De tuin der dromen

image_pdf

 21 april 1959

Ik zou deze maal graag met u willen spreken over een onderwerp, dat tamelijk romantisch klinkt, over: De tuin der dromen. U zult zich afvragen: Wat kan nu een tuin der dromen te doen hebben met de esoterie? Misschien wordt het u duidelijk. De tuin der dromen is een land vol van gebeuren, vol van schoonheid met daarnaast afzichtelijke, afgronddiepe lelijkheid. Er zijn alle dingen te vinden.

Hier bloeien bloemen zo schoon, als je ze nooit op de wereld hebt gezien. En daar achtervolgen je demonen in een uitzichtloze wereld of raak je verward in een labyrint. Want een mens droomt. En al dromende realiseert hij zich iets van de werkelijkheid. Men meent veelal dat dromen alleen maar een waan, een fantasmagorie zijn. Maar een droom is meer dan dat. In de droom openbaart de mens zich aan zichzelf. In de droom belijdt hij schuld. In de droom beloont hij zichzelf door vreugdig beleven voor datgene, wat hij op aarde heeft gedaan.

Een wijsgeer zei eens: “Tussen de mens en de oneindigheid ligt de tuin der dromen. Wie de weg kan vinden door dat wonderrijk zal de absolute openbaring kennen.” En hij zei dat niet voor niets. Misschien kunnen wij vanuit ons standpunt proberen iets te tekenen van zo’n wandeling en al wat daarmee samenhangt.

Het begint meestal kort voor de slaap met wat flitsen van gedachten. Een paar voorstellingen, een paar begeerten misschien. En dan wordt langzaam maar zeker de wereld vaag en het lichaam weet niet meer wat het doet. Dan begint de geest haar eigenaardige strijd met zichzelf. Ze projecteert zichzelf in een wereld. Een wereld, die past bij het aards beleven, dat ze heeft opgedaan. Een wereld, die vooral past bij al datgene, wat zij volgens eigen overtuiging heeft nagelaten en had moeten doen. Al hetgeen haar qua emotie geboeid heeft en hetgeen stoffelijk beleven nu eenmaal presteert wordt mee verwerkt. En wanneer het een gelukkige droom is, begint het vaak met een gevoel van vliegen, van een met verende schreden een trap opgaan. En dan is er alleen licht en schoonheid.

Er zijn landschappen, die bekend zijn en toch weer vreemd. Bomen, die schijnen te lachen of schijnen te wenen. Bloemen, die schijnen te dansen. Vogels, zo vreemd gekleurd, als in geen enkele tropische tuin ooit te vinden zijn. En menigeen blijft daar verpozen. Men rust, men herdenkt al hetgeen teloor scheen te gaan op aarde, men ontmoet misschien een overgegane, men heeft wat contacten, meer niet. Dan heeft zo’n droom weinig betekenis en blijft ze in het onderbewustzijn begraven. Want alleen de wekdroom wordt herinnerd.

Maar ook zijn er wel eens mensen, die wanneer ze in die eerste wereld komen verdergaan. Er is een verte, die trilt, alsof er een grote hitte is: een beeld, dat vertekent, alsof fata morgana na fata morgana zich afbeeldt op de verhitte lucht van een woestijn. Zo’n mens gaat hongerig op die beelden af. Hij zoekt een nieuw beleven, een nieuwe ervaring. En wanneer hij vrij is van schuldbewust zijn, wanneer hij vrij is van de gedachte “ik ben tekortgeschoten”, dan komt er soms een ogenblik, dat hij meent door verschillende tempelgangen te dwalen. Kamer na kamer openbaart zich. Nu een grot, gevuld met stil blauw licht en grote beelden, dan weer een tempel zo groot als een Sint Pieter, waarin een orgel speelt. En je gaat steeds verder. En wanneer je uiteindelijk de laatste verten betreden hebt, wanneer je het laatste hebt gevonden, dan sta je in stille verwondering tegenover jezelf. Niet als een werkelijkheid, want dat gebeurt pas, als je heel ver bent gevorderd, maar eerder alsof er een filmscherm is. Je ziet flitsen van je eigen gebeuren, je eigen beleven in een verleden, maar ook in een toekomst. Je ziet samenhangen, die later herinnerd irrationeel worden. Dan komt er het ogenblik, dat de suprême logica van het dromenrijk de stofproblemen tezamen oplost in een nieuw ongekend verband. Want als je droomt, wanneer je leeft in die tuin van dromen, dan kun je vaak onnoemelijk veel zien. Dan heb je de oplossing van het probleem zo duidelijk, zo klaar, zoal belangrijk en zo alomvattend, dat je niets anders meer kunt doen dan dankbaar deze gave meenemen terug naar de aarde.

Maar als je dan ontwaakt, wat blijft er over van de grootse openbaring? Het fonkelend juweel van wijsheid is tot een zinloze zin geworden, de oplossing van het mathematisch probleem tot een kinderachtige weergave in een onbegrijpelijk rekensommetje met symbolen, die klaarblijkelijk geen enkele achtergrond hebben. Want wat in de droomwereld is, leeft in een ander licht dan in de mensenwereld. In die droomwereld leven de dingen niet alleen maar driedimensionaal. Daar worden alle dimensies tezamen gegrepen. Daar wordt het gehele magische verband van de schepping geopenbaard. En wanneer je dan terugkomt in de nuchtere logica en je wilt dat terugbrengen tot een driedimensionaal wereld je en een menselijk begrip daarvan, dan kun je de oplossing niet vinden. En toch zoals ik u zei die tuin der dromen is belangrijk. Belangrijk juist, omdat ze in praktisch elk mensenleven iets brengt van de vreemde, magische wetgeving, die de kosmos regeert. Omdat ze werelden samenvoegt, die voor elk begrip anders gedeeld en gebroken of zelfs niet-bestaand zijn.

In de esoterie zoeken wij naar ons innerlijk wezen. Wij zoeken naar een zelfopenbaring. En onze droomwereld geeft ons deze. Ze geeft ons niet alleen het zinloze symbool, dat alle betekenis verliest. Ze geeft ons ook een persoonlijke inhoud. Want onze droomwereld is een aanvulling van onze mensenwereld. Ze toont ons wat we zouden willen doen. Wat we zouden moeten doen. Ze toont ons ook, waar wij zouden hebben gefaald en doet ons in zinloze angst vluchten voor de consequenties van onze eigen daden. Zoeken naar je eigen innerlijke kracht moet je daarop baseren.

Nu bestaat er op de wereld veel, wat ook – laat ons zeggen – tuin der dromen kan heten. De alchemist werkt met onbegrepen en geheimzinnige poeders en hij maakt goud. De magiër trekt zijn cirkels, schrijft zijn symbolen en ziet, dienende djinni verschijnen. Djinns van de meest verschillende soorten openbaren zich. Een mens zakt in meditatie neer: hij zendt zijn dodende gedachten en ergens ver weg sterft een ander mens. Iemand wordt bevangen door de noodzaak tot handelen, laat zijn lichaam achter en bouwt een dubbel. en duizenden kilometers verder staat plotseling zijn gestalte en handelt. Dat is ook een droomwereld. Geen grootse realiteit misschien voor de doorsneemens, maar toch even werkelijk als alles, wat in de tuin der dromen gebeurt. Werkelijker in feite voor uw innerlijk althans dan uw hele wereld, die u kent en hanteert.

Welke wetten zouden wij kunnen verwachten in die droomtuin? In die tuin, waarin de tijd dol is geworden en soms begin en einde stuivertje wisselen en de tussenliggende momenten op de meest fantastische manier een stapeltoren bouwen, waarin je geen rangorde meer erkent?

Wat is die werkelijkheid?

God leeft in alle dingen, dat weten wij. God is de wet in alle dingen. In God is alles gefixeerd. Elke wet vloeit uit dit feit voort. De tijd, die in de droomtuin zo vreemd door elkaar wordt geworpen als een bouwwerk uit een blokkendoos, door een kinderhand wreed omgegooid, is in feite een vaste reeks van bestanddelen, belevingsmomenten, die God al heeft vastgelegd in het eerste ogenblik. Belangrijk voor ons zeker in de esoterie is het begrip. Uiterlijk zijn wij onderworpen aan tijd, innerlijk kennen wij geen tijd. Want God heeft de schepping gemaakt, niet als een reeks van verschillende werelden, maar als een geheel. De kosmos mag vergeleken worden bij een melodie, uit veel verschillende akkoorden en noten opgebouwd, misschien door het samenklinken van verschillende instrumenten tot stand gebracht, maar de kosmos is één. En zo zijn alle werelden één. Ook al leven wij in een enkele wereld, alle werelden leven in ons en wij zijn onmiddellijk verbonden met alle werelden, of wij willen of niet. Realiseer je dat laatste, Je kunt dus contact opnemen met elke wereld en je kunt elke wereld in jezelf beseffen en geopenbaard zien.

In God bestaat er geen eenzijdigheid en ook geen onevenwichtigheid. God is het alomvattende, het volmaakt evenwichtige. Voor ons is evenwicht de noodzaak. Elke handeling, elke daad verstoort normalerwijze iets van dat evenwicht. Wanneer wij echter juist bewust zijn van onze innerlijke kracht, zullen onze belevingen in de droomtuin, onze belevingen in die vreemde wereld van gedachten (een chimaera) compenseren wat wij op aarde eventueel misdeden. En zo herstellen wij het evenwicht.

Onszelf te kennen is niet gemakkelijk. De weg naar zelfkennis is voor de mens misschien wel de moeilijkste, die er bestaat. Maar hij heeft dit hulpmiddel, hij heeft deze voortdurende in hem werkende impuls, die hem althans geestelijk voortdurend nieuw evenwicht schenkt, die hem opnieuw een balans geeft in het tijdloze. En daarom droom je.

Er zijn vele soorten van dromen, die de mens werkelijkheid pleegt te noemen. Een mens droomt misschien van het esoterisch geheim, ergens in een vreemde bibliotheek weggeborgen in prehistorische boeken. De mens droomt van dat geheime wapen, waarmee hij plotseling het goddelijk woord, de goddelijke naam zelf leert kennen en wordt tot schepper i.p.v. tot schepsel alleen. En hij droomt waarheid. Maar hij droomt iets, wat in zijn wereld niet past. Het magisch ritueel van een kerk, van een genootschap, kan tot waanzin worden in de ogen van een onbevooroordeeld beschouwer, die niet in dezelfde droom gevangen is. Laat ons dat niet vergeten. Onze zelfkennis moet dus in de eerste plaats wel praktisch zijn. We moeten begrijpen, dat ons heiligdom voor anderen alleen een plaats van verwondering kan zijn… of zelfs van spot. Wij moeten ook begrijpen, dat elke uiterlijke weergave van een geloof of van een denken, elk ritueel met zijn magische inhoud, met zijn esoterische omschrijving misschien van werkelijkheden, alleen dan kan leven, wanneer het in ons leeft. Datgene, wat wij zoeken, zijn wij. Niet datgene wat wij doen.

Dat is een fout, die men vaak maakt. Er wordt wel eens gezegd: “Je daden zeggen mij, wie je bent.” Maar dat is niet waar. Hoe vaak wordt een daad niet gesteld zonder een juist bewustzijn, zonder een juist begrip, zonder een juist denken. Neen, de intentie, de bedoeling, de innerlijke waardering, die de aanleiding is tot de daadstelling, enz, dat is ons wezen. En vraag je dan af: Wat wil ik eigenlijk? Wat droom ik? Waar ligt die lichte en zonnige wereld, waarin ik almachtig ben? Of: Waar ligt dat labyrint, waarin ik steeds weer geen uitweg vind, omdat ik altijd links wil gaan als ik rechts moet gaan en omgekeerd. Vraag je af: Wat leeft er in mij? En gebruik dit als de basis van een esoterische ontwikkeling. De basis, want meer is het niet.

