De Veda’s

Als wij ons afvragen wat de Veda’s zijn, dan kunnen we het kort omschrijven met: een groot aantal geschriften, grotendeels stammend uit het Sanskriet waarin zowel heldenverhalen als leringen zijn weergegeven en daarnaast ‑ en meestal later ontstaan ‑ een aantal voorschriften voor het dagelijks leven, de wijze waarop een mens juist kan handelen en zich op een juiste manier kan uiten.

Als we proberen een algeheel overzicht te geven, dan valt op dat we hier vooral te maken hebben met goden, halfgoden, helden en gewone mensen. Er is dus sprake van een soort hiërarchie en deze sluit direct aan bij wat zelfs nu de hindoe’s weten en geloven. In deze hiërarchie, wordt een aantal verhalen opgevoerd. Elk van die verhalen heeft ten doel een bepaalde wijsheid te illustreren. Aan elk verhaal zijn commentaren toegevoegd. Een deel van die commentaren behoort tot het verhaal zelf, een deel daarvan kan worden beschouwd als een soort annotatie.

We moeten de Veda’s dus niet beschouwen als een leerboek zonder meer, maar eigenlijk meer als een soort bijbel. Wat we hierin vinden is voor een deel overlevering, voor een deel zuivere dichtkunst, het dramatiseren van situaties en daarnaast ook praktische kennis en ondervinding. De hoofdzaak is de voorstelling van het leven zoals die wordt gegeven en de wijze waarop de mens in dit leven juist kan reageren. Om enkele van de voornaamste punten te noemen:

  1. Een mens leeft volgens een in hem gelegde taak. Deze taak bevat de noodzaak alles te volbrengen. Je kunt een taak niet halverwege afbreken en teruggaan. Dan vind je een soort magische kracht op je weg die je dwingt opnieuw voort te gaan maar dan tegen eigen wil en beter weten in. Zo heb je daarvan dan geen verdienste en erkenning.
  2. Je wordt omringd door een wereld, die weliswaar vol begoocheling is, maar waarin alle krachten die er in de kosmos bestaan zich kunnen manifesteren. Soms bv. als een gehangene, die als een spookachtig lijk ineens verschijnt aan een held, die zich daardoor moet re­aliseren wat er aan de hand is. De kosmos geeft tekens, de mens heeft daarop te reageren.
  3. De mens zelf is oorzaak. De mens is het middelpunt van de wereld en wat hij in zijn eigen denken en handelen volbrengt dat zal hem uit de wereld eveneens geworden. Hij kan zich niet onttrekken aan de gevolgen van al datgene waarvan hij zelf oorzaak is. Daarnaast staat dat hij zich kan onttrekken aan de gevolgen van alle zaken waarvan hij niet mede of in eerste aanleg oorzaak is. Wanneer de waan wordt be­seft ‑ staat letterlijk in een van de geschriften ‑ dan verdwijnt zij voor zover zij niet deel is van het eigen “ik”.
  4. De vele bijkomstigheden trachten de mens duidelijk te maken hoe hij kan leven en hoe hij van dit leven kan genieten. Het leven is er niet om alleen maar ondergaan te worden. Men moet het bewust bele­ven; men moet er deel aan hebben. De vreugde in het leven is van het hoogste belang. Het belang ligt niet alleen maar in het feit dat men zijn medemensen gelukkiger maakt en ook zelf niet tekort schiet, het is tevens een reactie op de wereld van de goden en de kracht van de goden.
  5. De goden gaan onder de mensen rond. De lagere goden bevinden zich steeds vlak bij de mensen. En als men zou falen t.a.v. het eigen “ik” of van anderen, dan zou dit een reactie van een hogere kracht kunnen uitlokken.

