De tovenaar

uit de cursus ‘zelfprojectie’ 1984-1985

Een tovenaar werkt met allerlei riten, dat is u wel bekend. Een tovenaar werkt met allerlei projecties. Hij zendt bv. op afstand een geest uit e.d. Als je dat allemaal zo hoort, dan klinkt dat alsof je bezig bent een heel leger van goden en demonen te besturen. Dat is natuurlijk niet waar. Laten we dan eens zien wat een tovenaar zo onge­veer doet.

De tovenaar begint met de opbouw. Dat kan zijn het uitzetten van rituele cirkels en figuren, het aansteken van lampen, reukbekkens enz. Dan begint hij met aanroepingen.

De eerste aanroep is er altijd één waarmee hij de hulp vraagt van bepaalde krachten om andere krachten te laten komen. Maar hij verandert. De tweede keer wanneer hij dat doet, dan zegt hij niet: help mij. Dan zegt hij: Als vertegenwoordiger van die en die verzoek ik u te komen. De derde keer verplaatst hij zich helemaal in de figuur van waaruit hij werkt en zegt: IK (hij noemt dan de naam; dat kan zelfs zijn Ik, Jahwe) beveel u (dan volgt de naam) kom hier en gehoorzaam mij.

Dat proces is voor ons erg interessant, omdat het ook wat zegt over de manier waarop je je ik eigenlijk kunt veranderen. In het eerste geval wordt er een voorstelling opgebouwd van een kracht die sterker is dan de machten die je oproept. En daarnaast natuurlijk een relatie tussen het ik en die sterke kracht.

In het tweede geval echter wordt die relatie als bestaand aangenomen; ze wordt niet afzonderlijk genoemd. Men is a.h.w. dichter bij die kracht ge­komen en kan dus nu al met gezag spreken.

De derde maal vergeet men wie men zelf is. Men is één met de kracht en op grond van die kracht kan men bevelen. Dat is een transformatie die plaatsvindt.

U zult zeggen: Een transformatie is toch weer iets anders dan een pro­jectie. Dat is niet helemaal waar. Want op het ogenblik dat je jezelf in een andere gedaante en kwaliteit gaat manifesteren, heb je jezelf gepro­jecteerd in het beeld van die kwaliteit. De tovenaar is niet veranderd, maar zijn afstemming is veranderd. Daardoor krijgt hij het gezag.

Een ander voorbeeld is een gebruik dat in Tibet nogal eens veel voor­komt;

De tovenaar zit in een kleine hut. Hij maakt daar de nodige koekjes van saffraanrijst en nog zowat. Hij heeft een pijl en boog bij zich. Hij be­zweert de pijl en de boog. Op een gegeven moment schiet hij door de wand van de hut, die heel dun is, soms zelfs bestaande uit papier, een pijl naar buiten. Die pijl treft dan een vijand die zich misschien 500 km verder be­vindt. De pijl treft hem natuurlijk niet. Maar wat is er gebeurd?

Door de bezwering heeft de magiër zich vereenzelvigd met de pijl. In de bezwering noemt hij nadrukkelijk degene die de pijl moet treffen. Hij heeft zijn doel vastgesteld. Op het ogenblik, dat hij de pijl afschiet met de sterke concentratie op die persoon, doet hij een deel van zijn eigen kracht uitgaan naar de ander. Is die ander dan kwetsbaar, dan overlijdt hij, dan krijgt hij een ongeluk. Is hij niet kwetsbaar, dan ligt de tovenaar op apegapen. Dat komt ook voor. Want een kracht, die je eenmaal hebt opgewekt en gericht, is een deel geworden van je eigen persoonlijkheid. Als er nu een kracht is waar je eigen persoonlijkheid niet goed tegenop kan en ze slaat op jou terug, dan moet je toch die kracht verwerken. En als dat een dodelijke kracht is die naar jou terugkaatst en je ook het besef hebt dat je ook nog menselijk bent, dan succumbeer je, je gaat eronderdoor.

  • Hij had die kracht toch naar een andere persoon kunnen sturen.

