De waarde van de droom

9 augustus 1956

Over de droom is zeer veel gesproken en gedacht en er zijn in de loop der tijd verschillende gedachtegangen geweest aangaande de droom. In de Oudheid – het is nu eenmaal gebruikelijk dat men met de Oudheid begint – was de droom meestal een orakel. Men zag ze dus in verband staan met goden, met geesten, met krachten uit de ongeziene wereld. Later, vooral in de periode dat het medisch onderzoek wat meer gebaseerd werd op werkelijke waarden, begon men de droom te zien als een soort hinderpaal voor de nachtrust. Men meende: wanneer iemand droomt dan zal juist door dit dromen deze mens vermoeid raken. De slaap beantwoordt niet aan haar eigenlijke doel en dus is dromen uit den boze. Met deze stelling moet ik allereerst afrekenen, voordat ik de waarde van de droom verder bespreek.

Een droom is een reactie in de mens. Deze droom houdt zich bezig met verschillende onderwerpen die de mens buitengewoon belangrijk lijken. In vele gevallen zijn de droombeelden gebaseerd op herinneringen, of verknoopt met voorstellingen omtrent pas vernomen feiten. Wij kunnen echter zeggen dat elke droom die van stoffelijke oorsprong is (ik verzoek u hierbij goed rekening te houden met het woord stoffelijk) voortkomt uit een innerlijke onevenwichtigheid, een innerlijk gebrek aan harmonie. Een mens heeft begeerten die hij niet kan uitleven. Een mens heeft angsten die hij niet durft uiten. Een mens vreest toekomstige ontwikkelingen of is ontevreden over het verleden. Deze factoren scheppen in het wezen zelf een onrust. Deze onrust maakt een slaap onmogelijk. Begrijpelijkerwijs moet gezocht worden naar een mogelijkheid om de werkelijke rust – voor het lichaam zo noodzakelijk – terug te vinden. Dit geschiedt dan door middel van een actie in de hersenen waarbij vaak willekeurige herinneringsbeelden verknoopt worden met onderdrukte gevoelscomplexen enz. en zo door een emotionele catharsis die plaatsvindt gedurende de droom, een tijdelijke of zelfs een volledige bevrediging geven. Enkele voorbeelden hiervan zou ik u graag willen noemen ter verduidelijking.

Mensen die honger lijden (krijgsgevangenen, mensen in de verschillende concentratiekampen, mensen in landen waar ondervoeding in bepaalde perioden overheerst) dromen in hoofdzaak van rijke maaltijden. Dat is niet voor niets. Het lichaam wordt gekweld door een tekort aan voeding. Dit tekort aan voeding drukt als een belasting op het gehele organisme. Hierdoor wordt de zo nodige ontspanning sterk belemmerd. Wanneer nu de droomwereld uit de herinnering een reeks van lucullusmaaltijden opbouwt, dan zal juist hierdoor dit lichaam langzaam tot een ontspanning, tot een aangenaam aanvaarden van het droombeeld komen.

Helaas is een dergelijke droom niet voldoende om het lichaam te verzadigen. Voor zover mij bekend bestaat er in de zuiver stoffelijke droombeleving slechts één punt waar­bij een werkelijke verzadiging bereikt kan worden, een werkelijke voldoening en dat is bij elke droom die op het seksueel gebied speelt. Op andere gebieden blijkt dat minder mogelijk en zal dus wanneer de slaap beëindigd wordt – vaak zelfs wanneer de droom beëindigd wordt – de mens weer terug­keren tot zijn toestand van gebrek, van onvoldaanheid. De waarde van de droom in dergelijke gevallen is dus in de eerste plaats het scheppen van een tijdelijk evenwicht, zij het illusoir, dat voldoende is om een lichamelijke rust mogelijk te maken en daardoor een versterken van het gehele organisme.

Daarnaast kennen wij vele dromen die – evenzeer van stof­felijke oorsprong zijnde – bekend staan als prikkeldromen en wekdromen. Een prikkeldroom wordt veroorzaakt door een waarneming die niet bewust wordt gerealiseerd gedurende de slaap­toestand. Voorbeeld: u slaapt aan een grote weg, u bent niet gewend daar te slapen. Er ratelt een paard en wagen voorbij. Dit geratel vraagt van u een verklaring, maar een bewuste realisatie van omgeving is moeilijk mogelijk. U droomt dan dat er een wagen voorbijkomt en associeert daarbij verschillende in u levende waarden met deze klanken.

