De voortdurende verandering

11 juni 1979

Wij hebben vanavond een hele oude geest als gast. Hij heeft in de tweede Atlantische periode gewerkt en zijn geestelijke hobby is de doorlopende verandering. Wat dat precies betekent zal ik u vertellen.

Doorlopende verandering is in feite wat wij de cyclus van incarnatie en het doorlopen van sferen noemen. Alles bij elkaar genomen komt het erop neer dat wij in een voortdurende andere gedaante ons­zelf beleven en daardoor aan het einde onszelf volledig kennende de werkelijkheid volledig kunnen aanvaarden.

Ik kan daar natuurlijk nog veel meer over vertellen, maar het lijkt me dat dat door zo’n spreker zelf altijd beter wordt gedaan. Want wan­neer je je bezighoudt – waar dan ook, en dus ook in de sferen – met een bepaald onderwerp, dan begin je eigenlijk altijd met de zaak inge­wikkeld te bekijken. Ik weet niet of dat bij u ook zo gaat.

Als je begint met 1+1=2 dan lijkt het een zeer ingewikkelde procedure tot het ogenblik, dat je gevorderd bent tot integraalreke­ning. Dan denk je dat het zo eenvoudig is dat iemand, die geen 1+1 bij elkaar op kan tellen, het toch kan begrijpen. Daarna komt de periode waarin je probeert die zaak toe te passen en gelijktijdig uit te leg­gen. Dan pas word je je bewust van je eigen hulpeloosheid en het is pas vanuit die eigen hulpeloosheid dat je zoekt naar de vereenvoudiging Misschien is dat de beste les die je kunt geven. U zult ze wel meer gehad hebben: probeer alles voortdurend te vereenvoudigen.

Als je de grootste filosofie ter wereld gevonden denkt te hebben probeer dat dan uit te leggen aan een kind van 7 jaar. Als dat kind het begrijpt heb jij een filosofie gevonden die jij begrijpt.

Voor veel mensen misschien ook weer moeilijk, maar het is in het hele leven altijd weer zo dat we fasen doormaken. Nu kan een fase in zichzelf een kwestie van beproeving zijn. Je wordt op de proef gesteld. Je wordt getest en je kijkt hoever je komen kunt.

Soms is een fase ook een soort terugblik. Je hebt een artikel ge­schreven van 2000 woorden en nu moet je het herleiden tot een begrijpelijk artikel van 100 woorden. Dat doe je dan één leven en soms meer­dere levens lang. Want het is niet zo belangrijk dat je alles precies heel ingewikkeld uiteen kunt zetten; het gaat er juist om dat je het terug kunt brengen tot zijn eigen werkelijkheid.

Als je kijkt hoeveel er op aarde over God is geschreven duizelt het je. Je zou heel Den Haag tot bibliotheek kunnen inrichten en dan heb je voor de nagekomen werken en de index ook Zoetermeer nog nodig. Maar als je nu kijkt uit al die boeken, wat eigenlijk het begrip is van God, de werkelijkheid van God is zoals Hij spreekt, dan heb je niets. Je hebt alleen maar meningen, stellingen maar geen beleefbare werkelijkheid.

Ik denk dat die fasen in ons leven, waarin we terugkijken, vooral bestemd zijn om werkelijkheid te vinden. Datgene wat ik werkelijk ben, dat is een heel probleem. U vindt het hopelijk niet erg dat ik op mijn manier dan verder ga. Ik kan natuurlijk wel gaan citeren maar wat hebt u eraan, u krijgt dadelijk toch weer wat anders te horen.

U hebt geleefd. Waar en hoe? De één is op een kameel de woestijn doorgetrokken en de ander heeft achter een leraar aangesjouwd. Een derde heeft zaken gedreven en zo kun je doorgaan. In al die levens hebt u iets opgebouwd, maar wat?

In het begin denk je: met zo’n leven heb ik natuurlijk iets bereikt. In feite heb je alleen maar dingen omschreven.

Onze levens zijn ongeveer te vergelijken met die boeken over God: Het zijn onze theorieën, onze geliefkoosde denkbeelden, die we in een leven hebben gefixeerd en op de proef gesteld. Maar pas, wanneer we ze van alle bijkomstigheden gaan ontdoen bereiken we iets. Dan komen we tot de essentie. En de essentie van al hetgeen we in een leven hebben doorgemaakt, of in vele levens zelfs, is uiteindelijk geen antwoord, het is een vraag. Misschien dat je op die manier die hele cyclus het gemakkelijkst kunt omschrijven.

Dat we vanavond iemand hebben die uit de Atlantische periode stamt is mede te danken aan het feit dat hij in een vooraardse periode ook al een paar levens heeft gehad. Hij heeft een voltooiing meegemaakt in een tijd die, zeg maar, ligt tussen techniek en bijgeloof en moet op zijn manier de zaak herleiden tot simpele woorden.

U leeft vandaag. U doet allerhande dingen vandaag. Maar alles wat u gedaan hebt, wat brengt dat eigenlijk op? Wat is het resultaat ervan? In 9 van de 10 gevallen een vraag. Wanneer we die vraag gevonden heb­ben kunnen we gaan zoeken of er ergens een harmonie is die daarop een antwoord geeft.

De hele kosmos kan antwoorden, maar we moeten wel de juiste toon aan slaan. Onze vraag is niets anders dan onze persoonlijke afstem­ming, waardoor we een groot gedeelte van die kosmos in beweging brengen. Herleiden tot iets wat we gaan begrijpen. De vraag is het ant­woord: “Vraag en u zal gegeven worden.” De meeste mensen denken er tegenwoordig over als een vorm van sociale zorg, maar het is toch wel een beetje anders bedoeld.