Dat kun je niet overzien, want dat is een kwestie van microseconden. Met een menselijk besef kun je dat niet tijdig realiseren. Je kunt het dus niet afweren, omdat het deel is van jezelf. Pas wanneer het is teruggekeerd naar je lichaam, dan realiseer je je dat. Maar dan is het te laat. Want dan is de totale afstemming die je hebt uitgezonden, terug­gekeerd in je eigen lichaam en werkt het daar.

Zo, dat was dan een klein onderricht voor degenen die dachten dat dat gemakkelijk was. Als wij proberen tovenaars te zien zoals ze werken, dan zien we dat ze ook heel vaak bezig zijn met natuurkrachten. Ze roepen de regen, de zon, een rivier aan. Zo roepen bomen toe dat ze moeten groeien en wat die meer zij. Ook hier staan we voor eigenaardige raadsels. Een van de aardigste verhalen is­; Iemand was naar de Eskimo’s geweest en had daar een bepaalde dans gezien. Een regendans, zoals die in het noorden van Canada wel wordt uitgevoerd. Hij wilde dat demonstreren en begon te dansen. Het begon wer­kelijk te regenen. Wat natuurlijk erg onaangenaam was, want hij demonstreer­de dat op een garden-party van de Geographical Society. Dan is de vraag natuurlijk: is het nu het patroon van de dans die het doet of is het iets anders?

Hier zien we een heel eigenaardig iets gebeuren. Als een mens zich volledig overgeeft aan een bepaald ritme (of dat nu bewegingsritme is of een klankritme), dan zal hij zich daardoor, inclusief het grootste gedeel­te van zijn zintuigen en een groot gedeelte van zijn geestelijke mogelijkhe­den, beperken tot een speciaal gebied.

Deze, overigens hoogachtenswaardige etnologische onderzoeker, had zich volkomen verdiept in die dans. Om haar te demonstreren moest hij dat weer doen. Hij herhaalde dus niet alleen de passen, maar hij moest het he­le ritme, het hele gebeuren herbeleven. In het begin was dat een beetje gekunsteld, maar toen het goed ging, kwam hij er echt in. Vanaf dat ogen­blik was hij ingesteld op de regen. Het commentaar van vooral de vrouwe­lijke bezoekers van de garden-party was dus ook donderen. Daaruit blijkt weer dat we door externe omstandigheden onze persoonlijk­heid soms kunnen richten en dat we daarmee iets geks doen. Wat doe je eigenlijk als je een regendans uitvoert? Je schept gewoon een veld, verder niet. Dat veld heeft voornamelijk uit­werking op statisch elektrische verhoudingen. Dat zijn de verhoudingen die liggen tussen ongeveer 500 en 1000 meter bovengronds. Dat wil zeg­gen dat op dat ogenblik, indien er stof en vocht aanwezig is, het neer­slagverschijnsel aanmerkelijk wordt versneld en de kans op regen steeds groter wordt. Die kracht komt in het begin voor een deel uit jezelf. Maar er is nog iets anders, op dat ogenblik ben je door die beweging ook in harmonie met bepaalde krachten van de aarde. Die krachten worden door jou dan tijdelijk gericht op en getransformeerd tot datgene wat je zelf uitstraalt. De kracht die je ontwikkelt, is veel groter dan je zelf oorspronkelijk tot stand zou kunnen brengen. Het resultaat is dus tamelijk vochtig in dit geval.

Als je bezig bent om een boom te bezweren, dan kun je dat doen door gewoon bezweringen uit te spreken, dat gaat. Maar je kunt het ook doen door daar te staan en proberen je één te voelen met het groeiproces. U zult zeggen; Wat is dat gek. Dat is helemaal niet zo gek, want wanneer u dat doet, gaat u een harmonie aan met de plant. Of dat nu vanuit een bezwering gebeurt of uit een soort liefdesgevoel dat maakt verder niet veel uit. Op dit ogenblik is er een brug geslagen tussen u en de plant. De plant heeft wel een instinctieve wil, maar geen sterke geestelijke wil. U heeft echter wel een sterke geestelijke wil en u legt dus a.h.w. groei op, bloei, vruchtbaarheid enz.

