De transmutatie

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 15

15 april 1956.

Ik zou graag vandaag met U een ogenblik gaan nadenken over bepaalde waarheden uit de christelijke leer.

Helaas zijn we er niet in geslaagd om voor vanmorgen een gastspreker te vinden, zodat U met mij genoegen zult moeten nemen. Maar het onderwerp, dat wij deze keer gezamenlijk zullen bespreken, lijkt mij toch interessant en belangwekkend genoeg om Uw tijd meer dan nuttig te besteden.

Een van de grote mysteriën in het christendom is n.l. de transmutatie, de verandering. Met het Paasfeest hebben wij er reeds op gewezen, dat Jezus a.h.w. zijn lichaam transmuteert, dus verandert in geaardheid en daardoor herrijst. Maar zoals U weet zijn er ook verschillende andere uitingen in het christelijk geloof, die onmiddellijk met dit geloof van transmutatie: verbonden zijn. Ik denk hier bv. aan het Roomse geloof, waarbij door het uitspreken van een magische formule de stukjes brood en ook het water en de wijn worden veranderd – naar men aanneemt – in vlees en bloed van Jezus. Nu, moet ik zeggen, dat ik dit op zichzelf geen prettig geloof vind. Het doet mij een klein beetje denken aan menseneterij. Maar de achtergrond daarvan is heel wat gezonder dan men zo zou aannemen. Om U een inzicht te geven in hetgeen de vroege christenen hiervan wisten en geloofden, zou ik U graag een paar leringen van apostel Johannes aannemen, waarin dit onderwerp naar voren komt.

Johannes verklaarde, ca. 6 jaar na Jezus dood, aan verschillende leerlingen het probleem der transmutatie als volgt: “Onze Meester heeft ons geleerd, dat alle dingen doordesemd zijn van de kracht van de Vader. De kracht van de Vader, Die in ons werkt, kan ons verheffen tot Hem. Maar zo wij dan nog bevoertuigd blijven in lichamen of materie, of gedwongen zijn terug te keren tot de materie, zo zal deze de kracht van de Vader in zich dragen en – verheven boven zichzelf – nieuwe waarden en eigenschappen verkrijgen. Jezus heeft ons geleerd het brood te breken, de wijn te drinken: in Zijn naam. En wanneer wij dat doen, herdenken wij Hem. Zo roept onze geest uit tot Zijn geest. En vanuit het Huis des Vaders hoort Hij ons en Zijn wezen – deel van de goddelijke Kracht – dringt door in al hetgeen, dat wij om Zijnentwille op dat ogen blik nuttigen en gebruiken. De maaltijd is een broederschapmaaltijd. En in deze maaltijd vinden wij voor onszelf de volle kracht van de goddelijke waarde, waar wij door onze eigen instelling, de materie transmuteren en in haar, i.p.v. de aardgebonden waarden de geestelijke waarden leggen, die behoren tot het onmiddellijke rijk Gods.”

Hierin zit natuurlijk veel van het christelijk geloof verborgen; De gedachte van de aldoordesemende Godheid, die hier naar voren komt, is eigenlijk een kernstuk van alle christelijke levensbeschouwing. De naastenliefde is niet de liefde tot de naaste ommentwille van de naaste, maar ommentwille van de God, Die leeft in de naaste. De liefde voor de natuur, de beschouwing van dier, boom, bloem en plant, ze zijn alle niet anders dan het erkennen van de goddelijke Kracht in de dingen. En wat Johannes ons hier leert is, dat het onze instelling is, ons wezen, die deze waarden toekent en daardoor ook verwerkelijkt.

Er zijn ook later verschillende magiërs, leraren en geleerden geweest, die deze theorie in de praktijk brachten en zeer vaak met verbluffende resultaten. Maar laten wij eerst horen, wat Jezus, lerarende hierover, tot Zijn discipelen sprak.