Een dergelijke prikkeldroom onthult ons vaak onderbewuste gedachten. In de wereld van het onderbewuste leven namelijk een aantal denkbeelden die slechts wachten op een gelegenheid om naar voren te treden. Wanneer nu de prikkel komt – in dit ge­val dus het geratel van de wagen over de keien – dan is het logisch dat hierbij verschillende in het ik levende verwachtingen mee worden geuit. Het droombeeld dat ontstaat is dan bijvoorbeeld een begrafeniswagen, waarop iemand wiens dood men niet graag ziet ten grave zal worden gereden. De paarden slaan op hol, de kist barst open, de persoon in kwestie herleeft.

Hier wordt in de eerste plaats de vrees uitgedrukt voor het sterven. In de tweede plaats het onvermogen dit te aanvaarden. In de derde plaats de schrik, wanneer tegen alle verwachtingen in deze persoon gezond zou blijven, gesymboliseerd door de emotie, wanneer de dode herrijst. Vele kleinere details – meestal niet nauwkeurig herinnerd – zullen dan verder aanduiden hoe men zich de eigen verhouding denkt ten opzichte van die persoon en wat voor ons eigen onbewuste denken diens verscheiden uit het stoffelijk bestaan voor consequenties meebrengt.

Ik geloof dat wij ten opzichte van de wekdroom ongeveer gelijke waar­den mogen aannemen. De wekdroom ontstaat uiteindelijk door de zogenaamde wekprikkel. Deze kan van buiten, maar ook van binnen het lichaam komen. Van buiten komende prikkels zijn de meest voorkomende: iemand die op uw deur klopt om u te wekken. Dit gebons moet verklaard worden. U droomt van een veldslag en op het ogen­blik dat een granaat in uw nabijheid explodeert, ontwaakt u plot­seling vol schrik. Hierbij is dus een verzet tegen de wereld. Het gewelddadige dat geassocieerd wordt met de klopgeluiden die werden waargenomen, betekent dat in deze persoon zeker een verzet tegen het ontwaken zal bestaan. De droom symboliseert de strijd van het wezen dat wil blijven rusten en wordt gedoemd te ontwaken. Natuurlijk zijn meer ingewikkelde dromen hier evenzeer mogelijk. Met dit voorbeeld meen ik echter te kunnen volstaan.

Zowel de prikkeldroom als de wekdroom brengen voor ons dus onderbewuste waarden naar voren. Een onderbewuste waarde die naar voren wordt gebracht zal in de herinnering vaag blijven, maar voor een werkelijke analyse van het onderbewust­zijn hebben we daaraan heel weinig. De droom heeft inderdaad een soort ontwaken tot stand gebracht, een realisatie van in het ik levende toestanden, een uitdrukking daarvan die gelijktijdig vaak een bevrijding van het probleem kan betekenen. Wij kunnen echter nooit afgaan op de droomherinnering.

In de eerste plaats is de doorsneemens geneigd om zijn droomleven te rationaliseren. Dat wil zeggen dat hij de ver­schillende fragmenten van de droom aaneenvoegt tot een logisch geheel – voor zover dat in de droom mogelijk is – en daarbij dus onwaarheden vertelt. Ook zien wij dat de fantasie, geprikkeld door een enkel fragment van de droom, soms een geheel ander verhaal naar voren brengt dan in feite door de droom beleefd werd. Om van hieruit te gaan nadenken over de waarde die zij analytisch bezit, is dus twijfelachtig. We zouden ten hoogste kunnen zeggen dat – wanneer geen ander materiaal beschikbaar is – wij door het analyseren van de droombeelden, ongeacht of de weergave juist is of onjuist, toch een reeks van onderbe­wuste factoren kunnen waarnemen en gadeslaan.

Een mogelijke openbaring van het wezen kan hier inderdaad uit voortkomen, maar de duur van behandeling en analyse is voor een enigszins volledig beeld vaak veel te lang. Wij kunnen zelfs zeggen dat in doorsnee een halfjaar tot een jaar van intens onderzoek en behandelen nodig zal zijn om alleen aan de hand van de dromen iemands kwalen, problemen, afwijkingen en dergelijke te analyseren. Als hulpmiddel is de droom dus bruikbaar, als analytisch middel tot ontrafeling van de psychische problemen bezit zij weinig waarde.

