De tweevoudige kosmos

image_pdf

19 juni 1972

Wanneer wij Kosmos zeggen, dan denken wij aan alles wat buiten ons is en zelden aan wat in ons is, maar nu wij aan de innerlijke wereld een beschouwing hebben gewijd, lijkt het mij goed om een klein overzicht te geven van de relaties, die er tussen onze innerlijke Kosmos en de uiterlijke Kosmos bestaat.

Theoretisch zou men het als volgt kunnen uitdrukken:  Al datgene wat voor ons kan bestaan, bestaat reeds in ons. Als zodanig is dat, wat in ons bestaat, volkomen gelijkwaardig aan datgene, wat buiten ons aanwezig is.

Natuurlijk is dit theorie. In de praktijk staan wij er anders voor, omdat wij ons in de eerste plaats niet volledig bewust zijn van datgene wat in ons leeft en in de tweede plaats omdat wij maar heel weinig kennen van hetgeen buiten ons bestaat. Toch is er een kenbare relatie aan te tonen tussen de innerlijke wereld van de mens en de wereld buiten hem. Wij kunnen aan de hand van zijn eigen gedrag constateren hoe de toestanden, die in hem bestaan, door hem naar buiten toe vertaald worden en voor hem de relatie met de buitenwereld bepalen.

Wij kunnen daarnaast – en dan komen wij in het gebied van de sympathische magie – vaak aannemelijk maken dat de mens, die in zichzelf bepaalde krachten erkent en deze weet te richten, (wat wil zeggen, dat hij ze in zijn voorstellingsvermogen richt op een in hem als beeld aanwezige toestand) deze krachten buiten zich op dezelfde wijze manifest kan maken. Wat in mij bestaat, bestaat dus buiten mij. Wat in mij bestaat als een bewuste en gerichte kracht, bestaat buiten mij als een kenbare ontwikkeling en een kenbaar resultaat.

Nu omvat de werkelijke Kosmos niet alleen een ontelbaar aantal sterren en een behoorlijk aantal sterrennevels, ze omvat daarnaast een groot aantal zgn. sferen d.w.z. bestaansniveaus, die voor de mens niet onmiddellijk waarneembaar zijn en wij kunnen daaraan toevoegen dat elk niveau over het algemeen voor de bewoners daarvan als werkelijke wereld geldt, terwijl de andere werelden niet reëel of veel minder reëel schijnen. Alle werelden hebben invloed. Ik ben verbonden met alle werelden, waar ik ook leef. De Kosmos in mijzelf zou dus beseft kunnen worden als omvattend een groot aantal meer dimensies dan de normaal menselijke. Zodra dit besef, al dan niet uitgedrukt in mij, bestaat, kan ik elke activiteit, elke kracht die in mij plaatsvindt, op ditzelfde multidimensionale vlak tot uitdrukking brengen. Dan zullen in mijn Kosmos waarden reëel worden, die niet reëel kunnen worden wanneer ze maar op één vlak bestaan. Voorbeeld:

Als mens kun je een wil hebben t.a.v. een bepaalde ontwikkeling. Laten we zeggen dat u hoopt dat de druiven vlug rijp zijn. Wanneer dit het geval is en u drukt dit zuiver materieel uit, dan bent u onderworpen aan de wetten en krachten en uw voorstelling daaromtrent, zoals ze in uw wereld bestaan en dus ook in uzelf verankerd zijn. Dan is het duidelijk dat rijpe druiven in januari niet kunnen voorkomen. Stel nu dat ik alle werelden ken. In alle werelden is er een ogenblik dat een voorstelling “druif” of een daarmee vergelijkbare waarde rijp is, dus voor consumptie aanvaardbaar. Wanneer ik nu uit al die krachten werk, dan maak ik voor de druif die ik op aarde wil hebben, gelijktijdig ook alle krachten en invloeden toegankelijk, die in de kosmos bestaan. Het resultaat is dat de rijpheid dan, eveneens zuiver natuurlijk, maar voor de mens bovennatuurlijk tot stand komt.

De situatie kan dus als volgt worden omschreven: Naarmate ik meer sferen kan betrekken in de totaliteit van mijn streven en minder geleid word door de krachten, voorstellingen en opvattingen van mijn eigen wereld, zal meer van hetgeen in mij als behoefte, noodzaak of erkenning leeft, buiten mij, voor mij gerealiseerd zijn.

Dit is niet alleen een basis voor magisch werken, het is ook een basis voor esoterisch werken en streven. Want al datgene wat buiten mij bestaat, vindt in mijzelf zijn reflectie. Ik kan niets buiten mij erkennen wat niet deel van mijzelf is. Zo is de gehele wereld, zoals ik die zie en erken, voor mij de weergave van datgene, wat ik innerlijk ben. In de esoterie spiegel ik mij zelf aan de wereld en het beeld van mijzelf, dat ik op die wijze ontwikkel, is een juist beeld, omdat bij mijn interpretatie van de wereld en mijn voorstelling daarvan alles wat in mij aan bewuste waarde leeft, immers een rol zal spelen.

En daarmee staan wij niet alleen voor een moeilijkheid t.a.v. bv. intermenselijke relaties. wij staan eveneens voor een grote moeilijkheid in de relatie tussen bv, mens – geest, mens – hogere kracht, mens – God. Want al wat een geest denkt, weet, kan ik voor mijzelf alleen aanvaarden mits ik dezelfde vrijheid heb van beperkingen die die geest kent. Bij de magie is het natuurlijk precies omgekeerd. En daar hebben wij die vreemde reversibiliteit esoterie – magie. Begrippen die ergens onscheidbaar zijn en toch schijnbaar verschillend, zoals de twee zijden van één en dezelfde munt. Stel nu dat ik op grond van het voorgaande voor mijzelf in mijzelf een denkbeeld vorm, waarbij ik de uiting onafhankelijk maak van mijn eigen wereld. In dat geval kan de eigen wereld mij niet belemmeren; de wetten van mijn eigen wereld gelden niet. Maar zij zijn alleen in zoverre ontkracht als ook daar waar mijn voorstelling naartoe geprojecteerd wordt, deze beelden, deze opvattingen niet aanwezig zijn. Wanneer ik te maken heb met andere denkende vermogens, is er dus voortdurend sprake van een wisselwerking, waar resultaat zowel als de mogelijke erkenning bepaald wordt door de wijze  waarop beiden hun eigen Kosmos in zich beseffen en de voorstellingen, die ze aan hun wereld of Kosmos buiten zich verbinden.

