De verborgen God

Dit is geen gekke titel. God is namelijk het grootste raadsel waarmee de mens wordt geconfronteerd. Voor een groot gedeelte heeft de mens het zelf opgezet, want hij heeft gezegd dat er een God was. Daarna zijn er allerhande boeken gekomen die het hebben bevestigd. Maar wat die God precies is vooral waar Hij is, dat weet niemand. Nu zijn daar vele stellingen over. Ik zou daarvan eenvoudigheidshalve enkele willen opsommen.

  1. God is almachtig, alomtegenwoordige door zijn wezen houdt Hij alle dingen instand. Hij is dus overal in alle dingen en door alle dingen kunnen wij Hem leren kennen.
  2. God is de almachtige Schepper, die uit de hemelen op ons neer­ ziet en onze daden beoordeelt naar zijn wil, opdat Hij ons kan belo­nen of kan bestraffen zoals Hij dit heeft vastgesteld. (Als dat werkelijk waar zou zijn, dan zou het er voor heel veel vro­men somber uitzien.)
  3. God is een persoonlijke God. Het is het beeld dat wij ons maken van het onbekende dat in en rond ons bestaat. En zo is God van ons uit de verklaring van al het onverklaarbare geworden.

Dit alles klinkt redelijk. Er mankeert echter iets aan, want als wij God als verklaring gebruiken, dan is het nog maar de vraag; waarvoor? Voor ons eigen onvermogen? Dat is zeker niet waar, want wij beroe­pen ons op God juist om meer vermogen te krijgen. En wat dat betreft, denk ik heus niet alleen aan kracht; sommigen bidden even hard om de centen. Als ik mij voorstel wat God moet zijn, dan kom ik tot een paar conclusies, die voor mijn rekening blijven maar waarover wij na de pauze rustig kunnen vechten.

  1. Ik kan mij geen God voorstellen die beperkt is. Op het ogen­blik, dat ik ergens de beperkingen van ken, kan dat groter zijn dan ik, maar het is niet meer almachtig, het is niet meer het ge­heim, het is niet meer God, dus niet onbegrensd.
  2. Onbegrensdheid impliceert ook een onbegrensd vermogen; God is almachtig. Als een God niet almachtig is, dan is het heel erg moeilijk om je te realiseren dat hij God is. Een God, die aan wet­ten gehoorzaamt, gehoorzaamt aan iets wat groter is dan Hijzelf en dus is Hij niet de hoogste Godheid.
  3. Een God is alwetend. Dat is iets moeilijker, maar ik kan mij toch niet voorstellen dat er een begrip bestaat dat niet reeds in God aanwezig is, omdat Hij de Schepper is van alle dingen. Het bestaan van iets of het gebeuren van iets waarvan Hij niets zou weten, impliceert dat er iets is wat verder gaat dan Hijzelf.

Waar vind ik God? Volgens vele leringen moeten wij God in onszelf zoeken. Maar de meeste mensen die in zichzelf zoeken, ontmoeten zichzelf, schrikken zich dood en zeggen dat het de duivel is. Het beetje licht dat er overblijft, noemen ze dan God. Dat is ook geen methode. We moeten dus proberen om God een beetje anders te zien, om Hem ons een beetje anders voor te stellen. Misschien dat wij Hem dan eindelijk kunnen vinden. Want een God die beperkt is tot één enkele religie, een God die beperkt is tot één enkele openbaring, een God kortom, die alleen op één bepaalde manier in verschijning treedt, is al zo beperkt dat ik Hem mij anders kan voorstellen en dus zal Hij ‑ gezien het voorafgaande ‑ voor mij geen God kunnen zijn.

Wat denk ik van God?

  1. Ik veronderstel dat God de kracht is waaruit alles bestaat. Ik weet, dat ik het niet bewijzen kan. Ik weet ook, dat er van het tegendeel, geen enkel bewijs te leveren is. Het blijkt dus een stelling te zijn. U zoudt het religieus gezien misschien zelfs een axioma kunnen noemen, maar praktisch gezien is dat onjuist.
  2. God is alle kracht. Dan is alles waarin kracht aanwezig is God, althans een uiting daarvan.
  3. God is verbonden in al het erkende. Maar als Hij zo in al het erkende verborgen is, dan moet er meer zijn dan dat. God is datgene wat verder gaat dan wat wij kennen. Misschien zou ik het zo kunnen formuleren,

Elk vleugje van bewustzijn betekent een confrontatie met een aspect van God. Dat is heel aardig, maar waarom speelt God dan verstoppertje met ons? Dat is ook een wonderlijk iets. Vroeger was God erbij. “God wandelde met de mensen”. Dat Hij dat tegenwoordig niet meer doet met dat verkeer, kan ik begrijpen. Maar toch; “Hij wandelde met de mensen”. Of dat nu met Adam en Eva was, of dat Hij rondging ergens in Hindoestan, dat maakt geen verschil uit. Vroeger was God voortdurend bezig om zijn vrienden te helpen en zijn vijanden te bestraffen. Nu merk je daar tegenwoordig, niets van. Of heel veel van degenen die men de vijanden Gods noemt zijn zijn werkelijke vrienden. Dat zou ook nog mogelijk zijn, maar het is dubieus. God is dus niet iets wat wij tegenwoordig kunnen vinden. Wij kunnen zelfs verklaren waarom men vroeger dacht dat God optrad. Vroeger sloeg de bliksem in en dan zeiden ze; Dat is God. Tegenwoordig zeggen ze; Het is een onweer, ontstaan door het op­ treden van een verhoogde vochtvorming en neerslagvorming in een hogedrukgebied waardoor grote elektrostatische ladingen tot stand zijn gekomen. Nu is “God” natuurlijk veel eenvoudiger gezegd. God rijdt niet door de hemelen. Hij gooit niet met bliksem. Hij rommelt niet met de donder. God zit niet in de vuurspuwende bergen, zoals bv. in Mount Pelée (Hawaï‑eil.). God zit niet in de natuurverschijnselen zoals de aardbevingen en de overstromingen. Die kunnen we zelf nog verklaren. Vroeger was het gemakkelijker. Toen zei men; Wij weten niet waar het vandaan komt, dus zou God het wel gedaan kunnen hebben. Zoals ze in sommige landen zeggen, als daar iets mis gaat; Dat hebben de communisten gedaan. Of; dat hebben de kapitalisten gedaan. God is een doekje voor het bloeden in dergelijke gevallen.