Dit is heel in het kort samengevat. Als we de Veda’ s in haar geheel zullen behandelen, dus al de boeken afzonderlijk, dan komt er bijna geen einde aan. Voor de westerling zijn vele van de boeken tegenwoordig in een redelijk goede vertaling verkrijgbaar. Ik zou u dus de raad willen geven, als u er erg geïnteresseerd in is, koopt u de vertalingen. Er zijn er verscheidene in het Nederlands en er zijn complete vertalingen in het Engels. Wilt u met de Veda’ s iets doen, dan moet u zich wel realiseren dat ze zijn gericht op een heel andere wereldopvatting dan de uwe. Het leven zelf als verschijnsel is niet van belang. De dood als zodanig is evenmin belangrijk. Het is een persoonlijk gebeuren, maar dit wordt onmiddellijk opgeheven hetzij door een incarnatiecyclus, hetzij door een nieuw bewustzijn in een wereld van goden of halfgoden. Wat je bent in het leven is ook niet zo belangrijk. De plaats, die je nu inneemt, zal morgen een ander innemen. De plaats die je nu begeert, zal misschien morgen de jouwe zijn, want alles verandert. Er is een voortdurende verandering. Het lijkt bijna op het Griekse panta rhei dat in sommige verhalen heel duidelijk tot uitdrukking komt. In die verandering kies ik zelf. Daar waar ik verkeerd kies, word ik het slachtoffer van mijn neigingen, mijn lusten.

Het is voor de westerling niet goed te begrijpen hoe je een soort heilsleer kunt verkonden (dat zit er toch wel degelijk achter) waarin de mens zelf oorzaak is. Niet een genadevolle god of een wraakzuchtige god, geen ingrijpen door middel van verlossers, maar alleen het proces van bewustwording, het zelf komen tot besef van de werkelijkheid. Als je als westerling die kant wilt uitgaan, zul je eigenlijk alles wat je in de opvoeding dagelijks met de paplepel is ingegeven, moeten verge­ten. Geen Onze Lieve Heer die naast je staat. Geen God die klaar staat om in te grijpen, zelfs geen bewaarengel die alles optekent, alleen je eigen wezen waarin oorzaak‑en‑gevolg worden vastgelegd. Een eigen wezen, dat de buitenwereld bepaalt en dus nooit kan klagen dat die wereld on­rechtvaardig is. Een “ik” dat zelf aansprakelijk is en die aansprakelijk­heid nooit bij een ander kan zoeken. Dat op zichzelf is voor de wester­ling al heel moeilijk te accepteren. Dan het denkbeeld dat je tevreden moet zijn met een status, omdat eerst dat wat je nu bent perfect moet zijn voordat je mag streven naar iets anders. Ook dat is een denkbeeld waarvoor men hier in het Westen niet bepaald veel zal voelen. (Ik hoor een vakbondsleider al zeggen: jullie moeten eerst perfecte werklui worden voordat je om loonopslag kunt vragen. De vakbond zou meteen failliet zijn). Dus ook hier weer een aantal gedach­ten die het westerse denken en zelfs de westerse maatschappij vreemd zijn.

Als je als westerling met de Veda’s te maken krijgt, moet je proberen om datgene daaruit te lezen wat voor jezelf van toepassing is. Er dan zijn er toch wel enkele punten waarop ik de aandacht zou willen richten.

“Ik ben een verbinding tussen hemel en aarde. Enerzijds kan ik spreken met de goden, anderzijds ben ik gebonden aan de krach­ten van de natuur. Daar waar ik rust op de aarde, geeft ze mij levenskracht. Daar waar ik omhoog reik, word ik geconfronteerd met de machten van de goden en moet ik manipuleren totdat ik daar­mee in harmonie ben.”

