De variabele werkelijkheid

13 februari 1968

Vandaag wil ik graag met u spreken over een ander verschijn­sel, nl. de variabele werkelijkheid.

De werkelijkheid die de mens ervaart, bestaat uit zijn inter­pretatie van de werkelijke feiten, volgens zijn eigen vermogen tot waarneming, beredenering, plus eigen emotionele inhoud. D.w.z. dat al hetgeen beleefd en waargenomen wordt niet feitelijk, maar zeer subjectief wordt waargenomen en beleefd. Deze subjectieve factor is uiteraard variabel, daar ze deel is van de persoonlijk­heid en als zodanig de benadering tot de werkelijke feiten van de persoonlijkheid kan wijzigen. Hierbij zijn een paar punten voor de mens wel zeer belangrijk.

In de eerste plaats: datgene wat ik beleef is dus geen volledige werkelijkheid. De volledige werkelijkheid is een geraamte dat ik bekleed met het spierweefsel van mijn subjectieve interpre­tatie. De beweging van het geraamte, zoals zij voor mij optreedt, wordt dus grotendeels bepaald door de subjectieve interpretatie; maar de structuur van het geheel is een objectieve (althans objectief te noemen) werkelijkheid. Hierdoor zal – mits mijn eigen wil, denken en interpretatie door mijzelf voldoende beheerst worden – het geheel van de werkelijkheidsstructuur rond mij eveneens door mij beheerst kunnen worden.

Een beheersing van je eigen wereld, je contact met die we­reld en de betekenis van die wereld voor jezelf, wordt heel vaak magie genoemd. Zij is echter geen feitelijke magie in die zin dat wij andere krachten ertoe brengen de werkelijkheid te wijzigen. Wij wijzigen alleen onze benadering van de werkelijkheid.

Wil ik die werkelijkheid kennen, dan moet ik afstand doen van mijzelf. In het Boeddhisme bestaan hierover vele verhandelin­gen, waarvan u eventueel kennis kunt nemen.

Eerst wanneer ik in het geheel niet gebonden ben met de wereld of facetten daarvan en mijzelf beschouw als een onbelangrijke factor in die totaliteit, waarbij alleen het erkennen (dus de registratie) nog van enig belang kan zijn, zal ik de werkelijke verhoudingen kunnen zien en de werkelijke feiten. Dan ben ik ook in staat om mijn eigen verhouding tot de werkelijkheid zelf te constateren en te veranderen waar dit noodzakelijk lijkt.

Wil ik echter als mens in een normale wereld hiertoe komen, dan blijkt mij dat in vele gevallen onbereikbaar. Ja, ik zou zelfs nog een stap verder willen gaan en zeggen dat het tot het karak­ter van de mens behoort om ergens in op te gaan, ergens zich mee verbonden te gevoelen en dus zo zijn objectiviteit in de wereld eigenlijk prijs te geven.

Wil men echter in die wereld dan toch iets tot stand brengen, dan is het misschien niet mogelijk om geheel objectief te zijn, maar het is wel mogelijk om eigen benadering van het feit te veranderen. Ik kan dingen, die ik normalerwijze afkeur, nu beschouwen met de vraag: is er iets goeds in? Kan ik dat goede daarin vinden en het versterken, dan verandert de betekenis van het afkeurenswaardige voor mij.

Er zijn geen vaste regels en wetten behalve de krachten die in de natuur bestaan en door mij niet gewijzigd kunnen worden. En de regels en wetten die ik mijzelf stel, door ze te aanvaarden, te con­strueren of mij eraan te onderwerpen. Er bestaat dus eigenlijk geen logisch heelal, zoals de mens dit pleegt op te bouwen.

De menselijke logica is een poging tot verklaring. Zij is niet een constatering van samenhangen zonder meer.

In elk logisch betoog wordt een bepaalde vaste verhouding of relatie vooropgesteld. Maar wanneer deze subjectief is, houdt het in dat alle logica in zich eigenlijk geen betekenis heeft. Zij kan voor mij belangrijk zijn, omdat zij mijn interpretatie, mijn sub­jectieve waardering van een wereld bepaalt; maar zij kan nimmer van belang zijn, omdat zij de onomstootbare waarheid voor mij zou vast­leggen.

En dan is de volgende schrede al heel eenvoudig: Wijzig ik mijn benadering van de wereld met volledige inzet van mijn persoon­lijkheid en volledige overtuiging, dan zal – zelfs indien het ver­onderstelde gevolg niet logisch is en niet logisch aanvaardbaar kan worden gemaakt – de mogelijkheid zeer groot zijn, dat ik dit resultaat toch behaal.

Nogmaals anders gezegd: Het is de mens mogelijk, wanneer hij afwijkt van de rigide structuren die hij voor de omschrijving van zijn werkelijkheid gebruikt, de oorzaak-en-gevolgwerkingen van die wer­kelijkheid voor zichzelf te veranderen en te bepalen.

Nu hebben wij ons een vorige maal o.m. beziggehouden met de reïncarnatie. Maar wanneer ik die reïncarnatie beschouw, zal dan en het reïncarneren (dus op aarde komen) en de totale reeks van gevolgen, die daar normaal voor mij in zitten, niet vaststaan. Mijn lot is slechts dan vaststaande, wanneer ik het als zodanig beschouw.

Hieruit volgen een paar eenvoudige regels:

  1. Neem nimmer aan dat een bepaalde toekomstige ontwikkeling onvermijdelijk zal plaatsvinden.
  2. Neem nimmer aan dat uw eigen vermogen voldoende zal zijn of te kort zal schieten t.a.v. een bepaalde streving.
  3. Stel geen enkele zekerheid op die gebieden waarop u resultaten wenst te bereiken.

Dit klinkt misschien niet erg logisch. Want op deze manier wordt de mens onzeker. En hij heeft zekerheid nodig.

Maar wanneer wij daar, waar wij streven willen, de onzekerheid poneren, kunnen wij (voorlopig althans) de rigide waarheidsstructuur van al het andere als basis en achtergrond blijven beschouwen. Wij kunnen geen volledige objectiviteit bereiken t.a.v. hetgeen werke­lijk bestaat, als mens. Maar wij kunnen wel degelijk op een bepaald terrein de te rigide gedachten (en daardoor de benaderingsstruc­tuur) wijzigen, met als resultaat dat op dit terrein de werkelijkheid op een andere dan normale wijze beleefbaar wordt en dus ook resulta­ten verkregen kunnen worden die afwijken van het geheel van de norm.

