De verhouding: geest / stof

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Inzicht 2’ (hoofdstuk 6) – maart 1964

We beginnen met te constateren dat de mens, die zich een geest voorstelt, dit over het algemeen zal doen in een mensachtige gedaante. In de geest stelt men zich een geest over het algemeen voor als een samenstelling van kleuren of van krachten; althans een begrenzing, waarbinnen energie besloten is.

Wanneer wij echter de praktische waarden nazoeken, dan blijkt dat de geest in wezen bestaat uit energie, waarin bepaalde eigenschappen aanwezig zijn en die kan worden gericht; en dat deze energie door haar gemiddelde frequentie of trillingsverhouding de mogelijkheid heeft met de rond haar liggende wereld (ook de werelden, die qua trilling beneden haar liggen) contact op te nemen. Die geest blijkt in staat te zijn een groot gedeelte van haar vermogens te transformeren, maar slechts naar beneden toe. Een hogere trilling kan dus wel worden gedempt en aangepast aan een trager en ook lager trillingsgetal. Het omgekeerde blijkt zeer moeilijk te zijn, ofschoon het althans theoretisch tot de mogelijkheden blijft behoren.

Deze geest komt nu tot een contact met de materie. Dit contact kan nimmer volledig zijn. Er kan dus geen sprake zijn van een geest, die in een menselijk lichaam kruipt. Er is eerder sprake van een geest, die een deel van eigen invloed – en vaak nog niet eens het totaal – als een soort mantel om een wordend menselijk lichaam drapeert en zich steeds meer gaat concentreren op hetgeen er in dit menselijk wezen geschiedt.

Wanneer er eenmaal voldoende levensprocessen aanwezig zijn, dan ontstaan er in de stof zenuw stromingen. Deze stromingen, vooral gevoed door de dwarsgestreepte spieren, geven als resultaat een serie zenuwknooppunten. Dit zijn dus punten, waarin vele zenuwimpulsen samenkomen.

In het verre verleden, toen er nog geen mensen waren, zijn er dieren geweest, waarvan zelfs een deel van het denkvermogen (althans van de automatismen) in dergelijke zenuwknooppunten was gelegen en dus niet in de hersenen. Deze wezens dachten dus niet volledig cerebraal.

Nu de geest echter een hoger bewustzijn bezit, heeft zij behoefte aan een totaal beheersbaar centrum, waarin het geheel van de stoffelijke ervaringen kan worden vastgelegd. Zij zal dus haar voornaamste interesse en haar grootste kracht – vooral in de eerste tijd – richten op de hersenen. Een typisch resultaat hiervan is, dat jonge mensen heel vaak flarden van een vroeger bestaan (dat dus in de geest bekend was maar niet stoffelijk) in een soort fantasie of droom nog kennen, ook al gaat dit later vaak teloor.

Voor het overige zal de geest echter ook moeten proberen om haar eigen energieën buiten de stof om te uiten. Want het zal u duidelijk zijn, dat wij nooit een hoogspanning kunnen aansluiting op een laagspanningsnet, zonder dat er schade uit voortkomt. Het zenuwstelsel van de mens is van uit geestelijk standpunt gezien een laagspanningsnet, terwijl de eigen kracht, energie en trilling van de geest tot hoogspanning en hoog‑frequentie behoren. Daarom zoekt zij een tweede lichaam op te bouwen en dit tweede lichaam wordt heel vaak levenslichaam genoemd.

Wij moeten dit levenslichaam dus niet zien als een afzonderlijk wezen. Het is a.h.w. de omhulling van het menselijk wezen, waarin geestelijke krachten kunnen worden ontladen, zonder dat daaruit lichamelijke schade zou ontstaan. Zo is het voor de geest mogelijk om via die zenuwknooppunten in het lichaam in te werken, van uit dit lichaam impulsen en ervaringen op te nemen, die misschien door het bewustzijn niet geheel zouden worden verwerkt.

Dit is natuurlijk een zeer globale schets van de verhouding, want er zijn nog meer voertuigen te noemen. Denk eens aan het astrale voertuig of aan het fluïde, dat overigens – zoals u misschien bekend zal zijn – eigenlijk deel uitmaakt van de spanning in de bloedcirculatie.

Ik wil nu proberen u een zeker inzicht te verschaffen in die wederkerige reactie. Want willen wij inzicht hebben in ons eigen wezen, zeker wanneer wij in de stof zijn, dan zullen wij ook moeten begrijpen, waarom onze eigen geest beperkt is en onder welke condities die beperking wordt verminderd of opgeheven.

Stellen wij verder: De stof op zichzelf kent een bewustzijn, dat op ervaring is gebaseerd. Primair treden er een aantal levens instincten op. Deze instincten bepalen niet slechts het functioneren van het lichaam, maar daarnaast zijn er bepaalde instincten van zelfbehoud. Er zijn dus in elk lichaam automatische reacties aanwezig. Het leren van het lichaam is oorspronkelijk niets anders dan het kennen van de buitenwereld en het trekken van conclusies omtrent het eigen contact met die buitenwereld; verder dan dit gaat het niet. Het criterium is hier: aanvaardbaar of niet‑aanvaardbaar, aangenaam of onaangenaam. Het is ook dit verschil van waardering, waarop ten slotte de gehele mentale bewustwording van de mens in dierlijk opzicht is gebaseerd. Ook het associatieve denken, dat in een latere fase ontstaat, blijft refereren aan diezelfde waarden: aanvaardbaar of niet‑aanvaardbaar. Alleen wordt nu ook het eigen wezen erbij betrokken.

Om nu te beseffen wat dit lichaam voor de geest kan betekenen, moeten wij ook begrijpen hoe de geest zelf zich bewust is van de materie. En dan blijkt in de eerste plaats, dat je van uit de stof eigenlijk de geest niet ziet; zij wordt dus niet gevisualiseerd. Ze is zoiets als een stem in je binnenste. Zij ligt in je wezen, niet daarbuiten. Daarom kun je de stof ook gescheiden houden van de geestelijke wereld, die buiten je bestaat. De concentratie van het “ik” betekent het zich openstellen voor de bron van de innerlijke stem en gelijktijdig het afgeven van de gerichte kracht. Voor degenen, die zich hiervoor interesseren wil ik verwijzen naar een op een vrijdagavond gehouden betoog, waarbij de functie van de hersenen als een transformator werd bezien. Voor ons is het voldoende te constateren, dat de geest kracht toevoert aan het gehele lichaam, maar wel in het bijzonder aan die delen van het lichaam, waarin een zekere beheerstheid, een redelijk proces bestaat.