Menigeen meent dat hij zijn geestelijke en esoterische ontwikkeling kan volbrengen door alleen te komen tot een zelfrealisatie. En dat is niet waar. Werkelijke esoterie wil betekenen: de kosmische samenhang beseffen. D.w.z.: doordringen niet alleen in je eigen wezen maar in elke band, die dit wezen bindt met het totaal van de schepping. Esoterie wil niet alleen zeggen: de goddelijke en kosmische wetten voor jezelf ontraadselen en met een zekere welgedaanheid neerzien op al datgene, wat je nu dan toch al hebt geleerd en bereikt. Esoterie is en blijft altijd: beleven. Anders is het niet. En van dat beleven is de persoonlijkheid alleen de basis, het fundament.

Misschien noemt men mij nu op het ogenblik pessimist, omdat ik hier durf te stellen, dat de meesten de basis, het fundament van hun geestelijk werk, nog niet eens hebben kunnen voltooien. Dan zegt men: “Nu ja, maar zijn wij dan allemaal nog zulke beginners, zulke arme onmachtige mensen?” Een foutieve instelling. Als je gaat bouwen, moet er eerst een bouwput gemaakt worden. Dat zijn de beelden, die je in de droomtuin soms nog terugvindt als je een ver verleden ontmoet. Dan zien wij de, scherp gekraagde hagedissen uit een oertijdperk, vechtend en spelend met de geheimzinnige alligatorkoppen in slangennekken gestoken, die uit het water opduiken. Dan zien wij de varen boom die wanneer het zaad rijp is en uitschiet, wanneer de sporen worden geworpen tot een giftige vloek wordt, die alle leven verdrijft. Dan zien wij de eerste dieren. Dan zien wij plotseling de voorvaderen van thans zo verschillende wezens als het paard en de rinoceros: en je ziet dat ze gelijk zijn, dat ze uit een bron stammen. Dan vraag je je af: Hoe kon dit alles gebeuren? En als je goed ziet, dan zie je ook in die tuin der dromen, hoe over die oerwereld een lichte hevel hangt. Een nevel, waarin gestalten zich aftekenen eerder als een leegte dan als een stoffelijk wezen. En je ziet hoe gedachten uit gaan, hoe met moeite wordt gezocht naar de juiste weg om uitdrukking te geven aan de behoefte tot bewustzijn, die in elke ziel leeft. In zo’n droomwereld begrijp je dan, dat het miljoenen jaren heeft geduurd, vele miljoenen, voordat het huidig wezen “mens” de aarde kon betreden. En wanneer het je gegeven wordt om verder terug te zien, terug te zien in die vreemde ruimte, totdat het lijkt of de sterren als een hagelstorm op je afkomen, dan vindt je ergens de nevelvlek en je ziet het eerste vaag bewustzijn tastend zoeken naar een uitdrukking, een uitdrukking van persoonlijkheid in bestaan. En dan besef je: Ongetelde miljoenen jaren zijn er verlopen vanaf het ogenblik, dat ik begon te zijn tot het ogenblik van nu, dat ik kan zeggen: “ik ben: dit ben ik.” Verbaast het u dan, dat de doorsneemens alleen maar een fundament kan leggen? Dat hij alleen maar in grove omtrekken iets van zichzelf kan constateren? Het is al heel veel, wanneer een mens kan zeggen: “Ik weet iets van mijzelf af, ik ken mijzelf, ik bedrieg mijzelf niet.” En meer is het, wanneer een mens kan zeggen: “Ik ben eerlijk. Ik weet wat mijn weg is en ik zal die weggaan, omdat het mijn weg is.” Dat is al heel veel. Gevormde materie, een gevormde geest, een gevormd beeld, een vastgestelde relatie met God, vrienden. In de tuin der dromen kun je die dingen soms vinden.

En kijk dan die hele geschiedenis eens na, die hele historie en probeer je te realiseren wat er gebeurt. Zie hoe de eerste mensen elkander doden en uitroeien. Zie hoe de laatste overgeblevenen voortbestaan en nieuwe beschavingen opbouwen. Realiseer u hoe ramp na ramp over de wereld is getrokken, soms door mensen veroorzaakt als een zondvloed, soms door het vreemd ingrijpen van kosmische krachten, die ge als een vage schim van licht daar ergens boven de aarde ziet zweven. En zie hoe steeds weer enkelen bleven en uit de enkelen een groter en een beter voertuig werd opgebouwd. Kijk naar uw eigen tijd. Want in uw wereld van dromen liggen het oude Rome en het oude Griekenland vlak naast de moderne stad. En besef dat de verschillen, die daartussen liggen, alleen maar verschillen van vorm zijn. Dat 2000 jaren maar heel weinig veranderd hebben in de mens, in de mensheid. En vanuit dat besef wij mensen, wij geest en in de stof staan aan het begin. kunt ge dan uw esoterisch streven aanvangen.

Een kind, dat naar de maan grijpt, vertedert ons en doet ons glimlachen maar gelijktijdig hoofdschuddend verklaren, dat dit onmogelijk is. Een mens die onmiddellijk uitgrijpt naar het grootkosmisch geheim, een mens, die esoterisch wil doordringen in zichzelf en God Zelf daarin ontmoeten zonder meer, vraagt precies hetzelfde. Hij grijpt naar de maan. Om zover te komen, dat er eenheid is met de goddelijke Kracht, zult u heel wat meer moeten zijn dan alleen maar mens. Beperk u dus en bepaal u tot hetgeen uzelf kunt doen. Bepaal u tot datgene, wat voor u werkelijkheid is. En als dat tevens iets is van magie, iets van een ongeziene wereld, die zich vermengt met de uwe, iets van het vrijheidsbegrip van de geest overgebracht in de stof, zoveel te beter.

Nu wil ik toch graag mijn betoog voortzetten over iets anders dan alleen maar de tuin der dromen. Want dit is eigenlijk maar een inleiding. Het wordt tijd dat we eens aan de slag gaan en naast al dat mooie, al dat spel van woorden en beelden, ook even op wat de Duitser noemt “tatsachen” terecht komen.

Elke weg van bewustwording wordt bepaald door keuze. Iedere mens doet een eigen keuze. Die keuze geschiedt niet op het ogenblik, dat je nu ja, op aarde bent. Dat gebeurt al voordien. Er zijn n.l. vele werelden, die je kunt kiezen. Soms kies je het rode leven. Wanneer je het rode leven kiest, moet je de gang van hartstochten spelen, van begeerten, van voortdurend: spel met al datgene, wat emotioneel maar verwerkbaar is. Je kunt niet anders. En als je dat terzijde zet, kom je niet verder. Soms kies je een weg van weten. Zoek dan niet naar een geloof of naar een kerk. Zoek naar wetenschap, zo goed als je kunt, Tracht te begrijpen, tracht te verwerken. Dat alleen kan je verder brengen. Soms is men geneigd alleen te geloven, Geloof is goed, wanneer het je weg is, wanneer die werkelijkheid zo groot voor je is, dat je er alles aan kunt opofferen. Maar er zijn duizenden wegen. Ik noem er maar enkele. Maar een ding is zeker: zoals u hier tezamen bent, hebt u een eigen weg en gaat u een eigen weg. Uw gedachten, uw methoden van werken en denken hebben een bepaalde inslag, hebben een bepaalde inhoud. Schrijf dit dan als eerste punt op voor de erkenning van uw wezen: Wat is mijn gedachteleven? Houd ik mij voortdurend bezig met hogere wijsheid? Filosofeer ik maar wat al te gezellig door en probeer ik daarnaast feitenmateriaal te verwerken? Is misschien mijn gedachteleven een voortdurend geroezemoes van hartstocht? Denk er over na. Wat is de basis? Wat bent u op het ogenblik? Wanneer u dat weet, dan weet u ook welke weg u gekozen heeft. En kent u de weg, die u gekozen hebt, dan zult u ook weten hoe u verder kunt handelen. Want elke weg ter bewustwording bestaat uit twee delen voor de mens. De eerste is de innerlijke realisatie van een noodzaak: de tweede is de stoffelijke verwerkelijking daarvan, ongeacht de consequenties. Je kunt niet zoetelijk zeggen: “Nu ja, dat is wel een heel mooie gedacht, en het daarbij laten. Dat is een verraad aan jezelf. Wanneer je leven kunt in zo’n denkbeeld, in zo’n gedachte, dan moet je het in de praktijk brengen. Wanneer je het in de praktijk brengt, moet je die beleving niet nemen alleen maar als een genieting, als een vaagheid. Je moet het proberen te maken tot iets wat actief is, dus waaruit lering komt, waardoor je jezelf beter leert kennen en gelijktijdig je wereld beter beheersen.

Als je ook dat begint te doen, gaat de weg naar het “ik” verder. Want dit is nog geen zelfkennis. Om jezelf te kennen moet je jezelf kunnen omschrijven. Kijk maar naar een klein kind, dat speelt. Hoe zit het niet vol verwondering aan zijn voet te trekken en met hoeveel verbazing proeft het niet van zijn eigen tenen. Hoe zit het niet met enige verwondering zijn handjes te bekijken en probeert het toch steeds weer eigenlijk uit te rekenen of dat nu “ik” is of iets anders. Dat doet zelfs een klein mensenkind nog. Zoudt u geestelijk minder mogen doen? Is het niet noodzakelijk, dat u begrijpt wat uw werktuigen zijn en uw zintuigen? U hebt n.l. geestelijke zintuigen zo goed als u geestelijke werktuigen hebt.

Bent u meester over uw gedachten? Kunt u uw gedachten scherp formuleren, zo dat ze praktisch te verwerkelijken zijn? Dan is uw element niet alleen stoffelijk redelijk. Dan heeft u ook geestelijk een redelijk element. Dan bent u een herkenner van verhoudingen. En dan moet uw zoeken naar God in uzelf gebaseerd zijn op het zoeken naar de innerlijke verhoudingen met God. Niet het zien van God, niet het beleven van God, maar het erkennen van een relatie, waarop u durft bouwen.

Of is het misschien anders bij u? Is het bij u eerder zo, dat u iets intuïtief aanvoelt? Dat u onbewust eigenlijk iets weet en daarnaar handelt, zonder verder te vragen? In dat geval moet u zoeken naar licht. Want in uzelf leeft iets van dat licht en daarop baseert u zich, bewust of onbewust. Dan moet u uw geestelijk wezen en uw geestelijke kracht trachten daarop in te stellen. Dan zult u leren te begrijpen, wat u bent. Dan zult u ook leren te begrijpen, hoe u krachtens deze inhoud de wereld kan hanteren. Zoals de logische mens door zijn uitvindingen, zijn originele gedachten, zijn herbeleven a.h.w. van wat God reeds als wet heeft vastgelegd, kan komen tot een technisch meesterschap over de wereld, zo zal de intuïtieve mens door zijn aanvoelen kunnen komen tot de magische beheersing van de wereld. Hij zendt zijn gedachten uit en ze werken op mensen, dieren en dingen. Hij schept zich een illusie en maakt ze tot een concrete werkelijkheid, tot er voor hem geen verschil bestaat.

Of misschien. er zijn alle soorten mensen misschien bent u alleen altijd maar onzeker. Dat komt ook voor. Als u altijd onzeker bent, dan bent u eigenlijk maar zeker van één ding: van uw eigen onvolmaaktheid. In een dergelijk geval wordt het tijd om uit te grijpen naar andere krachten, die dat “ik” suppleren. Dan grijpt u uit naar God of naar een Meester of naar wat anders. Dan is samenwerking voor u de noodzaak en zult u nooit tot een zelferkenning komen, wanneer u alleen aan uzelf werkt. U kunt dit slechts door anderen. En zo is er voor iedereen weer een weg te geven.