Het zou voor de westerling goed zijn te begrijpen dat hij de natuur en de krachten van de natuur nodig heeft, omdat hij alleen daarin de energie, de veerkracht kan vinden die hem zal helpen om in zijn leven het noodzakelijke te verwerkelijken. Het kan de westerling ook helpen, als hij begrijpt dat hij geen abstracte theorie kan verkondigen, dat hij geen daad kan stellen zonder gelijktijdig daarbij een wereld in te schakelen, waarin geestelijke wezens met veel grotere vermogens actief zijn. De wereld van de Veda’s is anders dan de uwe. Er is sprake van moraliteit, zeker. Maar die moraliteit is sterk toegespitst op uw eigen lot, op uw eigen wezen. De verplichtingen die u op u neemt zijn heilig. Niet op zichzelf maar door het feit, dat u die verplichtingen op u heeft genomen. De daad die u stelt is zinloos, tenzij u er een bedoeling mee heeft, maar daardoor wordt ze inderdaad voor u een verplichting. Voor het westen is dat ondenkbaar. Daar rekent men of alleen met de re­sultaten of alleen met de bedoeling. De westerse wereld gaat aan de goede bedoelingen te gronde en wordt door de daden, ondanks zichzelf, soms gered. Voor de oosterling is dit allemaal aanvaardbaar. Hij zegt tot zich­zelf: Ik moet gewoon proberen een eigen weg te vinden. Als ik lieg en bedrieg, dan is dat niet erg zolang iedereen kan weten dat ik lieg en bedrieg. Als ik iemand geld ontneem, dan is dat heel logisch, want hij heeft meer dan ik en dus mag ik het nemen. Het is helemaal geen wonder dat heel veel mensen daar omkoopbaarheid als een soort verplichting beschouwen. Zij zeggen: als ik het niet doe, dan doe ik mijn gezin tekort aan rechten en aan vreugde. De ander die betaalt moet het kunnen missen, anders zou hij het niet doen. Het is een gedachtegang die voor de westerling niet helemaal benaderbaar is.

Het is ook niet zo, dat je zegt: ik heb een vriend en daar moet ik trouw aan zijn tot het einde der tijden. Neen, de vriend is een soort Gestalt. Hij heeft een bepaalde functie. Zolang hij in die functie in mijn leven op­treedt is hij mijn vriend. Op het ogenblik dat hij daarvan afwijkt of ik daarvan afwijk, houden alle vriendschapsverplichtingen op. Dan mag ik het jammer vinden dat die man door mijn ingrijpen een ongeluk krijgt, maar het is niet iets waardoor ik mij schuldig behoef te voelen, want indien wij werkelijk harmonisch waren, zou dat niet mogelijk zijn geweest en het zou ook niet nodig zijn geweest. Een noodlotsleer dus.

In die noodlotsleer komt steeds sterker naar voren dat de werkelijkheid eigenlijk ligt in de kern van de mens, dus in zijn ziel. Er zijn vele leringen en beschouwingen aan deze werken toegevoegd waarin men probeert de mens duidelijk te maken hoe hij kan ontsnappen. Er zijn verhalen bij over het Slangenvuur, over het oproepen van de juiste krachten, over de juiste vormen van meditatie en contemplatie, over de wijze waarop men harmonie kan krijgen met de krachten der natuur of met de eeuwige krachten van de kosmos. Alles wordt daar geleerd, maar het is geen bindende lering.

Er zijn mensen in het westen, die als zij de vertalingen ervan lezen denken: zo is het nu ook. Maar dat staat er niet. Het is altijd: dit is een mogelijkheid. Deze leer gaat niet uit van één onveranderlijke waarheid. Ze gaat uit van één essentieel bereiken. Alle wegen en alle middelen zijn daartoe aanvaardbaar. Niemand kan zeggen dat hij volgens deze boeken ver­plicht is tot handelen. Hij wordt echter door de boeken wel gewaarschuwd dat zijn wijze van handelen, van denken, van mediteren en wat dies meer zij invloed kan hebben in een bepaalde richting. Misschien, zouden we het zo kunnen zeggen: Als de bijbel een weg en verkeersreglement is, dan is het geheel van de Veda’ s meer een A.N.W.B. atlas. De eerste zegt: zo moet het. De tweede zegt: deze wegen zijn er. De een zegt: ondanks alle moeilijkheden is dit het juiste pad. De ander zegt: op dit pad vind je die moeilijkheden, maar op dat pad ontmoet je die gevaren. Het is dus een heel andere benadering. Ik denk, dat het daardoor voor de westerling ook heel moeilijk aanvaardbaar zal zijn in zijn geheel.