“Wanneer wij roepen tot de Vader, zo hoort Hij ons. Maar ons roepen moet een roepen in volharding zijn. Wanneer wij de Vader zien in de natuur of in de mens, zo moet ons wezen aan dringend, aankloppend aan de goddelijke Kracht Zijn wezen wekken. En ziet, Hij zal leven in al hetgeen wij nemen als punt, van waaruit wij de Vader zoeken.

Het Koninkrijk der Hemelen is het rijk van de goddelijke Kracht, de Kracht, die leeft in alle dingen. Om de grote eenheid te bereiken, dienen wij slechts God te zien in alle dingen met geheel ons wezen, met de volle aandrang van al ons denken en ervaren. En Hij zal tot ons spreken uit alle dingen en in Zijn naam zal de volheid van Zijn volmaaktheid rond ons geopenbaard worden.”

Ook hier weer de verandering, de veredeling. De stofwereld ziet als transmutatie slechts het veranderen van het ene element in het andere. Maar zoals het hier wordt geleerd, is het meer, is het belangrijker. De transmutatie, waarover het christendom leert en spreekt, is de verandering van de essentie der materie. Het is het vervangen van de onvolmaaktheid der tijdelijke, in zichzelf eindige verschijnselen, door de eeuwige en onveranderlijke waarden Gods.

Een probleem misschien, want het is moeilijk te verwerkelijken. Zoals Jezus eens tot Zijn leerlingen zegde: “Wanneer Uw geloof niet voldoende is om de hemel te bestormen, hoe kunt ge dan verwachten, dat de Vader U hoort en keert op de wegen, die gij wenst te gaan?” We kunnen niet zo maar met een enkele gedachte en een enkel woord of met een enkele magische formule iets veranderen in een onmiddellijk deel der goddelijke Kracht. Maar wij kunnen wel door ons voortdurend en intens geloof a.h. w. God bestormen.

Hierover heeft Nicodemus, de Griek, niet te verwarren met Nicodemus, de arts indertijd ook een leerstelling verkondigd, die in dit kader niet mag ontbreken.

“Wanneer wij God bestormen, zoals ons geleerd is, opdat Hij Zich uitte rond ons, doorbreken wij in werkelijkheid de kern van onvolmaaktheid, die in alle materie en alle geest schuilt, om door te dringen tot de kern, tot het eigenlijke wezen. Want niet God wordt door ons roepen bewogen, maar wij bewegen onszelf, tot wij alle wereld achter ons latend in God kunnen opgaan. Dan wordt het duidelijk, welke wegen wij kunnen gaan, welke bewustwording wij kunnen ervaren.”

Wanneer wij de moed hebben God te bestormen, d.w.z. niet af te laten, wanneer wij in ons eigen wezen met volle wil, met volle overtuiging en volle kracht actief zijn, dan vinden wij het loon daarvoor; dan veranderen wij a.h.w. onszelf.

Niet de wereld. Wij kunnen geen medemens veranderen. Wij kunnen niet lucht tot brood maken. Ofschoon in de magische procedures al deze dingen regelmatig gebeuren. Ofschoon deze wonderen zowel door Jezus als door Zijn volgelingen zijn gedaan.

Maar wij kunnen in onszelf de goddelijke Kracht a.h.w. op wekken, zodat zij weerklank vindt in al hetgeen ons omringt. En dan verandert ook de geaardheid der dingen. Dan transmuteert het onvolmaakte tot het meer volmaakte.

Johannes heeft dit uitgedrukt als volgt: “Wie in zich draagt de kracht van de Meester, kan de wereld tot volmaaktheid verheffen. En slechts wie de liefde bezit, die de Meester had voor al het geschapene, zal deze volmaaktheid niet opleggen als dwang, maar geven als weg en mogelijkheid. Want datgene, wat wij veranderen en transmuteren, is tijdelijk, omdat ons eigen bewustzijn van God nog onvolledig is. Maar op het ogenblik, dat wij de Kracht des Vaders kunnen wekken in mens of dier, en mens of dier kunnen leiden tot een zelf zoeken van deze Kracht, zullen wij volmaaktheid scheppen.”