Maar als je nu zo leeft en zo werkt, wat kan er dan gebeuren? Misschien heeft u wel eens zo’n stem in u gevoeld. Ik zeg “gevoeld”, want horen doe je ze eigenlijk niet, Een stem, die plotseling commentarieert op de soms meest vreemde wijze. Midden in de diepe tragiek van je eigen leven en beleven, hoor je ineens een stem fluisteren: domoor! Of wat ruwer: stommeling, aansteller, aanstelster. Wanneer u dat wel eens hebt meegemaakt, dan weet u, dat er een relatie bestaat tussen twee vlakken. Dit is niet alleen het ingrijpen van de geest het is ook het ingrijpen van uw eigen wezen, dat op een hoger vlak werkt, Als u ooit zo’n stem hoort ook al is ze nog zo vaag besef dan, dat u twee werelden gelijk kent en dat u in twee werelden een taak hebt. Op deze manier zult u leren twee aparte delen van uw wezen te zien.

U zult zeggen: Esoterie is een raar vak. Want wij hebben dat nu tijden lang gedoceerd. En nu zoeken wij eigenlijk naar een oplossing, nietwaar? Die oplossing is deze: In de tuin der dromen ligt de werkelijkheid voor u klaar als een tweede werkelijkheid buiten uw eigen wereld. Al wat u bent, al wat u zult zijn, wat u geweest bent, bestaat daar. Al die regels, die ik heb opgesomd, worden daar a.h.w. aan den lijve ervaren en ondervonden. Leer dus meer te dromen. Een vreemde raad. Toch is het waar. Leer meer te dromen. Want als u droomt, zult u uzelf rationaliseren. Niet stoffelijk bewust of redelijk bewust, maar magisch bewust, geestelijk bewust. U zult zo uit uw dromen de kracht putten om te leven op de wijze, die voor uw wezen noodzakelijk is. En uit deze noodzaak, put u dan zelfkennis.

Esoterie is geen verstandelijke weg. Daarin vergist men zich wel eens. Esoterie is de innerlijke weg, die alleen vanuit het geestelijk deel van het eigen wezen volledig duidelijk en kenbaar kan worden en die alleen van daaruit beleefd kan worden in de stof. Niet omgekeerd.

Ontwikkel uw geest, durf te dromen. Maar durf ook uw dromen om te zetten in werkelijkheid, opdat uw eigen wereld deel heeft aan dit voortdurend nauwer omschrijven van uw eigen wezen. Gebruik de krachten, die de droomwereld u geeft, ook in de stof met volle overtuiging, met vol vertrouwen. Ge zult leren, dat schijnbare onzin soms wonderdadige, betekenis heeft.

Dan wordt het zoiets als het taaltje van Alice in Wonderland. It was…….

Woorden zonder betekenis en toch een geheimzinnig ritme van een andere wereld. Het schijnbaar onzinnige heeft zin, wanneer je het begrijpt. Het begrip komt uit de geest. Wanneer de geest dit begrip schept in de mens, dan zal hij juist door de handeling, die schijnbaar onredelijk is, door zijn daadstelling, die consequent is alleen voor hemzelf, kunnen komen tot een steeds nauwer en bewuster omschrijven van zijn eigen wezen en zo een verder doordringen in het geheim ervan.

o-o-o-o-o

Magische wetten en magische krachten.

Wanneer er wordt gesproken over de magie, dan denken heel veel mensen alleen maar aan een tovenarijtje. Maar eigenlijk is de magie een deel van het bewuste geestelijke spel van de mens en ik mag dus ook wel in deze omgeving en in deze sfeer hier iets vertellen over: Magische wetten en magische krachten.

Elke gedachte is een kracht, die op drie niveaus werkzaam is. Het eerste niveau is het onmiddellijk stoffelijke, het tweede niveau het astrale, het derde het hoogst geestelijke niveau, dat het individu bereikt heeft. Op alle drie niveaus wordt een reactie gewekt. En elke reactie op zichzelf betekent een bepaalde verbinding met het lot van deze mens en het vastgestelde systeem van de kosmos. Degene, die weet, hoe hij zijn gedachten moet richten, zal juist uit het bewust richten van de gedachte zo mogelijk in samenwerking met anderen kunnen komen tot de juiste conclusies het ontvangen van de openbaring.

Bij sommigen van de kabbalisten was een samenkomen met een quorum van 9 gebruikelijk voor hun meditaties, voor gebed. In deze meditaties en gebed werden hun krachten geconcentreerd en werd dan van hen tot de Weergever van deze gedachte. Dit gebeurde in wat u noemt “trance”. Maar in deze trance sprak niet alleen de stem van een overgegane. In deze trance werd het brandpunt van een geestelijk beleven geprojecteerd in de stoffelijke wereld door woorden, aan vele sferen en werelden gelijktijdig ontleend. En op deze manier kan de gedachte werken. Ook voor u, ook voor elk wezen, dat het vermogen heeft om langere tijd geconcentreerd een onderwerp te beschouwen.

De basis van de magie is concentratie en contemplatie. Geen meditatie. Want concentratie van het wezen betekent het bundelen van elke geestelijke en stoffelijke kracht in het denkvermogen. De contemplatie betekent het beschouwen van een onderwerp, tot men doordringt in het wezen ervan. Door de geconcentreerde contemplatie van een bepaald voorwerp, een bepaald systeem of een bepaald gebeuren kan de magiër een directe invloed uit zijn gedachteleven uitoefenen en daardoor zijn denkbeelden ten dele of geheel verwerkelijken in de stof.

Dan bestaat er een tweede vorm van magie of beter gezegd naam magie. Er zullen er wel een paar zijn, die die term al eens eerder gehoord hebben. Want elk mens heeft een naam, u ook.

Maar buiten de naam, die u gegeven is bij de geboorte, heeft u ook nog een werkelijke naam, de z.g. godsnaam. D.w.z. de omschrijving van uw functie in het direct Goddelijke. Niet ieder mens, niet iedere geest zal die naam leren kennen. Het duurt soms onnoemelijk lang, voor u die naam beseft. Maar kent u uw eigen naam, dan hebt u daarmee een direct contact met het Goddelijke, zo goed als u door het kennen van de ware naam van een demon of djinn, de ware naam van een duivel of van een magiër, invloed op diens wezen kunt uitoefenen en hem vaak kunt dwingen uw wil te volgen. Maar kent ge de Godsnaam in uzelf, dan kunt ge trekken op de goddelijke Kracht. En het geeft niet hoe groot u de wissel maakt, hij wordt altijd gehonoreerd. Het is dus belangrijk, dat u niet alleen weet wat u doet, wie u bent, maar ook dat u weet, hoe u heet.

Nu zult u zeggen: “Ja, maar ik weet het toch niet, het is mij nooit gezegd”. Dat kan niemand u zeggen. Dat ontdekt u in uzelf. Vroeger zeiden ze wel eens, dat een mens door lange meditatie letter na letter en fase na fase het scheppend woord, het woord dat was op de eerste dag der schepping, kan horen. Maar in feite hoor je je werkelijke eigen naam, je eigen relatie met het Goddelijke. En daarom is dat woord alleen voor jou een machtwoord en verliest het bij mededeling aan anderen zijn waarde.

Zo geldt ook in de magie en het is wel haast even belangrijk als het voorgaande de wet van de z.g. sympathische werkingen. Die zegt: Wanneer hier een kracht is, die gelijk is met deze kracht, zullen beide krachten tezamen elkaar wederkerig zo volledig beïnvloeden, dat zij elkanders spiegelbeeld blijven. Om een voorbeeld te nemen: Je zult hier een boom hebben en daar een boom. Neem je een mes en snij je hier een tak af, dan breekt daar een tak af. Of wel, de tak groeit weer aan tot hij identiek is aan deze boom. Maar zeer snel. Zij blijven identiek, omdat ze uit elkaar kracht putten. Men weet, dat dit zelden voorkomt op aarde in de plantenwereld. Maar dat komt, omdat de planten over het algemeen lager ontwikkeld zijn dan mensen. Bij mensen bestaat het wel dat er twee mensen op hetzelfde ogenblik worden geboren, dat ze hetzelfde leven doormaken, maar ook dat ze in gevoel de reacties ondergaan van elkaars belevingen en dat ze zich daaraan aanpassen. Dat het huwelijk van de een de aanleiding wordt tot het huwelijk van de ander of omgekeerd. Dat de gedachte van de een aan mislukking de ander mismoedigheid bezorgt. Deze sympathische werkingen berusten op het kennen van de persoon hetzij geestelijk, hetzij stoffelijk.

Wanneer wij te maken hebben met personen in de eigen wereld, dan krijgen we zo’n beetje de tovenarij van de voodoo, we krijgen te maken met al die geheimzinnige poppetjes, waar je pijlen inschiet, naalden insteekt, spijkers inslaat, enz. Een onbetekenende magie, die soms werkt, omdat de mens zijn gedachten erop concentreert. Maar wij hebben behalve dergelijke sympathische werkingen ook nog wat anders.

Je bent geboren in een bepaalde sfeer. In die sfeer heb je een vaste meester, je hebt een leider, je hebt een helper. Je geestelijke wezen blijft daarop afgesteld. Elke werking, die van die helper, van de kracht, die daar de stimulans was voor je bestaan, hier op aarde uitgaat buiten jezelf, is een volmaakte sympathie. Er is een wisselwerking, er is een voortdurend contact. Dat is een contact, dat je stoffelijk kunt uitdrukken, en misschien zie je elkaar nooit.

Dat is heel verschillend. Maar zeker is, dat de geestelijke beleving van de een, die behoort bij een meester en de ander, die behoort bij een meester altijd een wederkerige beïnvloeding is. Dat de gedachte van a overgaat naar b, en van b overgaat naar a. Dat ze elkaar helpen, bewust of onbewust. Deze wetten van sympathie kunnen wij gebruiken voor onszelf. We weten niet wie de helpers zijn. Wij weten misschien niet, wie onze meester of wat onze sfeer is. Maar we weten wel, dat het praktisch zeker is, dat er een aantal mensen en een aantal geesten zijn, die met ons verbonden zijn door deze gelijkheid van ideeën en van streven.

Wanneer wij nu hulp nodig hebben, dan moeten wij denken aan deze krachten, die ons binden met het Al. Dan krijgen wij daaruit ons vermogen. Wanneer wij dat heel mooi willen doen, dan doen wij dat door bv. een paar magische tekentjes neer te schrijven. Wij doen het door een reukwerk te verbranden. We doen het misschien door bepaalde spijzen te eten of ons van bepaalde spijzen te onthouden. Maar al deze dingen, al deze sympathische werkingen daar kom ik maar op terecht die kunnen wij vanuit onszelf stimuleren, ongeacht op welke wijze.

Willen wij bv. (ik noem maar wat) een mens genezen, dan moeten wij toch te maken hebben met gezondheid en met geneeskracht, nietwaar? Dan denken wij aan al degenen, die met ons in verbinding staan en die datzelfde deel hebben. En wij nemen hun kracht, zoals wij onze kracht vrijelijk aan hen geven. Voelen wij ons vereenzaamd en niet meer verbonden met die kracht, ach, dan zullen wij een daad moeten stellen van eenwording. Die kan heel erg stoffelijk zijn of die kan geestelijk zijn. Het kan liggen in het bezoeken van een lezing of het maken van een visite. Dat maakt heel weinig uit. Maar je moet op een ogenblik de eenzaamheid verbreken, het isolement verbreken, je moet het contact met de mensen, met de wereld opnemen. Dan heb je meteen het contact met al die anderen, die bij je horen. Zo kun je zeggen, dat elke mens in feite ongeveer 100 x de kracht heeft, die hij gebruikt, maar die kracht zelden put uit de kosmos, omdat hij niet beseft hoe hij verbonden is met anderen.