In de praktijk komt het hierop neer, dat de geest zich het meest zal concentreren op de grote hersenen van de mens. Door deze concentratie zal de geest gaan mee associëren. Zij neemt de daarin voorkomende herinneringen en impulsen op en vergelijkt ze met haar eigen geestelijk geheugen. Zo brengt de geest vaak verbindingen tot stand in het menselijk denken, die alleen op grond van stoffelijke ervaringen niet aanwezig zouden zijn. De schijnbaar intuïtieve sprongen van bewustzijn, die wij bij menige mens kunnen zien, zijn dan ook voornamelijk wel te zien als een ingrijpen van de geest. Omdat de oorzaak van de associatie, die in de geest is gelegen, in de stof niet bekend is, hebben wij dan te maken met intuïtief of niet‑redelijk denken. Er is dus geen logisch verband. Zolang de mens van de logica geen god heeft gemaakt, kan hij deze geestelijke impulsen volgen. Zodra hij echter zijn stoffelijk denken niet meer beschouwd als een functie van het “ik”, maar als de kern van het “ik”, zal ditzelfde logisch beredeneren het vaak niet mogelijk maken te reageren op dat wat de geest als weg, als mogelijkheid of als associatie aanwijst.

Hier hebben wij dan een verklaring voor het feit dat de mens, die dicht bij de natuur leeft en zijn instincten een veel grotere rol laat spelen, dus niet zozeer gebonden is aan een logische samenhang van zijn gedachten en zelfs van zijn levenssfeer, over vele eigenschappen kan beschikken, die voor de stoffelijke mens toch wel verbluffend zijn. Ik denk hierbij niet alleen aan de spoorzoekers, maar ook aan helderziendheid die vaak voorkomt, het gebruik van magie op een doelmatige maar logisch niet te verklaren wijze, het hanteren van een geneeskunde die maar heel moeizaam kan worden ontleed en soms als wetenschappelijk juist kan worden aangetoond, maar die deze wilden klaarblijkelijk aangeboren is.

Wij mogen op grond hiervan stellen: Bij de primitieve mens is er sprake van een minimum aan lichamelijke beheersing, met gelijktijdig een maximum aan geestelijke associatie in het stoffelijk denken.

Nu moeten we natuurlijk nog wat verdergaan. Want een primitieve mens kan nimmer voor ons, zoals wij hier aanwezig zijn, dienstig zijn als een bruikbaar beeld.

Ik heb reeds gezegd dat het logisch denken, het redelijk denken, in vele gevallen een belemmering betekent voor de geest. Maar dat is niet helemaal waar. Op het ogenblik, dat een mens zijn lichamelijke functies beheerst en zijn bewustzijn niet slechts enkele ervaringsassociaties omvat, maar een erkenning van het totaal van zijn stoffelijk wezen en hij daarover een zeker macht heeft, kan worden gezegd dat de geest – nu inwerkend niet alleen meer via de hersenen maar via het gehele lichaam – de mogelijkheid heeft om alle geestelijke impulsen op te nemen, zonder dat een redelijk of logisch denken daardoor in het gedrang komt. Het is dan de ervaring aan de hand van de impuls, die de logische ontwikkeling verder mogelijk maakt.

Deze verhouding stof – geest is niet de gemakkelijkste. Wanneer de geest een bepaald doel heeft met het leven op aarde, dan zal ze trachten het lichaam daartoe te bewegen. Men zou dus mogen stellen, dat het lichaam in 9 van de 10 gevallen ook voor de geest een zekere taak, een zending te vervullen heeft. Dat die vervulling alleen door een redelijke beheersing tot stand komt, is van uit geestelijk standpunt volledig waar. Aan de andere kant kan ook worden gezegd, dat de werkelijke betekenis van de beheersing en alle consequenties ervan, gelegen in oorzaak‑en‑gevolg werkingen, voor de geest alleen maar afleesbaar zijn binnen dit eigen “ik”, indien er sprake is dat de stof zichzelf beheerst.

Wanneer de stof zichzelf kent, zal de impuls van de stof voor de geest een volkomen duidelijk beeld geven. Zolang er sprake is van een cerebraal, intuïtief proces, waarbij dus vele factoren van het lichaam over het hoofd worden gezien, zal er geen sprake zijn van een volledige erkenning. De geest kan eenvoudig niet doordringen in de werkelijke betekenis van wat er gebeurt. Mag ik dan op grond hiervan stellen:

  1. Oorzaak‑en‑gevolg is voor de geest zowel als voor de stof één van de belangrijkste wetten en beheerst als zodanig praktisch de gehele bewustwording.
  2. De oorzaak‑en‑gevolg werkingen in de stof zijn voor het bewustzijn pas belangrijk, wanneer inderdaad de oorzaak geheel wordt gekend.
  3. De geest, die een lichaam niet volledig kent, zal nimmer geheel juiste conclusies kunnen trekken uit oorzaak‑en‑gevolg werkingen in verband staande met dit lichaam binnen de stoffelijke wereld.

En daar zitten we dan. Wat moeten wij doen? Je kunt natuurlijk proberen jezelf in alle opzichten te beheersen. Maar zolang die beheerstheid voortkomt uit het stoffelijk denken is ze op zichzelf voor de geest weer onlogisch en niet-redelijk. Wanneer u krampachtige pogingen doet om uzelf te beheersen, maar de reden van de beheersing is niet gelegen in oorzaak‑en‑gevolg of in een besef daarvan, maar in de een of andere rationalisatie, dan is het voor de geest, die a.h.w. mediterend deze stof beleeft, alsof er ineens tussen de duidelijke taal een aantal code-woorden vallen, waarvan de betekenis onbekend blijft. Dus mogen wij wel aannemen, dat het voor de mens belangrijk is oorzaak‑en‑gevolg te kennen. Slechts een beheersing, die daarop is gebaseerd, heeft zin.

