De tweede werkelijkheid

1962

Het is voor een mens wat vreemd en soms zelfs wat onlogisch om aan te nemen, dat er naast zijn werkelijkheid nog een tweede werkelijkheid bestaat. Let wel, wanneer ik als titel stel: De tweede werkelijkheid, dan bedoel ik hiermede iets, dat alomvattend is. Hoe kan dit overeenstemmen met de menselijke beleving, het menselijk denken?

Laten we ons iemand voorstellen, die in een kamer woont. Alle vensters zijn van matglas. Deze mens ziet dus de buitenwereld niet. Nu komt er iemand, die voor een ogenblik zo’n raam openzet. Degene, die in de kamer is, zegt. “Wat ik zie is een visioen, want buiten mijn kamer be­staat er niets.”

Op een ander ogenblik doet iemand weer een venster open en er komt een vlinder binnen. De mens, die binnen zit, roept uit: “Er is een wonder gebeurd; want ziet, er is nooit een vlinder geweest en nu is er wel een.” Hij begrijpt niet, dat zijn kamertje maar een heel klein deel is van de gro­te wereld, waarin het staat. Op dezelfde wijze moeten wij ons voorstellen, dat de werkelijkheid van een mens is gelegen in de grote werkelijkheid.

De mens leeft door zijn wijze van bestaan, zijn zintuiglijke mogelijkheden, zijn vaak wat verzwakte of niet geheel ontwikkelde geestelijke vermogens, in een afgesloten ruimte, waarin bepaalde regels en wetten gelden, maar waarbuiten een veel grotere werkelijkheid bestaat. Wij kunnen dit het best uitdrukken door te spreken over mogelijkheden.

Wanneer ik in een kamer een aantal meubels heb, dan kan ik deze op verschillende manieren plaatsen, maar mijn aantal mogelijkheden blijft beperkt. Indien ik daar echter steeds nieuwe voorwerpen uit de buitenwereld in kan brengen, dan is mijn aantal mogelijkheden praktisch onbeperkt. De mogelijkheden van ontwikkeling, de toepassing van wetten, het verwerken, ontvangen en uitzenden van krachten zijn in de tweede werkelijkheid onbeperkt. Alle mogelijkheden, die voor een mens maar denkbaar zijn, alle situaties, toestanden en voorwerpen, die hij zich maar kan voorstellen en nog vele buitendien zijn deel van deze grote werkelijkheid.

Dat de mens daarvoor geen begrip heeft, is jammer, want hij komt dan al heel snel tot eer, verwerpen van alles, wat met die werkelijkheid in verband staat. En als je niet weet, dat (er een zon is en een maan, dan moet je een verklaring vinden voor het feit, dat het matglazen venster de ene tijd licht en de andere tijd donker is; maar je schrijft het aan het venster toe, niet aan de zon of de maan.

Op deze wijze heeft de mens in zijn eigen beperkt leven een zeer logisch en praktisch bruikbaar geheel van denkwijzen en stellingen opgebouwd. Maar op het ogenblik, dat er iets van buitenaf ingrijpt, is de logica verstoord en is zijn systeem verstoord.

Hij kan nu, zoals hij dat meestal doet, trachten dit naar het rijk der onmogelijkheden te verwijzen. En wanneer je een vlinder in die kamer ziet binnenfladderen en je zegt. “Zo iets kan niet bestaan, dus droom ik,” dan zal die vlinder heus wel weer weggaan. Nu kun je zeggen. “Ik heb gedroomd, er is niets gebeurd.”

Zo doet de doorsnee mens, wanneer hij wordt geconfronteerd met de mogelijkheden of feiten uit een grotere werkelijkheid, die de zijne binnentreden. Aan de andere kant kunnen wij van die mens niet verwachten, dat hij in staat is om die grotere werkelijkheid helemaal te aanvaarden en helemaal te beseffen. Hij is eigenlijk ingesponnen; zijn wereld is klein. Daarom moet er een middel worden gevonden om tussen de menselijke werkelijkheid en de voor de mens tweede werkelijkheid een band te scheppen. Deze band wordt heel vaak geschapen van uit het denkleven.

Wanneer ik in de gedachten iets opbouw dat ergens harmonieert met de grote werkelijkheid buiten mij, dan kan ik dus gebruikmaken van krachten en wetten, die in werkelijkheid bestaan; want wanneer het concept er eenmaal is, dan kan ik ook het venster openen. Zolang ik echter aanneem, dat er alleen maar een Niets daarbuiten ligt, zal ik het venster niet openen. Dit openen van het venster ‑ en daarmee heb ik mijn voorbeeld dan wel zo’n beetje uitgemolken, zoals dat heet ‑ is in het idee van de doorsnee mens ofwel goddelijk ingrijpen, dan wel magie. Goddelijk ingrijpen wordt het genoemd op het ogenblik, dat men zich niet bewust is zelf oorzaak te zijn voor de veranderingen die er plaatsvinden. Magie wordt het op het ogenblik, dat men zelf de aansprakelijkheid ervoor aanvaardt. Zo gezien is magie en alles, wat ligt buiten de menselijke werkelijkheid, eigenlijk helemaal niet onlogisch. Maar we moeten ons een beeld van die tweede werkelijkheid maken om er iets mee te kunnen doen.