De plant reageert daarop alsof er externe omstandigheden zouden zijn in de natuur die datzelfde resultaat hebben en begint dus met haar wortelstelsel, het capillaire stelsel die stoffen aan te voeren die het mogelijk maken. U versnelt daardoor in feite het levensritme van de plant. Het resultaat is, dat de plant groter en mooier wordt. Bovendien bent u zelf als mens toch meer bewust deel van de krachten van de natuur dan de plant. De plant ondergat ze passief. De mens kan die krachten actief beschouwen en onder omstandigheden hanteren. Als hij zich één voelt met de plant, wordt het actief vermogen van de mens tijdelijk aan de plant overgedragen. Dat is een aardige verklaring voor verschillende verschijn­selen. Ook hier weer, je projecteert toch een deel van jezelf mee.

Hoever dat kan gaan, hebben ze in India een keer onderzocht. Het betreft hier de opbrengst (oogst) van rijst en mais. Om dat het best te kunnen overzien zijn een aantal proeven genomen o.m. met bestraling met een radioactief element. Toen bleek dat 50 m. rond het element dat was opgesteld alle gewas was verbrand. Daar omheen was een groepje (ongeveer 10 m) dat veel minder zaad zette dan normaal. Maar daar weer ach­ter was een heel groot gebied van misschien een 100 tot 150 m waarvan de opbrengst het dubbele van het normale was. Daarna werd het weer ge­woon.

Toen waren er mensen die zeiden: Kunnen wij dat niet anders doen. Zij hebben er toen een fluitspeler op afgestuurd. Met die eerste fluit­speler hadden ze geluk. Het was een zeer religieuze jongeman. Hij asso­cieerde zich onder zijn fluitspel met een bepaalde godheid. Toen hij al fluitspelende rond die gewassen liep (elke dag een uur of wat, dat heeft hij ongeveer een maand volgehouden) groeide het gewas inderdaad veel be­ter en het was qua vrucht veel beter bezet.

Toen dachten ze het gevonden te hebben. Intussen trommelden ze een stel fluitspelers op en zei hen: Ga maar spelen. Maar die anderen lie­pen te spelen voor de centen. De halmen bleven leeg. Hier heeft u dus weer het eigenaardige, het geloof, de associatie in gedachten met een bepaalde godheid was hier de oorzaak van een vergro­ting van levenskracht op een betrekkelijk groot terrein. Hier is alweer een projectie van het ik op een andere persoon bij betrokken. Zo iemand mag je toch wel een tovenaar noemen. Zo kunnen we doorgaan. Overal zijn mogelijkheden aanwezig. Neem nu een heel simpel voorbeeld.

Wat is de basis van materie? Energie. In de energie komen bepaal­de wervelingen voor die zo ontzettend snel en dicht zijn. Die noemen we de kleinste deeltjes. We kunnen die nog splijten in andere kleinste deel­tjes welke onderling heel sterk verbonden zijn.

Stel nu, dat iemand de kracht heeft, alleen de kracht verder niet, om zich voor te stellen dat die deeltjes hun samenhangen verbreken en dat hij zich daarvoor in de plaats een andere binding van die deeltjes voor­stelt. Wat gebeurt er dan? Nu, die man kan goud maken, diamanten maken. Hij neemt gewoon een brokje aarde en zegt: Wat wil je hebben? Een tompouce of een moorkop? En hij maakt er een.

Hier is het dus gewoon een opnieuw arrangeren a.h.w. van atomen en het doen ontstaan van andere moleculaire bindingen. Daar komt het op neer. Hoe zou zo iemand dat nu kunnen doen, als hij niet in zich het besef zou hebben van de oerenergie? Ik zie dat in alchemie ook. Op het moment, dat het grote werk wordt volbracht, moet het eigen ik de oer-energie besef­fen en beleven en uit die beleving ontstaat dan het wonder in de smelt­kroes.

Het is een projectie van een deel van jezelf, van de kracht van jezelf. Elke werkelijke tovenarij is daarmee wel voor een deel verbonden. Er zijn ook andere dingen bij. Neem nu het meest eenvoudige voorbeeld hypnose.

Hypnose is een combinatie van suggestie en optische vermoeidheid. Maar een goed hypnotiseur heeft zelfs de optische vermoeidheid niet nodig. Het enige dat hij nodig heeft, is zijn volledige concentratie. Waarom? Op het ogenblik dat ik mij volledig op een andere persoonlijk­heid concentreer, kan ik de trillingen van die mens aanvoelen en daar iets aan veranderen. Die verandering verandert dan ook het bewustzijn.