Wat openbaart God?

Als ik geloof in iets wet meer is dan ik en ik geloof dat het zich door mij openbaart (dat het dus een gevoelsmatige aanvaarding van een niet‑redelijke toestand inhoudt) dan is de kans zeer groot dat ik kom tot een boven de norm liggende prestatie welke voor een deel zelfs bovenredelijk is en mogelijk als paranormaal kan worden geclassificeerd. Nu kan de verklaring nog altijd bestaan, let wel. Maar op het ogenblik dat ik geloof (dat ik mij dus terugtrek uit de menselijke werkelijkheid), ontstaan er werkingen die ik volgens mijn huidig denken, mijn zien, mijn krachten, mijn inzichten niet kan verklaren. Er werkt iets ín of door mij ‑ of alternatief ‑ er wordt iets in mij gewekt. Als ik zeg: Dit is voor mij een verschijnsel van God, een openbaring van een God die verborgen zit, dan is dat ‑ geloof ik ‑ niet zo gek. Als ik n.l. van dit punt uitga, dan kan ik zeggen; God is en blijft het onbekende en Hij zal verborgen blijven in zijn wezen. Maar op het ogenblik, dat ik kom tot een aanvaarding van iets ‑ onverschillig hoe omschreven ‑ dat buiten mijn redelijke werkelijkheid leeft en vandaaruit handelt, dan blijkt dat indien ik dit niet zelfzuchtig doe, er in mij krachten en mogelijkheden ontstaan die verder gaan dan het gemiddeld menselijk kunnen; dat in mij kwaliteiten en eigenschappen wakker worden, die mogelijk in mij aanwezig zijn, maar die door mij tot op dat moment niet werden gebruikt. Er zijn dus in mij schakels met het onbekende. Hoe ik deze nu verder ook verklaar, bewezen is dat mijn verandering van de emotionele relatie met het geheel van de kosmos of met een bepaald deel daarvan een verandering betekent in de daar voor mij geldende wetten en mogelijkheden.

Als ik uitgaande van deze godsrelatie zeg; God openbaart zich eerst daar waar het redelijke wegvalt, dan zeg ik ook: Elke relatie tussen mens en God is gevoelsmatig en niet redelijk. Ik geloof dat er heel veel is dat daarvoor pleit. Wij zien namelijk dat er overal systemen ontstaan. Systemen, die heel erg redelijk in elkaar zitten, indien we de grondstellingen die op zichzelf onredelijk zijn tenminste niet verder bezien. Per slot van reke­ning, als wij nu kijken naar de Kerk van Rome en daar een heiligverklaring meemaken, dan lijkt dat op het eerste gezicht helemaal niet onrede­lijk. Als we maar aannemen dat de Paus de sleutelbewaarder van het Ko­ninkrijk der Hemelen is. U kunt het zich voorstellen; Hij zet een stel heren neer om te debatteren. Eindelijk hebben ze iemand uitgekozen. De Paus neemt het sleuteltje om even te kijken, of die ook in het Hemel­ rijk aanwezig is. Hij komt terug en zegt; “In orde, die persoon kan heilig verklaard worden”. Een beetje overdreven misschien, maar ik weet dat in dat systeem vele groepen erg hard bezig zijn om iemand uit hun provincie heilig verklaard te krijgen. want ja, heiligen leveren op. Als je een heilige hebt, vooral als je ook nog een heilig geraamte hebt, dan kun je daarheen bede­vaarten op touw gaan zetten. Bedevaarten leveren heel wat op, kijk maar naar Lourdes. Wie leeft er allemaal niet van; de gehele stad. Zelfs in Bethlehem worden ze er rijk van. Ook in Kevelaer weten ze ervan mee te praten. Dus heiligverklaringen en dergelijke dat is het stoffelijke, dat is het systeem. Maar achter het systeem schuilt toch weer God.

Als ik nu iemand hoor spreken over de tempelbouw, dan zeg ik; Jullie kunnen nu allemaal wel verklaren; wij zijn de stenen waarmee de tempel moet worden gebouwd. Laten wij aannemen dat ze gelijk hebben, dan is het nog: de tempel die zij bouwen moet iets aanduiden of bevatten. Waar blijft God? God is pas redelijk te aanvaarden, indien wij zeggen; Hij ligt niet in het systeem en niet in de formulering, maar in de emotionaliteit waarmee de mens komt tot de aanvaarding van het systeem, en dan doet het systeem zelf er verder niets toe. Het gaat erom wat de mens innerlijk voelt. Op het ogenblik dat zijn gevoel een aanvulling kan vormen van zijn rede en gelijktijdig de rede niet uitschakelt, dan zijn wij geloof ik gekomen dichtbij de verborgen godheid, want dan hebben wij een gevoel van verbondenheid dat wij op velerlei manieren kunnen manifesteren. Wij kunnen duidelijk maken dat er krachten zijn die boven het normale uit schijnen te gaan, en dat deze krachten door ons werkzaam zijn, ook al weten we nog niet waar zij vandaan komen. Dit doet mij denken aan oen heel oud verhaal van de jongen met de bromfiets.

Er was eens een jongen niet een bromfiets. Dat ding wilde niet aanslaan en de jongen sloeg toen liederlijke taal uit tegen de bromfiets. Er kwam een pastoor voorbij en die zei: Jongen, dat moet je zo niet doen. Je moet nu eens rustig even naast de fiets gaan staan en bid dan maar eens een wees‑gegroetje en probeer het dan nog eens.” Dat deed de jongen. Hij gaf toen één trap en dat ding schiet weg. Toen stond de pastoor liederlijke taal uit te slaan. Nu klinkt dat krankzinnig. Wij kunnen er waarschijnlijk ook nog een technische verklaring voor bedenken. Maar één ding blijft wel bestaan, de relatie met dat gebed, dat dus een verplaatsing is van de verstandelijke en misschien zelfs materiële en emotionele machteloosheid, die wordt omgezet in een gevoel van emotioneel-religieuze mogelijkheid. En daar zit nu juist God volgens mij.