Wanneer u uw eigen leven nu eens nagaat, wat hebt u dan niet alle­maal voor zaken meegemaakt? Achter welke dromen hebt u aangejaagd? Waar bent u in verzet geweest? Wat dacht u bereikt te hebben wat later niets bleek en wat hebt u ervan overgehouden?

Als je zo een leven gaat herleiden – vooral als je wat ouder bent, de meesten zijn het hier – dan kun je toch dacht ik een paar conclusies gaan trekken. Niet ten aanzien van hetgeen je bent of bereikt hebt, want dat weet je eigenlijk nog niet, maar ten aanzien van hetgeen je niet bent.

Bewustwording is niet zozeer een proces van kennisaccumulatie als wel van eliminatie van niet harmonische faktoren. We moeten al wat niet harmonisch is langzaam maar zeker van ons af weten te schuiven. We moeten alles wat harmonisch is op zijn juiste plaats in de harmo­nische eenheid weten onder te brengen. Wanneer we dat tot stand bren­gen zijn we een eindje verder gekomen. Dan hebben we een vraag ge­vonden waar we geestelijk een antwoord op kunnen vinden.

Ik vind het altijd leuk als je hoort hoe het zit met al die incarnatiecycli. Ja, er zit hier zelfs één bij, die vroeger een andere sexe had en zich als edelman – zo’n 1000 jaar geleden – zodanig heeft gedragen, dat zij er zich nu voor zou schamen als ze het zou weten, maar zij heeft er wel het één en ander van geleerd.

Er zijn er ook bij waarvan je kunt zeggen: die hebben eigenlijk alle leringen op de wereld afgeschuimd. Ze hebben aan de voeten van Zonnepriesters gezeten, zijn meegetrokken met de één of andere leraar, zijn in een klooster geweest en de hemel weet wat nog. En als je kijkt zie je dat in elk leven eigenlijk een soort overtreffende trap wordt ingevoerd.

In het begin denk je: nou, dat gaat nog wel. Laat ik een voorbeeld nemen wat u wel kent, onze vriend Henri. De laatste 3 incarnaties: priester, herbergier en zeg maar landloper, marskramer. Nou is dat schijnbaar een neergang. Het is schijnbaar negatief. Maar draai het nu eens om. Dan kun je zeggen: in die eerste incarnatie heb je het gevoel dat hij iets was. Hij stelde zich boven de mensen maar daarin vond hij geen antwoord voor hetgeen hij zelf was. Dus moest hij een stap terug doen in menselijk opzicht maar gelijktijdig weer meer met de mensen te maken hebben. Hij werd waard. Hier was hij dan wel op gelijke voet met de mensen, maar toch was zijn inzicht in zijn eigen bestaan en het menselijk zijn nog niet volledig. En daarom moest hij dus marskramer worden.

Is dat wel zo leuk? Nee, dat is niet leuk. Maar in elke cyclus van incarnaties die je doormaakt gaat het er om wat je bent en wat je wordt. Het is helemaal niet zo belangrijk dat je miljonair bent. Het is wel belangrijk dat je in dit leven een geestelijk peil bereikt hebt, waardoor je weer zuiverder de vraag kunt stellen wat je leven is. Wat je zelf bent. Wat je God is.

Ik ben bang dat heel wat mensen daardoor afkerig worden van reïncarnatie. Reïncarnatie vinden ze veel leuker wanneer je kunt zeggen: je hebt het deze keer niet zo goed getroffen, maar de volgende keer gaat het veel beter. Deze keer ben je gewoon maar een onbenullig mensje geweest maar in het volgende leven word je de profeet, de direkteur van de International. Noemt u maar op wat ze toevallig leuk zouden vinden. En dan wil men wel reïncarneren.

Maar als je tegen ze zegt: Je hebt kans dat je nog een stap terug moet dan zeggen ze: nou, voor mij hoeft het niet. Dat komt omdat men kijkt naar de uiterlijke omstandigheden, men kijkt naar de buitenkant. Maar die buitenkant schept alleen maar de uiterlijke verhouding. Het kader waarin de ervaring mogelijk wordt. Het blijkt heel vaak dat je, door een stap terug te doen in menselijk aanzien, gekonfronteerd wordt met problemen van het menszijn, die veel intenser zijn en waardoor je eigen visie op het bestaan veel sterker beïnvloed wordt.

Je kunt zeggen: Voor mij hoeft het niet. Ik wil ’s nachts lekker slapen. En er zijn mensen die kunnen dat dan ook, nietwaar? Sommigen slapen zo lekker dat de buurt er wakker van ligt. Dat zijn de snurkers.

Anderen zeggen: eigenlijk zou ik het wel een beetje minder willen doen, want elke keer ben ik weer uit mijn lichaam weg en dan heb ik dit te doen en dat te doen. Het is wel interessant, maar ik zou er eindelijk weleens mee willen staken.

Nu is alleen maar de vraag of die slaper met zijn gezonde slaap niet een mogelijkheid tot realisatie verliest die de ander met zijn uittreden wel heeft. En dan gaat het er nog niet eens om of de inter­pretatie van de uittreding nu wel allemaal precies juist is. U weet allemaal dat wanneer een mens uittreedt en hij komt terug, hij zich­zelf een verhaaltje vertelt, waarin de erkende elementen van zijn uittreding verwerkt zijn, maar waarbij de essentie heel vaak achterwege blijft. Je moet mystiek al heel wat gevorderd zijn om dat op zijn plek te kunnen brengen. Te kunnen zeggen: Dat was de betekenis. Maar die uittredingen – lastig of niet – geven je een nieuwe wereld.