Gesteld dus, dat ik mens ben. Als ‘geest’ kan ik in een mens alleen datgene verwerken en begrijpen, wat past in mijn eigen voorstellingswereld. Je krijgt daar de meest curieuze situaties mee. Wanneer een geest zegt: “Over twee jaar” dan bedoelt hij over twee jaren zoals ik mij die voorstel in mijn wereld. Op aarde kan het 5 dagen zijn, het kan ook 20 jaar zijn. Dan zegt die mens: “Die geest vergist zich” Neen, die geest heeft zich niet vergist, maar er was een onvoldoende overeenstemming tussen het tijdsbegrip van de geest en dat van de mens. Een mens zegt tegen de geest: “Help mij en geef mij bv. een zekere gave”. De geest zegt: “Dat zal ik doen”.  En die geest begint heel rustig te werken en die is daar naar zijn eigen begrippen een uurtje mee bezig en komt terug en zegt: “Hier is die gave”. Maar voor de mens zijn ondertussen misschien 40 jaar verlopen. En dan zegt hij: “Ja, nu heb ik het niet meer nodigt”. Dat komt ook voor. Tijd kan dus al een factor zijn, waardoor je in de war raakt.

Maar hoe zou het dan moeten gaan met bv. Kosmische krachten? Wanneer wij stellen dat in een bepaalde persoon een Kosmische kracht zetelt en deze Kosmische kracht, gehecht aan dit ego, moet een weergave vinden in de wereld op die of gene wijze, dan denkt de geest, die dat doet, niet in de termen van een beperkt menselijk leven. Want voor de geest bestaat de Kosmos uit een aaneengerijde reeks van verschijnselen, die voor de mens vaak afzonderlijke levens zijn. Dus die geest zegt dat en dat komt na 5 incarnaties uit. Maar ja, er zijn mensen die zeggen: “Het moet in mijn tijd uitkomen”. En die gaan dan dood en die zeggen dan: “Die geest heeft de kluit…”

Hier krijgen we dus langzaam maar zeker een beeld van de misverstanden, die er kunnen bestaan. Om die misverstanden te kunnen ophelderen kun je als mens alleen aan jezelf beginnen, aan de innerlijke wereld. Naarmate de innerlijke Kosmos van de mens meer geordend wordt door wetten en gelijktijdig minder geordend is door menselijk vastgestelde waarden en waarderingen, zal een grotere harmonie tussen die mens en de geest, de hogere krachten en eventueel God mogelijk zijn. Dat is natuurlijk alleen van de mens uit gesproken, maar misschien kunt u daar toch wel iets mee doen. Want bewustwording en ontdekking van  het leven zijn voor veel mensen toch wel een beetje vervelende zaken. Je loopt zo vaak tegen mislukkingen aan. Je bent geladen met zenuwspanningen, omdat het allemaal anders gaat en omdat je niet meer weet hoe  je het eigenlijk moet doen. Dat komt omdat je je baseert op waarden en denkbeelden van je eigen wereld. En het wonderlijke is, dat je daardoor gelijktijdig gebonden bent aan die verschijnselen. Maar indien de innerlijke Kosmos van die mens los staat van de schijnwetmatigheden, die men op aarde meent te herkennen, dan kan een nieuwe resonantie gevonden worden tussen de innerlijke en de uiterlijke Kosmos en zullen de verschijnselen zich wijzigen.

U moet niet denken dat het allemaal een kwestie is van : je moet het maar geloven. Geloof speelt een grote rol wanneer wij krachten willen aanvoeren, die wij – althans verstandelijk – niet kunnen benaderen. Maar wanneer het gaat om de relatie tussen de wereld in onszelf en die totaliteit buiten ons, dan is het geen kwestie van geloof, dan is het een kwestie van feiten. Ik geloof dat u daar rekening mee moet houden, wanneer u ooit op dat terrein zou experimenteren.

Er zijn Kosmische waarheden, die op aarde onwaar zijn, omdat slechts een zo klein deel daarvan beseft kan worden, dat dit in tegenspraak schijnt met alle erkende feiten. En in onszelf hebben we precies hetzelfde. Onze innerlijke Kosmos omvat vaak zoveel erkenningen, beelden en mogelijkheden t.a.v. ons bestaan, t.a.v. de openbaring van onszelf, de uitdrukking van een taak, dat wij eenvoudig niet kunnen begrijpen dat die wereld daarop niet reageert. Maar wij vergeten dan één ding. Het beeld dat in ons bestaat, is multidimensionaal. Het omvat niet onze wereld, het omvat een totaliteit. En van die totaliteit kunnen we die wereld niet altijd zelfs maar een deel voldoende kenbaar maken. Wanneer wij dan afzakken naar de kenbaarheid van onze eigen wereld, verloochenen wij ook datgene, wat in ons bestaat. Misschien zou het een oplossing zijn om dan die beide werelden afzonderlijk te beschouwen.

Buiten mij is een wereld, die ik meen te kennen. Hoe minder ik daarin zekerheid stel – dus vaststaande feiten en wetten – hoe gemakkelijker het voor mij zal zijn. Want in mijzelf heb ik ook zekerheden. In mijzelf heb ik ook wel een denkbeeld van wetten, maar dat is gelukkig vaag. Ik zie in mijzelf eerder de mogelijkheden dan de feiten. Als de vaagheid tussen beide werelden ongeveer gelijk is, dan zal een overdracht zonder meer plaatsvinden. Het is niet noodzakelijk dat een bewuste overdracht plaatsvindt om de krachten van de innerlijke Kosmos in de Kosmos buiten ons kenbaar te maken, terwijl ook de werking van de Kosmos buiten ons op grond van harmonie en zonder bewuste intentie in onze innerlijke Kosmos inwerkt. Voor ons is er een tweeledigheid van Kosmos. Misschien dat ze ergens in de hoogste top een eenheid vormen. Maar zolang je leeft, is er een verschil. Een verschil tussen de werkelijkheid in jezelf en de werkelijkheid buiten jezelf.