Het bewustzijn is nu geheel ingesteld op het trillingsgetal van de magnetiseur. Wanneer hij nu zijn bevelen uitspreekt (wat hij niet zou be­hoeven te doen, hij zou ze ook heel sterk kunnen denken), dan stelt hij a.h.w. zijn eigen wil en eigen waarde in de plaats van de normale waarden die voor de proefpersoon bestaan. Maakt hij daar goed gebruik van, dan vervangt hij een groot gedeelte van de eigen persoonlijkheid van zijn sujet. Daardoor kan hij het sujet alles laten doen wat binnen de aard van het sujet ligt en wat niet strijdig is met zijn eigen aard: Alweer, persoonlijkheidsprojectie.

U zult zeggen: Is dat nu zo gebruikelijk. U doet dat toch zelf ook. Wanneer u met medemensen contact heeft dan schat u onwillekeurig, (u doet het niet eens bewust) de uitstraling van de ander in. U reageert daarop. Nu heeft u gelukkig een rem. U heeft namelijk een scheiding ge­maakt tussen gedachtenbeelden en werkelijkheidsbeelden. U kunt dus wel een wensgedachte overdragen, maar niet de verwerkelijking. Dat is maar gelukkig ook, want anders zou het een hele janboel worden. Niet dat het dat niet is op het ogenblik maar dat is nog menselijk normaal.

Wat je overdraagt is in feite niets anders dan een band die je met de ander voelt. Op het ogenblik dat die overdracht op welke wijze dan ook in overeenstemming is met de praxis die je kent, zal de wederkerig­heid ervan zo sterk zijn dat je op zeer grote afstand precies de dingen van elkaar aanvoelt, maar ook boodschappen of mededelingen van de ander automatisch overneemt. Dan zeggen ze niet: Als ik had geweten dat je zou komen, dan had ik de loper uitgelegd. Ze weten wel dat je komt, maar ze weten niet waarom ze weten dat je zou komen. Dat is nu het ty­perende.

Er is hier ook sprake van een zekere overdracht, maar die kan eer­der geschieden als het ik zich voor een deel heeft geassocieerd met de ander. Je hebt dus iets overgenomen van diens uitstraling en iets van je eigen uitstraling in de ander achtergelaten. Daardoor ontstaan deze wisselwerking en die brug.

In de gewone menselijke contacten waar sympathieën e.d. meespelen is meestal sprake van uitstralingsgelijkheid of uitstralingsvergelijkbaar­heid. Op het ogenblik dat een contact verder gaat dan dit (dat er dus werkelijk wisselwerkingen optreden), is er over het algemeen sprake van een uitwisseling van een deel van de eigen trilling tegen een deel van­ de trilling van de ander. Heeft u daar wel eens over nagedacht? Dan is het helemaal niet zo gek.

Dan kun je zeggen Een telepaat kan een spierlezer zijn. Kunt u zo goed spierlezen? Ik denk dat er maar weinig mensen zijn die dat kunnen. Een werkelijk goed telepaat is iemand, die niet alleen maar spierlezer is. Hij is volkomen in staat zich in te stellen op het sujet van de geleider. Nu hanteert hij wel voor zijn eigen gevoel in de eerste plaats het spierlezen om bv. een verborgen voorwerp op te sporen. Maar degene die zich werkelijk één kan voelen met de ander, neemt ook de kennis van de ander over: En dan zou het eerste contact eigenlijk al genoeg zijn om te kunnen zeggen: Dan ga ik daar en daar naartoe, want daar is het. Zo sterk is dat.

Elke mens doet dat in meer of mindere mate in zijn leven. Er zijn altijd wel personen bij en soms zelfs omgevingen waarmee je zo sterk ver­vlochten bent dat je altijd iets daarvan blijft waarnemen.

Het kan zijn dat je gevoelig bent voor bv. strijd. Als je daar heel gevoelig voor bent en ergens op de wereld is een omvangrijke strijd gaan­de, dan voel je dat. Ben je een beetje bewust van jezelf, dan ben je bo­vendien nog in staat ongeveer te zeggen waar die strijd plaatsvindt. Gevoeligheid is niet alleen een kwestie van projecteren van een deel van het ik, maar het is ook receptiviteit.