Een mens, die blijft binnen de normen – onverschillig op welk terrein – zal nimmer werkelijke voortgang boeken. Hij kan slechts het bestaande ontwikkelen.

Op zichzelf is dit misschien belangrijk. Maar veel belangrijker is het vaak een nieuw principe, een nieuw punt van uitgang, een to­taal nieuwe benadering van bestaande problemen te ontdekken. Dit kan slechts, indien men – op dit terrein althans – alle als vaststaand geldende regels zonder meer in twijfel trekt.

Dit geldt niet alleen voor wetenschap, dit geldt ook voor esoterisch bereiken, voor de geestelijke bewustwording.

In de westelijke structuur, zoals deze op het ogenblik in de meeste landen domineert (zeker in de rijkere landen), hebben wij te maken met een in feite volledig dogmatische wereldbeschouwing, waarbij historie, politiek, economie, takken van wetenschap, geloofs­waarden, morele normen e.d. als dogma’s, dus onaantastbare waarheid, voortdurend worden geponeerd.

Wie in zichzelf bewust wil worden en dat alleen kan doen via dit vaststaande schema, moet – en dit kan niet anders – een deel van zijn persoonlijkheid, de daarin levende, wensen, gedachten, waar­den en mogelijkheden, ontkennen. Door deze ontkenning ontstaat niet slechts een strijdigheid in het eigen wezen, waarbij een deel van de stuwkracht en daadkracht wordt geabsorbeerd door de onevenwichtig­heid, die men zichzelf niet wil toegeven. Maar wij zien daarnaast ook dat de mogelijkheden van het ik meestal niet realiseerbaar zijn. En dat elke innerlijke beschouwing niet komt tot een werkelijk erken­nen van eigen wezen en eventueel veronderstelde contacten met ande­re waarden, maar voert tot het stellen van een eigen persoonlijkheid die men zelf niet geheel kan aanvaarden, omdat men zichzelf altijd projecteert in overeenstemming met de aanvaarde dogma’s.

Nu is het ook duidelijk dat de mens, die een dogma verwerpt, daardoor in strijd komt met de vele dogmatici rond zich. Maar in de innerlijke wereld, in het esoterisch zoeken en streven, heb ik im­mers alleen te maken met mijzelf. En wanneer ik in mijzelf door het afwijzen van vaste regels en stellingen, die in de gemeenschap gel­den, kan komen tot een grotere eenheid, zal mijn totale wezen – ook naar buiten toe als mens – een grotere veerkracht, een grotere vita­liteit, een betere reactiemogelijkheid en een juister doorzicht ver­tonen.

Hieruit vloeit voort: De mens, die in zichzelf tot een niet-dogmatische ontleding en erkenning komt van zijn wereld, zijn verlan­gen en zijn denken, zal in zijn eigen wereld – zelfs binnen de rigide, algemeen aanvaarde structuur – grotere mogelijkheden kennen. Hij zal daarnaast door zijn inzicht de fouten in die structuur gemakkelijker kunnen aanvaarden en gebruiken.

Wie vooruit wil komen in de wereld, zegt men weleens, kan dat alleen doen door de fouten van anderen of de dwaasheid van an­deren. Ik ben ervan overtuigd dat in vele gebieden van menselijke activiteit die regel ook inderdaad geldt. Maar wanneer ik dus weet waar ergens iets niet reëel is, weet ik ook dat de onjuiste inter­pretatie op een gegeven ogenblik t.a.v. de feiten, de werkelijkheid zoals zij reëel bestaat, zodanig verschoven is, dat ik – wetende wat die werkelijkheid is en daarop mij baserend – een overwicht gewin op degenen, die de illusie scheppen.

Nu is het helemaal niet mijn bedoeling u vanavond te leren hoe u de wereld de baas kunt blijven. Ik wil u alleen confronteren met dit werkelijkheidsbegrip. Ik stel zelfs, dat het mogelijk moet zijn om de eigen relatie met de wereld van het ene moment op het andere zo volledig te wijzigen, dat die wereld niet meer in staat is de samenhangen te overzien. Ik stel dat de mens die in zich­zelf vrij is – al blijft hij natuurlijk zijn God, de hogere waarden en hogere krachten vertalen in zijn eigen termen – tot een begrip zal komen van zoveel wijdere en grotere werelden. Dat hij – puttend uit dit innerlijk – ook in zijn aardse, schijnbaar vastgelegde structuur de toekomst kan zien. Dat hij de werkelijke fouten kan erkennen. En – wat meer is – dat hij aan zijn werkelijke behoeften als geest en mens op de juiste wijze leert voldoen.

Dit laatste lijkt u misschien een wat vreemde uitspraak. Maar laat mij het zo stellen:

Er zijn mensen, die naar rijkdom streven, terwijl wat zij van node hebben rust is. Er zijn mensen, die alles doen om gezond te blijven, terwijl zij in feite niet die gezondheid, maar het contact met hun mede­mens begeren. Er zijn mensen, die zelfbedrog en bedrog van anderen op de voorgrond schuiven in hun leven, omdat zij niet durven erkennen dat de betekenis die zij willen hebben in het leven, van hen in­spanningen vraagt, waartoe zij in feite niet bereid zijn.

Je moet in het leven altijd je standpunt bepalen. Maar dit standpunt bepalen op grond van algemeen geldende regels en waarden betekent heel vaak: wat werkelijk van belang is voor jezelf op een verkeerde manier uitvoeren; verkeerde eisen stellen aan de wereld; maar ook op een verkeerde manier vanuit jezelf de wereld benaderen. Daarom is het heel belangrijk dat je leert om de dingen te scheiden. Wat ben ikzelf? En wat wil de wereld in mij zien?

Wat ik zelf ben moet bepalend zijn voor mijn actie. Het is bepalend voor mijn mogelijkheden en mijn vermogens.

Wanneer ik voor mijzelf een bepaald patroon vind – hetzij van klanken, hetzij van kleuren of welk ander middel van uitdruk­king dan ook – waarin ik mijzelf gelukkig vind, behoef ik nog niet te verwachten dat de wereld dit zal accepteren. Maar dóór deze wijze van uiting – en dat is wel zeker – kan ik voor mijzelf de energie en het inzicht, ja, de harmonische benadering van de werkelijkheid ge­winnen, die mij zonder dit onbereikbaar zou toeschijnen.

