De verhoging van het waarnemingsvermogen

image_pdf

2 februari 1962

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij, sprekers van deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp van heden is: De verhoging van het waarnemingsvermogen.

Bij dit onderwerp zullen wij allereerst uitgaan van de materiële toestanden, dus de zintuiglijke waarneming. De mens wordt door zijn eigen denken, gesterkt door een zekere bevooroordeeldheid, sterk in zijn waarnemingen gedirigeerd. Dit wil zeggen, dat, binnen een visueel beeld, alleen zeer bepaalde, met het onderbewuste vaak zeer sterk verwante, waarden direct en scherp worden opgenomen, terwijl de verdere waarden van het beeld verwaarloosd worden.

Bij het luisteren zien wij een gelijksoortig verschijnsel. Men hoort alleen de argumenten, die voor het eigen ik aanvaardbaar zijn. Dit is in wezen jammerlijk, want hierdoor ontstaat natuurlijk een groot hiaat in het onderling begrip en het onderling contact.

Aan de andere zijde ontstaat hierdoor een reeks van valse premissen, waardoor men uitgaat van stellingen, die voor de andere later geheel onbegrijpelijk blijken te zijn. Ook wanneer het gaat om de tastzin – een der zintuigen, waarmee men toch wel meent, alles ongeveer gelijk waar te nemen – zijn soortgelijke verschillen kenbaar. Hierop hoop ik dadelijk nog even terug te komen. Het grootste gedeelte van de waarnemingen vindt plaats door middel van de zenuwen, die hun impressies doorgeven naar de hersenen. In de hersenen wordt over het algemeen de totale indruk wel geregistreerd, maar deze is niet geheel toegankelijk voor het waakbewustzijn. Wanneer u met het oog schouwt, fotografeert u a.h.w. Zolang als u ziet, neemt u een soort continue film op, die – onder gunstige omstandigheden – later vanuit de hersenen met ontstellend veel details gereproduceerd kan worden.

Dit wordt vooral duidelijk bij het doen herleven van ‘t verleden onder hypnose. Toch heeft men niet de mogelijkheid naar eigen believen zich alle beelden later weer te herinneren. Wat is hiervan de oorzaak? Allereerst bent u gewend om sterk gecentreerd waar te nemen. U kijkt naar een bepaalde figuur, een bepaalde mens, of – wanneer u leest – naar een bepaald woord.

Hierdoor bent u niet in staat het geheel zo duidelijk op te nemen, als gewenst is. De poging om het beeld, met een bevooroordeeldheid voor sommige waarden te ontleden, betekent verder, dat het geheugen al het verder waargenomene later veel moeizamer terug geeft.

Tenzij er dus een directe reden is om geconcentreerd waar te nemen – iets, wat in de omgeving van Scheveningen met zijn strandleven nog al eens voor schijnt te komen – meen ik, dat men verstandiger doet zich te gewennen alleen te zien, zonder daarbij op bepaalde punten of waarden in het bijzonder acht te geven.

Hoe minder men op bepaalde punten let, hoe groter het gezichtsveld zal zijn, hoe perfecter ook het beeld geregistreerd wordt. Men kan het zich dan ook later herinneren. Voor het lezen geldt ongeveer hetzelfde. Wanneer u tracht ‘n steeds groter aantal woorden en een steeds bredere regel te overzien, in één oogopslag te overzien, zal u blijken, dat u niet in staat zult zijn, woord na woord werkelijk te lezen, dus geheel te herhalen in de juiste samenhang. Indien men zich aanwennen kan het geheel te beschouwen zonder bepaalde woorden in bepaalde volgorde te willen lezen, blijkt, dat men op den duur een bladzijde met – stel – rond 300 woorden gemakkelijk en zonder meer in één enkele blik in zich opneemt. Dit is een behoorlijke kolom. Al worden niet alle woorden afzonderlijk beseft, zo zal de inhoud toch geheel duidelijk zijn. Naar ik meen, mogen wij er dan ook vanuit gaan, dat de doorsnee mens zijn zintuigen verkeerdelijk gebruikt en dat dit verkeerde gebruik hoofdzakelijk wordt gestimuleerd door de wijze, waarop de mens denkt. Het gaat hier dus om het bewuste associatieproces, dat het waarnemingsvermogen verminkt en een reconstructie van waargenomen beelden – of andere impulsen en impressies – moeizaam maakt.

Een tweede, in dit opzicht belangrijk punt, dat wij bij het beschouwen van de stoffelijke waarneming zeker niet over het hoofd mogen zien, is het vooroordeel. Ik kan u hier een aardig voorbeeld geven: Een dame van zeer goede familie heeft vele jaren dezelfde bediende in huis gehad. Toch was zij aan het einde van deze tijd niet in staat deze mens werkelijk te beschrijven. Zij zag aan zijn persoonlijke eigenschappen en details grotendeels voorbij. Natuurlijk bezat zij wel een algemene indruk van deze mens, maar toch had zij in al die jaren deze mens nooit bewust waargenomen. Haar beeld was de serviliteit, de dienstbaarheid van deze mens, uitgedrukt in een gestalte, die als symbool voor de figuur en het wezen van deze dienaar kon dienen.

Een soortgelijke misvatting zien wij in sommige huwelijken: Wanneer er onder u zijn, die reeds langere tijd gehuwd zijn, zou het voor u misschien aardig kunnen zijn om nu – en zonder even te kijken – vast te stellen: a. Zijn de ogen van uw partner in de echt van een bepaalde kleur?  b. Is diens gebit onregelmatig of regelmatig? Zo het onregelmatig is, welke is de onregelmatigheid? Bemerkt u, nu u deze proef neemt, dat u niet volledig waarneemt? Waarom? U ziet de gehele gestalte, de gehele mens en associeert deze mens met een in uw gedachten ontstaan beeld. Het is niet zo dwaas, wanneer men zegt, dat liefde blind maakt. Wat geschiedt er wanneer wij iets ambiëren of vrezen? Daarvan maken wij ons een gedachtebeeld. Wij zullen voortaan alleen die dingen bewust constateren, die binnen dit gedachtebeeld passen. Aan al het andere zien wij verder voorbij.

Voortaan leeft alleen het innerlijke beeld voor ons geheel. Het uiterlijke verschijnsel is ons voortaan eerder tot een symbool geworden. Dit overdragen van de uiterlijke waarden naar de innerlijke wereld, zodat de uiterlijke ervaringen slechts een schaduw van ‘t innerlijk beeld worden, vinden wij ook bij de tastzin. Juist hier komt dit op zeer eigenaardige wijze tot uiting. Heeft u wel eens gehoord van mensen, die geen nylon kunnen aanvatten? Meestal zijn dit mannelijke personen, omdat de dames zich in deze meestal goed weten te overwinnen, nu nylon de mode is. Zo zijn er ook mensen, die zijde, fluweel, pluche, niet aan kunnen vatten. U meent misschien, dat alleen het gevoel, de tastervaring, hierbij een rol speelt. Niets is minder waar. Deze mensen associëren de tastprikkel van deze stoffen met iets anders. Vaak zien wij dat mensen de weekheid van een bepaalde stof onbewust associëren met de weekheid van afval, van fecaliën of zoiets, ook al beseffen zij dit niet. Door de tastervaring ontstaat een beeld – onderbewust – dat een sterke vertekening van de werkelijkheid kan inhouden.

Al beseft de mens dit niet en meent hij alleen met het gevoel te maken te hebben, zo blijkt toch, dat hij de eigenschappen van het associatiebeeld aan de bron van de tastprikkel toekent, wat er toe voert, dat men bepaalde werkelijke eigenschappen van de door tast vastgestelde stoffen en toestanden eveneens niet juist zal erkennen. Het gehoor heeft juist in uw moderne maatschappij wel ‘n bijzondere eigenaardige functie gekregen: het is n.l. voor de mens een van de gemakkelijkste instrumenten tot zelfmisleiding geworden. Omdat er zoveel woorden worden gesproken en zoveel beelden worden gebruikt, is de mens er toe gekomen om:

A: Aan elk woord een eigen betekenis toe te kennen. Deze persoonlijke associatie, die dus ontstaat bij het opnemen van een bepaalde kleurenreeks, zal niet overeenstemmen met de associatie van anderen. Men realiseert zich dit in deze dagen niet gemakkelijk meer, omdat men het woord niet meer beziet i.v.m. zijn bron, doch slechts op zich beschouwt, het daarbij zonder meer beschouwend als uitdrukking van het toch wel zeer relatieve beeld, dat men zichzelf daarbij geschapen heeft.

