De verhouding van uiterlijke en innerlijke waarheden

11 januari 1957

Mag ik er allereerst op wijzen, dat wij in genen dele alwetend, of onfeilbaar zijn. Er wordt dus van u verwacht, dat u zelf nadenkt. Vandaag zou ik nu gaarne met u spreken over:De verhouding van uiterlijke en innerlijke waarheden.

Over het algemeen zal de mens zijn uiterlijke en innerlijke waarden zien als met elkaar in tegenstelling, men is geneigd te zeggen: “Zo is het nu wel in de wereld, maar van binnen gevoel ik het anders”. Hoezeer dit juist is, moet zijn, zal een ieder begrijpen , die iets van de kosmische eenheid kent. Indien wij voor onszelf weten, dat er geen scheiding kan worden gemaakt tussen stof en geest in de zin, dat stof onbelangrijk en vergankelijk is, doch de geest eeuwig, zodat wij beseffen, dat niet de geest alles en de stof niets voor ons mag betekenen, dan zijn wij toch al wel een heel eind gevorderd in onze beschouwingen. De innerlijke waarde van de mens is in de eerste plaats wel zijn innerlijk denken en weten. Daaruit vloeit zijn geweten en streven voort. De wil zou ik waar zij voortkomt uit het begeren eerder onder de uiterlijke dan onder de innerlijke invloeden willen schikken.

Onder u zijn er velen dit niet met mij eens en denken: “Voor een geestelijke bewustwording heb je toch ook een wil nodig”. Laat ik voor wij verder gaan eerst hierop een antwoord geven: De wil is volgens mij iets, dat geleid wordt door het gekende en het kenbare, wij streven niet naar iets vaags en onbekends, maar naar iets, dat voor onszelf althans volkomen reëel is, dus kenbaar, het beeld wordt opgebouwd uit het onmiddellijk weten en kennen van onze wereld.

Zolang je op aarde vertoeft als stofgebondene, betekent dit: een denken, dat gebaseerd is op stoffelijke waarden en normen. Factoren dus, die in de gekende wereld buiten je bestaan. Door dit streven worden wij geprikkeld tot het willen het daadwerkelijke streven. Innerlijk is het anders. Daar streven wij meestal naar vage en ongekende dingen. Wij weten niet altijd waartoe onze weg zal voeren. Ondanks alle zoeken, alle beschouwingen gevoelen wij juist
innerlijk achter alle beredeneringen en rationaliseringen steeds meer raadselen en problemen.

Geestelijk is de wereld, waarin je leeft, zeker de stofwereld, vol van onbegrijpelijke punten en waarden, dingen, die soms werkelijkheid schijnen en dan weer zover van je af komen te staan, dat je je er zelfs niet van bewust bent, dat je er ooit hebt geloofd als aanvaardbare en nastrevenswaardige factoren. Juist ter wille van de vaagheid van onze innerlijke wereld moeten wij ook deze wereld zoveel mogelijk weten te splitsen in haar factoren.

In de eerste plaats: voor ons en vanuit ons standpunt het meest belangrijke; de geest zelf. Geest is levende kracht. Levende kracht, die tijdelijk binnen een mensenlichaam opgesloten toch haar eigen denken en weten met zich draagt. Een weten en denken overigens, dat zeer ver is verwijderd van alles, wat er stoffelijk op dat gebied kan bestaan.

U moet zich dan ook niet vergissen; een je stoffelijk realiseren van het denken en weten van de geest is praktisch onmogelijk. Het gebied, waarop zij zich beweegt, ligt zover verwijderd van hetgeen u kent als werkelijkheid, haar wijze van uitdrukken, van associëren en combineren, verschilt zozeer van het voor u redelijke gebruikelijke en normale, dat u een ogenblik in de gedachten van de geest stoffelijk redelijk opgaande, zoudt menen in een waanzinnige wereld te bestaan. Men kan met de geest dus niet “meedenken”. Wel kan de geest met de stof mee ervaren. Ook hier wel een “meedenken”. Want ook de geest is niet in staat om geheel de waarderingen, die men stoffelijk nu eenmaal kent, te waarderen en te begrijpen. Voor haar is het onbelangrijk hoe de verhoudingen zijn, bv. of iemand je baas is, of niet.

Wanneer zo’n persoon afstoot, wanneer er tussen u en hen geen geestelijke affiniteit is, dan zegt die geest: “Niet sympathiek. Wegdrijven uit de omgeving”. Al uw stoffelijke redeneren, dat de man het zo goed bedoelt, dat je toch niet anders dan goed van hem ervaren hebt, telt dan voor die geest niet meer. De stoffelijke waarderingen tellen voor haar eenvoudig niet. Maar die geest drukt iets uit in de stof, of tracht tenminste dit doen. Want al, wat de stof aan emoties ervaart, wat zij aan denken op de achtergrond heeft niet het redelijke denken dus, maar het bewustwordingsproces op zich is in feite het ervaren van uw leven door de geest.

Door middel hiervan tracht zij een veld op te bouwen, dat, naar mate zij sterker of zwakker geïnteresseerd is aan het stoffelijk beleven een meer of minder bepaalde factor zal betekenen binnen uw stoffelijk zijn. Zij zal dan ook iemand, die intuïtie heeft zal dat vaak sterk kunnen merken zelfs voor de stof kenbaar haar eigen meningen en verlangens voor de stof duidelijk kenbaar kunnen formuleren. Het is haar onmogelijk om de redenen voor deze meningen, verlangens en formuleringen te geven.

Wij kunnen van de geest zeggen, dat zij het innerlijk beleven bepaalt, dank zij het weten, dat verder reikt dan het stoffelijk gebied. Dat haar waarderen der werkelijkheid haar het stoffelijke als betrekkelijk onbelangrijk doet zien, zodra zij er geen direct deel meer aan heeft, doch temidden van de veelheid der voor haar bestaande krachten toch haar een zeker beleven in de stof nastrevenswaard schijnt,

Binnen de mens kunnen wij verder opmerken, dat naarmate de beheersing van de geest groter wordt, zich het denken en stoffelijk bewustzijn van de mens steeds meer ontstoffelijkt. Dus van stoffelijke waarden en waarderingen af zal wenden. Vanuit het normaal menselijk standpunt zou men dus kunnen zeggen, dat het beleven en waarderen van uiterlijke waarden meer en meer plaats maakt voor een innerlijk beleven, dat niet meer volgens stoffelijke normen rationeel genoemd kan worden. Naast de geest kennen wij echter nog meer innerlijke waarden, die in de stof geboren zijn, maar door ons gerealiseerd worden, zonder dat wij ons bewust zijn van hun invloed. Ik denk hierbij vooral aan verschillende vreemde factoren binnen het onderbewustzijn. Hierin ligt een reeks zuiver persoonlijke ervaringen. Ervaringen, die soms veel verder gaan, dan denkbaar is in een redelijk stoffelijk beleven, doordenken of doorvoelen. Al wat de geest meebrengt aan invloeden en denkbeelden, wanneer zij voor een kort ogenblik vrij is geweest van de stof, heeft zij dan ook afgedrukt op de hersens. Hierdoor ontstaat een denkpatroon, dat zeer verschilt van het normalere “redelijk” denken. Het volgt dan ook denklijnen, die redelijk niet voorstelbaar zijn. Als resultaat hiervan zal ook het lichaam een aantal waarderingen in zich dragen, die allesbehalve redelijk, zelfs vaak niet reëel zijn.

Toch zijn deze dingen zeer belangrijk, want juist hierdoor is het dat u instinctief, onbewust haast leert werken met geestelijke krachten op dezelfde wijze, als u werkt met de meer stoffelijke krachten, die in uw lichaam aanwezig zijn.

Tegenover al deze waarden vinden wij dan onze uiterlijke wereld. Wat is eigenlijk ons uiterlijk beleven? Het is ons deel hebben in waarden, die stoffelijk in de wereld buiten ons liggen. Een zeer moeilijk iets, zouden wij ons ermee tevreden stellen te zijn, dan zou de uiterlijke invloed eenvoudig kunnen worden uitgedrukt.

Wij zouden dan kunnen zeggen: Alle bestaan en alle uit dit bestaan voortvloeiende beleven, is uiterlijke waarde. Zo is het niet, want wanneer u iets waarneemt, wanneer u in de wereld iets nastreeft, dan zult u zich nooit geheel richten op de stoffelijke werkelijkheid, u richt zich altijd iets er boven, of iets eronder. U over of onderwaardeert dus alle dingen, die u in het dagelijks bestaan meemaakt, of waarneemt.

