De tuin der wijsheid

Uit de menselijke gedachten, uit de werkingen van de geest en de oneindige goedheid van de scheppende Kracht ontwaakt telkenmale weer de wijsheid: een bloem van geestelijk leven, die niet beperkt is tot een bepaalde sfeer of tot een wereld behoort. Want de wijsheid zelve, deze vreemde wereld van gedachten en waarheid, ligt achter alle bekende paden der mensheid.

In deze tuinen vinden wij de grote denkers van uw mensheid, maar ook denkers die allang zijn vergeten. Wij vinden er wijsheid van andere planeten en de erkenning van hoge geest in sferen, te lichtend om door u beroerd te worden. Ik spreek over deze wijsheid als een tuin, want de plant zelve ziet men niet: de wortel is verborgen. Hoe de wijsheid tot stand komt, weet men vaak niet. Maar zij is er en zij geeft met haar kleur en haar felheid inhoud aan het leven van mens en geest. Zij toont ons de vele treden, die leiden tot het begrip van het oneindige.

Het is gebruikelijk, dat men deze dingen tracht af te handelen in wat chronologische volgorde. Maar zou ik vrijelijk willen dwalen, zo kan ik mij niet aan tijd, aan menselijke jaren, binden. Vergeef mij dus, wanneer ik soms plotseling van tijd tot tijd ga: of sprekers of schrijvers naast elkander plaats, die, door ongetelde eeuwen, misschien zelfs werelden en sferen, gescheiden zijn.

Toen de mensheid ontwaakte en voor het eerst ‑ ontdaan van de dwingende ketenen van de natuur en de massageest (de groepsgeest), die haar voortjaagde ‑ zocht naar een verklaring voor haar bestaan, was er een eerste openbaring en een eerste wijsheid.

“Al wat leeft is, al wat niet leeft is niet”, zo sprak één van de eerste denkers. Hij wilde daarmee zeggen: Bestaan op zichzelf is reeds leven. De mens heeft getracht dit meer in zijn eigen zin te definiëren. En zo vinden wij veel later:

“Ik denk, dus ik ben”, waarbij leven een bewustzijnsproces wordt. Tussen deze beide uitspraken liggen vele schakels. Sommige zijn zuiver wetenschappelijk en behoren tot uw eigen tijd, andere daarentegen verhullen hun werkelijk ontstaan in de nevelen van een lang vervlogen gebeuren. Zo vinden wij omtrent het bestaan van de mens legenden: het verhaal van Adam en Eva, een kunstwerk van symboliek zonder gelijke, vastgelegd in de bijbel der christenen, maar ook “het karnen van de wereldzee”.

De mens, die hierover nadenkt, probeert zich voor te stellen, hoe het leven is. Eén van hen stelt: Leven wil zeggen: een ogenblik ontwaken uit de dood om voort te gaan en in het sterven eerst te leven.” Een gedachtegang, die buitengewoon diep is. Want het ontwaken uit wat de mens “dood” noemt, het geboren worden op aarde, is eigenlijk een ogen­blik afscheid nemen van de werkelijkheid. Veel later zal een ander trachten dit nauwkeuriger te definiëren en hij zegt:

“De mens die op aarde is, leeft tweemalen voort: éénmaal in zijn zaad, éénmaal in zijn wezen. Want al wat gij zijt, kunt gij overdragen aan uw kinderen. En al wat uw voorgeslacht is, met alle herinnering daaraan, leeft ergens verborgen voort in het onderbewust zijn, lichamelijk a.h.w. geboetseerd en gevormd, klaar voor het gebruik wanneer noodzakelijk.”

Oude gestalten, oude ideeën, zij leven in de mens, maar zijn eigen wezen leeft ook voort. Een wezen, dat is niet opgebouwd uit herinneringen of fasen, maar is opgebouwd uit een totaal van ervaringen, dat zijn handelen bepaalt. In de oude wijsheid van India vinden wij verborgen in vele ketenenen van gedichten O.a. de Bhagavad Gita: “Alle leven is slechts een erkennen van het “ik” dat zich spiegelt in de oneindigheid der goden.” En geloof mij, dit is waar. “Wat gij waart, wat gij zijt, is niets anders dan een erkennen van uzelf. “Er is een weg, een vast pad, een vaste gedragsregel,” roept een an­dere wijsgeer uit, “want ziet, hij, die Tao kent, kent zijn plaats, zijn we­zen, maar ook het rijk der oneindigheid.” Tao, de vreemde kracht, die u hier op aarde zet, een vaste verhouding is, u een vaste reeks van gedragsregels geeft. Tao omschreven door verschil­lende filosofen, waarop Kung fu tze en zijn tegenstander haast Lao tze, beiden zich eigenlijk baseren en waaruit velen van China’s klassieken hun werkelijk leven en inhoud putten. Er is een vast schema. Dat wist de oudheid ook. In één van de over­leveringen, die ten dele is opgenomen in de vaak bloeddorstige gedichten van de Edda, IJslands grote sagenmythe, staat:

“Dernier is uitgegaan en zijn tocht is bepaald. De winden verzamelen zich om zijn schip de juiste koers te wijzen. De schep­selen der zee trekken zich terug om hem niet te hinderen, want zijn tocht staat geschreven in het boek der goden.”