De verborgen God is niet alleen de God, die ergens schuilgaat achter de openbaringen in bepaalde piramiden; die overigens in hun tijd evenzeer prestigeprojecten waren als Hoog Katherijnen in uw dagen. Als wij begrijpen dat – in een bepaalde instelling openbaringen ‑ mogelijk zijn, zoals in een van de piramiden, in bepaalde oude tempels, op bepaalde eenzame plaatsen, dan zeggen wij; Hoe komt dat? Waar komt die openbaring vandaan? Zit God daar soms in verborgen? Neen, God zit niet daarin verborgen. Wij hebben de sleutel tot de verborgenheid van God, de God die alle dingen omvat, dus ook de piramide en wat dat betreft, de bromfiets van die jongen en de debonnet van de pastoor waar ik het over had. Dat alles is deel van wat wij God noemen.  Er is een energie met een wonderlijk bewustzijn waarvan niet eens weten of het een eigen totaalbewustzijn is of dat het ‑ voor zover het ons betreft ‑ een bewustzijn is dat door de totaliteit van ons denken tot stand wordt gebracht. Wij weten het eenvoudig niet. Maar wij weten wel dat die kracht er is, want onder omstandigheden putten wij daaruit. En als wij dat toegeven “wij putten daaruit, dan zeggen wij; Overal waar ik kom in een toestand dat ik tracht te putten uit deze totale kracht, openbaart Zich God aan mij. Jezus is voor vele mensen de zichtbaar geworden God. Maar hij is gelijktijdig de begrensde God. Door zijn begrensdheid is hij niet God, hij kan er een facet van zijn. Maar zoals wij God vinden in Jezus, zouden wij Hem overal elders moeten kunnen vinden. Er is geen monopolie voor, want God is overal. Waar wij Hem niet vinden, daar is Hij toch aanwezig, maar dan is Hij voor ons verborgen. God is voor mij verborgen op het ogenblik, dat wij trachten Hem te begrijpen. Want ons begrip kan goddelijke of alomvattende waarden eenvoudig niet hanteren. En in onze pogingen om ze toch te hanteren, beperken wij ze en maken wij zo tot een replica van menselijk denken of menselijk ideaal; en dat zal God zeer zeker niet zijn.

Als wij zeggen God op een bepaald punt te vinden, dan kan dat voor ons emotioneel waar zijn. Voor een ander kan dezelfde God emotioneel op een ander punt evenzeer te vinden zijn. Want God is onze emotionele verbondenheid met datgene wat voor ons begrip niet te verwerken is.

Misschien heeft u zich wel eens afgevraagd hoe het komt, dat mensen die een bepaald geloof hebben zo ontzettend fanatiek zijn? Ik zal het u vertellen; Omdat zij voor hun wijze van denken en doen inderdaad: God hebben gevonden. En nu moogt u spreken over “Jesus people”, over “Zen”, over de “Heiligen der laatste dagen”, over “Jehova’s getui­gen” of over wat dan ook, al die mensen hebben ergens God gevonden. En zolang zij die God niet hanteren om zichzelf te rechtvaardigen, is hun geloof voor hen een werkzame factor waar inderdaad kracht uit voort­ komt, waardoor allerhande nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Maar op het ogenblik, dat zij dit doen, hebben ze de behoefte zich te laten gelden. Op het ogenblik dat de mens zegt; “Mijn God is de enige God”, verliest hij zijn God. Hij moet niet zeggen; “Mijn God is de enige God”. Hij moet zeggen; “Ik heb God gevonden en in dit geloof vind ik mijn beleving van God” Dan heeft hij gelijk. Maar die mensen denken: Neen, want als dat op een andere manier ook mo­gelijk is, dan hebben we een hoop moeite gedaan voor niets. Ik heb het roken, het drinken gelaten, ik sta met blaadjes te leuren, ik ga op huis­ bezoek en al die dingen meer, zou ik dat allemaal voor niets doen? Dat kan niet. Dan moet het zo waar zijn als ik het redelijk kan berede­neren. Hoe onredelijk hun redelijke redeneringen zijn, kunnen zij niet eens meer beseffen, want het is hun emotie die hen drijft. Het fanatisme komt niet voort uit de zekerheid van God, het komt voort uit de onzekerheid ten aanzien van jezelf.

Jezus kan men zeker geen fanaticus noemen. Hij heeft oog en oor voor iedereen. Hij maakt zich er niet druk over of iemand nu overspelig, is of niet. Als er wijn tekort is, dan maakt hij daar wat bij. Zelfs als hij wordt gekruisigd, dan maakt hij zich nog niet druk. Hij voelt, dit is onvermijdelijk, nu dan doe ik dat. Zijn apostelen zijn ook niet zo fanatiek. Ja, Paulus, maar die was ook geen apostel. Dat is hij later geworden. Zij hebben hem later apostel genoemd. Dat is net zoiets als een doctoraat honorair. Paulus was een geloofsverkondiger, inderdaad. Hij was fanatiek. Waarom? Omdat hij niet zeker was. Zo gaat het overal. God is verborgen. Indien wij dit verborgen zijn van God aanvaarden, dan zullen wij toch emotioneel een contact met Hem kunnen hebben. Dat contact is dan niet alleen maar het denkbeeld dat wij uitverkoren zijn, het is een werking die in ons ontstaat, het is een kracht die wij bezitten.

Het is niet voor niets dat Jezus tegen zijn jongeren zei; “Gaat er nu maar op uit. Laat zien wat jullie hebt geleerd: duivelen uitdrijven, zieken genezen in mijn naam en in de naam des Vaders. Doe het zelf ook eens een keer.” Daar gingen ze dan. Zij kwamen natuurlijk terug vanwege de concurrentie­ er waren anderen die het al door hadden. Die deden het alvast. De jon­geren dachten dat zij door Jezus’ volgelingen te zijn patentrecht hadden. Maar het was niet geregistreerd dus gold het niet. Dat zei Jezus dan ook. Maar als je gelooft, dan is die kracht er.