Wij leven in de aardsfeer. Alles wat in de aardsfeer gebeurt, dat projecteert zich naar alle leven op aarde. Op het ogenblik dat je bent afgestemd op een bepaald deel van die belevingen, ga je ze aanvoelen, ga je ze aflezen. Dan kunt u zeggen: Dat is waarzeggerij, telepathie of wat anders. Het is maar een naam die wij eraan geven.

Je bent eigenlijk altijd bezig met delen van je persoonlijkheid er­gens naartoe te sturen (je weet zelf misschien niet eens waarheen) en delen van het andere te ontvangen in je persoonlijkheid en daarmee ver­anderingen en bewustwording te ondergaan. Het gehele proces van de bewustwording zelf is een proces van voortdurende uitwisseling. U heeft allemaal wel gehoord over tweelingzielen.

Tweelingzielen zijn twee zielen die een zodanige eenheid vormen dat ze tezamen meer betekenen dan elk der delen afzonderlijk zou kun­nen zijn. Maar vraag u nu eens af: Wat gebeurt er dan? Dan ontstaat er een zo perfecte harmonie dat beide persoonlijkheden zich zozeer op elkaar afstemmen dat ze elkanders inhoud kunnen overnemen. Daar komt het op neer.

Wat is bewustwording eigenlijk anders dan een steeds weer in je op­nemen van andere waarden, zodat je in een andere wereld denkt te leven. De wereld is altijd dezelfde. De kosmos is altijd hetzelfde, ook de stof­felijke wereld. Die is ook weer een deelverschijnsel van de werkelijkheid waarin wij geestelijk bestaan.

Op het ogenblik dat je bewuster wordt, aanvaard je bepaalde delen van het Al in jezelf. Dat kun je niet doen zonder delen van jezelf in het Al te projecteren. Het is een wisselwerking. En door deze wisselwer­king gaan we dan andere dingen zien, we krijgen andere gaven en mogelijk­heden enz. Ook hier speelt het projecteren van een deel van je persoon­lijkheid een rol.

Elke tovenaar, elke magiër werkt daarmee in meer of mindere mate. Zelfs de goochelaar die volgens zijn begrip niets anders doet dan ande­ren vertonen dat de hand sneller is dan het oog. Als u denkt dat hij iets doet, dan doet hij in feite iets heel anders. Hij stemt zich zozeer af op zijn gehoor, dat hij in staat is om de aandacht voortdurend af te leiden van de dingen die hij doet. Er zijn ook mensen die dat alleen doen met hun daden en hun woorden; politici e.d.

Je moet begrip hebben voor je auditorium, anders kun je dat namelijk niet doen. Het betekent weer, dat je je eigen beeld van wat gezien moet worden, uitzendt naar de mensen en dat je gelijktijdig als correctiefactor hun reactie terugleest. Is dat perfect, dan ben je in staat om op een perfecte manier de goocheltruc te vertonen, of die nu een verbale is of een toneel magische.

U werkt, of u het weet of niet in uw leven steeds weer met meest­al kleine en ten dele onbewuste projecties vanuit uw wezen naar de om­geving, naar het andere. Wilt u nu werkelijk leren wat magie is, dan moet u gewoon leren om dat bewust te doen. Dan moet u ook leren dat u uw persoonlijkheid niet aan een ik-voorstelling kunt binden, maar alleen aan een krachtvoorstelling. En hoe intenser en vollediger de kracht­voorstelling is, des te intenser en vollediger uw mogelijkheid tot projectie wordt van datgene wat u als doel heeft gesteld, wat u dus wilt bewerkstellingen.

Het is iets wat veel magiërs voor een deel moeten onderschrijven, ze kunnen niet anders, en voor een deel ook zouden willen ontkennen omdat ze de uiterlijkheden van hun werkwijze over het algemeen veel ho­ger inschatten dan het in feite verdient.

Ik heb het u voorgelegd. Misschien dat u zich daardoor bewust wordt van het feit dat u of u het wilt of niet, of u het weet of niet altijd al bezig bent met zelfprojectie en dat u in vele opzich­ten, ook al denkt u dat u gewoon heel normaal werkt, een beetje magie, een beetje paranormale krachten toch ook hanteert.