Wat is de origine van de Veda’ s? Ook dat lijkt mij de moeit waard om na te gaan. De oorspronkelijke verhalen, die in de Veda’s voorkomen, reiken terug tot Atlantis en soms zelfs tot het rijk Mu. Het zijn alle­maal overleveringen. De meeste ervan zijn eerst na duizenden jaren op schrift gezet en daardoor wel iets van de werkelijkheid vervreemd in de richting van een sprookje, maar ze zijn toch ook gebaseerd op werkelijk­heden. De vliegtuigen waarmee de goden door de ruimte kunnen gaan hebben echt bestaan. De schepen waarmee andere goden over de wereldzeeën gaan hebben bestaan. Het verschijnsel van de enorme beroering van de wereld­zeeën waardoor nieuwe continenten boven komen en situaties veranderen is een historische werkelijkheid.

De kracht van de goden op zich is eigenlijk symptomatisch voor de behoefte namen te geven aan onbekende verschijnselen. Als we denken aan de Kabbala, dan vinden we daarin o.a. een hemelse hiërarchie. Dit werk werd in Europa pas bekend in ongeveer 1300. Het is geschreven in 1192. De indeling is heel exact. Ze wijst in dezelfde richting als de Veda’s, die ons ook confronteren met een zeer directe indeling en taakverdeling in de goddelijke wereld. Maar terwijl men in de Kabbala probeert om alles voor te stellen als een onveranderlijke realiteit, is het in de wereld van de Veda’s eerder een mogelijkheid die wordt uitgebeeld. Het is alsof men zegt: kijk, de tuin is nu zo ingedeeld, maar je kunt er ook andere planten in zetten. Ik meen, dat dit een groot verschil maakt.

Ik neem aan, dat die oude overleveringen in het begin zeker aan­leiding hebben gegeven tot zeer strikte geloofsvormen. Als wij de moder­ne tijd beschouwen, dan weten we dat er nog steeds mensen zijn die aan de verering van bepaalde goden en godinnen zeer specifieke verplichtingen toekennen. Denk maar eens aan Kali en Kali Durga.

Kali heeft twee gestalten: de vernietigende en de scheppende of de moederlijke, de lieflijke. De vereerders van Kali Durga waren de Thuggi. Deze wurgers werkten uit eenzelfde godsdienstige bezetenheid als eens de Inquisitie in Spanje. Ze deden dat, omdat het volgens hen juist was. In hun gemeenschap bestonden zeer aparte en strikte regels en riten. Maar terwijl de Inquisitie uitging van het standpunt: wij hebben de enig ware weg naar de hemel, wisten de Thuggi dat hij voor zichzelf de ware weg naar de hemel bezat. Door de juiste daden te stellen en de juiste offers te brengen zou hij dus gemakkelijker bij de godin kunnen komen en via de godin in een nieuwe werkelijkheid. Maar hij wist ook dat al degenen, die hij tot slachtoffer maakte op hun eigen weg waren. Het was allemaal niet zo erg dat hij hen vermoordde, want dan werden ze toch wel weer geboren op een andere manier en zouden ze weer een eindje verder zijn. Het is dus eigenlijk een institutionaliseren van aparte vereringen, maar geen daarvan is de enig ware weg. Alle zijn een ware weg omdat ze leiden naar hetzelfde einddoel. Maar elke weg op zichzelf kan bepaalde regels en verplichtingen kennen.