Apollonius drukt het anders uit: “Zoekende naar eeuwigheid werp ik mijn stem in de ruimte. Zij schijnt te versterven, maar uit de 49 sferen klinkt tot mij een flauwe echo. En ziet, ik voeg mijn stem bij de echo en sterker en sterker wordt de klank, tot zij mij en de wereld beroert, doortrilt en maakt tot één met het scheppend vermogen.” 

Omvorming. Veredeling. Het lijkt alles zo hemels, zo kosmisch. Daarom is het misschien goed, dat wij ook de meer nuchtere Andreas horen; die lerarende evenals vele anderen der apostelen over de geheimleer, die Jezus verkondigd heeft in de kring van veertig, naar voren brengt dat: “Wij alle dingen kunnen veranderen, maar dat elke verandering slechts een weerkaatsing zal zijn van de krachten, die wij in onszelf wekken.” Hij zegt woordelijk; “Zo in U de duivel regeert, hij zal uit U voortgaan en tot zich nemen en dwingen al datgene, wat zich niet bewust is van de Kracht des Vaders, het zo beheersende en buigende tot zijn pad der duisternis.”

Een christelijke opvatting misschien van een duivel, goed. Maar een waarheid zo groot, als er maar weinige zijn.

Wanneer wij nu eens alle termen der religie weglaten en daarvoor in de plaats eerlijk en precies zetten – volgens onze eigen lering –  wat dit inhoudt, dan klinkt het zo:

“Wijzelf leven uit de kosmos. En de kosmische kracht in ons weerkaatst wordt vervormd door onze gedachten, door ons geloof, door ons bestaan. Nu kunnen wij verschillende factoren uit deze kosmos aantrekken. Wij kunnen het duister nemen en de chaos, of het licht en de vorm. Wij kunnen nemen de lichtende wereld van de geest, of de vorm van de nauwelijks bewuste materie. Datgene wat wij in onszelf wekken, stralen wij uit in de wereld. En indien deze uitstraling bewust wordt gericht, geconcentreerd, op een voorwerp of een mens, dan beheerst deze trilling al datgene, wat niet zelve een sterker bewustzijn in zich draagt.”

Dit is het grote geheim der transmutatie, wat op het ogenblik nog bestaat. Wanneer men aanzit aan het avondmaal of ter communie gaat, dan is hier geen sprake van het vlees of van het bloed van Jezus. Dan is hier sprake van een zich zodanig richten op de goddelijke Kracht en op de weg, die Jezus ons daarin heeft gewezen, dat wij door dit geloof voor onszelf een deel van die Kracht tot ons nemen.

Het is jammer dat een dergelijk iets teloor moest gaan. Want de communie is tot een magisch procédé geworden, innig vroom ondergaan misschien, maar zelden in zijn werkelijke betekenis gerealiseerd. En het avondmaal is slechts een symbool van het christen zijn, en mist zelfs vaak het sacramentele karakter van de communie.

Wat men daar doet, is niet een sacrament ondergaan, een lijdzaam in zich ontvangen van goddelijke Kracht. Dat kan niet.

Het is een zich een ogenblik verheffen boven zichzelf, een harmonie opwekken met de eeuwigheid, zodat ze doorklinkt in Uw wezen; en dan U versterken en laven aan de Kracht, zolang ze in U vol geuit is.

U zult U misschien afvragen, waarom ik in deze dagen, nu het Paasfeest ver weg ligt en het Pinksterfeest nog komen moet, juist over dit onderwerp spreek. Jezus hele leven op aarde, na. Zijn kruisiging, is a.h.w. één voortdurende transmutatie. Niet alleen van Zichzelf, want Hij wekt voortdurend in anderen de wonderlijke krachten, die zij bij Zijn leven aarzelend maar al te vaak verworpen hebben.