Het resultaat is dan ook, dat de uiterlijke waarden t.o.v. de werkelijkheid in ons eigen wezen een verschuiving ondergaan in de richting van ons innerlijk wezen, wij kunnen dus nooit op hetgeen buiten ons bestaanbaar, of verwerkelijkbaar schijnt, geheel aanvaarden. Er is daar al een zekere waantoestand ingetreden bij de eerste waardering. Toch bouwen wij op dit wereldbeeld en leven wij daarin. Je kunt niet zonder de uiterlijke waarden bestaan. Want zouden die niet bestaan, of voor ons belangrijk zijn, hoe zou je dan als mens kunnen zeggen: “Ik heb honger”, of “ik ben gelukkig, want de zon schijnt”, of “ik voel mij ongelukkig, want in deze nevel lijkt het wel, of je afgesloten bent van alle bestaan.” Wanneer je zonder uiterlijk kenbare en aanvaardbare wereld dit al niet zoudt kunnen zeggen, hoe zou je dan kunnen zeggen: “Ik leer haten.” of “liefhebben”? Hoe zou je kunnen leren streven binnen deze vaste wereldwaarden? Uiterlijke waarden zijn eigenlijk de voor ons wereldbepalende normen, waarbinnen ons beleven plaats vindt. Toch is de wereld, waarin wij leven, uitdrukkelijk de onze. Niemand kan een wereld kennen, die precies aan de onze gelijk is. De beleving der uiterlijke normen, ondanks de eigenlijke factoren als oorzaken der beleving, verschillen van persoon tot persoon aanzienlijk. Ook de interpretatie van die belevingen zal aanzienlijk blijven verschillen.

U herinnert zich dit misschien nog van de vorige keren. Mijn geachte confrater heeft getracht u toen aan te tonen, dat je met stoffelijke en geestelijke belevingen toch wel in een zekere richting moet gaan streven. Binnen dit onderwerp zou ik dit als volgt uit willen drukken: Van een definitief streven kan alleen dan sprake zijn, wanneer een definitief bewustzijn bestaat. Het enige, dat in menselijke vorm nagestreefd kan worden en nastrevenswaard is, is een vereeuwiging van eigen wezen en toestand. Bewust of onbewust streeft een ieder in zijn uiterlijk beleven naar dit doel. In het innerlijke beleven ken je deze waarden niet zo. Zij komt voort uit de eindigheid van bewustzijn, die de uiterlijke waarden ons opleggen. In de geest bestaat er geen werkelijke tijd, geen angst voor de dood, geen hoop om verder te leven. Geestelijk kun je slechts dit: mens je bestaat, daarmede basta. De uiterlijke waarden en de wereld, waarin wij leven, brengt echter de stoffelijke drang tot continuering van het bestaan, of een deel daarvan, op de voorgrond.

Binnen het bewustzijn drukt zich dit uit op verschillende wijzen. Wij zien het bij de voortplanting. Hierbij gaat de drang tot voortzetting van het eigen “ik”, gepaard met bepaalde begeertevormen, die een hoofdzakelijke psychische oorsprong hebben. D.w.z. dat de vreemde geslachtelijke waarderingen, die in het denkleven liggen het voortbestaan van het menselijke ras zo mede verzekeren.

Wij zien echter ook andere vormen van deze continueringsdrang. Het zijn mensen, die een leven lang zwoegen en ploeteren in de hoop, het stempel van hun persoonlijkheid aan de samenleving op te drukken. De achtergrond ligt hierin de gedachte, dat zo na hun dood tenminste lot van hun beleven en denken onder de mensheid zal blijven voortbestaan.

Een andere vorm is het streven na een voortdurende onveranderde handhaving van de wetten, die in de loop der tijd aan mensen door mensen gesteld zijn. Waar deze wetten en voorschriften in de ogen, der mensen tijdloos schijnen te zijn, zoeken zij daarin een houvast, dat hun eigen bestaan hen niet geeft. Een vastheid van waarden, die zij in het eigen leven zo moeilijk kunnen vinden. Toch is dit ook waan, want met de mensen veranderen de wetten en de interpretaties daarvan voortdurend.

Wanneer ik dus innerlijke en uiterlijke waarden tegenover elkaar moet zetten kan ik zeggen: het innerlijke beleven is de ongeweten zekerheid, waar tegenover de uiterlijke wereld de ongeweten zekerheid is. Hoe kunnen wij nu echter ook in ons begrip deze beide tegen stellingen toch tot een eenheid terugbrengen? In de eerste plaats natuurlijk voor onszelf zoveel mogelijk als een eenheid te beleven en niet te trachten onszelf te zien als gescheiden in twee geheel verschillende factoren. Dit laatste is nl. een fout, die menigeen dreigt te maken, wanneer hij met ons denken, leven en wezen kennis maakt. Men zegt al heel vlug: “Ik ben een geest en wat ik lichamelijk doe is zo onbelangrijk. Ik wil vooral geestelijk leven en voortbestaan”. Men verwaarloost hier het stoffelijke bij. Ook dit is u reeds meerdere malen door anderen gezegd: het is een feit, waaraan wij helaas niet kunnen tornen, u zult het dan ook als zodanig nolens volens moeten accepteren. Om een eenheid te vinden binnen onszelf moeten wij trachten de eigenschappen van stof en geest met elkaar zoveel mogelijk te verenigen. D.w.z. dat de uiterlijke wereld beperkt moet worden tot datgene, wat geestelijk aanvaardbaar is.

Gelijktijdig moeten wij in het innerlijke beleven komen tot een aanvaarding van waarden, die mede ons stoffelijk leven en beleven bevat. Dit lijkt misschien moeilijk, toch is het dat niet. Want hoe veel punten zijn er niet, die stoffelijk lichaam en geest verbinden? Een groot aantal kanalen van uw geestelijke kracht omringt u. Niet alleen binnen uw lichaam, maar ook buiten u zijn deze aanwezig. In het lichaam bevinden zich verder brandpunten, vanwaar de geestelijke kracht uit kan treden, brandpunten, van waaruit de geestelijke vermogens boven de stoffelijke tijdelijk in de wereld kunnen werken en de overhand krijgen: de chakra’s. Ook hierin vinden wij dus een uitdrukking van het geestelijke en het stoffelijke, een vereniging ban de uiterlijke en de innerlijke wereld op stoffelijk vaststelbare punten van het lichaam. Wanneer wij met een chakra in onze wereld werken, dan neemt de geest hierdoor geestelijke waarden en waarderingen waar, maar interpreteert deze door het lichaam in symbolen van uiterlijke waarden en factoren.

Zo wordt bv. een helderziende waarneming geboren, evenals het aflezen van de in een voorwerp berustende psychische krachten. Verder wordt middels deze centra het stoffelijke gebruikt tot uitstraling van geestelijke krachten ter verdediging, genezing e.d. Op deze punten bestaat er dus wel degelijk een eenheid tussen de innerlijke en de uiterlijke krachten. In het zenuwstelsel van de mens schuilt het grote geheim. Hierin pulseert een kracht, die voor de mens volledig aanvaardbaar en bruikbaar is. De uiteindelijke wereld komt voor ons als bewuste waarde nu juist tot stand door de prikkels, die dit zenuwstelsel over brengt aan het stoffelijke kenvermogen, dat gelegen is in de hersenen.

Verder zijn er minder bewuste kleine centra ter beheersing van verschillende reacties. Wij mogen dus zeggen, dat er binnen het menselijke lichaam een kracht bestaat, die, ofschoon stoffelijk in haar waarde, tweeledig gebruikt kan worden, nl. door de stof zowel als door de geest. De zenuw en levenskracht in de mens kan worden gebruikt door de geest en haar eigen krachten tijdelijk ook in de stoffelijke wereld te openbaren en te uiten. Het is de geest hierdoor zelfs mogelijk haar eigen zintuigen waarnemingsvermogen te gebruiken in een zuiver stoffelijke wereld.

