De vraag der beheersing.

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ – (Hoofdstuk 4) januari 1961

De vraag der beheersing.

Eerste deel.

Wanneer wij het woord ‘beheersing’ gebruiken, dan is dit voor ons te allen tijde een probleem, omdat beheersing voor ons niet altijd wenselijk blijkt. De grote moeilijkheid is daarbij wel gelegen in onze persoonlijke ontwikkeling, waarin immers zuiver stoffelijke elementen een rol spelen zowel als de condities en mogelijkheden in een wereld, waarin wij op dat moment bestaan, plus onze innerlijke en geestelijke behoeften. Wij moeten uitgaan van het standpunt dat de werkelijke beheersing van het ‘ik’ alleen mogelijk is bij een volkomen harmonisch en egaal ontwikkelen van de persoonlijkheid, ook in dat deel of dat punt, waarop wij ons uiten. Dat is voor u de stoffelijke wereld.
Bij ‘beheersing’ denkt men stoffelijk over het algemeen aan wat wij ons ontzeggen (onthouding); men denkt verder aan afkeuring en verwerping. Men meent dat de beheersing alleen noodzakelijk is bij wat men noemt ‘ten kwade’. Dit brengt echter problemen met zich mee omdat een eenzijdig gerichte beheersing altijd een onevenwichtigheid in ons leven doet ontstaan. Wij verlangen dat onze innerlijke ontwikkeling harmonisch en evenwichtig is. Alle gaven, die wij langs experimentele weg door het volgen van voorschriften voor onszelf kunnen verwerkelijken, ook reeds in het stoffelijk milieu, zullen door onevenwichtigheid van de eigen persoonlijkheid in gevaar komen en i.p.v. een zegen voor ons een bedreiging betekenen.
Zo rijst deze avond allereerst de vraag: Waar is beheersing noodzakelijk en hoe ver moet deze beheersing gaan? Dan moet ik stellen dat in de jeugdjaren beheersing de mens van bovenaf wordt opgelegd. Deze van buiten komende beheersing is voor hem een voortdurende bron van conflicten. Zij draagt bij tot de vorming van zijn persoonlijkheid in zijn maatschappij of zijn stam. Zij kan echter nooit de persoonlijkheid zelve voldoende veranderen. Als de beheersing alleen van buiten komt, zal zij ‑ vooral bij de volwassene, die verder wil streven ‑ eerder schadelijk dan goed zijn. Alle beperking van buiten mag dus worden verworpen, onverschillig of zij zich richt tegen goed of kwaad.
Wij moeten verder rekening houden met het feit dat in de mens, juist wegens de beheersing, die hem in zijn jeugdjaren van buitenaf werd opgelegd, in zeer grote mate verzet leeft tegen alles, wat heerschappij en beheersing heet. Hieruit volgt dat daar, waar beheersing definitief wordt opgelegd, het gehele wezen en gedachteleven daartegen op komt en dus in feite tracht de beheersingsmogelijkheid ongedaan te maken. Al het verbodene is attractief. Wij moeten dus zeggen: Elke beheersing moet uit mijzelf komen en moet gebaseerd zijn op een innerlijke overtuiging. Eerst wanneer ik innerlijk aanvoel dat deze beheersing nuttig, mogelijk of noodzakelijk is, zal ik in mijzelf de kracht kunnen vinden om mij te beperken.
Elke mens zal stoffelijk aan het behoefte‑element beantwoorden. Een beheersing, die dit uitschakelt, blijkt een ontwrichting van de persoonlijkheid te zijn. Zij is onaanvaardbaar. Elke beheersing, die slechts het hoogst noodzakelijke aan het lichaam toestaat en daarbij de grootst mogelijke speelruimte laat aan de geest, is wel aanvaardbaar, omdat zij stoffelijke ontwrichting en moeilijkheden voorkomt, maar gelijktijdig een zo bewust en bezonken mogelijk handelen op elk vlak ‑ van het zuiver materiële tot het hoog‑geestelijke toe ‑ openlaat.
Ik heb de opmerking gemaakt, dat een beheersing alleen van het kwade onevenwichtig is. Ik wil trachten u dit duidelijk te maken.
Het totaal van de schepping komt voort uit Brahma’s adem. Er is dus een kracht uitgegaan, die misschien kan worden onderverdeeld in drie afzonderlijke factoren, die wij voortdurend in steeds wisselende verhoudingen rond ons zien. Elk van die factoren werkt op ons in. Wij kunnen ons aan geen enkele werking onttrekken, onverschillig of wij deze demonisch noemen of goddelijk. Ontkennen wij één van deze werkingen, dan zullen wij juist door de schijnbare beheersing daarvan de kracht van deze werking in onszelf zozeer versterken, dat zij ten slotte een beïnvloeding betekent van elke handeling en elke daad. Verder blijkt, dat als een deel van de goddelijke openbaring (de schepping dus in al haar facetten) wordt verworpen, de mens onbewust de nadruk gaat leggen op dat, wat hij verworpen heeft. Negatief streven is voor ons onaanvaardbaar. Daarom zullen wij niet alleen het slechte trachten te beheersen maar ook het goede.
In de tweede plaats zou ik ook nog willen opmerken, dat ‑ waar het oordeel goed of kwaad veranderlijk is en volledig afhankelijk blijkt te zijn van de menselijke instelling, het menselijk bewustzijn, het bereikte niveau en de sociale structuur van zijn omgeving ‑ mag worden gesteld, dat waar goed en kwaad veranderlijke waarden zijn, zij voor de geestelijke bewustwording nimmer als maatstaf kunnen worden gehanteerd. Voor de innerlijke ontwikkeling zijn wisselende maatstaven onbruikbaar. Ons innerlijk wezen is eeuwig en onveranderlijk. Wij trachten te streven ons van dit wezen bewust te worden. Alle eigenschappen, die dit werkelijke wezen bezit, trachten wij te wekken en te ontplooien. Dat wij daarbij soms even een schijnbare onevenwichtigheid scheppen, is duidelijk. Wij trachten nl. een onevenwichtigheid b.v. in de materie te scheppen om daar een geestelijke kracht als tegenwicht tegenover te doen ontstaan. Ons doel is steeds weer harmonie; en wel een harmonie, die binnen afzienbare tijd kan worden geopenbaard.
De vraag, waar beheersing noodzakelijk is, kan eenvoudig worden be­antwoord. Een zeer groot gedeelte van uw lichamelijke levensprocessen is in meer of mindere mate aan de wil onderworpen of kan door de wil worden beheerst. Het is belangrijk dat wij een zo groot mogelijk deel daarvan be­heersen. Hoe meer wij meester zijn over alles, wat belangrijk is als de bloedsomloop, de ademhaling, de zenuwkracht, de reactie, ja, zelfs over spanning en ontspanning, hoe zuiverder wij het instrument ‘lichaam’ zullen kunnen afstemmen op de behoeften, die wij als geheel (stoffelijk en geeste­lijk) hebben.
Ten eerste mag dus worden gesteld dat lichamelijke beheersing en de oefe­ning tot lichamelijke beheersing belangrijk en noodzakelijk zijn.
Ten tweede blijkt echter dat de wil zelf kan worden beïnvloed door ge­dachtebeelden. Daar waar het denkvermogen van de mens bepaalde beelden schept, die niet in overeenstemming zijn met zijn stoffelijke vermogens of werkelijkheid, zal hij zich toch genoopt voelen deze te verwerkelijken.
Al of niet met het gebruik van schijnredenen zal hij inderdaad het gedach­tebeeld omzetten in een stoffelijke mogelijkheid. Als wij lichamelijk even­wichtig willen zijn, is het niet voldoende alleen het lichaam te beheer­sen, maar is ook de beheersing van de gedachten daartoe noodzakelijk.
Bij het beheersen der gedachten, gaan vele mensen uit van een be­heersing van de denkbeelden. Dat is een praktische onmogelijkheid.
Slechts na zeer lange training kan een mens, gedurende de tijd dat hij zich daarop volledig concentreert, zijn gedachteprocessen geheel beheer­sen. Zodra hij echter aan het dagelijks leven deelneemt, zal hij niet in staat zijn alle in hem optredende associaties en reacties na te gaan.
Het denken kan niet beheerst worden in de gedachten als zodanig. Wel kan het denkpatroon worden gewijzigd en kunnen wij, door voortdurend te refereren aan voor ons belangrijke waarden, het associatief patroon van onze gedach­ten veranderen.
Het is daardoor mogelijk om een eenvoudige menselijke drang (ik denk hier b.v. aan seksualiteit, aan eetlust, aan strijdvaardigheid of angst) juist door deze associatieve methode om te zetten in een geestelijke waarde op hoger vlak. Dan zal dus alles, wat gewoonlijk slechts een seksuele reactie geeft, tevens een hoger geestelijke werking veroorzaken en daarmee het evenwicht scheppen.