In die nieuwe wereld zijn natuurlijk ook dromen. Er zijn spookbeelden en alles wat je maar wilt. Maar je wordt zelf op de proef gesteld. En juist in uittredingen komt het dan vaak voor dat je op een gegeven ogenblik toch moet falen. Waarom? Misschien wel, omdat je moet leren waar je beperkingen liggen. Omdat je niet meer de vraag moogt stellen in de zin van: hier ben ik, de bewuste en wat zal de kosmos mij antwoorden, maar heel nederig terug moet treden en zeggen: ik weet het niet meer, maar ergens in mij is het begeren om …. En dat is een heel andere vraag.

Weet u, veel mensen denken aan alles wat ze willen bereiken. Ik geloof dat je eerst moet leren verlangen om iets te zijn, zo gek als het moge klinken. In de hele keten van incarnaties en bewustwordingen van al die krankzinnige gebeurtenissen, die je leven noemt zijn geloof ik alleen die punten belangrijk, die je tot de vraag brengen: Wat ben ik? Wat ben ik werkelijk?

O, onze vriend zal er dadelijk wel heel andere visies op na houden. Daar ben ik niet bang voor. Het is trouwens het lot van een inleider dat hij dingen zegt die later veel mooier en veel eenvoudiger terzijde geschoven worden door de eigenlijke gast. Maar voor mij, zoals ik nu ben, en met alles wat daarin een rol speelt, is mijn vraag: “Wat ben je?” veel en veel belangrijker dan alles wat ik zou kunnen zijn of kunnen doen.

Misschien bekijk ik het verkeerd. Wanneer je de steen niet kent, waaruit het wezen dat je bent gehouwen is, kun je dan weten waar je in feite thuishoort? Kun je dan begrijpen waarom je juist geworden bent wat je bent? Ik dacht dat je dat zou moeten beantwoorden.

Het is gemakkelijk genoeg. Je zegt doodgewoon: Dat is het noodlot of karma. Dat is de wil van God. En als je dat ook nog niet aannemelijk kan maken zeg je: Ik doe het voor het welzijn van de ander. Uitvluch­ten zijn er te over. Maar wanneer je weet wat je bent dan heb je de uitvlucht niet meer nodig. Ik geloof dat dat een belangrijk punt is.

Heel vaak is incarneren toch ook weer een weglopen voor iets, als u begrijpt wat ik bedoel. Je incarneert lang niet altijd omdat je geen andere mogelijkheden hebt. Je incarneert soms ook omdat je bang bent voor de mogelijkheden die je hebt. En dan wordt het gevaarlijk.

Zeker, de incarnatiecyclus gaat wel door en aan het einde der tij­den komen we allemaal wel terecht waar we thuishoren. Maar misschien is dat nog een menselijk trekje in me; ik vraag me altijd af waarom je over Moskou naar Parijs moet gaan als je in Brussel zit. Of van Den Haag naar Rijswijk via Londen bij wijze van spreken. Ik geloof dat je zo snel mogelijk zoveel mogelijk moet beseffen omtrent jezelf.

Je moet antwoord kunnen geven, niet op de vraag: wat ben ik, of wie ben ik, maar doodgewoon: wat is de essentie voor mij. Je moet alles kunnen herleiden tot datgene wat zo sterk in jou tegenwoordig is dat de hele kosmos – wie, waar en wanneer dan ook – antwoord geeft op al wat daarmee in verband staat. Dat je het vibreren in jezelf voelt al is het een ster in een andere sterrennevel die explodeert, omdat je er mee verwant bent. Ik geloof dat dat de belangrijke zaak is.

We kunnen natuurlijk zeggen: maar dat gaan we in de sferen doen. Wanneer je hier niet te eten hebt moet je geduldig zijn, want in de hemel krijg je dan wel weer wat lekkers. Dat is ook zo’n uitvlucht. Ik geloof niet dat je dat naar later kunt verschuiven. Het is nu. Altijd weer: vandaag. Wat ben ik vandaag? Wat doe ik vandaag? Hoe kan ik vandaag een resonantie vinden met een groter deel van de kosmos?

Wanneer ik moet incarneren om die resonantie te ontvluchten be­tekent dat alleen maar, dat ik me van mezelf een voorstelling heb ge­maakt die niet deugt. Dat ik de verkeerde vragen aan de kosmos stel en dat ik de antwoorden die ik krijg misschien niet eens wil horen.

Je staat open voor kracht, maar je kunt op die kracht alleen maar antwoorden wanneer die kracht overeenkomt met iets wat in jou bestaat, dat alleen kan antwoorden op de essentie van je wezen. Niet iets waar­van je denkt dat weleens in jou zou kunnen zijn of iets wat je preten­deert dat je kent, bezit of bent. Dat is de sleutel.

Wat ben je werkelijk, wat voel je werkelijk, wat blijft erover als je al het onbelangrijke opzij hebt gezet? En dat blijkt altijd veel meer en veel minder te zijn dan je gelooft.

Een mens is bezig met alle belangrijkheid van het heden. “Ik heb veel gedaan voor mijn medemensen” zeggen ze dan. Best. Heel mooi dat u dat gedaan hebt. Vooral niet laten. Maar waarom hebt u dat gedaan? Wat is er wat u beweegt daartoe? Wie herkent u misschien in die ander? Wat zie je in die wereld rond je? Bekijk dat nou eens een keer. Als je dat doet kom je misschien tot de conclusie dat eigenlijk alles wat je doet, elk ogenblik en elke dag weer, is: het zoeken naar jezelf, ook in die ander. Ook in de relatie en het kontakt met die ander. Ook in je poging open te staan voor de hoogste geestelijke kracht, terwijl je uiteindelijk net niet datgene bereikt wat je zou willen. Het klinkt gek, maar het is zo.