Omgekeerd zouden wij dus aan kunnen nemen, dat juist via dit zelfde zenuwstelsel of beter de kracht, die binnen het menselijke lichaam voortdurend aanwezig en actief is de geest waarden aan de stof kan onttrekken. Nu wij echter een verbinding hebben gevonden, een punt van aanraking, zal het ons misschien mogelijk zijn over geest en stof niet meer te spreken als louter tegendelen. U denkt misschien, dat ik in mijn lezing tot nu toe teveel heb gewezen op een wisselwerking en daarmede stof en geest dus erkende als op zichzelf staande factoren. Maar ik draai het nu nog verder om. Ik zei nl. dat de zenuwkracht het middel is waardoor zowel stof als geest binnen het menselijke bestaan tot een realisatie komen. Zij staan dus gezamenlijk tegenover deze kracht als twee verschillende vormen van bewustzijn. Zij trekken echter gezamenlijk en juist door hun tezamen werkzaam zijn, uit deze kracht de baan van het leven. Dan staan zij nu naast elkaar, aan één kant. Tegenover de bewustzijnswaarden van stof en geest komt echter de vreemde vitaliteit te staan, die u zowel doet leven als denken en handelen. Tegenover deze kracht kan ik dus van stof en geest als een eenheid gaan spreken. Echter zijn er consequenties. Wanneer de geest de zenuwkracht kan gebruiken en beheersen, kan zij deze ook dwingen de door haar verlangde wegen te gaan.

Wanneer de stof leert de zenuwkracht en levenskrachten in het eigen wezen te beheersen, dan hebben wij alweer hetzelfde. Ook voor de stof ligt in de beheersing van deze kracht de mogelijkheid bepaalde lichamelijke verlangens en behoeften te verwerkelijken. En wel voor beide krachten, stof en geest, bestaat deze mogelijkheid met heel wat minder bezwaren en moeilijkheden dan bij een onbeheerste levens en zenuwkracht mogelijk zou zijn.

Op het ogenblik dus dat beheersing een deel wordt van ons leven zeker zolang wij in de stof zijn, maar dit geldt ook voor de sferen zijn wij tevens meester, geestelijk en stoffelijk, over onze wereld. Innerlijke en uiterlijke wereld worden vereend in de beheersing van de uitingskrachten. Wanneer dus de beheersing aanwezig is, behoeft de tegenstelling tussen innerlijke en uiterlijke wereld niet meer te bestaan. Zij kunnen in elkaar overgaan, elkaar aanvullen. Welke toestand krijgen wij dan? Het geestelijke bewustzijn overziet veel grotere delen van het bestaan, dan stoffelijk voorstelbaar is. De geheel andere beleving en waardering van hetgeen u hier tijd noemt, het geheel andere inzicht in de werkelijke waarden van het leven, maken het voor de geest betrekkelijk eenvoudig, in dit geval directieven te geven aan de stof, die zowel voor het stoffelijke als voor de door de geest gewenste beleving goed zijn. De geest kan dus richtend optreden, zodra er sprake is van een geestelijke behoefte, terwijl hiervoor capaciteiten nodig zijn, die de stof niet, de geest wel bezit.

De innerlijke wereld geeft voor ons uiteindelijk altijd de richting van de ontwikkeling aan. De stoffelijke zijde van het wezen geeft haar echter de mogelijkheid om vaststaande en buiten zichzelf hetgeen zij nastreeft, te zien onder door haar niet te beheersen omstandigheden. Want de uiterlijke wereld is niet slechts een spiegel, waarin je jezelf ziet. Zij is veel meer.

Zij is het studieboek, waarin de geest bladert, terwijl daarin tevens de correcties worden aangebracht door een Goddelijke Leermeester op elk proefstuk, dat je er in maakt. De geest, die bewust in de stof werkende, in staat wordt gesteld, om via deze stof haar eigen krachten en gedachten in de wereld te verwerkelijken, verwerft zo uit de materie veel meer een normaal menselijk bewustzijn zich denken kan. Door haar vereenzelving met de stof tijdens het menselijke leven, beschikt de geest verder over een vertaalmachine, die elke impuls in het totaal denken der mensheid het bovenbewust zijn in zijn huidige toestand, plus in verleden en toekomstige toestanden kan overzien, de geest kan hierdoor putten uit een groot deel van het totaal menselijke beleven. De geest kan verder vanuit haar eigen wereld en denken de stoffelijke krachten van het lichaam opbouwen tot een veel groter potentiaal en dit doen uitstralen vanuit elk voor haar beheersbaar punt in elke gewenste richting. Hierdoor is zij in staat haar eigenlijke ervarings- en werkingsbereik onder gunstige condities uit te breiden tot zeer ver buiten het door haar beleefde lichaam.

Dit stoffelijke deel van het wezen wordt voor de geest dan een brandpunt van kracht en ervaring, ofschoon de ervaring van het stoffelijke deel natuurlijk in de eerste plaats uiterlijk blijft. De ervaring blijft dus voor de stof altijd in de eerste plaats gebonden aan lichamelijke eigenschappen en stoffelijke omgeving. Voorbeeld. Als je in de bergen bent, blijf je voor je eigen bewustzijn in de bergen, al grijpt de geest vanuit het lichaam ook duizenden malen uit naar de laagvlakten om daar werkzaam te zijn. Zelfs bij een herinnering van je geestelijk werken in de stof, zal een groot deel van de waardering ervoor mede in verband staan met de afstand, die er stoffelijk ligt tussen je eigen wezen en het terrein, waarop je geestelijk werkzaam was. Door dit lichamelijk afstand nemen behoudt de geest ook bij haar uitingen door het lichaam de kracht, om onpartijdig over stoffelijke waarden en omstandigheden te oordelen.

Het volgende voorbeeld: Wanneer er oorlog kan komen en je wilt deze voorkomen, dan zal dit, indien je tussen de mensen in zit, altijd een gelijktijdig eigenbelang inhouden; je vreest de gevolgen en wenst zelf niet in het geweld betrokken te worden maar wanneer je vrij bent van de stoffelijke gevaren en slechts de geestelijke betekenis ziet en verwerkt, dan zie je mogelijk, dat er voor bepaalde krachten een uitlaat moet worden geschapen. Dan zal je nog zeggen; “Ik zou deze oorlog willen vervangen door iets anders, dat minder leed brengt, minder verschrikkelijk is”. Je geestelijk streven is dan echter niet meer gericht op het voorkomen van een oorlog, maar op het scheppen van een noodzakelijke uitlaat met zo weinig mogelijk schade voor de mensen. Je streven is dan; het verwerkelijken van een werkelijk harmonische toestand in de wereld buiten je.

Uit dit voorbeeld alleen al kun je zien, hoe belangrijk het is voor ons en heel onze wereld, dat innerlijke en uiterlijke waarden meer en meer in elkaar over beginnen te gaan. Dit is ook van groot belang voor de geest zelf. Want wanneer de geest vreest haar voertuig te verliezen, dan zal zij ongetwijfeld daardoor een deel van de mogelijkheid verliezen om door middel van dit voertuig in de stoffelijke wereld onpartijdig waar te nemen. Zij zal dan trachten haar voertuig ten koste van alles en allen te beschermen. Hierdoor zal zij zich van het werkelijke leven meer en meer afzonderen en zo voor zich een steeds groter scheiding tussen de innerlijke en uiterlijke waarden van het bestaan tot stand brengen.

Hoe minder je zelf betrokken bent bij het stoffelijke, hoe veel minder je deel hebt aan de wereld door eigen begeren en angsten, hoe veel te meer je vooral ook geestelijk tot stand kunt brengen, hoe gemakkelijker de bewustere geest mede door je werken kunt, hoe groter je eenheid met het Al wordt. Uiteindelijk zullen ook voor ons de uiterlijke en de innerlijke wereld samenvloeien tot één wereld. Er is dan voor ons geen verschil meer tussen stof en geest. Dan spreken wij niet meer over wat wij in de geest of in de stof zullen doen. Er bestaat dan voor ons nog slechts één werkelijk streven, dat alleen maar begrensd wordt door het maximale bewustzijn van de geest en de maximale prestatiemogelijkheid van het stoffelijke. Dit streven blijft geheel in het heden, zonder pogingen tot veranderingen in verleden en toekomst. Daardoor worden wij uiteindelijk bevrijd uit onze persoonlijke wereld van waan. Het geestelijk inzicht in de werkelijke kracht in alle dingen, plus het stoffelijk besef omtrent hun verschijningsmogelijkheid maken voor ons een kosmisch beeld mogelijk, grootser en zuiverder dan een voorstelling geboren uit een van de beide delen van het menselijke wezen ooit zou kunnen zijn.

Daarom is het belangrijk, dat wij te allen tijde trachten ons uiterlijk beleven en ons innerlijke leven steeds weer met elkaar in harmonie, in overeenstemming te brengen. Wat meer is; wij moeten leren langs de weg die voor ons daartoe het meest geschikt is, de eenheid van uiterlijke en innerlijke wereld steeds meer te benaderen. Men moet leren alle dingen op te nemen op elk vlak, dat binnen ons bereik valt. Maar gelijktijdig moeten wij leren onze reactie op dit alles in een aparte impuls te verwerkelijken. Wij hebben een richting van streven. Wij kunnen niet 20 verschillende kanten aan de zaak zien en dan onszelf afvragen; “Ja, maar het lijkt alles even goed, welke kant moet ik nu eigenlijk uitgaan?”