Wat ik mij vanavond heb voorgenomen, is dus u in een inleiding een klein beeld te geven van die tweede werkelijkheid en ook van de banden, die er bestaan tussen die tweede werkelijkheid en de uwe. Dan beginnen we maar eerst eens met een paar eigenschappen.

In de tweede werkelijkheid bestaan alle mogelijkheden volledig. Op het ogenblik, dat iemand in de tweede werkelijkheid een mogelijkheid aanvaardt, wordt zij voor hem werkelijkheid. Zoals wij uit een stad naar een woud kunnen gaan en daar in een totaal andere omgeving, met andere lucht, andere omstandigheden, andere dieren, ja, zelfs met een andere verdeling van licht en schaduw en wat erbij hoort, kunnen komen, zo kunnen we ons met de gedachten ongetwijfeld verplaatsen. Aangezien in de tweede werkelijkheid de gedachte suprême regeert en voor ons de verwerkelijking van de ongetelde mogelijkheden afhankelijk is van onze eigen instelling, kunnen wij verder stellen, dat elke mogelijkheid van het menselijk voorstellingsvermogen realiteit wordt op het ogenblik, dat de mens leert zich in die tweede werkelijkheid te verplaatsen.

Nu klinkt dat, alsof alles mogelijk zou zijn. En ik meende dat ik met mijn voorbeeld eigenlijk al aardig klaar was, maar ik heb het toch nog, even nodig. Want hoe wilt u een olifant in een huiskamer binnenhalen? Dat kan eenvoudig niet. Dan zou u eerst het hele huis moeten afbreken.

Als je bepaalde krachten in de wereld werkzaam wilt maken, zijn ze zo groot dat die wereld ze niet zonder meer kan bevatten. Je zou a.h.w. eerst alles moeten afbreken om die kracht ook werkzaam te maken; en daarbij blijkt er voor de relatie tussen tweede werkelijkheid en menselijke werkelijkheid wel een regel te bestaan.

1.Wij kunnen uit de tweede werkelijkheid geen enkele kracht binnen onze eigen werkelijkheid brengen, die niet past in de hier heersende condities en in deze condities niet kan worden uitgedrukt of niet kan worden weergegeven. En dat is heel belangrijk!

2.De tweede werkelijkheid is van uit menselijk standpunt een continuatie van de eerste werkelijkheid. Tussen deze beide is geen feitelijk verschil, doch slechts het verschil van concept of waarneming. Ook dit is interessant om even te constateren. De tweede werkelijkheid is dus alleen maar veel meer dan dat wat u kent; het is niet anders dan wat u kent.

3.In de tweede werkelijkheid is alles in essentie kracht.

Op het ogenblik, dat een kracht door een gedachte wordt beroerd, neemt zij de vorm van die gedachte aan. Dat klinkt een beetje naar een astrale wereld en het heeft er ook wel iets mee te maken. Wij hebben een grote kracht, die niet gevormd is. Ze is evenwichtig in zichzelf. Nu komt daar een gedachte (dus een kleine kracht) bij. En zoals een betrekkelijk geringe explosie een atoombom tot ontploffing kan brengen, zo kan een betrekkelijk zwakke gedachte een gehele werkelijkheid gaan vormen, die tot dan toe alleen potentieel was, maar nu voor ons ineens regel gaat worden.

Daaruit volgt weer iets anders:

Alles, wat er in de tweede werkelijkheid bestaat, is voor een ieder gelijkelijk reëel, ongeacht de wijze, waarop het tot uiting komt. Er is dus de behoefte aan uiting; maar of die nu komt van een kat, een muis, een engel of een demon, van een zwakzinnige of van een geleerde, doet verder niet terzake. Wanneer eenmaal die werkelijkheid a.h.w. is beroerd, werkzaam is geworden, dan is zij voor een ieder op gelijke wijze werkzaam. U zou kunnen zeggen: Het is net als met een straat. Als een zwakzinnige een straat maakt, dan kun je wel zeggen; “Die zwakzinnige heeft dat voor zichzelf gedaan. Maar een ieder, die in de buurt komt, zal de weg zien liggen en eroverheen gaan.