B: Daarnaast is de stortvloed van geluiden, die de meer beschaafde wereld steeds sterker begint te overspoelen, de aanleiding geworden tot een verdedigingsmaatregel van de menselijke geest: De doorsnee mens hoort selectief. Voorbeeld: Ga naar een werf of fabriek. Rond u zijn ratelende boormachines, dreunende klink- of ponshamers. Rond u is een kakofonie van harde geluiden, waardoor u zichzelf niet eens meer kunt verstaan. Zie nu naar 2 arbeiders, die reeds een jaar in deze omgeving werken. Zij spreken tot elkaar op geheel natuurlijke toon en zelfs zonder werkelijke verheffing van stem; toch verstaan en begrijpen zij elkaar uitstekend. Zij hebben geleerd de voor hen hinderlijke geluidsachtergrond uit het bewustzijn uit te schakelen.

In dergelijke gevallen is deze verminking van het horen, de verminking van het door het bewustzijn ontvangen geluidsbeeld, wel nuttig. Maar wanneer ik nu voor mijzelf bepaalde dingen niet aangenaam vind, niet wil beseffen of horen, is het voor mij ook zeer eenvoudig al, wat in de niet gewenste richting ligt, niet op te merken. Zo ontstaat een vertekend beeld, waarbij mensen met dezelfde woorden spreken en menen door elkaar begrepen te worden, terwijl zij in feite steeds grotere misvattingen veroorzaken. De mens moet trachten terug te keren tot de misschien ook meer primitief, objectieve waarneming, die wij b.v. ook bij het dier aantreffen. Neem mij niet kwalijk, dat ik hier het dier de mens als voorbeeld stel.

In vele gevallen is de mens – dankzij zijn gedachten, zijn herinnerings- en associatievermogen – het dier ver vooruit, maar in sommige opzichten blijft de mens toch bij ‘t dier, juist in logische en juiste reactie, achter. De mens beheerst niet slechts zijn omgeving door zijn gedachten, maar laat helaas al te vaak gelijktijdig zichzelf door zijn gedachtebeelden beheersen. De mens associeert zelden de klanken, de bron daarvan en het gedachtebeeld tezamen. Het dier neemt niet zonder meer aan, dat: “Poes, poes, poes” een term van vertedering is. Afhankelijk van de bron kan zelfs hierin gevaar schuilen. Daarom reageert poes door eerst te zien naar de bron. Slechts indien de klank, het timbre van het geluid, geheel bekend is en dus de persoon gekend is, reageert zij zonder verder na te denken. Uw hond doet precies hetzelfde. Elke bijkomende waarneming, of deze nu reukzin, tastzin, ogen, of oren betreft, wordt mede beschouwd als bepalend voor de inhoud van het geluid. Daardoor ontstaat een objectievere waarneming, waarbij de bron steeds bepalend wordt geacht voor het geluid en aan de hand hiervan overwogen wordt, wat het geluid werkelijk zal betekenen.

Instinctief noemt men deze reacties, maar dan een instinctieve reactie, die grote voordelen inhoudt, want doordat bron en geluid, bron en geur enz., steeds gezamenlijk worden bezien, wordt de waarde van geluid, geur enz. inderdaad beseft. Daarom zal het dier in vele opzichten – ofschoon dit niets met redelijke processen te maken heeft – veel sneller en juister reageren dan de mens. In verband hiermee wil ik nog opmerken, dat het feit, dat een ezel zich maar eenmaal aan dezelfde steen zal stoten, natuurlijk ‘n sprookje is. Toch geloof ik, dat de mens dit sprookje heeft uitgevonden om, aan de hand van eigen fouten, te kunnen verklaren, dat hij in ieder geval geen ezel is. De doorsnee mens maakt dezelfde vergissing vele malen en schijnt, dankzij de in hem levende gedachtebeelden, niet in staat te zijn om, ondanks de gemaakte vergissingen en herhaalde pijnlijke ervaringen, uit zijn belevingen te leren.

Dit alles voert mij dan tot een eerste conclusie, vrienden, die ik op deze avond in uw bijzondere belangstelling zou willen aanbevelen. De waarneming van de mens is slechts indirect afhankelijk van zijn zintuigen, maar wordt steeds meer direct bepaald door zijn denken. Hoe sterker en eenzijdiger het denken is, hoe minder de waarneming met de werkelijkheid gemeen zal hebben. Hoe meer men ‘t denken leert beheersen en zich niet reeds beelden en conclusies vormt, maar eerst de impressies ondergaat, hoe juister de mens waar kan nemen en hoe vollediger en juister deze waarnemingen later gerecapituleerd kunnen worden.

Wanneer ik dit vanuit een zuiver stoffelijk standpunt stel, zo is het slechts een korte stap om over te gaan naar het terrein van het paranormale, het zintuigelijk niet zo gemakkelijk waarneembare. Naar ik meen, kennen wij allen de meer gewone verschijnselen van het occulte: de wichelroedeloper, de psychometrist – een heel mooi woord – mediums in verschillende klassen en met verschillende gaven, de sensitieven, de telepaten enz. Bij het beschouwen van deze fenomenen rijst onmiddellijk de vraag: Waarom functioneren dezen soms goed, soms niet goed? Waarom deze wisselvalligheid in hun prestaties? In de tweede plaats zal men zich afvragen, welke de reden is van de beperktheid van deze prestaties en de eenzijdigheid daarvan. Ten derde zal men zich afvragen: Waarom bezitten sommige mensen deze gaven wel en anderen niet ? Sommigen van u zullen geneigd zijn hieraan nog een vierde vraag toe te voegen: hoe komt het, dat sommige mensen juist na een ongeval helderziende worden? Ik zal trachten ook dit terrein en de beantwoording van voorstaande vragen zo redelijk mogelijk te benaderen. Laat mij voorop stellen, dat op het ogenblik, dat een mens eerlijk meent, dat hij iets niet kan, iets niet bezit, ergens niet past, hij – alleen door zijn hierop gebaseerde levenshouding en daden – deze punten voor zichzelf waar pleegt te maken. Zonder onmiddellijk te geloven aan de slaapwandelaar, die bij voorkeur een gedroomde kantoorwandeling uitvoert in de goot van het dak, mogen wij toch wel stellen: Mensen in sluimerige toestand, in toestanden van verlaagd bewustzijn, zijn in staat duizelingen te overwinnen, evenwicht te behouden, juist te reageren zonder enige traagheid, waar een volledig bewust en gespannen mens vaak faalt. In de toestand van verlaagd bewustzijn bestaan er minder aarzelingen, is er minder twijfel aan eigen kunnen enz.

Wanneer een mens volledig aanneemt, dat hij iets kan, kan hij dit ook gemakkelijker. Wanneer een mens uitgaat van de theoretische stellingen, die voor de meeste mensen, een groot deel van het leven beheersen, zal hij stuiten op een geloof in eigen onvermogen. Al te vaak stelt de mens zonder meer, zonder acht te slaan op verschijnselen en bewijzen, gedreven door theorieën, die hij nu eenmaal onomstotelijk als waar aanneemt: Dit is niet mogelijk. Eenvoudig gezegd: Wanneer ik stel, dat iets onmogelijk is, maak ik het mijzelf onmogelijk. Wanneer ik stel, dat mijn vermogen tot waarneming op paranormale wijze niet bestaat, of zo onontwikkeld zal zijn, dat voor mij geen waarnemingen van de paranormale fenomenen mogelijk is, zal ik mijzelf – alleen door dit denken reeds – beletten iets van paranormale geaardheid te beleven, of waar te nemen. Een psychisch blok, dat uit een innerlijke, maar niet op feiten gebaseerde, overtuiging voortkomt.