Dan is er nog een heel simpele magische wet. Misschien wel de aardigste magische wet, die er bestaat. De volksmond drukt het wel eens heel onaardig uit: die zegt: “De duvel schijt alleen maar op een grote hoop”. Dit kan natuurlijk heel goed waar zijn. Maar het is zo, dat datgene, wat wij voor onszelf verwerven en waarderen, zichzelf vermeerdert, zolang ons pogen gelijk blijft. Denk daar eens over na. Als je een punt van geestelijk weten en bereiken zeker hebt, dan breidt dat vermogen zich uit, als je het maar accepteert. Als je een gedachte van wijsheid hebt en je houdt die vast, je waardeert die, dan vloeit daaruit een heel begrip voort, dat een veel groter gebied kan omvatten.

En dan kom je vanzelf toch weer op de esoterie terecht. Want als er één probleem is in jezelf, dat je dan niet kunt oplossen en je blijft daarover nadenken, dan kom je tot een steeds grotere verwarring. Maar wanneer je het probleem constateert en elke oplossing, die daarvan mogelijk is, voor jezelf overdenkt dan krijg je uit al die anderen de medewerking, waardoor die beelden worden omgezet. Dan worden ze gecorrigeerd door de invloed van soms grootgeestelijke krachten of laaggeestelijke krachten, waarmee je harmonisch bent, waarmee je verbonden bent. Deze correcties lijken jezelf dan misschien tamelijk dom. En dan zeg je: ” Na, hoe kom ik zo besjokke vandaag”: Maar als je je goed realiseert wat er gaande is, werkelijk goed, dan zeg je: Hé, ik heb een andere zienswijze gevonden. Ik beschouw hetzelfde probleem vanuit een ander standpunt en daardoor kan ik mijn probleem beter definiëren. Hoe beter ik mijn probleem definieer, hoe gemakkelijker ik een oplossing vind. Hoe vager mijn probleem blijft, hoe onoplosbaarder.

In de esoterie wil ik uiteindelijk het raadsel van mijzelf oplossen, maar dat kan ik niet doen door steeds aan mijzelf te denken. Dat moet ik doen door mij steeds te richten op wat anders, op wat groters, op wat beters. Dat grotere en dat betere, kijk, dat kun je nu alleen vinden, wanneer je zoekt naar al datgene, wat je van God kunt definiëren. Wat je kunt definiëren van God is een kracht. Deze kracht is niet alleen een openbaring in jezelf (dus een bewustwording), maar het is een vergroting van vermogen. Niet alleen vermogen tot spreken, tot genezen of tot handelen. Het is een vermogen, dat zich openbaart op elk terrein. Of dat nu een kwestie wordt van spijsvertering of het beheersen van engelen, dat blijft precies hetzelfde.

En dan heb ik nog een puntje en dan zijn wij er voor vandaag. Het is dit: Die sympathische magie, waarover ik het had, kent nog een bijzondere definitie. En dat is deze: Naarmate ik persoonlijk een grotere eenheid met de wereld bereik door mijn eigen streven, breidt zich het gebied uit waaruit ik putten kan voor die wereld, maar ook voor mijzelf. Zolang ik niet slechts voor mijzelf maar voor de wereld zoek, zal al hetgeen ik voor de wereld bereik in mijzelf verveelvoudigd zijn, omdat het overal waar het in de wereld ontstaat, door mij weerkaatst ontvangen wordt. Dus wanneer u nu op een gegeven ogenblik heel erg krap in de centen zit, dan geeft u een fooitje of u geeft een stuiver aan een bedelaar, het geeft niet wat. Dat doet u een paar keer. U hebt dan een paar keer het idee van ontvangen gewekt, en die reflex van het ontvangen maakt u tot ontvangende. Wanneer u zegt: “Het zit mij nu zo hoog, iedereen loopt aan mij voorbij, niemand kijkt naar mij”, dan gaat u naar iemand kijken. Kijk eens naar een paar aardige kinderen, zo hier en daar. Help een oud mens eens een keer om de weg over te steken. Bewijs je buurvrouw een dienst, ook al zegt ze geen “dank je” Dan heb je daardoor contact gelegd. En zo zal je dezelfde aandacht, die je gegeven hebt, terugkrijgen.

Maar onthoud één ding’: Je mag nooit stipuleren hoe je het terugkrijgt. Want als je gaat zeggen: “Ik geef die bedelaar 5 centen om zo dadelijk een zoet winstje van 95 ct. in mijn handpalm te hebben”, dan gaat het niet door. Het wordt u misschien niet gegeven in geld, maar misschien in een gratis maaltijd, die u ergens krijgt. Maar je krijgt het terug.

  • Als de rente?

Ja, het is een hoge interest. Wat dat betreft zou je mogen willen, dat je je geld kon uitzetten op dezelfde rentevoet. Dan zou je voor je hele leven geborgen zijn. Maar luister nu nog even.

Wanneer je nu ditzelfde eens wilt toepassen op geestelijk terrein, dan moet je dit onthouden: Waar je kunt en waar het gewenst wordt moet je proberen anderen te helpen, te steunen en te leren, hun iets bijbrengen. Naarmate je anderen meer leert, leer je zelf meer. Naarmate je anderen helpt tot een gelukkiger leven, vind je in jezelf een juistere weergave van de kosmische harmonie, waarin het geluk ligt. Zo weerkaatst de wereld in veelvoud al datgene, wat je aan de wereld doet, in jezelf. En dan wordt het misschien niet zo tastbaar uitgedrukt, dat je het in je portemonnee of in je portefeuille telt, het wordt niet zo tastbaar uitgedrukt dat je het kunt opeten of dat je het kunt weggeven, maar het is er en het blijft in jezelf.

Niet in verband met anderen of in gemeenschap of in verbond moet je die dingen doen. Alleen zelf. Uit de gedachte, die je draagt: In de wereld geven wat je geven kunt aan wijsheid, aan genegenheid noem het maar op alles: wat je begeerlijk lijkt het komt terug in jezelf. Maar niet. Meer als een stoffelijk iets. Wat alleen buiten je staat, maar vooral als een geestelijke kracht, die in je werkt. Een kracht, waardoor je bewuster wordt van jezelf, waardoor je leert meer te zijn voor de wereld en zo uit de wereld een nog groter begrip omtrent jezelf en ge Schepper te ontvangen. Dit zijn een paar kleine, haast onbelangrijke puntjes over de magie. Een andere keer gaan we er misschien wel weer eens op door.

o-o-o-o-o

De poort, waardoor je het leven ingaat.

Wanneer wij spreken over: De poort, waardoor je het leven ingaat. (daarover gaat het eigenlijk in dit geval), dan betekent dit, dat je een bepaalde reeks van ervaringen hebt gekozen. Maar als je de weg gaat van begeerte, moet je automatisch ter verlossing de weg der onthechting volgen. En kies je de weg van de wetenschap, dan moet je automatisch via de wetenschap komen tot de aanvaarding en het geloof. Dat kan niet anders.

In het ene geval wordt er dus gesproken over de weg, die uiteindelijk leidt tot absolute bewustwording. In het andere geval wordt er gesproken over de weg, die je gaat op dit ogenblik. En dan kan ik wel zeggen: Mijn waarde vriend, je gaat vandaag naar de Suez-kade toe. Maar als je nu toevallig naar de Middelburgse straat moet, dan moet je dus een andere kant uitrijden. En dan kunnen we zeggen: Je moet de weg naar de Middelburgse straat volgen. Maar dat is niet juist, wanneer je dat tussenstation nog hebt op de Suez-kade.

Nu is het zo: U komt uit de geest. Vanuit de geest incarneert u in de stof. Bij die incarnatie speelt een zekere keuze dus een rol: dat hebt u al vaak gehoord. Maar de wijze van die keuze is weer afhankelijk van de weg, die u kiest. En nu gaat de een zeggen: Ik wil weten. De ander zegt: Ik wil beleven. Degene, die wil beleven, gaat waarschijnlijk de weg van hartstocht. Degene die wil weten, gaat waarschijnlijk de weg der wetenschap. Dat is dus aannemelijk. En zo zijn er veel andere wegen. Maar degenen, die de weg van de wetenschap gaan, die komen tot het geloof en zo tot de aanvaarding. Dus zij komen wel op dat punt terecht, maar de rechte lijn bestaat niet. Je kunt het eigenlijk het beste zo zeggen (het staat n.l. in verband met reïncarnatie): De mens, die gaat reïncarneren is iemand, die naar een doel moet, dat waarschijnlijk vlak aan de overkant van het water ligt. Maar er is geen brug en daarom moet hij eerst een eind omlopen om de brug te vinden en vandaar keert hij terug.

Vragen

  • N.a.v. hetgeen er een vorig maal gezegd is, ben ik tot een zinsnede gekomen bij de behandeling van Job, n.l. dat Job weer kinderen kreeg. Nu is er ook gezegd over Job sprekende en over het verlies van zijn kinderen: Het ging hier niet om de persoonlijke binding, die Job had aan zijn familie. Die persoonlijke binding kan door het geloof en het vertrouwen worden opgeheven en de band, die geestelijk bestaat, wordt niet verbroken. Dat is mij niet helemaal duidelijk.

Je hebt een heleboel mensen, die wanneer zij kinderen hebben het leven van die kinderen helemaal willen regeren. De jongere moet precies doen wat ik goed vind: en dat meisje mag alleen maar zo gaan en trouwen met degene, die ik daarvoor enz. enz. Die mensen zeggen, dat zij van hun kinderen houden. Het is ook een soort kinderliefde (of apenliefde hoe je het noemen wilt). Deze mensen hebben dus het idee, dat ze liefde betonen. Maar dat is natuurlijk niet waar. Het is een zekere bezitzucht. Wanneer dus die binding is aan het kind als zodanig (ik moet dat kind zien) dan is dat ook nog zo’n binding. Er zijn van die mensen, die alles best en goed vinden, ze mogen doen en laten wat ze willen, als ze hun eigen weg gaan. Maar pa en ma moeten – al zijn ze reeds 40 jaar getrouwd – regelmatig gaan kijken. Ze moeten die kinderen zien, ze moeten weten hoe het er mee gaat. En dat kan nu worden opgevangen door het geloof en het vertrouwen.

Wanneer wij geloven in God, dan hebben wij via God een binding met al het geschapene en zeker met degenen, die God ons als kinderen heeft toevertrouwd. Maar dan hebben wij met die kinderen slechts in zoverre te maken, als het voor ons persoonlijk een zegen is, dat wij die kinderen hebben. Want wij geloven toch wel degelijk, dat God het goede met hen voor heeft?

Wij vertrouwen erop, dat wat er met dat kind gebeurt, het beste is.

Dan gaat zo’n kind dood. Erg vervelend? Neen, helemaal niet. Want ongetwijfeld heeft God hier het kind de mogelijkheid gegeven om de beste weg te gaan. En dus aanvaard ik dit. Ik vind het voor mezelf erg onplezierig. Maar aanvaard ik dit, dan zeg ik: Dit is goed. En doordat ik dat vertrouwen heb “het is goed”, blijft de band voor mij bestaan met dit kind. Die is niet verbroken, want het kind leeft in mij.