Ga ik nu in deze zelfuitdrukking op en meen ik dat de wereld daarop moet reageren, dan schep ik een verwijdering tussen de wereld en mijzelf. Dit resulteert in een nieuwe reeks van dogma’s, grotere onvrede en een in feite nog steeds groter wordende subjectieve interpretatie.

Maar gebruik ik deze wijze van zelfuitdrukking als middel om energie te vinden, inzicht te vinden, om de wereld in haar eigen structureel verband te benaderen en met die wereld te ageren, dan ben ik opeens de meerdere van die wereld geworden. Want nu bezit ik een evenwicht dat velen in die wereld niet bezitten.

Een magiër, die alleen maar magische spreuken voor zich heen mompelt, zal misschien wat resultaat boeken. Maar dit blijft altijd beperkt. Want hij blijft steken op het punt, waarbij hij niet uitgaat van: “dit is mijn wereld, mijn harmonie en zo ben ik dus ook in de wereld van de anderen”; hij gaat uit van het standpunt: “ik domineer door te zijn zonder meer.”

De magiër echter, die uit de spreuken en wat daar verder bij te pas komt, voor zich een nieuwe mogelijkheid tot actieve oriëntatie in de wereld buiten zich vindt, zal in die wereld precies weten hoe te ageren, op welke wijze in te werken, welke middelen te gebruiken. En hij krijgt dus bijna zeker resultaat – en ook het door hem gewenste resultaat – waar de eerste altijd moet rekenen met de terugslag van een geprojecteerde waan door anderen op zijn eigen wezen.

Let wel, het gaat hier niet om kracht als totaliteit. Een mens die zwak is, in vele opzichten zwak, misschien zichzelf ziet als negatief, kan – mits hij de dogmatische benadering “positief en negatief” doorbreekt – in zichzelf eigenschappen en mogelijkheden ontdekken, waardoor hij (noem het mijnentwege een geestelijk judo) in staat is in wilskracht, gedachtekracht; mentale vermogens, veel sterkere tegenstanders toch te dwingen in zijn richting.

Kracht en vermogen in uw wereld zijn niet zonder meer bepalend. Juist daarom moeten wij ons werkelijkheidsbegrip dus trachten aan te passen aan de mogelijkheden, aan de feiten, zoals ze in ons bestaan.

Ik zeg u niet dat u de hele wereld kunt beheersen en ver­anderen zonder meer. Ik zeg u wel dat u in die wereld veel meer kunt bereiken en kunt beseffen, dan u in doorsnee doet. Daartoe moet u uitgaan van hetgeen u innerlijk als waar voelt en ervaart. U moet niet trachten dit uit te drukken in de termen, die voor uw wereld begrijpelijk zijn. Datgene wat in u ontstaat, is niet uit te ­drukken. Het is een geheim woord dat zijn waarde verliest, wanneer je het uitspreekt. Het is een intuïtieve erkenning, die zodra ze geformuleerd wordt en met redenen omkleed, plotseling haar inten­siteit en haar betekenis heeft verloren.

In onze werkelijkheid van het eigen ego spelen grote delen van de geest en de geestelijke werelden een rol. Zij omvatten niet alleen vele factoren van vroegere levens, maar daarnaast ook krach­ten en bestaande mogelijkheden, wetten van een sfeer, waarin men op dit moment mede bewust kan zijn. Een uitdrukking in materiële, ra­tionele of zelfs maar mentaal verwerkbare begrippen is niet moge­lijk. Waar deze mogelijkheid niet bestaat, is elke omschrijving, elke rationalisatie uit den boze. Wij maken dan van hetgeen in ons als waarheid leeft een materieel dogma dat de flexibiliteit ervan, de groeimogelijkheden ervan, eenvoudig uitwist.

Intuïtie, uitdrukking van het totale besef binnen het ver­standelijk vermogen, op grond van emotie plus enkele vaak niet-samenhangende begrippen. In zichzelf een juiste aanleiding tot oriëntatie, zo wij – zonder rekening te houden met de dogmata van de wereld buiten ons – aannemen dat de intuïtie in zich voor ons (niet voor anderen!) juist is.

Inspiratie is eveneens een vaak belangrijk punt. Inspiratie wordt over het algemeen vertaald als kracht van de geest, die je iets ingeeft. (De geest is geen medicijnman met een pillenkast vol geestelijke wijsheid.) De inspiratie is de totaliteit van uw we­zen, de harmonische vibratie van het totale ik en alle contacten, of harmonieën daardoor ontstaan, uitgedrukt wederom binnen de be­perking van het menselijk zijn. Zodra wij de ratio, de rede gaan in­schakelen om deze inspiratie vorm te geven, verliest ze haar samen­hang en wordt zij voor ons meestal waardeloos.

Wanneer wij de inspiratie in haar geheel proberen te fixeren en daarbij eveneens de emotie proberen te onthouden, zullen we later echter wel in staat zijn op grond van de inspiratie een omschrijving te geven van hetgeen materieel (dus in de menselijke wereld) wenselijk is, of uit te drukken is.

Hier hebt u dus al een paar punten die wel van erg groot belang kunnen zijn in uw eigen bestaan. Maar er is meer.

Hoe vaak hebt u niet moeten ervaren dat juist uw grote verwachtingen altijd werden teleurgesteld. Dat uw idealen altijd weer niet bereikbaar bleken. Waaruit komt dit voort?

Een ideaal of een verwachting is een omschrijving. Een om­schrijving is een subjectieve fixatie; dus een gerichtheid op een enkel punt of een enkele ontwikkeling. Wanneer u verwacht dat mor­gen op dit punt de zon voor u zal opgaan, bent u zodanig geconcentreerd, dat wanneer die zon op een ander punt opgaat, u niet meer in staat bent om dit te constateren. Kokerbewustzijn.

Verwachtingen dienen daarom vaag te zijn. Idealen eveneens vaag. Zij moeten geen concrete omschrijving zijn van iets wat komen gaat, maar eerder een richten van het ik op mogelijke facetten van het leven, of van verschijnselen die voor mij gaan komen. Door de openheid die het vage met zich meebrengt, is het veel eenvoudiger om mogelijkheden te zien en ook om deze te realiseren.