Elke mens in het leven trekt uit, elke mens heeft een vaste tocht. En wanneer hij weigert die weg te gaan, dan vindt hij tegenwind, dan vindt hij storm: dan is er geweld dat niet past in zijn leven. Maar wanneer hij de weg weet te vinden, die de zijne is, zo staan de winden der eeuwigheid klaar om hem het bewustzijn te geven, dat nodig is voor de vervulling van zijn taak: dan trekt al wat demonisch of duister is zich terug van zijn pad, opdat hij veilig kan stijgen.

En daarbij moet ik dan plotseling overstappen naar Sri Râma Krishna een Indisch denker. Deze, die bekend is om zijn gelijkenissen, zegt ons n.l.:

“Hij, die vol liefde is, zonder vrees en zonder begeren, hij zal gaan door een zee van slangen en ziet, zij beroeren hem. niet: zij wijken van zijn pad, want zijn pad is heilig.”

Zijn pad is heilig. Het begrip “heilig” vinden wij heel vaak en in heel verschillende zin, gebruikt. Zoals Sri Krishna dit hier gebruikt, betekent het eigenlijk: zijn pad is gevrijwaard, het is één met de Godheid. Maar anderen zien in “heilig” een uitzonderingstoestand, een afgezonderd zijn van de mensheid. Het zijn dezen, die de uitroep misverstaan: “Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heerscharen!” Zij denken aan hun God. Zij begrijpen niet, zij die zich toch christenen of judeïsten noemen, hoe degene die dit heeft neergeschreven de werkelijkheid zag. “Want in God of in de Goden (de schrijver, die dit naar voren bracht, sprak over Goden), vinden wij de vrede en de krijg: zij wonen naast elkander en ze zijn één. Maar driewerf geheiligd is hun pad, waar het de volbrenging is van de taak van de scheppende Kracht.”

Deze gedachtegangen, die ik u vanavond als inleiding voorleg, geven ons in de tuin der wijsheid een hoofdpad aan. Natuurlijk zijn er vele perken: er zijn vele bloemen die wij niet bezien hebben en vele kostbare, maar niet goed zichtbare gewassen bleven voor onze ogen ver­scholen. Maar dit is de hoofdlijn van de mens: Uw leven is een pad, een weg die gij moet gaan. De krachten, die uit de schepping zelf geboren zijn, leven in u en voeren u voort. Echter, dit is te algemeen. Gij vraagt u af: Hoe heeft de mensheid zich dat pad gedacht?

“Gij zult,” zo roept een oude pedagoog uit, “gij zult één‑zijn met de mensheid en gij zult altijd het grootste goed voor de grootste meerderheid zoeken.”

Maar hij vergat erbij te zeggen. “zover die meerderheid dit wenst.” Daarom is deze bloem niet volmaakt.

 “Gij zult het grootste goed zoeken.”

Wij horen het steeds weer. Wij horen het in de termen van Jezus:

“Heb uw naasten lief.”

Wij horen het in de termen van Boeddha:

“Laat goedheid en gerechtigheid de pilaren zijn, die u steunen op uw pad.”

Wij vinden het terug in de oude leer der kabbala. Wij horen het in menige esoterische leerstelling. En in vele inwijdingen zijn er liederen, die op haast onvoorstelbaar schone wijze ons hetzelfde zeggen. Ik wil u er één citeren, ofschoon het onbekend is, want de tempels, waar de inwijding geschiedde, zijn reeds lang tot stof vergaan. Daar werd, wan­neer de neofiet binnentrad, gezongen een lied:

“Gij, die sterft om te leven, gij, die leven zult om één te zijn met de dood, zie rond u. Want niets in de wereld kan u beroeren dan door uw eigen wil. Niets in de wereld kan u vervreemden, dan door uw eigen wil. Machtig zijt gij, indien gij niet zondigt of misdrijft tegen degenen, die met u leven en niet vreest dat, wat de Schepper rond u heeft gesteld. Gij, die leeft en dood zijt, gij die leven zult in de dood, uw weg is getekend. Laten uw voeten licht gaan op het pad en vervullen uw lot en het lot der mensheid.”

De berijming, de eigenaardige melodiek, de snaarinstrumenten en het zoe­mend koor kan ik u helaas niet weergeven. Ik kan u slechts een spreuk geven: een spreuk, die een bloem van wijsheid is. Daarnaast zoekt de mens natuurlijk zijn pad te vinden in overeenstemming met zijn eigen concept van leven. Zo leert ons de oudheid:

“De vorst is de God en het kind van de God. Aanbid hem, want in de macht is de Godheid geopenbaard.”