Dan kennen wij de symbooldroom. Een symbooldroom betekent een weergave, niet feitelijk maar verhuld, van bepaalde toestanden die – laten we zeggen – in het dagelijks bestaan niet graag worden gerealiseerd en waartegen dus bepaalde psychische remmingen en stromingen zich verzetten. Het beste voorbeeld kunnen wij geven wanneer wij het volgende geval ontrafelen.

Een vrouw op gevorderde leeftijd is verliefd op een jongere man; dat is op zichzelf niets bijzonders. Zij zal zich dit niet realiseren en haar liefdesgevoel vermommen achter een moederlijk­heid; dat komt heel vaak voor. Nu wordt in de droom een poging gedaan om die eenheid te beleven. Wat zien wij dan? Dat in de moederlijke beleving het symbool voor de geslachtsdaad die wordt begeerd, wordt uitgedrukt. Wij zien bijvoorbeeld dat de jonge man komt en haar een fakkel aanbiedt. De fakkel is dan het symbool voor de vereniging waarnaar zij innerlijk misschien onbewust ver­langt, maar die zij voor zichzelf weigert als mogelijkheid te aanvaarden.

Ook andere symbolen kunnen ons vaak nader brengen tot een realiseren van de zuiver stoffelijke betekenis van dromen. Stellen wij bijvoorbeeld dat een groot gedeelte van die dromen in verband staat met seksuele problemen, dan ontdekken wij dat de vrouwelijke sekse vaak wordt gesymboliseerd door kasten, flessen, potten en dergelijke. Het mannelijke wordt over het algemeen gesymboliseerd door stokken, bezems, fakkels, torens en dergelijke. In al deze gevallen kan dus – dankzij deze droom – iets beleefd en gerealiseerd worden op een wijze die het ik niet kwetst. De droom is tactisch, zij omgaat de problemen en tracht toch een uitdrukking te geven aan de probleemwaarden die in de persoon aanwezig zijn.

Ik meen dat de symbooldroom in zoverre belangrijker is dat zij – de fragmenten waar het om gaat, blijven over het algemeen sterker in het bewustzijn achter – gemakkelijker weer te geven is en voor een bevoegd en goed uitlegger ook eenvoudig te analyseren. Wij kunnen natuurlijk niet zeggen dat iedereen die droomt over een kast of over een fakkel, droomt over het vrouwelijke of mannelijke geslacht, maar de samenhang van de droom, de daarin optredende personen, maken ons veelal duidelijk waar hier ergens een zwakke stee schuilt. Die stee ligt vaak op plaatsen die het maatschappelijke leven onmogelijk benaderbaar maken.

Wij zien bijvoorbeeld dat in huwelijken die langere tijd hebben geduurd, de moeder zich tot de zoon voelt aangetrokken, de vader tot de dochter. In vele gevallen is deze verhouding zeker niet de ouder‑tot‑kind verhouding die men daarin wil zien. In vele gevallen zijn de gedachte-achtergronden incestueus. Een uitleven of zelfs uitdrukken hiervan zou ontstellend zijn. De maatschappij kan dit niet aanvaarden vanuit haar maatschappelijk en sociaal inzicht en heeft zo geleerd met heel het wezen dergelijke situaties te verwerpen. Maar de in het ik bestaande impulsen moeten geuit worden.

Wanneer een dergelijke droomuiting naar voren komt, is het vaak voor een goede psycholoog of een goede psychiater mogelijk de uit een dergelijk onbewust begeren voortkomende wanverhoudingen te helpen verbeteren. De droomwaarde is dus – waar zij een scherpere analyse mogelijk maakt – vooral als droomduiding of droomuitleg zeer belangrijk.

Ik zou er echter voor willen waarschuwen om nu elke symbooldroom aan de hand van een droomboek uiteen te gaan rafelen. Hierin komen inderdaad vele vastgelegde voorbeelden voor. Men zegt u bijvoorbeeld dat stromend water een gunstige betekenis heeft, iemand met een zwart gezicht een ongunstige betekenis enz. Ofschoon dit in het algemeen waar kan zijn, zal men – indien men zo’n droomboek raadpleegt – zelf geneigd zijn de gunstige, de meest begeerde uitleg te kiezen. Men komt dus tot een verdraaiing van de werkelijkheid, waarbij het probleem evenzeer omgaan wordt als dit in de droom zelf gebeurde. Droomanalyse is iets wat alleen voor een deskundige goed mogelijk is. Ik hoop dat u mij deze kleine appendix niet wilt kwalijk nemen, maar zovelen houden zich met droomuitleg bezig.