Opvallend is ook het wonderlijke steeds weer samenvoegen van vreugde en leed, zoals leven en dood ook dichtbij elkaar staan. Het is alsof men in deze leringen de tegenstellingen eigenlijk alleen maar gebruikt om een aanduiding te geven van de mogelijkheid. Er is een weg, die wordt begrensd door de tegenstellingen. En deze weg ga je. De lotsbestemming door de goden zou ik ook willen terugvolgen tot de laat Atlantische periode. In die tijd namelijk wisten bepaalde pries­ters dat rampen onvermijdelijk waren. Ze wisten dat de beschaving ten on­der zou gaan en ze beseften dat het niet alleen onvermijdelijk, maar zelfs voor de verdere ontwikkeling van de wereld noodzakelijk was. Het is deze erkenning van de ramp die weer wordt tot het nieuwe begin dat in vele boeken van de Veda’ s hetzij als stellingen, hetzij als verhalen of betogen ingebouwd. Het voortdurend optreden enerzijds van boze en kwade machten en anderzijds van lichtgoden, helden, halfgoden, vertegenwoordigers van het licht en het goede, is alleen maar het verzinnebeelden van oude feiten.

Als wij horen van de verhalen over goden, die de gekste dingen uithalen, zelfs een apengod die eventjes over een paar rotsen heen huppelt van het ene eiland naar het andere, dan denken wij in het begin: dit moet een sprookje zijn. Is het werkelijk wel een sprookje? Als we nagaan hoe er stammen zijn geweest die anders ontwikkeld waren en die in vorm dich­ter bij de aap stonden dan de huidige mens dan is een ingrijpen van dergelijke stammen heel verklaarbaar. Het is niet alleen maar een verhaaltje. Misschien ligt dit in dezelfde orde van grootte als het optreden van Samson met al wat hij de Filistijnen aandoet, o.a. met een ezelskakenbeen.

De mogelijkheid dat dergelijke dingen werkelijk zijn gebeurd, is als we even nadenken maar heel klein. Er zal heus wel iets anders aan de hand zijn geweest. Maar zoals de historicus toen reeds heeft geprobeerd één figuur naar voren te laten komen door het bijkomstige te laten ver­vallen, zo vinden we, ook in alle verhalen van de Veda’s en in vele van de betogen die daarin staan ook weer de neiging om een hoofdzaak naar voren te halen en bijzaken weg te laten. Daardoor ontstaan er inderdaad mirakelverhalen. Een opvallend verschijnsel is in vele van deze werken ­het optreden van mentors hetzij goden, hetzij goede geesten, soms helden of geesten van helden.

Als we nu kijken naar de rol die de profeet speelt in de bijbel en we beschouwen de wijze waarop dergelijke figuren worden gehanteerd in de Veda’s, dan valt op dat er een grote overeenkomst is. Er wordt gewezen op een plicht. Er worden toekomstige gebeurtenissen aangekondigd ‑ soms onder voorbehoud. Er worden uitspraken gedaan, leringen gegeven. Er zijn vervreemdingen van de werkelijke persoonlijkheid aan de gang waar­door deze een nieuwe scheppende betekenis kan krijgen.

Een ander punt dat ons misschien iets kan zeggen over de origine zijn de opvattingen over het ontstaan van de wereld. Als we ook hier reke­ning houden met de symboliek, met het verpersoonlijken van allerlei zaken, dan komen we tot de conclusie dat historisch en natuurkundig gezien ook hier heel veel is beschreven dat feitelijk op aarde en zelfs van het ont­staan van de aarde gebeurd moet zijn. Als we zien hoe in een sterrennevel sterren worden geboren en we denken dan aan Indra die de wereldzee karnt, dan zijn we eigenlijk op pre­cies hetzelfde punt terecht gekomen. Dan is de scheppende activiteit een wegnemen van de straling, van de overvloedige hitte waardoor leven moge­lijk wordt. Zo krijg je het gevoel dat een oude wetenschap mede een rol speelt.