En later zal men zeggen:

“Ziet het volk, want in het volk leeft de schepping. In de schepping openbaart zich God.”

Mensen veranderen, maar de wijze overziet dit alles en hij vindt zijn eigen woord:

“Mens, wees vrij en laat de mensen vrij zijn. Niet het grootste goed voor allen, maar de grootste vrij­heid voor allen is de weg, die voert naar werkelijke voltooiing, volmaaktheid en inzicht.”

En dan komt de strijd. Want dit pad, dat gaat over mensen en mensendaden, toont ons de voortdurende strijd en onevenwichtigheid tussen hen, die spreken over Goden en God als daadwerkelijke machten en hen, die zoeken in zichzelf. De één roept uit:

“De lichtende schijf aan de hemel, hij is de kracht en de wet en het gezag: buiten hem is niets en niemand waardig.”

De ander spreekt:

“Ik ken slechts één God: de Daimon, de Lichtende in mij, is de­ geen die tot mij spreekt.”

Deze strijd tussen innerlijke Godheid en uiterlijke voorstelling zal de mens ongetwijfeld verder moeten voeren tot een strijd en daardoor tot inzicht. Sommigen schieten hun spottende pijlen af op het Godsbegrip.

“Een fantasieman met een baard hebben zij in de hemel gesteld en in zijn naam volbrengen zij wat zijzelf wensen.”

En een ander kaatst terug:

“Wie niet in een God gelooft, is als een dier. Want niet beseffend de eeuwigheid van zijn daden, leeft hij voor zich.”

Wat dan komt, is betrekkelijk meer moderne tijd. Een mens, een wijze, die ons hier uit de strijd tussen kleuren, misschien zelfs tussen plant en onkruid, plotseling de bloem geeft van het mens‑zijn:

“Wie slechts mens is omwille van een God, is geen mens. En wie dier is in zijn mens‑zijn, omdat hij meent dat zijn dagen kort zijn, is geen mens.”

Mens zijn wil zeggen: denken en in het denken altijd de mensheid waardig blijven.

Wonderlijke uitspraak, die ons vanzelf brengt tot de plichten van de mens. Want een mens moet plichten hebben. De wijzen distilleren ze voor ons uit de verwarring van menselijk denken en menselijk leven. En de krachten, die leven boven de mensheid, die leefden vóór de aarde was, hebben het hunne ertoe bijgedragen om naast de giftige orchideeën van wanbegrip de stralen­ de lelies van goddelijk weten te doen bloeien.

“O, die orchideeën zijn verleidelijk. “Het doel heiligt de middelen.”

Het is niet dwaas gezegd. Het is gezegd met een zekere felheid. Maar men vergeet één ding: “Wanneer de middelen het doel ontheiligen” en hier citeer ik eveneens: “zo is het doel onwaardig en het streven niet waard.”

Er zijn er die u toeroepen: “Macht alleen is recht.”

En anderen zeggen minder giftig en meer wetend: “Macht is plicht.”

Ach, de wijzen, die lang, lang geleden geleefd hebben, zij vinden hun stra­lend licht terug, ook in de mensheid. En ook zij geven spreuken. “Mens‑zijn wil zeggen: in de beperking van eigen macht en leven de grootheid van het leven zelf erkennen.

Spreek in de naam van goden of demonen: hoe gij ook spreekt, gij spreekt altijd uit uzelf. Daarom eis niet, vraag niet, maar besta.

“Bestaan zonder eisen, zonder vragen,” zo vult een ander aan, “is het leven erkennen in zijn werkelijke waarde. Want het leven in de stof is iets, wat ondergaan moet worden ‑ niet wat in strijd beleefd moet worden.”

“De waarheid, die zich openbaart, kan men niet bestrijden.”

En ergens klinkt haast als een klokkenspel de zang van een lang vergaan ras op de roestbruine planeet, die nu haast geen leven meer draagt:

“Indien geest spreekt tot geest en wezen tot wezen, indien eenheid bloeit uit gezamenlijk streven, zo is licht en waarheid geboren, die verdergaan dan alle zijn. Want wat tevoren was wordt bewust: wat zal zijn wordt omschreven.”

En het leven zelf is onbegrensd, waar ware eenheid nog bestaat. Wonderlijk volk, wonderlijk ras, dat de eenheid zocht in het delen van ge­dachten, in de volkomen vrije samengang van individuen en ons zo ongetwij­feld vele leringen geeft, die voor deze wereld nog niet redelijk zijn. Maar ook een ras, dat waarschuwt:

“Geweld vernietigt zowel degene, die het geweld bedrijft als degene, die het ondergaat. Want geweld is een macht, die in zichzelf leeft en geen meester kent.”

“Het zwaard is een wapen, dat als bescherming heilig is. Het zwaard is de vloek van hem, die zichzelf niet beheerst, omdat het het heilige dan vernietigt.”