Als hier iemand nu zegt; Ik verkondig u de ware God. Dan zeg ik; Maak het dan maar duidelijk. Drijf dan maar een duivel uit. Genees een mens. Begrijp een stomme die bedroefd is en troost hem. Maak waar dat God in je is. Want God is een verbondenheid en door die verbondenheid een kracht. En dan is je formulering voor mij niet belangrijk. Maar als God in je leeft, dan openbaar je iets, dan heb je een kracht die je waar maakt. God is niet te kennen. God is en blijft verborgen omdat God te groot is voor de menselijke rede, omdat God te veelomvattend is om alles op te sommen, zelfs niet in een geslachtenlang werken aan het een of ander boekwerk. Hij is een kracht in een ieder. God is namelijk in ieder mens en in elk deel van de schepping verborgen. Waar de rede als het ware terzijde wordt gesteld voor de erkenning van die kracht – in welke vorm dan ook ‑ daar is die kracht aanwezig en maakt duidelijk dat er wetten en regels zijn die ver boven de menselijke rede uitgaan.

*************************************

*  Als u zegt: Ik vind God, houdt dat niet een stilstand in?

Het is een zoeken van God dat waardevol is, maar niet het vinden van God. U doet mij denken aan de kwartjesvinder die zei; “Ach ik heb er in ieder geval naar gezocht; dat is belangrijker dan het vinden.” Maar is dat wel waar? Het zoeken naar God is het zoeken naar een ze­kerheid. Maar als wijl innerlijk ‑ en dat is een gevoelsmatige kwestie ‑ die zekerheid hebben, dan is er geen stilstand, maar dan ontplooien wij die kracht vanuit onszelf. De meeste mensen blijven bezig met God te definiëren. Dat kunnen zij toch niet. Maar als wij God hebben gevonden, hoe persoonlijk ook, hoe beperkt dan ook en Hij leeft en werkt door ons, dan vinden wij pas de werkelijkheid van de wereld, van de schepping, van de sferen. En in die werkelijkheid kunnen wij groot worden, want dat is onze wereld. Wij kunnen echter nooit groot worden door ons zoeken naar God. Als je teveel naar God zoekt, dan verlies je de wereld uit het oog zonder dat je iets bereikt. Maar zonder God ben je alleen naar een mens en niet meer. Zoeken naar God is het zoeken naar jezelf, naar de essentie van datgene wat je instand houdt. Maar als je het hebt gevonden, is het toch niet belangrijk hoe. Het is belangrijk dat je het vindt. En dat is dan geen stilstand. In tegendeel; dat is overgaan naar de volgende klas en dan begin je je pas goed de beroerte te werken, geloof dat van mij.

*  De mensen, die God hebben gevonden, worden bijna zonder uitzondering gezapig.

Dan hebben ze God niet gevonden. Er zijn een hoop mensen die zeggen; “Ik heb God gevonden”, omdat ze een leertje hebben gevonden dat hun bestaantje rechtvaardigt en hun de mogelijkheid geeft rechter te spelen over anderen en gelijktijdig alle noden een beetje vergoedt niet het Hemelrijk dat komt. Die worden natuurlijk gezapig. De grootste zwendel die er ooit is begaan, luidt; Draag nu maar geduldig wat je wordt aangedaan op aarde want in de hemel zal het worden vergoed. Als er ooit een methode van oplichting is geweest, dan is het dit wel. En dat noemen de mensen ook geloof, maar is dat geloof? Is dat God? Wel neen. Dat is gewoon een systeem, van zelfverdwazing. Een poging om jezelf onkwetsbaar te maken voor een wereld, die je niet aan kunt door middel van een aantal illusies, die je na de dood toch niet kunt handhaven. Dus, laten wij even goed verstaan dat ik het hier niet heb over de vromen. U weet wat een vrome meestal is? Dat is iemand, die zijn geweten sust met zijn gebeden. Denk daar maar eens over na. Dan hebben wij ook nog de rechtvaardige. Weet u wat een rechtvaardige is? Een rechtvaardige is iemand, die het recht tot oordelen ont­leent aan het feit, dat hij volgens eigen inzichten rechtzinnig leeft naar hetgeen God volgens hen van anderen zou moeten vragen. Weet u wat een zondaar is? Dat is iemand die zegt; God heeft de wereld geschapen voor mij, laat me dan ook van alles gebruik maken.

*  Wanneer vindt u iemand een zondaar?

Ik vind niemand een zondaar. Volgens mij is degene die zegt “zonder zonde te zijn” de enige zondaar. Of hij is werkelijk zonder zonde en dat is zonde van de gemiste kansen Of hij is een zondaar, die zijn eigen zon­den niet erkent; en dat wil zeggen dat hij met een blok voor zijn hoofd loopt en bovendien anderen nog veroordeelt. Ik geloof niet in zondaren. De mensen, die het begrip “zonde” in de wereld hebben gebracht, hebben één stommiteit begaan, ze hebben een almachtige God geponeerd, een enige en almachtige God en hebben gezegd, dat ze door hun gedrag die God kunnen beledigen. Neem mij niet kwalijk, heeft u zich ooit door een vlo beledigd gevoeld? U heeft misschien gekrabd omdat het jeukte, maar beledigd….. Een mens tegenover God is nog veel minder dan een vlo, hoe kan een mens dan God beledigen!? Neen, degenen die dat hebben gezegd, hadden tot een of ander nodig. Misschien wel het recht om anderen te zeggen hoe ze zouden moeten leven. Het is wel opvallend, dat het met de zonde gaat als met eieren. Soms zijn dingen zonde totdat ze nuttig worden en dan zijn ze geen zonde meer. In tegendeel, dan is het zonde om die zonde van vroeger nu niet te begaan. Zo is het met eieren. Eieren zijn erg ongezonde teveel eiwit, 85 calorieën. Daarmee moet je voorzichtig zijn. Twee eieren per week was genoeg. Totdat de eierenuitvoer stagneerde. Nu is het; Eet maar elke dag een ei. En zo gaat het met de zonde ook. Laat je toch niet bedriegen, lieve mensen. Geloof me, als je iets verkeerds doet, werkelijk verkeerd, dan weet je het van binnen, want dan zondig je niet tegen God ‑ die kun je niet beledigen ‑ maar je bent ontrouw aan jezelf en dat kun je jezelf moeilijk vergeven. Dat is zonde! Alleen in die zin geloof ik aan zonde. Mensen, die hen begrip, hun in­nerlijke waarde, de emotionele verbondenheid met het hogere op een gege­ven moment te grabbel gooien door gemakzucht of door iets anders. Nu zijn er mensen, die het erover hebben dat bepaalde dingen zonde zijn. Nu is het gekke dat het oord waar de meeste zonden ‑ volgens de vromen ‑ worden begaan de slaapkamers zijn. Hoe komt dat? Wel, omdat ze niet aannemen dat God verstandig genoeg was om iets te scheppen dat voor velerlei doeleinden gebruikt kan worden. Voor mij bestaat er in ieder geval geen zonde behalve de zonde die je tegen jezelf begaat, omdat je handelt tegen je gevoel van juistheid, eerlijkheid en goedheid in.