En wanneer u in uzelf een bepaald ideaal bouwt van God, van bewustwording, van esoterische procedures, dan is het bijna zeker dat u uw totale mogelijkheden in het ik niet zult kunnen gebruiken. Ook wanneer wij in het ik gaan, is de vaagheid, de openheid van af­stemming zeer belangrijk, omdat men alleen dan al het mogelijke en noodzakelijke voor zich ook inderdaad kan vinden.

Openstaan voor de geest wordt door menigeen gezien als een uitblussen van eigen denken. Nog daargelaten dat dit voor de meeste mensen een onmogelijkheid betekent, moet ik hierbij toch wel opmer­ken, dat een eenvoudig terzijde stellen van het eigen denken zeker niet voldoende is. Wat nodig is, is een zekere emotie, een absolute vrijheid tot associëren, waarbij het ik aan de associatie geen enkele verplichting of samenhang probeert op te leggen.

Contact met de geest krijg je het gemakkelijkst, wanneer je niet probeert om te begrijpen, wat die geest eigenlijk zal gaan zeg­gen, of te controleren wat die geest eigenlijk is. Je moet afgaan op de eenvoudige sfeer, op het harmonisch begrip in al zijn vaag­heid.

In uzelf precies zo. De totaliteit van uw wezen omvat vele mogelijkheden. Ook mogelijkheden die buiten deze tijd of buiten deze wereld liggen. Zij zijn alle op dit moment concreet bruikbaar. Maar op het ogenblik dat u teveel forceert in een bepaalde richting, a.h.w. tracht uw eigen voorstellingen zoals ze nu bestaan aan die totaliteit op te leggen, zult u al het verdere verliezen. En wat u dan verliest is over het algemeen in jezelf: rust en evenwicht. Zoals het in de wereld buiten je altijd weer wordt: teleurstelling.

Teleurstelling is overbodig. Ze behoeft niet waarlijk te be­staan. De onevenwichtigheid in het ik is niet noodzakelijk. Wanneer wij alle verschijnselen willen aanvaarden, wanneer onze houding tegen­over het ik en tegenover de wereld er niet één is van sturen, maar van landschapserkenning, vinden wij de juiste benadering.

Vele mensen blijken in zichzelf ook grote angst te koesteren voor bepaalde delen van het ik. In de eerste plaats geldt hierbij wel dat de dogmatische instelling – ook wat betreft normen en ide­alen – hierbij een zeer grote rol speelt. Kunnen wij deze dogmatische instelling veranderen, dan is het gevreesde meestal opeens aanvaard­baar.

Daarnaast echter komt het vaak voort uit een vals beeld dat wij van onszelf trachten te maken. Ik kan mijzelf een beeld bouwen van wat ik zou willen zijn, mits ik daar onmiddellijk naast stel, dat­gene wat ik wéét te zijn. Ik moet niet trachten deze beide tot een eenheid te maken; of zelfs mijn ideaal als iets wat in het midden staat van al mijn strevingen. Dan wordt het ideaal voor mij een mogelijkheid tot het interpreteren van mijn wezen en werkelijkheid. En dan is er niet dit duistere, waarbij ik vrees alles te verliezen, wanneer ik toegeef dat dit in mij leeft.

Wie in zichzelf keert, ontmoet in zichzelf als deel van zich­zelf, God en duivel. Wie de duivel terzijde werpt, kan God niet berei­ken. Wie God niet durft aanvaarden, zal ook in de duivel geen werkelijke kracht of bevrediging vinden. Slechts wie God en duivel ziet als twee aangezichten van één en hetzelfde (het leven), kan in zich­zelve ook de juiste houding vinden. Want ik behoef niet bang te zijn. Al hetgeen in mij duister is, wordt weerkaatst door het duistere deel van mijn besef. Al wat in mij lichtend is volgens mijn idee, door het lichtende deel van mijn besef. Beide hebben betekenis. Zij zijn niet de bepaling van mijn wezen, maar de omschrijving van het gebied, waarin ik streven en bewegen kan.

Ik begrijp dat het moeilijk zal zijn voor u om dergelijke beel­den op een praktische wijze in uzelf te verwerken. Maar wanneer u nu stelt bv. dat dit samenzijn alleen maar een zeker resultaat mag heb­ben, verwaarloost u al het andere en doet u daarmede een groot ge­deelte van de waarden, die wij trachten te brengen, waarschijnlijk teniet.

Waarschijnlijk, want ook onze benadering is uiteraard niet volledig objectief. Ook hierin speelt een subjectief element, een persoonlijk element een rol. Alleen … uw wereld is voor ons niet zo belangrijk meer dat wij een stellingname daarin op grond van bepaalde regels of dogma’s doen. Wij zijn zelfs niet bang voor een te­genspraak in onze uitspraak. Wanneer die tegenstelling bestaat, is het doodgewoon een bewijs dat er geen formulering is en dat een veld tussen twee polen die worden aangeduid, alle andere mogelijk­heden omsluit. Maar u moet voor uzelf uw eigen oriëntatie vinden, uw eigen harmonie.

Mag ik dan om dit eerste deel nu te gaan besluiten nog een aantal eenvoudige stellingen en regels geven?

  1. Hoe verder mijn vermogen tot harmonisch aanvaarden reikt, hoe groter mijn mogelijkheid tot harmonisch (en daarmede voor mij ook succesvol) handelen zal reiken.
  2. Elke voorstelling, waarbij ik mijn eigen mogelijkheid in geest of wereld aan banden leg, betekent een feitelijke beperking van mijn mogelijkheden.
  3. Elk magisch principe bestaat uit een innerlijke harmonie, desnoods de emotionele erkenning daarvan of de uitdrukking daarvan, plus mijn bewuste actie op eigen niveau. Samengang tussen deze beide behoeft niet voor mij logisch of reëel te bestaan, mits ik ze in mijn gevoelswereld kan erkennen.
  4. Alle strijdigheden in mezelf komen voort uit een onjuist besef van mijn wezen en mijn waarde. Daarom zal ik elke strijdigheid in mijzelf kunnen oplossen door mijn eigen wezen anders te benaderen en de waarden van mijn leven op een andere wijze te rangschikken. Hierdoor kan ik gelukkig zijn of succes hebben, waar mij dit zonder meer niet mogelijk was.
  5. Wie in zichzelf gaat tot zijn God, moet beseffen dat elk aanvaar­den van licht een aanvaarden van duister inhoudt. Wie voor het duister vlucht, kan het ware licht niet beleven en omgekeerd. Aanvaardt men beide echter als een wereld van mogelijkheden, dan zal men beseffen hoezeer men vrij is van wil en hoezeer deze wil de betekenis van eigen leven en eigen beleving kan bepalen.