Hoe vreemd zijn de wijsheden, die wij elders vinden. Maar laat ons niet te ver afdwalen van de mensheid en nog een korte wijle vertoeven op de vele paden, welke die wereld geeft.

Er is een groot, pad, het pad van de mensheid, dat gewijd is aan liefde. Daar staat geschreven een lied tot de liefde van de goden. Een oude ode, die klonk voor de tempels in Thebe:

“Gij, Lichtende,

Gij, Instandhoudende,

Gij, Machtige,

Gij hebt ons lief en doet ons leven.

Gij, onderwerpt ons aan Uw kracht, maar openbaart ons ook het land en wacht ons daar, waar nimmer nacht zal vallen.”

O, deze liefde is ongetwijfeld belangrijk. Maar zo ge één schrede verder­ gaat, zo is er het eeuwig wisselend spel, dat spreekt over de liefde der mensen. Daar vinden wij de schoolse benadering van de Kamasutra, die pre­cies tracht te omschrijven, waaruit de stoffelijke liefde dient te worden opgebouwd: en met vele wijze spreuken ten slotte het oude niet nieuw kan maken.

Daar vinden wij de dichters. Daar staan de gedichten, die gij kent mis­schien: Abélard en Heloïse, de drama’s van Rome: Romeo en Julia. Daar zijn die vele liefdesgedichten, die alle tezamen gevoegd misschien in de wereld iets uitdrukken van het menselijk verlangen. Maar er staat ook waarheid.

“Ware liefde is voor de mens het erkennen van eeuwig licht in de ander. Hij dompelt zich erin en reinigt zich erin en is edeler en lichtender dan te voren.”

En wat verder:

“Liefde is het vergeten van het “ik” gelukzalig zij, die het “ik” vergeten. Want wie zichzelf vergeet, herkent de grote werkelijkheid.”

“Het is beter te sterven uit liefde, dan te leven uit haat.”

“Het is een lang pad,” zingt de stem van Omar Khayam “over grote robijnen, schitterende parels, klinkende bekers, een vrouwenlach, die edeler klinkt dan kristal en ogen, die helderder zijn dan diamant.”

“Dat zingt over bergmeren: of het spreekt “Juichend komt hij van de hoogten, mijn geliefde,”

Het spreekt:

“Is zij niet schoon, mijn geliefde. Als een hert gaat zij haar wegen.”

Schoonheid vindt men daar en soms een wijsheid:

“Het is niet goed, dat een mens alleen zij.”

En daarnaast:

“Wat is de band der stoffelijke liefde waard? Zij vergaat in een roes. Maar zo er een band is, gesmeed uit gedachten en gezamenlijk streven, zij is blijvender dan het hardste staal.”

Vele paden zijn er in onze tuin, vele woorden zijn er gesproken. Woorden soms, die trachten om God Zelf in de mens te beleven. Noem het mijnentwege een pad van mystici en dromers.

“Wanneer ik vol van droefenis ben, Heer, sluit ik mijn hart. Ik sluit de ogen, doof het geluid, en als mijn ziel luistert, spreekt Gij het stille woord, neemt mij het lijden uit.”

“Wanneer ik bouw en werk, wanneer ik schep, zo weest Gij mijn kracht: laat mij Uw werktuig zijn.”

“Achter het scherm van woorden en onverstand spreekt Gij tot mij, o Heer: leer mij te luisteren.”

En wat verder staan de magiërs, de mystici, zij die de ziel uitzenden. En zij roepen op hun wijze uit, hoe groot het geheim is van het Goddelijke, dat in de mens schuilt.

“Ik zond mijn ziel en stond tussen de sterren. Doch ziet noch in het licht noch in de leegte waart Gij. Ik keerde terug in de leegte van mijzelf en ziet, in Uw Wezen was ik vervuld.” Of wilt gij liever de krachtspreuk hebben?

“Ik ken Uw naam. De naam, die nimmer is gesproken na het eerste ogenblik van wording. En in Uw naam ben ik meester van al wat leeft, van licht en duister. En toch in al mijn macht spreek ik stil voor mijzelf heen slechts Uw naam, want slechts Uw luister en wezen kan mijn leven voltooien.”

Vreemd zijn mensen. Hoe wonderlijk zijn de vruchten, die zij soms dragen, wanneer hun gedachten moeizaam opwellen.

“Er is een bron van eeuwige jeugd. En wie die bron erkent, zal altijd leven, maar wijzen drinken daarvan niet.”

Een eeuwig leven heeft geen zin en dat is begrijpelijk. Want roept niet veel later een dichter uit, een dichter in de gevangenissen van Engeland:

“Hoe vreemd is de verlatenheid, hoe leeg is het leven, hoe vol is de werkelijkheid, als ik een ogenblik droom.”

De wereld van de droom gaat verder. Wij vinden vreemde romans, b.v. het verhaal van Peter Ibbetson, de man die gevangen was en toch leefde in een wereld van luchtkastelen en daarin werkelijkheid vond en ‑ zo kunt ge tussen de regels door begrijpen ‑ de liefde, die verder reikte dan het menselijke en een God, Die sterker was dan alle ketenen.