Dan kennen wij de droom die bepaalde innerlijke belevenis­sen symboliseert, in verband staande met bestaande of toekomstige ontwikkelingen. Een voorbeeld hiervan vinden wij in de droom van de farao: de zeven magere en de zeven vette koeien. Jozef, op­tredende als droomuitlegger, vindt hier het verband. De koe als heilig dier is tevens symbool van de vruchtbaarheid van Egypte in de vorm van de stier Apis. Zijn associatie is dus het land Egypte, uitgebeeld in deze dieren. Elk jaar wordt Apis vervangen door een opvolger. Wanneer er dus zeven zijn, dan moet dit beeld zeven jaren betekenen (koeien was dus niet de juiste uitdrukking, men had moeten zeggen runderen).

Op grond hiervan ontleedt Jozef in de farao een voorwetenschap omtrent zeven vette overvloedige jaren en zeven magere, arme jaren. Zijn uitdrukking hiervan wijst ons ook weer op een zekere scholing, want in zijn uitlegging verwerkt hij alle feiten die onmiddellijk met Egypte in verband staan. Hij is dus op de hoogte van de gebruiken en met de opvattingen van de Egyptenaren.

In de tweede plaats toont hij zich een goede droomuitlegger doordat hij – het door de droom gestelde probleem voor zichzelf verwerkende – ook de oplossing weet naar voren te brengen die daar noodzakelijkerwijze aan vast moet zitten. Een droomuitlegging zonder meer, daar hebben wij niets aan. Een droom krijgt eerst dan waarde wanneer zij door de juiste uitlegging voor ons richtlijnen geeft omtrent ons eigen gedrag, onze eigen gesteldheid, of de noodzaak tot handelen in de toekomst of heden. Ik zou u vele dergelijke voorbeelden kunnen aanhalen.

In de Oudheid vinden we overal zieners en droomuitleggers, maar het blijkt dat slechts enkelen de begaafdheid hebben om een droom goed uit te leggen. Ook dit is begrijpelijk. Wie een droom uitlegt van iemand die hij kent, zal door hetgeen hij over die persoon omtrent zijn omstandigheden weet, ja, misschien de kennis van die eigenschappen die de persoon zelf bezit, worden misleid. Droomsymbolen dienen te worden geduid met een slechts oppervlakkige kennis omtrent de persoon. Eerst dan worden zij zuiver weergegeven.

Zo brengt ons echter Jozef met zijn droom tot de dromen die toekomstige gebeurtenissen weerspiegelen en dit is een interessant punt, want gezien het feit dat voorspellende dromen meermalen voorkomen en vaststelbaar juist kunnen zijn, mogen wij aannemen dat in de droomtoestand een scherper waarnemen van het heden en van de werkelijkheid optreedt dan in waaktoestand het geval kan zijn.

Nu kunnen wij de voorspellende droom op twee wijzen verklaren. In het eerste geval zal de dromer of droomster in zich een reeks angsten, een reeks verwachtingen koesteren. Het leiden van de gedachten naar de toekomst doet een beeld daarvan ontstaan, gebaseerd op eigen waarnemingen en gedachten. Waar het totaal van het onderbewustzijn in de droom meespeelt, wat bij het bewust realiseren niet gebeurt, kunnen nu alle waarden en factoren die bekend zijn ‑ veel meer dan in het bewuste bevat ‑ worden gebruikt om dit toekomstbeeld te vormen. Wij krijgen dan de droom die toekomstige gebeurtenissen weliswaar symbolisch en dus slechts gedeeltelijk juist of herkenbaar weergeeft, maar anderzijds de toekomstige verwikkelingen vanuit de persoon gezien zeer zuiver kan voorstellen.

Een voorbeeld hiervan. Iemand droomt dat plotseling de dood voorbijkomt of dat een begrafenisstoet aankomt en wanneer deze het huis nadert – een bekend beeld van het tweede gezicht ‑ zegt een stem: dat is die of die. U zou zeggen, dat is een zuiver vooruitzien, maar in de meeste gevallen betreft het hier personen die men kent. Het betreft verder personen die men heeft waargenomen en gezien, waaromtrent men iets weet.

Nu bestaan er bepaalde tekenen in microfysionomie die het mogelijk maken voor een geschoold waarnemer van bijvoorbeeld gelaat, houding en gebaar af te lezen hoe de innerlijke gesteldheid is, wat de vitaliteit van een mens is en dergelijke. In de meeste gevallen maakt een komende dood zich hier kenbaar. Aannemende dat deze waarnemingen onbewust zijn geschied, is dus de droom niets anders dan een realisatie van in bewuste toestand verwerkte waarden.