Niet de z.g. meetbare of vaststelbare waarden van de persoonlijk­heid hebben betekenis. Betekenis heeft slechts de persoonlijkheid als geheel, waarbij de harmonische waarde of de evenwichtigheid een grotere rol speelt dan bestaande en erkende gaven of mogelijkheden. Hij, die in zich harmonisch is en de wereld benadert met de erkenning van het niet dogmatisch of gefixeerd vaststaan van alle waarden en betekenissen, zal – ongeacht zijn z.g. tekort­komingen – de resultaten kunnen behalen, die voor anderen niet be­reikbaar zijn.

En daaraan voeg ik dan nog de volgende stellingen toe:

Kennis is een instrument, niet een bereiking. Kennis mag daarom nimmer dienen om het leven te richten, doch slechts om bij een innerlijk bewust richten van het leven, de uitvoering voor anderen begrijpelijk weer te geven.

Geesteskracht, innerlijk bewustzijn en geestelijke gaven zijn geen uitdrukking van superioriteit of meerwaardigheid, doch slechts van een ander gebruik van de mogelijkheden die in iedere mens verder gelijksoortig aanwezig zijn. Daarom mag ons streven nimmer zijn de gaven groter te maken dan die van anderen, maar moet het zijn: onze gaven uit te drukken harmonisch met anderen.

Levenskracht, geestelijke kracht, dierlijk magnetisme, geeste­lijk licht, kunnen voor het ik het best bereikt worden in harmonisch samengaan met een gemeenschap of anderen. Daarom is het noodzakelijk dat men (met een besef van het licht, enz., dat men begeert) aller­eerst de harmonische eenheid met anderen in de wereld zoekt. Inner­lijke harmonie kan niet worden opgebouwd op verwerping van de wereld. Bereiking en vergroting van eigen mogelijkheid kan nimmer worden op­gebouwd door het scheppen van grotere afstanden tussen u en anderen.

Ten laatste: magie, esoterie, wetenschap en alle verder te noemen waarden, waarbij het bewustzijn een rol speelt, zijn in wezen de uitdrukking van één en hetzelfde:

De beheersing van eigen subjectieve benadering van en inter­pretatie van de realiteit waarin men bestaat. Het is niet belangrijk op welke wijze ik dit tot stand breng. Wel is het belangrijk dat ik dit tot stand breng met een voldoende vrijheid om krachtens mijn wezen en willen – en harmonisch met mijn wezen en willen – te beleven en voor mijzelf waar te maken en te bereiken.

Ik hoop dat deze les voor u duidelijk en begrijpelijk is geweest. Er zijn in deze les – dit geef ik toe – een aantal herhalingen. De herhalingen zijn echter zodanig gemoduleerd en gevarieerd dat ik daardoor hoop tot een zo groot mogelijk begrip bij alle aanwezigen te komen.

Het tweede gedeelte van deze avond zal u in contact brengen met een spreker, die een eigen achtergrond heeft in het z.g. Tantrisch Boeddhisme. Wat zijn stellingen zullen zijn, kan ik u natuur­lijk niet tevoren zeggen. Wel dat deze persoon een laatste incar­natie heeft gekend ongeveer 550 jaar geleden, maar desalniettemin geldt als één der meer lichtende broeders, die medewerken aan de strevingen van de Witte Broederschap. Ik hoop dat u ook voor hem een aandachtig en geduldig gehoor zult zijn.

De gastspreker

Alle beschouwingen van het leven, zijn in feite pogingen om te ontdekken wat bestaan betekent. En het wonderlijke is dat nie­mand precies weet wat bestaan is.

Wij kunnen denken aan de voortdurende beweging, de energie die ons in voortdurende verandering het onmogelijk maakt om te weten wie wij zijn. Wie probeert om zichzelf te leren kennen is als iemand, die een landschap goed wil kennen, waar hij met een razende snelheid doorheen gaat. En daarom zijn er in ons leven invloeden, waarmee wij eigenlijk voorzichtig moeten zijn, waarmee wij rekening moeten houden. De eerste daarvan is nl. de tijd.

Wij rekenen altijd met een verleden, met wat er nu gebeurt, met wat er komen gaat. En wij zien dat eigenlijk als iets wat gescheiden is. Maar wat er is geweest en wat nu is, is één geheel, onverbrekelijk. En zo is alles wat wij beleven in de tijd, niet een verandering maar een toevoeging van ons wezen, van ons begrip, van onze mogelijkheid.

En de tweede fout die zo vaak wordt gemaakt en die ook ik zo vaak gemaakt heb, is het proberen om niet onszelf te regeren, maar om de wereld te regeren. Wij willen proberen om alles te be­palen zoals de loop van de sterren. En wij zijn er zo druk mee bezig dat wij vergeten onze akker te bevloeien. En dit gezamenlijk is de oorzaak van onze machteloosheid.

Alles wat er ooit is geweest en waarvan ik deel ben, is mijn innerlijk, want daarin bestaat het voort. Ik ben mijn eigen eeuwigheid. Ikzelf fixeer uit de onbekende mogelijkheden van een Schep­per een onvergankelijke werkelijkheid. En wat er ook gebeuren moge, al zou de laatste ster in het Al doven, die werkelijkheid blijft be­staan. Ze is mijn werkelijkheid.

Zolang als ik leef, zolang als ik ben, is dit alles waar. En omdat het zo waar is en zo eeuwig, is het niet zo belangrijk, dat ik de problemen van gisteren oplos. Het is alleen maar belang­rijk dat ik de samenhangen niet verlies in mijn bestaan.

Wanneer ik een diagram teken, de sterren bezie, dan kan ik een beeld geven van een toekomst. Maar het beeld van die toekomst is alleen maar mijn schema, waarin ik mijn werkelijkheid zou willen uitbreiden. Er is geen lot dat bestemd is; er is het onbestemde waarin ik groei. Zoals er geen wijsheid is die geleerd wordt; maar alleen wijsheid, die ervaren wordt.