Alles, wat in de tweede werkelijkheid bestaat, kan in de menselijke werkelijkheid tot uiting komen voor zover het daarin kan worden bevat. De uiting zal in overeenstemming zijn met het karakter van de tweede werkelijkheid. De ervaring van de mens wordt echter gelimiteerd door zijn vermogen te zien en te aanvaarden.

Verder moeten we ook nog vragen, of er in die tweede werkelijkheid leven is.

Alles, wat waarlijk bewust leven is, bestaat niet in de tweede werkelijkheid, maar heeft daaraan voortdurend deel. De ziel b.v., als deel van de Goddelijke Vonk, is dus geen deel van de tweede werkelijkheid; maar omdat zij als denkend vermogen optreedt, is zij ergens in de tweede werkelijkheid geopenbaard.

Het is goed, dat we ons dit realiseren, want anders zouden we zeggen: We hebben een wereld bevolkt met allerhande wezens. Maar die wezens bestaan dus niet feitelijk. Zij zijn doodgewoon een mogelijkheid, een van de vele mogelijkheden, welke in die oneindigheid van kracht en potentie schuilt, die word geactiveerd door een bezield wezen. En hieruit volgt weer het volgende regeltje:

In de tweede werkelijkheid kan alles tot openbaring komen, maar slechts van uit een bezielde kracht.

Nu volgt daarop onmiddellijk de vraag: Moeten we dat dan willen? Neen. De gedachte op zichzelf is voldoende voor het doen ontstaan van de toestand en behoeft niet opzettelijk te worden uitgestoten; ze behoeft zelfs niet een bewust deel uit te maken van hetgeen de denker zich realiseert. Een punt, waarop ik dadelijk nog even terugkom.

Dan komen we tot de vraag: In hoeverre een manifestatie in de tweede werkelijkheid kracht heeft? Ook dit kunnen we eenvoudig formuleren:

De kracht, waarmee een toestand of mogelijkheid manifest wordt in de tweede werkelijkheid, is evenredig aan de kracht, die de manifestatie veroorzaakt. Hoe sterker ik geloof, denk of wil, hoe sterker, hoe meer gevormd de manifestatie zal zijn, die in de tweede werkelijkheid tot stand komt.

Nu ik daarover het een en ander heb verteld, moet ik me toch ook nog afvragen, of de tweede werkelijkheid nog andere eigenschappen heeft, die apart liggen van uw werkelijkheid. En dan kom ik tot de volgende conclusie:

Aangezien in de tweede werkelijkheid alles energie is en vorm a.h.w. slechts incidenteel ontstaat, kan zij niet waarlijk worden vergeleken met de menselijke wereld, die op vorm gebaseerd schijnt te zijn. Slechts indien wij ons realiseren, dat alle vorm op aarde dus in de menselijke wereld) is ontstaan uit wil en bewustzijn, kunnen we een vergelijking trekken. In die vergelijking moeten wij dan stellen, dat uit de tweede werkelijkheid eens de menselijke werkelijkheid werd geschapen door een voortdurende en grote intensiteit van denken, en grote en gerichte wilskracht, de aarde een vorm verkreeg, die zichzelf handhaaft zolang de initiërende kracht niet is uitgewerkt.

Dan vraag ik mij verder af, hoe die wereld er dan wel uit kan zien? Is ze begrensd of niet?

Als ik dat nazoek, dan ontdek ik weer een eigenaardigheid. Ruimtelijke verhoudingen bestaan er in de tweede werkelijkheid slechts dan indien een kracht of mogelijkheid wordt gerealiseerd. Er is geen feitelijke ruimte, zoals wij die kennen. Er is slechts een manifestatie, die in zich een ruimtelijk concept kan bevatten,

Is er tijd? De tijd van de tweede werkelijkheid is geheel afhankelijk van de ontwikkeling van het denkbeeld, of van de door het denkbeeld georigineerde ontplooiing van een kracht tot een feitelijke mogelijkheid. Bijgevolg bestaat er geen feitelijk maar slechts een relatieve tijd. Waar tijd relatief is en ruimte niet feitelijk bestaat, kan eveneens worden gesteld, dat in de tweede werkelijkheid tijd en ruimte onderling verwisselbare waarden zijn; dat verleden en toekomst één geheel vormen; en dat wij binnen deze werkelijkheid dus niet aan een ontwikkelings‑ of tijdsverloop gebonden zijn, maar slechts aan de ontwikkeling, die in onszelf plaatsvindt. Ik voel u al zo langzamerhand denken: Tjonge, tjonge, wat wordt het zwaar. Toch is het nodig. Want wanneer u later de inhoud wilt terugvinden, dan zult u dat beeld van de tweede werkelijkheid toch heus voor uzelf moeten opbouwen; en dat kunt u niet zonder deze gegevens. Laten we dus deze noodzakelijke punten eerst constateren en dan overgaan tot de vraag:

In hoeverre heeft de mens deel aan die tweede werkelijkheid en wat kan hij ermee doen?