Wat je nodig hebt is de terugkeer tot jezelf. Elke incarnatie op­nieuw ben je bezig om terug te keren tot jezelf. Elk verblijf in een wereld of sfeer ben je er mee bezig. Wanneer je uittreedt. Wanneer je droomt. Wanneer je dagdroomt, fantaseert, werkt, denkt, leest, zoek je naar jezelf. En dan niet naar een beeld van jezelf, maar alleen naar datgene waarop je zelf reageert. Het harmonisch element dat in jezelf schuilt. Want alleen wanneer je vanuit dat harmonisch element de vraag stelt, krijg je antwoord. Alleen wanneer je de kracht vanuit dat har­monisch element in jezelve laat werken werkt de kracht buiten je en wordt ze in jezelf beleefbaar.

Dit is natuurlijk wel wat anders dan de voortdurende verandering. Ik ben eigenlijk bezig met datgene wat je altijd bent. Ik heb het ge­voel dat uiterlijkheden altijd voorbijgaan. De tijden van het ver­leden, och, die zijn geweest. De mensen van het verleden die hebben geleefd. U misschien ook. Maar u leeft nu! U bent u nu bewust van datgene wat nu belangrijk is. U moet nu antwoord kunnen geven op de kosmos. U moet nu die innerlijke sleutel vinden waardoor de kosmos via u kan werken. In u kan vibreren. Vanuit u actief kan zijn. Maar daar hapert het nogal eens aan.

Wat heb ik u nu allemaal stil en ernstig gemaakt. Niet pessimis­tisch worden. U moet maar zo denken: als het deze keer niet lukt komt er wel een volgend leven, nietwaar. En dat zal zijn nadelen heb­ben, maar het zal ook zijn voordelen hebben. Het nadeel kan zijn dat je weer in een heel ander milieu komt. Het houdt elkaar heus altijd wel in evenwicht.

Weet u, zo is het mij gegaan en zo gaat het me nog steeds. Je bent altijd bezig met het zoeken naar jezelf. En dan kun je nog zo mooie woorden gebruiken als: ik zoek het goddelijk licht. Ik zoek de godde­lijke waarheid. Ik zoek de goddelijke wijsheid. Ik zoek de goddelijke kracht. Neen, vergeet het maar. Wat je zoekt is je wezen. Je zoekt een mogelijkheid om antwoord te geven op de dingen die je rond je voelt en waar je eigenlijk geen raad mee weet.

In de esoterie ben je altijd druk bezig met jezelf. Dit is te be­grijpen. Er zijn weinig interessanter onderwerpen om je mee bezig te houden dan jezelf, waar of niet? Maar zouden we ons niet meer bezig moeten houden met datgene waarop we een antwoord krijgen? Niet met wat ik nu graag zou doen, graag zou willen zijn of zou willen bereiken, maar met datgene waarop ik antwoord krijg, met datgene wat uit die kosmos nu eens een keer antwoord brengt, reactie brengt. Ik weet niet of de tijden tegenwoordig veranderen, maar ik ben ge­trouwd geweest in het verleden. En ik had een echtgenote, gade. Soms sloeg ik mijn gade, soms sloeg zij mij gade. Maar één ding was heel eigenaardig: met alle geluk en ellende die je in een huwelijk pleegt te kennen, was er één ding wat me altijd helemaal van streek maakte. Ik liet het niet zien. Je moet niet laten zien dat je zwak bent – nl. als ik geen antwoord kreeg. Er waren zo weleens van die tijden. Dan was ze er wel, maar ze had er beter niet kunnen zijn, want er was geen uitstraling. Er was geen aandacht. Er was geen reflex. Geen ant­woord. Dan kun je naar buiten gaan of naar de kroeg. Je kunt naar de club gaan of misschien naar één of ander cabaret. Maar ergens zou je dat antwoord willen hebben. En alles wat je ervoor zoekt is maar ver­vanging. Je kunt het wel wegdrukken, maar je kunt die honger naar dat antwoord niet ongedaan maken.

U zult wel denken, wat wordt er nou weer gezeurd. Maar is het eigenlijk tussen ons en die kosmos niet precies hetzelfde? De kosmos is er wel. Een hele wereld van krachten, geesten, goden en de hemel weet wat nog meer. We zouden antwoord willen hebben, maar je krijgt het niet. Daarom storten we ons in nieuwe incarnaties en houden we ons bezig met nieuwe denkbeelden en systemen. Vereren we nieuwe goden en het is alleen maar een slecht vervangingsmiddel.

Je wil het antwoord hebben. Maar het antwoord – dat heb ik geleerd in die tijd – kun je alleen krijgen wanneer je afstand doet van alle pretenties. Het is geen kwestie van: ik sta klaar en kom nou maar naar mij toe. Want soms kwam mijn vrouw, maar meestal kwam ze niet. Wat dat betreft – het was een Ram, als u het astrologisch wilt uitdrukken -maar je moet eigenlijk vanuit jezelf die zaak doen. Maar dan moet je eerst de pretentie weglaten van wat je bent en wat je denkt. Wat je rechten zijn en wat je status is en al die dingen meer.

Het meest wonderlijke is misschien wel dit: Kort voor mijn dood – ja mijn vrouw heeft mij overleefd, dat gebeurde in die tijd ook al – was ik hulpeloos, absoluut hulpeloos. Er was niets meer bij van alles wat je materieel dan ziet als de essentie van een huwelijk. Ik heb nooit meer antwoord gekregen zonder woorden en juist in die dagen.