Wanneer u hier zit, dan denkt u aan gisteren als iets wat voorbij is; en aan morgen als iets wat u eigenlijk niet bepalen kunt. Maar gisteren is nog steeds bij u. En morgen is datgene wat ik wil maken.

De natuur is bezield. Niet omdat die natuur bezield is door allerhand zelfstandige wezens, maar omdat ik haar bezieling erken.

Wanneer ik zeg: “Er zijn demonen in het duister”, zo is dat iets wat waar is, want ik schep demonen in het duister.

En zo ik zeg: “Deze steen rijst ten hemel”, dan rijst hij ten hemel. Niet omdat het de gewoonte is van stenen om ten hemel te rijzen, maar omdat voor mij die steen ten hemel rijst.

Wanneer ik loop door water, dan is dat gewoon. Loop ik óver het water, dan is dat een wonder. Maar als ik zeg: “Dit water is voor mij vast”, dan is het voor mij, als voor u, ijs. Ik ga er overheen, omdat ik wéét dat het water mij draagt.

Ga ik door vuur en zeg ik: “Het kan mij niet beroeren” en ik wéét dat het mij niet beroeren kan, dan is dit waar.

Werkelijkheid is alles wat ik geweest ben, aangevuld met wat ik denk, weet en geloof.

Wij zijn geen slaven van een hemelse poppenspeler. Wij zijn niet beperkt door iets anders dan door ons eigen vermogen tot geloven en denken.

Het wonder ligt niet in een gebeuren buiten mij. Het wonder is mijn aanvaarden van een zekerheid, die ik niet prijsgeef, wat er ook gebeurt.

Dit is eigenlijk het hele proces van leven. Bestaan is niet ondergaan. Bestaan is vormen. Vormen door wat je bent en wat je denkt.

Magie, geesten bezweren, ik heb het gedaan. Dienaren bouwen, ik heb het gedaan. Het zijn geen wonderen. Ze zijn toestanden van mijn ik, van mijzelf.

En dit is het geheim van alle leven en alle bestaan. Niet dat is waar wat men mij zegt of leert, maar wat ik ben. En zo ik leer om in alle dingen leven te zien, leg ik mijn leven daarin.

Zie ik hier een tafel en zeg ik: “Deze tafel is bezield”, dan is het mijn ziel die in die tafel schuilt. En wanneer ik heen­ga, kan die tafel volgens mijn wil (want ze is bezield) doen wat ik haar heb opgedragen. Dat is niet zo moeilijk. Maar ik moet wéten dat de tafel deel is van mijzelf.

In het westen worden ook wel wonderen gedaan, paranormale verschijnselen. En de mensen zeggen dan: “Dit moet voortkomen uit geesten”. Ze zoeken ingewikkelde verklaringen. En de verklaring is zo eenvoudig: Zij gebeuren omdat er iemand is, die niet anders kan of wil weten, dan dat het gebeurt en die het daardoor zelve veroorzaakt.

Wanneer ik in mijn persoonlijkheid al mediterend waarheid zoek te vinden, dan is elk probleem dat ik mij maak een verwijdering van waarheid. Maar elk besef dat ik in mij volledig aanvaard, is een benadering van waarheid.

Hier ligt voor de mens altijd het grote raadsel: Moet het nu van buiten mij komen of leeft het in mij? Wat in mij is en wat buiten mij is, is hetzelfde.

Wanneer ik tot een bloem zeg: “Hoe schoon ben je”, dan bloeit zij voor mij met meer kleur, zij geurt sterker, zij schijnt zich groetend naar mij te nijgen.

 Zeg ik tot de slang: “Broeder, lig gelukkig in de zon”, en ik weet hoe goed het is om gekoesterd te worden, dan zegt de slang: “Broeder, ga vredig op uw wegen.” Maar zeg ik: “Dit is een slang, iets anders, iets kwaads”, dan is die slang iets anders, iets kwaads. Want ik wek in haar al, wat vijandig is voor mij.

Zeg ik tot de tijger: “Jij mag geen vlees eten”, dan kan hij geen tijger zijn. Maar zeg ik tot de tijger: “Wij zijn vrienden”, dan zegt de tijger: “Wij zijn vrienden.” Hij zegt tegen mij: “Jij bent tijger.” Ik zeg tot de tijger: “Jij bent broederziel, je bent mens in andere gedaante.” En wij treffen elkaar en zijn vrienden.

Ik zeg u niet dat de wereld dwaasheid is of waan. Maar ik zeg u wel dat de wereld is wat u bent tegenover, ja, in die wereld.

En als u in uzelf zoekt naar de verlichting, de bevrijding en u ontmoet heerscharen van demonen en u zegt angstig: “Hier komt gevaar”, de demonen zijn uw meester. Want ge kent hun macht toe. En wie macht toekent, onderwerpt zich.

Maar komen demonen tot mij en zeg ik: “Hier zijn helpers”, zij zullen mij door hun krachten omhoogstuwen tot nieuw besef. Zij zijn voor mij krachten als lichtende meesters.

Indien ik zeg: “Deze wereld beroert mij en ik beroer die we­reld”, dan weet ik niet wat ik ben voor de wereld en wat de wereld is voor mij.

Maar zeg ik: “Ik bén de wereld”, dan weet ik wat de wereld is. En in de wereld ken ik mijzelf. En zoals ik mijzelf kan bevelen, beveel ik mijn wereld.

Dit is het geheim van het innerlijk meesterschap. Niet het bouwen van allerhand mooie verhalen en stellingen, niet het filo­sofisch betoog, maar eenvoudig het besef van bestaan.

Ge ontmoet een medemens. Ge ziet deze als een ander met een verplichting tot u, en u met een verplichting tot hem. U bent twee, u bent gescheiden.

U ontmoet een ander mens en u ziet hem als deel van uzelf. Er kunnen geen verplichtingen zijn. Ge zijt één, want ge zijt harmonisch. Ge zijt a.h.w. de uitvoering van één en dezelfde gedachte, en éénzelfde ziel in twee uiterlijkheden.

Het klinkt misschien wat mystiek. En ik weet dat het wes­ten zo graag de wetenschap heeft.

Maar als ik wetenschap neem en ik stel haar buiten mij, dan beheerst zij mij. Als ik die wetenschap zie als dat wat in mij is en toevallig ook buiten mij bestaat, dan ben ik haar meester en zij dient mij.