Alles wat honger betekent, betekent tevens de absorptie van geestelijke krachten en schept zo evenwicht.
Alles wat strijdvaardigheid betekent, is tevens de aanvaarding van het kosmisch patroon en de zich daarin steeds afspelende strijd om evenwicht tussen schijnbaar tegengestelde krachten. Daardoor wordt de strijd in fei­te een zoeken naar evenwicht.
En zelfs de angst, die de ontkenning is van een deel van de schepping, kan in ons als tegenbeeld oproepen de volmaaktheid van die schepping, waardoor angst zelf wordt gedelgd en het ‘ik’ harmonisch blijft.
Deze punten zijn van buitengewoon groot belang. Hoe meer de mens leert zijn associaties bij het denken op de juiste wijze om te zetten, hoe meer hij leert b.v. ergernis te vervangen door een rationeel denken, hoe meer hij leert zijn toorn om te buigen in een zoeken naar de juiste wijze van beleven (het herstellen eventueel van aangedaan onrecht), hoe zuiverder en evenwichtiger niet slechts zijn gedachteleven is, maar hoe harmonischer hij ook zijn stoffelijk leven kan beheersen en hoe doelmatiger hij zijn stoffelijk voertuig gebruikt.
Het is duidelijk, dat de vraag van de beheersing hiermee slechts ten dele is behandeld. Want de mens heeft niet alleen te maken met zijn gedachten en met zijn lichaam. Deze beide zijn ‑ en de meer bewuste realiseert zich dit al zeer snel ‑ niets anders dan een middel om innerlijk bestaande waarden, die een mens niet rationeel kan omschrijven en die wij geest of ziel noemen, tot uiting te brengen.
De vraag is hier: Op welke wijze wordt het geestelijk evenwicht gezocht en gevonden? Ik wil u daarvan een voorbeeld geven.
Stel boven elkander 7 lichten en zeg: Dit zijn de 7 voertuigen, waarin de ziel zich openbaart. Vervolgens zult u rond elk van die lichten een kartonnen hoes zetten en in deze kartonnen hoes maakt u slechts enkele sneden. U zult in een lagere lamp nooit insnijdingen maken, die niet reeds boven aanwezig zijn; u moogt echter de sneden op zichzelf groter maken. Het zal u blijken dat een vreemde licht‑ en schaduwwerking ontstaat, die in sommige gevallen ‑ omdat wij immers de sneden niet symmetrisch hebben aangebracht ‑ een zeer onregelmatige verdeling geeft van licht en schaduw.
Een nadere uitleg: U neemt dus een kartonnen koker en zet daarin een lamp. U hebt in die koker hier en daar in de lengte een snede gemaakt, zodat licht kan uittreden. Wanneer u kijkt, ziet u dus licht uitstralen. Dit is dus niet overal even sterk. Hier zitten b.v. 3 sneden en daar 1. Hier zijn 2 grote vlakken schaduw, daar gestreepte vlakken licht en ginds een enkel vlak licht. Wanneer wij naar beneden toe gaan, kunnen wij dus wel in de vlakken, waarin licht is, het aantal sneden vergroten of de openingen verder uitsnijden (dus een klein reepje wegnemen), maar wij kunnen niet in de blinde vlakken die boven waren nu sneden aanbrengen. Kunt u zich dit voorstellen? U kunt dan zien dat, naarmate u lager komt, het licht op de verlichte delen van de lamp intenser wordt. U ziet daar dus meer licht. U ziet echter ook dat de schaduwwerking daardoor eveneens intenser wordt en wel zo, dat boven de schaduwen het diepst zijn (het minste direct licht), terwijl beneden de schaduwen wat vager, wat grauwer zijn. Probeert u het anders nog eens uit te tekenen, dan ziet u misschien wat wordt bedoeld.
Nu is elk geestelijk voertuig van de mens in feite kracht, energie.
Deze energie heb ik hier dus met een lamp vergeleken. Die energie moet zich volledig evenwichtig uiten; d.w.z. zij moet rondom stralend zijn, rond­om contact hebben met de kosmos, zonder één enkele blinde plek. Wanneer dit contact niet bestaat, zal het wezen van het licht daardoor niet ge­schaad worden. Wel zal het licht, dat aan een enkele zijde uittreedt, mis­schien feller zijn dan het bij een evenredige verdeling van licht zou wor­den. Nu blijkt dan dat wij beneden bij het laagste voertuig dus de grootste mogelijkheden hebben op die terreinen, waarop reeds in de kern een bewustzijn, een licht, een contact met de kosmos is ontstaan. Naarmate wij verder naar beneden komen, blijkt verder dat de uitingsmogelijkheid en dus de erva­ringsmogelijkheid groter wordt. Wij kunnen echter nooit het gehele evenwicht onmiddellijk herstellen.
Nu kan de geest echter in het laagste voertuig deze onevenwichtigheid er­kennen. Hier treedt dus zelfkennis op. Deze zelfkennis kan worden gebruikt om innerlijk, zonder beïnvloeding dus van ons contact met de kosmos, de hoogste krachten in eigen wezen te activeren. Dan kan daardoor een ont­vangst‑mogelijkheid ontstaan in het hoogste voertuig, die zeer miniem is.
Daar begint dan een nieuwe impuls, die het totaal van het innerlijk wezen betreft en in elk voertuig een nieuwe ervaringsmogelijkheid geeft.
Naarmate meer wordt beleefd in een bepaalde sfeer, zal de opening zich dààr uitbreiden. Het licht, dat wij rond onze lampen zien, wordt daardoor evenwichtiger, de schaduwpartijen onbelangrijker. Elke schaduwpartij noemen wij onbewustzijn, elk licht noemen wij bewustzijn. Indien wij onszelf willen beheersen, kunnen wij onmogelijk bewustzijn én on­bewustzijn beheersen. Het is ons niet mogelijk in een enkel ogenblik alle hinderpalen te verwijderen, tenzij wij onszelf geheel ontkennen. Deze ab­solute zelf-negatie is voor praktisch geen enkel schepsel geheel aanvaard­baar, zodat deze weg slechts door een enkeling kan worden gegaan, meestal eerst nadat reeds een grote harmonie van bewustzijn is verkregen. Wij kun­nen echter wel door de beheersing, die wij op het laagste vlak hebben, trachten juist datgene, wat ons geestelijk het meest ontbreekt, aan te vul­len. Ons streven in de stof betekent niet dat de geestelijke voertuigen daartoe onmiddellijk ontwaken, maar dat in de kérn van ons wezen een nieuw kosmisch contact tot stand komt, dat achtereenvolgens in alle voertuigen, behorend bij een sfeer, wordt geopenbaard en in elk daarvan een onmiddel­lijke activiteit begint.
De conclusie, die hieruit voortvloeit, is deze: Wij moeten, als wij ons be­heersen, altijd uitgaan van het laagste voertuig, dat wij bezitten en waarin wij bewust handelen. Hierdoor kan men nl. op de eenvoudigste wijze, wegens een gemakkelijker overzicht, d.i. een gemakkelijker ervaren, de eigen onvol­maaktheden erkennen.
Onze beheersing is nu deze: Wij mogen niet alle onvolmaaktheden, die wij in onszelf erkennen, gelijktijdig aantasten. Dit maakt het onmogelijk de impuls naar het werkelijke en innerlijke wezen door te geven. Maar elke erkende onvolmaaktheid, die wij in overeenstemming met wat omtrent stofbeheersing reeds is gezegd met de volle intensiteit van ons wezen kunnen aantasten, betekent het gelijktijdig ontwaken van een nieuwe activiteit in elk geestelijk voertuig. Wij kunnen dus uit de lagere sfeer, waarin wij bestaan, de harmonische verhoudingen van elk geestelijk voertuig afzonderlijk vergroten en zo voor onszelf de ontwikkelingsmogelijkheid, zomede de mogelijkheid uit de kosmos krachten te onttrekken, eveneens uitbreiden. Hier wordt beheersing dus niet alleen meer een instrument om meester te zijn over onszelf, maar de beheersing wordt meester van het kosmisch contact. In de plaats van maya (de waan, het omhulsel dat onze lampen omgeeft) ontstaat meer en meer het contact met de werkelijkheid.