Ik kom dan allereerst tot de conclusie, dat de mens altijd deel heeft aan de tweede werkelijkheid, maar dat hij over het algemeen daarbij gelimiteerd blijft tot een gezamenlijk met anderen ervaren deel, dat hij als menselijke werkelijkheid of als het reële heelal pleegt te beschouwen.

Wanneer wij met ons voorstellingsvermogen verdergaan dan het normale, dan komen wij niet in een andere wereld terecht, maar we breiden onze eigen wereld uit. Wij ervaren dan dingen en, brengen dingen tot werking of doen dingen ontstaan, die in onze wereld nog niet aanwezig waren.

Bewust of onbewust zal elke mens gedurende zijn leven wel eens een contact met die tweede werkelijkheid hebben. In zeer vele gevallen wordt dat dan een kwestie van wensvervulling. Hij heeft een zeer intense wens, een zeer intens verlangen en maakt dit tot werkelijkheid voor zover zijn wens eerlijk en oprecht in hem bestaat, maar ook niet voor zover zijn? Er is dus een voortdurende uitwisseling van waarden tussen de menselijke werkelijkheid en de tweede werkelijkheid; de mens weigert het concept van die onbeperkte tweede werkelijkheid te aanvaarden, omdat hij dood­gewoon bang is voor onbegrensde mogelijkheden. Nietwaar, wat moet Chroetsjef ervan denken, als hij daar ineens moet gaan geloven in een wereld, waarin de wens van zijn medemensen hem plotseling tot de aap of de hond kunnen maken, die ter verheerlijking van de ruimte­vaart een zachte dood in het heelal gaat vinden? Als hij daaraan gelooft, kan hij niet meer op zichzelf vertrouwen en aan zichzelf geloven. Ik noem nu een absurd voorbeeld. Het is precies hetzelfde met mathematica. Als ik daar een beeld neem, dat hier geldt als vaststaand en ik moet mij realiseren dat elke willekeurige interpretatie op een gegeven ogenblik de juiste kan zijn, dan heb ik geen basis meer.

Wanneer je als mens moet geloven, dat al hetgeen je nu goed en belangrijk noemt op een gegeven ogenblik waardeloos is en dat andere dingen, die je eigenlijk liever helemaal uit je leven zou wegdrukken, ineens het enig belangrijke worden, ja, dan voel je je ook niet gelukkig meer; je hebt geen zekerheid. Die zekerheid van de mens maakt het hem dus meestal onmogelijk om de tweede werkelijkheid te benaderen. Toch zijn er mensen geweest ‑en ik zou zeggen door alle tijden heen ‑ die de tweede werkelijkheid hebben ontmoet. Ze hebben ergens de beslotenheid van het kamertje van menselijk denken verlaten. Ze zijn terecht gekomen in een wereld met ongekende mogelijkheden en krachten, maar ze bleven mensen. Ze waren onzeker; en daarom hebben ze voor zichzelf systemen opgebouwd, waardoor ze bepaalde delen van die tweede werkelijkheid a.h.w. konden realiseren. Dit heet, als het gaat om de innerlijke waarden van de mens esoterie. Gaat het om de meer uiterlijke waarden, de wereldwaarden, dan heet het magie. In beide gevallen heeft de mens getracht om een deel van die werkelijkheid in kaart te brengen.

En zo kunnen we naar deze twee menselijke systemen grijpen als een voorbeeld en een verklaring van wat er voor de mens mogelijk is.

Een magiër denkt. Hij ondersteunt zijn denken wel degelijk met alles, wat er in zijn eigen wereld past, maar hij bouwt een volkomen onredelijk, onlogisch beeld op; en dat beeld wordt met een betekenis bezield door zijn denken. Indien hij dit ver genoeg weet voort te zetten, ontstaat er een invloed, die hetgeen hij eerst slechts als mogelijkheid stelde werkelijkheid maakt.

Nu wil ik niet zeggen, dat hij goud maakt of mensen op afstand gaat neerschieten, ofschoon ook dat bestaat. Wij kennen bv. de pijlmagie, een deel van de zwarte magie van de tovenaars in Tibet. We kennen de pijlmagie, zoals die voorkomt op Nieuw‑Guinea en Borneo, waarbij men iemand volgt door een pijl af te schieten. We kennen de speermagie, die voorkomt in Midden‑Afrika, waarbij men een speer werpt en uit de vlucht van de speer en de wijze, waarop hij inslaat, precies kan lezen waar iemand is, waar men iets kan vinden en zelfs op die manier ook iemand kan doden. In al deze gevallen is er geen reële verbinding.