Misschien is het voor ons wel nodig zo nu en dan om onze eigen hulpe­loosheid te beseffen en in die hulpeloosheid herleid te worden tot het enige wat we nog zijn en dan het antwoord te ervaren.

Zeg nou niet dat dat allemaal zo pessimistisch is. Toen ik dood ging dacht ik ook: Nou, nou… Toen ik dood was dacht ik: Ach ja, … En nu ik een tijdje dood ben denk ik: Ha, ha… U ziet, het kan ver­keren.

Er zijn heel veel dingen waar je tegenaan kijkt. De noodzaak van nieuwe incarnaties. De belevingen na de dood. De confrontatie met licht en met duister. Het werken in de sferen en de ontmanteling en ontmaskering misschien van veel van je illusies. En dat lijkt allemaal erg, maar als je daardoor dat ene antwoord krijgt wat je nodig hebt, gewoon het spontane antwoord op je eigen wezen, is dat dan niet alle­maal de moeite waard? U moet dat zelf maar eens overdenken.

U hebt wel in de gaten dat ik de gastspreker met zijn voortdurende verandering met rust heb gelaten. Ik heb het u al gezegd: ik ga niet concurreren met een gastspreker. Ik heb u willen confronteren met iets wat werkelijk van mij persoonlijk is. Heel kort geformuleerd is het eigenlijk dit: Wanneer alle uiterlijkheden en alle illusies vergaan blijft er iets in ons dat toch nog vragen kan. Dat toch nog begrijpen kan. En dat restje in ons wezen krijgt antwoord uit de totale kosmos. Het is dat restje wat overblijft, als al het andere opzij is gezet, dat God ontmoet.

Denk niet dat dat blijvend is. Ik heb het meegemaakt en ik ben weer bezig. Ik zit hier nu als inleider en zal binnenkort waarschijn­lijk nog meer lezingen moeten houden voor de Orde der Verdraagzamen. Arme Orde. En ik zal nog wel even doordraaien. Maar ik heb dat ene geleerd: Wanneer de buitenkant rust en je dit alles beseft voor wat het is in wezen, in essentie onbelangrijk, dan blijft er toch dat ene over.

Misschien mag je het zo zeggen: achter alle dingen verborgen ligt een waarheid die alles omvat. En wanneer wij ontdaan zijn van alle onwaarheid, geeft die waarheid ons een antwoord dat bevredigender is dan alle illusies.

Dat was het dan. Diepzinnig? Neen. Hoog geestelijk? Neen. Het is gewoon een poging om de essentie van het leven te vinden. Meer niet. En hoe u dat doet is uw zaak. U moet het op uw eigen manier doen. Met alle fouten en alle goede punten. Maar wanneer je een keer voor het blok staat, weer een keer moet incarneren, in een sfeer moet zitten die je niet zo helemaal bevalt, onthoud dan maar één ding: achter alle illusies schuilt er in ons iets, dat een antwoord kan krijgen van de kosmos op het ogenblik, dat wij bereid zijn alle illusies terzijde te stellen.

We kunnen open staan voor de kosmos zoveel wij willen, maar het is alleen op die werkelijkheid in ons wezen, dat de kosmos kan antwoorden. En daarom zullen we altijd het antwoord vinden wat we nodig hebben op het ogenblik dat we niet meer onszelf stellen – om het bijbels te zeggen – als een beeld tussen wat we zijn en de God waaruit we voort­komen.

Dat is alles. Na de pauze krijgt u de gastspreker. Hij zal onge­twijfeld wat interessants vertellen, wanneer je beseft hoezeer het op je eigen ervaring slaat.

De Gastspreker

Als uw gast zou ik u gaarne mijn denkbeelden willen voorleggen omtrent de voortdurende verandering, die de essentie is van het per­soonlijk bestaan.

In de tijd dat ik nog op aarde was ben ik geweest tot aan de zeer hoge ijskliffen. Ik heb gereisd langs de diepe mijnen en ik heb de varenwouden betreden die sedertdien gestorven zijn. Uw wereld is een ge­heel andere en toch dezelfde. Dit is het kenmerk van de verandering; de vorm verandert, het wezen blijft.

Doordat ik het geluk heb gehad reeds enige tijd voordat ik op aarde incarneerde vele ervaringen door te maken is het mij mogelijk geweest om bij anderen, die mij in mijn laatste aardse periode zeer na gestaan hebben, te volgen op hun wonderlijke reis door vormen en sferen.

Ik heb vorsten gezien die slaven werden en slaven die vorst werden.

Ik heb dwazen gezien die vereerde leraren zijn geworden en ik heb filosofen gezien, die terugvielen tot een schijn van dwaasheid. En alles bleek steeds weer dezelfde persoonlijkheid te blijven met hetzelfde leven, dezelfde kracht en dezelfde gedrevenheid die ze zelf niet begrepen.

In de tijd die ik heb kunnen besteden met de observatie van de mensheid en het doorkruisen van de vele sferen en illusiewerelden waarin geesten zich een ogenblik ontspannen van het stoffelijk bestaan, heb ik mij gerealiseerd dat het leven inderdaad alleen door verande­ring gekenschetst kan worden. Maar wat je bent, blijf je. De vorm verandert.