Wij zijn niet in staat om ooit geestelijk of stoffelijk de kosmische werkelijkheid te beheersen. Maar elk deel van de waan of van de waanwereld, waarin wij zijn gevangen, is voor ons beheersbaar. Dit houdt in dat elke begoocheling beheerst kan worden, mits wij haar erkennen op laag vlak, ons gehele wezen inzetten tot erkenning van de waarheid daarachter en dan uit het hoogste wezen, dat in ons schuilt (het hoogste voertuig), de volledige mogelijkheid krijgen om deze waarheid niet slechts b.v. op aarde enigszins te benaderen maar innerlijk op elk bestaand vlak te beleven. Zo wordt de beheersing het instrument van onze kosmische bewustwording; en dit maakt haar buitengewoon belangrijk en bovendien ook zeer attractief. Altijd wanneer wij overgaan tot het beheersen van ons wezen of een deel daarvan, zullen wij daarvoor iets terug krijgen. Datgene wat wij voor onze beheersing ontvangen, is ‑ mits de beheersing oprecht geschiedt en dus niet met het doel om b.v. stoffelijk of magisch iets te verwerkelijken ‑ een onveranderlijke waarde, die door elk leven en in elk voertuig gelijk blijft, in elk voertuig en in elk leven gelijkelijk hanteerbaar is en nooit en te nimmer aan ons leven of wezen kan worden ontnomen. Zo schept de beheersing ons een weg tot de volmaking, waarbij sprake is van een groei, die zich eventueel in noodzakelijke reïncarnaties voltrekt. Ik meen hiermee reeds de nadruk te hebben gelegd op het belangrijke van beheersing en hetgeen daardoor geestelijk kan geschieden.
Nu echter leven wij behalve materieel, wanneer wij in de stof leven, ook geestelijk. Elk wezen op aarde ‑ van het simpelste met het geringste bewustzijn af tot de mens toe ‑ kent een tweeledig leven. Het eerste leven is een stoffelijk leven en wordt door het stoffelijk bewustzijn ervaren. Het tweede is een geestelijk leven, dat zich slechts als een flits, b.v. door droomervaringen, kan openbaren. Het is echter een volledig continu bestaan, dat parallel loopt aan het stoffelijke. U leeft dus gelijktijdig in een stoffelijke wereld en in een geestelijke. Wat uw ervaren betreft, zou door de geest mogen worden gezegd: Zolang u stoffelijk bewust bent, droomt u geestelijk. Wanneer u geestelijk ontwaakt echter, slaapt u stoffelijk. In enkele gevallen blijkt degene, die voldoende beheersing heeft over zijn wezen, de gave te verkrijgen deze werelden tijdelijk te versmelten. Zij beoordelen dan echter toch dikwijls het verworvene aan de hand van een stoffelijke maatstaf. Dit is onmogelijk. Het is niet mogelijk geestelijke en stoffelijke werelden op grond van het stoffelijk en verstandelijk gekende te beoordelen en toch een beheersing in beide werelden te behouden en verder waarheid in beide werelden te vinden.
Wij stellen nu: Al datgene, wat tijdens het stoffelijk bestaan in de geest wordt volbracht, wordt mee geactiveerd door het z.g. droomleven wat voor de geest eigenlijk een soort onderbewustzijn wordt. Dit droomleven bepaalt wat men geestelijk opbouwt. De eenvoudige voorstelling van een mens, die zich alvast in de sferen een huis bouwt, wordt hiermee verklaard en blijkt ‑ zij het meer symbolisch ‑ inderdaad zin te hebben. Alles wat wij in de geest willen verwerkelijken volgens ons stoffelijk begrip, kunnen wij tot stand brengen door bewust handelend en levend ons daarop te richten.
Elk nastreven van een geestelijk doel op aarde, ongeacht hoe, resulteert in het overbrengen van deze impuls in een geestelijke wereld, waarin u dan a.h.w. uw tweede bestaan voert.
Dit heeft echter enkele bezwaren. Op het ogenblik nl. dat wij onze stoffelijke beheersing, ons stoffelijk evenwicht en stoffelijke harmonie met ons geestelijk streven in gevaar brengen, blijkt het dat wij het tegengestelde bereiken van wat wij willen. De impuls, die wij aan de geest overbrengen, is dan niet meer een stuwende, een scheppende, maar komt eerder overeen met een onbestemde vrees, een angst, een nachtmerrie. Elke onevenwichtige projectie naar de geest ontaardt daar in haar tegendeel. Wij kunnen dus de geest niet onmiddellijk beheersen. Wij kunnen wel altijd uit de laagste sfeer het daarboven gelegen bewustzijnspeil, dat een tweede leven inhoudt, beïnvloeden. Omgekeerd zal de geest ook haar eigen voorstellingen hebben en trachten de stof te beïnvloeden. Hierin geldt dan dat alles, wat deze geest evenwichtig en bewust doet, als een zeer sterke drang in de mens ontstaat, hem heel vaak tijdens het ontwaken reeds overvalt en hem vele dagen bijblijft. Indien de impuls stoffelijk niet wordt begrepen, krijgen wij te maken met b.v. de repeterende droom, die geen voorspellende waarde, maar alleen een symbolische betekenis heeft. Zo kan de geest het hare bijdragen tot het richten van het stoffelijk leven en wij zullen, als wij werkelijk beheerst door het leven willen gaan, hieraan onze aandacht moeten wijden. Alle hogere geestelijke voertuigen zijn uit een stoffelijk standpunt onbeheersbaar. Beheersing daarvan is alleen mogelijk door bereiking. Alles wat bereikt wordt op het laagste niveau en geprojecteerd wordt naar het hoogste niveau, zal elk tussenliggend niveau, elke tussenliggende sfeer of wereld beroeren en daarin de mogelijkheden van het ‘ik’ wijzigen.

Tweede deel.

Dit deel houdt zich bezig met de krachten, die onze beheersing kunnen richten en beïnvloeden.
Elke beheersing heeft een doel. Wanneer een beheersing doelloos is, is zij in feite een onnodige belasting van het wezen. Het is volkomen dwaas en in strijd met het eigen geestelijk en stoffelijk welzijn tot handelingen en daden over te gaan, als daartoe geen werkelijke aanleiding bestaat.
Rustig zijn, gelaten zijn en slechts het noodzakelijke, maar dit dan ook be­heerst en goed volbrengen, is dus wel de eerste leefregel.
Ik sprak u echter reeds over het milieu en de wereld, die ook een grote invloed hebben. Zolang ik deze buiten beschouwing laat, is de stelling simpel en eenvoudig. Schakel ik echter de omgeving en het milieu in, dan blijkt dat ik met mijn lampenvoorstelling niet ver kom. Want nu krijg ik te maken met licht, dat mij kan beïnvloeden. Er zijn schaduwen, die mijn licht dreigen te verduisteren. Er ontstaat nu in deze tijd de volgende situatie: Het licht, dat op de wereld tot uiting komt, is in intensiteit gemiddeld gelijk aan het 5e voertuig van de menselijke geest. Impulsen, die gelijk zijn aan het hoogste voertuig, komen zelden voor. Daarom kan niet onmiddellijk een zodanige bewustwording uit de geest worden verwacht, zonder dat voor de mens daarbij het stoffelijk wezen als intermediair optreedt. Maar het bewustzijn in dit licht houdt wel in alle potenties, die behoren tot het 5e vlak; zij houdt verder in alle mogelijkheden tot het verwerven van krachten, alle erkenningen en elke drang tot beheersing, evenwichtigheid en harmonie, die gewoonlijk op dit 5e vlak voor ons kan bestaan bij een praktisch, harmonisch bewustzijn. (Let wel, een praktisch, harmonisch bewustzijn; dus iets, wat niet iedereen bezit.)
Die groot‑geestelijke kracht schept wat wij noemen ‘revolutionaire waarden’. Voor de wereld betekent dit o.m. dat bepaalde misstanden worden geforceerd, zoals men een gezwel forceert, opdat het zal doorbreken.
Het houdt in dat andere toestanden, die tot nu toe redelijk werden aan­vaard, plotseling in een onredelijk vlak worden gebracht, zodat wij ook hier verschuivingen krijgen.
Wanneer dit in de wereld rond u gebeurt, dan zult u daardoor ongetwijfeld worden beroerd. Het zal uw eigen beheersing vaak kunnen schaden en het zal soms uw instelling tegenover de wereld aanmerkelijk kunnen wijzigen. Aangezien echter beheersing van het ‘ik’ een zeer belangrijke factor is, mogen wij ons door dergelijke werkingen niet uit het spoor laten brengen. Zo zul­len wij ons eerst moeten realiseren: wat kan een geestelijke kracht, die van buiten komt, op deze wereld betekenen?
