hoeveel de leermeester hem geeft van zijn besef en zijn kracht, zal door zijn beperkingen te beseffen zich onderwerpen aan hetgeen die meester zegt, en dat is heel iets anders.
De verhouding leermeester ‑ leerling wordt dus van beide kanten wederkerig, maar op geheel vrije basis tot stand gebracht.
Ik geloof dat de meeste mensen niet begrijpen dat een leermees­ter allesbehalve direct behoeft te werken.
Een goeroe zei eens tegen een chela (leerling): Ga eerst het erf maar eens aanvegen. De leerling vond dat wat vreemd en hij dacht erover na. Waarom zou ik nu dat erf aanvegen? Die man kan daarvoor toch een bediende nemen. Hij heeft geld genoeg. Hij kan het betalen. Er zijn vol­doende mensen die dat voor niets voor hem zouden willen doen. Waarom moet ik, zijn leerling die naar geestelijke wijsheid zoekt, het erf aan­vegen? Toen hij met zijn taak klaar was, ging hij naar zijn leraar toe en zei: “Heer, waarom heb ik eigenlijk moeten vegen?” Toen zei de meester: “Opdat ge zoudt beseffen wat mijn erf is. Opdat ge zoudt beseffen dat ge zelf de dingen moet doen en ze niet door anderen moet laten doen; en ten laatste, opdat ge zoudt beseffen dat ik bij u was bij elke streek met de bezem die ge hebt gedaan.”
De leerling begon daar eens over na te denken. Hij dacht: ja, alle gedachten die ik had, waren niet helemaal van mijzelf. Ik heb dus eigen­lijk, terwijl ik bezig was met praktisch werk, gemediteerd. Toen dacht hij ook een beetje verder na en zei: Ik heb eigenlijk in betrekkelijk korte tijd veel meer werk gedaan dan anders en ik voel mij niet eens moe. Ik heb dus meer kracht gehad dan normaal. Toen begreep hij dat een leer­ling nooit alleen is, wat hij ook doet. Dit is een probleem en ieder lost dat op zijn manier op.
Zo was er eens een Zenmeester (het is een heel bekend voorbeeld) die zijn leerlingen vragen stelde als: Hoe applaudisseer je met één hand? Hoe loopt een man hard die maar een been heeft? Hoe kan een kraanvogel vliegen zonder vleugels? Dat soort dingen. De leerlingen waren er allemaal diep over aan het nadenken en werden er wel een beetje verward door, totdat de meester hun het antwoord gaf en zei: Jullie zijn dom. Wat ik ju1lie als vraag heb gesteld, is menselijk onmogelijk. Maar als het menselijk onmogelijk is en ik stel dat het mogelijk is, dan moet er een andere mogelijkheid zijn. De man met één arm applaudisseert door zijn waardering uit te stralen. De man die één been heeft, loopt hard doordat zijn besef voor hem uit kan snellen. Een kraanvogel zonder vleugels vliegt omdat hij, al heeft hij geen vleugels, een vogel is en slechts kan dromen van de lucht. Toen zeiden de leerlingen: Maar dat is geen antwoord op de vraag, meester. De leraar antwoordde: Er is geen enkele vraag waarop door een mens een volledig juist antwoord kan worden gegeven. Er zijn echter ontelbare vragen waarop de mens in zich een antwoord kan vinden. En hij, die een antwoord vindt op een vraag, vindt zichzelf want door haar te beantwoorden, geeft hij een deel van zichzelf als aanvulling van een probleem dat niet het zijne was.
Op deze manier ziet u dat de leermeester helemaal niet bezig is met lesjes geven aan zijn leerlingen maar dat hij, integendeel, die leerlingen zichzelf laten worden. Dat is het grote verschil tussen een wer­kelijke meester en degene die zich een meester noemt.
Iemand, die geen werkelijke meester is, zal zeggen: Ik ben hoog en jij bent laag, dus moet je mij gehoorzamen, dus moet je alles voor mij doen, dus moet je alleen mijn doeleinden nastreven. En dat is begrijpelijk, want hij kan immers niet de kracht uitstralen waardoor de leerling, zelf beseffend volgens zijn eigen begrip en waarde, het juiste vindt en doet.
In deze tijd zijn er nogal wat leermeesters. U moet maar onthouden dat, als u ooit een z.g. leermeester of ingewijde ontmoet die tot u zegt: Gehoorzaam mij en ik zal u inwijden, u moet zeggen: Dit is geen ingewijde. Maar als iemand tot u komt en zegt: Jij bent mijn leerling want we zijn verbonden in de geest en ik zal met je zijn en je helpen, dan heeft u een ware leermeester gevonden. Zo eenvoudig ligt de zaak.
De verhouding leerling ‑ meester wordt bepaald door de zelfstandigheid van de leerling. Hij, die iemand zoekt die hij kan volgen, zal nooit een ware leerling zijn. Hij kan hoogstens in het gevolg van de meester gaan, maar hij zal niet zijn waarde leren begrijpen en hij zal niet in staat zijn zelf de weg voort te zetten als de meester moet rusten. En daarin zit de essentie van het probleem leerling‑zijn.