Wat is dan belangrijk voor ons? In de stof zijn dit hoofdzakelijk de levensstromen. Deze bestaan grotendeels uit het zenuwstelsel; daarnaast spelen ook de bloedvaten een zekere rol.

De levensstromen zijn op vaste punten verbonden met het levenslichaam, waarin de geest directer kan waarnemen en directer kracht kan geven dan via de hersenen mogelijk is. Op het ogenblik dat de mens in staat is zijn zenuwstromingen te beheersen en zijn lichaamsprocessen te regelen, zullen we dus mogen aannemen dat hij ook in staat is een situatie te scheppen, waardoor de geest onmiddellijk op de totale stof kan inwerken en de kennis, die normalerwijze door de hersenen niet wordt bereikt, nu van uit het levenslichaam volledig kan opnemen. Maar dit is alleen mogelijk, indien dit lichaam a.h.w. een harmonische of gesloten keten vormt.

Een van de systemen die daarvoor bekend zijn, is yoga. U moet echter niet denken dat dit het enige systeem is, want de disciplines van Ignatius van Loyola hebben in feite een ongeveer gelijke werking en toch zijn dit Orde‑voorschriften van een door velen niet zozeer gewaardeerde katholieke Orde, een Broederschap.

Wanneer wij dus zeggen yoga in het nu volgende, dan betekent dit niet alleen de verschillende yoga‑systemen, waarvan ik overigens de hatha‑yoga liever uitgesloten zie. Het gaat hier dus eenvoudig om een voor u bereikbaar systeem. En dan kan het volgende optreden:

Degene die een voldoende beheersing over zijn lichaam heeft, is in staat de lichaamsstromen te reguleren en de zenuwstromen (dus eigenlijk ook de stromingen in het levenslichaam) tot één gesloten geheel te maken. Er ontstaat dan een stoffelijke meditatiehouding die aan de geest de mogelijkheid geeft volledig invloed uit te oefenen. De eigen geest wordt nu gericht op het één of ander beeld. Meestal zijn dit ook ergens oorzaak‑en‑gevolg werkingen. En zo mediteert de stof.

De geest mediteert niet slechts mee, maar zij verrijkt de meditatie. Resultaat: de stoffelijke meditatie geeft grotere resultaten, zij kan een onmiddellijke wisselwerking tussen stof en geest betekenen, ook buiten het eigen lichaam. Het impliceert een beheersing van alle voertuigen, die boven het stoffelijke liggen, maar buiten het hoogste geestelijke bewustzijn dat het “ik” heeft bereikt; en ten slotte zal de meditatie van de stof de geest verrijken met een totaal nieuwe benadering van haar eigen problemen. Een eenvoudige conclusie is hier:

Door het lichaam in meditatie en in de juiste toestand te gebruiken als contactmiddel, ontstaat er voor de geest een beheersing van de materie, die verder reikt dan eigen lichaam alleen en waarbij zij gebruik kan maken van de totale hersen‑ en levensinhoud van het stoflichaam dat wordt gehanteerd.

Nu denkt u misschien, dat we al bezig zijn over het water te wandelen. Neen. Wij hebben alleen iets bereikt dat de werkelijke situatie weergeeft. Stof en geest reageren volledig op elkaar; zij zijn één geheel geworden op het ogenblik dat beiden mediteren en hun wereld met elkander delen. Wederkerige uitwisseling van bewustzijn maakt de werelden van stof en geest één. Vanaf dat ogenblik of op dat ogenblik – naar gelang van de toestand die werd bereikt – kan geestelijke kracht praktisch onvervormd in de materie worden geuit, kan de geest ingrijpen om haar milieu zo nodig te veranderen en zal zij – al dan niet gebruik makende van het lichaam of het daarin aanwezige fluïde, de daarin aanwezige krachtprojecties van het “ik” over de gehele wereld tot stand kunnen brengen, zonder dat deze een werkelijk lichamelijke aanwezigheid zijn. De uiterlijke vorm ervan kan echter – zelfs voor anderen constateerbaar – die van een lichamelijk bestaan zijn. Denk hierbij aan wat u hebt gehoord over bv. de Meesters uit het Oosten, die een lichaam achterlaten en toch elders actief zijn. Denk aan het overbrengen van boodschappen door mensen, die zich daarop hebben gespecialiseerd door in trance te gaan en elders als een sprekend mens te verschijnen.

U kunt dit natuurlijk niet. Maar wat u wel kunt doen, is volgens mij begrip hebben voor de wijze waarop de geest uw stoffelijk denken en leven ondergaat. Het is voor de geest niet een contact met een andere persoonlijkheid, het is ook niet een volledige identificatie in de zin dat de geest zich één voelt met de stof zonder meer, maar het is als een contemplatie of meditatie, waarin men afgesloten voor de wereld in zich iets beleeft. Onthoud dat goed! Voor de geest, die in de stof leeft, is het stoffelijk bestaan tot op zekere hoogte onwerkelijk.

En dan zult u zich afvragen: Waar is de geest dan op dat ogenblik? Omdat zij zuiver een kracht is, bestaat zij op alle vlakken, waarop zij zich uit. En dat betekent, dat de stof voor de geest als niet bestaand is, maar dat zij ontwakende ogenblikkelijk alle rechten en functies van die geestelijke wereld kan hervatten. Het schijnt dat u dit niet geheel begrijpt. Laat mij daarvan dan een voorbeeld geven.

U slaapt. U bent bewegingloos. U droomt over een andere wereld. In die slaaptoestand beweegt u zich niet. Als de wereld rond u nu beweging moet zien om zich het bestaan van iets te realiseren, dan bent u voor die wereld, zolang u droomt, onzichtbaar.