Je kunt dezelfde melodie spelen op de klankhouten, op de schelp. Je kunt ze laten klinken in de verschillende tamboerijnen en rinkel­bommen. Je kunt ze laten klinken op de holle vaten. In uw tijd zijn er andere instrumenten gekomen. De melodie klinkt anders, maar ze is dezelfde melodie. De herdersfluit die in de eenzaamheid van de nacht een melodie weeft tussen de sterren, klinkt wel anders dan de bazuin, maar ze kunnen hetzelfde lied spelen.

Wij zijn de melodie die klinkt uit duizend instrumenten. Wij zijn in ons wezen de reizigers die gaan door alle voertuigen, tuinen en werelden en toen steeds hetzelfde motief herhalen. Het is goed dat te beseffen.

U denkt misschien dat er niet veel verandert. Vraag u af: hoe dacht u een jaar geleden? Wat voelde u een jaar geleden? U zult ont­dekken dat u veranderd bent. Het is die verandering die essentieel is.

Wanneer een wereld gelijk blijft, wanneer een mens niet verandert kun je misschien wel een top bereiken. Een top op één gebied. Ik heb mensen gekend die – ook in de termen van uw tijdstelling – honderden jaren oud werden. Ze leerden veel, maar steeds meer hetzelfde. En daardoor veranderden ze niet, niet voldoende en werd het voor hen nood­zakelijk terug te keren in geheel nieuwe vormen. Terug te keren in een heel ander leven. Terug te keren in een werelddeel dat ze nog nooit gezien hadden. Hun leven te handhaven op een wijze die ze nog nooit verondersteld hadden. De jager misschien door hout te bewerken, de beeldhouwer door schapen te hoeden. Want zo zijn de dingen.

Je moet veranderen omdat in de verandering pas de melodie van je leven juist kan klinken. Hoe te veranderen? De verandering kunnen wij niet zelve maken. Maar wanneer wij onszelve zijn is de verandering on­vermijdelijk.

Toen ik eens ging tot achter de grenzen van het licht dat velen verblindt, vond ik daar mijzelve terug. En ik zag mijzelf in duizend vormen tegelijk alsof in de vormen een licht gebroken werd. De gestal­te die ik zag was een soort regenboog. Ik heb mijzelf afgevraagd: Ben ik dit? Haar het antwoord was: “Neen, dit ben ik niet.” Dit is mijn werkelijke ziel. Dit is mijn werkelijke wezen. Maar ze kan zich niet manifesteren wanneer niet steeds weer nieuwe elementen komen waardoor de werkelijkheid gebroken wordt tot een begrijpelijk beeld. Een illu­sie in tijd van datgene, wat zonder tijd en zonder ruimte bestaat.

Een wonderlijke wereld is het. Uw wereld verandert en u zit in een tijd waarin de veranderingen snel zullen komen. In mijn tijd waren er ook veranderingen. Veranderingen die te snel kwamen. Technieken. De kristallen. Kristallen die macht werden. Kristallen die een deel van de ondergang veroorzaakt hebben; zeker. Een snelle verandering.

Maar wanneer die wereld waarin ik leefde niet aan de verandering ten onder zou zijn gegaan, had uw wereld van vandaag niet kunnen be­staan. En velen die in die tijd in mijn wereld, mijn stoffelijke wereld, geleefd hebben, zoeken nu nog hun spoor door de eeuwigheid in uw stoffelijke wereld. Verandering was noodzakelijk. Zonder dit kon een ik zichzelf niet terugvinden.

Ik heb de geestelijke gang gevolgd, die volgens onze oude wijsheid altijd voeren moet door het duister en van het duister tot het licht. Van het licht tot de aanvaarding en de sluimering, waaruit het ontwa­ken doorbreekt. Maar ik heb gezien dat al die werelden waardoor de geest, de ziel, gaan, alleen maar een weerkaatsing moet zijn van zijn eigen wezen. De wereld van de stof is noodzakelijk.

Wanneer je in de geest leeft – en dit geldt ook voor mij – krijg je alleen maar terug wat je bent. Wie duister uitstraalt leeft in een wereld van duister. Wie macht uitstraalt leeft in een wereld van machtigen. Wie liefde uitstraalt leeft in een wereld van liefde. Maar het verandert niet. Liefde kan niet werkelijk bestaan, beleefd en er­kend worden wanneer er geen liefdeloosheid is. Vrede kan niet gekend worden zonder geweld. Daarom is de tegenstelling nodig van een stof­felijke wereld, maar vooral de voortdurende verandering waardoor steeds weer nieuwe aspecten kenbaar kunnen worden.

Een interessant punt zijn de verschillende incarnaties die je kunt zien. In het begin lijken ze vaak zinloos en redeloos. Ik heb een zee­vaarder gezien die, overgaande, incarneerde als een boer en de gewas­sen zocht in het woud. Daarna werd hij herboren als een priester en als priester diende hij zijn God en meende de hoogste wijsheid te be­zitten. Hij werd herboren als een dorpsidioot maar probeerde uit dat leven nog te puren, wat er te puren was. En ziet, hij werd herboren als de zoon van een machtig raadsheer. Hij leefde zichzelf uit en hij werd de zoon van een uitgeworpene. Hij achtte zichzelf groot en hij werd de dichter van een belangrijk man, ontvoerd en tot slavin gemaakt. En zo heeft zijn leven zich voortgesleept, meer incarnaties dan ik u hier kan opsommen.

En elke keer weer dacht hij meer te zijn dan hij was. En elke keer weer is hij teruggekeerd tot de aarde omdat hij zich wilde vastbijten in één werkelijkheid, één sfeer, één wereld. Hij wilde als een halfgod leven in een wereld waarin niet eens goden bestaan.

