De verschillende vlakken van bewustzijn

uit de cursus ‘De menselijke psyche’ 1955

Wij kunnen de menselijke psyche verdelen in een aantal vlakken van bewustzijn. Deze kort omschrijvende, beginnen wij bij het celbewustzijn van de mens dat gaande via verschillende toestanden van deelbe­wustzijn tenslotte komt tot automatismen die mee een groot ge­deelte van het menselijk handelen beheersen. Hoofdzetel: de kleine hersenen plus de verschillende zenuwcentra.

Als onmiddellijk daarboven liggend bewustzijn vinden wij het zgn. waakbewustzijn, ook wel verstand of rede genoemd. Dit zetelt in de grote hersenen, waarin door de cellen een groot aantal indrukken wordt vastgelegd en steeds weer met elke waarneming vergeleken, zo­dat de herinnering a.h.w. meewerkt om het heden te omschrijven.

Zolang dat onmiddellijk beschikbaar is, noemt men dat het waakbewustzijn. Is het echter niet onmiddellijk beschikbaar, kan het niet redelijk wor­den uitgedrukt, maar wordt het mee verwerkt op een niet bewust plan, dan heet het onderbewustzijn.

Het onderbewustzijn bevat:

  • Het totaal van de herinneringen, die zo zwak zijn dat zij zonder bijzondere reden niet onmiddellijk in het bewustzijn kunnen optreden.
  • Een groot aantal elementen van leven en beleven, waarvoor de mens eigenlijk vlucht en die hij dus terugdringt.
  • Bovendien een contact met andere bewustzijnsvormen, die boven het onderbewustzijn liggen.

Hiervan is de eerste een nog zuiver stoffelijke factor. Want als wij boven het onderbewustzijn komen, vinden wij daar als allereerste het bovenbewustzijn of gemeenschappelijk bewustzijn, waarbij de gedachte-uitstralingen van de mensen en de omgeving meebepalend zijn voor de ge­dachten, die in de persoonlijkheid worden gewekt, de impulsen die daar­in optreden enz.

Daarboven vinden wij de geest en wel de zgn. “lage” geest, soms omschreven als begeertelichaam, soms als etherisch lichaam. Een scher­pe scheiding tussen deze beide is niet te maken, tenzij men zegt dat het begeertelichaam, (dat deel is van geestelijk bewustzijn) teloorgaat, in­dien door het afwezig zijn van de stof, de behoefte daaraan verdwijnt.

Aan dit begeertelichaam wordt emotioneel een groot gedeelte van de stof­felijke waarnemingen medegedeeld, terwijl anderzijds het beleven van de geest op haar eigen bewustzijnsvlak wordt vertaald in een actieprikkel en emoties, die op deze wijze naar het onderbewustzijn worden overgebracht. Dit is dan heel kort een schets van het menselijk bewustzijn, de menselijke psyche.

Nu zijn er over de psyche heel veel dingen te zeggen. Ik hoop verschillende punten daarvan nog nader te kunnen aansnijden. Kort weergegeven even dit. Er zijn bepaalde delen van de hersenen (meestal niet bewust gebruikt, daaronder enkele zetelende in de voorhoofds-hersenlobben), waardoor de mens tot waarnemen bekwaam is, wat buiten zijn zintuiglijk waarnemingsbereik ligt. Dit leidt tot een deel van de paranormale verschijnselen en is als zodanig wel zeer belangrijk geweest in de geschiedenis van de mensheid. Heden ten dage is dat meer een curiositeit geworden.

Dan hebben wij nog een punt dat wij ook niet mogen vergeten: de geest betreedt het bewustzijn van de mens via het zgn. onderbewustzijn, maar heeft gelijktijdig deel aan het lichaam door beïnvloeding van een aantal zenuwknooppunten, waardoor de geest gedeeltelijk ook aan de automatische reacties kan deelnemen. Deze punten van aanknoping worden chakra’s genoemd. Deze chakra’s kunnen bewust worden.

Het vlak dat bewust wordt bereikt, geeft de beheersing van het lichaam en van delen van het lichaam op dat ogenblik aan. Een open gebloeide chakra geeft dus aan, een bereikt peil van eenheid tussen geest en stof, waardoor een zekere hoogte van algeheel bewustzijn voor geest en stof gezamenlijk bereikbaar wordt.

(Deze details eerst even ter verduidelijking. De jeugdproblemen van de mens moeten dus ook worden gezien als iets dat gepaard gaat met al deze verschillende vlakken van bewustzijn.)