Alles wat in mijzelf werkelijk is, is buiten mijzelf ergens waar, maar het is niet zo waar dat ik daar direct deel aan heb. Dat is de moeilijkheid. Op het ogenblik echter dat ik geen vaste voorstelling heb t.a.v. dat, wat in mij is, maar slechts een erkenning van het geheel, zal – omdat ik geen richtende invloed probeer uit te oefenen – buiten mij een snellere beantwoording mogelijk zijn van hetgeen in mij leeft.

Nu gaan wij nog een stap verder. De scheiding die ik maak tussen innerlijke Kosmos en uiterlijke Kosmos is een scheiding, die vanuit ons standpunt bestaat, maar die niet reëel bestaat. Wanneer ik spreek over de Kosmos, dan beschouw ik als deel daarvan, ook elk ego, dat van die Kosmos deel uitmaakt. Voor anderen ben ik dus deel van de Kosmos buiten het ik. De Kosmos in het ik creëer ik alleen maar, omdat dit voor mij de enige mogelijkheid is mijzelf te beseffen in de Kosmos en gelijktijdig de Kosmos te beseffen vanuit mijzelf. En daar zit nu het haakje. Dat is de kleine moeilijkheid, waarop wij steeds weer stuiten.

We zeggen, dat wat in mij is, buiten mij niet waar is en wat buiten mij  is, behoeft niet in mijzelf waar te zijn. Dat kan voor een persoonlijke visie misschien tijdelijk zo lijken. Maar ik ben deel van de Kosmos. De Kosmos is deel van mij. Er kan geen afzonderlijke wet, geen afzonderlijke ontwikkeling of kracht bestaan in mij, die niet buiten mij ; buiten mij, die niet in mij is. De tweeledigheid van de Kosmos ontstaat voor mij door mijn besef. Het is de inperking van het begrip “ik” , waardoor ik mijn persoonlijke ervaring van de Kosmos zet tegenover het totaal van de Kosmos, zoals ik die ervaar.

Dan moet ik op grond daarvan de volgende conclusies trekken:

  1. Mijn voorstellingen dienen in de eerste plaats ter erkenning van mijzelf en mijn eigen wereld. Ze zijn niet een waarde die losstaat van de wereld buiten mij.
  2. Al datgene wat in de wereld buiten mij is en in mij aanwezig, is een werkelijkheid voor mij. Dit wordt niet bepaald door mijzelf, maar door de totaliteit, waarvan ik deel uitmaak.
  3. Elke harmonie die ik kan vinden met onverschillig welk deel van de totale Kosmos, zal voor mij alleen betekenis kunnen hebben wanneer dit een kosmisch contact is voor mijzelf en niet een uitdrukking van mijzelf of een projectie van een voorstelling in mijzelf naar buiten toe. Slechts wanneer er een eenheid in waarden bestaat voor mij, tussen de toestand buiten mij en in mij, zal de tweeledige Kosmos tot eenheid versmelten en voor mij een kenbaar feit worden.

Waarom zouden wij dan nadruk leggen op die tweeledigheid? Ik geloof dat wij daar alle reden voor hebben. Omdat wij geneigd zijn te stellen: Wat in mij is, is buiten mij waar, dus is het waar voor mij. Dus is de tweeledigheid, die ik veronderstel, niet waar, want ik ervaar buiten mij niet datgene wat in mij bestaat.

We zouden echter moeten redeneren: Ik kan niet beoordelen in hoeverre er iets in de wereld buiten mij bestaat. Ik kan niet beoordelen in welke kosmische zin bepaalde denkbeelden, die in mij leven, te interpreteren zijn. Ik kan dus slechts zeggen: De denkbeelden in mij geven richting aan mijn ontwikkeling. Ik kan nooit zeggen: Ze duiden een werkelijkheid aan.

Daar krijg je dan als vanzelf weer de magie. Want de magie zegt: Wat in mij is, kan ik buiten mij waarmaken. Het lijkt alsof deze stelling in strijd is met alles wat ik beweerd heb, maar vergeet u één ding niet. Die harmonie is gebaseerd op een harmonie, op een gelijkheid van waarden en een absolute beperking zelfs in gesteld doel. Het gaat niet om het gehele leven. Het gaat om één gebeuren. Het gaat niet om alle vormen, wezens en mogelijkheden. Het gaat om één daarvan. Ik denk misschien dat ik daarmee veel verander, maar verander ik in feite niet in de eerste plaats mijn persoonlijke beleving van iets? Mijn persoonlijke relatie, zoals ik die erken, zonder dat daarmee in het totaalbeeld iets verandert? De magie is gebaseerd op de eenvormigheid en eenzijdigheid van bepaalde verschijnselen, die in de uiterlijke wereld van de mens bestaan en in diens innerlijke wereld op verschillende wijzen beseft kunnen worden. In deze zin is magie een toepassen van bestaande  wetmatigheden, maar ze is gelijktijdig de toepassing van de wetmatigheid der beperkte harmonieën.

Die wet kent u waarschijnlijk niet. Ze betekent: Daar, waar een beperkte harmonie bestaat, zal deze zich uitwerken t.a.v. de punten, waarop harmonie bestaat zonder dat hierbij een verandering in de totaliteit zal plaatsvinden omdat elke relatieverandering, die door het magisch werken ontstaat, gelijktijdig gecompenseerd wordt door het geheel van de daarbuiten liggende Kosmos. Dat is de wetmatigheid van de beperkte harmonie. Het is geen zuivere wet. Ze is afgeleid van de wet van harmonie en de wet van gelijkblijvende velden. Met die wet maken we duidelijk wat we doen. We kunnen één punt veranderen zonder dat het totaal verandert. Maar wij kunnen onszelf soms veranderen en daardoor voor onszelf het totaal veranderen. En dat is misschien ook interessant: Naarmate de inzichten van het ik veranderen, zodat het kosmische beeld in het ik bestaande, nieuwe vorm, nadruk of waarde verkrijgt, zal de Kosmos buiten het ik daarop responderen en wel op overeenkomstige wijze, zodat het geheel van de werkingen, door innerlijk en uiterlijk gelijktijdig bepaald, voor het ik volledig beleefbaar worden in de wereld, waarin het kosmisch bewustzijn binnen het ik bestaat,

Het zijn formuleringen en ik weet dat die ontzettend taai en droog kunnen zijn, maar aan de andere kant lopen we alweer tegen het einde van deze reeks lezingen en dan moeten we toch proberen verwarring te voorkomen. Er zijn zoveel mogelijkheden om een beeld over te dragen, waarbij het niet doordringt. Je kunt dingen volledig juist weten en ze volledig verkeerd zeggen.