Een leerling is iemand die zelf denkt, die zelf werkt. Iemand die op zijn eigen wijze zijn krachten gebruikt. Iemand, die op zijn eigen wijze zoekt naar mogelijkheden en begrip. Iemand die al zijn belevingen ‑ of ze nu occult zijn of stoffelijk ‑ allemaal gebruikt om beter te begrijpen wie hij is en wat hij in de wereld kan zijn.
De leermeester is degene die, beseffend wat hij is en wetend wat hij kan zijn, een ander helpt om zichzelf te vinden. Want de essentie van inwijden is niet het vernemen van geheimen. De essentie van inwijden is alleen maar het vinden van jezelf.
Indien u ooit behoefte voelt aan een meester ‑ en de meesten doen dat wel eens in hun leven – dan heeft u toch maar weinig kans dat er iemand komt. En als er iemand komt, is de kans groot dat het een bedrieger is. Want niet zij die een leermeester zoeken om hen te ontlasten van hun eigen streven, zullen er een vinden. Degene echter die zoekt om zelf tot bewustwording te komen, hij ontmoet dat wat hij nodig heeft.
Ik zou dit betoogje willen besluiten met een feitelijke weergave van de methode die een meester kan gebruiken om een leerling, die hij heeft gekozen, a.h.w. tot zich te trekken.
De leermeester zag een kind spelen. Hij zag dat het kind zelfstandig was. Hij zag dat de uitstraling van het kind goed was. Hij ging naar het kind toe, legde het zijn hand op en sprak een paar vriendelijke woorden. Daarna ging hij verder. Maar daarmee had hij het kind, zonder dat dit het besefte, tot leerling uitverkoren.
De jaren gingen voorbij en het kind kwam steeds weer in situaties waarin het dingen moest leren die het misschien niet geleerd zou heb­ben. Het kwam in een gemeenschap waar een stel gemene oudere jongens waren en het kind moest leren vechten. Op den duur verkeerde het in om­standigheden waarin zijn ouders niet goed voor hem konden zorgen en hij moest zelf gaan zoeken hoe hij aan de kost moest komen. Het werd han­dig. Het werd zelfs een dief. Maar toen het begon te stelen, begon het ook te denken dat er een eenvoudiger manier moest zijn om te leven en om gelukkig te zijn. Zo werd het kind een zwerver. De zwerver kwam terecht ergens op een boerderij bij een familie. Daar bleef het enige tijd wonen. Er was iemand die het kind leerde lezen en schrijven, wat in die dagen iets bijzonders was. Op een gegeven ogen­blik had hij toch geen zin meer om te blijven en ging verder.
Het kind wist niet dat al deze dingen mee door de meester waren veroorzaakt. Niet dat deze meester had gezegd: “zo moest het gebeuren”, maar elke keer had hij gezorgd dat er voor het kind een keuzemogelijk­heid was en het zelf de keuze deed die goed was, daardoor bleef hij leerling.
Toen het kind had geleerd te denken, te lezen en te schrijven en de schoonheid van de natuur te zien en zich vrij te voelen zonder angst voor eenzaamheid, ontmoette het een oude man die zei: Ga met mij mee. Het kind zei: Waarom zou ik meegaan? Ach, zei de oude man, je kunt misschien veel voor mij doen en wellicht kun je bij mij nog wat le­ren. Het kind, dat een jongeling was geworden, ging mee en werd de leerling van de meester omdat het zei: “Heer, u bent zo wijs. Wilt u mij uw wijsheid geven?” En toen begon de werkelijke leerperiode waarin de meester steeds meer van zichzelf gaf en het kind steeds meer liet zien, totdat het in staat was vrij uit te treden naar de hoogste we­reld zonder zijn steun of begeleiding, totdat het vrij was in de har­ten der mensen te kijken.
Toen het kind wist wat de meester wist en het had beleefd wat te beleven was, zei de meester: “Mijn zoon, ga nu heen, want de dag is ge­komen dat ik mijn vrijheid ga proeven.” De jongen begreep wat er stond te gebeuren en ging heen. Toen hij een week later terugkwam, was zijn meester gestorven. En toen hij hem begroef, zei hij tegen zichzelf: Nu heb ik pas werkelijk een meester gevonden.
Dit heeft zich afgespeeld ongeveer 150 jaar geleden. Het is echt gebeurd. De leerling is zelf meester geworden en vertoeft nu in onze wereld. Maar hij heeft iemand achtergelaten, die weer van hem les heeft gekregen. Want als een meester een leerling kiest, dan zorgt hij dat de leerling de mogelijkheid heeft om zijn meester te vinden. Maar als de leerling probeert een meester te kiezen, loopt het meest­al verkeerd af. Hoe kan de dwaas, de onnozele, weten wat voor hem rood is, waar zijn harmonie ligt? Hoe kan hij zien wat er leeft in het hart van de ene die hij tot zijn meester heeft uitgeroepen? Misschien is de grootste waarheid wel deze.
Wie waarlijk een meester heeft, kijkt niet naar diens uiterlijk maar naar diens innerlijk en naar datgene wat hij door die meester be­leeft. Maar hij die een dwaas is en een meester zoekt, kijkt naar de uiterlijkheden die geen betekenis hebben en vergeet het innerlijk be­seffen dat de werkelijke zin van het meester‑zijn bevat.