De mystiek is in de tuin der mensheid sterk vertegenwoordigd. Zij toont ons de mens als een tempelbouwer: maar ook als een afdruk van de zegelring van de grote God. Zij toont ons de mens als het orakel, waar­ door de Godheid spreekt: maar ook als de slaaf, die door onbegrepen krachten, wordt voortgedreven. De tuin der wijsheid tracht de mens te leren ‑ ook in de mystiek ‑ wat zijn weg is. En deze gedachte werd kort na Jezus’ geboorte aan de grenzen van het toenmalig Griekse rijk, een rijk dat al bijna vergaan was, uitgesproken door een onbekend dichtertje, dat uitriep:

“Indien ik in mijn leven zin ken, in mij licht en in mij een band met het onvergankelijke, wat deert het mij, hoe ik leef of sterf!”

Daarmee gaf hij de kern van de mystiek weer. De mystiek, die ons moet voeren tot het geloof: en het geloof kent vele belijdenissen. Sommige zijn dwaas, als bv.:

“Ik mag slechts Gods wil vervullen en Gods wil is in de letteren vastgelegd.”

Welk een dwaasheid! Alsof een levende God in een dode letter zou kunnen schuilen. Maar ook van wijsheid:

“Het geloof is de staf, waarop wij steunen, strompelend langs de hoge paden der eeuwigheid.”

“Ons scheidt,” zo roept de Profeet uit, “de afgrond der hel, die ligt tussen eeuwigheid en leven. Maar wie het eeuwige paard bestijgt, hij kan gaan tot in de zevende hemel!”

Dan zingt hij van wat hij ziet en de mensen verstaan zijn tonen niet. Maar hij beseft:

“Vele zijn de werelden, maar er is er slechts één, waarin wij God zien: omdat slechts éénmaal een mens tot God ontwaken kan.” Anderen maken uit zijn woorden een wel: of een wettelijke, letterlijke waarheid: en ze zijn dwaas. Uw Jezus leert:

“Heb uw naasten lief gelijk uzelf.”

De mens vergeet het.

Maar uw Franciscus van Assisi ‑ door velen van uw groep, vooral de geeste­lijke entiteiten in uw groep, zozeer geëerd ‑ zingt:

Ik dank u, broeder Zon, voor uwe straal.” Hij spreekt van “broeder Regen.”

Hij spreekt tot de kinderen Gods: de vogels en de vissen. En u vindt het in alle eeuwigheid weer: geloof is niet slechts de staf, waarop men steunt. Het is nog niet zo lang geleden dat aan het front in de eerste wereldoorlog een priester stierf. Een priester van een Orde, die niet zozeer geacht wordt. Hij was van het leger van Ignatius van Loyola. Maar deze simpele mens, deze Boyle, zei voor zich:

“Geloven wil zeggen: uit het Eeuwige kracht putten, waar je zelf tekort schiet. Geloven wil zeggen: je een beeld, maken, waaruit de werkelijke steun tot je komt, die je zonder dat beeld niet durft aanvaarden. Geloven wil zeggen: niet slechts een Verlosser en een verlossing erkennen, maar de Verlosser in je kennen en het kruis dragen, dat hij droeg.”

Zo kan zelfs een christelijk priester soms stijgen tot de hoge toppen van wijsheid. Meer is er in onze tuin. Daar zijn de theorieën. Ik zou het willen noemen: de wetten der natuur. Daar spreekt er ons één van de atomen.

En lang vóór Christus’ tijd spreekt een mysticus in China van “de wervelen­de delen, die als aarde en zon spelen en vormen de stof, vormen de vijver, waarin de hemel zich spiegelen kan.”

Daar spreekt men over atomen en over vreemde kernen. En soms beseft men niet: het grote weerspiegelt het kleine: in het kleine wordt de grootheid weerkaatst. Want beide zijn één, doch het besef van die eenheid is ons nog niet geboren.

Soms is er een verbluffende erkenning:

“Alle krachten van de geest spelen in de mens: hij is de speelbal van engelen en demonen. Toch schept hij vaak zelf demonen, waardoor hij het meest wordt gedreven.”

En later:

“Een mens is beladen met complexen, voortkomend uit zijn stoffelijk bestaan en zijn onbegrip van zijn eigen wezen. Het schuldbesef is de vijand van de mens, omdat het hem terughoudt van daad, van bevrijdingen van positief leven.” O ja, mijne vrienden, in de tuin der wijsheid vinden wij ook deze dingen. Daar staat een geleerde en hij zegt:

“Ik geloof in een God, want al wat ik erken, wijst op ordening. En ordening zonder Een, Die orde stelt, is mij ondenkbaar.”

Daar staat een aarzelende mens, die tot zichzelf zegt:

“Is niet het mens‑zijn waardevoller dan alle kennis? Is zo niet hij, die weet en weten kán, de hoeder van allen, die niet weten, verantwoordelijk voor al wat hij hun geeft?”