Het is deze geremdheid, die het een mens vaak onmogelijk maakt om, al was hij nog zo wel opgevoed en welgemanierd, zich bv. in een luxe hotel te bewegen. Deze mens was links, onhandig, serviel enz., alleen omdat hij meende, dat hij een andere soort mens was, dan de hier aanwezigen, dat dit zijn klasse niet was. Ik weet wel, dat dit in de huidige dagen minder voorkomt, terwijl zelfs vaak het tegenovergestelde kenbaar wordt. De ongemanierde meent ieder als gelijke of mindere te mogen beschouwen. Al is het voorbeeld dan in deze dagen niet onbeperkt geldig, zo zou ik toch de stelling in uw aandacht willen aanbevelen: De waarneming wordt beperkt door het denkbeeld, dat wij ons vormen. Wij hebben voor alles, wat wij doen, waar willen nemen en ondergaan, in het bijzonder voor alles, wat wij vanuit onszelf willen uiten, dan wel van buiten uit willen ontvangen, twee dingen nodig: Ten eerste de overtuiging, dat dit mogelijk is; ten tweede een zo onbevooroordeeld aanvaarden van alle verschijnselen als zonder meer bestaande.

Een derde punt van belang is nog, dat een zekere bekwaamheid of een zeker inzicht vooral op het gebied van het paranormale eveneens een grotere rol kunnen spelen. Zijn deze waarden niet aanwezig, dan zal de ontwikkeling van paranormale waarneming en belevingen dus in vele gevallen grotendeels afhankelijk zijn van de mogelijkheid inzicht en kundigheden te verwerven. Vergun mij u hier te wijzen op vele eigenaardige, uiteindelijk toch in de richting van paranormale werkingen wijzende, verschijnselen. Wanneer de man werkt en onregelmatig huiswaarts keert, zal vaak blijken, dat zijn echtgenote juist de aardappelen had opgezet, voor hij de straat in kwam. Zij heeft, zonder mogelijkheid tot een meer directe en zintuiglijke waarneming, klaarblijkelijk aangevoeld, dat hij komen zou.

Hoe vaak gebeurt het niet, dat men spreekt over iemand, die men kort nadien ontmoet, ook al heeft men deze misschien in geen 50 jaren gezien. Voor de veel jongeren verbeter ik; een 10 tal jaren. Nu blijkt hier, dat, zolang de mens hieraan geen paranormale uitleg geeft en zich hiermee niet in het bijzonder bezig houdt, een telepathische impuls wel zonder meer kan ontvangen. Wanneer men opzettelijk tracht hetzelfde te bereiken, zal in vele gevallen geen resultaat meer behaald worden. De mens, die daarover niet verder nadenkt, reageert ook buitenzintuiglijk op zijn medemensen. Wanneer wij dit mogelijk verklaren, moeten wij ons afvragen, hoe het eigenlijk komt, dat soms – na vele jaren – een overledene, die men ook bijna geheel vergeten had, opeens weer helder in de herinnering komt. Een overledene kan natuurlijk niet lichamelijk binnenkomen om de juistheid van de impuls aan te tonen.

Toch meen ik hier wel degelijk te mogen vragen, of er ook hier niet sprake kan zijn van een ontvangen van een gelijksoortige impuls, als in beide eerste gevallen omschreven. Vanuit eigen kennis en wereld ben ik geneigd een vraag als deze zonder meer bevestigend te beantwoorden: Er is inderdaad sprake van een contact met de overgegane, zij het op een niet zuiver stoffelijk niveau. Voor velen van u zal de vraag een vraag moeten blijven. Wanneer wij op deze impulsen ingaan en niet verwerpende, of – even schadelijk en belemmerend – deze impulsen wanhopig na gaan streven, zullen zij zich, als natuurlijk deel van het menselijk waarnemingsvermogen, blijven herhalen en zal de gevoeligheid zich verder ontwikkelen.

Na het voorgaande zal het u begrijpelijker zijn, dat ook de begaafdheden van een wichelroedeloper, een psychometrist, enz. grotendeels afhankelijk zullen zijn van hun eigen instelling, hun zelfvertrouwen. Op het ogenblik, dat men krampachtig begeert iets op dit terrein te volbrengen, is de mogelijkheid zeer groot, dat geheel verkeerde indices worden verkregen. De gevolgtrekkingen en aanwijzingen, die dan worden verkregen, zijn ten dele of zelfs geheel onjuist. Zelfvertrouwen gaat gepaard met een zekere mate van onverschilligheid.

De psychometrist, die met alle geweld juist nu en in dit geval volkomen zeker en goed wil werken en daaraan bijzondere aandacht schenkt, zal daardoor zichzelf een zware handicap opleggen. Er is immers dan sprake van een gespannenheid, die het absorberen van alle invloeden en impulsen zeer bemoeilijkt. Een ongeval kan in sommige omstandigheden – vooral bij hoofdwonden – in het lichaam of in de hersenen van een mens iets verstoren. Nu moet u niet denken, dat dit iets bijzonders is. Wanneer wij nagaan, wat beschadiging van de hersenen, die soms zelfs alleen eenvoudige hersenschuddingen lijken, voor eigenaardige gevolgen kunnen hebben – waarbij ik mij niet hier bezig houd met de veelal niet erkende kleinere verschijnselen, maar wijs op de meer opvallende gevolgen – ontdekken wij, dat o.m. een mens opnieuw kan gaan groeien, ofschoon dit op zijn leeftijd niet verwacht kan worden.

Dit is dan een gevolg van de verwonding.

Het geheel der interne secreties kan door een ongeval of schok geheel worden omgesteld, zodat een ander innerlijk evenwicht wordt bereikt, gepaard gaande met wijziging van lichamelijke omstandigheden en mogelijkheden. De kwaliteiten van een mens worden dan vaak geheel andere. Dit kan zelfs bekwaamheden betreffen. Ook zien wij, dat de schok van een ongeval soms bepaalde delen van de hersenen uitschakelt, dan wel meer actief doet worden, of zelfs inschakelt, waardoor aanmerkelijke verandering van karakter kan ontstaan. Afwijkingen van gewoonten door ongevallen komen eveneens voor. Wanneer het automatische denkproces verandert, kan dit eveneens ten gevolge hebben, dat tot op heden niet geachte of kenbare gevoeligheden zich sterk openbaren. Waar men hiervoor geen verklaring in het redelijke vlak gezocht wordt en geen maatregelen hiertegen worden genomen, is het mogelijk, dat een zelfs zeer grote paranormale begaafdheid ook op deze wijze in korte tijd ontstaat. Gezien de vele andere mogelijkheden kan ik u niet aanbevelen om, ter verkrijging van paranormale mogelijkheden, een ongeval te zoeken.

Ik heb getracht tot zover 2 verschillende mogelijkheden van waarneming in de mens zo redelijk mogelijk, zij het misschien door beperking hier en daar wat oppervlakkig, na te gaan. Daarmee heb ik de belofte, die in de titel van mijn lezing verscholen is, nog niet vervuld. Het wordt dan ook tijd, dat wij ons af gaan vragen: Hoe is het mogelijk aan de mens zijn waarnemingsvermogen te vergroten? Bij de beantwoording van deze vraag zal ik trachten – ofschoon mij dit soms moeilijk zal zijn – uit te blijven gaan van een zo menselijk en reëel mogelijk standpunt, zelfs wanneer de beantwoording van deze vraag het occulte en de paranormale gebieden betreft. Wel dient u mij toe te staan om als zekerheid te stellen – indien gewenst voor u allen voor de duur van mijn inleidend betoog – dat in de mens een geest leeft, die eigen waarnemingsvermogens bezit, een eigen gevoeligheid heeft, verschillend van de materiële gevoeligheid.

Verder stel ik als zeker, dat de geest verschillende lichamen of voertuigen zal hebben, die tot verschillende vlakken van leven en bewustzijn behoren, waaronder een van zeer fijne materie, enkele voertuigen, die wij eerder als velden van magnetische grootorden aan zouden kunnen spreken en verder niet nader te omschrijven mogelijkheden en voertuigen. Gesteld wordt door mij verder, dat deze geest de mogelijkheid heeft veel van haar waarnemingen en reacties met het meer menselijke denken uit te wisselen. Wanneer u vindt, dat deze uitleg wat gevaarlijk is, kunt u desnoods stellen, dat dit een als fenomeen, ‘n soms waarneembare, maar nog niet wetenschappelijk geheel verklaarbare, functie is van het menselijke onderbewustzijn.