Neen, wij moeten zo reageren; “Dit is mijn stoffelijk, dit is mijn geestelijke kennen. Mijn streven is dit. Onverschillig wat vanuit een ander standpunt aanvaardbaar zou zijn is dit mijn leven. Al wat dit helpt verwerkelijken is dus mijn weg. Voor mij bestaat er geen andere. De eerste noodzaak voor ons allen is een doelbewustheid van streven.

Nu zult u vragen: Hoe is dit voor ons te bereiken? In de eerste plaats is het nodig je lichaam een zekere discipline op te leggen. Dit behoeft nog lang niet de richting uit te gaan van het yoga. De leer van het yoga met zijn vele varianten kan soms nuttig zijn voor verschillende bereikingen op dat gebied.

Deze leer met al haar oefeningen en mogelijkheden blijft toch steeds alleen maar een weg. Zij is nooit het doel zelf. De weg, die wij kennen, is onbelangrijk op zich, wanneer zij ons maar tot het juiste doel leidt, één doel, dat wij onszelf moeten stellen is; innerlijke eenheid, innerlijke stabiliteit. Naast het lichaam, waarover wij meester moeten zijn, met al zijn angsten, en begeerten volgt de scholing van het denken. Deze scholing van het denken zal moeten uitgaan van de meditatie. U vraagt, wat er met meditatie te bereiken valt, wat zowel geestelijk als stoffelijk is?

Een meditatie betekent het stoffelijk overpeinzen van bepaalde waarden, die zeker niet altijd in het abstracte behoeven te zijn. Je kunt mediteren over het lijden, de verlangens, de angsten van de mensheid. Maar ook over geestelijke krachten, die rond je zijn, over de wereld, die je kent, over de zee, de aarde, de zon, de maan. Mediteer rustig over de dingen, die je kent. Maar bij de meditatie zal het verzonken geraken in het onderwerp voor de geest de mogelijkheid scheppen en ook al gaat het vooral in het begin via het onderbewustzijn de mogelijkheid geven de reeks van gedachten te leiden.

Om dit nog eens met andere waarden te herhalen: het beeld en de daaruit verder ontstane voorstellingen, uiterlijk als zij mogen zijn, worden innerlijk geleid en opnieuw gegroepeerd gemaakt tot een innerlijk bewustzijnsbeeld. Wanneer wij dan door de meditatie zijn gekomen tot een punt, waar wij een meeleven mogelijk vinden met alles rond ons, komt de tweede fase.

Deze draagt in zich als hoofdwaarde de contemplatie: de beschouwing. Het is nu niet meer de zaak, de dingen te gaan overwegen en te gaan overdenken. Wij moeten ze beschouwen. Wij stellen ons de dingen steeds intenser voor, tot zij binnen ons verwerkelijkt zijn. Wij moeten hiermede trachten een deel van de wereld buiten ons tijdelijk als bewust deel van het “ik” binnen ons wezen te plaatsen. Een realisatie van deze uiterlijke waarden binnen onszelf betekent een veel grotere eenheid, die er mee bereikt kan worden. Wat meer is wij bereiken een bewustzijn van eenheid, dat niet meer kan worden uitgedrukt in het redelijke. Zij ligt ver boven de rede in het gebied van het geestelijke. Deze geestelijke eenheid met de waarden rond ons is dan de volgende toestand. Wij kennen nu een veelheid van vormen, maar in onze contemplatie wordt uiteindelijke de werkelijke betekenis hetzelfde steeds weer; een punt, een kracht. Zo brengen wij binnen onszelf heel het heelal terug tot een punt; kracht. Onze eigen belangrijkheid verdwijnt. Hiervoor in de plaats komt een beleven der werkelijkheid, dat ik vanuit menselijk standpunt haast leeg zou willen noemen.

Er bestaat nog een kennen, een denken. Ook in die toestand kun je nog op aarde bestaan en leven. Maar het is toch niet meer vervuld van verlangen en vrezen, van gedachten vol geestelijk, of stoffelijk belang, die normalerwijze het leven van mens en geest in en rond ons is het stil en rustig, in deze rust bouwt er zich iets op in ons, dat niet meer met woorden of vorm beschrijfbaar is. Dit is dan de volgende fase. Het één worden met een kracht, zo vreemd en groot, dat je geneigd zou zijn haar vanuit het stoffelijke standpunt “God” te noemen of de Schepper. Vanuit ons beperkte standpunt is hij niet kenbaar en daarom zou je Hem misschien het duidelijkst nog Het Eeuwige kunnen noemen.

Het Goddelijke is in onze fase van bewustwording voor ons bewustzijn negatief. Het is er wel, het werkt wel te allen tijde in ons, maar het ligt zo ver boven ons eigen vlak van begrip, dat het voor ons niet als realiteit in zijn werkelijke vorm kenbaar is. In de fase, die ik het laatst noemde en de daarop volgende fase, wordt het echter meer en meer kenbaar. Want de scheppende Kracht gaat nu binnen en met het wezen. “ik” dat nu uiterlijkheid noch innerlijkheid kent, doch dat het wezen zelf meer en meer bewust deel wordt van het scheppende werk der Goddelijke Kracht. Dit is een soort nirwana toestand, een toestand van bewust deel hebben aan de Schepper en Zijn Schepping in schijnbare daadloosheid, waarbij de eigen kracht onmiddellijk gericht en geregeerd wordt door het Goddelijke. Deze vorm bereik je niet meer op aarde, want in deze toestand ben je geen mens meer, noch menselijk kenbaar. Toch wacht ons nog een volgende stap.

Van het niet-actieve, dus het geleid worden door deze kracht, moeten wij nog komen tot de bewuste deelname. In onvolmaakte woorden kan ik hiervoor het best de uitdrukking “bewust en met de scheppende Krachten” gebruiken. Boven alle dingen bestaat er een beeld, een patroon, die de gehele scheppingsprocedure met u al zijn wetten en verschijnselen in zich draagt. Tot nu toe, zelfs in deze nirwana toestand, zijn wij hierdoor onbewust geregeerd geworden. Wij maakten misschien op de duur deel uit van de sjablone maar wisten niet welke oorzaak zij had, noch wat haar werkelijke en totale betekenis is. Nu worden wij echter actief binnen de Goddelijke Kracht. Wij werken uit eigen wil en volgens ons eigen bewustzijn, terwijl wij de eigen realisaties in ons werk verwerken. Het is ons, of de hele wereld in ons bestaat, of alles ook in ons leeft. Voor ons bewustzijn bestaat er dan geen uiterlijkheid meer, maar van een innerlijkheid kunnen wij al evenmin spreken, omdat er niets meer buiten ons voor ons bestaat. Wij zijn terug gekomen tot het eenpolige wezen.

En in deze voor ons nog onbegrijpelijke toestand, zullen wij dan de oplossing vinden van het raadsel, dat leven heet. Dan wordt ons het raadsel onthuld, dat men hier nog Schepper en Schepping heet, of Algeest, of kosmische Kracht. Hoe kan ik u niet zeggen, zover reikt noch mijn eigen ervaring, noch hetgeen ik op kan vangen van mijn leermeesters. Ik kan u alleen zeggen: Hier is het punt, waarop voor ons geen buiten en geen binnen meer bestaat, geen “ik” en niet “ik”. Een punt, waarop voor ons volgens ons huidig bewustzijn geen tegenstellingen meer bestaan. Toch zullen wij ook dan gelijkelijk zijn aan hetgeen wij reeds nu zijn, d.w.z.een samengesteld en complex wezen, waarin de tweeheid van waarden stof en geest nog steeds zal bestaan. Dan zullen wij een wezen zijn, dat op alle voorstelbare vlakken van stof en geest bewust zijn heeft. Zoveel weet ik wel zeker.

Mijn conclusie is dan ook, dat innerlijke en uiterlijke waarden een splitsing in ons wezen betekenen, die door ons eigen onbegrip wordt veroorzaakt. Innerlijke en uiterlijke waarden steeds meer tot eenheid brengende, zullen wij dan ook de werkelijkheid nader komen steeds. Maar wij zullen, naar ik meen, de werkelijkheid eerst kennen en geheel beseffen, wanneer wij haar niet alleen ondergaan, maar er actief deel van uitmaken.