Dat is een bloem van een ontluikende nieuwe tijd. Er klinken klanken van banden, tussen hemel en aarde gevlochten. De krachten van leven, het witte licht en de groep, die dit licht uitdraagt. En op het laatste (Wessac‑feest), gehouden na de grote offerdienst, het grote ritueel, klinkt een stem als volgt:

“Is het niet goed de mens te geven, wat hij begeert? Want slechts indien hij beseft dat het begeerde zonder waarde is, zal hij het goede zoeken.”

Dat is een wijsheid, die wordt aangevuld door een tweede stem, die zich verheft en zegt:

“Zo geef de mens het weten, ook indien hij niet rijp is. Want slechts door dit weten zal hij rijpheid verkrijgen.” En daarmee weerkaatst onwillekeurig in moderner termen een tijd het oude woord:

“Vóór de aar is, is de gierstekorrel. En niemand weet welke de eerste was: maar wel dat uit het zaad de halm zal voortkomen, waar de halm het zaad moet brengen voor een nieuwe oogst.”

Zo is het in deze wereld, altijd. Ik wil niet te ver met u afbuigen, want zelfs in de politiek vinden wij enkele gezegden, die wijs zijn.

“Regeren,” zo roept iemand uit, “is beseffen wat de menigte wil en zelf daarvoor de verantwoordelijkheid dragen.”

En een ander antwoordt spottend:

“Neen, want zo regeert het volk de regeerder.”

Maar werkelijk regeren wil zeggen:

“Een ieder de mogelijkheid geven om wat hij begeert te verwerven.”

Een laatste roept uit:

“Is niet het doel van alle regeren het vinden van een wijsheid, die mensen tot waarlijk mensen maakt?”

U hoort het, ik citeer u niet de groten van deze tijd. Ik spreek u niet over de grondleggers van de statistiek of over Marx, die uit zijn onzindelijke baard woorden fluistert, die slaven maakt op aarde. Neen, ik wil niet te lang hier toeven. De tijd wordt kort, ook gij hebt recht op uw weerwoord. Laat ons dan nog een ogenblik gaan langs de paden der esoterie, die ons terugbrengen tot ons begin:

“Leven is erkennen. Erkennen van het eeuwige is eeuwig leven.”

“Het “ik” is de lijn, die verleden en toekomst verbindt. Doch de lijn zelve is slechts deel van een kosmische tekening.”

Of misschien hier:

“Wij, die werken, kennen het werk niet, maar volvoeren onze taak, opdat het werk voltooid worde en wij de voltooiing mogen aanschouwen.” De termen van oudere volkeren:

“Leven wil zeggen: gebukt gaan onder de wil der goden. Maar wie in zich leeft is God. En God met de Goden kent hij slechts één wil en werkelijkheid: de kracht, die alles voortbrengt.”

“In de duisternis,” zo fluistert een ander ons toe “die volgt op het felste licht der openbaring, ontmoet men steeds zichzelf. Slechts wie voor zichzelf niet vlucht, zal uit de openbaring het onveranderlijk weten kunnen aanvaarden.”

Altijd weer spreekt men over leven en dood. Altijd weer klinken de stemmen der mensheid op en roepen u toe:

“Leven en dood zijn op de een of andere vreemde wijze met elkaar verbonden: zij kunnen niet zonder elkander bestaan.”

Maar er is meer dan dit. Wanneer wij willen blijven bij de bedden, die voor mensen begrijpelijk zijn, op de paden die door het denken der mensheid geschapen werden in de tuin der wijsheid, zo blijkt het geheel één patroon te vormen. Een patroon, dat zegt:

“Er is een voortbestaan. Een voortbestaan, dat vele malen wordt omschreven en in vele gedachten wordt vastgelegd. Een voortbestaan, dat onontbeerlijk is voor de mens, maar tevens logisch volgt uit zijn bestaan.”

Dat, vrienden, is voor mensen het meest belangrijke: dat zij voortbestaan. En toch aarzel ik reeds nu het laatste pad te verlaten en mij terug te trekken. Er zijn nog zoveel fonkelende juwelen van wijsheid, die verdergaan dan die der mensen. Maar ik weet niet, of gij ze kunt verstaan.

“De naam zegt niets, het wezen zegt niets, doch de táák zegt alles.”

“Er is geen boven en geen beneden, geen licht en geen duister, er is slechts erkennen of chaos.” Ach, laat mij u niet te veel vermoeien, maar enkele bloemen nog en ik laat u met rust.

“Wie het scheppen erkent en de Schepper erkent, schept.”

“Wie werkelijk leeft en ten volle leeft, bevrijdt zich van het leven en erkent het zijn.”

“Alle wetten zijn ofwel eigenschappen van de kosmos, dan wel hinderpalen, die wij op onze eigen weg oprichten.”