Na al wat we kunnen weten van de wetenschap van de voor‑menselijke historie is Atlantis toch wel lange tijd de grote wetenschapsstaat geweest. Het is de werkelijke bron geweest van wereldbeschouwing en wereldwetenschap. Men had metingen gedaan van het aardoppervlak en van alles en nog wat. In de Veda’s wordt dat weergegeven. Dit zou ik alleen willen gebruiken om te betogen dat deze werken, ofschoon de meeste daarvan niet zo oud zijn ‑ ik meen dat het oudste bekende exemplaar, gegrift in repen hout – ongeveer 1400 jaar zijn. Dat is dan kopie na kopie, met enige vervalsing misschien, maar zeer waarschijnlijk net zo zorgvuldig overgenomen als men tegenwoordig nog de Thora schrijft. De werkelijke origine zal waarschijnlijk liggen onge­veer 40.000 jaar voor het begin van uw jaartelling. Het is aan te nemen dat in die tijd de eerste verhalen zijn ontstaan. Het is eveneens aan te nemen dat deze niet in schrift zijn vastgelegd voordat er ongeveer 20.000 tot 25.000 jaar voorbij waren gegaan. Verder moet worden aangenomen dat slechts enkelen in die periode het schrift beheersten, wat dus ook het verval en het fragmentarisch karakter van vele boeken zou kunnen verkla­ren. Degenen die kopieerden waren niet altijd in staat de kopie geheel af te maken voordat ze door omstandigheden, soms door de dood, soms door andere gebeurtenissen hun arbeid moesten staken. Alles bij elkaar genomen moeten we aannemen dat de oudste geschriften in het Sanskriet waar­schijnlijk stammen van ongeveer 1800 v. Chr. Dat wil zeggen, dat de ouder­dom van deze geschreven wijsheid tenminste gelijk moet zijn aan die van de Bijbel.

Na geconstateerd te hebben dat er waarheid in zit en dat er een historische achtergrond moet zijn, kunnen we afslui­ten met de opmerking dat de verschillende boeken tezamen wel als een samenhangend geheel worden gepresenteerd, maar, dat dit in feite niet het geval is. Ze zijn niet zo samenhangend als men zou willen veronderstel­len. Bij een nauwkeurige beschouwing vallen ze zelfs uiteen in geheel ver­schillende stukken.

In de Bhagawad Gita bv. waarin bepaalde zaken als een geheel wor­den gepresenteerd, kunnen we, als we alles goed nagaan tenminste, drie verschillende auteurs ontdekken. Er zijn namelijk drie verschillende stij­len in en in elk daarvan is een lichte afwijking van de oorspronkelijke idee. Wij hebben dus te maken met fragmentarische geschriften. Ik meen, dat dit voor de bijbel evenzeer moet gelden. Dit zijn zeer oude geschriften: de bijbel dito. Wij hebben te maken met openbaringen, althans waarden, die bovenmenselijk of paranormaal zijn. Ik meen. dat we die ook in de bijbel aantreffen. Ten laatste is daar de weg waardoor de mens ‑ kiezend uit de mogelijkheden ‑ kan komen tot een vernieuwing van besef waarin op den duur zijn ziel een eigen licht ver­krijgt. Een licht dat zo sterk is, dat hij daardoor de mogelijkheid heeft om het rijk der werkelijkheid te betreden waarin de vele gezichten van God tot een eenheid versmelten. Ik meen, dat dit ook ergens in de bijbel wordt gezegd, zij het op een wat andere manier. En zeker in de Evangeliën zijn er aanduidingen van deze aard.

Conclusie: Deze zeer oude geschriften moeten menselijk gezien gelijkwaardig wor­den geacht met de bijbel. De leringen, die daarin staan hebben weliswaar een afwijkend karakter, maar er zijn toch weer vele overeenkomsten constateerbaar.

Hier wordt een waarheid weergegeven die de mens zelf innerlijk moet vinden en moet herbeleven. Bijvoorbeeld: de aanwijzingen over de mantel, die de held die overgaat krijgt, in de uitoefening van de taak volgens zijn juiste lot, doet ons sterk denken aan het bruidgewaad, dat men vol­gens de christelijke eredienst nodig heeft of aan het gewaad waarmee men gevolg geeft aan de uitnodiging van de huisheer tot een feestmaal. Want als we dat mystiek ontleden, dan is dat eveneens de uitstraling van de mens, die gezuiverd is van alle smetten door de aanvaarding van zichzelf en zijn innerlijke erkenning van zijn God.