Jezus komt bij angstige mensen en maakt van hen helden, bezielden, die – gedreven door de onweerstaanbare, lichtende kracht in hen – zullen worden tot de exponenten van een nieuwe bevrijdingsgedachte. De hemelvaart van Jezus is het resultaat van een transmutatie, die te grote verschillen overbrugt en daardoor niet stabiel is. Pinksterfeest is de uiteindelijke realisatie van een proces, dat begonnen is, toen de Meester voor het eerst in de duistere kamer binnentrad en sprak tot degenen, die Hem doodwaanden. De verandering, waardoor zij deel worden van de eeuwigheid. De menselijke geest, de geest ook, die de stof verlaten heeft is sterk gebonden aan haar eigen wezen. Want zelfs dit heeft Jezus geleerd: “Stof zijt gij en weerkeren zal Uw vorm tot stof.” Indien Uw hart zich niet heeft verheven tot de Vader, hoe zult gij leven?

Wij kunnen niet zonder de eeuwigheidsgedachte in ons. Wanneer de eeuwigheidsgedachte overheerst, dan vernietigt zij het zuiver stoffelijk aspect. Wanneer zij sterk genoeg is, verandert zij onze hele wereld, ook ons zelf.

Petrus, de simpele, heeft eens juist in zijn eenvoud de spijker terecht op de kop geslagen, toen hij, bespreking houdende met de eerste christengemeenschap in Jeruzalem, zegde:

“Wie kan volmaaktheid verwachten, die niet in zichzelf de volmaaktheid draagt van onze Meester? Zolang Uw gedachten verder grijpen dan Zijn wezen, zult ge Uzelf zijn. En in Uzelf en Uw zelfzucht Zijn wezen verloochenen. Je kunt niet tenhalf tot God gaan of tenhalf je leven wijden aan de Meester. Je kunt slechts geheel in Hem opgaan. Hem geheel aanvaarden. Geheel deel zijn van de goddelijke Kracht. Want wie denkt tenhalf te kunnen gaan, vernietigt niet slechts de Kracht, die hij in zich kon wekken, maar vernietigt ook de wereld rond zich.”

Het is begrijpelijk, dat Petrus deze woorden bitter heeft gesproken. Want de gemeenschap in Jeruzalem kende te veel vromen, die wel hun handen omhoog hieven in gebed, maar weigerden deze handen te gebruiken om het werk Gods te doen hier op aarde. Er waren er teveel, die meenden, dat zij weliswaar hun bezit aan God konden schenken, maar toch nog een kleine reserve voor zichzelf mochten achterhouden. Iets waaraan ook deze eerste gemeenschap der christenen inderdaad te gronde is gegaan.

Ongetwijfeld heeft Petrus eerder gedacht aan een mislukking van dit experiment, zo vol moed begonnen, dan aan de achtergrond van zijn woorden. Maar het is volledig waar. Men kan de dingen niet tenhalf doen. Wanneer je een werk op je neemt, dan wordt dit in je, indien je je er geheel aan overgeeft, tot een hartstocht. Tot iets, wat je gehele wezen beheerst en je nimmer laat rusten. Het wordt tot je leven en je kracht. En eerst dan kun je in werkelijkheid je werk volbrengen en in je wezen één zijn met de krachten, die het werk opleggen.

Er bestaat geen tussenfase. Er bestaat geen overgangsperiode. God zegt niet: Antwoord maar “misschien” of “morgen”. De vragen, die de Schepper ons stelt, zijn simpel. Maar het antwoord is dan ook nog eenvoudiger. We kunnen alleen maar zeggen: “Ja” of “Neen”. Wanneer wij onszelf willen veredelen en verheffen, dan zullen wij tot God “ja” moeten zeggen. Ja, ten opzichte van alles, wat Hij van ons vraagt. Ja, ten opzichte van alles, wat Hij van ons eist. Dan zullen wij niet mogen aarzelen, of trachten na te gaan, hoe deze raadselen tezamen gekomen zijn en wat de achtergronden zijn. We kunnen slechts zeggen “Ja.” We kunnen niet zeggen: “Vader, ik geloof in U.” En gelijktijdig: “Maar Uw werken ga ik onderzoeken.”