Ik ga dus uit van de doorsnee mens en de daarin bestaande mogelijkheden en condities. Zo u een doorsnee mens bent, is uw belangstelling in wezen beperkt, zelfs indien u zelf in de mening verkeert, toch een zeer algemene en alomvattende belangstelling te hebben. Wanneer uw belangstelling bepalend is – zoals in het eigen leven aantoonbaar en zelfs noodzakelijk – voor eigen waarnemingen en reacties, zal het geheel van uw geestelijke, zowel als stoffelijke waarnemingsvermogens, mede omvattende uw vermogen tot recapitulatie van waargenomen invloeden en beelden, beperkt zijn. Onpersoonlijk zijn is voor de mens haast niet mogelijk.

Toch bezitten haast alle mensen een mogelijk punt van uitgang, dat universeel is en alles kan omvatten. Voor velen der mystici was dit punt hun beeld van God; door zich in dit alomvattende te verzinken, verwierven zij vele eigenaardige begaafdheden. Hierdoor konden zij optreden als profeten, genezingen verrichtten en wonderen doen, terwijl zij in sommige gevallen wisten te leviteren – zich zonder kenbare steun boven de bodem verheffen – en vele dergelijke ongebruikelijke verrichtingen beheersten. Ook wij kunnen misschien van God uitgaan, maar dan dienen wij zo volledig in de God te geloven en ons van Zijn wezen bewust te zijn, dat tijdelijk al het andere in het leven als onbelangrijk wordt uitgeschakeld.

Wat door ons in een dergelijke toestand wordt opgenomen, is dan, mits wij het niet blijven zien als Goddelijk – een belangrijk punt dit – volledig vanuit het herinneringsvermogen te herscheppen en te herbeleven. Er zijn voorbeelden bekend, waarbij niet slechts mensen, maar ook dieren een buitengewoon herinneringsvermogen en begrip of inzicht vertoonden. Deze mensen en ook dieren waren verder in vele gevallen in staat bepaalde paranormale verschijnselen te veroorzaken en paranormale waarden waar te nemen, die voor de doorsnee mens verborgen plegen te blijven. Opvallend en zelfs vreemd was hierbij, dat begaafdheden en waarnemingen of prestaties altijd geheel met elkaar in overeenstemming bleven.

Wanneer wij nu een bepaald punt hebben, dat onze volledige interesse heeft, zonder dat wij daaraan een door eigen denken gevormde beperking opleggen – een denkbeeld of begrip dat wij kunnen zien als in zich onbeperkt en voor ons tijdelijk of blijvende het middelpunt van ons Al – zal elke concentratie, of een innerlijke associatie met dit punt het mogelijk maken eigen waarnemingen – die niet onmiddellijk in een redelijk denken, of redelijk besef mogen worden omgezet – zodanig te registreren, dat zij zonder moeite na verloop van enige tijd kunnen worden weergegeven.

Al, wat met het punt van uitgang in harmonie of in overeenstemming is, zal zelfs blijvend binnen het Ik gereproduceerd kunnen worden. Er ontstaat dan binnen het ik een vastlegging, die wij ‘total recall’ mogen noemen, een volledige herinnering. Wanneer de geest hierbij betrokken is, zal zij, omdat ook aan de geest hierbij geen remmen worden opgelegd, het totaal van haar impressies en ervaringen in de mens kunnen vastleggen en weergeven. Voor de stoffelijke mens dient te worden opgemerkt, dat deze ervaringen van de geest slechts in beperkte mate redelijk kunnen worden beseft en uitgedrukt, omdat het leven van de geest en haar ervaringen nu eenmaal waarden zullen bevatten, die binnen de redelijke wereld van de mens niet – of althans niet zo – worden gekend. Wel mogen wij de conclusie trekken, dat ook de geest een zuiver en volledig beeld kan geven, waardoor – zeker t.o.v. stoffelijke mogelijkheden en omstandigheden – een juiste weergave te verkrijgen is. Werkelijke waarneming is iets, wat ofwel fragmentarisch en met zeer grote spanningen gepaard plaats zal vinden, dan wel zeer algemeen en neutraal, maar omvattend plaats zal vinden, wanneer geen bijzondere impuls tot bepaalde waarneming van het Ik is uitgegaan.

U zult zich wel eens afgevraagd hebben, waar alle landschappen, die men ziet bij bepaalde muziek of woorden, waar ook al die vreemde associaties vandaan kwamen. In een ogenblik van ontspanning hebt u dan – zonder het te beseffen – vaak oude herinneringen opgehaald, oude beelden, die u gezien hebt, opnieuw beleefd. Zelfs films en woordbeelden uit romans en boeken, kunnen onder deze condities door de mens worden gereconstrueerd met een volheid van details. U wist misschien niet, dat dit alles in u leefde en meent daarom, dat het totaal nieuw is. In feite herschept u onder deze omstandigheden in uzelf oude, in het Ik reeds bestaande, herinneringen. U zult zeggen: Met dit alles komen wij niet veel verder met onze eigen ontwikkelingen en vergroting van waarneming. Toch is dit alles noodzakelijk. Wanneer u in de maatschappij werkzaam bent en deze maatschappij grote eisen aan u stelt, als b.v. tijdens persoonlijke deelname aan het wegverkeer, dient u uit het bewustzijn alles uit te schakelen, wat niet met de ogenblikkelijke functie in verband staat. U dient dan ook geen oordeel uit te spreken over bestaande toestanden, of de handelingen van anderen, waar dit buiten u ligt. Neem alles waar en reageer erop volgens de beperkingen van uw eigen taak. Dit komt in het wegverkeer – als voorbeeld – niet alleen de eigen reactiesnelheid en gemoedsrust ten goede, maar maakt het u ook mogelijk elke situatie later, onbevooroordeeld en juist, in uzelf door middel van herinnering te kennen.

Voorbeeld: Mensen, die ongevallen waarnemen, zonder hieraan emotioneel deel te hebben, of een oordeel onmiddellijk uit te spreken dan wel te vormen, blijken voor de rechter later de beste getuigen, die de meeste details in de meest juiste verhoudingen naar voren zullen brengen. Indien u hierover meer wilt weten, moet u maar eens gaan informeren bij de verzekeringsmaatschappijen, die dit reeds lang hebben ervaren. Indien dergelijke maatschappijen zich een oordeel willen vormen, geven zij de voorkeur aan de meer onverschillige typen, die iets zien gebeuren, maar voor zich stellen: Ik kan er niets aan doen; ik zal alleen helpen, wanneer dit mij mogelijk is. Hun voorstelling van zaken is met de feiten meer in overeenstemming, dan die van mensen, die zich onmiddellijk als getuigen melden en emotioneel in het gebeurde opgaan.

Ook waar het een vaststelling van kleuren betreft – iets, wat vaak moeilijk is – blijkt bij de onverschillige beschouwer minder storing op te treden. De onverschillige waarnemer geeft dan ook, zelfs indien geen bijzondere kennis aanwezig is, kleuren, kleurschakeringen en vormen, veel juister weer, dan alle anderen. Hieruit volgt, dat wij – om eigen waarnemingsvermogen te vergroten en een juister beeld van het gebeuren te kunnen ontvangen – allereerst afstand zullen moeten doen van een te direct deel hebben daaraan. Alleen dan is, zelfs bij een concentratie op een bepaald punt, objectieve waarneming en zuivere reproductie uit de herinnering, in voldoende mate mogelijk.

Indien wij niet aan de maatschappij en haar eisen gebonden zijn, doordat wij ons b.v. in een landschap of museum bevinden, een plaats, waar onze aandacht niet noodzakelijk en opzettelijk geconcentreerd dient te worden op eigen verhouding tot de omgeving, is het systeem, dat volledige waarneming bevordert, wel het systeem van absorberen. Dit klinkt u misschien vreemd. Doch indien u naar een museum wilt gaan – Mauritshuis, Gemeentemuseum – en u wilt een schilderij bekijken, laat het dan eens op u inwerken en tracht niet het nauwkeurig te bezien. Tracht het eerder als sfeer te ondergaan. Tot uw verbazing zult u ontdekken, dat u na enige training precies kunt zeggen, hoeveel figuren op het doek stonden, hoe de bomen van een landschap gegroepeerd waren en zelfs hoeveel grote vertakkingen elk van die bomen had. Wanneer u een schilderstuk opzettelijk gaat beschouwen en de voorstellingen daarop dus bewust en kritisch gaat bezien, zult u slechts enkele details, die in het bijzonder uw aandacht trokken, later getrouw weer kunnen geven.