De geest is op aarde niet zichtbaar als een persoon. Het is haar uiting, de wisselwerking tussen haar wezen en andere geesten van meestal gelijk niveau, waardoor haar bestaan kan worden geconstateerd. De geest die in de stof afdaalt, blijft in feite in de sfeer bestaan, waarin zij voordien vertoefde. Zolang zij dit kan aanvaarden, zal zij op elk ogenblik in die sfeer kunnen terugkeren. Zij zal zelfs verbonden met de stof kunnen leven en op het ogenblik dat de stof niet actief is (diepe slaap of trance) in de wereld waartoe zij behoort, kunnen vertoeven, arbeiden en leren.

Deze iets uitgebreider uitleg heeft u misschien toch wel begrip bijgebracht voor uw eigen toestand. U denkt dus dat u als stofmens leeft. Voor sommigen zal dat waar zin. Er zullen er echter ook bij zijn, die reeds nu – en zonder het stoffelijk te beseffen of het hoogstens te beschouwen als een soort droom of een uittreding – een leven continueren in een bepaalde sfeer. Ik leg hierop zozeer de nadruk, opdat dit ook betekent dat de bewustwording van de geest, die zich met de stof verbindt, niet noodzakelijkerwijze alleen aan de stoffelijke ervaring is gebonden, maar in vele gevallen kan voortvloeien uit een directe toepassing van stoffelijk ervaren waarden in de geest.

Dan zal u ook duidelijk worden, dat uw eigen persoonlijkheid door toedoen van de geest soms grote veranderingen kan ondergaan. Omdat het stoffelijk lichaam voor de geest een soort ervaring is, maar gelijktijdig toch ook weer iets dat ze probeert te richten en te besturen (zoals u misschien probeert om prettig te gaan dromen, wanneer u denkt: ik droom), zo kan het dus voorkomen dat de geest, die in haar eigen sfeer heeft gewerkt, heeft geconstateerd: wat dat lichaam nu is of doet, heb ik niet meer nodig.

Er kan in een mensenleven meermalen een verandering van levensdoel optreden, zonder dat men dit stoffelijk beseft. Zodra dit het geval is, zullen het levenslichaam, de hersenen (vooral het onderbewustzijn en misschien ook de verschillende in werking zijnde chakra’s) dus van uit de geest worden beïnvloed. Wij zien dan in een mensenleven perioden, waarin sommige dingen slagen en andere mislukken. Men vraagt zich dan af: waarom? Wanneer de stof verstandig is en zegt: Datgene, wat nu in mijn richting ligt, wat op mijn weg komt a.h.w., is nu voor mij belangrijk, morgen kan het anders liggen, dan zal men de impulsen van de geest kunnen volgen, want de stof kan onmogelijk de geest beheersen. De geest blijft altijd heer en meester van de stof.

Die beheersing kan groot zijn of klein, maar overwicht, beheersing is er altijd. De mens, die in de materie rekening houdt met hetgeen er op zijn pad komt (de gebeurtenissen, de neigingen, de plotselinge veranderingen van omstandigheden of van werkwijze) zal over het algemeen door anderen als een soort zoeker of doler worden beschouwd. Dat is echter lang niet noodzakelijk. Men kan dus voor de geest voldoende hebben bereikt en – gezien haar eigen wezen en bestrevingen – heeft zij een andere richting gekozen dan tot nu toe. Degene, die dan toch blijft vasthouden aan het oude systeem, is voor de geest niet nuttig. Dat betekent dat de kracht, welke de geest in 9 van de 10 gevallen stuurt, strijdig is met hetgeen de stof wil bereiken.

En hier heeft u ook nog een verklaring van iets anders. Want een mens, die zich volledig concentreert en daarbij meestal niet geheel redelijk, blijkt soms ontstellende dingen te bereiken. Wij hebben allen gehoord van de straatjongen, die begon met een speld op te rapen en eindigde als miljonair. We weten dat dit een soort sprookje is. Maar waarom kan de ene zakenman blijven speculeren, de meest idiote waagstukken uithalen en kansen wagen en slagen, terwijl een ander met veel grotere capaciteiten steeds net te laat of iets te vroeg is en er naast grijpt? Er is kennelijk van uit de stof geen redelijke verklaring voor. Men kan zeggen: “Er is geluk”; of: “Ja, die man heeft er een neus voor, hij ruikt a.h.w. de mogelijkheden.” Maar nu u dit over de geest weet, nu kunt u het ook anders zeggen:

Voor de geest is een bepaalde situatie in de stof (bv. macht; rijkdom, belangrijkheid of contact met een groot gedeelte van de wereld of het bereiken van speciale kennis) op dit ogenblik gewenst. Zolang dit voor haar wenselijk is, zal zij in de stof alle mogelijkheden scheppen. En gezien de impulsen die zij stuurt, zal juist de mens die niet zo erg verstandig is en niet zoveel weet, sneller succes boeken dan degene die alles rationeel doet. Dit is de verklaring.

Wij horen ook zo vaak zeggen: “Mensen, die slecht zijn, gaat het goed. En wij doen zo verschrikkelijk ons best en ons gaat het slecht.” En veelal knoopt men daaraan vast: “Is er dan geen rechtvaardigheid in de wereld?”

Bezie weer het voorgaande. Want ook hier speelt de verhouding tussen stof en geest een grote rol. Wat de geest wenst is een aanvulling van haar persoonlijkheid en mogelijkheden. Heus, het interesseert die geest niet of er standbeelden voor haar worden opgericht. Het kan aangenaam zijn, maar noodzakelijk is het niet. Maar wel belangrijk voor haar is en blijft het feit, dat de oorzaak‑en‑gevolg werkingen, zoals die ook stoffelijk bestaan, in haar conclusies mogelijk maken omtrent haar optreden in eigen wereld en de contacten met eigen wereld of hogere werelden. En dan kan de geest ervaringen zoeken, die van uit stoffelijk standpunt niet zo aanvaardbaar zijn en waarmee je dus met je menselijk geweten vaak overhoop kunt liggen. Toch zijn zij juist.