Nu ja, dan krijg je later andere kinderen en dan ontstaat er weer precies dezelfde band. Maar het mag nooit een verplichtings- of een bezitsband zijn. Op het ogenblik dat wij menen persoonlijk een verplichting te hebben tegenover kinderen, zijn wij fout. Op het ogenblik dat wij menen, dat wij rechten hebben op de kinderen, zijn wij al evenzeer fout. Het gaat hierom, wij hebben alleen de verplichting tegenover het kind dus om het in staat te stellen de wereld in te gaan. Verder hebben wij er niets mee te maken. Of dat kind nu voddenraper wil worden of miljonair, dat gaat ons toch niet aan? Dat is toch voor dat kind? Dat is toch het leven van dat kind?

  • Dat zullen ze je tegenwoordig wel duidelijk maken ook.

Ze proberen het. Maar er zijn veel ouders, die hardleers zijn. En het leuke is, dat degenen, die het u als ouder nu duidelijk maken het later van hun kinderen ook niet zullen begrijpen. De hele kwestie is dit: Wij moeten dus een onthechting kennen, waarbij God in de plaats treedt van onze rechten en onze verplichtingen, zoals menigeen die meent te stellen. En hebben wij die verhouding, dan blijft de band bestaan, maar ze krijgt een heel andere inhoud.

De verhouding tussen Jezus en zijn moeder is aan de ene kant een van de meest ideale. Die beiden gaan wel degelijk volledig in elkaar op. Toch, wanneer Jezus zijn werk doet, zegt hij:. Vrouw, wat heb ik met u van doen? Waarmee hij dus alleen te kennen wil geven: Hoor eens even, je bent mijn moeder, geestelijk bestaat die band tussen ons, maar dan mag je daar geen stoffelijke rechten aan vastknopen. Want mijn werk is Gods werk: mijn taak is Gods taak.

En dat geldt voor jou precies hetzelfde. In God vinden wij elkaar. Wanneer je het zo bekijkt, dan kun je de conclusie voor Job er ook uit trekken. Anders is het een tamelijk ongezellige kwestie. Stel u voor, u hebt kinderen: en God zegt tegen u: “Ik ga je eens even beproeven. Hup, kinderen dood. Nu behoef je je toch niet te beklagen? Je krijgt toch anderen?” Ik denk niet, dat u er mee akkoord zou gaan.

  • Die hele geschiedenis van Job heb ik ook eens nagelezen bij Blavatsky. Die begint daarover te vertellen dat het een kwestie is van een inwijding. Ik zou zeggen: er is toch niets in het leven, dat geen inwijding is?

Daarmee kan ik het niet helemaal eens zijn. Er zijn heel veel dingen die geen inwijding zijn om de doodeenvoudige reden, dat de mens bij de inwijding steeds het nieuwe zowel de nieuwe verplichting en de nieuwe belasting als de nieuwe ontdekking moet verwerken en verdragen.

Op het ogenblik, dat wij weigeren het nieuwe te accepteren, omdat wij ons bij het oude houden al leen vanwege de gemakzucht, dan is er van geen inwijding sprake. Dat is toch logisch?

  • Maar het leven confronteert je toch met omstandigheden om te leren?

Zeker, maar we moeten ze accepteren. De aanvaarding, het accepteren. Vandaar dat wij Job als een inwijdingsgeschiedenis kunnen zien, omdat bij Job ondanks al zijn treuren en zijn verdriet er toch sprake is van een aanvaarding. Hij aanvaardt Gods wil, hij komt niet in verzet. En dat is hier het bepalende voor de inwijding. Ik heb met Jobs geduld de vragen over Job beantwoord. Volgende punt?

  • De drie begrippen, egoïsme, persoonlijkheid, integriteit, zoudt u daarover iets willen zeggen: Ten opzichte van elkaar, bedoel ik.

Egoïsme is in feite een volkomen gebrek aan integriteit, waar de persoonlijkheid zichzelf ontkent als bestaande in de wereld en slechts de wereld erkent als bestaande voor zichzelf.

Dat is logisch. De persoonlijkheid zelf is de wezensuitdrukking die wel egocentrisch gericht is vanwege haar wijze van beleven en waarnemen (dus men ziet zichzelf, of men wil of niet, toch als een centrum in de wereld, van daaruit komt de bewustwording) maar zij ziet dit mits zij juist is en dus integer in verhouding tot de wereld. Er is een voortdurende wisselwerking tussen persoonlijkheid en wereld. En de persoonlijkheid tracht de wereld te dienen, terwijl ze gelijktijdig uit de wereld alles accepteert. Het zijn twee voorwaarden. Het is niet alleen aan de wereld geven, maar ook van de wereld ontvangen. Deze twee dingen tezamen n.l. maken voor de persoonlijkheid de juiste vorm uit. En wat wij dan integriteit willen noem en, laten wij dat eerder gewoon oprechtheid of eerlijkheid noemen.

  • Karakter?

Neen. eigenlijk niet. Wij kunnen het best hier zeggen: oprechtheid. Iemand die integer is, is n.l. iemand die eerlijk is, zuiver.

  • Zichzelf?

Zichzelf zou je het ook kunnen noemen. Maar niet ieder, die zichzelf is, is tevens integer. Integendeel. Het is een vorm van oprechtheid, van zuiverheid, van eerlijkheid, uitgedrukt als eigenschap van de persoonlijkheid. En nu kunnen wij daar een hele tijd over gaan filosoferen, maar ik geloof dat wij het. eenvoudigst het heel kort kunnen doen. Als je de persoonlijkheid hebt, dan heeft deze een bepaalde karakteristiek, dus een reeks van eigenschappen. Die reeks van eigenschappen zijn met die persoonlijkheid onverbrekelijk verbonden. Persoonlijkheid zou dus eigenlijk kunnen worden gedefinieerd als een combinatie van eigenschappen, die een zeer bijzonder beeld vormen (we kunnen ook zeggen een patroon vormen) te midden van de schepping en daarin eenmalig is. Elke persoonlijkheid is eenmalig in de schepping in haar totale aspect. Ik hoop, dat u het daarmede eens kunt zijn. Wanneer die persoonlijkheid nu egoïstisch wordt, dan verwerpt zij de relatie met de wereld. Maar zij is eenmalig: het is een exclusief iets die persoonlijkheid, onverschillig of zij nu in de stof leeft of in de geest. Zij kan alleen tot haar recht komen en zichzelf openbaren en ontplooien in verbinding met al hetgeen rond haar is. Want de wereld vult de persoonlijkheid aan, zoals de persoonlijkheid nodig is om de wereld haar volmaaktheid te geven. Het gevolg is, dat de persoonlijkheid, die zich door egoïsme afsluit, een steeds kleinere persoonlijkheid wordt, eigenschappen verliest en over het algemeen een onaangename nadruk legt op enkele eigenschappen. Zolang echter de verbinding met de wereld bestaat en dit niet het geval is, kunnen wij dus gaan spreken over de vraag of de persoon integer is of niet. Iemand die egoïst is kan ook integer zijn, als hij er eerlijk voor uitkomt, dat hij egoïst is. Laat ons dat niet vergeten. Het jammere is dus dat menig egoïst niet integer is, omdat hij zich schaamt toe te geven, dat hij egoïst is. En dat is in feite toch weer een teken van verbetering. Want als je je ergens over schaamt, erken je tenminste, dat het niet goed is.

Nu moet men zuiver eerlijk, oprecht zijn. En dat is heel erg moeilijk, omdat onze persoonlijkheid niet beleefd wordt in zijn geheel. Wij kennen misschien onszelf ten dele, maar van datgene, wat wij van onszelf kennen, zijn wij maar bereid een zeer klein gedeelte aan de buitenwereld te tonen. Het gevolg is, dat wij voortdurend met draaierij omgaan, om het zo eens te zeggen. Wij proberen onszelf te vermommen en te verhullen tegenover anderen. Als resultaat zullen onze handelingen niet in overeenstemming zijn met hetgeen wij voorstellen of voorgeven te zijn. Hierdoor zijn wij dan niet integer en ook niet betrouwbaar. De betrouwbaarheid bestaat pas dan voor de persoonlijkheid wanneer zij zichzelf, zo volledig als zij zichzelf kent, durft geven aan de wereld en in deze wereld voortdurend beantwoordt aan haar eigen kwaliteiten, voor zover zij die zelf kan beseffen.

Daar ligt nu de hele kwestie in. Bestaat die laatste situatie, dan zal de persoonlijkheid, doordat ze eerlijk is tegenover de wereld, uit de wereld ook eerlijke reacties terugkrijgen. Je krijgt uit de wereld altijd weerkaatst, wat je uitzendt, Daaraan kun je niets doen. Dan wordt hierdoor dus het eigen beeld voortdurend aangevuld en veranderd. De persoonlijkheid realiseert zich beter wie en wat zij is en zal juist daardoor zich beter kunnen aanpassen, niet bij de schijn van een bepaalde wereld  of omgeving, maar bij het totaal van de kosmos, waarin zij thuishoort. Op het ogenblik dat zij haar juiste plaats heeft gevonden temidden van de kosmos, zal zij de volmaaktheid van die kosmos realiseren en volmaakt in contact staan met het totaal van de kosmos. En dan kent ze ook zichzelf volledig, doordat ze het geheel van haar omgeving beseft. Daar komt het eigenlijk op neer.

  • Wanneer nu iemand weet dat hij bepaalde kwaliteiten bezit die verwerpelijk zijn, dan kun je daarmee toch niet tevoorschijn komen. Je moet juist trachten ze zoveel mogelijk te verbeteren.

Je moet natuurlijk trachten ze te verbeteren. Maar dat wil nu niet zeggen, dat je ze dan moet verbergen. Verbeteren en verbergen acht ik niet identiek.

  • Maar neem nu eens aan dat je aanleg hebt voor kleptomanie. Dan loop je daarmee toch niet te koop?

Als je verstandig bent, doe je dat wel. Daardoor ben je gedekt tegen de fouten, die je tegen je wil misschien toch zou maken. Terwijl niemand kan zeggen dat je anders was en dat je je anders hebt voorgedaan dan je bent. Ik meen dus dat kleptomanie en ook vele ander dingen in zekere zin eerlijkheid vragen. Het is natuurlijk niet zo dat als u kleptomaan bent er van u verwacht wordt, dat u met een scheepsroeper op het dak gaat staan roepen: “Ik ben kleptomaan, kijk uit!” Maar wat wel van u verwacht kan worden is wanneer u in een nieuwe omgeving komt, dat u de omgeving in kennis stelt met deze fout, met deze ziekte, met deze eigenschap. Omdat u, zelfs al doet u alles om haar te bedwingen, toch moeilijkheden daarmee kunt krijgen en de omgeving moet weten dat ze daarmee rekenen. En het typische hiervan is, dat wanneer je eerlijk bent in dit opzicht en je niet probeert om je anders voor te doen dan je bent je daardoor in de wereld een betere ontvangst hebt, dan wanneer je jezelf vermomt.

Want op het ogenblik dat je je voordoet als anders dan je in werkelijkheid bent, dan zul je toch op een gegeven ogenblik jezelf prijsgeven. Je zult toch op een gegeven ogenblik laten merken, dat je toch niet helemaal eerlijk bent geweest. Dit is dan voor die wereld een slag. En die neemt dan niet alleen aan, dat deze eigenschap nu de werkelijkheid is, maar ze zegt: Daar zit nog veel meer achter. Dus in de wereld is de reactie niet gunstig. Maar voor uzelf is het ook niet prettig. Want doordat u voortdurend probeert uw fouten te verbergen, gaat u er te veel op letten. En doordat u er teveel op let, stimuleert u ze. De fouten, waaraan je denkt, bega je. Vandaar ook, dat iemand die over een smalle muur loopt of in een dakgoot en volkomen nuchter is, duizelig wordt en valt, als hij naar beneden kijkt, omdat hij zich voortdurend van het gevaar bewust is. Maar een dronken man of een slaapwandelaar wandelt er zo doorheen. Het interesseert hem helemaal niet. Hij heeft geen evenwicht storing. Waarom? Omdat het niet noodzakelijk is zich dat gevaar te realiseren. Hij is zichzelf op dat ogenblik en daar moet die omgeving zich maar bij aanpassen. (Het is natuurlijk geen juist voorbeeld, klinisch is hier nog wel het een of ander op te merken.)