Het kan echter ook voorkomen dat men in de toekomst droomt omtrent punten of feiten waarvan men niets afweet. Bijvoorbeeld: een mens droomt dat hij naar een vreemde stad gaat, in die vreemde stad een oude vriend ontmoet en met deze samen een bepaalde handeling volvoert. Deze is meestal triviaal, bijvoorbeeld het kopen van een krant, het binnentreden van een magazijn, het gezamenlijk gebruik maken van een publiek vervoersmiddel met gelijke bestemming. Nu blijkt later dat in deze nooit geziene stad – die qua omgeving aan het beeld dat men heeft ongeveer beantwoordt – deze vriend opduikt, dat men daarmee in contact komt en de van tevoren geziene handeling inderdaad volvoert.

Hier kunnen we niet te maken hebben met waarnemingen uit het heden, want deze kunnen niet weerspiegelen wat de toekomst brengt, vooral niet wanneer die toekomst enige tijd verwijderd ligt. In de tweede plaats kunnen wij geen telepathisch contact aannemen, want in een dergelijk geval zou misschien de ontmoeting met de vriend vast te stellen zijn, maar zeker niet het feit dat bepaalde handelingen gezamenlijk logisch worden volvoerd.

Conclusie: in dergelijke dromen is het mogelijk – ofschoon niet zeker – dat bepaalde capaciteiten, uitgaande boven de menselijke, zich in de droom voor een kort ogenblik openbaren. Hier wordt dan inderdaad een toekomstige mogelijkheid beleefd die, tenzij wonderen gebeuren – de mens bijvoorbeeld plotseling verandert, de wereld vergaat ‑ inderdaad werkelijkheid worden. We kunnen dan spreken van een vooruit schouwen in het rijk van mogelijkheden. Deze vooruitblik wordt dan gespiegeld in een reeks fragmentarische brokstukken en handelingen die nooit en te nimmer geheel volledig zijn.

De bewuste realisatie van de droom betekent in de eerste ogenblikken een betrekkelijk los aaneenvoegen van caleidoscopisch beleefde momenten. Het vinden van een logische samenhang hierin is in de eerste ogenblikken wel aanwezig, maar niet overheersend. Het eerste beeld dat wordt weergegeven, is dan ook het meest juiste. Bij elke latere herinnering herneemt het redelijke denkproces meer en meer zijn invloed en zien wij dan ook het beeld tot een logisch verhaal worden, maar gelijktijdig met minder kans op verwerkelijking.

Dan kennen wij de zogenaamde contactdroom. Een moeder in Nederland droomt dat haar zoon in Java, India of ergens anders, plotseling ziek wordt. Zij stelt deze ziekte vast en wordt ongerust. Dagen daarna blijkt uit een bevestigend schrijven dat die zoon op dat ogenblik inderdaad ziek was. Hier behoeven wij nog niet te zoeken naar een bovennatuurlijke verklaring. Wij kunnen volstaan met te zeggen dat de sterke band tussen moeder en zoon voldoende was om tussen beider gedachten een telepathisch contact tot stand te brengen. In bewuste toestand, wanneer de prikkels van het leven de moeder voortdurend doen reageren op de omgeving, zal een dergelijk telepathisch contact zich niet kenbaar maken. In slaaptoestand echter, wanneer we alle uiterlijke factoren door verhoging van de bewustzijnsdrempel gedeeltelijk zien uitgeschakeld, kan het wel doordringen. De gedachten die doordringen zijn dan het beeld dat de zoon heeft omtrent zichzelf en dit wordt door de moeder verder beleefd en vertaald. Nu kennen wij ook het bekende doden wekken, wat ook onder de contactdromen behoort. Een voorbeeld hiervan.

Een zoon verdrinkt op zee. Moeder en zuster slapen in een vertrek, ontwaken en menen deze persoon een ogenblik te zien staan. Zij slapen daarna in, worden ongerust en moeten kort daarop horen dat de persoon in kwestie is verdronken tijdens een schipbreuk of iets dergelijks.