Conclusie: succes is niet slechts het gevolg van bekwaamheid, kennis of moed. Succes wordt steeds ook mede bepaald door de geestelijke behoefte aan het ontstaan van een zekere situatie En laten wij daarbij niet vergeten, dat de geest rustig bereid is om een hele ijzermijn te laten versmelten om één schroefje te krijgen dat haar past; een heel leven te besteden met honderdduizend gebeurtenissen om één situatie te creëren, die voor haar innerlijke evenwichtigheid van het grootste belang is. De verhouding tussen stof en geest kan dus nooit redelijk worden gedefinieerd van uit een stoffelijk standpunt. God heeft er weinig mee te maken. God is de oorzaak‑en‑gevolg wet, die geldt voor de geest en voor de stof, maar de geest als werkelijk leven is degene, die de goddelijke krachten op de juiste wijze interpreteert. Het menselijk voertuig op zichzelf en zonder de geest onvolledig interpreteert slechts aan de hand van associatie en ervaring. En zo zal de God, Die men zich bouwt en de goddelijke wet die men wil zien of de goddelijke rechtvaardigheid een menselijk beeld, dat met de eeuwigheid weinig of niets te maken heeft. Kunnen wij van uit de stof iets doen om de contacten met de geest te bevorderen? Inderdaad. Wanneer wij bv. yoga beschouwen, dan ontdekken wij dat een voortdurende reeks oefeningen, gebaseerd op eigen lichamelijke capaciteiten, eigen karakter en de z. g. geestelijke vermogens, langzaam maar zeker de mens doet groeien naar beheersing en inzicht. Het resultaat is niet redelijk, het is mystiek. Toch zal dit mystieke resultaat daadwerkelijk krachten kunnen brengen. Voor elke mens mag daarom worden gesteld, dat voor het bevorderen van de eenheid tussen stof en geest de navolgende regels dienstig zijn:

  1. Tracht steeds uw lichaam zodanig te richten of te ontspannen, dat de stromingen in uw lichaam beantwoorden aan uw wezen. De meest eenvoudige toestand is hier de embryonale houding, waarin men a.h.w. opgerold ligt. Hierdoor kunnen de lichaamsstromingen zodanig reageren, dat de geest a.h.w. een dierlijk voertuig onder zich heeft en daardoor haar eigen associaties en impulsen kan inleggen.
  2. Daar wij weten dat de lichaamsstromingen of de lichaamskrachten vooral aan de extremiteiten (de handen en de voeten) de neiging hebben uit te stromen, zullen wij trachten zoveel mogelijk handen en voeten gesloten te houden. Voor alle meditatie, waarbij men zich van de wereld afzondert, is het dienstig dat een contact wordt gemaakt. Het best is dat te doen bij de enkels of ongeveer ter hoogte van de kuit (deze liggen dus tegen elkaar aan, terwijl de handen op de knieën steunen of de armen op de dijen steunen en de handen gevouwen zijn).
    Daar wij verder weten dat bepaalde chakra’s een grote rol spelen, zal in de meditatiehouding ook moeten worden gezocht naar de juiste verhouding tussen deze chakra’s. Dit kan betekenen: een absoluut verzinken in het “ik”, een zo juist mogelijk richten van het voorhoofdchakrum op het zonnevlechtchakrum. Wanneer wij echter een persoonlijk uitgaan in de wereld tot doel hebben, dan zullen wij juist moeten zorgen dat het voorhoofdchakrum op de juiste richting is georiënteerd.
    Gezien het feit, dat de stromingen op aarde (het magnetisch veld) ook voor de lichaamsstromingen van de mens betekenis kunnen hebben, zullen we verder trachten ons op de juiste manier te oriënteren; en dat betekent over het algemeen dat wij ons richten naar het oosten en wel naar een punt op de equator, dus voor u zou dat zuid‑oost kunnen zijn. Door zich zo te richten stelt men zich a.h.w. onafhankelijk van de veranderingen, die in het aardmagnetisch veld en ook in het zwaartekrachtveld kunnen optreden. U merkt daarvan zelf betrekkelijk weinig, maar voor uw eigen lichaamsstromen zijn ze toch wel van groot belang.
  3. Meditatie, gedachten. Op het ogenblik dat men mediteert over iets wat direct met de stoffelijke en redelijke werkelijkheid te maken heeft, zal de geest weinig invloed kunnen uitoefenen op de processen van de hersenen. Het is beter bij meditatie uit te gaan van algemene begrippen, zuiver persoonlijke begrippen of zelfs fantasieën. Wel moeten wij er rekening mee houden, dat onze instelling als stoffelijk mens tegenover het leven in de opgebouwde fantasie, denkbeelden e.d. tot uiting komt. Indien wij dit nl. doen, dan zal de eigen gerichtheid kunnen worden gecorrigeerd door de geest. Indien onze stoffelijke instelling en denkbeelden niet juist zijn, zullen wij niet in staat zijn de juiste meditatie‑diepte te bereiken. Wij ontdekken dat onze denkbeelden afdwalen en er een nieuw beeld ontstaat, dat wel met complete concentratie kan worden vastgehouden, beleefd of beschouwd.
  4. Zoek zowel in de houding als in het meditatiebeeld of denkbeeld altijd naar die houding en gedachten, welke men met een zeker gevoel van juistheid en zonder al te grote moeite kan vasthouden. Train u desnoods om de juiste houding zonder moeite te kunnen volhouden, maar besef wel dat de houding op zich pas werkelijk nuttig wordt, als een zekere ontspannenheid daarbij mogelijk blijft.

U merkt wel, dat dit eigenlijk helemaal geen yoga is. De yogi kent een dergelijk systeem. Hij zou echter vreemd opkijken als we daar nog de volgende raadgevingen bij doen:

  1. Leer uw denken te splitsen in verstandelijk en intuïtief denken.
  2. Laat in een meditatie de intuïtieve reactie overheersen.
  3. Laat bij het overwegen van problemen eveneens de intuïtie op de voorgrond treden. Pas op het ogenblik, dat het intuïtieve beeld is gefixeerd, is opgenomen en zo mogelijk is vastgelegd op de één of andere manier, kan men later de verstandelijke verwerkelijkingsmogelijkheid nagaan. Het zal dan blijken dat er bezwaren rijzen, die nieuwe problemen zijn en dat het oplossen van deze problemen, waarbij de intuïtie een rol speelt, gelijktijdig een verandering van levensweg en levenshouding inhoudt.