Om te beginnen stellen wij vast dat elke geest die incarneert een drang heeft tot incarnatie en zich in deze nieuwe levensvorm een bepaalde geestelijke ontwikkeling voorstelt. De geest komt dus met een vooropgezet doel ter wereld en zal trachten het lichaam te bewegen in deze richting te streven.

Zij vindt als grootste vijand op het ogenblik tegenover zich het bovenbewustzijn van de massa, dat wordt beheerst door waanbeelden, misvat­tingen, haatgedachten en zelfzucht. Het gemiddelde beeld van de massa ligt altijd veel lager dan het peil, bereikt door de enkeling. Wij kunnen dus zeggen dat de morele waarde van de massa op dit moment althans, uitgestraald als gedachtekracht, aanmerkelijk onder de aanvaarde morele normen ligt, die op het ogenblik in het leven gelden. Hierdoor zal vooral bij de jonge mens, een verlaging van moreel bewustzijn sterk kunnen optreden en ‑ mits niet bestreden in die periode ‑ zich kunnen voortzetten in de latere ontwikkeling.

Dan hebben wij te maken met het onderbewustzijn. Vele kinderen zijn bang voor een aantal dingen. Er is in de wereld nooit een tijd geweest dat er meer te vrezen was dan juist in deze dagen. Het doorsnee kind is bang voor de dood, voor ziekte, voor pijn. Het is bang voor mislukking, het is bang voor ondergangsgedachten. Dat is begrijpelijk, omdat een kind dat zijn leven begint voortdurend de tendens heeft, zichzelf in de wereld uit te breiden en elke vernietiging daarvan voelt als een vermindering van eigen capaciteit tot leven.

Deze kinderen worden geconfronteerd met een wereld die voortdurend deze vernietigingsdrang op de voorgrond schuift. Ondergangsgedachten zijn algemeen heersend. Het is dat het kind        ertegen een verweer gaat stellen en liever zelf een vernietigende factor wordt dan dat het door andere factoren zou kunnen worden vernietigd. De ruwheid van de jeugd is dus vaak een verweer dat onbewust ontstaat door een niet aanvaarden van de huidige wereldtoestand. Daar komt bij dat in de opvoeding zeer veel dingen die het kind, zoals de volwassene zegt: Nog niet begrijpt, toch reeds worden vastgelegd en onmiddellijk met het eigen weten geassocieerd.

Sterke vereenzelviging met alle elementen is kenmerkend voor het kinderlijk denken, het kinderlijk bewustzijn. Het zich vereenzelvigen met waarden die het slechts ten dele begrijpt, kan aan betrekkelijk onschul­dige gebeurtenissen en handelingen een vaak verschrikkelijke neventendens geven. Deze wordt vastgelegd in het onderbewustzijn en zal later sterk richtend optreden bij het verder handelen. Het zal in de mens afkeuring en goedkeuring sterk kunnen beïnvloeden, het zal zijn verwerpen of begeren evenzeer sterk kunnen stimuleren.

De overwaardering van seksuele normen en waarden, welke de moderne tijd met zich heeft gebracht, brengt in het kind naar voren een verscherpt reageren daarop, plus een verscherpt verlangen daarnaar. De suggestieve methode waarmee de moderne mensheid wordt benaderd om bepaalde producten te kopen, brengt met zich mee dat een kind gelooft dat seksuele uiting noodzakelijk is om te slagen. Dat het een teken van volwassenheid is, wanneer men zich kan inlaten met datgene wat oorspronkelijk slechts liefdesspel behoort te zijn. In dit geval wordt het echter een poging om zichzelf voor oud en rijp te verklaren, een poging om zichzelf in een wereld waarin dit toch zo gewichtig wordt geacht, te ontrukken aan een begrip van minderwaardigheid.

De ervaring die wordt opgedaan, kan echter voor menig kind tamelijk schokkend zijn. Vooral wanneer op jeugdige leeftijd experimenten in deze richting worden gedaan, kan een zeker neurotisch complex t.o.v. het seksueel gebeuren ontstaan. Dit kan leiden enerzijds tot een absolute afzondering van het seksuele of anderzijds tot een tegenstelling, aan zichzelf voortdurend te bewijzen sterker te zijn dan deze gedachte en daardoor een te grote nadruk leggend op al hetgeen hiermee in verband staat.