Misschien klinkt deze stelling velen vreemd in de oren. Geloof mij, wanneer ik stel, dat zij aan de hand van al, wat door ons op dit gebied werd waargenomen, geheel verantwoord is.

Wanneer men met de geest te maken krijgt en eigen impulsen aan de geest – of aan dit contact – op gaat leggen, zal altijd een vervalsing van waarden ontstaan. Dit is niet anders mogelijk. Elk emotioneel deelhebben aan al, wat men vanuit de geest verwacht, is voor het ik en de waarneming – zij het door de stof, zij het op meer geestelijk vlak – een vertekening.

Zelfs bij mediamieke uitingen kan een dergelijke vertekening optreden.

Voorbeelden: Wanneer men waarneemt en daarbij het verschijnen van een engel verwacht, zo mag de oude heer J. Pek zelf zich manifesteren in al zijn verschrikking, kenbaar voor de onbevooroordeelde waarnemer en zal men toch nog steeds een engel zien en anders niet. Een dwaas voorbeeld? Neen, wat men zien wil, ziet men. Ook in de geest. Wat men vanuit de geest met alle geweld wil horen, zal men vanuit die geest menen te horen, en anders niets.

Schijnbaar zinloze klanken kunnen soms in de mens processen losmaken, waardoor zijn eigen gedachterijkheid tijdens de reeks van zinloze klanken aanmerkelijk groter is dan ooit door een beredeneerde weergave van feiten mogelijk zal zijn.

Onthoud dus: Wij moeten niet ontleden, wat rond ons is. Wij moeten het eerst ondergaan. Na het geabsorbeerd te hebben, dienen wij te trachten het voor onszelf redelijk weer te geven. Daarbij dienen wij er zorg voor te dragen, dat wij de ontvangen impulsen niet herzien en reconstrueren volgens onze eigen wensen, of volgens onze eigen gedachtegangen. Vooral dienen wij bij een reconstructie het eigen ik niet te zeer centraal te stellen. De eerste reconstructie van het beleefde of ontvangene dient steeds te geschieden met een zo ver mogelijk uitschakelen van eigen gedachten en meningen, een geheel op de achtergrond stellen van het ik. Na deze reconstructie vastgelegd te hebben, althans geuit te hebben, kan de herschapen scene of mededeling later op meer persoonlijke wijze geïnterpreteerd worden. Want deze meer persoonlijke interpretatie is voor de mens noodzakelijk. Dit brengt consequenties met zich.

Wanneer u gaat psychometreren, terwijl u dit doet om de mens alleen iets goeds te zeggen, zodat u voor uzelf de verplichting hebt aanvaard om de mens niets te zeggen, dat kwaad is, maakt u de totale waarneming op juiste wijze onmogelijk. Wat overblijft is ’n reeks van impressies, die u van een voorwerp of persoon hebt afgelezen. Dus ook wanneer men ten goede wil werken, zal men voor elk contact, dat men aanvaardt, zichzelf geheel open moeten stellen, zelf geen oordeel vormend over hetgeen komen moet, of komen gaat. Lijkt het u eigenaardig, dat ik u hier onverschilligheid – zij het alleen op het ogenblik van waarneming – als bevorderlijk voor juister en meer uitgebreide waarnemingen aanbeveel?

Toch is dit het enige onmiddellijk hanteerbare middel, om eigen waarnemingsvermogen aanmerkelijk te verscherpen en uit te breiden. Men zegt wel, dat de beste stuurlui altijd aan wal staan, iets, wat vooral bij voetbalwedstrijden de laatste tijd sterk kenbaar wordt. Deze beste stuurlui staan op een afstand. Hun analyse zal niet geheel foutloos zijn, maar zij zullen vele situaties overzien en constateren, die voor de spelers op het veld zelf niet na te gaan of te ontdekken zijn. Om tot een perfect spel te komen zou men, als speler, eigenlijk gelijktijdig het spelbeeld vanaf de tribune waar moeten nemen en toch zelf spelen. In het normale leven kan dit niet. Wel is dit vaak mogelijk, wanneer het niet meer om de persoonlijke actie gaat, maar om de analyse, de waarneming als zodanig. Dan kunnen wij – ook al zijn wij zelf deel van het beeld – wel degelijk vanaf een afstand waarnemen. Later, wanneer de actie ten einde is, kunnen wij het geheel dan wel degelijk en met groot nut ontleden vanuit het onpersoonlijke en daardoor ook meer objectieve standpunt. Vergelijk: Spelanalyse aan de hand van filmbeeld na een wedstrijd door de spelers zelf. Met deze opmerkingen hoop ik verschillenden onder u enigszins in de goede richting geholpen te hebben.

Zoals ik opmerkte, is het niet alleen een zekere onverschilligheid, een zeker zelfvertrouwen ook, dat wij van node hebben. In feite is de waarneming niet geheel te ontleden, de mogelijkheden tot waarneming niet geheel uit te baten zonder enige kennis. Op stoffelijk terrein is deze kennis misschien wel te verkrijgen, terwijl ook de training vereenvoudigd kan worden. Er bestaan b.v. optische apparaten, waarmee men de mens kan trainen op een steeds hogere leessnelheid. Er bestaat een andere apparatuur, waarmee men niet alleen de gezichtshoek van de mens kan meten, maar waarmee men ook het feitelijk actieve blikveld met soms wel 20° kan uitbreiden. Door deze training, hoofdzakelijk gebaseerd op een steeds herhalen van hetzelfde met licht gewijzigde elementen, verkrijgt de mens routine en een betere kennis van een procedure.

Deze kennis, mijne vrienden, is veelal onontbeerlijk, wanneer u uw waarnemingsvermogen uit wilt gaan breiden. Wanneer u beter wilt gaan zien, meer wilt gaan zien, u meer daarvan wilt herinneren enz., is het niet voldoende, dat men onverschillig is en zelfvertrouwen heeft, hoeveel deze waarden op zich ook kunnen bijdragen tot het gewenste. Men dient zich gelijktijdig bewust te zijn van het proces, dat zich afspeelt. U moet zich a.h.w. iets realiseren van het proces, zien bv., dus de weerkaatsing van licht, die hierbij een grote rol speelt. Eerst wanneer dit alles begrepen wordt op praktische wijze – de theorie is dan minder belangrijk – zal het juiste zien optreden.

Nu is dit beeld misschien voor de mens wat minder aanvaardbaar. Toch wil ik er op wijzen, dat in de eerste maanden van het leven – voor het kind daarover kan praten in feite, zodat het zijn vervorming van het visuele niet door voor volwassenen redelijke impressies kan weergeven – leert het wel degelijk zien. Geloof mij, de jonggeborene heeft nog geen visueel waarnemingsvermogen, zoals u dit voor alle mensen normaal acht. Nog langere tijd ontbreekt b.v. het vermogen afstanden waar te nemen. Dit blijft vaak tot een leeftijd van 1.5 jaar. Ook dan zien wij bij veel kinderen nog steeds het grijpen naar het onbereikbare. Men interpreteert dit dan als willen hebben, maar in feite heeft de visuele impressie nog niet voldoende diepte. Het ontvangen beeld is voor het kinderlijke denken a.h.w. nog grotendeels 2 dimensionaal.

Ervaring en oefening is noodzakelijk, om afstanden juist te leren schatten, juist te leren grijpen enz.

Indien wij ditzelfde aannemen voor geestelijke waarnemingen, zo volgt hieruit, dat een zekere theoretische kennis voor de volwassene noodzakelijk wordt. Al is het alleen maar om te beseffen, waarmee wij in contact kunnen komen. Deze theoretische kennis dient grotendeels zich bezig te houden met procedure. Objectiviteit is hoogste noodzaak indien wij onszelf reeds gaan voorhouden, welke werelden wij zullen betreden, welke figuren wij zullen waarnemen en op welke wijze dit geschieden zal, zo zullen wij alleen daarmee in overeenstemming zijnde manifestaties kunnen waarnemen, daarbij alle andere indrukken uitsluitende. Verder zal men door een intens verlangen, juist een bepaalde wereld te leren kennen enz. voor zich misschien waarden projecteren, die niet feitelijk aanwezig zijn. Dan stelt men eigen gedachteprocessen in de plaats van de objectieve waarneming.