Hiermede hebt u de mogelijkheid gekregen om – zelfs al bent u nu niet zo’n buitengewoon bekwaam yogi of een groot heilige – de voor u geestelijk juiste weg in te slaan. De geestelijk juiste weg impliceert de geestelijk juiste toestand door de gerichte afgave van krachten uit de geest aan het lichaam en wel in de nu goede verhouding. Ik mag aannemen dat u dit alles hebt kunnen volgen. Het is niet zo moeilijk. We hebben nu een zeker inzicht in de situatie in ons eigen “ik” gekregen. Maar van buitenaf komt ook veel.

Wij hebben niet alleen te maken met kosmische werkingen en invloeden, maar bovendien nog met veranderende evenwichten op de werelds bv. de loop der planeten, de invloed van de sterren. We hebben te maken met de verschillende stromen van zeer vaag verdeelde en betrekkelijk inerte materie (bv. helium of waterstof), die in het Al aanwezig is. En wanneer uw zonnestelsel daar doorheen gaat, zal uw zon daarvan niet veel merken. Zij heeft zelf al een dergelijke cyclus; het maakt dus weinig uit wat er gebeurt. Maar voor u op aarde betekent het wel iets. Het betekent een geringe verandering van de bovenste lagen van de atmosfeer, daardoor een verandering van de stralingsverhoudingen rond uw wereld en hierdoor weer van de lucht‑elektrische verhoudingen en de magnetische geleidingsvelden. Deze van buitenaf optredende omstandigheden beïnvloeden in de eerste plaats natuurlijk de materie. Maar zodra er verschijnselen zijn, die een hoge frequentie (een trilling) zijn van magnetische of elektrische geaardheid ofwel stralingen van kleinste partikels, die kunnen worden omgezet in de magnetische of elektrische verschijnselen, zal het contact tussen geest en stof hierdoor versterkt of verzwakt kunnen worden. De overdracht van kracht (niet de opname van ervaring) wordt beïnvloed.

De conclusie is weer duidelijk: Er zullen in het leven van elke mens, maar zeker in bepaalde tijdperken, altijd ogenblikken zijn dat geest en stof dichter bij elkaar zijn dan normaal; en dat dus de geest, wanneer men lichamelijk wil streven volgens deze geestelijke waarden, veel grotere resultaten in veel kortere tijd kan bereiken. En laat ons hier als aanvulling van deze conclusie stellen:

Bij optimale condities uit de kosmos en op de aarde kan de geest een kracht overdragen aan de stof, waarmede zelfs de hergroepering van minder bewuste materie mogelijk is. De mens kan dan een volledig scheppend element kennen. Wat voor u aanleiding zou kunnen zijn om u eens af te vragen, hoe het eigenlijk zat in de tijd dat Jezus leefde? En hoe het heeft gezeten in de tijden van die andere wonderdoeners.

Als u het goed nagaat, ontdekt u dat meestal niet alleen de stand van de sterren wat vreemd is geweest, maar ook heel vaak dat juist in die tijd het aardmagnetisch veld en de lucht-elektriciteit bijzonder sterk waren. Wij zullen ook zien, dat die periode van wonderen niet is afgelopen met het overlijden van een grootmeester, maar vaak voor zijn volgelingen nog enige tijd blijft bestaan. En dan is het dus niet alleen de procedure die teloor gaat, maar het is ook wel degelijk het optreden van minder gunstige omstandigheden, waardoor de leerlingen in zich niet voldoende kracht hebben om toch nog een redelijk juiste harmonie met hun eigen geest in stand te blijven houden. Er ontstaat een afwijking tussen de geestelijke behoefte en de stoffelijke denk‑ en leefwijze; en daarmee valt het wonder weg. Ik zou hierover nog lang kunnen doorgaan. Maar voor u lijkt het mij wel heel belangrijk te weten, hoe deze tijd is.

Op het ogenblik is de tijd nog niet geheel gunstig hiervoor. Gunstige condities voor deze contacten tussen geest en stof treden echter over ongeveer 1½ à 2 maanden op. De kosmische invloeden zullen dan qua geaardheid nogal eens wisselen. Toch mag worden aangenomen dat de eerstkomende 50 jaren, mede door de kosmische stroom (de stroom van fijnste materie in het heelal), die men op het ogenblik gaat passeren, men meer zal kunnen doen met de geestelijke kracht dan normaal. Het is dus tijd, dat de mens niet meer alleen grijpt naar begrippen omtrent het geestelijke van anderen, maar dat hij vooral tracht te komen tot een zo nauw mogelijke samenwerking met zijn eigen geest.

In het voorgaande betoog zult u voldoende richtlijnen daaromtrent aantreffen; en met enig zoeken en experimenteren ben ik ervan overtuigd dat ook degenen, die geen training in yoga enz. hebben, de voor hen passende houding, de voor hen passende actie, geestelijke instelling en meditatiebeelden zullen kunnen vinden, waardoor dit z.g. intuïtieve element sterker in hen gaat werken en zij daardoor krachten zullen verkrijgen, die ze nu menen nooit op aarde te zullen bezitten.

En dan nog één aanwijzing, vrienden. Er zijn heel veel mensen, die zichzelf voortdurend in de beklaagdenbank zetten als misdadiger of zondaar, een hypothetische God in de rechterstoel plaatsen en een even hypothetische duivel gebruiken als getuige ten voordele van de verdediging. Onthoud één ding: buiten de menselijke samenleving en opvattingen om bestaat er geen feitelijke zonde, behalve het ingaan tegen eigen geestelijke behoefte. En dat wil zeggen, dat men steeds meer moet vechten om iets te bereiken en dat men daarvan steeds minder resultaten en vreugde heeft. Zolang dus iets op uw pad blijft komen, moogt u aannemen dat het voor u geestelijk een bepaalde betekenis heeft. Tracht door mediteren, door het fantaseren erover desnoods, na te gaan wat het werkelijk doel van de geest is, dan zult u een inzicht bezitten dat u in staat stelt in de komende tijd geestelijk en stoffelijk met rasse schreden vooruit te gaan.