Haar werkelijke invloed ligt op het gebied van levenskracht, zenuwkracht, astrale manifestatie en mentale gebieden van de geest. Hierin komt zij het sterkst tot uiting. Dat zij zich zuiver stoffelijk en onmiddellijk manifesteert, komt zelden of niet voor. Wij behoeven dus in onze lichamelijke regime geen rekening met deze kracht te houden. Wat dit betreft, zullen wij verder normaal moeten trachten zo beheerst mogelijk te leven. (Alles volgens de omschreven redenen en voorschriften, die ik u in het eerste deel heb genoemd.)
Waar echter het gedachteleven zelf o.m. het astrale gebied kan beïnvloeden, dus wisselwerking kent met het astraal gebied, terwijl de parallelwereld, waarin de geest haar eigen bestaan voert, praktisch gelijk is aan de mentale wereld, die door dit licht wordt beïnvloed, zo kan worden gesteld: Bij het erkennen van dit licht en van het feit, dat het in ons beroering en omwentelingen tot stand zal brengen, zullen wij moeten trachten de schaduwzijden van eigen wezen, die nu scherper tot uiting komen, zo goed mogelijk te overzien en daartegen beheerst te handelen, zodat wij door de juiste ervaringen ook hier zelf licht zijn en dus ook de geestelijke krachten en het geestelijk licht kunnen ontvangen. Dit is zoveel te belangrijker, omdat een dergelijke lichtende kracht ‑ en zeker in de mate, waarin zij op het ogenblik uw wereld beroert ‑ niet slechts als vermogen optreedt of als levenskracht, maar tevens grote werelden van weten bevat. Daarom is toegankelijkheid tot het kosmisch geheugen maar ook het door harmonie ontvangen van kenwaarden uit andere wezens en persoonlijkheden in uw eigen wereld of in nabij gelegen sferen in dit licht normaal. Wij moeten ons dus neerleggen bij de zekerheid, dat wij zeer sterk door anderen zullen worden beïnvloed. Zodra wij deze beïnvloeding stoffelijk te sterk uiten, in tegenstelling met wat wij als beheersing voor onszelf noodzakelijk achten, zullen wij schade lijden. Het is noodzakelijk stoffelijk goed beheerst te zijn.
In het gedachteleven mogen wij wel degelijk elke ervaring opnemen, die ons door dit licht wordt gegeven, maar wij zullen haar wederom in een regime moeten onderbrengen en dit regime moet gelijk zijn aan de gedachtebeheersing, waarvan ik u sprak.
Ook alles wat het licht ons brengt, moet juist worden geassocieerd.
Onze wijze van associëren moet dus gericht blijven op hetgeen wij goed ach­ten. Wij kunnen ervan verzekerd zijn dat, als onze maatstaven zich langzaam wijzigen, dit in de wijze van associëren tot uiting komt, zonder speciale bemoeiingen onzerzijds. Op deze wijze kan door gedachtebeheersing in de stof, waardoor de situatie, waarin wij onze daden beheersen, ongewijzigd blijft, een zo goed en gunstig mogelijk gebruik van kosmische kracht ontstaan. Tevens mag worden opgemerkt dat de contacten met de kosmische wer­kelijkheid intenser worden en dus het aantal vaststaande waarden in ons gro­ter. De mens drukt dit meestal uit als een groeiende innerlijke zekerheid, die voortdurend door stoffelijke bewijzen gestaafd wordt.

Derde deel.

Hierin wil ik mij richten op de stoffelijke omgeving om daarin kort enkele factoren, waarbij beheersing noodzakelijk is, nader aan te stippen.
Wij vinden dan in het materiële als eerste en belangrijkste beweegreden de drang tot zelfbehoud. Een drang tot zelfbehoud kan (vergelijkt u het met vorige lessen) enigszins beheerst worden, indien wij beseffen dat wij in feite onvergankelijk zijn en dat hetgeen wij willen behouden dus niet ons wezen is maar alleen een ogenblikkelijke positie. De beheersing van deze drang tot zelfbehoud betekent, dat wij voortdurend in staat zijn ons eigen wezen op enigszins juiste wijze te waarderen. Wanneer wij beseffen dat wij voor de medemens van weinig belang zijn en een ander als van groot belang erkennen, zullen wij ons automatisch voor die ander opofferen. Schijnbaar is dit dwaas omdat opoffering op zichzelf geen zin heeft. Zij is in dit geval echter een zelfbevestiging, waarbij datgene, wat reëel in de kosmos bestaat in de persoon voor wie wij ons opofferen, voor ons hernieuwd kenbaar wordt. Wij worden daarvan deel en zullen alles, wat daarmee in verband staat, verwerven en kunnen absorberen. Onze geestelijke waarde in onze geestelijke parallelwereld wordt groter en onze actieradius en mogelijkheid evenwichtig te zijn breiden zich aanmerkelijk uit.
Dan krijgen wij de beheersing in opvoeding.
Wanneer u door anderen wordt opgevoed, is voor u wel de meest belangrijke beheersing: tracht steeds te begrijpen waar het om gaat; behoudt u steeds uw eigen oordeel voor; en slechts daar, waar het gaat om een dogma of een niet bewezen stelling, zult u eerst deze aanvaarden en daarna trachten proefondervindelijk vast te stellen in hoeverre een dergelijke stelling zin heeft. Alles wat ons als onderricht wordt gegeven (dus ook alles wat ik u als uw goeroe aan onderricht geef), staat volledig voor ú open, moet volledig door ú worden verwerkt, beoordeeld en gesorteerd. Zoek in al hetgeen u wordt geleerd steeds naar datgene, wat voor uzelf de grootst mogelijke innerlijke rust en innerlijk evenwicht geeft. Laat al het andere terzijde en zoek eventueel later die gegevens na, wanneer blijkt dat u daaraan behoefte hebt.
Als u een ander moet opvoeden, dan zult u steeds dit moeten onthou­den: De machtspositie die wij innemen, het gezag waarmee wij spreken, impli­ceert niet dat wij de persoonlijkheid van een ander kunnen boetseren.
Wij hebben niet het recht een ander geheel te dwingen volgens ons eigen pa­troon. Wij hebben echter de verplichting naar ons beste inzicht en weten die persoon alles voor te leggen wat o.i. juist is, Zolang wij niet in staat zijn die persoon met grote zekerheid te behoeden voor alle kwaad gedurende zijn gehele bestaan, zullen wij verplicht zijn hem de consequenties van zijn eigen handelingen te laten ondervinden en slechts dààr in te grijpen, waar een lange vernietigende werking zou optreden.
Dus b.v.: laat een kind zich rustig eens aan de kachel branden, maar zorg dat het niet te erg wordt. Laat een jong mens desnoods rustig in conflict komen met de justitie, als hij na een waarschuwing toch in een bepaalde houding wil volharden, maar zorg ervoor dat hij daarbij niet te zwaar wordt gestraft, dat het feit niet te ernstig wordt. Vrijheid laten en gelijktijdig toch een beperkte verantwoordelijkheid blijven dragen, zolang u dit mogelijk is, is de kern van alle onderrichting.
Wat betreft het persoonlijk leven op seksueel gebied, kan worden gesteld – ofschoon het seksuele op zichzelf onbelangrijk is, voor zover het een zuiver stoffelijke functie is en alleen voor het scheppen van nieuwe voertuigen bestemd zou zijn – mag worden opgemerkt, dat het door de gedachteassociaties, daarmee verbonden, een geheel ander karakter krijgt en eigenlijk eerder een uitdrukking van een bewustzijnstoestand behoort te zijn dan een zuiver dierlijke actie. Als gij u van hogere waarden bewust wordt, zult u de stoffelijke actie achterwege laten en slechts daar, waar een geestelijke bevestiging aanwezig is en zéker aanwezig is, trachten om ‑ indien u natuurlijk anderen daarmee niet zult kwetsen ‑ dit ook eventueel stoffelijk te verwerkelijken. Overmaat hierbij is altijd schadelijk. Een zekere mate van seksueel contact is voor de meeste mensen onvermijdelijk en noodzakelijk. Maar indien wij onze krachten hieraan niet te veel spenderen, blijkt het mogelijk een groot gedeelte door de genoemde gedachtetraining om te buigen naar meer actieve en belangrijker factoren van ons leven. Leer dus seksualiteit in dit verband alleen te zien als een eenvoudige dierlijke functie, die onbelangrijk is en die door ons, die beheersing zoeken, terzijde wordt gelaten, tenzij een directe lichamelijke nood ons dwingt. En laten we ook niet te gemakkelijk zeggen dat een lichamelijke nood ons dwingt, maar laten we eerst alles proberen om de krachten die aanwezig zijn, over te dragen, te sublimeren tot een hoger vlak.