“Er is geen verschil tussen sferen en werelden buiten het begrip van eigen wezen, dat wereld en sfeer tot stand brengt.”

“Er is niet één pad tot de waarheid en toch zijn er niet vele paden: want alle zijn is één weg, die voert van on­begrip tot erkennen.”

En hier aarzel ik en ga met u de tuin der wijsheid verlaten. Gaarne had ik u meer willen tonen. Gaarne had ik u meer willen zeggen van deze wonderlijke bloesems en vruchten, die uit mens en geest zijn ontstaan. Laat ik u slechts dit nog zeggen:

Achter alle paden en wegen, die de mens voeren tot volmaking en voltooiing, achter alle wegen van hemel en sfeer, ligt deze tuin der wijsheid. Een gebied, dat niet van mens en geest is, maar door mens en geest betreden wordt. Een gebied, dat in zichzelf niet is stof of geest en toch ‑ als een rijk land ‑ de vruchten draagt van stof en geest.

“De tuin der wijsheid is in zichzelf besloten en niemand heeft de sleutel of kent de ingang. Maar wanneer de wijsheid in de mens voor een korte wijle ontwaakt, zo zal hij in zijn leven deze tuin plots erkennen, niet wetend hoe hij gekomen is, niet wetend hoe hij gaat, maar vrijelijk genietend de glans van al wat er bloeit, zich voedend met de vruchten daarvan, tot hij sterk is en gaande tot het hoogste kan overzien wat heel de schepping samendroeg, een openbaring van de wijsheid, die is de vrucht van het leven.”

“De weg van de mens is de weg, die voert tot de overwinning van het dierlijke.”

“Het bewustzijn van de mens, de zelferkenning die uit wereld­ erkenning geboren wordt, de taak van de mens, is het begrip dat hij heeft omtrent zijn eigen plaats in de kosmos.”

“Het zoeken van de mens is zijn pogen om harmonie te brengen tussen wat in hem leeft en buiten hem bestaat.”

Zijn dit geen hoopvolle en schone bloemen? Of moet ik u verwijzen naar bloemen zo zwaar, dat zij haast herinneren aan een zware gong, die dendert voor een tempeldienst: of gonzende klokken, die wekken tot gebed?

“Leef, mens, leef. Want in uw leven wordt gegeven de kracht tot zijn.”

“Ken het zijn, mens. Slechts werkelijk zijnde zult gij ontsnappen aan de gesel van de tijd.”

“Mens, ga op. Slechts opgaande in het Grotere, kunt gij uzelve zijn. Slechts in het erkennen van het Niet ligt de eeuwigheid van eigen bestaan.”

Dit zingt als een klok van bereiking. Dit klinkt als een stem, die het begin en het einde van de wereld wil samenbundelen als de bladeren van een oud boekwerk. Hoe veel meer is er.

“Gij, mens, gij bindt u aan de stof. In stof tekent gij uw wetten, uw gewoonten, uwe methoden. In de stof tekent gij moraal en godsdienst en waarheid. Zo tekent gij slechts in het zand, dat door de tijd wordt uitgewist: en niets heeft waarde van hetgeen gij hebt neergeschreven.”

“Beter één woord te vinden, dat leeft buiten de stof, dan alle stof te omschrijven. Want slechts wat is buiten de stof, is buiten de tijd en wat is buiten de tijd, is waar in God.”

Zo klinken de woorden. En slechts door het zenden van gedachte na gedach­te, met u delend mijn denken zover mij dit mogelijk is, kan ik u misschien iets van de zin doen gevoelen. Want waarlijk, vele bloemen zijn er in de tuin der wijsheid, die ge zou vrezen, omdat zij voor mensen vreemd lijken en zelfs monsterlijk. Begrijp daarom ook: de mier ziet de mens als een kosmische verwoesting: de mens ziet de liefde van zijn God als een vernietiging van zijn wereld. Want het kleine wil het grote niet begrijpen en toch is het grote in het kleine weerkaatst. Ken uw kleine wereld, maar dan volledig, als een eeuwi­ge waarde en gij zult het grote kennen, dat u leidt, de schoonheid zien die bloeit als een lotus in de maannacht. Hoe vele spreuken, hoe vele woorden zeg ik u niet. Maar ik wil niet langer toeven in deze tuin, waaruit ik voor u slechts de woorden kan plukken. Toch is er iets in mij dat zegt: Het is nog niet genoeg. Vermeerder deze rij van woorden nog met enkele. En zo wil ik u mijn beeld nog geven van de tuin der wijsheid en van de kracht der eeuwen.