Wanneer ik grijp naar een vaststaande formulering, dan doe ik dit in de eerste plaats, omdat ik daardoor een maatstaf hanteer, de formule die voor mens en geest een ongeveer gelijke betekenis heeft. En zo kunnen we komen tot een omschrijving van voor mij kenbare feiten en toestanden op een wijze, die in uw wereld aanvaardbaar is. Dat heeft ook iets te maken met die meervoudige Kosmos, want mijn innerlijke wereld omvat uw wereld, Ze omvat deze – en dat moet ik erbij zeggen – enigszins concreter dan u in uw wereldbesef onze wereld enigszins omvat. Maar mijn werkelijkheid wordt bepaald door bewegingsvrijheid, de vormen van tijdloosheid of beter gezegd: Variabel, persoonlijk tijdservaren, dat mijn wezen bepaalt. En wanneer ik iets ga zeggen vanuit mijn termen, dan lopen de zaken gewoon door elkaar. Wanneer u vanuit uw standpunt iets gaat zeggen over onze, wereld, dan loopt u op dezelfde manier vast, omdat voor u begrippen en waarden dooreenlopen, die bij u weliswaar vast gedefinieerd zijn, maar die in de vaagheid van mijn wereld een totaal andere betekenis hebben. daarom gebruiken wij de formule als een soort esperanto. Een soort wereldtaal, waarbij onze beide werelden bepaalde formuleringen althans ongeveer gelijk ervaren en gelijk kunnen interpreteren.

De meervoudigheid van de Kosmos, die ik al een paar maal heb aangestipt, staat voor ons natuurlijk niet alleen stil bij de eigen persoonlijkheid en de wereld daarbuiten. Het zal u duidelijk zijn, dat wij daarnaast vaak kosmische begrippen kennen als bv. God, Die meestal als een emotie beleefd wordt, omdat je Hem niet kunt omschrijven, maar die aan de andere kant wel degelijk reële krachten, reële mogelijkheden, reële voorstellingen met zich brengen. Voorstellingen, die in ons werkelijkheid worden en die we in de wereld buiten ons ook enigszins een aanzijn kunnen geven. Maar dan moeten wij de Goddelijke intentie begrijpen. Misschien is het goed ook dat even te stipuleren: Elke door ons erkende goddelijke intentie geldt voor de totaliteit van het bestaande, onszelf inbegrepen. Ze geldt echter niet exclusief voor het enkele deel van onszelf, dat wij nu beseffen, en de beperking van tijd of gebeuren, waarin wijzelf interpreteren.

Wat kan ik dan verder nog zeggen over “the multiple universe of the spirit”, zoals de Amerikanen zeggen. “De geestelijke rijken in hun veelvoudigheid”. Wel, ieder van ons draagt in zich een beeld van de Kosmos. Ieder van ons doet dat met een andere nadruk. Dat betekent dat er tussen ons – met alle mogelijkheid tot harmonie – toch verschillen blijven bestaan. Dat betekent ook dat onze harmonie met de ander maar zeer zelden volledig zal zijn en praktisch nimmer het geheel van onze innerlijke Kosmos of onze uiterlijke wereld kan omvatten. Als we dat begrijpen, dan zeggen we alweer heel snel: Hoe komt het dan dat de één met die geestelijke kracht en de ander met een andere geestelijke kracht verbonden is? Dat de één niet in staat is om een geestelijke kracht te constateren, terwijl de ander juist overstelpt wordt en bijna waanzinnig wordt van de veelheid van invloeden, die hij op niet-stoffelijke wijze ontvangt en ondergaat? Dan kunnen wij zeggen: Dat ligt in die innerlijke Kosmos. Dat is gemakkelijk, maar wij kunnen misschien ook zeggen: Omdat de mens geneigd is in zijn innerlijke Kosmos een groot aantal zaken terzijde te schuiven, totdat ze ver op de achtergrond geraken, terwijl anderen onbelangrijke zaken voor zich op de voorgrond stellen en zich daarop volledig baseren. Het is de wijze waarop wij onze innerlijke Kosmos bezien. We kunnen wel zeggen: We zijn allemaal inwoners van de wereld, maar u zit op het ogenblik toevallig in Scheveningen. U zit niet in Parijs, in Buenos Aires of Cairo. Hoe komt dat? Omdat u als mens aan plaats gebonden bent. Toch is die aarde kosmisch gezien een soort collage, waarin Den Haag, Cairo enz. een klein stukje zijn, één klein kleuraspect. U leeft op aarde dus op één plaats en in één tijd, omdat uw besef u daartoe beperkt. U bent u eenvoudig niet bewust van de hele aarde. Anders zou u op die gehele aarde met die hele aarde kunnen leven.

Dan moet ik ook stellen dat wanneer dit buiten mij mogelijk is, zo zal dit in mij op gelijksoortige wijze waar zijn. Jantje wil een waterpistool. Jantje kan een vliegende Hollander krijgen. Jantje kan ook een lolly krijgen, naar Jantje wil een waterpistool. En als ze zeggen: “Jantje, ga een lolly kopen”, dan zegt hij: “Ik heb geen lolly gezien, maar ik heb wel een waterpistool gezien”. Is dat nu bedrog van Jantje? Wel neen. Jantje heeft zo gekeken. De mensen hebben in zichzelf een concentratie op één punt, op één ontwikkeling, op één plaats en het is daaraan dat zij voortdurend herinnerd worden. Het is dat, wat zij uit de veelheid van innerlijke mogelijkheden voortdurend naar voren zien springen; het is dat, waarop zij voortdurend een respons, een antwoord verwachten van de wereld buiten hen. Maar het betekent niet dat Jantje in een stad leeft, waarin geen lolly’s zijn en geen vliegende Hollanders. Het betekent niet dat u leeft in een Kosmos, waarin al die dingen, die u op de achtergrond hebt geschoven, niet bestaan.