*  De schuldbelijdenis die de Roomse zowel als de Protestantse eredienst een grote plaats inneemt, vanuit welk godsbeeld, is die eigenlijk ontstaan? Wat wil men eigenlijk daarmee bereiken?

Wat ze daarmee willen bereiken, is me ook niet helemaal duidelijk. Ik geloof, dat ze proberen door te doen alsof zij zondaren zijn God ervan te overtuigen dat ze het niet zijn. En dat is aannemen, dat God nog dom­mer is dan je zelf bent; wat mij een grote zonde tegenover God lijkt, als er al een dergelijke zonde bestaat. Maar wat is het beeld van deze mensen? Dat beeld is niet de God van Jezus, de liefdevolle Vader. Die God is in feite de Judaïse God, die nodig was om het zich vormende volk der Joden in bedwang te houden gedurende hun zwerftocht door de woestijn, totdat ze voldoende één waren geworden en sterk genoeg om eindelijk een gebied van handel in te pikken. Daarvoor was een toornige en hardvochtige en wraakzuchtige God nodig. Deze mensen, die in hun hart ook niet zo zachtzinnig waren (hun woorden vloeiden over van honing en daaronder zat het venijn) zeiden dan; God, we zijn arme zondaren, maar we weten het. Vergeef ons a.u.b. allemaal, dan kunnen we tenminste denken dat we een taak hebben in Uw naam om al die anderen eventjes duidelijk te maken hoe het hoort. Daar komen dan de krankzinnigste dingen uit voort. Als u zich realiseert dat een evangelische kerkenraad, bestaande uit ouderlingen die over het algemeen de vruchtbaarheid allang ontgroeid zijn, zich be­zig houdt met de vraag, of een vrouw nu wel of niet de pil kan nemen, en een andere oude man, omgeven door oude mannetje in een stad in het Zuiden zit te redeneren dat de wetenschap natuurlijk wel iets mag doen, zodat er geen kindertjes meer komen, maar zij moet het doen in overeenstemming met de natuur. Dat er teveel kindertjes zijn dat heeft zelfs de Paus opgemerkt. Kijk eens, dat is toch kolder! Dat zijn mensen met een godsbeeld, dat niets te maken heeft met God, maar dat te maken heeft net de macht, met de toorn, met de wraak. Een God, die als een ander aan je komt, zich zal wreken. En als Hij het niet meer doet door de bliksem te laten inslaan en de aarde te doen sidderen, dan zal Hij het in ieder geval doen door een paar grote duivels neer te zetten om de zieltjes uit el­kaar te rekken of in elkaar te knopen en ze dan lekker te roosteren boven het pekvuurtje of ze daarin te laten branden. Zo denken zij wel niet, maar ze weten verduveld goed dat wat zij doen eigenlijk spelen is niet een God waaruit zijzelf niets putten en waarin zij zelf niet meer geloven. Er zijn priesters die wonderen doen. Er zijn dominees die duivels uitdrijven en genezen. Maar als je hun vraagt wat hun God is, dan is dat wonderlijk genoeg, een God van liefde, niet één van haat. Voor hen is de schuldbelijdenis een ritueel, niet een noodzakelijkheid om te kunnen doordringen tot hun Schepper. Ik meen, dat dit alleen al een voldoende bewijs is. Zij, die werkelijk met de krachten Gods werken op aarde, geloven in een God van liefde. Zij, die dat niet kunnen, geloven in een God die macht geeft, die allen tot zondaren verklaart, desnoods met de eerste erfzonde en daardoor aan anderen het geweld geeft van de eeuwige zaligheid, zodat Hij in plaats van een God, die uit jou werkt en zich manifesteert, komt tot een God, die jou het recht geeft om als een vorst te tronen boven anderen en zo te verdoemen of zalig te verklaren naar je eigen wensen. Dit geloof heeft niets meer te maken met de verborgen God. Het heeft alleen maar te maken met de menselijke drang zich boven ande­ren te handhaven en te laten gelden. Dat is de God van de rijken, die probeert priesters te ontkennen, omdat ze bij de armen noden erkennen en zeggen; Eerst die noden opheffen en dan iets anders. Het is de God van de rechtvaardigen, die zich verre van alle problemen houden, want zij zijn werelds. Net alsof Jezus zich uit de problemen hield, omdat ze werelds waren. Zijn voorbeeld zeggen ze te volgen, maar zij zijn te beroerd om de wisselaars uit de tempel te ranselen. Ze zijn te laf om in het openbaar een overspelige vrouw te redden. Ze zijn eenvoudig te dom en te begrijpen wat Jezus bedoelde, toen hij het had over “gepleisterde graven”.

*  De verlossingsgedachte is daar nog een enkel woord over te zeggen?

De verlossingsgedachte is niet datgene wat voor ons wordt gedaan, maar de mogelijkheid die ons wordt getoond. “Ik ben de wet en de waarheid”, zegt Jezus. Hij zegt niet: Ik ben u de verlossing. De Boeddha zegt; “Ik toon u de pijlers en de weg tot bevrijding”, en zo kan ik doorgaan. De verlossing waarop een mens geduldig moet wachten, gelovend, totdat zijn verlosser komt om hem eventjes los te scheuren, is eenvoudig een uitvlucht voor de noodzaak om zelf iets te doen. Jezus heeft de mensen geleerd om iets te doen, om zijn medemens lief te hebben om de gevangenen te bevrijden, om hun voedsel en al wat zij hebben met anderen te delen, indien dat nodig is. Jezus was meer “commu­nair” dan alle jongelieden in de Communes van tegenwoordig. Jezus zei eenvoudig, dat liefde tot God en daarom liefde tot de mens voldoende was Hij zei, dat je zo moest leven zonder bezit en dat je dan het Koninkrijk zult vinden in jezelf. Degenen die denken dat je een verlossing kunt omzetten in het bevrijd worden doe het “bloed van het lam”, zijn degenen die voor hun lamzakkerigheid nog eigenaardige verrassingen te wachten staan. Want Jezus zou hun zeggen, als ze een beroep op hem zouden doen. “Ik ben je voorgegaan, als je mij had gevolgd, zou je niet daar terecht zijn gekomen waar je nu bent. Ga terug naar de wereld en probeer het nog een keer.”