Wat betreft een huwelijk, wat hierbij natuurlijk ook ter sprake komt, kan ik alleen dit opmerken: Wanneer men een huwelijk aangaat, is er sprake van een contract. Het contract is deel van uw stoffelijke wereld en hangt direct samen met het eerlijkheidsbesef in die wereld. Het schenden van een contract, schept oneerlijkheid en daarmee ook de neiging tot oneerlijkheid tegenover uzelf. Hier is dus al, zuiver op mentale overwegingen, een reden aanwezig om voorzichtig te zijn met het sluiten van een huwelijk en, zo men daartoe overgaat, dit te doen met de inzet van uw gehele wezen en persoonlijkheid. Belangrijk is ook hier weer in de eerste plaats de geestelijke band en in de tweede plaats de stoffelijke. Slechts als wij in staat zijn door geestelijk contact en beheersing van ons denken tot een juist stoffelijk contact te komen, bestaat voor een echt‑paar de mogelijkheid de juiste kinderen voort te brengen; d.w.z. geesten, die voor de wereld betekenis hebben, grote mogelijkheden krijgen en een redelijk harmonisch voertuig bezitten. Dit behoort bij de verantwoordelijkheid, die m.i. hiermee is verbonden. Beheersing op dit gebied is aan te raden. Gevaarlijk is het afgaan op lichte prikkels en het zonder meer zoeken van avontuur. Op zichzelf zou dit niet schadelijk zijn, als men zich aan de invloeden op het gedachteleven zou kunnen onttrekken. Maar de mens wordt dan door zijn gedachteleven te vaak afgeleid in een verkeerde richting. Hij verliest zijn evenwichtigheid en innerlijke harmonie en als gevolg daarvan zal hij zeer eenzijdig leven, met alle gevolgen van dien, ook voor zijn later geestelijk bestaan.
Wat betreft maatschappelijke contacten en samenleving, dienen wij in de maatschappij altijd rekening te houden met het volgende: Praktisch alle mensen, die in uw leven belangrijk zijn, zijn op de een of andere wijze geestelijk met u verbonden. Er bestaat een zeer grote mogelijkheid dat een aantal van degenen met wie u stoffelijk in contact bent, in uw geestelijke wereld (de parallelwereld, waarover ik sprak) eveneens met u in contact is, zodat in heel veel gevallen de stoffelijke reacties op elkaar een uiting kunnen zijn van iets, wat geestelijk feitelijk bestaat. Hierbij is het voor ons belangrijk dat wij ons stoffelijk voortdurend zo beheerst mogelijk t.o.v. elkaar gedragen en een gezamenlijke harmonie bevorderen waar ons dit mogelijk is. Blijkt het ons niet mogelijk de harmonie met anderen te bevorderen, dan zullen wij ons van die mensen terugtrekken. Slechts daardoor kunnen wij voorkomen dat actieve storingen ontstaan, die ook in de geestelijke voertuigen werkzaam zijn.
Het streven naar harmonie met de medemens, betekent tevens een uit­breiding van begripsvermogen. Hieruit vloeit voor de doorsnee‑mens voort een zeker medeleven met de mensheid of een deel daarvan. Dit is een harmo­nische invloed, die ‑ mits intens genoeg beleefd ‑ zich in het hoogste geestelijke voertuig openbaart en daar een aanvulling betekent, die even­tuele onevenwichtigheden daar uit de weg kan ruimen. Dus de mensen, die rond u zijn, moet u beschouwen als een deel van uw lot; niet als iets, waaraan u bepaalde taken zonder meer heeft, maar als iets, waarmee een voort­durende wisselwerking bestaat.
Altijd zult u trachten voor uzelf het goede, het kosmische naar voren te brengen, het beste uit uw wezen a.h.w. aan die anderen te geven om zo ook geestelijk hetzelfde resultaat te verkrijgen en tevens ‑ door voor die ande­ren in uzelf begrip te kweken en, ik zou haast zeggen, het medegevoel te ont­wikkelen ‑ ook geestelijk met de kosmische waarheid een zuiverder contact te verwerven.
Alle contacten, die hiertoe niet dienen en kúnnen dienen, alle relaties op zakelijk en ander terrein, die onbelangrijk zijn voor onze emoties, ons vermo­gen een mens te helpen en wat dies meer zij, zullen wij zo kort en eenvoudig mogelijk houden. Slechts waar wij innerlijk een geestelijk contact erkennen, zullen wij een toenadering tot stand brengen. Dat is de beste wijze om te ko­men tot een geselecteerd maatschappelijk leven, dat voortdurend impulsen voor verdere bewustwording en krachtsontplooiing bevat.
Dan wil ik opmerken: de kwestie ziekte. Ziekte zal bij een volledige beheersing van het lichaam praktisch onmogelijk zijn. De onbeheerstheid van de mensheid, de daardoor geschapen gebrekkige voertuigen en de onvoldoende scholing van een groot deel van de mensheid op het gebied der beheersing, voeren echter tot onnoemelijk veel ziekteverschijnselen, waarvan ook velen, die het goede pad trachten te betreden, het slachtoffer zullen worden. Bedenk dat een ziekte een aanduiding is van onevenwichtigheid. Indien u niet in staat bent met uw wil deze onevenwichtigheid te neutraliseren of op te heffen, zult u moeten zoeken naar een geestelijk tegenwicht. Is een geestelijk tegenwicht aanwezig, dan kan zeer veel van de kwaal worden teruggedreven. Alles wat u in dit geval als geestelijk evenwicht vindt, zal zich stoffelijk weerkaatsen. Beschouw ziekten nooit als een u onrechtvaardig opgelegde kwelling. Zij staat altijd in direct verband met uw eigen leven en noodlot. Tracht wel het zelfbeklag in alle gevallen te beheersen. Ziekte waarbij zelfbeklag wordt gevoegd, is nl. een ziekte van het gedachteleven, die voortwoekert in alle sferen.
Wanneer u zieken ziet, begrijp zeer wel dat u niet in staat bent nauwkeurig het beleven van die zieke aan te voelen. Onthoudt u van goedkope raad en goedkope opgewektheid. Tracht echter de ziekte zoveel moge­lijk te zien als een normaal verschijnsel. U zult aanvoelen dat op deze wijze eenvoudiger contacten tot stand komen, dat u dus waar sympathische waar­den aanwezig zijn, een zekere harmonie met de zieke tot stand brengt.
Is dit het geval, dan blijkt het ook mogelijk om ‑ hetzij via een sfeer, het­zij zelfs onmiddellijk stoffelijk ‑ tot overdracht van krachten over te gaan en kan men de ander bijstaan en helpen. Ook dit helpen dient beheerst te geschieden. Want het gaat er ons nooit om een kwaal te genezen maar alleen om een mens tot juiste harmonie te brengen. Slechts zó kunnen wij voor an­deren in het leven werkelijk iets betekenen. Zoekend naar harmonie zullen wijzelf uit ziekten en ziekteverschijnselen het beste kunnen putten en de grootste geestelijke waarden kunnen verwerven.
Ten laatste wil ik nog aanstippen: de dood.
Het zal u bekend zijn dat dood in feite geen scheiding is. Wij kunnen echter nimmer onze gevoelens geheel beheersen daar, waar een uit stoffelijk standpunt blijvende scheiding optreedt. Het is ook niet noodzakelijk die gevoelens te beheersen. Noodzakelijk is het uw handelingen te beheersen en uw gedachten op een redelijk vlak te handhaven.
Contacten met de geest kunnen nimmer stoffelijk tot stand worden gebracht. Dat is waan. Contacten met de geest vinden in de geest plaats. Het is beter uzelf zover te ontwikkelen dat u in uw parallelwereld een voortdurend contact met de overgeganen kunt opnemen dan te trachten op aarde op de één of andere synthetische manier enige mededelingen of boodschappen te ontvangen, die over het algemeen voor uw innerlijke harmonie eerder storend dan bevorderlijk zijn en in vele gevallen uw evenwichtigheid van denken zullen kunnen beïnvloeden.
Het heeft weinig zin de dood te beschouwen als een ramp. Degenen, die de dood bewust beleven, ontdekken dat deze in vele gevallen eerder een zegen is dan iets anders. Besef dus wel dat, wanneer u treurt over een dode of angst hebt voor uw eigen sterven, er sprake is van onevenwichtigheid in uw eigen wezen. Tracht uw innerlijke harmonie op te voeren. U zult ontdekken, dat de dood u dan niet meer kan kwellen. Een vrees voor de dood en zelfs het afscheid van anderen door de dood, zal u veel minder beroeren en zal u daarentegen nieuwe activiteit en grote krachten geven.