  • Maar de geestelijke kwesties, die tekortkomingen, die kunnen wel van zo’n aard zijn, dat van de projectie in de buitenwereld iedereen kennis kan nemen. Dat kan toch ook ongewenst zijn? En heel veel mensen zullen dat dus niet doen, hoewel het misschien wel beter zou zijn.

U moet het anders bekijken. Het is niet dat het beter zou zijn, en het is ook niet dat het ongewenst is. Maar het is doodeenvoudig, dat men voor zichzelf niet de consequenties van zijn eigenschappen wenst te aanvaarden. Een dief die zegt “ik ben een dief”, is een eerlijke dief. Een dief, die zegt: “ik ben eerlijk”, is niet slechts een dief maar ook een huichelaar. Dus een dief kan eerlijk zijn. Had u nooit gedacht, hé? Is dit probleem ook voldoende opgelost of niet?

  • In de vorige lezing is gesproken over: Wanneer we alleen willen streven en werken, dan bouwen wij een wand op tussen de schepping en ons. Hoe kun je alleen werken en streven?

Alleen werken en streven kun je door te proberen alle lasten van je eigen streven en werken te dragen en de verantwoording, die je tegenover de wereld draagt, door dat streven en werken te ontkennen. Dus je bemoeit je niet met anderen. Je zegt niet: Wat heeft het voor anderen te betekenen wat ik doe? Wat voor lasten laad ik nu daarmee op? Wat voor moeilijkheden bezorg ik hun ermee? Neen, je zegt: Dit is mijn werk en dat werk is goed, en dat doe ik zelf. Dat gaat alleen maar mij aan. Daardoor ontvreemdt u eigenlijk een deel van het leven uit zijn normale samenhang. U neemt het er uit weg. Het resultaat is dus, dat u geen realiteit meer kent. U gaat de zaak vals waarderen. U zegt: Ze moeten blij zijn dat ik zo ben.

Een voorbeeld. Een zangeres, misschien een betrekkelijk groot zangeres. ‘s Morgens begint ze plichtsgetrouw om 10 uur ahahahahal”, ‘s middags idem, ‘s avonds nog even de stembanden losmaken en dan krijgen we nog een aria uit: “De macht van het noodlot”. Dan zegt de zangeres: Ik ben toch een groot zangeres, iedereen moet toch blij zijn, dat ik dat ben. Maar ze heeft een ding vergeten: dat haar “ahahahaha’s eigenlijk overlast is. Als ze zich dat zou realiseren, zou ze zich waarschijnlijk ietwat beperken in haar al te luidruchtige oefeningen. Ze zou daarvoor in de plaats andere oefeningen stellen, waardoor ze ook haar eigen stem zou sparen, maar bovendien bij de beperking van haar uiting en veel groter waardering zou krijgen voor datgene, wat ze dan nog doet. Op die manier bouw je een wand tussen jezelf en de wereld op, als je het alleen vanuit je eigen standpunt gaat zien. Dat mag niet.

  • Er is de vorige maal gezegd: In u leeft God. In u leeft God met Zijn totale schepping. En even verder: in u verborgen is een geheimzinnig hoekje. Daarin ligt dat eerste begin, dat eerste oplichten, het eerste woord: het zij licht. Wilt u hierop ingaan? Is dit bedoeld in de zin van geestelijk licht met het groeien van ons bewustzijn?

Het zij licht. Dat is eigenlijk het eerste woord, dat wij lezen in Genesis. Er wordt hier dus teruggegrepen op een Bijbels beeld. In den beginne was het Woord en het Woord was God.

Daarmee beginnen wij. Dat woord is dus de eerste uiting, de eerste: activiteit. En dat “het zij licht” is een scheppingsproces. Dat scheppingsproces is niet alleen geestelijk geweest: het heeft het totaal van de kosmos omvat. Vanuit dit standpunt gezien is dus dat geheimzinnig hoekje, waarin “het zij licht” voor ons het is gelegen, niet alleen een kwestie van een geestelijke ontwikkeling of van een geestelijk licht. Het is eerder de zaak van een zelfontdekking en zelfonthulling en een zelfherschepping. En dat, wat Hij in den beginne in Zijn schepping heeft gelegd. leeft in ons. Wij kunnen daaraan volkomen beantwoorden: wanneer wij kunnen doordringen tot dit geheim. Wanneer wij dit “het worde licht”, of “het zij licht” dus in onszelf kunnen omzetten tot een uit ons tredend licht, dat zich zowel stoffelijk als geestelijk uitbreidt over de wereld en ons daarbij onthult wat de wereld, wat de geest, wat de werkelijkheid is. Dus “het zij licht”, “het worde licht” is de werkelijkheid van de schepping, dat is het oerprincipe, dat is het begin. Kunt u het vatten?

  • Dus het begin en het einde liggen ook in ons besloten?

Natuurlijk. Schrijven wij niet altijd: Hij, Die is alfa en omega? Hij, die is begin en einde? Dat is dezelfde God, Die in ons leeft. Daarbij maakt de mens heel vaak de fout, dat hij stelt dat begin en einde van elkaar verschillen. Maar als het begin God is en het einde is God, dan zijn begin en einde volkomen gelijk. Zij zijn in feite identiek.

Zolang het wezen Gods in ons leeft, is begin en einde van ons leven in ons vastgelegd. De wijze, waarop wij alles beleven, waarop wij dat fase na fase voor onszelf recapituleren, is onze bewustwording. En wij komen hier van het begin (het in God geborgen zijn maar niet kennen van Zijn schepping) via het leren kennen van de schepping (het leren kennen van al hetgeen de schepping biedt, het beheersen van de schepping) tot de aanvaarding van God. En wat is dan het verschil? Het verschil tussen begin en einde voor ons is het verschil van slapen zonder dromen en dromen zonder slapen. In het begin rusten wij in God. Vanuit God word en wij langzaam bewust gemaakt, wij ontwaken. Maar de droom van volmaaktheid, die blijft ons bij. Want datgene, wat geweest is, gaan wij ons nu pas realiseren. Zo leef je eigenlijk in een dubbele wereld.

Elke mens heeft zijn wereld, waarin God leeft. Hoe hij die God nu noemt, dat is een andere kwestie en hoe hij Hem ziet ook. De een ziet Hem als een machine, de ander als een kosmische macht. Maar je hebt zo het idee van het volmaakte. Die droom van volmaaktheid blijft je je hele leven bij. Daardoor werk je daardoor zwoeg je, daardoor streef je. Het klinkt misschien gek, maar uit dit zoeken naar volmaaktheid worden evenveel echtscheidingen geboren als wijsgerige beschouwingen. Misschien van de eerste zelfs meer. Iedereen probeert op zijn manier die volmaaktheid, die in den beginne was en die door het hele leven en door elke fase meeklinkt, steeds weer te realiseren. En dan komt er een ogenblik, dat die realisatie er is. Dan is het beginpunt weer bereikt. Maar nu met de bewuste verzadiging. De droom van volmaaktheid, die ons een leven lang heeft achtervolgd, is tot onze werkelijkheid geworden. En in die werkelijkheid vinden wij God.

Voor een mens is het natuurlijk heel erg moeilijk om je voor te stellen: God leeft in je. Ja, het is een aardige theorie. Maar kom nu maar eens met een bewijs. Vertel mij nu maar eens: Waar zit die God? Wanneer je dat tegen iemand zegt, die z.g. niet aan God gelooft (ik zeg “z.g.”, want ergens gelooft hij altijd aan en dat ergens of iets treedt in de plaats van God, dat is dus zijn speciale visie op iets in het leven) maar als hij er z.g. niet in gelooft, dan zegt hij: Vertel mij nu eens, waar zit God? Zit Hij in mijn nieren of zit Hij in mijn maag? Er zijn verschillende gebruiken daaromtrent. Hier zegt men: Ik houd van je met heel mijn hart? elders zeggen ze: Ik houd van je met heel mijn nieren. En zo gaan ze verder.

Die God moet ergens zitten. Dat is nu het foute idee. Men beperkt God tot iets, wat binnen het ik zit. Men begrijpt niet dat elke substantie, elke kracht geestelijk of stoffelijk van het ik tevens goddelijk is. Zij bestaat in God. Alles wat je hebt. Ik heb hier een lichaam op het ogenblik in gebruik. Hier, dit is God, dit is Gods kracht. Het bloed, dat er doorheen gaat, is Gods kracht.

De levensstroom, die er doorheen kan vloeien, is Gods kracht. Wat er mee gebeurt, wat er mee gedaan wordt, is Gods kracht. Er is niets anders. Het is God. Als je je dat nu maar gaat realiseren, dus niet meer God ziet als iets ergens in een hoekje, maar God ziet als alles, dan ga je onwillekeurig zeggen: Ja goed, maar als God dan in alles is, wat ben ik dan, in God? En dan kom je eindelijk tot de juiste vraagstelling. Want de vraag is niet: Wat ben ik? Daaraan heb je niets. Al weet je duizend keer wat je bent, dan schrik je je hoogstens dood en heb je er ellende van. Dat gaat net als met een dame, die een foto ziet, die plotseling genomen is. Dan zegt ze ook op een gegeven ogenblik: Hé, ben ik dat nu? Vlug in de kachel ermee. Zo gaat het als je die waarheid vindt zonder meer. Maar vind je jezelf in God, dan zie je niet alleen het beeld van wat je bent. Dan zie je het verband, dat bestaat tussen wat jij bent in God en wat al het andere is in God. Oftewel je erkent a.h.w. de verhouding die de delen t.o.v. elkaar hebben.

Er is een oud sprookje, dat we al een paar maal hebben verteld over de tapijtmaker. Misschien herinneren sommigen het zich nog wel. Daar komt dan in voor, dat een engel de tapijtmaker, nadat deze geprotesteerd heeft tegen God, omhoog neemt en hem eerst laat zien hoe klein de stad is vanaf de toren van de minaret. Dan neemt hij hem mee naar een wolk en laat hem daarvandaan kijken. Dan ziet de man, dat iedereen een draadje met zich mee sleept en dat het dus een hele warboel is op de wereld. Dan neemt de engel hem nog een beetje hoger mee. En dan ziet hij, dat er een tapijt geweven wordt van buitengewone schoonheid.

Nu zou ik dat idee willen overnemen maar iets variëren. Als Gods schepping kan worden voorgesteld als een tapijt, dan zijn wij dat ene pluisje wol, dat daar zo zorgvuldig vastgehaakt zit (denk maar aan Smyrna), en daarnaast zit een pluisje van een andere kleur. Dan zeggen we: Dat deugt niet. Misschien deugt dat niet op het ogenblik vanuit ons standpunt. Maar juist de samenvatting van die twee kleuren geeft schoonheid. Dat is het patroon. Daarom is het kleed volmaakt. En wanneer wij dus onszelf in God leren beseffen, dan gaan wij niet beseffen: “Ik ben een pluisje wol, groen, van die en die structuur: misschien kom ik van een merinosschaap of misschien ben ik van een kunstwolfabriek gekomen”. Dat weet je niet, dat kun je gaan uitkienen allemaal. “Ik ben groen, ik ben met kleurstof op kopernitraat-basis geverfd”. Dat zal je allemaal kunnen vinden, Doch daaraan heb je niets. Maar te beseffen: “Ik ben een deel van de schepping, dat daar staat voor een contrast misschien, maar dat juist met dat contrast God helpt om de volmaaktheid te scheppen, als deel van God ben ik deel van de volmaaktheid, zoals ik ben”, dan kom je een heel eind verder. Want het beroerde is dat de meeste mensen, doordat ze denken anders te zijn dan ze zijn, in conflict zijn. Zoals u bent, zoals u werkelijk bent (dus van begin tot einde, alfa et omega, al uw levens bij elkaar, alle sferen, alle belevingen, alle gedachten) bent u reeds nu volmaakt. U bent God. Niet de volledige God, maar een absoluut deel van God, zonder enige aarzeling.