Wanneer ik een pijl neem, ik maak er een bosje stro aanvast, ik prevel er een paar woorden over en ik schiet hem af, dan is het absoluut onlogisch, dat die speer precies de richting aangeeft, waarin een persoon, een wezen of een voorwerp dat ik zoek zich bevindt. Toch blijkt het proefondervindelijk waar te zijn.

Maar er is iets anders gebeurd. Ik heb die pijl gebruikt als een deel van mijn eigen werkelijkheid, maar ook als een deel van die tweede werkelijkheid; en in die tweede werkelijkheid bestaat de mogelijkheid dat een afgeschoten pijl zelfstandig denkt en waarneemt en dus een richting bepaalt. Doordat ik nu iets heb, wat in de tweede werkelijkheid mogelijk is. geloof ik erin. Ik wil dit, en ik geef het vorm. Gelijktijdig verricht ik de daarbij behorende handelingen in de materie. Het resultaat is, dat ‑ voor zover het de grote werkelijkheid betreft ‑ de geschapen mogelijkheid en de feitelijke handeling identiek zijn geworden en het resultaat is dus het gewenste, ook als dat menselijk gezien onredelijk is. Met dit enkele voorbeeld probeer ik u duidelijk te maken, waar het om gaat.

Op het ogenblik, dat een mens iets uit die grote werkelijkheid, die z.g. tweede werkelijkheid, beseft en dit voor zichzelf a.h.w. tot werkelijkheid gaat maken, zal alles wat er in die tweede werkelijkheid bestaat en mogelijk is, volgens het denken en de wil van degene, die in dit geval dus als magiër optreedt, ook inderdaad worden gerealiseerd; want er is een te grote overeenkomst om te zeggen: dit hoort niet bij elkaar.

De toestand van “ik schiet de pijl” uit mijn voorbeeld, is volledig identiek met de gedachte, die in de grote werkelijkheid bestaat “ik schiet een pijl”. Alleen, de gevolgtrekking aan het schieten van de pijl verbonden is een andere. Dit is alleen maar een kwestie van kracht. Zolang het slechts een kwestie van kracht is, kan het denken de tweede werkelijkheid overplanten in de menselijke werkelijkheid. Dit is dus bewuste magie.

Nu kunnen we het ook anders doen. Wanneer ik in mijzelf keer en ik ga mij een toestand denken, die in de grote werkelijkheid feitelijk is en werkzaam wordt, maar met mijn eigen werkelijkheid een grote overeenkomst vertoont, een bepaalde congruentie, dan komt er een ogenblik dat een mens in verrukking verkerend bv. leviteert; hij zweeft. Dat zweven is menselijk gezien onmogelijk; men noemt het een wonder. Maar het ontrukt zijn aan de aarde, uitgaande van mijn persoon, van mijn mogelijkheden, moet worden uitgedrukt; en in de grote werkelijkheid is dat een loskomen van de aarde. Zo leviteert men.

Ik wil niet zeggen, dat je niet op een andere manier kunt leviteren, maar alweer, er is een kennelijke verbinding tussen de menselijke werkelijkheid (dus het uitgangspunt van de mens zijn intense eenheid met zijn intense gerichtheid op iets, wat er in de grote of tweede werkelijkheid bestaat) en het feit, dat beide voor hen samenvallen. Daardoor worden alle krachten (dus ook langs deze innerlijke weg) geactiveerd en gericht op de mens zelf.

Nu is er echter een bepaling bij. Wanneer er geen mogelijkheid is om als mens een gelijkheid van toestand in die tweede werkelijkheid en in mijn eigen werkelijkheid tot stand te brengen, zal ik wel iets buiten mijn eigen werkelijkheid tot stand brengen, maar het zal in mijn eigen werkelijkheid niet kenbaar zijn, want er is een zekere congruentie nodig. Ik kan mij op dit ogenblik iets gaan voorstellen, dat niet bestaat. Als ik mij de toestand kan indenken, waarin het kan ontstaan en deze naboots, dan ontstaat het. Kan ik dat niet, dan zal het buiten mij ontstaan, maar ik zal het niet als deel van de werkelijkheid zien. Voor andere mensen, die alleen de menselijke werkelijkheid beleven, is dit niet meer kenbaar.

Een mens rekent met ruimte. Hij rekent met tijd. Hij wil voor alles een plaats hebben. Maar in een kracht is er geen plaats te vinden. Je kunt niet zeggen, dat een magnetisch veld ergens een plaats heeft. Het is een toestand. Een toestand eventueel van de ruimte. Maar het kan ook een potentiële kracht zijn, die nu niet is gerealiseerd, zoals bij een spoel waardoor nog geen elektrische stroom loopt. Toch is dat veld potentieel aanwezig. Ik kan dus niets daarvan zeggen. Ik kan alleen maar zeggen, dat er een vaste relatie bestaat tussen de kracht en het verschijnsel.