Door op deze wijze in het leven de beheersing te gebruiken om een voortdurend actief‑zijn in het ‘ik’ tot stand te brengen en in de wereld steeds zo harmonisch mogelijk te zijn, zult u uit het geheel van uw ervaringen een wonderlijk werkstuk maken. U zult in plaats van aan een voortdurend wisselende reeks begoochelingen gebonden te blijven, steeds meer contact met de waarheid bereiken.
Alles wat u in de kosmische waarheid bezit, is blijvend, eeuwig en onveranderlijk. Zelfs wanneer de adem des levens terugkeert en de nacht valt over het Al, zijn deze waarden nog aanwezig en zij blijven voor u werkelijk, zonder onderbreking. Zelfs wanneer u zelf tot Brahma zou worden en een Al in het leven zou roepen, zouden deze waarden u nimmer verlaten. De kosmische werkelijkheid die bereikt wordt, is blijvend. Daarom is beheersing ‑ en zeker in de zin, waarin ik er hier vanavond over sprak – het meest belangrijke punt van elke geestelijke ontwikkeling.
Ik zal u, waar ik over beheersing heb gesproken, deze maal geen experimenten opgeven en hoop dat u in de plaats daarvan voor uzelf zult zoeken naar het experiment der beheersing, dat voor elk van u verschillend is, maar ieder van u de mogelijkheid geeft om met enige vasthoudendheid en training in zeer korte tijd zeer veel voor uzelf te bereiken.

Het hof der hemelse rechters.

De gedachte van een geestelijk gerechtshof is zeer oud en wij vinden daarvan een treffend voorbeeld in het Egyptisch Dodenboek; maar ook bij de Tibetanen vinden wij een soortgelijke opvatting.
Er is een reeks grote geestelijke krachten, die een oordeel kunnen uitspreken en daarmee kunnen bepalen waar een mens na de dood b.v. zal voortbestaan. Nu weet u ook dat de astrologie erkent dat er een aantal grote invloeden zijn, vereenzelvigd met sterrenbeelden en planeten, die voor het mensenleven ook zekere tendensen betekenen. Die tendensen zou men ook met zo’n gerechtshof kunnen vergelijken. Want deze hebben ‑ zij het meer stoffelijk ‑ ook invloed en zij kunnen u a.h.w. veroordelen tot een bepaalde reeks ervaringen.
De aardigheid van dit geheel is echter dat een oordeel, dat een geestelijk gerechtshof uitspreekt ‑ onverschillig of wij hier te maken hebben met een gerechtshof als in het Dodenboek of met een astrologische invloed ‑ de kern van uw wezen niet kan raken. Want de kern van uw wezen is altijd met God verbonden en slechts door uw bewustzijn kunt u onderworpen zijn aan deze invloeden. U kunt ze dus altijd overwinnen.
De rechters, de hemelse rechters dus, zouden wij het best kunnen vergelijken met een soort onderwijs‑instantie, die bepaalde regels heeft gegeven. En wanneer je niet slaagt voor klas A, zul je dus moeten blijven zitten in de kleuterklas. Ben je voor A geslaagd, dan zul je moeten werken en overgaan naar B. Is dit niet het geval, dan word je tot het herhalen van een deel van de leerstof veroordeeld.
Nu kan een mens op een gegeven ogenblik echter contacten hebben, die verder reiken dan één bepaalde bewustzijnssfeer of ‑invloed. Eén daarvan is een geestelijke meester. Wanneer je werkelijk een geestelijke leermeester hebt (dus niet alleen iemand die je zo nu en dan eens iets vertelt, maar werkelijk een leermeester, waarmee je een blijvend geestelijk contact hebt), dan geldt dat niet alleen voor één bepaald bewustzijn. Zo’n meester heb je niet alleen in de stof, maar die heb je met je hele wezen door alle sferen en alle werelden heen. Onverschillig dus wat er ook gebeurt ‑ of nu astrologische invloeden u, omdat u zwak bent, in een onaangename situatie dwingen, of u overgaat en daarbij door uw bewustzijn van onvolmaaktheid a.h.w. een veroordeling van een hemels gerechtshof ondergaat, u zult altijd dit contact blijven behouden. Want dit contact ligt meestal in de kern van uw wezen.
De gedachten, die men hierover vroeger had, waren wel wat afwijkend van wat wij op het ogenblik kennen. Zo wil ik er op wijzen, dat een hemels gerechtshof b.v. kon worden bedrogen. Denkt u eens aan de scarabeeën, die de Egyptenaren in de plaats van het hart legden en waarop de spreuk stond: ‘Wanneer ik geroepen word, spreekt gij voor mij.’ Opdat, wanneer aan het hart voor de rechters gevraagd zou worden: “Is dit waar, is dit goed, is dit juist?” die steen, die niet zoals het hart onder het geweld van de rechters valt, zou zeggen: “Dit is juist.” Je zou dus de hemelse rechters kunnen bedriegen. Deze opvatting kunnen wij trouwens overal vinden. Of wij nu teruggaan naar de Syrisch‑Griekse beschavingen; of wij teruggaan tot de vroeg‑Babylonische tijd, of we gaan kijken in Ur of ons gaan bezighouden met de primitieve godsvoorstellingen van India, van China, overal vinden wij dit begrip terug. Men kan klaarblijkelijk hemelse rechters bedriegen. En daarmee is al aangegeven, dat hemelse rechters geen goddelijke krachten zijn.
Een verder onderzoek leidt tot de conclusie dat deze rechters niets anders zijn dan symbolen van iets, wat in ons leeft en mogelijkerwijze harmonisch is met invloeden uit de kosmos.
Wanneer een mens dingen doet, die volgens hemzelf slecht zijn, dan kan dit niet alleen maar voortkomen uit zijn menselijk milieu. Anders zal hij zich tegen die mensheid in, toch nog overtuigd gevoelen: zij zijn het er weliswaar niet mee eens, maar ik heb het toch goed gedaan.
Als je echter ergens in de kosmos parallel loopt met een grote kracht en er is een wederzijdse beïnvloeding en die kràcht accepteert dat niet, dan kan in u de idee ontstaan: het is niet juist; tenzij u het argument hebt, waarmee u die kracht kunt verslaan. Het is nu juist dat argument, dat de ouden hebben gezocht in de toverformule of in een esoterische formule, welke zij gezocht hebben in allerhande symbolen en die zij met zich meenamen, maar dat eigenlijk elke mens altijd bezit. Als wij ergens één‑zijn met een kosmische werkelijkheid, of als wij één‑zijn met iets, wat reëel is, wat hoog is en met ons gehele wezen die invloed aanvaarden, dan zijn wij onafhankelijk geworden van die grote krachten. Dan is er iets, wat voor ons spreekt. En in zoverre is die magische formule nog niet eens zo dwaas.
Stel, dat u dus op een gegeven ogenblik denkt aan de invloeden van de kosmos als hemelse rechters. U gaat over, uw gedachten baren vormen en u staat voor een hemels gerechthof. Dat gerechtshof stelt u de vragen, die u feitelijk uzelf zou moeten stellen. Dan wordt u gedwongen tot een soort zelfopenbaring. Daarom is dit ook in de kosmos toegelaten, daarom bestaat dit.
Maar nu weet u bepaalde dingen niet; u weet niet, hoe u daarop zou moeten antwoorden. Zou u dat doen b.v. volgens een stoffelijke norm, dan zou u ‘neen’ moeten zeggen. Dit ‘neen’ echter houdt een veroordeling in.
Nu hebt u een geestelijke meester. Die geestelijke meester maakt u duidelijk, dat hetgeen gevraagd wordt een andere mogelijkheid van uitleg heeft.
Hij wordt dan a.h.w. een soort advocaat. En deze maakt het ons dan mogelijk om ‘ja’ te zeggen; iets, wat anders schuldbewustzijn zou veroorzaken, dus nu te beseffen als een verdienste; iets, wat een tekort lijkt eenvoudig te vervangen door een positieve factor. De band, die er kan bestaan tussen mens en mens, tussen mens en geest, heeft dus in sommige gevallen als re­sultaat een onafhankelijkheid van de normale toestanden.
Bij de overgang komt dit soms heel sterk tot uiting. En wanneer ik dit be­schrijf, moet u goed beseffen, dat die beschrijving natuurlijk is aangepast aan de menselijke wereld en concepten.