  • Is die sjablone iets, waardoor wij reeds in bepaalde banen zijn geleid, zodat ons lichaam deze waarden volgt?

Indien dit waar was, zou de geest, die als mens op de wereld komt, erg gelukkig zijn. Want elke geest, die als mens ter wereld komt, is een geest, die uiteindelijk naar net licht verlangt. Indien wij door deze sjablone in de juiste banen worden geleid, zal de licht zoekende geest, die op aarde komt, een lichaam ontvangen, dat reeds lichtend en vrij is en dus door de zoekende geest zonder eigen streven van dit lichaam tot een steeds lichtender begeerteloos bestaan wordt geleid. Maar dat is niet zo. De wereld geeft ons geen werkelijkheid uit het Goddelijke. Wij zullen ons waanbeelden scheppen. Juist de geest in de stof heeft geen juist beeld meer van de werkelijke verhoudingen. Daardoor ben je bang voor dingen, die onbetekenend zijn, terwijl je vaak dingen als onbelangrijk beschouwt, die in feite voor jou van grote waarde zijn. Dit alles gebeurt juist, omdat je als mens alles stoffelijk waardeert. Hetgeen ik gezegd heb, klinkt u naar u zegt als iets, wat je aan moet voelen. Ik meen, dat u een groot gedeelte van hetgeen ik gezegd heb, uiteindelijk zult kunnen begrijpen, dus stoffelijk redelijk zult kunnen volgen. U zult het dan waarschijnlijk filosofie noemen. Een deel zal echter aan uw aller redelijk begripsvermogen ontgaan. Wel kunt u misschien aanvoelen, dat het juist is. Maar in het kiezen van mijn woorden heb ik een dubbele semantiek gebruikt. In de eerste plaats een woord betekenis binnen het filosofisch redelijke; in de tweede plaats woorden, die in deze context een geestelijk intuïtieve waarde hebben.

  • Maar dat staat buiten mij.

Indien het buiten u zou staan, zoudt u een dier zijn. Dat neem ik toch niet aan. U bent mens. Juist daardoor maakt het bovenzinnelijke, het geestelijke en het intuïtief geestelijk aanvoelen een deel uit van al uw beleven. Indien u voor uzelf mens meent te zijn, dan houdt dit in, dat u deze kwaliteiten bezit. Het lijkt mij niet meer dan redelijk, dat u ook deze leert gebruiken. Vandaar, dat ik een gedeeltelijk beroep op vooral geestelijke kwaliteiten in u tijdens mijn betoog verantwoord vind. Indien u gewend bent stoffelijk, misschien zuiver materialistisch te denken, dan kan ik mij voorstellen, dat u een ontwaken van geestelijke kwaliteiten in u niet aangenaam zoudt vinden. Dit zou immers betekenen, dat u uw gehele leven in verhouding hiermede zult moeten wijzigen.

Maar bij een inzien van de waarde, die het geestelijk leven binnen u heeft, is een dergelijke toestand voor een geestelijk strevende mens niet alleen aanvaardbaar, maar zelfs begeerlijk. Vele mensen stellen echter de praktijk, de veelheid van stoffelijke waarden zozeer voorop, dat zij vast blijven houden aan gewoonten, gebruiken en waarderingen, die op zich nadelig zijn. Zij houden zich daaraan echter vast, omdat zij menen zonder deze niet te kunnen bestaan in de stof op de wijze, die zij juist door een verkeerde waarderingen voor zich wenselijk achten.

Wanneer de ontwikkeling zover komt, dat ook de doorsneemens leert begrijpen, dat zijn gehele wereld voor het grootste gedeelte uit psychische factoren en remmingen bestaat, die met de stoffelijke werkelijkheid weinig of niets te maken hebben, dan geloof ik, dat men ook de nodige beheersing over zichzelf ook wel zal krijgen. Een dergelijke erkenning zou voor velen reeds nu mogelijk zijn, maar dit houdt een verwerpen in van het leven, dat men tot nu toe heeft geleid. En juist dit is iets, wat de doorsneemens helemaal niet graag doet. Hij is, nl. niet in staat te onderkennen, dat een ontkennen van de bestaanswaarden in zijn bestaan tot nu toe gelijktijdig een vast stelling van een bereikt bewustzijn in het heden betekent. Deze mens meent integendeel over het algemeen, dat hij door een erkennen van fouten in het verleden zijn huidige persoonlijkheid schaadt.

  • Maar een aanvaarden van deze theorieën betekent veel moeilijkheden in het dagelijkse leven.

Ja. Deze opmerking bewijst mij, dat u zich in hetzelfde stadium bevindt als de meeste mensen. U voelt de waarheid wel vaag aan, maar vreest de consequenties daarvan zozeer, dat u liever in een gedeeltelijke waarheid dit houdt dus een gedeeltelijke onwaarheid in dan te leven naar de waarheid, die u reeds enigszins in u erkent.

  • Dan zou je kluizenaar moeten worden.

Dit ben ik niet met u eens. Wanneer je alleen maar zoudt trachten aan je geestelijke verplichtingen tegenover de rest der mensheid te voldoen, heb je je handen voorlopig wel zo vol, dat je niet eens tot de beschouwelijkheid van de kluizenaar kunt komen. Een werkelijk goede kluizenaar wordt dit pas nadat hij eerst bewust zijn eigen plaats in de wereld heeft gevonden. Wanneer hij deze in stoffelijke zin op een geestelijk bevredigende wijze heeft gevonden, zal hij zich uit de wereld terug trekken, omdat voor hem daarin geen belangrijke bereiking meer mogelijk is .

Zo begint hij dan in stilte en eenzaamheid binnen zichzelf te zoeken naar nieuwe mogelijkheden en waarden, heeft hij dezen gevonden, dan tracht hij ook dit weer uit te dragen in de wereld, onverschillig of dit het beste geschiedt langs een geestelijke of een stoffelijke weg.

  • Geestelijk? Hoe dan?

Door gedachteconcentratie en eventuele projectie van de persoonlijkheid. De gevoeligheid en handelingsbekwaamheid van een persoon kan ook reeds normaal betrekkelijk ver buiten de stoffelijke persoon worden uitgebreid. Dit gaat van de eenvoudige gevoeligheidsproeven in hypnotische trance af tot de bereikingen van sommige fakirs en magiërs. Ingewijden kunnen soms zelfs op twee plaatsen praktisch gelijktijdig kenbaar aanwezig zijn om daar hun streven te verwerkelijken.

Denk maar aan het verhaal over Appolonius. Om 3 uur werd hij te Rome veroordeeld en nog geen uur later ontmoette hij zijn leerlingen op het zeestrand. Een afstand zo groot, dat het zelfs me de modernste verkeersmiddelen niet eenvoudig, zo mogelijk geweest zou zijn om er in die tijd te komen. De ingewijde kan dit echter alleen, doordat zijn persoonlijkheid een zodanig groot bereik heeft, dat een concentratie op een deel van dit bereik voldoende is om daar stoffelijk aanwezig te zijn.,

  • Hoe kan die dat? Door het uitstralen van gedachtekrachten? B.v. ten bate van de vrede?

Bijvoorbeeld. Maar daar dient dan bij te worden vermeld, dat de gedachte werkzamer wordt buiten het “ik”, naarmate het gehele eigen leven meer op het verwerkelijken van de vrede gericht is. Bij sommigen betekent dit wel een zeker nadeel in hun gedachtekrachten. Want aan de ene kant zijn deze wel bereid de vrede na te streven in het grote, maar aan de andere kant kunnen zij het vaak niet laten buurman of buurvrouw zo nu en dan eens een trap achterna te geven. Dan wordt hierdoor de betekenis van hun geestelijke werking sterk beperkt.

  • De grote geestelijke werking houdt m.i. een verslapping in van de tegengerichte werking in het kleine.

Alleen indien de grote werking primair plaats zou kunnen vinden, maar waar het bewustzijn in de eerste plaats aan het stoffelijke beleven is gekoppeld, zolang men zich dus niet heeft weten te ontworstelen aan een reëel beleven met daarnaast een innerlijk beleven, dat anders gericht is, krijgen wij in het voorstellingsvermogen het primaire belang van het stoffelijke. Zo zal zij het via het onbewuste een remming optreden bij elk beleven van een geestelijk streven naar vrede door een aanvoelen van eigen geschapen onvrede in het dagelijkse stoffelijke bestaan. Daarom dus een vermindering van kracht,

  • Ik probeer dit te begrijpen, maar ik begrijp het niet.