Wat God ons geeft aan kennis, dat mogen wij aanvaarden. Zoals eens Jezus zei: “Want de Schepper heeft U ogen gegeven om te zien en oren om te horen. Hij heeft U handen gegeven om te scheppen en voeten om te gaan. Hij heeft Uw huid gevoelig gemaakt, opdat ge zelfs de lichte beroering van een zonnestraal zult voelen. En Hij gaf U dit, opdat gij Hem zoudt leren kennen. Tracht niet Uw zinnen te versterven door Zijn wereld van U af te sluiten. De Vader leeft rond ons in de wereld, zoals Hij leeft in ons. Deze middelen heeft Hij ons gegeven. Het is niet slechts ons recht ze te gebruiken maar onze taak om ze te gebruiken.”

En Jezus, de practicus, onderbrak Zijn lezing, en Hij ging naar een timmermanswerkplaats en werkte daar enige dagen als knecht. “Want,” zo zegde Hij  “indien de geest van de Vader mij niet bezielt en mij zegt te leraren, zal ik Hem dan verloochenen door in stilte te wachten, tot Hij weder roept? Dat, wat Hij mij gegeven heeft aan vermogen, bewustzijn en kracht, zal ik gebruiken, opdat Zijn wet en wil op aarde zullen heersen.”

Wij zijn nog niet in staat op dit ogenblik om zoals Jezus onszelf te vergeten in God. Wij zijn niet in staat om te transmuteren tot hoger bewustzijn, waarbij alle vormwaarde verbleekt. Maar wij kunnen wel Zijn les leren. Niet vragen. Ons niet verzetten. Maar voortdurend werken. Werken, zo goed wij kunnen, elk op onze wijze. Werken met de middelen, die God ons heeft gegeven. De kennis vergaren, die Hij ons biedt.

Want dan bereiden wij ons voor op de grote transmutatie, waarbij wat thans nog beperkt, onbewust, aarzelend strevend door de wereld gaat, gemaakt wordt tot een onverbrekelijk deel van de grote kosmische Kracht, Die alles heeft geschapen. Waarin de waarheid ligt. Waarin de vervulling is te vinden van alle leven.

Dit, mijne vrienden, wilde ik U vandaag voorleggen als een korte Zondag beschouwing. Ik hoop dat U vanaf heden zult trachten om uit de ruwe materie van het leven voor Uzelf ook het goud te maken van de kosmische bewustwording. Wij zijn allen de alchemisten des levens. Wij kunnen uit de as des levens het goud van het licht maken, wanneer we niet vergeten, wat Jezus ons heeft geleerd: Dat je zonder voorwaarden te stellen met heel je wezen en al je vermogens die weg moet gaan en nooit een voorbehoud kunt maken, wanneer je verwacht, dat de proef zal slagen.

VRIJHEID

“Ik zoek de vrijheid,” zei de mens. “En zal mij al ontzeggen, opdat ik eens de vrijheid vind.

Ik ga nu overleggen, hoe ik de vrijheid kan bereiken.

Ik wil haar als een bloem doen prijken midden in mijn eigen zijn.”

Maar de vrijheid bleef weg. Want de vrijheid kan men niet veroveren door te strijden. Men meent, dat men als het ware toveren kan en zo de vrijheid op doen rijzen uit het niet. Men denkt, dat vrijheid een positieve waarde is, die stapelend in de schatkisten van het bestaan geborgen kan worden. En men vergeet, dat vrijheid slechts één ding is: Afwezigheid van banden.

Een ieder, die zich de vrijheid tracht op te bouwen, zal dus voor zichzelf een gevangenis bouwen, die hij vrijheid genoemd heeft. En anders kan het niet. Want zolang wij de vrijheid zien in datgene, wat wij kunnen en wat wij vermogen, zien wij die vrijheid verkeerd. Want al wat wij doen, al wat wij kunnen volbrengen, betekent ons een nieuwe koppeling in de keten van oorzaak en gevolg. Een nieuw ons vastbinden aan de schepping en al hetgeen zich daarin afspeelt.