Er is een moeder. Deze moeder heeft zelf ‑ misschien door veel strijd ‑ een hoog‑geestelijk bewustzijn gewonnen. Zij heeft een zoon of dochter. Die zoon of dochter heeft wel verkeerd geleefd, maar toch voortdurend vastgehouden aan een paar principes, die de moeder hem of haar heeft geleerd. Hij of zij heeft voortdurend a.h.w. een innerlijk contact met en respect voor die moeder gehad. Nu gaat zo iemand over en zou normaal dus in het duister komen, want hij/zij staat tegenover het verblindende licht; wat dan de hemelse rechters zijn. Hij/zij herkent a.h.w. de eigen fouten in de onveranderlijke waarheid van de kosmische kracht zelf. Nu kan de moeder, die dit bewustzijn heeft, dus zeggen: “Neen, want je hebt je nog steeds aan mij vastgehouden. Ik kom bij je, ik beschut je tegen het teveel aan licht, omdat ik dit kan verdragen. En doordat ik je nu lessen geef, wen ik je eraan. Je behoeft dus niet weg te vluchten in het duister. Je zult alleen een langere tijd sterk onder mijn invloed staan. Ik zal mij helemaal aan je moeten wijden. Maar ik kàn je bewust maken, totdat je dit licht wel kunt verdragen en je dus door het licht niet veroordeeld zult voelen.” Dit zijn dingen, die meer voorkomen dan u zou denken omdat, waar een werkelijke band van genegenheid bestaat tussen mens en geest of mens en mens en één van hen geestelijk hoog genoeg is om zelf a.h.w. de schok van het kosmisch licht, de kosmische waarheid op te vangen, het deze mogelijk is tijdelijk ‑ maar nooit blijvend ‑ de tekortkomingen van de ander te dragen en ze aan te vullen. Op deze manier worden dan ook heel veel geesten, omdat ze ergens een werkelijk oprechte liefde hebben gekend, dus gespaard voor veel van wat ze anders in het duister zouden moeten doormaken.
Als er wordt gesproken over hemelse rechters, dan is dit dus een term, die ontleend is aan de oude godenleer, die in verband staat ‑ zoals ik trachtte duidelijk te maken ‑ met de kosmische erkenning in onszelf. En nu is het typische: wij hebben in onszelf 32 mogelijkheden tot kosmische erkenning, plus 10 kosmisch scheppende factoren, die zich in ons uiten (dat zijn er tezamen 42) plus nog 19 factoren, die ons stóffelijk verder bepalen. En deze tezamen zouden het gerecht vormen, omdat hieruit onze waardering, onze mogelijkheid tot aanpassing en begrip van het kosmische voortkomt. Waar één van die factoren faalt of ‑ beter gezegd ‑ wij falen tegenover één van deze maatstaven, zou een veroordeling het gevolg kunnen zijn. Overal echter waar een tekort is, bestaat een kracht, die dit tekort kan aanvullen, mits ‑ en dat is dus de grote voorwaarde! ‑ de werkelijk oprechte liefde, die niets meer met stoffelijke liefde te maken heeft, de werkelijk oprechte liefde tot uitdrukking komt; omdat in de kosmos de sterkste kracht, de bindende en scheppende factor de Liefde zelf is, die boven elke openbaring ‑ ook zelfopenbaring ‑ regeert, elk gevolg tijdelijk kan ondervangen en uit deze genegenheid of liefde dus de bewustzijnsvergroting kan bereiken, die noodzakelijk is om in en met de wet verder te leven en de kosmische waarheid te kennen.

De Messiah.

Messiah is niet alleen, zoals men soms denkt, het begrip van Jezus, de Verlosser. Integendeel, in de oudheid kunnen wij verscheidene figuren vinden, die met de titel (want dat is het) ‘Messiah’ worden aangesproken. Het betekent eerder ‘bevrijder’ of ook wel ‘degene, die het land doet zien.’ In deze zin was b.v. Mozes Messiah voor de Joden, die uittrokken uit Egypte. De gedachtegang, die hier echter aan ten grondslag ligt, is eigenlijk nog te stoffelijk. Want de feitelijke verlosser, de werkelijk messiaanse kracht, is een groot‑geestelijke entiteit. Zij mag b.v. niet worden verward met de Christusgeest. De Christusgeest is een directe manifestatie van de goddelijke Liefde. De Messiah op zichzelf (het woord wordt ook als naam gebruikt) is echter een groot‑kosmische persoonlijkheid, die in het totale inwijdings‑ en bewustwordingssysteem voor dit gehele deel van het Al (dus voor het gehele Melkwegstelsel) een grote rol speelt.
Er zijn, zoals u zich misschien kunt herinneren, altijd grote reeksen van profeten, dus wezens die openbaren. Daarnaast kennen wij in de bijbel koningen. Wij kennen ook nog richters of rechters. De koning is de ge­zagdrager; hij moet eigenlijk de goedheid zijn, de kracht die de mensen verheft. De profeet is degene, die de goddelijke wil openbaart. En de rechter is degene, die de orde handhaaft. Dat zijn de drie verschillende begrippen. En het eigenaardige is dat wij die niet alleen in de bijbel tegenkomen, maar dat wij ze in elk inwijdingssysteem ontdekken. Wij vinden bij alle inwijders steeds de gezagdragers (de koningen), de geïnspireerden (de woordbrengenden of profeten) en de ordehandhavers (de rechters). De Messiah nu is de top der profeten of ook wel: de bron der profetie.
Om ons te kunnen voorstellen wat deze kracht precies betekent, zouden wij ons een ogenblik moeten voorstellen, hoe de mens staat tegenover de goddelijke openbaring. Hij kent daarin nl. de grote drie‑eenheid, die bestaat uit drie krachten, die hij dan eenvoudigheidshalve de Vader, de Zoon en de Geest noemt, maar die ook onder andere namen bekend zijn, o.a. als Kether, Binah en Geburah (Ashmut?). Dit zijn overigens namen van letters van het Joodse alfabet. Deze drie krachten tezamen vormen de driehoek van de totale geestelijke openbaring. Zij omvatten ‑ voor dit deel van het Al alweer en voor déze golf van ontwikkeling ‑ de totale weergave van God. Heeft men die bereikt, dan evolueert men dus buiten het bereik van deze stoffelijke werkingen en komt men misschien in een andere wording op een totaal andere trap van bewustwording te staan.
In ieder geval is zeker dat degene, die dit bereikt heeft, vrij wordt van alles, wat op het ogenblik nog stof of sfeer heet.
Om echter te kunnen komen tot een aanvaarding van deze kracht en van hetgeen in deze drie‑eenheid is geborgen, moet de mens daarmee eerst éénheid bereiken. En die éénheid kan hij niet krijgen langs de weg van rechtvaardigheid alleen. Dan kan hij wel met een bepaald déél van de drie‑eenheid in contact komen maar niet met het geheel. Hij kan ook gaan langs de weg van goedheid, van liefde. Hij kan dan ook wel komen tot een contact met één deel van de goddelijke werkelijkheid, maar weer niet met het geheel. Het is dus niet mogelijk om zo ineens a.h.w. het Koninkrijk Gods (dus het begrip van de volledig geopenbaarde goddelijke Kracht) te verwerven.
Nu blijkt Messiah, de kroon van de profeten, de kracht te zijn, die gelegen is recht tegenover wat men noemt de Vader of Kether. Hij staat dus recht tegenover de hoogste geestelijke kracht en staat daarmee in een directe verbinding.
Als wij nu dus stellen dat de Verlosser of Messiah voor ons b.v. onze zon­den draagt, dan willen wij daarmee niet zeggen dat hij onze bagage voor ons meesleept, maar dat hij ons het bewustzijn (ook van de zin van hetgeen wij hebben gedaan) kan geven en daardoor inzicht in de goddelijke verhoudingen. Hij maakt het ons mogelijk om van het stoffelijk niveau over te gaan naar het niveau van de volledige goddelijke openbaring.
Messiah is dan ook de naam, die men aan Jezus geeft als verlosser. En het vreemde is dat men hem daarnaast nevennamen geeft. Men noemt hem nl. wel eens ‘de kroon van Davids geslacht’, ‘de koning der Joden’ en ‘het licht der wereld’; termen dus die men aan Jezus als verlosser toekent, als Messias en in welke de drie‑eenheid, die hij openbaart, tot uiting komt.
Laten wij eens verder nadenken. Wat leert Jezus ons?
“Ik ben u de weg en de waarheid. Er is geen weg tot de Vader dan door mij.”
Wanneer wij dit uit een menselijk standpunt moeten bezien, is het bekrompen en niet aanvaardbaar krachtens de goddelijke liefde, de kosmische kracht en haar werkingen. Maar als wij het messiah‑begrip, zoals ik dit hier heb uitgelegd, in het geding brengen, wordt het heel anders. Het is voor de mens praktisch niet mogelijk om het Koninkrijk Gods onmiddellijk binnen te treden en God geopenbaard te zien, dan juist door dit begrip van de verlosser; hetgeen door openbaring (let wel!), staande tussen materie en Godheid, de volledige werkelijkheid doet zien.