Wanneer wij kunnen komen tot een aanvoelen, bereiken wij een begrijpen, dat ligt buiten, maar boven het redelijke begrijpen. Het redelijke, waarop u wilt wijzen houdt een afdalen tot een zuiver stoffelijke denkwijze in. Zoals reeds gezegd heb ik hier voortdurend een beroep gedaan op het stoffelijke maar daarnaast op geestelijke waarden. Deze laatsten moeten dus wel in het bovenzinnelijke en niet meer verstandelijke redelijke liggen.

  • Wanneer u het heeft over kosmische patroon, kunnen wij dit dan gelijk stellen met het scheppend vermogen? Kan men daarin de toekomst kennen?

Beter lijkt het mij te spreken over de eigenschappen van het Wezen, de Schepper, Die de schepping bepalen. Indirect houdt dit een kennen in van wat ons thans toekomst lijkt, want bij een kennen van het patroon, is er geen verleden en geen toekomst meer, maar alleen nog de Goddelijke eigenschap. Wat wij verleden en toekomst noemen is uiteindelijk het voor ons kenbare verschijnsel van een scheppende waarde, die onveranderlijk en vast is, tot ervaren der tijd ontstaat door een voortdurend veranderen van onze instelling t.o.v. deze kracht.

  • Men zegt: wie zichzelf kent, kent de toekomst. Kunnen wij dan zeggen, dat in dit geval het Zijn wordt gerealiseerd, terwijl het “ik” uitgeschakeld is?

Dat is een mogelijkheid. Maar wanneer wij spreken over een uitschakelen van het “ik”, komen wij bij het aanschouwen van onze toekomst toch weer enigszins in tegenspraak met het kennen van het “ik”, dat u stelt. De uitschakeling van het “ik” ontkent tijdelijk het “ik”. Door de tijdelijkheid van de uitschakelingen zijn realisaties mogelijk omtrent onze gehele ontwikkeling, nadat wij weer tot het “ik” terugkeren. Daarin ligt het eigenaardige van ons aller wezen. Wanneer wij het “ik” ontkennen, tijdelijk of voorgoed negeren, dan ontkennen wij daarmede alle waarden die uit onze eigen voorstellingswereld voortkomen omtrent eigen wezen en Zijn. Binnen deze verloochening van de uit ons voortkomende waarden, vinden wij echter de werkelijkheid, waarin wij binnen het Goddelijke bestaan.

  • Het lijkt mij eerder een realiseren van het Al dan een verliezen van het “ik“.

Het is een verliezen van de waan, dus de voorstelling omtrent het “ik”. Dit ben ik direct met u eens. Maar wat is het “ik”: in onze voorstelling? Is het niet uiteindelijk een reeks van eigenschappen en kwaliteit, die wij aan onszelf toekennen? Wij bouwen onze voorstelling dus op uit begrenzingen en bekwaamheden. Bij een zich verliezen in het Goddelijke vallen de begrenzingen weg, waar deze in het Goddelijke niet kunnen bestaan. De bekwaamheden zijn deel van de waarden in het Goddelijke en als zodanig niet meer iets specifieks persoonlijks. Alle waarden, die wij dan “ik” hebben genoemd, bestaan dan voor ons ook in alles, wat wij nu noemen “zijnde buiten ons”. Zo blijft van de persoonlijkheid alleen het bewustzijn en vermogen tot ervaren over als de werkelijkheid van het “ik” binnen het Goddelijke. Indien wij dit “ik” willen noemen, zeg ik akkoord.Maar dan is er toch veel verloren gegaan, wat oorspronkelijk dit “ik” als persoonlijk zag en daardoor het bewustzijn van het Goddelijke verwijderd heeft gehouden. Wanneer men dus zegt en schrijft: Ken u zelf, dan wordt daar uiteindelijk gezegd: “Realiseer je, wat je bent. Want indien je weet, wat je bent in elke fase van het bewustzijn, dan zul je ook weten, dat de uiterlijke stoffelijke en geestelijke waarden niet het werkelijke “ik” zijn, maar dat hierachter een andere kracht als het werkelijke wezen moet staan. Deze kracht is dan volgens mij de Goddelijke Kracht, waarin wij opgaan.

  • Dus de bewustwording van het Zijn?

Bij de verhandeling over het tijdloze werd een voorbeeld aangehaald over water, dat vloeide van een afdeling onbewust naar een afdeling bewustzijn. Als illustratie van het tijdloze lijkt mij dit erg ongelukkig, want er is hier sprake van een verandering in een zijnstoestand. Waar verandering is, is tijdsbegrip. Tenminste voor ons mensen. Maar deze verandering bestaan alleen in en niet buiten de maten, waarin het proces plaats vindt. Er zijn dus in het “ik” belevingsmomenten, maar er is geen relatie met andere verschijnselen, dus een meetbaarheid door vergelijking. Wat meer is: dit proces kan zich afspelen in onvoorstelbaar lange of onvoorstelbare korte tijd, gezien vanuit het standpunt van een ander. Voor die andere kan dus een tijdswaardering hiermede worden verknoopt.Maar waar de beleving der bewustwording voor het wezen zelf gelijk blijft, ondanks de waarderingen, die anderen daar mogelijk voor geven, mag in het”ik” niet worden gesproken van een tijd, doch wel van een belevingswaarde.

  • De ziel is besloten in het Goddelijke. Maar van zichzelf is zij zich niet bewust. Hoe kan het Goddelijke Zich niet bewustzijn van Zich Zelf?

Het Goddelijke is zich bewust van het Goddelijke in Zijn totaliteit. Waar elk deel van het Goddelijke alle eigenschappen van het Goddelijke in zich zal hebben en bewaren te allen tijde. Zij blijft zich echter van haar als kern van een afzonderlijk wezen bestaande waarde en eigenschappen onbewust, omdat deze binnen het “ik” niet geuit zijn. De ziel is eeuwig, maar tevens een tijdelijk afgescheiden deel van het Goddelijke, dat door zijn wezensaard voortdurend met het Goddelijke verbonden is. Zij kan dus niet los daarvan worden gezien, ofschoon zij gelijk als beperkte levenskracht binnen het “ik” zijn rol speelt. In deze functie ontstaan uit en krachtens het Goddelijke is zij dus wel degelijk begrensd t.o.v. het totaal Goddelijke, ofschoon zij alle eigenschappen van het Goddelijke nog steeds als potentie in zich draagt.

  • Er is hier toch een tegenspraak der termen, waar het Goddelijke als deel niet van Zichzelf bewust is, terwijl het Goddelijke gelijktijdig van alles, dus ook van zichzelf bewust moet zijn.

Ik zou zelfs willen stellen, dat het Goddelijke geheel van Zichzelf bewust is door zijn uiting en zich dus als geheel ook bewust is in elke uiting. Maar de uiting van het Goddelijke in het deel “ziel” houdt in zich het potentiaal van dit bewustzijn in het deel.

  • Waarom dan een streven om een bewustzijn van jezelf te verwerkelijken?

Omdat hier de bewustzijnswaarde “geest” geheel door u buiten beschouwing wordt gelaten. De geest is de waarde van het bewustzijn, waarin de ogenblikkelijke toestand binnen het geheel in haar gerealiseerde vorm van de ziel, als deel van het Goddelijke werkende met delen van het Goddelijke zich aan het Goddelijke bewustzijn toont, maar tevens een beperking van haar persoonlijkheid ervaart, waar zij zich van de andere delen der geuite Goddelijke Kracht slechts als buiten haar bestaande bewust is.

Uit eindelijk valt echter ook voor de geest de begrenzing van het “ik” weg en is ook in dit deelbewustzijn dus de reeds bestaande eenheid ziel, Goddelijke Kracht, een aanvaarde werkelijkheid geworden. Potentieel is dit, voortdurend binnen het wezen aanwezig. Maar wij kunnen moeilijk onze eigen persoonlijkheid vanuit het Goddelijke gaan ervaren. Het is zo, dat wij niet van de ziel bewust zijn, ofschoon wij haar wel beleven. Voor ons kan het bewustzijn nooit het standpunt van het Goddelijke bereiken, voor ons wezen een bewust zijn heeft bereikt, waarbij het zich op kan lossen in het Goddelijke. Wij moeten dus aannemen, dat waar de eigenschappen van het Goddelijke volledig in de ziel tegenwoordig moeten zijn, dat een realisatie van onze ware toestand eerst mogelijk zal zijn, wanneer de inhoud van ons bewustzijn gelijk is aan de waarde en inhoud van de ziel. God kent echter geen beperking door tijd en ervaart dus op hetzelfde moment het totale bewustzijn en alle fasen van de in Zijn wezen bestaande begrensde bewustzijnsvormen, waaronder ook wij behoren.