En daarom geldt deze regel (ze is magisch) voor elke mens volledig: “Verander uw besef omtrent uzelf. Zoek een erkenning van dit nieuwe besef in uw wereld en u hebt op dit terrein macht verkregen over uw wereld en kunt uw wereld aanpassen aan dat, wat in u bestaat”. Dat is ook wel eens genoemd: één van de wetten van transformatie. En de wetten van transformatie zijn een onderdeel van de transmutatiewet, waarin wordt gesteld dat het mogelijk is om elke waarde te veranderen in elke in schaal daarmee vergelijkbare waarde, mits het besef de tekorten of tevelen erkent en deze in zichzelf als veranderd stelt. Dat hoort ook weer tot de innerlijke alchemie en behoort tot een geheimleer die bij Goldkreuzer bestond. Ik meen omstreeks 1700. Dus vooral in de Duitstalige gebieden was dat sterk.

Alles bij elkaar genomen moeten wij tot de conclusie komen dat wanneer wij onszelf veranderen en onze gerichtheid in onszelf, wij onze relatie met onze wereld veranderen en daarmede zowel onze mogelijkheden als onze erkenningen in die wereld. Dit is vanuit onszelf volledig waar, ofschoon kosmisch gezien, geen wezenlijke verandering ontstaat, maar slechts een verschuiven van accent, voor zover het ons eigen bewustzijn betreft.

In de tweede plaats dienen wij ons te realiseren dat alle krachten, die voor mij voorstelbaar zijn, bestaan. Alle krachten die voor mij bestaan; kunnen door mij harmonisch benaderd worden. Alle door mij harmonisch benaderde krachten zullen responderen op datgene, wat in mij leeft, zo zijn vanuit mijzelf alle krachten bruikbaar, mits ik daarmee eerst een harmonie vind. Elke kracht, die ik vanuit mijzelf tot uiting breng, wijzigt geen krachtsevenwicht, maar doet t.a.v. mijn persoon een verschuiving daarin ontstaan.

De mens die in zich zoekt het Goddelijke te bereiken, kan dit alleen doen wanneer hij zijn eigen beperkingen daarin prijsgeeft. Je kunt dus kiezen: harmonie met God en het beeld dat je nu van jezelf hebt, verliezen, dan wel het beeld dat je van jezelf hebt, behouden en daardoor geen contact krijgen met de werkelijke Kosmos, hoogstens met een klein deel daarvan. Voor de esotericus is het belangrijk dat te weten. Slechts hij, die zichzelf verliest in de werkelijkheid, erkent de werkelijkheid en zichzelf als deel daarvan. Hij echter, die uitgaat van datgene vat hij is, kan nooit een werkelijkheid bereiken, daar zijn voorstellingen van het ik door de wereld bepaalde beperkingen zijn, die niet kunnen worden uitgedrukt in een veel dimensies omvattend totaal van de Kosmos, waarin hij behoort. Zo houdt hij een scheiding in stand tussen zijn innerlijke en uiterlijke wereld, die voor hem ervaring brengt, maar gelijktijdig vaak machteloosheid betekent.

Heeft u vragen?

  • Die laatste zin: “Wie zichzelf niet wil verliezen, zal het niet winnen” heeft Jezus toch ook gezegd.

Ja, maar voor de mensen wordt dat over het algemeen op een andere manier geïnterpreteerd. Het betekent dat wanneer je maar wilt sterven voor wat je ziet als de waarheid, je de eeuwige waarheid zult behouden, dus ook eeuwig leven. Maar de manier waarop dat is geformuleerd, is niet bij toeval gekozen. Ze betekent veel meer dan de mensen lezen in die uitspraak van Jezus. Ze beteken nl. dat alleen de mens, die zijn beeld van zichzelf volledig wil verliezen, het beeld van de werkelijkheid, waarin ook hij deel is, kan ontvangen. Als zodanig stelt het dus tevens dat de tweeledigheid van de Kosmos, “the multiple relations of cosmos” die er voor de mens bestaan, in stand worden gehouden door en bepaald worden door zijn persoonlijkheidsvoorstelling, die gelijktijdig een beperking betekent in zijn begrip t.a.v. de totaliteit die hij is.

  • Wat verstaat u onder beperkte harmonie, want als je harmonisch denkt te zijn, dan meen je dat je volledig harmonisch bent.

 In de eerste plaats heb ik daarvoor een scherpe en juiste formulering gegeven. In de tweede plaats moet u begrijpen dat een beperkte harmonie een harmonie is, die op één punt bestaat. Je kunt het met iemand in politiek opzicht volledig eens zijn en religieus volledig oneens. Dan bestaat er een beperkte harmonie, omdat het één wel en het ander niet aanvaard wordt. Een man en een vrouw kunnen in hun relatie harmonisch zijn, maar gelijktijdig is er een zodanig verschil in wereldervaring en voorstelling tussen deze beiden, dat toch van een beperkte harmonie moet worden gesproken. En als u het op die manier bekijkt, dan wordt het u snel duidelijk dat beperkte harmonie de meest voorkomende vorm is en ik wil u eraan herinneren dat deze beperkte harmonie – vanuit de mens gezien – de meest werkzame is. Dat hij daarmee voor zichzelf het gemakkelijkst verschuivingen in zijn relatie tot de wereld tot stand brengt.

  •  U sprak van een harmonie met een kracht. Wat bedoelt u daarmee? Het is zo vaag.

Met krachten bedoel ik de totaliteit van aanwezige energieën, waarmee je harmonisch kunt zijn. En als je dat wilt specificeren dan loop je nog verder vast in vaagheid.

Wanneer ik zeg: harmonie met God, dan is dat ergens waar, maar voor de mens is het begrip “God” nog vager dan het begrip “kracht”.

  • Dat is hetzelfde.

Niet helemaal, omdat kracht onpersoonlijk kan zijn en God altijd   – door de mens althans – gepersonifieerd wordt, wat volgens mij  niet helemaal terecht is, omdat de godheid niet een persoonlijkheid bezit in de zin, waarin wij dit plegen te interpreteren, n.l. een beperktheid, tot uiting komende in eigenschappen en reactie-wijzen die in tegenstelling is tot iets anders dat bestaat. En God  omvat alles. Dus is hij geen persoonlijkheid in de zin van de beperking van totaliteitsbesef, die wij persoonlijkheid noemen.