De juiste procedure kan ik u het beste verklaren door een vergelijking op basis van trillingen te maken. Ik ben mij ervan bewust, dat dit voor sommigen van u wat moeilijk zal klinken, doch wil mijn onderwerp niet besluiten zonder een poging te hebben gedaan u ook in dit opzicht enigermate voor te lichten.

Wij allen weten, dat kleuren worden veroorzaakt door de weerkaatsing van zeer bepaalde trillingen uit het licht, gepaard gaande met een gelijktijdige absorptie van andere trillingen daaruit. Wanneer wij ons voorstellen, dat iets dergelijks ver buiten het bereik van het menselijk gezichtsvermogen, maar toch binnen ‘t bereik van de menselijke gevoeligheid, voor kan komen, kunnen wij stellen: Zo er in de mens een bepaalde trilling aanwezig is – laat ons stellen geestelijk – waardoor deze mens kan reageren op de trillingen en absorptieverschijnselen, die in deze trillingsverhoudingen buiten het ik optreden, een kennen en aflezen daarvan mogelijk is. Wanneer ik deze vermogens niet gebruik en ze voortdurend terzijde stel, wanneer zij zonder mijn wil of bewustzijn reageren, zal het onmogelijk zijn ooit tot een z.g. paranormale waarneming te komen. Het zal dan ook nimmer mogelijk zijn het eigen denken en eigen bewustzijn zodanig uit te breiden, dat de stoffelijke wereld aangevuld wordt door een reeks van andere fenomena, die niet geheel stoffelijk waarneembaar zijn en toch stoffelijk soms kenbare gevolgen kunnen hebben. Deze gevolgen noemen wij dan, gezien het niet waarnemen van de onzienlijke oorzaak, toevalligheden, of natuurlijke verschijnselen. Want wie weigert het paranormale te aanvaarden als werkelijkheid, zal alle verschijnselen, die daarbij ook stoffelijk kenbaar zijn, weg verklaren.

Daarom wil ik u de raad geven om voortdurend – ook al handelt u daar voorlopig niet naar – rekening te houden met uw “feeling” en deze gevoelens te controleren. Doe nimmer waarnemingen door te stellen: Ik zie iets. Dit kan helderziendheid zijn, ik ga mij daarop concentreren…. Ga liever rustig verder met hetgeen, waaraan u bezig bent en realiseer u eerst, wanneer het verschijnsel voorbij is, wat u eigenlijk waargenomen hebt. Op deze wijze leert u ook andere, dan direct zintuiglijke kenbare, trillingen waar te nemen. Verder leert u deze waarden te verwerken. Op den duur, maar niet onmiddellijk, zullen hieruit redelijk aanvaardbare beelden voortkomen.

Begrijp wel, dat u in uw moderne wereld, juist ook door de grote eisen, die de samenleving aan u stelt en de grote hoeveelheden kennis, die u bewust of minder bewust ter beschikking hebt, u zichzelf eveneens – bewust/onbewust – verminkt hebt door een steeds grotere eenzijdigheid van denken. Dit is waar, ook al wenst u dit niet. Probeer, indien het mogelijk is, verder eenzijdigheid te voorkomen en, door open te staan voor alle nieuwe impulsen en mogelijkheden, de bestaande eenzijdigheid te verminderen.

Vergelijking: Wanneer u een politiek beeld wilt hebben, is het niet voldoende alleen te luisteren naar dhr. de Quay. Dan dient u ook te luisteren naar dhr. Oud en dhr. Burger. Luister steeds naar alle deelhebbenden, laat u niet door voorkeur voor een der mensen of partijen leiden en vorm u eerst na enige tijd het gehoorde op u in te laten werken, uiteindelijk door eigen denken ‘n mening. U zult ontdekken, dat de denkbeelden, die op deze wijze ontstaan, verschillen van hetgeen u normalerwijze over dezelfde problemen denkt.

Ondergaat men geestelijke en/of stoffelijke inwerkingen, terwijl men tracht zo allround mogelijk waar te nemen en in eigen meningen en opvattingen zo weinig mogelijk beperkt, of eenzijdig te zijn, zo zult u de beste resultaten kunnen bereiken. Uw waarnemingen zijn vollediger, zodat deze wijze van werken voor u steeds de beste zal zijn.

Als eindconclusie wil ik u, aan het einde van deze inleiding, de volgende punten voorleggen: Verhoging van eigen waarnemingsvermogen is hoofdzakelijk afhankelijk van de wijze, waarop men leert het eigen denken te beheersen. Ten tweede de neiging tot eenzijdigheid, die tevens beperking van waarnemingsvermogen en zelfs redelijke vermogens en denkvermogen inhoudt, kan alleen voorkomen worden, wanneer men stelt, dat niets onmogelijk is, dat alles voor ons mogelijk kan zijn, of worden, en alle voor ons noodzakelijke verwervingen en mogelijkheden voor ons inderdaad bereikbaar zijn. Ten derde heeft het geen zin de dingen te verklaren, wanneer wij niet in staat zijn er gebruik van te maken. Het is belangrijker te leren de in ons liggende mogelijkheden en waarden te leren gebruiken, dan deze te verklaren. Dit geldt vooral, wanneer deze mogelijkheden of eigenschappen voor ons geestelijk en lichamelijk welzijn gunstig werken. Laat ons uitgaan van het standpunt: Elke impuls, impressie, die mij helpt mij beter en juister te oriënteren in mijn eigen wereld, of t.o.v. de geestelijke wereld, waaraan ik geloof, is op zich waardevol. Stel: Ik zal deze impulsen en impressie onbevooroordeeld trachten te ondergaan en later trachten een totaal beeld te verwerven, dat de betekenis daarvan voor mijn persoon duidelijker maakt. Ten vierde: Verhoging van waarneming zal haast nimmer zonder oefening verkregen kunnen worden. Men dient inderdaad de verhouding van waarneming te begeren en zich de nodige moeite willen getroosten, evenals evt. de nodige vergissingen en mislukkingen, om tot een werkelijk goed resultaat te kunnen komen. In de meeste gevallen geldt, dat voor de natuurlijke eigenschappen van de mens gebruik en oefening de beste weg tot verdere ontwikkeling is. Een kennis van de grondwaarden, die door de oefeningen ontwikkeld moeten worden, komt over het algemeen de resultaten zeer ten goede.

Punt 5: Een ieder, die voor zich een beeld wil vormen van de werkelijke wereld, dient uit te gaan van het standpunt, dat geen mens in staat is de werkelijkheid geheel te omschrijven. Dit betekent, dat geen enkele menselijke these, maar ook geen enkele openbaring, zoals deze door mensen geïnterpreteerd en uitgelegd wordt, de werkelijkheid buiten ons, stoffelijk dan wel geestelijk, in haar volledige schakeringen kan weergeven. Wij moeten dus zelfstandig denken en streven. Daarbij dienen wij, wanneer waarnemingen ons mogelijk zijn, juist om onze eigenschappen beter te leren gebruiken en beter bewust te worden van de onveranderlijke maatstaven, die in de werkelijkheid bestaan, alle eenzijdigheid, alle beperking door geloof, denken en theorie, terzijde stellen. Eerst na de ervaring zullen wij zo nodig de resultaten van onze waarnemingen met ons geloof, onze wetenschappelijke kennis en andere bereikingen vergelijken.

Het fenomeen is niet altijd gebonden aan de oorzaak, die men daarvoor als verklaring stelt. Maar het fenomeen is altijd een bewijs van zijn eigen bestaan; als zodanig is het voor een ieder een bewijs van de waarden, die daarin voor elk schuilen. Dit bewijs aanvaardende zal men de oorzaak van het fenomeen sneller en eenvoudiger kunnen vinden en begrijpen, indien men niet krampachtig zoekt naar een verband tussen eigen stellingen en het verschijnsel. Het verschijnsel constaterende zonder vooroordeel en het ondergaande, zal men later al, wat daarin voor het ik belangrijk en begrijpelijk is, desondanks kunnen verwerken.

Vragen.

  • Hoe weet ik, dat mijn waarnemingen objectieve waarde hebben. Hoe kan bij uitbreiding van bewustzijn de mens een overtuiging van de objectieve waarde van de waarnemingen verkrijgen?

Het is voor de mens in de praktijk zeer moeilijk tot een totaal objectieve waarneming te komen; toch blijkt ons vaak, dat een zekere objectiviteit, zelfs bij fouten in waarneming, gewonnen kan worden aan de hand van de daarmee gepaard gaande ervaring.