  • Hoe kan een bewustwordingsproces zich in het tijdloze afspelen, waar het proces worden tijd impliceert?

Omdat in het tijdloze verandering mogelijk is, zonder dat deze meetbaar is langs vaste maatstaven, hetgeen meetbaarheid eveneens door het begrip tijd wordt geïmpliceerd. Het is juist het meten van momenten, dat ons over tijd doet spreken, wanneer in mij iets plaats vindt, dat met waarden buiten mij niet vergelijkbaar is, kan ik niet meer van tijd spreken. Er is een ondergaan zonder vaste waardering, waardoor in plaats van tijd een beleving optreedt. Deze kan oneindig zijn in beide richtingen. Onmeetbaar groot of onmeetbaar klein. Van meting kan niet meer worden gesproken op het ogenblik, dat geen meetbare waarden meer aanwezig zijn. Dan zeggen wij: het tijdloze.

  • Uw lezing zegt mij niets. Uit het grote boek leren wij niet te zorgen voor morgen.

Ongetwijfeld waar. Maar er staat ook geschreven – zij het niet met deze woorden – dat men de taal moet opwekken van hen met wie men spreken wil. Dit houdt dus in, dat wanneer je je eigen weten uit wilt drukken in een primitievere taal, je een begrip zult moeten wekken voor de inhouden van je eigen wereld en de waarden daarvan om althans enig begrip te wekken. Dit trachten wij hier te doen.

  • Ik kan hierin geen waarde vinden. Misschien weet u meer dan ik. Dan weet u meer dan Jezus. Ik hoor alleen maar vele woorden, maar zij betekenen niets.

Dat laatste schijnt mij een sterke stelling. Mag ik vragen wel deel van de persoonlijkheid, die Jezus genoemd wordt, wordt door u bedoeld?

  • Wanneer u het over delen van Jezus heeft, dan weet u niet, wie Jezus is. 

Juist. De persoon Jezus, waarover u spreekt, is een voorstelling, die in u leeft, maar die zo toch buiten u geen werkelijkheid was. Ik weet niet meer dan Jezus, waarschijnlijk zal ik ook niet minder weten dan Hij, omdat dezelfde krachten, die Hem en Zijn werk op aarde hebben bijgestaan, ook mij bijstaan in mijn eigen wereld en bij mijn werken in uw wereld.

U sprak over weten. Ik spreek over begrijpen want uw begripswereld berust op een persoonlijk beleven en persoonlijk ervaren. Dit heeft u geleid tot een vermeende erkenning die met uw sfeer van bewustzijn harmonisch, dus in overeenstemming, is. Ik wil graag toegeven, dat ons streven met u niet harmonisch is, omdat ons streven in de eerste plaats gericht is op het benaderen van het redelijke element in de mens. Wij trachten op de duur het redelijk ervaren met het bovenzinnelijke wat bij u opgaat in een geloofservaren in overeenstemming te brengen. Want wij geloven niet in een onredelijk geloof. Een geloof, dat zich onttrekt aan een praktisch beleving en erkenning wordt tot een geestdrijverij, die feitelijk geen enkel werkelijk doel kent. Dat is juist het bezwaar, dat wij hebben tegen zovele vormen van geloof, tegen zovele leerstellingen op deze aarde. Dit bezwaar gaat van vele stellingen in christendom en boeddhisme tot bezwaren tegen stellingen en praktijken in vele mystieke scholen toe. Op het ogenblik dat er een scheiding optreedt tussen redelijk denken en innerlijk aanvaarden, is het voor ons niet meer aanvaardbaar. Want wij geloven in de mens en de geest als een eenheid. Een eenheid van wezen, die bestaan moet te allen tijde, omdat hetgeen door God geschapen is als eenheid niet te scheiden is, ondanks de vele pogingen, die daartoe worden gedaan door minder bewusten. Zo kan ik mij begrijpen, dat u gevoelt, dat ik niet weet, wat u weet. Ik weet zeker meer dan u, ik meen op grond van dit weten, dat bv. uw geloof nog de rationalisatie ontbeert, die voor een geheel en oprecht beleven daarvan in alle werelden noodzakelijk is. Het blijft natuurlijk een persoonlijke kwestie, vanuit uw denken heeft u volgens uw geloof ongetwijfeld gelijk, voor u is dit zo. Maar ik voor mij moet mijn uitdrukkingen, mijn werken, mijn betogen richten op datgene, wat binnen het redelijke aanvaardbaar kan worden en zo leiden tot een eenheid in het stoffelijke en geestelijke beleven. Wanneer ik werk met een lichaam in de stof dus een medium, of ik werk in mijn eigen wereld dan moet ik mijn werk steeds blijven baseren op twee punten.

In de eerste plaats op mijn eigen ervaren, beleven en weten. In de tweede plaats op het weten, beleven en ervaren van anderen, die ik tracht te benaderen.

U zegt: Ik heb een hele hoop gehoord. Maar elk woord op zich draagt een betekenis. Wanneer u mij dus zegt: Ik heb alleen maar vele woorden gehoord, dan zegt u daarmede tevens; Hun betekenis is mij ontgaan. Wanneer u echter over de waarde van mijn rede oordeelt op grond van het feit, dat de betekenis van mijn woorden u ontgaat, vraag ik mij af, of de fout alleen bij mij ligt of ligt zij misschien in het verschil van wereldaanvaarding, dat tussen ons bestaat?

Een tweede vraag is deze: Werd dan – ondanks de redelijke gedachtereacties, die ik waarnam – zo weinig begrepen dat ik veel dichter bij stoffelijke waarden en in de stof erkende dogma’s moet blijven om begrepen te worden? Ik hoop voor mijzelf, dat dit niet zo zal zijn. Want het lijkt mij tragisch, wanneer je alleen maar laag bij de grond moet zijn, of onmiddellijk in de waarden van het onbegrepen zuivere geloof overgaan. Want dit zijn tegenstellingen.

Het geloof is onredelijk en de rede, verwerpt op haar beurt het geloof. Wanneer wij echter trachten om ons geloof te rationaliseren om tot harmonie met de rede brengen, dan hebben wij voor de uitdrukking van de in ons levende waarden die veelheid van woorden nodig, die u zo weinig kon zeggen. Wanneer ik nu iets gezegd zou hebben , dat de gedachte wekt, dat ik u iets minder achten zou dan mijzelf , hoop ik dit nog recht te kunnen zetten.

Zolang als ik eerlijk streef en u eerlijk streeft zullen wij elkaars gelijke zijn binnen het grootkosmische. Of wij ook in streven en weten elkaars gelijken zijn, zullen wij pas kunnen beslissen, wanneer wij beiden zover gekomen zijn, dat geschillen als dit voor ons beiden niet meer mogelijk zijn.

  • Wij zijn hier toch om te leren?

Dat is inderdaad de veronderstelling, waarvan wij uitgaan. Maar dit houdt in, steeds weer iets te brengen, dat nog niet bekend werd en dus nadenken noodzakelijk maakt.

Wat mijn lezing betreft: ik meen nog steeds, dat deze goed was, waar zij binnen betrekkelijk weinig tijd een beeld gaf van bepaalde kosmische toestanden en waarden, in ons en zo ongetwijfeld aanleiding zal zijn tot vele gedachten.

  • Geloof is onredelijk. Om misverstanden te voorkomen zou ik u willen verzoeken hier nog wat nader op in te gaan.

Is eigenlijk een taalkundige kwestie. Rede komt overeen met verstand. Redelijk kan dus worden vertaald met verstandelijk te volgen, begrijpelijk met het verstand. Onredelijk is dus niet vallende binnen de grenzen van het verstandelijk aanvaardbare. Ieder zal met mij eens zijn, dat geloof iets is, wat niet verstandelijk aanvaardbaar, of bewijsbaar gemaakt kan worden. De kern van het geloof is een gevoelskwestie met daarop volgende een aanvaarding. Een innerlijk weten kan het geloof nog zijn. Maar zelfs dan zet ik het gevoel als voorwaarde nog steeds voorop, want wanneer iets niet met het verstand te begrijpen, te bewijzen is en je aanvaardt het toch, dan moet het in je iets beroeren. Anders geloof je niet. Geloof is iets, dat niet bewijsbaar is.

Op het ogenblik, dat de stelling, waarop het geloof berust, voor het verstand bevattelijk bewezen kan worden, is het geen geloof meer. Hiermede. heb ik dan mogelijk misvattingen dan waarschijnlijk al weer recht gezet. Maar ik wil toch nog graag iets verder gaan. Ik meen nl. te kunnen zeggen, dat geloof voor ons een noodzaak is. Het geeft niet wat, maar iets geloof je toch altijd.