Mystiek en roes

Wat is mystiek? Mystiek is een zichzelf verliezen, waardoor hogere geestelijke waarden binnen het “ik” spreken met uitschakeling van al datgene, wat lager stoffelijk is, zodat de mens, verhoogd boven zijn normaal bestaanspeil, komt tot erkenningen die hij langs andere weg niet zo gemakkelijk zou kunnen bereiken.

Indien wij dit zo stellen, dan mogen wij dus ook wel aannemen dat de mysticus, die een toestand van verrukking bereikt, in feite in een soort roes verkeert, zij het dat deze roes niet is ontstaan krachtens de producten van Schiedam e.d., maar eerder uit een innerlijk geestelijk zoeken. En daarmede zitten wij midden in het probleem.

Degene, die een roes zoekt, een stoffelijke roes, zoekt een ontvluchting aan de werkelijkheid. Daarbij stelt hij zich over het algemeen geen bepaald doel. Voor hem is het dus een wegvluchten zonder meer, en zodra dit het geval is, mogen wij wel aannemen dat de resultaten navenant zijn. Je loopt weg voor jezelf. Dientengevolge zal de roes misschien tijdelijk het “ik” doen vergeten, maar repliceren met een zo enorme kater, dat je nog meer met jezelf overhoop ligt dan tevoren. En daarin ligt het verschil met de mysticus.

De mysticus zoek ook een roes. Hij zoekt een bepaalde vorm van vergetelheid. Maar hij zoekt die niet om aan zichzelf te ontvluchten, doch om meer zichzelf te kunnen zijn. Hij gaat dus recht op zijn doel af, schakelt de wereld uit en tracht in die innerlijke beleving voor zich kracht te vinden. Het resultaat is dan ook dat hij geen kater als resultaat ontvangt, maar in zich een kracht, een wijsheid, een evenwicht, een verstilling ervan overhoudt, waarmee hij misschien wel niet meer het hoog‑geestelijk beleven zelf zonder meer kan aanvaarden, maar dat toch zijn dagelijks leven veredelt en aan zijn persoonlijkheid iets toevoegt.

Het verschil tussen de roes en de mystiek is dus kennelijk niet gelegen in het feit, dat men zichzelf of een deel van zichzelf en zijn wereld ergens ontvlucht, het is gelegen in het feit, dat de mysticus doelbewust handelt, terwijl de zoeker naar de roes zonder meer iets ontvlucht en niet doelbewust iets wil bereiken.

Dan kunnen wij zeggen, dat voor degene, die de roes heeft gezocht, de terugkeer naar de werkelijkheid een vergroting van lasten is. Hij zal niets behouden uit de roes. Degene echter, die in een mystieke verzinking is, behoudt wel resultaten, zodat de mystieke roes een blijvende verandering van eigen wezen en mogelijkheden inhoudt, terwijl de gewone roes hoogstens een beperking of een vermindering inhoudt.

Van dit verschil kunnen we dan verder uitgaan. En ik begin dan maar meteen met te constateren dat er ook mystici zijn, die gebruik maken van wat u roesverwekkende of verdovende middelen zou noemen. Wij kennen bepaalde Indianenstammen die daarvoor bladeren van bepaalde boomsoorten gebruiken. We horen van bepaalde soorten, bv. cassave‑bier, door negerstammen ervoor gebruikt. We weten dat opium en opiaten en in andere gevallen hennep of hashish werden gebruikt met een zuiver mystiek doel. En als we de resultaten nagaan, dan blijkt hier een gevaar te bestaan, nl. dat men de roes zelf als doel stelt en er dus verslaving optreedt. Zolang men echter het middel beheerst, geeft het fantastische mogelijkheden. Bepaalde soorten paddestoelen, stukjes van cactussen, gegist sap van planten blijken wel degelijk in staat om de mens te helpen in zijn poging vrij te worden.

Wat doet het verdovende of roesverwekkende middel? Het zal een aantal inhibities in de mens wegnemen en gelijktijdig zijn stoffelijke omgeving voor hem minder belangrijk maken, zodat hij vrijer zichzelf is. Deze vrijheid kun je natuurlijk ook door vasten e.d. bereiken. In beide gevallen is er echter sprake van een verzwakking van het lichaam. Alleen is de verzwakking, die de roes veroorzaakt, een tijdelijke, een chemische, terwijl degeen die bv. 40 dagen en nachten gaat vasten zijn hele lichaam uitmergelt.

En dan komt de grote vraag, wat beter is. Ik geloof, dat we in het voordeel van het roesverwekkende middel en de roes zonder meer kunnen zeggen, dat – indien zij alleen als middel dient – ze het mogelijk maakt om in betrekkelijk korte tijd en met betrekkelijk geringe moeite een geestelijke vrijheid te bereiken, die langs andere wegen veel tijd en veel kracht zal vergen en misschien voor sommigen zelfs niet bereikbaar zal zijn.

Wat moeten wij tegen het verdovende middel of tegen het roesverwekkende middel zeggen? In de eerste plaats: de veranderingen, die in het lichaam plaatsvinden, zijn soms van een zodanige geaardheid dat een lichamelijke behoefte naar het middel ontstaat. Hierdoor wordt de eigen vrijheid beperkt. In de tweede plaats: het roesverwekkende middel zal niet alleen van tevoren vastgestelde grenzen van het “ik” losmaken, het zal altijd de totale persoonlijkheid losser maken. Iemand, die dus niet ervan overtuigd is dat hij volledig goed is, moet goed nadenken, voordat hij het roesverwekkende middel gaat gebruiken om een geestelijk resultaat te bereiken.