Ik kan verder stellen, dat ik als mens (dus uitgaande van ruimte en tijd, uitgaande van verschijnselen en niet alleen van krachten, die voor mij nog slechts potentieel zijn) in mijn zoeken naar die tweede werkelijkheid tevoren al een toestand schep, voordat de tweede werkelijkheid voor mij kan worden gerealiseerd. En dat is ook belangrijk; want ik kan de tweede werkelijkheid dus niet beseffen, zoals zij bestaat. Ik kan het alleen doen aan de hand van mijn persoonlijke beïnvloeding daarvan, waardoor een kenbaarheid is ontstaan. Eerst wanneer mijn denken op zichzelf een weerklank heeft gevonden en zo de eerste uiting bestaat, kan ik voor mijzelf een concept van de tweede werkelijkheid vormen. Dit impliceert, dat in de tweede werkelijkheid alle dingen mogelijk zijn, die wij voor onszelf mogelijk achten en die wij ons als mens kunnen voorstellen binnen het tijdruimtegebied.

Aan de andere kant moeten we er rekening mee houden, dat ruimte en tijd in de grote werkelijkheid dus totaal andere betekenissen hebben dan in onze eigen wereld. Het is zeer moeilijk om een volkomen gelijkheid van tijd, tijdsontwikkeling en tijdsverloop te verkrijgen in die tweede werkelijkheid en in de uwe, want buiten u is het concept dat werkzaam is; het is de realisatie die het tijdsverloop bepaalt. Bij u is het daarentegen de meting. De ruimte bestaat voor u, als we het goed bezien, eigenlijk uit de afstand, die of iets voor ons moet afleggen. Wanneer u zegt. “De tafel, staat zover weg,” dan kijkt u en constateert in feite de tijd, die er nodig is om een realisatie van die tafel te verkrijgen van, uit twee verschillende hoeken, uw twee ogen. Daaruit komt uw concept van afstand voort. Wanneer u één oog dicht doet, dan kunt u uit de herinnering misschien de afstand nog wel aflezen. Maar komt u in een totaal nieuwe omgeving, dan zal het u zeer moeilijk vallen die afstand te schatten; waaruit alweer blijkt, dat dus de zintuiglijkheid voor het begrip “ruimte” erg belangrijk is, ook voor richting.

Nu zijn wij gewend om ons, wanneer we op aarde zijn, de lichte krachten ergens boven, op de daktuin, voor te stellen. En zodra we met de duistere krachten te maken hebben, dan denken we aan het stookhuis beneden. Dat is een heel typische realisatie eigenlijk, want er is in feite geen boven en geen beneden. Maar ‑ en nu het typische ‑ op het ogenblik, dat ik denk en er een uiting komt uit de tweede werkelijkheid, zal zij voor mij inderdaad boven of beneden mij liggen. Het is dus niet moeilijk te zeggen, dat de hel boven je is en de hemel beneden je. Als je daarin gelooft, is dat voor jou waar; want je verandert niet in de tweede werkelijkheid, alleen laat je een daarin bestaande mogelijkheid zich manifesteren. Maar omdat je die volgens jouw begrip op een bepaalde plaats hebt gesteld, heb je een relatie tussen jezelf en die tweede werkelijkheid geschapen, die voor jou als richting kan worden uitgedrukt.

Nu komen we natuurlijk tot de opmerking, die haast onvermijdelijk is in een geval als dit; Wat moeten we daar nu allemaal mee doen? Het is zo ingewikkeld, kan het niet eenvoudiger? En dan kan ik alleen maar antwoorden:

U bent voortdurend verbonden met de tweede werkelijkheid. U hebt bepaalde dromen, waarin u niet helemaal gelooft. Doordat u er niet helemaal in gelooft, belemmert u voor uzelf de verwerkelijking. U maakt ze eenvoudig onwaar. Wanneer u bepaalde dingen voor uzelf nastreeft en u begeert ze niet volledig, dan maakt u de bereiking ervan voor u onmogelijk.

Maar we zien ook het omgekeerde. Wanneer een mens volledig gelooft in een verwerkelijking ‑ al zal niemand anders er vertrouwen in hebben dan kan hij het onmogelijke waar maken. Er zijn helaas maar enkele mensen, die daartoe werkelijk in staat zijn, maar het gebeurt toch nog.