Wanneer u in uw leven het verleden ziet als gescheiden van het heden, dan zal uw verleden uw heden beheersen. Maar als u het verleden en heden ziet als één geheel, dan vormen zij tezamen mijn wereld, waarin ik meester ben.

Wanneer ik de toekomst vrees, is zij een afgrond, die ik moei­lijk kan overbruggen. Wanneer ik de toekomst zie als een deel van mijzelf, is het een besef dat in mij ontwaakt, een gedachte die zich verder ontplooit. Dan zijn er geen angsten, zijn er niet de dingen die je moet overwinnen.

De waarheid van leven, van bestaan, is allereerst het begrip, dat je zelf alles bent. Niet omdat het niet op zichzelf bestaat, maar omdat het antwoord dat ik krijg, het antwoord is op wat ik zeg en niet een antwoord, dat door het ding zelve of door het wezen zelve wordt bepaald.

Ik ben de schepper en ik erken de wereld als deel van mij­zelf. Er kan een machtiger wezen zijn dan ik dat alles heeft voort­gebracht; maar het geheel in zijn verleden, in het erkennen van mor­gen, is van mij en in mij. Ik kan geen onderscheid meer maken tussen de kracht die voortbrengt en mijzelf.

Wanneer ik zeg: “Ik leef in een wereld van waan”, dan schep ik de onwerkelijkheid buiten mij. Want ik vraag mij af: “Is het waar?”

Maar wanneer ik erken: “Niets betekent, tenzij ik er deel van ben”, dan is er geen waan; dan is er alleen waarheid.

De weg naar de ontplooiing, naar de verlichting, is niet het moeizaam bestijgen van een bergpad. Het is het vinden van jezelf. Waarom zou een mens dan zoveel moeilijkheden maken?

U bent hier. Bent u moe? Hebt u kracht nodig? Denk u deze kracht … en de kracht is er. Denk u het verdwijnen van de ver­moeidheid … en ge zijt als pas ontwaakt uit een verkwikkende slaap.

Bent u bedroefd? Hebt u zorgen? Hebt u veel verloren? Besef dat u niets kunt verliezen dat werkelijk in u bestaat. Besef dat droefenis de ontkenning is van je werkelijkheid. Besef dat uw zorgen, uw problemen, alleen maar de onbesluitvaardigheid van uw eigen wezen zijn.

Zeg: “Deze dingen zijn deel van mij” en leef ze. En zie, uw droefheid wordt een vreugde, uw zorgen verdwijnen, uw problemen zijn opgelost.

En denk niet: Dit is spel. Want wat ik u zeg is waarheid.

Probeer nooit een wereld buiten je te dwingen. Want wie de wereld buiten zich dwingt, schept een tegenstander, die hem gaat overheersen. Hij schept demonische krachten, die hem steeds verder binden met onbegrepen schakels van een keten, die oorzaak-en-gevolg heet.

Maar wees één met de dingen, die je kent en die je leeft. Zie ze als deel van jezelf. En het rad van de tijd mag voort wentelen Voor ieder; maar je besef wordt eeuwig en er is geen tijd. Dan is licht en duister en al wat je je denken kunt aan tegenstel­ling, alleen maar iets dat je bepaalt door je aandacht te richten.

Mens, je bent geschapen. Je bent voortgekomen uit de eerste vonk licht die het duister, het onbekende heeft uitgebraakt. Uit de verborgen en ongeuite wereld ben je ontstaan. Je bent deel van alle dingen.

Waarom zou je dan oneerlijk zijn? Wie oneerlijk is, is oneerlijk tegen zichzelf. Hij bedriegt zichzelf. Wees eerlijk.

Wees trouw volgens je wezen aan wat je erkent als trouw waardig. Want het is deel van jezelf in waarheid.

Wees barmhartig. Want al wat lijdt, is deel van jezelf. Het lijden dat je stilt, is het herwinnen van je eigen harmonie.

Wees vrij van alle dingen, want ze zijn deel van jou. Zodra je ze deel maakt van een wereld buiten je, ben je slaaf. Wees vrij.

Daad en daadloosheid zijn hetzelfde, wanneer ze in jou be­staan. Je wereld schep je en regeer je. Je bent deel van de Eeuwige. Je bent de rust van het licht, waarin alle dingen gelijktijdig zijn. En in je beperking behoef je slechts de eenheid met alle dingen te beseffen om er ook de meester van te zijn.

Wanneer ik de wind zie als een vijand en ik zeg tot hem: “wees stil”, hij grijpt mij aan met verdubbelde woede.

Maar ik bén de wind. Zo zeg ik: “wees rustig, mijn ziel”, en de wind sterft.

De regen valt. Ik heb geen regenscherm van node. Ik zeg: “Ik ben de regen, ik kan mijzelf niet beroeren.” En ik zal droog zijn, al lijkt de wereld in water te vergaan.

Ik kan de bliksem roepen of verdrijven, en de zon. Zij zijn deel van mijzelf. En als ik dit deel-zijn besef, wat kan er dan nog anders zijn dan mijn wezen dat leeft.

Ik ben niet bepaald in duur en niet in omvang. Ik ben. Dat is bestaan.

Al wat ik mij herinner is één en hetzelfde. Het is het be­staan. Niet wat geweest is.

Al wat ik meen te ontberen, is wat ik mijzelf ontzeg. En al wat ik meen te bezitten, is wat ik mijzelf toeken, zonder dat het mij eigen is.

De waarheid is: één te zijn met de dingen, één te zijn met de mensen.

Misschien zijn deze gedachten voor u wat wonderlijk. U kunt zich niet voorstellen dat ik hier zit en spreek … en toch al­leen tot mijzelf. Toch is dat waar.

Want hoe kan ik waarlijk zeggen wat ik ben, wat ik denk, wat ik leef en verstaan worden door iets anders dan ik ben? In dit woord zijn wij één. En al wat ik ooit gesproken heb en ooit spreken zal op uw wereld of in andere voorstellingen van bestaan, is één en hetzelfde woord: het is mijn wezen.

Dan kan ik de mantram nemen en haar herhalen, tot zij mij wegvoert van mijn werkelijkheid. Maar ontvlucht ik dan niet mijzelf?