Als u dat eruit heeft begrepen, dan is het doel van de oefening weer bereikt en mag ik u danken voor uw aandacht.

Arbeid

O, hoe arm is de mens: Zo arm, dat Eva eens de appel toch aan Adam heeft gegeven, want nu, het is zo jammerlijk moet je werken om te leven.

En toch, de arbeid is voorwaar een wijze van beschouwen. Want zonder arbeid, kan geen mens bestaan, geen leven bouwen, niet zien, niet voelen en niet denken, kan aan niets zijn aandacht schen­ken, kan niets volbrengen.

Arbeid is al wat we doen. Maar de wijze waarop wij het beschouwen is bepalend voor de wijze waarop wij beleven. Vandaar dat wij soms ar­beid noemen wat spel zou kunnen zijn. En aan de zwaarste arbeid die we ooit verrichten (denk aan de vakantietijd), de naam van spel gaan geven.

U spreekt van arbeid. Maar ik zeg u: geen mens kan werkelijk be­staan als hij slechts zichzelf kent en slechts zichzelf ziet.

De waan van het ik moet nog verbroken worden. Je leeft jezelf van wat je doet. Dat is iets wat je ondanks jezelf volbrengt omdat je moet, omdat het in jezelf staat neergeschreven. Op die manier geef ik inhoud en betekenis aan mijn leven. Op die manier wordt arbeid mij in feite spel en zelfbevestiging. Op deze wijze vind ik voor mijzelf een deelgenootschap in het leven. Op deze wijze en slechts zo kan ik mijzelf inhoud geven, mijzelf begrijpen en ook mijzelf beschouwen.

Arbeid is niet het werk waardoor ik anderen dien. Arbeid is dat­gene wat ik verricht. Omdat het wezen van hetgeen ik doe in mij als een grote waarde ligt. Omdat ik uit wat in mij leeft.

Daarom zeg ik u: Arbeid is in feite al wat aan uw leven inhoud geeft.

Dit is voor degenen die denken aan de werklozen misschien een steuntje in de rug (maar een werkloze werkt ook aan een nietsdoen en dat is vaak een heel zware arbeid). Het zou hem misschien heel wat lichter vallen, als hij meer zou kunnen doen. Dan zou hij wel denken dat hij meer werkte, maar eigenlijk verricht hij minder arbeid, omdat hij minder moeite heeft met hetgeen hij doet dan met hetgeen hij niet kan doen en zou willen doen.

Onthoudt u dat maar.

Zelfbezinning

Als ik mij bezin op mijzelf, bezin ik mij dan? Want als ik mij op mijzelf bezin, dan keer ik mij tot de dromen die in mijn wezen leven. Dan ben ik bezig mijzelf en mijn streven los van alle dingen zelf te overzien. Waarop ik dan een wereld schep of een God die ik dien en zeg: Ik ben nu juist bewust en op de goede weg.

Als je je bezint, bezin je dan op wat de anderen zijn, op wat je voor die anderen bent.

Bezin je op de pijn en op de vreugde die je met anderen deelt of die je anderen geeft.

Bezin je op het feit dat niemand ooit eenzaam leeft, maar dat hij steeds verbonden blijft, afhankelijk zal zijn van vele anderen. Probeer dan die verhouding te veranderen totdat je zelf erkent: Dit is deel van mijn bestaan. Ik kan met dit geheel tezamen leven. Ik behoef niet steeds naar anders zijn te streven, opdat het heden kan vergaan.

Bezin je zo op jezelf, dan leer je niet alleen jezelf kennen, maar je leert de banden kennen tussen ik en Al.

De waarheid van het bestaan is niet je eigen waan, maar je verbondenheden waardoor je door de tijd (verleden, heden, toekomst) samen gebonden bent met de ene Kracht, met de onbekende Naam met God en al wat uit Hem leeft.

Als het ik dit deel-zijn dan voor zich begrepen heeft, bezint het zich wel op het geheel, maar daardoor ook op zichzelf. Dan leert het waarheid kennen die in ik en buiten ik, in tijd en buiten tijd een band schept met het onbekende zijn dat voor de mens nog altijd heet.

Die vreemde eeuwigheid.