*  In de christelijke literatuur vindt men boeken zoals “Waarom zwijgt God in ons leven?” Ontspruit deze vraag niet uit een verkeerd godsbeeld of ligt hier een werkelijke nood aan ten grondslag, omdat God blijft zwijgen? Ligt dat dan aan ons luisteren?

Ik vind dit een verstandige vraag. Het is over het algemeen zo; De mensen, die zich met God bezighouden, zijn zo voortdurend aan het praten tegen God dat zij Hem de kans niet geven te antwoorden. Verder heeft de mens het gevoel, dat hij het belangrijkste is van het heelal. Dat zegt hij natuurlijk niet en verstandelijk weet hij wel dat het niet zo is, maar je bent nu eenmaal wat dat betreft egocentrisch en, egomaan. Je betrekt alles op jezelf en je wilt alles vanuit jezelf beleven. En als het belangrijkste van de schepping zou de meester van de gehele schepping zich natuurlijk voortdurend met jou moeten bezighouden. Nu kom je erachter dat Hij dit schijnbaar niet doet. Dat kun je niet accepteren, want dan moet je aannemen dat je gewoon één van de vele factoren bent in die grote schepping. Dus zeggen wij: God houdt zich wel met ons bezig, maar wij merken het niet. God zorgt dat wij precies en die plaats komen waar wij horen. God heeft het klokje al opgewonden en als de wekker afloopt, gaan we dood. Dat geeft dan een gevoel van een vervulling, omdat je daarmee ontkomt aan het eenzaam zijn. Naarmate je dichter bij de waarheid komt als mens en ook als geest, voel je je meer verlaten, meer eenzaam. Je bent zo onbelangrijk. Je bent als liet ware gedegradeerd tot één klein stofdeeltje in een lichtstraal waarvan je de bron niet eens kent. Als je dat eenmaal kunt aanvaarden, dan kun je je door het licht laten stuwen. Maar de meesten kunnen dat niet en blijven dus betrekkelijk doelloos heen en weer zweven. En omdat ze niet weten waar ze naartoe gaan, niet weten wat zij willen, wat zij werkelijk willen doen, zeggen ze; Nu is het God die het doet. Waarmee zij een aansprakelijkheid voor wat zij zijn, doen en bereiken eigenlijk proberen te delegeren aan God. In een geloof is het natuurlijk erg belangrijk dat God zich voort­durend manifesteert. En als die manifestatie binnen dat geloof niet op de juiste wijze gebeurt, dan doen wij het anders. Dan doen wij dat met plechtigheden die wij wonderen noemen, zonder dat ze het vaak zijn. Dan doen wij dat met verklaringen waardoor alles wat normaal is plotse­ling een bovennatuurlijke betekenis krijgt. Daarbij vergeet men dat een mens, die God wil kennen door God gekend kan worden, maar dat die mens dan ook God moet kennen. Het is een wederkerigheid. God bemoeit zich niet met jou in het bijzonder, tenzij jij je in het bijzonder met God bemoeit. Dat klinkt misschien een beetje raar, maar als jij emotioneel een band voelt met God, dan ontstaat in jou een aantal mogelijkheden waardoor die God ook metterdaad voor jou kenbaar is in het leven. En aangezien de meeste mensen dat te lastig schijnen te vinden, schrijven ze boeken. Zij houden zich bezig met God middels de literatuur. Deze mensen doen mij denken aan iemand die een schriftelijke cursus dansen meeneemt naar het bal, terwijl hij nog nooit een pas heeft gemaakt. Dergelijke mensen gaan naar de hemel met een theorie en hopen dan meteen in een kosmisch koor te kunnen meezingen. Zij begrijpen niet dat zij eerst harmonie moeten hebben beseft voordat zij in een harmonie kunnen meeklinken.

*  Gelooft u in een toornige God? Ja of neen?

Neen. Moet ik nu ook nog zeggen waarom? Ik zal proberen dit duide­lijk te maken. Een God die toornig is, is een God die dingen moet erva­ren waarover Hij zich boos maakt. Hij zal zich niet boos maken over het­ geen Hij zelfs wil en dus moet er iets gebeuren wat Hij niet wil en wat Hij niet zelf doet en wat dan toch gebeurt. Maar als dat gebeurt, dan is Hij geen God. Een werkelijke God is niet toornig. God is

*  Kan een entiteit wier vorige incarnatie in een vreemdtalig land was, Nederlands spreken?

Waarom niet. Als je hebt geleerd piano te spelen, dan kun je op een harmonium ook best terecht. Anders gezegd: Als u spreekt, dan ge­bruikt u uw hersenen. In uw hersenen zitten alle klanken en woordcom­binaties opgesloten. Als die niet in de hersenen zitten, zult u heel veel moeite hebben ze eerst te leren. Een geest, die in een lichaam komt, treft daarin over het algemeen een redelijke scala van woorden aan, nette en minder nette. Hij sorteert ze dan enigszins om geen gek figuur te slaan en brengt ze naar voren waar­ voor hij begrippen naar de hersenen doorgeeft, die ze omzetten in woorden. De hersenen van een medium zijn dus aansprakelijk voor een groot gedeelte van de taal. Als je dat niet wilt, kun je ook een vreemde taal spreken die het medium niet beheerst. In de meeste gevallen moet je dan klank voor klank de woorden vormen, omdat ze niet aanwezig zijn en dat is natuurlijk erg lastig. Stel u nu voor dat ik Swahili zou gaan praten of Urdu (taal van Pakis­tan) geen mens zou mij verstaan. Bovendien zou ik er veel langer over doen en het zou betrekkelijk nutteloos zijn. Waarom zou ik het dan doen?

*  De belangrijkheid die de mens voelt. Ik meen, dat ook de mens die God heeft gevonden (bv. de mysticus) van die belangrijkheid getuigt, gezien de uitspraken van mystici zoals bv. “Waar zou Uw liefde zijn, als ik er niet was?” van Tagore; en zo zijn er meer.