Vrienden, ik geloof dat ik u veel punten ter overweging heb gegeven. Bedenkt u wel: de betekenis van wat nu is gezegd, wordt pas bepaald door datgene wat u, zelf overdenkende, daarin voor uzelf aan erkenbaars vindt. Want alleen vanuit deze erkenning kunt u komen tot de praktijd.

Gastspreker

Het leven van de mens

Leven is voor een mens altijd een moeilijke zaak, Je ziet het leven in de beperking die ligt tussen geboorte en dood en je vergeet vaak de continuïteit, die buiten deze beide factoren om voor de mens altijd bestaan heeft en zal bestaan.

De mens zoekt de bereiking in één leven, maar in één leven kan je maar één ding bereiken. En de werkelijkheid is zo vol van zaken, die voor jou noodzakelijk zijn, erkenningen, ervaringen en bereikingen, dat één leven nooit genoeg is,

 Er is natuurlijk de reïncarnatie. En ook de reïncarnatie wordt door de mens vaak gezien als een soort feuilleton, waarachter elk leven wordt geschreven: wordt vervolgd. De werkelijkheid is wel een beetje anders. Wanneer wij leven, doen wij ervaringen op. Vele van die ervaringen kunnen wij niet helemaal verwerken, andere ervaringen begrijpen wij verkeerd. In een periode na de dood zien wij de zaken in een juister raam en wanneer wij het kader, waarin de beleving heeft plaatsgevonden, beter weten te definiëren, dan veranderen zich voor ons heel vaak de betekenissen, die wij in een stoffelijk leven menen te vinden, Dan bestaan wij ook geestelijk verder. In dit geestelijk bestaan ontplooien zich opnieuw relaties met de Kosmos, nieuwe verbindingen met de werkelijkheid en ook vaak harmonieën met personen, krachten, entiteiten, die door de eeuwigheid heen bestaan hebben, maar die wij onszelf zelden hebben gerealiseerd.

Leven is voor een mens, bereiken op een enkel punt. Je kunt niet alle dingen tegelijk doen. En je kunt niet alle dingen hebben, Maar je kunt wel – en dat is erg belangrijk – in alle dingen proberen trouw te zijn aan je innerlijk en datgene wat je meent te moeten zijn. Wie zo leeft zal het leven liefhebben en zal ook bereid zijn het lot, het onbegrepene in het bestaan, te aanvaarden. Het is deze aanvaarding, waaruit de grootste bewustwording kan voortkomen. Waar wij ons beperken tegenover onszelf, beperken wij ons immers ook t.a.v. de werkelijkheid, waarin wij leven. Waar wij proberen ons leven te wringen in vormen, die in wezen niet bij ons passen, veroorzaken wij voor onszelf pijnen en donkere noten, die vaak ook na de dood nog blijven voortbestaan. Maar daar waar wij leren het leven lief te hebben, al zeggen wij als mens daar meestal achter – ondanks alles – wanneer wij leren onszelf te aanvaarden en in heel die wereld het aanvaardbare te vinden, dan zullen wij als vanzelf verdergaan naar een diepe en innerlijke bewustwording.

In het christendom wordt wel eens geciteerd: “En zo ge alle dingen hebt en ge hebt de liefde niet, gij bezit niets.” En de mensen denken dan aan de stoffelijke liefde. Ze denken aan bepaalde vormen van harmonisch bestaan. Ze vergeten daarbij dat liefde iets is dat in de eerste plaats aanvaarding betekent. De aanvaarding niet alleen maar van de dingen, die wij prettig vinden, maar de aanvaarding van het geheel. Liefde betekent niet alleen maar een erkenning, het betekent ook een vrije en vrijwillige dienstbaarheid. Liefde betekent een contact, dat niet beperkt wordt door persoonlijke gevoelens of relaties. Het is een toestand die wij als waar en juist aanvaard hebben en die wij ook voortdurend blijven aanvaarden. De liefde, waarover wordt gesproken in dit citaat, is in de eerste plaats wel de liefde voor het bestaan en voor het leven. Ze is daarnaast echter – en dat zullen wij nimmer mogen vergeten ook de liefde, de erkenning, de aanvaarding van al datgene wat in onszelf voortdurend rijpt en voortdurend schijnt te vergaan ,

Een tegenwoordig vriend van mij heeft het eens als volgt gezegd: “Het leven van een mens is als een woud, bomen groeien, bomen vallen en vergaan. Maar dat wat valt, zorgt voor de vruchtbaarheid, waaruit nieuwe bomen kunnen opschieten, zodat het woud zichzelf blijft en toch zichzelf voortdurend vernieuwt.” Je treurt vaak over een enkele boom die gevallen is. Je hebt soms het gevoel, dat er steeds moeten komen. En men zegt: “Waarom zullen deze zaailingen nu niet opschieten tot grote bomen?” Maar als alle zaailingen zouden uitkomen, zou het woud verstikt worden.

Deze gelijkenis, zo gemakkelijk in uw taal over te zetten, heeft mij diep getroffen. Want het is inderdaad zo dat wij onszelf zijn. Wij zijn opgebouwd uit vele verschillende levens, vele verschillende krachten, verschillende erkenningen en entiteiten. En in ons ontwikkelen zich steeds weer zaken, waarvan wij hopen dat ze tot volle bloei zullen komen. Maar ze komen niet eens tot wasdom. Ze vallen neer en datgene wat wij onsterfelijk en eeuwig deel van onszelf geacht hadden, valt soms neer als een woudreus die wordt getroffen door de bliksem. Wij vernieuwen onszelf voortdurend en blijven onszelf gelijk. Wie dit beseft, zal niet treuren over de mislukkingen die hij in zijn leven kent.

Hij zal ook niet zonder meer betrouwen op dingen, die er altijd zijn geweest. Hij zal beseffen: in en rond mij veranderen alle dingen, maar daar waar ik verlies, daar vind ik en daarom kan ik mijzelf, het leven, het zijn aanvaarden. Daarom kan ik in liefde mijzelf bekennen tot de Schepper, waaruit ik ben voortgekomen.