Hier zien wij eigenaardig genoeg het verschijnsel van gedachteconcentratie tijdens het sterven optreden. Juist op dit ogenblik zoekt de zoon in ons voorbeeld ‑ een stervende in het algemeen ‑ contact met degenen die het dierbaarst zijn. Het is een begrijpelijke reactie, omdat men nu eenmaal de steun van zijn naasten, van zijn geliefden zoekt op het ogenblik van de overgang met zijn duisternis en zijn ongekende wereld. Als resultaat worden de gedachten nu niet op een beeld geconcentreerd, maar op een persoon – in de toekomst of op afstand – en dit beeld bereikt die persoon. Dat betekent, door zijn intensiteit, een psychische verstoring die de slaapdiepte aanmerkelijk doet afnemen, en naarmate de waarneming duidelijker wordt, het ontwaken meer nabij voert. Het beeld dat gezien wordt op het ogenblik van het ontwaken is een illusie. Het is een suggestieve waarde, in het ik achtergebleven die suggereert dat dit beeld aanwezig is. Het kennen van eigen omstandigheden voert er dan verder toe dat de persoon met zijn roep tot anderen ook een deel van de eigen toestand zal weergeven, echter onvolledig.

Deze beelden komen niet zo vaak voor als men misschien wel aanneemt. Ze zijn echter steeds weer te verklaren uit zuiver telepathische contacten. Er hoeft dus niet te worden gezegd dat een dode op bezoek kwam om afscheid te nemen. Men kan eerder zeggen dat een stervende met zo’n intensiteit zijn gedachten op een persoon heeft gericht dat zelfs uren na de overgang deze gedachte op aarde nog actief blijft en de persoon in kwestie nog kan beroeren en bereiken.

Bij de door mij genoemde beelden van de droom is dus de waarde van de droom eigenlijk gelegen in de afname van uiterlijke waarnemingen en tot het ik komende prikkels, waarbij door de verhoging van de bewustzijnsdrempel intenser de eigen gedachtesfeer en wereld wordt beleefd, evenals elke factor die zich daarin kenbaar uit. Wij zijn echter met deze dromen – die alle nog het stoffelijke of het bijna‑stoffelijke beroeren – zeker nog niet aan het einde gekomen van onze verhandeling over de waarde van de droom, want wanneer we alle stoffelijke factoren en impulsen hebben afgehandeld, blijft ons nog de wereld van de geest en de ziel.

Ook in de moderne psychologie kent men dit onderscheid. Wij zouden het van stoffelijk standpunt uit het best kunnen rubriceren als twee in het ik gelegen vlakken van bewustzijn, die zich boven het onderbewustzijn groeperen. Dit boven dan in dien verstande dat onder het onderbewustzijn zich het waakbewustzijn bevindt.

Niet ieder zal het met deze rubricering eens zijn en ik weet bijvoorbeeld dat onze vriend Freud zou zeggen dat het dwaasheid is, want dat wanneer men de angst en het driftleven van de mens goed begrijpt, men zal zien dat ze alle tot één peil terugvallen: het dierlijke. Het verloop van mijn studies maakt het me echter niet mogelijk akkoord te gaan met deze uitleg.

Noch kan ik akkoord gaan met de uitlegging van Jung, die naast het stoffelijk – dus dierlijk – begeerteleven en driftleven een tweede, geestelijk leven stelt. Een geestelijk leven dat eigen idealen uitbeeldt en van daaruit zich in de droom openbaart. Integendeel. In plaats van een band aan te nemen tussen het geestelijke en het stoffelijke, zoals ook Jung doet, om niet te spreken over de eigenaardige bindingen die bijvoorbeeld Neumann daarin heeft weten te vinden, zou ik de geest en de ziel willen zien als bewustzijnsvlakken die slechts incidenteel en dus niet voortdurend verbonden zijn met het stoffelijk vlak van bewustzijn. Wanneer er nu een beroering plaatsvindt tussen het vlak van het geestelijk beleven en het vlak van het stoffelijk beleven dan zal dit alleen gerealiseerd worden in een droomtoestand. Is er een waakbewustzijn, dan komt de impuls naar voren, maar deze impuls is niet meer te onderscheiden van stoffelijke impulsen en onderbewuste impulsen. In de droom echter kunnen wij hier differentiëren, want de uit de geest stammende droom heeft kentekenen die alle tot nog toe genoemde droomsoorten niet bezitten.

In de eerste plaats confronteert de droom die uit de geest komt ons met toestanden en persoonlijkheden die ergens reëel bestaan en desondanks nooit gekend werden in stoffelijke toestand. De geest blijkt in staat om ‑ zichzelf als bewustzijn verplaatsend over de wereld ‑ indrukken van andere steden en oorden op hetzelfde moment weer te geven en deze als droomfragmenten te weerspiegelen via het onderbewustzijn, zodat bij het ontwaken een deel daarvan bewust kan worden onthouden.