Nu, dat is volkomen duidelijk. Zoals een Nederlandstalige dichter eens schreef; “Mijn God, indien ik sterf en niet meer leef en niet be­sef, Gij zijt met mij gestorven. Eerst zo ik mij verhef en weer erken de morgen, de dag, de nacht, de avond, zoudt Gij weer leven met mij.” Die man had groot gelijk. Voor mij bestaat alleen datgene wat ik ken. Als ik er niet meer ben, dan kan het wel bestaan, maar dan heb ik er niets meer aan. Laten we een eenvoudig voorbeeld geven. Als u naar huis gaat, kunt u bv. lijn 3 nemen. Maar als u eenmaal dood bent, dan heeft u daar niets aan. Dan is lijn 3 er wel, naar niet meer voor u. En dat is heel begrijpelijk. Een mysticus die dat zo zegt, beseft dat God voor hem een relatie is. Als je de ontvanger wegneemt, bestaat de relatie niet. Daaruit blijkt dat de mysticus een persoonlijk contact met God beleeft en dit contact God noemt, zonder misschien te willen weten dat het contact slechts een zeer onvolkomen uitdrukking is van een verbinding met iets wat niet te bevatten is.

*  U heeft het over de verborgen God. Maar wat is nu de onverborgen God?

De geopenbaarde God. De geopenbaarde God is een beroep op hogere krachten, gesteld in wetmatigheden en termen voortkomend uit een mens en door deze mens aan anderen opgelegd, zodat hij zelf in feite in de plaats van die God treedt (althans voor een groot gedeelte) terwijl hij gelijktijdig daar waar hij zelf faalt zich kan beroepen op de hogere autoriteit, die dit gewild heeft, anders had hij het niet gedaan.

*  Is het dan een God?

Dat is voor die mens een beeld dat hij God noemt. Laten wij één ding niet vergeten, er zijn een hele hoop dingen, die je God kunt noemen.

Ik heb in het begin o.m. aangehaald Mount Pelée, een vuurspuwende berg waarvan men zegt; punt 1 dat hij God is en punt 2; dat de vuurgodin, uit hem voortgekomen rond de berg dwaalt. Nu kunt u zeggen; Dat is volksgeloof. Best. Er zijn negers, die een God hebben die ze zelf hebben gemaakt uit hout. Maar voor hen is dat beeld God. Waaruit u ziet, dat God dus een zeer belast woord is. Elke z.g. geopenbaarde of kenbare God is in wezen een facet van het menselijk leven. Of het nu droomleven is of praktisch leven dat doet niet ter zake, dat is menselijk. Daarom spreken wij ook over de verborgen God. Dat is namelijk de werkelijke kracht, die achter al die ver­schijnsel en zit zonder noodzakelijk identiek te zijn met de voorstelling. die men zich maakt van de verschijnselen.

*  Als je aan het zoeken bent naar God en naast je verhongert je broeder, is het dan niet beter dat zoeken naar God te staken en je broeder te voeden en te laven?

Als u werkelijk zoekt naar God en u ziet dat uw broeder honger heeft, dan zult u moeten proberen uw broeder te helpen, opdat door hem God tot u zou kunnen spreken, terwijl Hij het tot u direct niet heeft gedaan. Maar daar zit veel meer aan vast. Laten we aannemen, dat wij geschapen zijn door God. Dan zijn wij niet stuk voor stuk geschapen. Wij zijn als één geheel geschapen, als de mensheid. Op het ogenblik dat ik faal tegenover de mens, faal ik tegenover mijzelf. Als ik faal tegenover mijzelf, zal ik de waarheid van de totale mensheid niet meer kunnen aanvaarden en daarom is het heel belangrijk dat ik niet faal tegenover mijn medemensen. Dat betekent niet, dat u uw medemensen moet geven wat zij van u verwachten. Maar het betekent wel, dat u aan uw medemensen al datgene moet geven wat volgens uw besef voor die medemensen noodzakelijk is, en dat u nimmer God moogt gebruiken als een middel om u te verwijderen van uw verplichting tegenover de naaste, tegenover het leven dat u kent en dat u beheerst. Als wij daarover eens nadenken. Maar ja, er zijn een hoop mensen, die het wegvallen van de minimumsnelheid belangrijker vinden dan het leven van de mens in de Sahelstreek.

Er zijn mensen, die liever hier “vrede op aarde” zingen met een kalkoen op hun bord dan dat zij een paar mensen met een beetje meer vrede in hun hart ergens in Pakistan of waar dan ook zien leven.

Mensen afbreken is gemakkelijk en aan de andere kant is het zo moeilijk het vele goede dat er in de mensheid zit op te sommen.

Een mens is veelal een dwaas, die in zijn dwaasheid dingen doet die wijzer zijn dan een wijze zou durven veronderstellen.

Een mens, die beseft hoe de wetten van de natuur werken in en rond hem, zal vaak door het aanvaarden van het bestaan van die wetten komen tot een begrip voor een groter geheel waarvan hij deel is en zo zijn eigen lot gemakkelijker kunnen aanvaarden en gelijktijdig zijn verplichting tegenover anderen beter volbrengen.

Een mens, die praktisch is, is meer waard dan een theoreticus.

Hij, die idealen preekt, bereikt alleen maar dat anderen dromen.

Hij, die een medemens helpt, helpt een ander om wat vreugdiger te leven. Dat is veel belangrijker. Er zijn zoveel mensen die dat doen.

Hij, die doet wat men zegt dat hij moet doen, is een dwaas, want hij wordt een slaaf van begrippen die hij niet eens kent of onderschrijft.

Hij, die leeft zoals hij is maar er wel zorg voor draagt anderen datzelfde recht toe te billijken is een wijze, want hij leeft zichzelf, laat anderen zichzelf leven en komt zo tot een samenwerking met sommige anderen die reëel is en die niet meer gebaseerd is op illusies en misverstanden. Het is niet zo gek gesteld met de mens als u wel denkt. Maar de mensen zijn vaak ook gekker dan u denkt.

CONCLUSIE

Ik ga nu een paar dingen zeggen, die volgens mij in dit verband zeer belangrijk zijn. Ik zeg ze op mijn manier, want ik probeer te zijn zoals ik ben.

God is verborgen, niet door zijn wil naar door mijn onvermogen.