Zo de zaak bezien, geeft je een zeker vertrouwen in jezelf. En dan ga je ook niet meer zeggen (een fout, die menigeen maakt): “Ik moet mijzelf vervolmaken, opdat ik pas in God”. Neen, Je gaat zeggen: “Ik moet mijzelf leren beseffen in God, in de verhouding tot God, opdat ik de volmaaktheid beseffen. Het is niet zo, dat dat tapijt op het ogenblik geknoopt wordt, nadat u de juiste kleur hebt gekregen, bij wijze van spreken de juiste structuur. Dat tapijt is er en u bent er. Maar u moet tot een erkenning van het geheel. Dat is eigenlijk uw bewustwording, daar is de bewustwording voor bestemd. Al die gebeurtenissen, die u meemaakt, al die dingen die voor u tellen, die horen wel in uw leven. Maar de wijze, waarop u ze hebt doorgemaakt, waarop u ze interpreteert, dat is nu toevallig uw eigen zaak. Begrijpt u? Dus als wij zeggen, dat Hij, Die begin en einde is, in ons is, dan zeggen wij dat wij zelf ook begin en einde zijn, oneindig en eeuwig. Waar wij ook zijn, hoe wij ook zijn, in elke vorm, in elke gestalte zijn wij deel van de oneindigheid.

Zoals dat pluisje wol, waar ik het over heb, uit duizenden draadjes is samengevlochten, zo bestaat ons werkelijk wezen uit duizenden verschillende fasen. Uit incarnaties, de meest verschillende werelden, de meest verschillende vormen, de meest verschillende bewustzijnsuitingen. En zo tezamen krijgen we de massa, de structuur, die ons wezen is in God. Wij kennen daarvan een deel, God kent daarvan de volmaaktheid. Maar het deel, dat wij thans beleven, staat met het geheel in een onmiddellijk verband. Dat is niet te scheiden. U kunt niet zeggen: Het een ligt ver in de toekomst, het andere ver in het verleden. Het is bij elkaar. Het is steeds alpha et omega, begin en einde, in ons. En het beseffen hiervan betekent dat wij ons leven moeten instellen op die God, Die in ons leeft. Die God, waarvan wij een direct deel zijn. Kunnen wij ons volledig genoeg op die God instellen, dan valt de beperking van dat ene leven weg en worden wij de volheid van ons wezen. Wij kunnen nooit het tapijt worden wij kunnen nooit de hele God worden. Maar wij kunnen het volmaakte deel worden in God, bewust, zoals God ons heeft geschapen. En wij kunnen van de kracht van die God gebruik maken. Een pluisje wol wordt weggewaaid door de wind, nietwaar? Maar in een tapijt kan het druk en trek en alles hebben. Het zit vast, het hoort daar, het zit op zijn plaats.

Zo moet het bij ons nu ook gaan. Wij zijn of wij dat nu willen accepteren of niet op onze plaats. Alles wat wij doen, alles wat wij beleven is en blijft deel van God. Er is niets kwaads te bedenken vanuit menselijk of ander standpunt, dat niet tevens deel van God is. En als het in ons is of als het door ons geuit is, is het en blijft het nog deel van God. Zo moet en wij niet proberen om wat wij kwaad noemen te bestrijden, maar om de God in ons te realiseren. En nu is het gekke: wanneer wij God in ons realiseren, dan verdwijnt het begrip kwaad en wordt de interpretatie van het leven een andere. Dan wordt hetgeen ons drijft (en dat maakt het juist voor ons kwaad) iets anders. En zo komen wij dan op de duur tot de absolute aanvaarding.

  • Het impliceert dus de tijdloosheid in de eeuwigheid.

Natuurlijk. U bent net zo eeuwig als ik, waar of niet?

  • Maar de mens, die niet filosofisch ontwikkeld is, blijft steeds in de tijdelijkheid, terwijl uw betoog op de eeuwigheid gebaseerd is.

Het is op de eeuwigheid gebaseerd maar met een verschil dat ik de tijdelijkheid in de eeuwigheid erken, omdat ik zeg, dat vele tijdelijkheden tezamen ons deel van de eeuwigheid vormen. En dan ga ik nog een stap verder, want daar gaat het mij nu om? Die kwestie van goed en kwaad, zelferkenning enz., die krijgt n.l. in dit licht een heel andere betekenis. Het gaat er niet om je leven te veranderen, maar om het te beleven als iets wat direct verbonden is met God, met het hoogste wat je je kunt voorstellen. Als je in alles wat je doet, in alles wat je beleeft, steeds weer die hoge inhoud, die hoge betekenis kunt terugvinden, dan leef je eigenlijk al in de eeuwigheid en de volmaaktheid.

Het eigenaardige is ook dat het tijdsbesef langzaam maar zeker vervalt. Het is er wel en je leeft als mens misschien of als geest, maar het heeft geen nadruk meer. Hoe moet ik het zeggen: Het is net als een film. Je gaat naar de bioscoop, ze draaien een leven van 50 jaar in 50 minuten. En dat vind je heel normaal, want dat is het verhaal. Maar je weet heel goed dat er geen 50 jaar verlopen zijn, dat er een andere tijd bestaat. Zo realiseer je je uit die eeuwigheid, dat er een tijdsverloop bestaat. En dan kom je tot een beleven van elke fase uit elk bestaan desnoods opnieuw naar eigen willekeur, naar eigen verkiezing.

Het is niet zo, dat als de eeuwigheid volmaakt is, we allemaal gaan zitten op een gouden stoeltje en “halleluja” zingen. Dat zou een vervelende boel zijn. Vooral als je weet dat degenen, die het hardst zingen meestal de minste stem hebben. Maar dat is weer een andere kwestie, Alles wat wij zijn, kunnen wij herbeleven tot in de oneindigheid, maar vanuit elk aspect van het Goddelijke. Je behoeft je nooit te vervelen. Ben je een keer een met geweest, heb je in de nacht gevlogen, in de avondschemering, je kunt die vlucht van die met weer meemaken. Maar nu vanuit het standpunt van die met en elke beleving gelijktijdig in het volledige bewustzijn van het Goddelijke, zoals Het daarin is geopenbaard. Bent u eens een piraat of een zeeschuimer geweest, of bent u tempelmaagd geweest, of hebt u ergens een priesterlijke functie gehad of een slavenbaantje, bent u bedelaar geweest of koning, u kunt het herbeleven, altijd weer. Maar steeds weer vanuit een bepaald aspect van het Goddelijke, dat u zelf kiest volgens uw eigen bewustzijn. In staat zijnde alles te onderbreken, wanneer dat nodig is, wetend dat al die belevingen, al die toestanden er altijd zullen zijn. Niet zoals u ze nu doormaakt, maar zoals ze werkelijk zijn. Zoals ze tezamen vormen een volmaaktheid waarin God a.h.w. een deel van Zijn wezen heeft getekend, waarmee Hij contrast en heeft geschapen, waardoor de evenwichtigheid van Zijn persoonlijkheid wordt uitgedrukt in het totaal.

Als U dat nu in de gaten houdt, ga je begrijpen, dat het een kwestie is van het kiezen van standpunt, hoe je leeft. Het gaat niet om wat je doet. Dat zit er natuurlijk wel enigszins mee in verband, maar er zijn daden, waaraan je niet kunt ontkomen. Bij mensen is het zo: Ze ontgaan bv. de daad, zij zijn eerlijk. Ze zullen geen cent nemen die een ander toebehoort, maar ze dromen ervan, dat ze de Amsterdamse Bank beroven. En nu zegt u natuurlijk: Het is beter dat ze het denken dan dat ze het doen.

Dat is het stoffelijk standpunt. Maar die droom is even werkelijk. Die heeft geestelijk gezien dezelfde. consequenties. En vanuit de geest beleefd, herken je dat.

  • Dat is niet zo mooi.

Niet zo mooi? Dat heeft er niets mee te maken. Luistert u verder. Dus de wijze, waarop u het interpreteert, is natuurlijk foutief. Maar het is zeker, dat wanneer je de bank moet beroven, wanneer dat hoort bij een leven, dat er een leven komt, waarin je die bank berooft. Misschien zelfs tegen wil en dank, maar doen zul je het. De manier, waarop je dit beleeft, maakt uit wat dit voor je betekent. Laten we nu maar weer een heel eenvoudig punt nemen. Je verliest iemand, die je dierbaar is. Dan kun je zeggen: “Ik ben gelukkig dat hij eindelijk vrij is en dat hij in een “betere wereld opgaat.” Je kunt ook zeggen:” O,O, wat heb ik allemaal verloren”.

Dat ligt er nu maar aan hoe je doet. Maar al die standpunten die je beperkt menselijk noemt, die kunnen worden samengevat in een bepaald deel van het Goddelijke. En vanuit dat deel van het Goddelijke ga je dan niet één beleving maar alle belevingen doormaken. Zo wordt elk stukje van je bestaan een eenheid. En dan krijg je eigenlijk pas inzicht in wat je werkelijk bent, wat je werkelijk betekent. En dat komt er nu allemaal uit voort, dat je moet beginnen je te realiseren: God is in mij, begin en einde.

En nu moet ik nog even antwoorden op dat stil gefluisterde commentaar: dat is niet zo mooi. Vanuit menselijk standpunt misschien niet. Dat geef ik graag toe. Maar dat komt, omdat de mens wetten heeft gemaakt, die juist niet gelden voor hetgeen het belangrijkste is van de mens. De mens mag heel weinig dingen doen, maar hij mag alles denken. Het zou eigenlijk andersom moeten zijn. Een mens zou beheerst moeten zijn in zijn denken en hij zou de vrijheid van de daad moeten hebben. Want waar de gedachte beheerst is en gericht, zal de daad altijd de gedachte volgen. Begrijpt u? Dus dat is nu foutief. En nu kun je hoogstens, zeggen: “Maar ik denk zoveel van die dingen, daar mankeert nog wel wat aan.” Dat is niet waar. Want alles wat u: denkt bestaat in God. Onthoud dat nu maar. Wanneer u leert die dingen vanuit een ander standpunt te zien, en je behoeft je gedachten niet prijs te geven. U behoeft je daden niet prijs te geven maar wanneer u leert ze vanuit een ander standpunt te zien en te benaderen dan zult u zien, dat die dingen toch hun zin hebben en hun mogelijkheid. Later zult u herbeleven. Dan zult u diezelfde toestand doormaken, maar dan zullen die gedachten voor u niet dezelfde inhoud hebben. De realisatie van die beelden wordt een andere. En dan begrijpt u dat het geheel toch past in een volmaaktheid.

  • Er is een bekende zin in de Bijbel: Al wie een vrouw met begerigheid aanziet, heeft bereids overspel met haar bedreven.

Dan behoeven we verder al niets te zeggen, hé? Als we dat allemaal als overspel in wettelijke zin zouden willen aanmerken, tjonge, tjonge.