Voorbeeld: de dronken man, die 2 lantarenpalen dicht bij elkaar zag staan en, daartussen doorgaande, de objectieve werkelijkheid herontdekte. M.a.w.; men zal naar de objectiviteit toe moeten groeien. Vanuit een geestelijk standpunt is geen andere weg aanvaardbaar. Bewustwording is een groeien naar de objectieve erkenning van zowel de Schepping als het doel ervan. Wanneer wij beginnen met onze waarnemingen, onverschillig of deze materieel zijn, dan wel op ander vlak liggen, zo zullen wij rekening moeten houden met het feit, dat onze ervaringen – mits reëel en dus objectief genoeg waargenomen – steeds door de feiten zullen worden ondersteund. Waar dit niet het geval is, kan er slechts sprake zijn van een mogelijkheid tot objectieve waarneming, maar nimmer van een zekerheid. Daarom wil ik u aanraden, voor zover u uit wilt gaan van een meer paranormale werkzaamheid, voortdurend aan de praktijk te toetsen, wat u bereikt en wat u leert.

Voorbeeld: Wanneer u 10 keer helderziend waarneemt en 10 keer uw beschrijving blijkt te kloppen, is er geen reden aan te nemen, dat de visualisatie juist is. Wilt u van de objectiviteit van de waarnemingen overtuigd zijn, zo zult u nog na moeten gaan, of u – en zo ja, waar en wanneer – een afbeelding van de beschrevene, of een beschrijving daarvan, hebt leren kennen. Ga verder na, of u ‘n ander misschien getroffen hebt op een ogenblik, dat diens gedachten zich intens met de beschreven persoon bezig hield. In dat geval zou immers een verklaring langs telepathische weg mogelijk zijn, of zelfs een reeks van associaties, die aanleiding kan geven tot een zelf voor zich projecteren van een aanvaardbaar passende figuur.

Blijkt, dat bij tenminste 6 van de 10 gevallen van de voorgaande invloeden geen sprake was, zo kunt u stellen, dat alle waarnemingen vanuit uw standpunt voldoende objectief zijn om zo als werkelijk te beschouwen. De subjectieve invloeden, die ongetwijfeld optreden, zullen u, indien u na – en niet voor of tijdens – de waarneming deze controle uitoefent, u door kleinere tegenslagen en mislukkingen verder duidelijk kunnen worden. Zo leert u de grenzen van uw eigen vermogens en eigen objectiviteit voldoende beseffen, om deze vermogens geheel te leren beheersen.

Het is n.l. betreurenswaardig, dat, vooral wanneer het gaat over het paranormale, de mens, die op dit terrein nu eenmaal zeer sterk met zijn emotie gebonden is, zich bewust of onbewust pleegt af te wenden van elke controle, die de waarde van hetgeen hij ervaart – of meent te ervaren – aan zou kunnen tasten. Daarbij hult men zich in een zodanige objectieve beschouwing, dat zelfs de objectief waargenomen feiten en verschijnselen daarin teloor kunnen gaan. Aan de hand van de ervaringen, die men opdoet, zal men – zoals blijkt – de objectieve waarde van zijn waarnemingen tot op zeer aanvaardbare hoogten kunnen vaststellen. Zo dit niet altijd voor de mens even aangenaam moge zijn, zo wil ik er u toch op wijzen, dat wij, zo door onze ervaringen lerende en beheerst onze gaven en mogelijkheden gebruikende, ons wezen kunnen verheffen boven het peil, dat voor het mensdom op het ogenblik bestaat en in zeer vele gevallen – juist door gebrek aan contact met de werkelijkheid – gevaarlijk dreigt te worden. Hier doel ik op een peil van onbewust thalamische reacties, een onbewust en instinctief reageren op de buitenwereld zonder enig besef voor de daarin werkelijk bestaande waarden en mogelijkheden.

Alleen hetgeen u bij het winnen van een dergelijke objectiviteit, ondanks de daarmee gepaard gaande misschien pijnlijke ontdekkingen en ervaringen, geschonken wordt, zal u tenminste evenveel persoonlijke misslagen, aansprakelijkheden en teleurstellingen doen vermijden door het uitschakelen van een te grote subjectiviteit van handelen en denken.

  • Hoe komt het, dat beelden met gesloten ogen worden waargenomen, die verdwijnen, zodra de ogen geopend worden? Wat is de bedoeling van het herhaald tonen van een beeld, dat a.h.w. teruggetrokken en dan opnieuw weer getoond wordt?

Hiervoor kan ik vele verklaringen geven. Wanneer ik slechts enkele hiervan noem, zult u begrijpen, dat ik alleen de meest voorkomende en daarom meest waarschijnlijke verklaringen geef. Wanneer wij een sterk gedachtebeeld in ons dragen, al dan niet voortkomende uit herinneringen en fantasie, dan wel voortkomende uit telepathische tendensen of beïnvloedingen, zo zal dit beeld geëlimineerd worden op het ogenblik, dat sterkere impulsen van de optische zenuw het betreffend centrum in de hersenen bereiken. Het wegvallen van sterkere stimulansen zal omgekeerd een visueel beeld kunnen vormen aan de hand van de op zich zwakkere impulsen voornoemd.

Een tweede verklaring kan zijn, dat men alleen met gesloten ogen tot een voldoende concentratie komt en dus alleen een zekere daling van de bewustzijnsdrempel, van een of meerdere delen van bewustzijn en waarnemingsvermogen, bereiken kan, zodat alleen dan bedoelde impulsen voldoende duidelijk bewust kunnen worden opgevangen. Want ook bij het beheerst werken met bepaalde krachten en het bewust gebruiken van bepaalde gaven, blijkt steeds weer, dat eigen bewustzijnstoestand en instelling een zeer sterke invloed uit zullen oefenen op de te verkrijgen resultaten. Wat het wegebben en terugvloeien van een dergelijk beeld betreft, meen ik te mogen stellen, dat een dergelijk beeld nimmer in zijn volledige consequenties begrepen kan zijn. Onbegrip is de sterkste oorzaak, zodra het zich om meer abstracte waarden handelt, terwijl een zekere onvervuldheid wordt kenbaar gemaakt, wanneer ‘t beeld zich met de meer stoffelijke waarden bezig houdt. In beide gevallen is het ‘n innerlijk gevoel van niet geheel met het beeld geassocieerd zijn, waardoor het wegebben ontstaat.

Wij behoeven ook in dit geval dus niet noodzakelijkerwijze een beïnvloeding door de geest te veronderstellen. Het is zeer wel mogelijk, dat ook het eigen ik een dergelijk verschijnsel doet ontstaan. Ook indien de geest bewust zoiets zou veroorzaken – het is mij niet bekend, dat dit t.a.v. het wegebben en opkomen veelvuldig gebeurt – moeten wij nog aannemen, dat ook in dit geval op een niet vervuld zijn van bepaalde waarden, of een niet begrijpen gewezen wordt, zodat het noodzakelijk is het beeld vollediger op u in te laten werken. Wij kunnen dit het beste doen door niet over ‘t beeld na te denken, maar het in ons op te nemen, te laten bezinken en eerst later zo goed mogelijk te analyseren. In dit geval dienen wij tevens na te gaan, in hoeverre dit beeld voor ons stoffelijk of geestelijk evt. bepaalde consequenties in kan houden. Hieraan wil ik de waarschuwing toevoegen, dat, waar elke mens voor eigen leven, krachtens zijn beperkte vrije wil, aansprakelijk moet worden geacht, zelfs indien men overtuigd is, dat deze beelden vanuit de geest worden gezonden, men nog dient na te gaan, of de uit de impuls en de daarmee gepaard gaande beelden, voortvloeiende gevolgen voor het ik en t.o. de wereld aanvaardbaar geacht kunnen worden.

  • Kunt u ons een wenk geven, hoe eigen waarnemingsvermogen i.v.m. gene zijde te verhogen?

Dit kan ik inderdaad doen. U dient wel te beseffen, dat de wenken, die ik u geef, wenken zijn, die op het totaal van de menselijke psyche gebaseerd zijn, maar geen wetenschappelijke, of erkend occulte ondergrond hebben. Meer een huismiddeltje dus.