Wij zullen nooit vrij kunnen zijn, wanneer wij menen, dat de vrijheid is gelegen in de daad. Elke daad is een band, die ons opnieuw aan het leven bindt, die ons opnieuw verder doet gaan door vele ervaringen, die wij zelf niet wensen.

Ware vrijheid is in werkelijkheid het recht om je te onttrekken, de mogelijkheid, je te onttrekken aan de dingen, die buiten je bestaan.

Ware vrijheid is niet-leven wanneer het leven leven geeft.

Ware vrijheid is niet-streven, terwijl de wereld rond je streeft.

Ware vrijheid is te geven, omdat je ‘t bezit niet meer begeert.

Is ook niet meer leren, omdat je de nutteloosheid van leringen hebt geleerd.

Vrijheid is jezelf wezen, jezelf genoeg te allen tijd.

En toch, jezelf – zijnd deel te wezen in de Kracht der eeuwigheid.

Je kunt niet vrij zijn, wanneer je je tracht te onttrekken aan banden. Maar de vrijheid tot het aanvaarden, tot het ondergaan zonder meer, deze is te allen tijde aanwezig. En door te ondergaan, zonder zelve deel te hebben aan de dingen, onttrekken wij ons aan de gevolgen daarvan. Want waar wij geen deel meer hebben aan hetgeen wij doen, of aan hetgeen rond ons gebeurt, kan nooit meer het gevolg van deze oorzaak op ons neerdalen. Wij verminderen de oorzaken, die ons richten en stimuleren. En in deze vermindering hiervan vinden wij steeds groter wijsheid. Een wijsheid n.l. van ons eigen wezen.

Want wat baat het ons, wanneer wij heel de wereld kennen en niet onszelf? Wat baat het ons, wanneer alle krachten van het zijn, de hele kosmos, in ons leven en niet de God, Die ons geschapen heeft?

Vrijheid is het recht tot ontkenning, tot onthouding. Vrijheid is het recht om jezelf te zijn zonder leed en zonder kwaad. Vrijheid is het vermogen om je te onttrekken aan alle banden. Niet omdat de banden je kwellen. Niet omdat je de banden wilt verbreken. Maar eenvoudig door je zo te onderwerpen, dat de band niet meer knellen kan en uiteindelijk haar waarde en betekenis voor je verliest.

De ware vrijheid binnen het Al, is het opgaan in God. D.w.z. de binding aanvaarden van het Goddelijke in alle dingen. Maar door, je vrije wil. Door zelf niet te willen zijn, kom je tot het kosmisch zijn.

Deze vrijheid kan eerst langzaam verworven worden. Want alle gevolgen van vroegere levens, vroegere daden, van streven in sfeer en wereld, moeten eerst worden afgeboet. Wanneer we telkenmale weer de gevolgen van ons weten af te schuiven, door er ons niet door te laten beroeren, door voort te gaan, zo goed als wij kunnen, zonder te vragen waartoe of waarom, zonder te klagen; integendeel, zeggende: “Ziet, hiermede heb ik vrede voor mijzelve,” dan bevrijden we onszelf langzaam maar zeker van alle waan, van alle wereld; van alle zijn.

Dan blijft alleen de kern van ons wezen over. De kern van ons wezen, wat is de goddelijke Kracht, Die Al in stand houdt en in alles leeft en de enige waarheid is in alle bestaan.

Vrijheid is niet: je wil doorzetten. Vrijheid is: geen wil hebben in de wereld buiten je. Slechts een wil te kennen in jezelf. Vrijheid is niet; kracht bezitten om de wereld te beheersen. Vrijheid is: de kracht hebben om je zelf  te beheersen en zo de wereld te verloochenen. Vrijheid is niet: het vormen van de wereld naar je eigen beeld. Vrijheid is: jouw beeld en dat van de wereld te verlaten en op te gaan in de ongevormde en onbegrepen Kracht, Die uiteindelijk toch alle vorm tot stand brengt.

Ik hoop, dat deze korte overweging U een voldoende duidelijk beeld heeft gegeven van onze opvatting van vrijheid.