Het is moeilijk de woorden te vinden, maar al kent verandering, ook u. De sfeer rond u kent verandering, zelfs nu. Het ogenblik van de rondwervelende kilte, zodadelijk weer te vervangen door de weldoende warmte. Door de verschillen wordt u zich bewust. Maar u kunt u niet bewust worden van iets dat niet deel is van uw wezen. En juist daarom moeten alle verschillende mogelijkheden van een zijn, van een wezen worden uitgedrukt. Steeds weer. Steeds herhaald. En steeds wéér zal de mens de gang moeten gaan langs de duistere gangen, langs de grenzen van het duistere land. Langs de grenzen van de zonsopgang tot in de grenzen van het licht. Vanuit de grenzen van het licht zal hij moeten gaan tot de verterende kern van het licht zelf. Want alleen zo kan hij zichzelf beseffen.

Oude zielen. Ik zie er hier verschillende. Weten jullie wat je geweest bent? Kennen jullie nog de wonderlijke paden, die door alle sferen en begoochelingen heen toch altijd weer voeren tot die ene poort van licht? Weten jullie of ben je vergeten?

Vergeten. In alle wonderlijke veranderingen is dit misschien de grootste gave.

Kunnen vergeten. Steeds weer je concentreren op datgene wat er nu is. Bezig, hartstochtelijk bezig misschien met wat je nu denkt te zijn. Maar het is maar een schijnvorm; ze vergaat.

Werelden van kracht liggen rond je, jonge en oude zielen. Voelen jullie de kracht of heb je haar bestaan vergeten? De hele kosmos trilt rond je en eens heb je gedanst op het wonderlijke ritme dat voortkomt uit de geboorte en de dood van de sterren. Herinner je het je nog? Of ben je het vergeten? Dat is het spel der veranderingen.

De grens tussen u en die wereld van kracht, die deel is van uw werkelijkheid, is minder dan één molecule dik. Maar je hebt haar ver­geten en daarom kun je ze niet benaderen.

De werelden van de werkelijkheid met hun vele vormen, ze liggen zo dicht naast je alsof ze je huid zouden zijn. Maar je hebt ze vergeten. Je voelt ze niet en je beseft ze niet.

Er zijn er hier die u gekend hebt als mens. U weet niet eens dat ze er zijn. Toch staan ze zo dicht bij u dat ze dichterbij zijn dan ooit tijdens het leven dat u met ze gedeeld hebt.

Vergetelheid, de grootste gave. Het vergeten, waardoor je kunt denken dat je nu geheel jezelve bent. Maar wat je nu bent, verandert.

In de stromende kracht die tijd heet, meester is van tijd, ligt de verandering klaar voor uw hand. Uw denken zal veranderen. Uw kracht verandert. Uw wezen verandert. Uw bestaan verandert van vorm en wordt herboren in nieuwe werelden en keert terug misschien tot deze wereld of tot een andere. En omdat je vergeten kunt, denk je altijd: dit is mijn leven, dit is mijn bestaan. En daardoor alleen zijn de verande­ringen mogelijk.

Wanneer je eenmaal de volheid hebt geproefd van alle dingen is het moeilijk je terug te wenden. Wanneer je staat en je eigen vorm aan­schouwt daar waar het licht allen pleegt te verblinden, dan kost het moeite terug te gaan door dit scherm van verterend licht. Om te zeggen: nog ben ik vorm. Nog ben ik wezen. Nog is mijn verandering niet vol­tooid. Maar je moet terug.

Wanneer de tijd wat verder is zult u weer spelen in de lachende tuinen rond de lotusvijvers. Zult u dromen in een land, waar altijd de adem van de lente een waas van illusie leeft. En u zult terugkeren en u zult vergeten, want je moet jezelf zijn.

In de lange tijd dat ik mij heb beziggehouden met al deze dingen meende ik enkele regels of wetten te kennen, die in dit wonderlijk Al de veranderingen regeren. Ik zal ze u zeggen, ofschoon u ze toch weer zult moeten vergeten:

  1. Van vorm tot vorm trek je en niet man of vrouw bepaalt wat je bent, maar alleen dat wat in je leeft.
  2. Band na band knoop je en kun je niet verbreken, ook wanneer de vorm van de band en de uiting ervan verandert.
  3. U zult gaan, na elk leven, naar die wereld die uit jezelf ge­boren is. Je hoop en je gedachten, je angst en je wanhoop zul je aanschouwen als een werkelijkheid.
  4. Je zult dromen zonder te slapen en er zal een ogenblik komen dat de wereld rond je vaag, vaal en bleek wordt. Je zult zit­ten in de eenzaamheid waar het tijdloze geluidloos zich uit­strekt en je afvragen: wie ben ik geweest?

Je zult jezelf zien voor wat je geweest bent, vorm na vorm. Leven na leven. Sfeer na sfeer.

Je zult jezelf afvragen: Ben ik dat? En je zult geen “ja” durven zeggen en teruggaan tot al verbleekt; tot de herinnering een vaag waas is geworden en een nieuwe vorm je dwingt te werken en te streven. Te zoeken en te lijden.

Je zult teruggaan door de sfeer naar de beschouwing, telkenmale weer, tot het ogenblik komt dat je die eenzaamheid niet meer als een­zaamheid beseft. Dat de oceaan van tijdloosheid die voor je ligt plotseling bezield schijnt te zijn met al wat je bent geweest en worden zult met alle vormen en werelden tezamen. En daarin een lichtvlek die sterker en sterker wordt.