  • Het staat er toch.

Inderdaad. Het is ook feitelijk zo. Omdat de gedachte precies dezelfde inhoud en betekenis heeft als de daad. Maar de mensen begrijpen dat niet. “Want de gedachte,” zeggen ze: “kun je niet vatten en de daad wel. Die kunnen anderen zien. Ze kunnen mij er nooit op betrappen, als ik begerig denk over een vrouw, als ik er begerig naar grijp wel.”

  • Dat is dus het beleven, wat u hiermee bedoelt.

Neen, het beleven is bij allebei even reëel of even irreëel.

  • Dat bedoel ik juist. Denken over de daad is even reëel, het is toch beleven.

Het is beide beleven. En nu is er nog een beroerd ding bij. In de werkelijkheid corrigeren wij ons zelf. Dus de daad houdt een correctiefactor voor het bewustzijn in. De gedachte op zichzelf niet, wanneer ze niet geuit wordt. Dus bij het denken ben je er eigenlijk nog een klein tikje erger aan toe, als je het goed bekijkt.

  • Maar als je aan iets denkt en je verwerkt het goed, je ziet in wat het voor en wat het tegen is en je bedrijft de daad dus niet in feite, maar hebt wel alle consequenties ervan doordacht, heeft het dan wel betekenis?

Ja, dat kan zijn betekenis hebben.

  • Dan behoef je het dus niet meer in feite door te maken.

Neemt u mij niet kwalijk, maar dan is ook in dat doordenken de zaak van een begeerte zie de Bijbelspreuk: wie de vrouw met begerige ogen aanziet geworden tot een probleemstelling. Een overdenking. En wanneer de daadbepaling komt uit de beheersing van de gedachten, dan is er geen feitelijk begeren meer.

Dus u moet nu niet denken, dat u die spreuk zo moet interpreteren: Iemand ziet een aardig meisje en denkt “wat een aardig meisje, dat zou best wat zijn”, of de dames zien een knappe man en denken ook zoiets. Dan moet u niet denken dat dat op zichzelf de zaak is. Maar wanneer u daar even op doordenkt dus niet zegt: “Maar voor mij is dat niet weggelegd, want:” Neen, als u denkt: “Als het nu eens zou kunnen” op het ogenblik dat u dat gaat denken, hebt u het gedaan. Voelt u de fijne nuance? Het is dus een kwestie, of je het als probleem ziet. Je moet uiteindelijk steeds het nieuwe zien verwerken, maar je moet het verwerken in de juistheid van je eigen concept. En dus niet aan de gedachte een tolvrijheid toelaten, die je aan de daden niet toelaat. Als je in gedachte zoiets wilt gaan doen, dan kun je het net zo goed of beter werkelijk doen. Want als je het in gedachten doet, dan blijf je het doen en als je het in werkelijkheid hebt gedaan, valt het meestal tegen.

  • Zijn er ook werelden, waarin gedachten als zodanig als daad gelden? Dus dat de gedachte niet in woorden behoeft te worden omgezet?

Ja, er zijn werelden, waar de mededeling (dus het contact) telepathisch is. En daar geldt dus de openlijke maar niet de afgeschermde gedachte gelijk met de daad. Maar dat is weer een andere kwestie van wetgeving.

  • Is dit op een hoger plan?

Neen, dit is geen hoger plan. Het is alleen een andere vorm van stoffelijke ontwikkeling, met als gevolg consequenties. Maar nu moet u het wel zo zeggen: Er komt voor u een wereld als u in de geest bent zult u dat zelf ontdekken waarin de gedachte, mits gehandhaafd (let wel, dus niet het opkomende beeld, maar het je verdiepen in het beeld) identiek is met daadstelling. Dat is voor de geest daad. Wij zijn een aardig eind afgedwaald.

  • Ik dacht, dat i.v.m. het verlichten van de geest je dus de gedachte als werkelijkheid kunt verwerken tot een harmonisch geheel in jezelf.

Dan kunt u misschien beter zeggen, dat je gedachte en Al tezamen als een harmonisch geheel beleeft. Dat is beter.

  • De gedachte, die je op iets hebt geprojecteerd, dat je daar dus harmonisch mee bent.

Daar behoeft het geen projectie voor te zijn. Wanneer ik één ben in daad en gedachte met mijn bewustzijn van het Goddelijke als ondergrond, ben ik altijd harmonisch. Er waren toch nog wel een paar zware knopen bij. Dat vind ik tenminste.

  • De theorie, die u ontwikkeld hebt, daarbij is de moeilijkheid: kan de mens zich die eeuwigheidsmoment en realiseren? Dus dat overzicht van het geheel. En dat hij niet in die tijdelijkheid blijft, waarin wij allemaal verzonken zijn?

Mag ik daar een antwoord op geven, dat schijnbaar op zijwegen gaat? Alleen schijnbaar. Dan moet u eens goed luisteren. Hebt u wel eens gehoord van heiligen, van ingewijden, van yogi’s, ja, van zwervende Mahatmas enz. die dagen lang in de zon zitten zonder iets anders te doen dan eigenlijk een moment te beleven? Dat is toch een eeuwigheidsbeleving op zo’n ogenblik.

Er zijn dus zeer vele en kennelijke voorbeelden te vinden op aarde, dat het voor de mens toereikbaar is. Maar gelijktijdig blijkt hieruit, dat de consequenties van dit bereiken in strijd zijn met vele concept en van hetgeen de mens aanvaardbaar, begeerlijk enz. noemt. Maar mogelijk is het wel. Voelt u waar ik heen wil?

  • Naar de mystieke beleving. Maar dat te bereiken in het gewone dagelijkse leven is erg moeilijk.

Op het ogenblik dat je het dagelijks leven gaat zien als iets verschillend van een mystieke beleving is het zelfs onmogelijk. Maar op het ogenblik dat je je realiseert, dat de mystieke beleving in alle dingen gelijkelijk is gelegen, waar slechts onze instelling t.o.v. de dingen maar niet de dingen zelf bepalend is voor de wijze, waarop wij God vinden: dan kun je in het dagelijks leven en in elke fase van het dagelijks leven voortdurend God vinden. Het is dus niet moeilijk, maar het vraagt alleen een omstelling van je methode van denken. En dat dat op moeilijkheden stuit, ja, dat kan ik mij begrijpen. Geen noodzakelijke moeilijkheden, maar eerder psychologische moeilijkheden, zou ik haast zeggen. U bent nu eenmaal gewend het zo te doen en die gewoontevorming brengt denkprocessen met zich mee, waar je niet zo gemakkelijk van afstapt.

  • Ik vraag mijzelf af: Is een gewoon leven mogelijk te combineren met de mystieke ervaring. Bv. je hebt een zakenman, iemand die zijn gewone werk doet. Die man kan toch niet geconcentreerd zijn zowel op de eeuwigheid als op de tijdelijkheid?

De consequentie hiervan zou zijn, dat de zakenman i.p.v. de tijdelijkheid in al zijn zaken onmiddellijk de eeuwigheidsgedachte tot uiting zou brengen. En de gevolgen zouden voor anderen ongetwijfeld tijdelijk aanvaardbaar zijn, maar voor hemzelf eeuwig. Als zodanig zou hij ook in het zaken doen de eeuwigheid kunnen vinden. Want als in het zaken doen ook God niet aanwezig was, zouden er geen zaken zijn. U kunt hier nooit onderuit.

  • Dus u bedoelt, dat je je van God bewust moet zijn.

Juist. Dus ben ik mij bewust van God, dan vind ik God in alle dingen, in alle bezigheden en ken ik dus de bereiking van God ook in alle mogelijkheden. En dan is het heel goed mogelijk, dat een zakenman over een bijzonder goede zaak in dezelfde staat van verrukking komt, waarin Augustinus komt wanneer hij een filosofie ontwikkelt en Bonifatius op een gegeven ogenblik, wanneer hij zijn martelaarschap dichtbij ziet. Degenen, die dat bereikten, deden toch ook hun werk!

  • Maar dan kun je toch geen goed zakenman zijn.

Dat ligt aan uw definitie van goed. Ik geloof dat datgene, wat men op aarde een goed zakenman noemt, in feite een fatsoenlijke vorm van diefstal is.

  • Dat ben ik niet met u eens.

Dat geloof ik graag, maar toch is het zo. Want is niet hij, die ten onrechte aan anderen gelden of goederen ontneemt zonder daarvoor een prestatie te leveren, diefstal aan het plegen?

  • Dat is geen goed zakenman, dat is onscrupuleus.

Als u het zo wilt definiëren, wijkt u af van het gebruikelijk begrip van een goed zakenman. Want het gebruikelijk begrip “goed zakenman” omschrijft een goed zakenman als iemand, die in staat is om keistenen te verkopen voor goud.

  • Dat is een verouderd begrip.

Neemt u mij dan niet kwalijk, dat in dezen mijn opvattingen verouderd zijn. Ik ben blij dat ze door velen nog gedeeld worden, zodat ik niet de enige ouderwetse persoonlijkheid op deze wereld ben.

o-o-o-o-o

Meditatie

Droom.

Wij hebben daar aan het begin van de avond veel over gesproken. Ik zal mij hier dus enigszins dienen te beperken om herhalingen te voorkomen.

Droom is zelfopenbaring. De zelfkennis, die in de droom wordt geuit en beleefd, houdt in de werkelijke waardering van de mens t.o.v. zijn omgeving en van zijn bestaan. Een droom weerkaatst niet slechts datgene, wat de mens denkt of beleeft, maar brengt hem bovendien tot een compensatie van al datgene, wat hij misdaan heeft of te kort is gekomen. Zo zal de mens in de dromen zijn tekorten aanvullen, maar ook zijn fouten corrigeren door zichzelf  daarvoor te straffen.

In feite kunnen wij dus zeggen, dat de stoffelijke droom een weerkaatsing is van een kosmische werking. Want zoals wij in de droom voortdurend een evenwicht herstellen, herstelt in het totale bestaan door alle sferen de goddelijke wet het evenwicht.

Zo irreëel de droom ons ook moge lijken in onze werkelijkheid, tijdens het beleven is hij voor ons het enig voorname en belangrijke. Wij kunnen aan hem niet ontkomen, zelfs wanneer wij wet en, dat wij dromen.

De conclusie is duidelijk. De grootste droom die er bestaat is God, omdat wij God niet werkelijk kunnen beleven en Deze toch steeds weer voor ons aftekenen, steeds weer een beroep doen op God, als compenserende factor t.o.v. ons eigen wezen en het daarin erkende.

Laat ons daarom kort het begrip droom als volgt formuleren.

Droom. Onwerkelijkheid, werkelijker dan de werelden, waarin u leeft.

Droom. Kracht van leven, die leven geeft en sterven doet, herstellend zo het kwaad en lonend zo het goed.

Een droom. Een droom van volmaaktheid, van scheppende kracht, de Schepper zelf, Zijn wondere macht, die naast ons staat en met ons gaat.

Een droom. Een droom met beleven van al wat bestaat buiten de wereld, waarin je streeft.

Een droom is een god, die je krachten geeft en toch een werkelijkheid. Want werkelijker is de droom dan veel, genoemd realiteit door mens en geest. In een droom openbaart zich dat, wat was, wat geweest is en wat komen zal: openbaart zich al het zijn, als in God.

De werkelijke droom is de werkelijkheid. En daarachter ligt schijnbare droom, het bestaan, waarin de leugen wordt onthuld, waarin de wet steeds wordt vervuld aan het wezen in het wezen. Zo is God de droom, die werkelijkheid ons wordt. Terwijl wat werkelijkheid ons heet, ons sterft en ons wezen in die droom eeuwigheid, oneindigheden erft.

image_pdf