Zo kun je zeggen, dat elke mens door zijn denken alleen al ergens met die grote werkelijkheid in contact staat en krachten schept, die zijn eigen leven beïnvloeden. Hij is zich daarvan niet bewust en gebruikt als verklaring daarvoor ideeën als karma, fatum, goddelijke wil, enz. Heel juist is dit niet. Wanneer wij beschikken over een soort landkaart van begrippen en wij kunnen ons op één begrip volledig concentreren, dan maken wij dit waar. Het enige, dat ons dan nog rest, is te zorgen dat datgene, wat wij dus hebben geschapen, ook in onze eigen wereld ergens ontstaat; en als het begin van de ontwikkeling in onze wereld bestaat, zullen de gevolgen eveneens in onze wereld kenbaar worden.

Elke mens, die leert gericht te denken en dit denkbeeld ergens – althans in zijn beginfase – tot werkelijkheid te maken, heeft daarmede voor zich de tweede werkelijkheid in dienst gesteld van zijn eigen werkelijkheid en een kracht geschapen, die in zijn eigen wereld voortdurend blijft voortgaan.

Daarmee staan we dus al heel dichtbij de normale praktijk. Een mens is ziek. Ik geloof in die ziekte. Ik geloof, dat die ziekte die mens zal doen sterven. Alle voorwaarden om het sterven waar te maken zijn aanwezig. Dan schep ik een kracht, welke die persoon doet sterven. Ik kan die kracht ook zo scheppen, dat ik hoop op de dood. Dan breng ik de mogelijkheid van het sterven dichterbij. Maar een andere gedachte (van de patiënt bv. of van iemand in diens omgeving) kan dan een wijziging betekenen. Het is niet wat ik alleen maar probeer.

Een mens loopt vol goede gedachten en goede voornemens en hij bereikt niets. Waarom? Omdat het niet voldoende is om goede gedachten en goede stelregels te kennen. Het is noodzakelijker om zijn beginsituatie van de grote werkelijkheid voor jezelf te realiseren, dus om te zetten in een materiële mogelijkheid, die in de beginfase, volledig daaraan gelijk is en zo een harmonische werking te doen ontstaan, die de tweede werkelijkheid parallel maakt volgens menselijk denken en identiek maakt volgens geestelijk denken met de werkelijkheid. En dan is het mijn eigen streven, dat voortdurend uit de vele keuzemogelijkheden die er bestaan kiest, zodat elk?, dat je in de werkelijkheid hebt ‑ ook het moment nu bv. ‑ je een groot aantal mogelijkheden geeft. Wanneer mijn gerichtheid blijft bestaan (dus mijn intens denken), dan zal elk ogenblik dat die gedachte bestaat de keuze in die tweede werkelijkheid bepaald zijn; m.a.w. wat er aan kracht nog verder wordt geopenbaard. En zo is de volledig sterk gerichte wil in staat om elke gewenste toestand of situatie te doen ontstaan, doden op te wekken, zieken te genezen of omgekeerd, mensen te doden of ziek te maken.

Er is geen criterium van goed of kwaad te stellen. Als mens doe je dat graag. Je zegt natuurlijk: Al het goede is dat, wat we waar kunnen maken. Maar we kunnen het slechte toch niet waar maken. Toch is dat wel degelijk zo. Het gaat er niet om, of iets voor mij goed of kwaad is. Het vereiste is: Het waar maken in de materie van een beginsituatie of droombeeld met een bepaalde intentie; en als de gevolgen daarvan kwaad zijn, dan kunnen we er zeker van zijn dat ze voortgaan.

Er is gelukkig een beperking bij. Op het ogenblik, dat tegengestelde werkelijkheden uit de grote werkelijkheid worden geactiveerd en krachten tot ontplooiing komen, zullen zij elkaar opheffen daar, waar zij ‑ strijdig met elkander ‑ even krachtig zijn. Denkt u nu maar aan twee jongens, die aan het spelen zijn. Zij staan op een plaats en proberen elkaar weg te duwen. De sterkste wint. Degene die het langst volhoudt, wint ook. Maar als ze ontdekken dat ze even sterk zijn en ze zien geen onmiddellijk resultaat, dan kunnen ze er ook mee ophouden.

De onbewuste mens roept heel veel werkingen op. Maar omdat er gelijksoortige werkingen van anderen ontstaan, worden de directe gevolgen niet kenbaar. Men zegt: Dit is niet mogelijk. Het resultaat is, dat de kracht zijn eigen evenwicht herkrijgt en geen deel wordt van het menselijk leven. Als u bewust die tweede werkelijkheid wilt activeren, dan zult u dus in vele gevallen het denken van anderen ergens moeten neutraliseren.