In de tweede plaats blijkt zij in staat om zich te bewegen in werelden die niet identiek zijn met de stoffelijke. Deze werelden blijken – wanneer van een werkelijk geestelijk beleven sprake is – continuïteit te bezitten. Dat wil zeggen: de droom gaat niet daar voort waar zij afgebroken was, maar gaat voort in een wereld waar gedurende de afwezigheid van het geestelijk bewustzijn aldaar een reeks van veranderingen zich hebben afgespeeld. Er kan soms een parallelle tijdsverhouding tussen die werelden bestaan; in vele gevallen is deze slechts in een relatie uit te drukken. Een veel voorkomende relatie is één dag op ongeveer 10 tot 12 minuten. Degene die dergelijke dromen kent, heeft na enkele dagen gewoon stoffelijk gedroomd of niet bewust gedroomd te hebben, voor zichzelf het gevoel dat hij slechts een halfuurtje afwezig is geweest. Echter zijn in die tijd door anderen handelingen gepleegd en zijn veranderingen in de omgeving ontstaan en dergelijke, zoals dit normaal is wanneer men ook in uw wereld een halfuur afwezig is. Is hiervan geen sprake, dan kan niet met zekerheid worden aangenomen dat deze dromen een geestelijke oorsprong hebben en zullen wij dus moeten trachten om allereerst elke stoffelijke duiding daarvan te beproeven, voor wij overgaan tot het aannemen van een mogelijke geestelijke betekenis.

Deze geestelijke droom heeft een zeer bijzondere waarde, althans vanuit ons geestelijk standpunt. Ik kan me voorstellen dat men ze stoffelijk niet op die wijze accepteert. Wanneer de geest in contact komt met de stof door middel van een droomuitdrukking, wordt het haar mogelijk haar eigen verlangen en eigen gevoelens kenbaar te maken aan de stof. Wij zien dan ook dat in dergelijke dromen iemand soms heel anders handelt dan hij normalerwijze doet. Het is een raadgeving van de geest aan de stof, een wijzen: zó ben je eigenlijk, al dat stoffelijke zou je terzijde kunnen stellen, want dit ben je zelf.

Hierbij treden bovendien andere verschijnselen op die de moeite waard zijn een ogenblik te beschouwen. Er kan geestelijke arbeid worden verricht. Deze arbeid – op vele wijzen omschreven – kan door de wereld slechts worden uitgedrukt via de droomsymbolen, dus via de stoffelijke realisatie die het menselijk bewustzijn nu eenmaal kent. Een dergelijke arbeid kan absoluut ook lichamelijk vermoeiend zijn en gaat soms zo ver dat een ontvangen kwetsuur – geestelijk en gedurende de droom – door autosuggestie lichamelijk wordt gereproduceerd.

Deze dromen – wanneer men zeker is dat ze geestelijk zijn – kunnen worden genomen als een richtsnoer voor eigen denkwijze; niet voor eigen handelwijze, want de handelingswaarden van een geestelijke wereld en een stoffelijke wereld verschillen te veel om eenvoudig de praktijken die geestelijk beleefd worden ook in de stof zonder meer te projecteren. De droomwaarde is hier dus wel zeer groot, maar er bestaat een nog waardevoller droomtoestand.

Deze zal over het algemeen zelden of niet herinnerd worden. Wanneer de herinnering voorkomt, zien wij deze eerder uitgedrukt in een gevoel dan in een feitelijke toestand of de weergave van fragmenten en taferelen. Men wordt dan wakker en zegt: “Ik was zo gelukkig” of “Ik was zo ongelukkig”. Hierbij komt de ziel mee in het spel.

De ziel is de kern van het wezen. Van ons standpunt uit moet ze worden gezien als de lichtende kracht van het goddelijke, tijdelijk beperkt als kern van een levende persoonlijkheid. Deze kracht nu kan – onder omstandigheden – doordringen tot alle onder haar gelegen zijnde bewustzijnslagen en daarin grote vrede scheppen. Zij drukt een onmiddellijke toestand uit, een zijnstoestand. Zij kan geen beleven weergeven. De wijze waarop binnen het ik deze uit de kern van het ik georigineerde toestand wordt geaccepteerd, zal dan verder de angst of de genoeglijke gevoelens verklaren.