Gij meent, dat er verschil is tussen ons. Er is geen verschil. Gij meent, dat er verschillen bestaan tussen u en anderen. Er zijn geen verschillen. Er zijn slechts twee dingen, die belangrijk zijn: het erkennen van iets, dat onvergankelijk waar blijft en het onvermogen om alle waarheid gelijktijdig te omvatten. Wanneer ik door de tuin van wijsheid ga, nemende citaten ‑ voor deze avond hoofdzakelijk van minder bekenden ‑ zo tracht ik alleen voor mijzelf en voor u een meer homogeen beeld te geven van wat naar mijn idee en ervaring de werkelijkheid is. Laat mij u dan deze waarheid nog zeggen als misschien geloof. Want ergens is ook mijn weten en zelfs mijn vermogen tot uitdrukken en ervaren niet groot genoeg.

Wij leven allen niet slechts als kinderen van één Vader of broeders en zusters of gelijkgeketenden in de gang der incarnaties. Wij zijn elkanders lot, maar ook elkanders bewustzijn. Wij zijn zelf zeer veel van datgene, wat wij aan God en kosmos willen toeschrijven. Wij zijn van elkaar afhankelijk, altijd, in geest en stof. Wij kunnen ons niet onttrekken aan de ander. Wij kunnen niet weigeren te antwoorden op Zijn roepen, zonder daarmee ons­ zelf terug te stoten in onbegrip en chaos. Wij kunnen niet weigeren te roepen, omdat wij daardoor de keten der gebeurtenissen voor onszelf onderbre­ken en terugvallen om hernieuwd dezelfde weg te gaan. Als er goden zijn, zal er een God zijn, die mensheid heet. En zo gij misschien het weefsel van die God bent, zo misschien kosmische krachten het geraamte zijn, stel ik mij voor, dat wij van de geest zijn bloed, dat stroomt door de aderen, geboren uit het gebeente, dragende de voeding van het grotere naar alle delen. Deze onverbrekelijke band is niet iets nieuws: zij zal altijd bestaan, of wij er ons bewust van zijn of niet. De vruchten van ons denken, zij zullen ein­delijk de harmonie bepalen, waarin wij gezamenlijk zijn. De wijze waarop wij ‑ geest en stof ‑ gezamenlijk vinden de oude en de nieuwe waarheid, de oude en de nieuwe wijsheid, zal tenslotte bepalen, hoe wij eeuwig zijn of tijdloos zijn. Voor mij is er slechts één weg: de weg, die mijn wezen mij wijst te gaan: en dat ik afstand deed van veel wat mij bond aan vorm alleen. Voor u is er ook slechts één weg: de weg, die u steeds verder af doet gaan van vorm, van stoffelijk concept, van de gedachte aan stoffelijke taak en plicht als het voornaamste. Ook voor u is er de weg, die u vrij moet maken tot gij u­ zelve zijt. Het is deze weg, die de belangrijkste is, voor ons allen.

De gehele tuin der wijsheid lijkt mij niets anders dan een middel, een kaart misschien, waaruit wij onze eigen levensweg kunnen lozen en bepalen hoe te gaan. Wat wij zijn is niet ons wezen of onze schuld, in stof noch in geest, het is slechts het bewust deelhebben aan of niet deel willen hebben aan de mensheid en aan het leven.

Men spreekt van God als licht of als kracht. Men spreekt van God als liefde. Ik geloof, dat dit slechts de dingen zijn, die in ons een echo wekken, waardoor wij God kennen: dat de Godheid meer is dan dit alles en anders. Maar ik weet wel, dat wij slechts door licht, door liefde, door wijsheid op onze eigen wijze te geven eindelijk zullen vinden wáár wij thuishoren, wat wij zijn. Vraag mij niet waarom de keten van het Al zo draait. Ik weet het niet. Vraag mij niet waarom gij zijt wat gij heden zijt en wat u bindt met hen, die u ontmoet. Ik weet het niet en zou ik het weten, ik zou het verzwijgen. En vraagt gij mij: Gelooft gij in de mens en in de mensheid, gelooft gij in een bestemming van geluk en van vrede, gelooft gij in een persoonlijke bewustwording, die toch een deelgenootschap is met alle dingen, dan antwoord ik: Ja. Want indien dit niet zou kunnen bestaan, mijn wezen zou zijn ondergegaan lang voor heden.

Eenheid is de weg. Bewustwording volgt uit de weg, Wij gaan die weg elk naar eigen aard, elk naar eigen inzicht en zullen een doel vinden, dat ons allen vereent. Ik geloof met heel mijn wezen, dat ‑ of er een Al bestaat of niet ‑ wij deze eenheid zullen kennen: niet begrensd door ruimte, tijd of andere normen en dat wij in deze eenheid zullen beseffen wat de scheppende Kracht is, Scheppend misschien zelve, maar vóór alles één met alle dingen. Dit zijnde het grootste geluk, de grootste vrede en de voleinding van al wat ik ken in wereld en sfeer.

Sta mij toe, vrienden, om nu afscheid van u te nemen. Dat uw dagen lichtend mogen zijn, dat in uw wezen begrip van verbondenheid moge groeien, altijd door. En dat de tijd voor u slechts moge brengen steeds groter innerlijke vreugde, steeds groter meesterschap over de vormenwereld, waaraan gij ontgroeien zult.