Je denkt: nu heb ik bereikt. Want de kringloop van verandering schijnt onderbroken te zijn. Je verlaat de laatste zekerheid en je gaat naar het licht dat feller en feller wordt. In dat licht ontmoet je jezelf. En dan moet je erkennen dat je jezelf nog niet volledig aanvaarden kunt. Je zult teruggaan en spelen in de tijdloosheid en soms voor een ogenblik opduiken in de tijd. Werkende. Zoekende. Bid­dende. Zingende. Zwevende en weer terugvluchtend in tijdloosheid. En altijd weerkeren naar die witte gloed in de hoop dat je kunt zeggen: nu heb ik mijzelf volledig erkend. Nu versmelt ik wat ik ben in al dat andere.

Wanneer één ster sterft, dan keer je naar een andere ster. Wanneer een planeet geboren wordt sta je aan de wieg van het eer­ste leven.

Wanneer ze afkoelend of kokend het laatste leven van zich stoot zweef je naast haar en betreurt misschien, dat je heen moet gaan naar een andere wereld. Een ander leven. Een nieuwe verandering.

Denk niet dat je eeuwig op deze wereld zult incarneren. Wanneer je al wat op deze wereld je aan erkenningsmogelijkheid geeft waar hebt gemaakt, aanvaard hebt, weet, dan zijn er nieuwe werelden. Nieuwe pla­neten. Sferen met andere dromen. Want alleen degene, die in het tijdloze zichzelf kan aanvaarden, kan terugkeren tot de werkelijkheid die hij is, die heeft gedaan met de verandering. En zelfs dan gaat de verandering voort, maar je herkent al haar vormen. Daarom verander jij niet meer.

Schepping is een voortdurende opeenvolging van steeds andere mo­gelijkheden en andere tijden, andere erkenningen. Maar al wat je er­kent is zinloos wanneer je het voor jezelf niet aanvaardbaar maakt. Daarom leeft u in deze wereld en rust op u de zegen van de ver­getelheid, de gedeeltelijke of de totale vergetelheid. Want alleen zo kunt u bestaan in een wereld, die door minder dan een molecule dikte gescheiden is van een wereld van een onmetelijke kracht, een licht, een werking, een totaliteit, die chaos en absolute vorm samen schijnt te omvatten en die je niet eens zou durven aanvaarden. Daarom rust op u het zegel van de vergetelheid en ziet, weet en voelt u niet eens werkelijk en volledig wie en wat er rond u is uit al die sferen en dromen, waarin het leven zich terugtrekt wanneer het de materie verlaat. En toch zult u veranderen.

Dunner en dunner zullen de grenzen worden tot één gedachte van u in staat is de muur te verbrijzelen. U één te doen gevoelen met de kracht. U bewust te maken van de werelden die om u heen liggen, die het wezen doen aanschouwen van hen, die rustend uit de stof zoeken naar de harmonie van een niet stoffelijk bestaan.

Bijna 40000 jaren heeft deze wereld verandering na verandering gebracht sedert ik van haar bevrijd werd. En de verandering gaat voort, eindeloos. Maar zoals ik ontkomen ben aan die werveling van vergetel­heid, die droomwerelden waarin de geest zichzelf zoekt en rust, zo zult u ontkomen. De verandering zal verder gaan. Ze zal u steeds min­der beroeren. Want waar het wezen zichzelf vindt daar kan de verande­ring niets wijzigen. En toch, uit deze wereld waarin ik leef, werk ik aan de veranderingen ook op uw wereld, wetend dat zij in wezen niets zijn en niets betekenen, maar hopende dat uw vergetelheid daardoor minder absoluut zal worden en uw besef van uw wezen en uw noodzaak sterker.

Laat mij eindigen met dit te zeggen: Het licht van de zon, dat dodelijk is voor hen die daaraan zijn bloot gesteld zonder bescher­ming en bij voortduring, brengt het leven op aarde. Het werkelijke licht van het zijn kan alleen verdragen worden door hen, die de kracht hebben gevonden die daartoe nodig is. Maar eens zullen wij deel zijn van de zon, van het licht, ja meer nog: wij zullen één worden met de ruimte, waarin het licht zich voortspoedt en de betekenis ervan be­seffen zonder zelf te veranderen. Dat is de gang van verandering. Dat is leven. Dat is zijn.

Hoe moeizaam kun je in woorden uitbeelden wat de werkelijkheid is. Laat mij het zo zeggen: 10000 jaar geleden werd de hitte door de mens op aarde verhoogd en de zon leende hem haar stralen. En in korte tijd smolt het ijs, overspoelde de wereld, verankerde veel, maakte moeras­sen van weiden, daarnaast steppen bevroren in sneeuw. De vulkanen braakten vuur en de aarde scheen te verzinken in één ogenblik. Drie jaar lang, niet meer, heeft dat proces geduurd. Niet meer dan twee van uw uren waren nodig om de vloed rond de aarde te jagen. En de aarde was anders en toch de aarde. Het leven was anders en toch het leven.

De herinnering is gedoofd aan het verleden, maar de krachten uit het verleden leven nu nog voort. In de eeuwige verandering blijft de eeuwige werkelijkheid onberoerd bestaan en zij is de zin van de ver­andering.

Van het vele wat u bent en beleeft zal het ene blijven bestaan wat u wezenlijk bent. De erkenning van wat u wezenlijk bent zal niet slechts de verandering voor u tot stilstand brengen maar haar gelijktijdig voor u tot een vreugde maken. Want niets is beter dan – jezelf kennende – voortdurend weer de eenheid te kunnen proeven met het Al en terugkerend toch tot een “ik-zijn” te weten dat de schijn van verandering een spel is, dat altijd weer wordt afgewisseld door de vreugdige eenheid met Al die in rust is zonder einde.