Wanneer ik voor een mens welvaart, vrede, geluk of wat anders wil scheppen, dan moet ik er rekening mee houden, dat er ook denkbeelden zijn, die daarmee in strijd zijn. Op het ogenblik dat ik volledig en intens vertrouwend voortga met die intentie en met het herhalen van dezelfde, stofsituatie (de beginsituatie), waaruit de identieke ontwikkeling a.h.w. voortspruit, kan ik op den duur dus elke niet‑bewuste werking door mijn bewuste gerichtheid overwinnen. Er is een tegenstand, maar die is nimmer onoverwinnelijk. Slechts daar, waar een door geambieerde verwerkelijking volkomen in strijd is met het totaal menselijk denken, geloof en bewustzijn, zullen er zoveel onbewuste krachten tegenover mij staan, dat de verwerkelijking in de menselijke wereld niet mogelijk is.

Nu krijgen we nog een heel eenvoudig staartje en dan zijn we klaar met de inleiding.

Wat zijn de grote mogelijkheden, die er voor de mens direct bestaan in verband met die tweede werkelijkheid?

  1. Gedachten zijn directe krachten. Elke gedachte, die bewust is gericht, kan dus bewust worden gerealiseerd, niet alleen in jezelf maar ook in anderen. Telepathisch contact, telepathische beïnvloeding is mogelijk dankzij deze tweede werkelijkheid en ‑ dat is ook belangrijk ‑ bezit daarbij geen enkele beperking van ruimte of tijd, tenzij het geloof in een gevestigd en onveranderlijk verleden voor de meeste een beïnvloeden van het verleden onmogelijk schijnt ie maken.
  2. Op het ogenblik, dat mijn geloof aan krachten (positieve of negatieve krachten, levenskracht of gedachtekracht), die even­eens in de tweede werkelijkheid bestaan, voldoende is geformuleerd en een beginsituatie is geschapen, kan ik deze krachten in mijn eigen wereld tot uiting brengen. Ik kan daarmede anderen beïnvloe­den en hun zo levenskracht schenken, hun gedachten beïnvloeden, hun omgeving afschermen. Ook dit lijkt me voor u wel interessant en belangrijk.
  3. Wanneer een mens weigert een beeld uit de tweede werkelijkheid te aanvaarden met inzet van zijn gehele wezen, zal geen enkel beeld door anderen geschapen hem kunnen beïnvloeden. De mens, die niet gelooft aan het vuur, zal zich niet branden. Dat klinkt dwaas, maar het is waar. De mens, die niet gelooft aan een demon, kan door een demon niet worden getroffen. De mens, die niet kan geloven aan bv. de pijl van haar, zal nimmer door een zwart magiër op die wijze kun­nen worden getroffen.

Het is ons eigen denken en ons eigen vertrouwen, ons eigen geloof en ook de praktijk van ons bestaan, ons leven in sfeer of wereld, dat bepalen zal welke krachten door anderen in de tweede werkelijk­heid gewekt voor ons gelden en welke door ons ‑ zover het ons be­treft ‑ teniet kunnen worden gedaan. Alle afscherming, alle mogelijkheid tot het scheppen van sfeer berust hierop. Een mens die een juiste instelling heeft en die weet te continueren, zal rond zich een sfeer hebben, die hem onaantastbaar maakt voor alle niet daarmee strokende beelden uit de tweede werkelijkheid en gelijktijdig hem bijzonder ontvankelijk maakt en ook bijzonder gevoelig voor de mo­gelijkheden, die wel harmonisch zijn met zijn wezen. Naarmate de mens dus meer gericht denkt en leeft, en daarbij minder angst heeft voor bepaalde verschijnselen of mogelijkheden, minder verwachtingen a.h.w. en meer in­nerlijke zekerheden, zal hij voor zichzelf in zijn wereld de mogelijkheid scheppen om steeds meer zijn innerlijk leven te maken tot bepalende factor van de menselijke werkelijkheid, waarin hij bestaat.

Zo, nu heeft u dus het een en ander gehoord over de tweede werkelijkheid. U zult wel begrijpen, dat daarmee de kous nog lang niet af is, want de tweede werkelijkheid is één van de belangrijkste factoren in alles, wat bij de mens magie heet en wat de mens magische mogelijkheden of mirakel noemt. De achtergronden van geloof en geloofsverwezenlijking, ja, zelfs de wijze, waarop je in het hiernamaals voort bestaat, is afhankelijk van je houding tegenover die tweede werkelijkheid. Wij zijn dan ook wel van plan om daarover een tweede lezing te geven, waarin we dus deze aspecten in het bijzonder op de voorgrond gaan schuiven. Nu is het echter voldoende dat u begrijpt dat de tweede werkelijkheid elke voorstelbare mogelijkheid bezit; dat elke gerichte gedachte in de tweede werkelijkheid een mogelijkheid van potentieel tot regel maakt, maar dat de realiteit in de menselijke wereld alleen kan worden ervaren, wanneer een zekere congruentie bestaat tussen de stoffelijke situatie en het geprojecteerde beeld van de grote werkelijkheid.