Eindconclusie:

Wij allen hebben een bewustzijn, waarin wij kunnen ontwaken tot de wer­kelijkheid. Maar om die werkelijkheid te kunnen benaderen moeten we eerst in onszelf capaciteiten oproepen of zoals men in sommige kringen zegt: wij moeten leren delen van onze geest open te stellen waardoor we in staat zijn iets van de werkelijkheid te concipiëren. Hij, die leeft in waan, zal de werkelijkheid voorbijgaan zonder haar te erkennen. Hij die leeft in waan en betwijfelt of ze waarheid is, ziet feiten die afwijken van de waan, maar hij weet nog niet wat de werkelijkheid is. Hij, die begrip heeft voor een andere werkelijkheid en daarvoor open­staat, ziet de vormen en lijnen van die werkelijkheid door alle begooche­ling heen voortdurend opdoemen en wordt zich zo bewust van een reële wereld waarin hij feitelijk leeft.

Deze sleutelbegrippen kun je net zo goed vinden in een naam als Jezus Christus zowel als in geheimzinnige woorden. Een schietgebed kan soms net zo doeltreffend zijn als het een of ander mystieke gebaar of de een of andere mystieke aanroeping. Het gaat om onszelf.

Alles beziende, moeten wij toch uit de leer van de Veda’ s en wat er verder uit is gevolgd de conclusie trekken, dat wij leven in de werkelijk­heid en dat we alleen in die werkelijkheid feitelijk kunnen bestaan en kunnen handelen, maar dat wij de illusies rond ons vormen en ons daaraan bindend worden beheerst door de illusies die we zelf scheppen. Deze er­kenning lijkt mij zelfs voor iemand, die verder helemaal geen begrip heeft van de wereld van de hindoes, de oude wereld van Azië van groot belang.

De werkelijkheid, die u ziet en zelf leeft en die vast en onveran­derlijk blijft, is een wereld waardoor u uzelf kunt vormen. U zult niet kunnen ontkomen aan het werkelijke lot dat u is toegedacht. Maar u kunt alle illusies, die eraan verbonden zijn doorzien en zo weten wat er ge­beurt, beseffen waarom het gebeurt en zo de erkenning vinden van het doel waardoor het gebeuren wordt bereikt. Wij allen zijn reizigers op een weg. Wij allen bevinden ons op een tocht naar de eeuwigheid, naar een bestaan dat niet meer door tijd is ge­limiteerd, naar een erkennen dat niet meer wordt beperkt door onze il­lusies. Wat er verder ligt, weten we niet. Het kan de nacht zijn waarin alle kracht is teruggetrokken in haar eigen bron en zich toch bewust is.

Het kan de kracht zijn waarmee wij in het duister zeggen: “ik ben licht en deel van licht” en uit onszelf de nieuwe schepping vormen. Dat is ons lot. Het is datgene wat aan ons wezen is verbonden. Maar dat is iets anders dan het beperkte bestaan. In deze hele schilderachtige wereld van helden en wijzen, van goden en demonen is de mens het centrale punt. Zo was het in het verleden, zo zal het zijn in de toekomst. Bij alle mirakelen, die door vreemde gees­telijke krachten worden gedaan, is de mens zelf in feite direct betrokken Want hij is het die door zijn daden, zijn gedachte, zijn instelling de mani­festaties mogelijk maakt. Dat is nog steeds waar en zal altijd waar blijven.

Wie wil vluchten uit de illusie en wil komen tot de werkelijkheid, moet leren zijn innerlijk wezen te beseffen, zijn innerlijke verbondenheid in krachten te beseffen en zo zijn eigen lot te ontraadselen.

Als ik deze leringen nu aan u voorleg, besef dan wel dat het niet gaat om de vraag, of die nu direct zo in de Veda’s staan of eerder ‑ zo­als sommige delen ervan ‑ deel zijn van Upanishads. Het gaat er alleen maar om dat deze werkelijkheid en deze waarheid in het verleden werd ge­zegd en in het heden ook moet worden gezegd. Er is iets wat het verleden en de toekomst verbindt: de werkelijkheid die onveranderlijk is.