Dan kunnen wij er nog verder tegen inbrengen, dat het roesverwekkende middel zo gemakkelijk is. Dientengevolge zal de doorsnee‑mens geneigd zijn om de voor een mystieke beleving (dus voor een geestelijk zichzelf projecteren op een hoger vlak) toch noodzakelijk voorbereidingen achterwege te laten. Het is alsof men door een achterdeurtje de eeuwigheid probeert binnen te komen.

Wat zijn dan de voordelen van de mystieke oefeningen en concentraties? In de eerste plaats worden er geen aan het lichaam vreemde elementen gebruikt. Het lichaam blijft zichzelf. In de tweede plaats: doordat dit lichaam kan worden beheerst door de innerlijke ervaring, zal als resultaat een groter meesterschap over het “ik” optreden en niet, zoals bij de roesverwekkende middelen, een verzwakking.

Wanneer wij een zuiver mystieke ervaring hebben, dan blijkt verder dat wij met deze oefeningen weliswaar niet helderziendheid en helderhorendheid in algemene zin kunnen bevorderen, maar dat we een gericht contact tot stand kunnen brengen, terwijl bij het roesverwekkende middel het contact vaak niet voldoende gericht is. Er is dus voor de mysticus, die van uit zichzelf werkt veel meer mogelijkheid om zijn doel te bereiken, zonder dat hij wordt afgeleid of zonder dat hij op zijn pad grote gevaren ontmoet.

Wat zouden wij als nadeel kunnen aanvoeren? In de eerste plaats vergt het leven als mysticus tijd. Je hebt er veel tijd voor nodig. In de tweede plaats vraagt het grote wilskracht en grote energie. Het verdovende middel, het roesverwekkende middel maken beide overbodig.

Dan kunnen we zeggen, dat de mysticus vaak lichamelijke gevolgen zal kunnen ondergaan, omdat hij geneigd is de toestand, die alleen voor de bereiking van de mystieke vervoering noodzakelijk is, door te voeren ook in zijn dagelijks leven en daarmede niet alleen een vervreemding van de werkelijkheid tot stand brengt, maar bovendien sterk wordt gekweld door waarden, die – nu hij niet beheerst en gericht zoekt in het hogere – van uit zijn omgeving of zelfs uit zijn onderbewustzijn op hem afkomen. Dat zijn dan de feiten voor en tegen.

Wanneer je nu daaruit conclusies wilt gaan trekken, dan moet je wel erg aan de voorzichtige kant blijven. Dit is meer iets voor een diplomaat dan voor mij. Ik zou dan willen stellen:

  1. De roes op zichzelf als middel tot zelfverwerkelijking is aanvaardbaar, mits dit slechts incidenteel geschiedt en niet bij voortduring.
  2. Men moet de roes voortdurend kunnen beheersen en eveneens de behoefte tot roesvorming. Wanneer dit niet het geval is, is het gevaarlijk. Daarom zou ik willen pleiten voor iets wat in de oudheid bekend was.

In de oudheid kent men nl. een vorm van roes, die voor zuiver geestelijke doeleinden werd gewekt. Dat daarbij dingen gebeurden, waarover je tegenwoordig niet meer mag spreken, zoals bv. het drinken van wijn (gegist druivensap), het gebruiken van verdovende middelen, opzwepende dans, orgiastische handelingen e.d., dat willen we dan op de koop toe nemen. Maar de mens, die zich een bepaald doel stelt en zichzelf opzweept tot zelfvergetelheid, heeft het middel gevonden om zijn doel snel te bereiken, terwijl het bovendien mogelijk is dat enkele bewusten via de roes, die door hen wordt geleid, de gehele gemeenschap mee opvoeren naar een hoger niveau, wat zonder dat praktisch niet zou kunnen worden bereikt.

Wanneer een mens in staat zou zijn voldoende zelfbeheersing te vinden, zich voldoende vrij van verslaving, van angsten zou kunnen maken en gelijktijdig innerlijk bewust een doel kan nastreven, een doel waarvan hij dus precies weet waarom, hoe en desnoods nog waar en wat, dan lijkt het mij goed dat zo iemand te zijner tijd gebruik maakt van de kortere weg: de roes. Zolang hij dat niet kan, is de roes m.i. te veroordelen; en dat houdt in dat voor bepaalde meer‑ingewijden de roes een aanvaardbaar middel zal blijven en door hen in vele gevallen zal worden gehanteerd, wanneer ze snel resultaten willen hebben. Voor de gewone leek moet de roes absoluut worden afgewezen en mogen wij stellen: Gezien de gevaren die daarin schuilen, zijn zij door de roes eerder tot slaven dan tot vrijen geworden en mogen zij het gevaar van deze slavernij zeker niet lopen. Waarmee eigenlijk het onderwerp al rond is.

Nu heb ik echter de neiging om de dingen zo kort en krachtig mogelijk te zeggen. Laat ik proberen er nog kort enkele aanwijzingen aan toe te voegen.

Wie voor zichzelf wegvlucht, zelfs met het hoogst verheven doel, verloochent zijn eigen bestaan en zal dus van uit, voor zich of door zich, niets van werkelijke betekenis kunnen bereiken.

Wie zichzelf zoekt, zal daarin zijn eigen levensdoel vinden, alles daaraan ondergeschikt maken en door niets in het leven werkelijk worden bezeten of beheerst, behalve door dit in hem levend doel.

Alle mensen, die de roes verklaren tot het voor hen aanvaardbare middel, dienen na te gaan in hoeverre de procedure van de roes op zichzelf voor hen bevredigend of aangenaam is. Want er zijn er zeer velen, die de roes prediken voor geestelijke doeleinden, maar het gebruiken voor iets anders.

U kunt zich hierbij door niets en niemand laten leiden dan door uw eigen persoonlijkheid. En wanneer u weet, dat uw persoonlijkheid geneigd is om tot verslaving te vervallen, dat u zwak van wil bent of dat u misschien een bepaald doel toch nog niet zo erg belangrijk vindt, houdt u zich dan buiten deze dingen. Want een mysticus, die alleen in een roes de waarheid vindt, is een dronken man, die misschien de waarheid spreekt, maar na afloop zelf niet meer weet wat hij heeft gezegd en daardoor ondanks alle waarheid toch voor gek komt te staan.