De kracht, die door mij werkt, wordt niet veroorzaakt door riten of plechtigheden, maar door mijn aanvaarding dat die kracht bestaat en door mijn poging om ermee te werken.

Mijn bewustzijn wordt niet vergroot door het opnemen van de kennis van anderen, maar wel door het vinden van een eigen begrip waarin mogelijk de kennis van anderen mede een rol heeft gespeeld.

De schepping is een geheel. Maar als mens zul je dat moeilijk kunnen erkennen en aanvaarden. Daarom is het belangrijk dat je in de be­perking eerst naar harmonie streeft, al is het alleen maar met je bu­ren, om dan later die harmonie te vergroten. Het is altijd fout te zeg­gen; Wij moeten het helemaal doen, dat kunnen we nu nog niet dus doen we nog niets.

Wie die doordringt in het diepst van zijn wezen, ontmoet ergens een kracht die hij God noemt. Maar als hij goed kijkt wat God is, dan is het de ideale gestalte die als een droom in hem leeft. Die gestalte zal ergens werkelijk deel zijn van God en van een goddelijke werkelijkheid, maar dat wil nog niet zeggen dat het God is. Hij echter, die het ideaal in zichzelf erkent, weet welke weg hij moet gaan en dat is het belangrijkste.

Onthoud, dat elke mens een eigen weg heeft te gaan. Er staan wegwijzers genoeg van anderen die zeggen dat hun weg de enig juiste is. Maar wat wil je met een fiets op een ruiterpad? Je kunt veel beter proberen met je eigen middelen je weg te gaan waarbij je voortdurend het besef hebt; zo is het goed, zo leef ik gelukkig.

De mensen, die zeggen dat de aarde een tranendal is waar wij doorheen moeten baggeren om het eeuwige geluk elders te vinden, vergeten één ding. Degenen, die zo baggeren zijn zo gewend zichzelf te beklagen dat zij zich in een geluk niet gelukkig zouden voelen. Probeer daarom hier gelukkig te zijn. Probeer in dit geluk een delen met anderen tot stand te brengen, zodat je het gevoel hebt geluk uit te dragen en gelukkig te zijn. Zo heb je in jezelf het principe van harmonie dat in de sferen een snellere bewustwording en vooral een groter en intenser gelukkig‑zijn zal veroorzaken.

Op elk punt waarop mijn aandacht zich richt, ontmoet ik God.

Niet in zijn totaliteit, maar als een deel van zijn kracht, een deel van de werkelijkheid die ook mij beroert. In deze werkelijkheid erken ik God.

Niet door Hem te kennen, maar door kracht aan Hem te ontlenen, door kracht terug te schenken aan Hem en zo een eenheid tot stand te brengen die ik niet kan uitdrukken maar die ik besef.

Bidden vind ik voor de meeste mensen tijdverspillen. Om iets te citeren dat niet van mijzelf is, waarmee ik mij wil schuldig maken aan een zonde, die ik zo-even heb verworpen:

Vele mensen, die veel bidden, hebben nog meer eelt op hun hart dan op hun knieën. Waarbij men zich dient te realiseren, dat bidden niet bestaat uit het uitbraken van schone en deemoedige woorden aan de Onbekende, maar aan het werken met de kracht die je in jezelf erkent en – waar je voelt het zelf niet te kunnen volbrengen ‑ te vragen, of het mogelijk is dat je het toch volbrengt uit die kracht. De meeste mensen echter noemen dat geen bidden meer.

Ik vind het automatische gebed als autosuggestieve methode bijzonder goed. Of ik daarbij nu voortdurend het “Om mani padme hum” (juweel in de Lotus) zit te mompelen of “wees gegroet, Maria” enz. dat blijft precies hetzelfde.

Als ik hiermee door de voortdurende herhaling een toestand van gevoeligheid bereik, is het goed. Maar op het moment dat ik de formule stel als een doel op zichzelf ben ik een dwaas.

Neem nu bv. de goede God. Wat moet hij ermee beginnen als de hele wereld zich tot Hem wendt met onze Vader, enz. af te raffelen.

Maar als een mens zich realiseert: Kracht, ik weet niet waar je bent. Voor mij ben je in de hemelen. Je bent groot, je bent heilig, je bent volledig. Dat ben ik niet. Help mij daarom om vandaag te vinden wat ik nodig heb. Kijk, dan is dat gebed, wat waard. Dat geeft een besef. Het is een poging om je relatie te formuleren. En dan kan het gevoel daarachter zorgen dat die kracht naar buiten komt. Gelooft u nu werkelijk dat zo’n priester, die voor het altaar staat en begint met “Heer, ik ben niet waardig door mijn schuld, mijn grote schuld enz., dat hij het werkelijk gelooft? Er zijn zo van die bekende verhalen. De pastoor, die ruikt dat zijn meid de kip in de keuken (de pastorie ligt vlak naast de kerk) laat aanbranden. In plaats van Domi­ nus vobiscum zegt hij; Marie, keer de kip om. Zit daar niet ergens de werkelijkheid achter?

In de komedie vinden wij God niet. God vinden wij zonder komedie. En als wij God vinden, dan vinden wij niet de werkelijkheid van die God; die blijft verborgen. Wat wij vinden is de kracht waaruit wij leven, waardoor wij leven en waarmee wij iets kunnen doen in het leven. Een wijze raad, die een boer eens gaf aan zijn zoon, die wilde studeren. Hij zei; “Jongen het is goed om veel te weten. maar als je veel weet en je wilt melk hebben, en je kunt de koe niet melken dan kun je lekker op een droogje zitten.” Dat zou ik nu tegen de mensen willen God beleven, de verborgen God vinden, is geen kwestie van geleerdheid. Het is meer een kwestie van praktijk. Indien wij die ene green kennen waardoor wij die kracht tot ons kunnen brengen, dan zullen wij nooit droogje zitten. Maar als wij alle theorieën kennen omtrent God en de wereld en verder niets, dan kunnen wij verdorsten terwijl de goddelijke rond ons spoelt als een oceaan.

Toegang vinden tot dat verborgene wil niet zeggen God kennen. Maar uit het verborgene de krachten zien activeren die in jezelf bestaan, de kosmos bestaan en daardoor steeds meer waarmaken wat je diep in jezelf irrationeel voelt als een Goddelijke Werkelijkheid.