Misschien vindt u dit een mooie tekst voor de een of andere dominee. Ik zou het met u eens kunnen zijn, maar het is gelijktijdig een waarheid waarmee wij geconfronteerd worden, wanneer wij zoeken naar de betekenis, de bereiking van de innerlijke mens. Wij staan voortdurend aan de grens van de oneindigheid. Naast ons staat nog de vorm, maar voor ons opent zich een afgrond van chaos, waarin alle vorm verloren dreigt te gaan. Wij beseffen niet dat de vorm, die wij kennen, slechts een klein, tijdelijk stilgezet deel is van die grote chaos van tijd die wij zien. Wij zijn deel van de chaos en deel van de absolute vorming. Wij zijn deel van het eerste begin, wij zijn deel van de voleinding. Je kunt als mens of als geest niet zeggen: Ik behoor niet meer tot de krachten van Malkuth, ik ben gestegen en zal binnenkort één zijn met Kether. Dat kan men niet zeggen, omdat je verbonden blijft met je oorsprong, zowel als met je doel.

In ons pulseren de levenservaringen, de levenserkenningen. In ons tekenen zich de paden af van verschillende levens, van verschillende geestelijke verdiepingen in de rustperiode. In zoverre zijn wij deel van een levensboom en in zoverre kunnen wij zeggen dat wij ons op weg bevinden. Maar de weg, die wij zeggen te gaan, zijn wij zelf. Wij kunnen niet zeggen; “Ik verwerp de weg” zonder onszelf te verwerpen. Wij kunnen niet zeggen: “Ik aanvaard de weg, maar ontken mijzelf”. Wij kunnen alleen aanvaarden wat wij zijn. We kunnen proberen datgene lief te hebben wat wij zijn; de wereld, waarin wij leven, lief te hebben en de scheppende kracht, waaruit wij bestaan, te erkennen en lief te hebben. In ons vloeien de absolute vorm en de chaos ineen. In ons openbaart zich de uiterste werkelijkheid en de uiterste verwarring gelijktijdig. We zijn licht en duister. Tegenstellingen, waarin wij het leven lezen zijn slechts de grenzen, die wij tijdelijk aan onszelf gesteld hebben. Geen werkelijkheid. Wij zijn eenheid door alle tijd, we zijn eenheid van alle leven.

Wie weet wat hij is op dit ogenblik en zich daarom veroordeelt, is een dwaas, want wat hij nu is, is een product van wat hij was en datgene wat hij zal zijn. Het is een uitdrukking van één van de vele ogenblikken van leven, die gezamenlijk het werkelijke bestaan uitmaken.

De tijd is traag. Het gebeuren stelt zich uit. De ontwikkeling schijnt teniet te gaan. Maar het is alles schijn, illusie. Uit de illusie van wat wij nu zijn en wat wij nu missen, komt steeds toch weer als een wonderlijke zekerheid een geraamte van gevoelen misschien en stil erkennen naar voren, datgene wat wij zijn en wat het leven is. Zoek dan uzelf niet te veroordelen en te verwerpen. Zoek dan het leven lief te hebben zoals het nu is, want daarmee hebt ge alle leven lief en erkent ge in harmonie de totaliteit, waaruit ge zijt voortgekomen. Tracht niet in deze korte dagen van uw leven dingen vast te leggen voor de eeuwigheid, want dat kunt ge niet, Ge kunt niets vastleggen wat niet reeds vastgelegd is. Ge kunt niets doen ontstaan wat niet reeds was. Daarom heeft het geen zin je te verzetten, Je te verzetten tegen wat je bent, tegen het onontkoombare dat het leven voortdurend op je afdrukt. Daarom heeft het geen zin te haten en af te wijzen wat onvermijdelijk deel van jezelf is.

Een mens die leeft, is in zeker opzicht vrij, want hij vormt zich zijn eigen gedachten, hij bepaalt zijn eigen belevingen. Wanneer ik tot u zeg: “Heb het leven lief”, dan betekent dit, dat ge het leven kunt haten. Wanneer ik tot u zeg: “Besef de onbelangrijkheid van het heden” , zo betekent dit dat ge in de belangrijkheid ervan kunt opgaan.

Ge kunt zelf voor uzelf de sporen tekenen, die het leven in u achterlaat. Maar ge kunt niet veranderen wat ge geweest zijt, wat ge zijt en wat ge zult zijn. Ge kunt zeggen: “Ik zal mijn wereld hervormen  en ge kunt voor een kort ogenblik een verandering tot stand brengen, maar dan komt de tijd en die wist het uit. Wat er overblijft is de enige werkelijkheid, die altijd zal zijn. Het is daarom dat het leven van een mens moeilijk is. Moeilijk, omdat hij niet beseft hoe onbelangrijk het vele is wat hij tracht te doen. Hij kan alleen waarmaken wat reeds bestaat en hij kan dat doen in aanvaarding, in geluk, in leven en liefde en hij kan het doen in absolute afwijking van de werkelijkheid, de illusie. Hij kan het doen in haat, verbitterdheid en ontkenning van de feiten. Maar hij kan niet veranderen wat hij is.

Wanneer je tegen een mens zegt: “In uw leven zijn vele krachten, krachten die werkzaam zijn en die zich voortdurend openbaren”, dan roept hij uit: “Ja, ik weet dat ze er zijn. Ik heb ze gehoord. Ze hebben mij gezegd wat zal gebeuren.” Maar ze kunnen u niet zeggen wat zal gebeuren. Ten hoogste zouden ze u kunnen zeggen wat is. Want wat is, is de enige werkelijkheid die alle tijd omvat. Je kunt harmonisch zijn met de geest als mens en je kunt disharmonisch zijn. Je kunt de vreugde van harmonie ervaren, die ver uitgaat boven je eigen wereld of je kunt het isolement en de verwerping voelen van één, die begrensd wordt door tijd, die begrensd wordt door ruimte, die niet verder weet te gaan, die hunkert naar vrijheid, die ongrijpbaar is. Je kunt kiezen.  Maar kan je veranderen wat is? Wanneer de hele kracht van de eeuwigheid zou herscheppen door één van u, door mij, op dit ogenblik zou optreden, dan zou voor één ogenblik de schepping misschien veranderen, maar ik blijf deel van het werkelijk zijnde en eens zal de illusie  breken en ik zal ontdekken dat er in feite niets geschied is, dat alles terugkeert tot het oude en dat al mijn scheppende kracht alleen een droom is geweest, waarmee ik de werkelijkheid niet kon aantasten. Juist daarom is het leven moeilijk.