Over geweldpleging heb ik u reeds gesproken. Ik zou echter eraan kunnen toevoegen dat ook wat eigendommen betreft, de jeugd sterk wordt getroffen door de reacties van de ouderen. Hoe vaak kan een modern kind te horen krijgen dat vader wel een huis heeft, maar dat het eigenlijk niet eens zijn eigendom is, want hij mag er niet mee doen wat hij wil. Het kan horen dat eigendomsrecht beperkt is. Het kan horen dat sparen eigenlijk onzin is, omdat je je geld dan toch maar weer kwijtraakt. Dergelijke dingen zullen vaak niet bewust worden onthouden. Zij worden echter onbewust in het “ik” vastgehouden. Het onderbewustzijn zal steeds weer, wanneer eigendom, spaarzaamheid, enz. naar voren komen, als een impuls deze argumenten geven­: ach, wat geeft het mij.

Het gevolg is dat het onderbewustzijn van het moderne kind zo zwaar belast is met allerlei inhibities, dat redelijkerwijs gesproken elk kind reeds vóór het de meerderjarigheid heeft bereikt, gebukt gaat onder een aantal neurosen, neurotische verschijnselen. Het resultaat is dat wat normaal heet, in de wereld in werkelijkheid berust op ongezonde spanningen, die in elk deel van de mensheid meer en meer op de voorgrond treden. En dit op zichzelf brengt weer het abnormale naar voren als een bewonderenswaardige factor en wekt gelijktijdig een afkeer in het kind.

De onvrede van vele mensen is dan ook te wijten aan het conflict dat zij innerlijk hebben tussen dat wat in hun ogen voor de wereld toch zo goed en zo flink lijkt en datgene wat zij als goed erkennen. Zolang de mensheid en de jeugd gebonden blijven aan de normen van de massa, zonder in staat te zijn zichzelf terug te trekken op de in het “ik” als juist erkende waarden, zal er innerlijk tweestrijd blijven bestaan en zal het onderbewustzijn het de mens onmogelijk maken om vredig en juist te leven. Hieraan kunnen wij dan het volgende vastknopen: psychologisch gezien is vooral de voortdurende kringloop van de gedachten op eenzijdig gebied de grootste storing die wij kennen. Als een mens een bepaald aantal ervaringen heeft en daaruit voor zichzelf een beeld opbouwt dat onjuist is, dan zal veelal de gedachte die in het bewustzijn (de hersenen) ontstaat, die hersencellen zoeken welke de meeste doorgang geven, d.w.z. die aan de inkomende zenuwstroom een zo gering mogelijke remming stellen en die dan gelijktijdig vaak een doorgangskanaal hebben naar een andere gedachte die niet direct gerealiseerd wordt, wat dan een afbuiging van het oorspronkelijke probleem betekent.

Deze afbuiging van het oorspronkelijke probleem door het neurotisch denken (het denken in cirkels) is een van de grote verschijnselen van deze tijd.

De neurose bestaat in een voortdurend afbuigen van het oorspronkelijke denkbeeld tot men wederom ‑ zonder tot een werkelijk re­sultaat te zijn gekomen ‑ terugkeert tot de oorspronkelijke, gedachte. Hierbij krijgen wij op den duur een zodanige repetitie, dat niet alleen deze ene gedachte maar elke gedachte, die slechts enige samenhang daarmee heeft terugkeert in hetzelfde spoor van gedachtereacties. Zo wordt tenslotte alles betrokken op één beeld dat niet meer wer­kelijk is. Een waanvoorstelling wordt beheersend voor de reactie op alle, maar dan ook alle belevenissen, die van buiten in het “ik” bin­nendringen.

Het verloren gaan van de werkelijkheid brengt met zich mee dat de mens zelf hier geen correctie kan toepassen. Dit is voorbehouden aan de buitenstaander, die de kringloop herhaalde malen verbrekende en gelijktijdig ook remmingen in andere delen van het bewustzijn wegnemende, aan de mens de mogelijkheid geeft om weer rechtlijnig te denken.

Het rechtlijnig denken is voor het verstandelijk bewustzijn noodzakelijk. Is het denken in dat bewustzijn inderdaad rechtlijnig, dan zal het onderbewustzijn als perfecte mediator tussen de verschillende lagen van het menselijk bewustzijn en de rede blijven fungeren. Dan krijgen wij een complete samenwerking, waarin zeer grote en goede resultaten worden bereikt. Deze betekenen echter voor de doorsneemens op het ogenblik een zekere eigengereidheid. Zolang de eigengereidheid echter de persoonlijkheid niet aan anderen opdringt, maar slechts de in het “ik” (in de eigen psyche) ervaren waarden tot uiting tracht te brengen, kan dit niet anders dan ten voordele van de persoonlijkheid zowel als van de wereld strekken.