M.i. komt dit voort uit het feit, dat zowel de mens als de lagere geest wel degelijk aanvoelt, dat zijn leven niet volledig is. Hij tracht het aangevoelde tekort aan te vullen. Hij kan dit op vele verschillende manieren doen. Zelfs wanneer hij zegt: Ik ben materialist, dan gelooft hij nog, dat al hetgeen hem als wens voor ogen zweeft, uiteindelijk materieel verwerkelijkbaar zal zijn. Bewijzen kan hij dit niet. Andere mensen zeggen: “De bijbel is door God ons geopenbaard”. Ja, ook dat moet je dan maar geloven. Want hoe wil je dat bewijzen? Deze mensen zullen dan onmiddellijk zeggen: Uit de bijbel zelf”. Maar hoe kun je iets, dat onder discussie staat, bewijzen te zijn, wat jezelf beweert door het zelf als bewijs te citeren? Je moet dit maar aanvaarden.

Wanneer men zegt: “Jezus is God,” dan moet je dat ook maar aannemen. Het gaat zelfs zover, dat iemand, die op een wetenschappelijk bewijs staat, u zal zeggen; “U zegt nu wel, dat Jezus heeft geleefd, maar bewijs dat eens”. Dat kun je niet. Dat moet je ook maar aannemen. Denk erom, dit laatste zeg ik niet. Volgens onze waarnemingen, die heel wat redelijker en reëler zijn dan uw aannemen of verwerpen zonder mogelijkheid tot waarneming, wijzen erop, dat Jezus inderdaad geleefd heeft. Wat meer is, ook op het feit, dat Hij aan het kruis is gestorven. Dat laatste wordt nl. wel eens bestreden. Maar voor u blijft dit een geloof. Wanneer wij zeggen: “Er bestaat een God”, dan is dit iets, wat wij uiteindelijk ook niet kunnen bewijzen. Wij kunnen het aanvoelen, aannemelijk maken, zeker, maar aannemelijk maken kan ik zoveel. Ik kan wel aannemelijk maken, dat mosterdkleur de grote mode zal zijn van het volgende seizoen. Maar daarom behoeft dat nog niet waar te zijn. Ook dat is iets, wat je maar moet geloven.

Onze wereld, of wij nu leven in de geest of in de stof, tenminste zover ik de sferen ken maakt ons steeds weer bewust van een zekere begrenzing, een zekere eindigheid, in ons, leven, in ons bewustzijn, die voor ons niet te aanvaarden is.

Wij zeggen dan: “Ik sta hier nu wel met mijn redelijk weten, maar er is nog meer. Wanneer ik dit niet kan bewijzen, dan wil ik toch dat, wat waar zou kunnen zijn voor waar aannemen, tot het tegendeel voor mij bewezen is. Dit geldt natuurlijk alleen voor de wezens, die redelijk geloven zover dit mogelijk is. Er bestaan ook gelovigen, die zeggen: “Al bewijs je nu honderd maal, dat het niet waar is, ik blijf toch geloven.” Dat zijn de eigenzinnige. Hun geloof is niet onredelijk, maar redeloos.

Het moeilijke met een eigen geloof is nu, dat onverschillig, wat je denkt, aanvaardt, gevoelt en tegen iemand, die het niet aanneemt, hoogstens kunt zeggen: “Het is nu eenmaal zo. Erg arbitrair, scheidsrechterlijk”. Dan sta je eigenlijk jezelf demonstratief op de rug te kloppen en bij gebrek aan beter tegen jezelf te zeggen: “Je hebt gelijk, jongen”. Als het heel erg goed gaat, kun je er nog bij voegen: “Die en die en die dachten ook, dat het zo was.” Erg lastig. Toch mag je aan hetgeen je als waar gevoelt, nooit twijfelen. In dat geval geloof je niet werkelijk meer en speel je alleen maar een beetje komedie tegen jezelf.

Ik zou dus willen zeggen: Geloof is juist omdat het geloof is een onbewijsbaar weten. Verstandelijk is het niet bewijsbaar, soms zelfs niet aanvaardbaar. Het is dus onredelijk. Of, zoals u het liever hoort: bovenredelijk.

Noem, ik een geloof bovenredelijk, dan zit daar m.i. een accepteren vast. Het geloof in. Wanneer ik dat dan alleen tegen een geloof zeg, kies ik partij. Maar zelfs indien wij uitdrukkelijk geen partij kiezen, zou je nog krijgen, dat iemand. tegen een ander zou zeggen: “Zie je nu wel, dat mijn geloof juist is?” Zij zeggen ook al, dat het bovenredelijk is, dus boven het denkvermogen van de mens staat in zijn waarden.

Zet nu eens een moslim, een Jood en een christen hier naast elkaar. Dan zouden zij op grond van dit woordgebruik alle drie gelijk hebben. Geheel gelijk. En toch kan ik alle drie tegelijk niet redelijk geven. Ook ik zou dus aan de term onredelijk uiteindelijk de voorkeur moeten geven.

Uit de reactie blijkt alweer, hoe moeilijk het is je gedachten juist en zuiver in woorden uit te drukken. Zelfs wanneer je een woord neemt in de betekenis, die ook in een woordenboek als mogelijk staat en het invult in een zin, waar de omringende tekst feitelijk een misverstaan onmogelijk zou moeten maken, dan vat men het nog verkeerd op, omdat men de meest gewende betekenis eraan wil geven.

Hetgeen mijn voorganger heeft gezegd, zou m.i. mis te verstaan zijn voor degenen, die niet het voorgaande deel van zijn betoog hadden gehoord. Hiermede heb ik dan het mijne gezegd over onredelijkheid en geloof.

  • Ik heb bezwaar tegen dat onredelijk. Bovenverstandelijk is mij liever.

Dan moeten wij maar een compromis sluiten, want aan dat bovenverstandelijke wil ik nu juist weer niet aan. Laten wij het dan wat langer maken en zeggen “Niet verstandelijk of bewijsbaar. Ook niet bovenzintuigelijk kenbaar. Dat houdt weer in, dat het geloof dus juist is. Zou ik dat zeggen, dan moet alle geloof eerst gelijkelijk en geheel juist zijn.

Maar als ik zo wel eens luister naar de belijders van de verschillende geloven, hebben zij allen gelijkelijk ongelijk.

  • Maar er is verschil tussen geloof en geloof. Geloven is iets boven zintuiglijk hechten.

Als ik hier “geloof” zeg, dan wil ik er alles onder verwedden, wat ik niet meer heb, dat een ieder, die gelooft, dit op zijn eigen geloof betrekt.

  • Daar kunt u gelijk in hebben. 

Dat heb ik zeker.

  • Ik kom nooit in een kerk. Nu zijn er mensen, die niets met mij te doen willen hebben, omdat ik verdoemd ben daardoor. Ben ik nu werkelijk zo wanhopig verloren?

Ik denk, dat die mensen hopeloos verwaand zijn. Wanneer je meent in een geloof niet alleen wat begrijpelijk is, de Goddelijke waarheid te kennen, maar tevens meent je op grond daarvan je het Goddelijke Recht van oordeel over de mensen aan kunt matigen, dan ben je toch wel verwaand. Wanneer het christenen zijn, die zich houden aan het woord van Evangelie en bijbel, dan zondigen zij bovendien tegen hun geloof, waar Jezus uitdrukkelijk zegt; “Oordeelt niet, opdat hij niet geoordeeld worde”.

  • Dat heb ik gezegd, maar toen werd mij gezegd: “Maar wij zijn uitverkoren”.

Daar heb ik maar één antwoord op: Wanneer een mens in een dergelijke waan verkeert, heeft hij een zo ontstellend gebrek aan zelfkennis, dat met zo’n iemand werkelijk geen redelijk verkeer mogelijk zal zijn. Ik hoop, dat ik hier dan wel mag zeggen: Zij verheffen zich op een onredelijk geloof. Want hier blijkt dan toch wel hoe vaak men zich zonder enige werkelijke grond verheft op eigen denkbeelden en haast onvoorstelbare zelfverheffing onder de naam van geloof, anderen tot slachtoffer maakt van eigen onredelijkheid door hen nog een trap na te geven. Mijn grootste bezwaar tegen het geloof van velen is wel, dat men zich verheft op de theorie, terwijl elke ongelovige het meer in praktijk brengt dan de verwaande gelovige zelf.