Juist daarom is leven ook gelijktijdig iets hartstochtelijk groots. Is leven ondanks de voortdurend gefrustreerde gevoelens, de dromen die niet uitkomen, de gebeurtenissen die anders gaan, iets om te beminnen. Want in elke mens klopt langzaam de pulserende kracht van de Kosmos. En in elke mens drukt zich de lichtende godheid uit, voortdurend weer en onderschrijft hij met het duister dat hij is de werkelijkheid van zijn licht, zowel als de totale betekenis van het Zijn.

Wij leven als deel van de kracht. De kracht is met ons, omdat wij deel zijn van de kracht en de kracht deel is van ons. Het is eenvoudig hetzelfde leven, dat wij verwerpen of haten en dat wij liefhebben en aanbidden. Het is het leven zelf, de totaliteit van leven, die door elke mens kan spreken en elke mens voor zich kan onderdrukken en afwijzen. Daarom zult ge nooit krachteloos zijn, tenzij ge krachteloos wilt zijn. Ge zijt sterkt, ge kunt niets veranderen. Ge hebt de kracht om hetgeen Is te beseffen in zijn schoonheid en betekenis. Ge voelt uzelf beperkt en ge zijt onbeperkt, want de volledige Kosmos vanaf het eerste ontstaan tot het laatste doven van wat de schepping van deze tijd is, is in u en kan zich door u uiten, kan door u beseft worden. Onbegrensd is de mens en onbegrensd is het leven, zolang je niet rekent in waarden die niet wezenlijk bestaan.

Men heeft eens gezegd: “Elke mens moet sterven”. Maar wat is sterven? Is sterven misschien de verzwakking van het lichaam? Ik zeg u, wanneer het nodig is en het past in het eeuwig programma, wanneer het deel is van de werkelijkheid die is, zult ge leven zonder te sterven. En als uw vorm voortdurend wisselt, dan is het niet meer dan de verandering van de gelaatsspieren van een droef gezicht tot een glimlach. Dat is alles wat leven en dood voor u betekent. Een kleine verandering in de uitdrukking van de werkelijkheid die ge zijt. Wat zou u dan bevreesd maken voor de dood? Wat zou u hangen aan het leven in één bepaalde vorm? Ge bestaat, leeft en ondergaat. Laat dit dan voor u spreken. Laat het zgn. heden steeds weer voor u de uitdrukking zijn van een eeuwigheid die meer omvat.

Men zegt tot de mens: “Ge moet God liefhebben boven alle dingen”  Maar God is alle dingen. Men zegt tot de mens: “Ge zult anderen meer liefhebben dan uzelf”. Maar waar ligt het verschil tussen uzelf en die ander? Zijn een paar lijnen in een beeldhouwwerk bepalend voor het hout? Zijn de verschijnselen van het leven dan bepalend voor het leven zelf? Zijn de enkele uiterlijkheden van het ik bepalend voor de werkelijkheid, voor uw Kosmisch en eeuwig ik?

Waarom vreest ge de dood? Waarom vreest ge lijden? Waarom verwerpt ge zo veel van het leven? Waarom probeert ge krampachtig te veranderen wat niet te veranderen is? Misschien dat ge niet begrepen hebt hoezeer ge deel zijt van de Kosmos, hoezeer die Kosmos u omvangt als deel van zichzelf.

Wanneer ik u zeg: “Heb het leven lief”, dan bedoel ik daarmee niet: ga zitten in uw ellende en suggereer uzelf; ik heb het leven lief, want dat is dwaasheid. Het betekent: onderzoek uw ellende. Onderzoek de betekenis van de dingen waarmee ge in strijd zijt en vraag u af; wat betekenen ze in de Werkelijkheid? Ge zult zien, dat ze daar onbelangrijk en klein zijn. Kleine schaduwstreken misschien in een landschap vol zon. U beseft, dat ge eeuwig zijt, dat de tijd u niet kan vernietigen of kan vangen. Uw werkelijk ik is belangrijker dan de vorm, waarin het voor dit ogenblik bestaat. Dan kunt ge het leven liefhebben, omdat ge weet dat al wat ik droom of gedroomd heb, al werkelijkheid zal zijn, want het is deel van mijn wezen. Mijn wezen is deel van de Kosmos. Dan zult ge weten, niets, maar werkelijk niets van hetgeen ik gevreesd heb en ontlopen heb, zal ik werkelijk ontlopen. Maar ik zal alle dingen overwinnen omdat ze deel zijn van mijn wezen en in mijn werkelijkheid ik alles omvat zo goed als de Schepper in Zijn Wezen al het Zijnde omvat.

Dit lijkt mij voor u een juist punt van overweging. Je bent bang omdat je niet begrijpt, hoe onbelangrijk het gevreesde is. Je hebt strijd en haat, omdat je haast hebt en je niet weet dat je de eeuwigheid hebt. Je zoekt het nu te vinden, omdat je niet begrijpt dat nu alleen maar deel is van de illusie, waardoor de werkelijkheid in stukjes wordt verdeeld. Je hebt tijd mens, je hebt tijd geest. Je hebt tijd, deel van de eeuwige kracht.

Je hebt macht, Je bent deel van het geheel. Wees dan niet bang, want niets kan je vernietigen. Ten hoogste kunnen er een paar van je dromen vallen. Haat niet, want dat wat je haat, is deel van jezelf. Als je jezelf verwerpt, hoe zal je dan jezelf kunnen aanvaarden? Dan heb je een lange weg voor je, voordat je de werkelijkheid kunt aanschouwen.

Heb het leven lief, heb het Zijn lief. Heb al lief wat leven is. Vrees niet. Wees rustig en aanvaardend in uzelf en leef de schijnvorm van zijn, die deel is van uw totaliteit, wetende hoe onbelangrijk het is in de werkelijkheid.

Dat is alles wat ik u vanavond te zeggen heb. Ik dank u voor uw aandacht en wens u een gezegende avond toe.

image_pdf