Wanneer u uw contact met de geest wilt vergroten, dient u uit te gaan van:

  1. Een zo groot mogelijke rust en ontspanning ter bevordering van concentratie, of contact met de geest. Verder kan dit bevorderd worden door het aanhoren van een zachte melodie, of het zich visueel concentreren op een enkel voorwerp, terwijl de waarneming van alle andere voorwerpen bemoeilijkt wordt.
  2. Tracht nimmer zelf een contact op te nemen, doch houdt u alleen bereid het contact te ondergaan. Op deze wijze zal – indien de geest contact met u wenst op te nemen en dit, gezien uw ontwikkeling en verdere omstandigheden, mogelijk is – elke uiting van de geest voor u sterk merkbaar worden. Naarmate u zelf verder gevorderd bent in het waarnemen van geestelijke waarden, zal – als gevolg hiervan – dan een zeker gevoel, een sfeer, ontstaan, dan wel een zekere impressie en gedachtegang vanuit uzelf, dan wel een erkend ontvangen van een mededeling, een aanschouwen enz. van waarden, die niet uit de stof stammen.
  1. Ontspannen zijn betekent: zonder angsten of begeerten zijn. Zonder honger, maar ook zonder oververzadiging. Dit is belangrijk. Al, wat fel? is, is voor grotere ontvankelijkheidnadelig. Voor veel mensen zullen verder bepaalde kleuren in omgeving en belichting, als b.v. donkergroen of blauw, gunstig werken. Voor velen, maar lang niet voor iedereen, zal ook het branden van reukwerken, vooral z.g. reinigende reukwerken, verder gunstige omstandigheden scheppen.
  • En het bereiken van contact met en bewustzijn van eigen geest?

In deze vraag treedt het esoterische element van de zelfkennis op de voorgrond.

Wanneer wij onszelf willen leren kennen, zullen wij uit moeten gaan van het standpunt, dat het onmogelijk is het totaal van eigen wezen verstandelijk-redelijk te omschrijven en te ondergaan. Daarnaast kunnen wij stellen, dat vanuit onszelf, door vaak onverwacht voorkomende gedachten en invallende gedachten, een soort patroon wordt gevormd, waarin eigen geest, eigen ik, zich sterk kan manifesteren. Wanneer u zich in het bijzonder op zelfkennis richt, raad ik u dan ook aan: meditatie in afzondering, gevolgd door een periode, waarin men geheel ontspannen de gedachten laat dwalen en de opkomende gedachten, desnoods met een enkel steekwoord, vastlegt. Wanneer u later deze invallen nagaat, zal blijken, dat u niet alleen bepaalde hangende problemen voor uzelf hebt opgelost, maar dat in het geheel een bepaalde tendens heerst. Deze tendens beheerst, ook buiten het bewuste denken, eigen leven en omstandigheden.

U leert hieruit enigszins, hoe het met ‘t deel van uw wezen, dat niet redelijk bereikbaar is, gesteld zal zijn. Een volgende keer dient u zich op de eenmaal erkende tendensen en de invallen beheersende hoofdthema’s in te stellen, waarna dezelfde procedure wordt herhaald.

Op den duur komt er een ogenblik, dat er geen sprake meer is van invallen. Het inspiratief moment valt weg. Daarvoor in de plaats treedt een direct ondergaan van invloeden op, die ik u moeilijk kan omschrijven. Zij kunnen het beste gedefinieerd worden als een ondergaan van de ogenblikkelijke ontwikkelingstoestand van het totale Ik binnen een bepaalde kosmische straal of tendens. Verder kan ik u binnen dit beperkt bestek geen toelichting geven. Voor degenen die dit ernstig proberen, zal het een steun kunnen zijn in hun streven naar zelfkennis.

  • Waarom wordt men, wanneer men gaarne stil wil zijn, zo vaak verward door alle mogelijke gedachten?

Op het ogenblik, dat u vroeg naar bed wilt gaan, krijgt u visite. Op het ogenblik, dat u haast heeft, loopt alles tegen. Op het ogenblik, dat u in uzelf een dringende wens naar rust bouwt, trekt u alle verstorende invloeden tot u. Een ontspannen zijn is heel iets anders, dan een bewust stil willen zijn. Ontspanning leren kennen en beheersen is een eerste stap op de weg naar bereiking. De meditatie, zoals deze in oosterse landen gebruikt wordt, is hiervan een aardig voorbeeld, maar kan door de doorsnee westerling niet zo gemakkelijk gevolgd worden.

Dus: ontspan u. Stel niet, dat u rustig en stil wilt zijn. Stel alleen, dat er op dit ogenblik niets werkelijk dringend is en laat uzelf tot een half-sluimer wegebben. U zult ontdekken, dat u, bij het juist opvolgen van deze raad, de begeerde stilte vaak zult bereiken en juist dan van chaotische gedachten en op u instormende problemen geen last zult hebben.

  • Meent u niet, dat het opvangen van stemmen, waarnemen van familieleden e.d. bedrieglijk en zelfs gevaarlijk is?

Dit meen ik inderdaad niet. Ik ben het met u eens, dat het bewust daarop aansturen en het baseren van eigen denken en leven hierop vol gevaren is, kan voeren tot zelfmisleiding en het misleiden van anderen, waardoor vele ongewenste toestanden kunnen worden veroorzaakt. Dit geldt alleen, wanneer wijzelf hier bewust naar streven, het ziende als een zeer belangrijk deel van ons leven, zo een illusie scheppende, die, tegemoet komende aan een bestaande behoefte, om zich aan de wereld te onttrekken of zich daarboven te verheffen, de waan voedsel geeft. Wanneer men deze invloeden leert aanvaarden als een normaal verschijnsel en niet een in het bijzonder begeerd of gezocht deel van het bestaan, zijn zij niet schadelijk, maar kunnen zelfs in vele gevallen helpen, het eigen ik in de materie en de geest beter te oriënteren, juister te handelen en bewuster te streven.

Ik meen, dat deze invloed niet mag worden onderschat. Nogmaals constateer ik met nadruk, dat de gevaarlijke en betreurenswaardige stroming, in het spiritisme en zich met het paranormale bezighoudende groepen, niet is gelegen in de mogelijkheden en bereikingen of optredende fenomenen, maar in de onbeheerste wijze, waarop men deze ondergaat, zichzelf daaraan zonder meer slaafs onderdanig makende. Indien men drinkt, zal een enkel glas vreugde en ontspanning kunnen brengen. Wie vele glazen ledigt, vindt roes en verliest het bewustzijn.

  • U sprak van herinnering, doch niet van geheugen. Is hiertussen een verschil, of is het gelijk?

In de zin, waarin het begrip herinnering gebruikt werd, werd ten dele het begrip geheugen hierdoor gedekt. Toch is er een verschil, indien men beide woorden naast elkaar gebruikt. Herinnering is het in ons levend verleden, het geheugen het vermogen om feiten stoffelijk vast te leggen. Men kan stellen, dat, ofschoon het leven van de geest en haar bewustwording voor een groot deel mede op herinnering gebouwd worden, zij geen geheugen in menselijke zin bezit, want er is geen mechanische registratie van feiten en verleden. Geheugen is in feite een woord, dat de geheugencentra van de hersenen aanduidt, de grote eiwitcellen, waarin impressies en invloeden worden geregistreerd, van waaruit zij later door associatie, in de bewuste denkprocessen wederom geïnjecteerd kunnen worden.

  • Op welke wijze kan men zijn denken leren beheersen?

Het denken beheersen wil nimmer zeggen, dat men de niet gewenste elementen daaruit kan elimineren. Dit is een onmogelijke taak. Indien wij trachten de door ons niet gewenste elementen uit het denken te verdrijven, zullen andere even ongewenste elementen optreden en met grote sterkte op de voorgrond treden. Het beheersen van de gedachte is dan ook gebaseerd op het herleiden van alle impulsen – zover mogelijk – tot de ene gedachte, die voor ons van ogenblikkelijk belang geacht wordt. Op den duur zullen de eerst als storend beschouwde gedachten blijken, tot een juistere vorming en definitie van de gewenste gedachte bij te dragen in positieve zin. Zo wordt het mogelijk een redelijk en logisch geheel binnen het denken op te bouwen, waarin alle persoonlijkheidswaarden en verdere subjectieve elementen opgenomen zijn, zonder dat hierdoor een strijd ontstaat om de gedachte verder te beheersen en in een bepaalde vorm te dwingen.

image_pdf