Zo is de Messiah niet alleen een persoonlijkheid geworden. Hij is ons ook een pad. En dat klopt o.m. met de kabbalistische voorstelling, waarin u nl. ook Messiah zult vinden en wel op het pad van de pijl, de derde kracht, gerekend van uit Malkuth. De padwerking van Messiah zou ik ook nader kunnen verklaren.
Goddelijke liefde, de goddelijke openbaring, de goddelijke werkelijkheid zijn altijd in ons tegenwoordig. Wanneer wij ons daarvan bewust worden, zal onze onvolmaaktheid ons nog belemmeren om het geheel precies door te maken, zoals het is. Maar ‑ en daar treedt Messiah nu op als pad ‑ wij aanvaarden de kracht der openbaring. Wij staan dus open voor correcties en verzetten ons daartegen niet. Zo wordt het mogelijk, dat in ons wezen bepaalde voorstellingen worden veranderd of de verhouding van voorstellin­gen t.o.v. elkaar wat verschuift, zodat wij nu de goddelijke driehoek, de drie‑eenheid aanschouwen.
Deze aanschouwing is nog niet de bereiking, vergis u niet. Het is de aan­schouwing. Maar wij zijn deel van het Koninkrijk Gods omdat, zoals tussen Messiah zelf (de top der Profetie, het punt der openbaring) en tussen ons en die Godheid, eenzelfde band is. En dan kun je verder gaan spreken.
Zodra de Godheid Zich in ons kan openbaren, zal de werking van de Godheid in ons kenbaar worden; en in alles wat wij doen om Haar werking te openba­ren, zal de Godheid ons nader komen. Tot het punt, waarin wij onszelf ver­loochenen ‑ een typische reactie; – dus ook in Messiah, in begrip, moeten wij onszelf verloochenen, ons eigen bestaan als belangrijkheid terzijde schuiven en komen dan a.h.w. als met één sprong over de afgrond opeens in de drie‑eenheid. En daar staan wij onder het onmiddellijk gezag van de Vader (of Kether, de Kroon) en worden volledig gevuld door de krachten van de rechter en de goedheid of de vorst.
Zo wordt in het eigen wezen dan een eigenaardige voorstelling geboren. U kunt het het best als een schema denken. Wanneer u nu een driehoek van punten tekent, met een lijn van uit het midden naar beneden en u tekent dan hier op 2/3 van die lijn een puntje en u zet daarbij Messiah, dan kunt u zich voorstellen dat dit puntje precies in het brandpunt staat van die drie andere punten. Die drie andere punten zijn de drie-eenheid. Denkt u nu nog even verder, dan ziet u een bekend symbool: het oog in de driehoek; wat men neemt als de alziende Godheid, maar dat een andere betekenis heeft. Het betekent nl. ook: de in‑God‑ziende. Degene, die daar staat, ként de krachten, die het geestelijk evenwicht van het Al vormen en zal daardoor ingaan in een nieuwe wereld. Hij onttrekt zich a.h.w. aan dit bestaan en zal elders verdergaan. Waarbij de Godheid dan waarschijnlijk een nieuwe drie‑eenheid zal hebben om zich te openbaren, maar waarvan wij één ding met zekerheid weten: Ofschoon Messiah op zichzelf geen kracht is, die gebonden is aan wetenschap, staat op het pad, dat voert tot de Kroon (tot de Vader), ergens het weten. Dit weten wordt in de zin van het pad tussen Messiah en Kether: de openbaring. Want het werkelijke weten ligt als een kennis buiten uw bewustzijnsniveau van dit ogenblik. Maar het is tevens het kernpunt vanwaar u dadelijk zult uitgaan. Zodra wij het totaal van de schepping begrijpen, zoals wij haar nu kennen, kunnen wij intreden a.h.w. in de gróte schepping.
Het is typisch, als je hier b.v. Jezus’ leer en leven gaat vergelijken met zijn uitspraak: “Het huis mijns Vaders heeft vele woningen.” Men vertaalt dat b.v. wel eens met: er zijn veel verschillende hemelen; of: er zijn veel planeten bewoond. Maar dat is toch eigenlijk niet juist. Wanneer wij van dit Messiah‑begrip, dat ik u heb uitgelegd, uitgaan, dan betekent het alleen: er zijn vele vormen van drie‑eenheid, waarbinnen de goddelijke openbaring steeds dezelfde is: nl. de openbaring van de scheppende kracht, maar het bewustzijn van het Al verandert. Zo lijkt het mij mogelijk om op deze wijze steeds via het begrip ‘verlossing’ te gaan tot de groot‑kosmische openbaring, die geen vorm kent, die is een kracht of misschien zelfs slechts een potentie, waarin wij ons echter alle mogelijkheden zullen kunnen realiseren.

Contact.

Het samentreffen van twee punten, waardoor een stroom, die eerst verbroken was, door kan gaan, haar arbeid kan verrichten en haar bestaan kan rechtvaardigen.
Contact. Het samentreffen van twee mensen, die in begrip van elkanders wezen elkanders kracht versterken en samen meer zijn en meer kunnen bereiken dan elk alleen ooit zou kunnen.
Contact. Een idee, die je treft en in eigen denken zich vermengt met eigen denken, het zo makend tot een nieuwer, een zekerder weten.
Contact. Geest en stof, die door een gelijke afstelling een ogenblik de grens, welke tussen stof en geest schijnt te bestaan, doorbreekt. Een contact, waardoor beiden elkanders streven kunnen bevorderen, waardoor beiden elkander kunnen helpen betere resultaten te bereiken.
0, er zijn heel wat krachten te noemen, die wij contacten kunnen noemen. Maar het belangrijkste contact voor ons allen, de kern van alle dingen, is ons eigen contact met God. En dat is eigenlijk een kwestie van eenzijdig contact. Want God heeft altijd verbinding met de mens en met de geest. Hij werkt in hen. Hij houdt hen in stand. Hij is hun leven. Maar de mens, van zichzelf uitgaande, zoekend naar die God, komt voor een grens te staan. Er is een onderbreking, die hij niet zonder meer kan overbruggen. Wanneer hij echter in zichzelf de kenbare waarden van het Goddelijke steeds weer versterkt, steeds weer overweegt, dan komt er een ogenblik dat er een kortsluiting ontstaat. Dan wordt de hiaat overbrugd, dan is er een contact met de oneindigheid zelf, onmiddellijk en direct. Voor de mens misschien niet begrijpelijk, maar toch ervaarbaar. Op deze wijze kan contact worden gezien als het woord, dat eenheid uitdrukt in alle vormen.
Elk contact is een vorm van eenheid. En elke vorm van eenheid, die oprecht wordt gezocht door passende elementen, moet goed zijn. Laten we het zo zeggen:
Contact. Ik zoek een verbinding. Een verband, dat de krachten in mij verbindt met andere landen en krachten. Dat machten, door mij nog niet gekend, één maakt met mijn bescheiden pogen.
Ik zoek het kosmisch mededogen, dat mijn onvermogen tot liefde verheft tot begrijpen en eenheid.
Ik zoek naar hetgeen mij stoffelijk sterkt. Ik zoek naar hetgeen in mij geestelijk werkt. Ik Wil één‑zijn met het Al. Eén‑zijn met leven en denken en streven. Verweven met onbegrepen, nog versluierde wezens in het oneindige. Ik wil contact hebben met het vloeien van de tijd, met het groeien van het Al, het stijgen van de geest. Eén‑zijn daarmee, opdat ik in mijzelf scheppen kan een beeld van wat als werkelijkheid bestaat; opdat ik door dit al beseffen kan waar mijn plaats is in het Al, waar het leven werkelijk bestaat voor mij in de meest volmaakte vorm, kennen zal de norm van mijn eigen wezen. Daarom zoek ik contact met al, wat rond mij bestaat. Daarom ontzeg ik mijzelf elk contact uit haat geboren, maar zoek ik in al de opgang, het gloren van liefde, begrip, eenheid en kracht.
En is ’t laatste contact in mij volbracht, ‘k zal met alles één‑zijn. Mijzelf zijnde in het bestaan en toch in anderen ondergaan, zodat Mijn God, Die leeft in mij, mij spreekt en ik in stil en eeuwig onbeperkt ervaren steeds weer Zijn wezen, het wezen van het Al, als beeld in ’t ‘ik’ nog mag vergaren.
Dat is eigenlijk contact. U zoekt contact met uw medemensen. U zoekt contact met de geest. U zoekt dit contact van binnenuit en u zult ontdekken dat u in dit contact voor uzelf de aanvulling krijgt van uw wezen, zodat u vermogens kunt ontwikkelen, die u tot nu toe niet bezat. En dat u bovenal begrip kunt krijgen voor de kosmische wetten en de Kracht, die ze heeft geschapen.