Ik weet dat er veel mensen zijn die zoeken naar de spreuk die hen wegvoert naar een innerlijk land van vrede en van licht. Maar je bent het zelf. Wanneer je die mantram nodig hebt, dan is dat alleen, omdat je nog niet wéét dat je zelf bent.

Je kijkt naar een plaat, naar de figuren die langzaam voor je ogen vervloeien. En je meent zo een hoog besef te bereiken. Maar dat komt, omdat je niet begrijpt: deze voorstelling ben ik.

Er is niets waarlijk buiten mij dat ik beseffen kan. En er is niets waarlijk buiten mij, voor mij kenbaar en onbeheersbaar.

Ik kan de wereld niet beheersen, maar wel mijzelf. En ik ben mijn eigen wereld in de wereld. En zo maak ik mijzelf waar in en aan mijzelf.

Dit klinkt altijd weer zo wonderlijk. Maar u bent nu hier. U zoekt innerlijk bewustzijn. U zoekt dat van mij?

Kunt u één woord begrijpen van wat ik zeg, wat niet in u leeft? In uzelf is al wat ik ooit tot u kan zeggen, reeds nu geschreven.

U wilt mijn kracht, mijn vrede? Wat kan ik u geven, wat niet in uzelf bestaat?

U aanvaardt mij als iets en dat bepaalt mijn betekenis. En als u mij beseft als een stukje van uzelf, zoals u mij nu in uw gedachten ziet, dan kunt u er toch ook voor zorgen dat ik word wat u van node hebt? Zo eenvoudig is het.

Werkelijkheid bestaat. Maar mijn werkelijkheid is het tijdloze wezen dat ik ben. Mijn werkelijkheid is al wat ik ooit heb gezien, gehoord, gedaan, geleefd, gedacht, gedroomd. Al tezamen.

Vandaar moet u uitgaan. Niet: dit was … en dat komt … Neen, ik bén dit alles.

Tovenaars zijn mensen die in staat zijn degenen die tot hen komen, zo sterk in hun verlangens te doen geloven, dat zij ze zelf waarmaken.

De geestenbezweerder, die geesten oproept, roept alleen op wat leeft in degenen die in hem gaan geloven en zich daarin uit­storten, zonder een erkenning van grens.

O, ik heb de steen zien dansen. En ik heb bij het geluid van de hoorns de strijd van demonen gezien; en gevangen duivels zien keren in mensen om te spreken met priesters. Ik heb erin geloofd, het was deel van mijzelf.

Maar kon die duivel iets zeggen, wat ik niet dacht? Kon hij mij bedreigen met iets, wat ik niet vreesde? Konden de dansers iets uitdrukken, wat niet reeds in mijn voorstelling was? Anders had ik het nooit begrepen.

Kon de steen dansen, als ik niet had geloofd dat hij kon dansen? Hij had niet kunnen bewegen.

Ik maak mijn wereld, ik maak de waarheid waarin ik leef. En als ik dat besef, dan is het nog een lange weg; voor je je één kunt voelen met alle dingen.

Niet alleen één met de schoonheid van het leven, maar met de gehoornde adder die dreigt. Met de mamba, met de koningscobra, met de koraalslang, met alle slangen die je je denken kunt, die gevaarlijk en giftig en gevreesd zijn. En toch denken: dit is deel van mij. Dat duurt lang, maar het kan bereikt worden.

Een mens, die langzaam leert te beseffen, dat al wat hij vreest deel is van hemzelf, kan zijn angst veranderen door zijn be­grip van eenheid.

Slechts één ding kan men niet zo snel overwinnen: de angst, die men voor zichzelf koestert. Wie zichzelf vreest heeft een zware weg. Want hij die zichzelf vreest, aanvaardt niet wat hij is. Hij aan­vaardt zijn bestaan niet.

Niets is verwerpelijk. Niets is lofwaardig. Alles is … in u. Vrees uzelf niet en prijs uzelf niet. Wees uzelf. Dat is een eer­ste begin.

Wees harmonisch met de hoge krachten die ge kent. Maar besef: Wanneer ik ze ken, zijn ze deel van mij. Ik behoef niet te roepen tot een verre, hoge geest. Wanneer ik die geest erken, is zij in mij. Er is geen afstand, er is geen tijd.

Zo alleen, vrienden, zo alleen kan men waarheid vinden. Zo alleen kun je tot jezelf spreken, zoals ik doe nu. Tegen jezelf zeggen: “Wijze, je bent een dwaas. Maar uit je dwaasheid vind je steeds de juwelen van wijsheid. Wees dankbaar voor de rijkdom, die je dwaasheid je geeft.”

Wat u hebt verstaan van mijn woorden en wat uw werkelijkheid is van mijn verschijning, is hetzelfde: dwaasheid waarin het juweel van wijsheid ligt dat u vinden kunt.

Maar zoals u in uzelf moet zoeken naar wijsheid, naar begrip en naar beheersing, zo moet u ook zoeken naar wat u ziet als een les die u krijgt: datgene wat in u wekt wat in u leeft, omdat u wilt dat het gewekt wordt.

En nu kan ik zeggen: “wees gezegend” … en ik zegen mijzelf. Maar ik kan zeggen: “Laat dit ik, dat met u deelt, de kracht van zegen beseffen en uitdrukken.” En dan spreek ik mijn waarheid, die de uwe kan zijn.

Vrienden, het rad wentelt voort en de illusie van tijd schuift verder. En daarom moet ik wel eindigen. Want mijn eeuwigheid is nog niet uw eeuwigheid.

En toch zal ik voortspreken met u. Want voor u moet ik ein­digen, maar voor mijzelf spreek ik verder.

Besef mij, niet als één die gaat, maar als één die spreekt. En ik zal voortdurend een stem zijn, die u zegt hoe te denken.

Maar zeg dan niet tot mij: meester. Maar zeg: “Hoe ligt dit alles in mij verborgen. Dit ben ik. En uit dit leef ik.”

En nu moet ik terug naar de vormen van schijn. Wij moeten scheiden, scheiden in schijn. Omdat wij de waarheid van verbonden­heid misschien nog niet beseffen, daar ik nog weet dat mijn schepping een andere is dan de uwe.

Maar misschien is ook dat waan. En zo dat waan is, zo zul­len wij eens in de tijdloosheid beseffen, hoezeer wij toch hetzelfde zijn.