Iemand, die harmonisch is, kan in zo’n geval binnen enkele uren een rust genieten die gelijkkomt aan enkele dagen slaap. Het verschijnsel van de regeneratieve slaap is medisch wel bekend. Ik meen echter dat men omtrent de oorzaken daarvan vaak nog enigszins in het duister tast. Hoe het ook zij, hier is volgens mijn herinneringen en studie sprake van een contact met de ziel. Welke waarde een dergelijke droomtoestand heeft, behoef ik u niet te zeggen. Zij is duidelijk vanaf het eerste ogenblik dat u haar waarneemt. Eenheid geschapen tussen ziel, geest en stof brengt perfecte harmonie, perfecte wereldaanvaarding, grotere veerkracht en dergelijke. De waarde wordt uitgedrukt op elk gebied dat binnen het bereik van de geestelijke uiting, de stof­felijke uiting ligt.

En hiermee hebben wij dan de soorten dromen die ik naar voren wil brengen wel zo ongeveer besproken. Dit wil echter niet zeggen dat ik u nu reeds van de misschien wat moeizame taak kan ontslaan om toe te horen terwijl ik spreek, zonder dat u daar wat tegenin kunt brengen. Want de waarde van de droom was ons onderwerp en niet slechts de droom zelf.

Zoals ik reeds vaststelde in het begin zijn er mogelijkheden te over om de dromen te duiden in een onmiddellijke en persoonlijke waarde. Deze waarde werd onder andere door onze vriend Freud en zijn leerlingen weergegeven toen hij zei: “Een kind verlangt naar meer chocola. Het krijgt die niet van de ouders en valt in slaap. Het droomt nog, wordt wakker en zegt: ‘Ik ben zo blij, ik heb zoveel chocola gehad’.” Hier is dan de begeerte vervuld.

Hij heeft overigens vele voorbeelden van gelijk geaardheid aangehaald. Hij heeft zich echter niet bezig kunnen houden – gezien de toestand van de wereld en de wetenschap in die dagen – met het fenomeen van het bovenbewustzijn. Het bovenbewustzijn – voor degenen die het nog niet weten – moeten wij verstaan als het totaal van de uitgestraalde gedachten van heel de wereld plus alle andere factoren die zich op gelijke frequentie rond deze wereld bewegen. Dit gehele bewustzijn nu zal voortdurend in de droom betrokken raken, terwijl ook de droom op haar wijze gedachtestromingen doet uitstralen aan de omgeving. Wanneer vele mensen ongeveer gelijke dromen hebben, dan wordt hiermee binnen het bewustzijn van de wereld een kracht geschapen die de vervulling van de droombelevenis in de hand werkt. De droom ís niet alleen maar een irreëel iets, maar ook een drijvende macht die naar een bepaalde verwerkelijking doet streven en deze uiteindelijk tot stand kan brengen.

De bewuste gedachte wordt over het algemeen beheerst. Dat wil zeggen dat het bovenbewustzijn bestuurd wordt – voor een groot gedeelte althans – door het bewust en doelmatig den­ken van de massa. Op het ogenblik echter dat de droom ingrijpt en mee gaat werken in het totaal van gedachtesferen die de­ze wereld omcirkelen, zal deze droom niet de voorstelling van mens omtrent mens‑zijn projecteren, noch opvattingen van moraal en fatsoen – zoals de maatschappij die kent – noch behoeften zoals die op grond van sociale graduaties ontstaan zijn, maar daarentegen de mens zelf met praktisch geen masker. Zo wordt door de droom en de droombeleving het mens‑zijn van de mensheid als zodanig sterk bevorderd.

Velen zullen hierin menen een remming te moeten zien van de geestelijke ontwikkeling. In onze wereld ken ik verschillen­den die deze mening zijn toegedaan. Toch zou ik graag vanuit mijn standpunt willen belichten hoe dit terugkeren tot de pri­mitieve waarden, die de werkelijke dragende kern van de mens uitmaken, het voor de mens mogelijk maakt verder te komen dan hij anders ooit zou kunnen gaan. Een zeer bijzondere waarde wel, die wij juist in de droom vinden.

Want indien de mens zou worden gedragen in geheel het bo­venbewustzijn – dus ook in elke stuwing die hem voortdurend bij alle handelingen beïnvloedt – door zijn eigen denkbeelden, dan zou nooit een correctie terug naar het natuurlijke plaatsvin­den. En toch dient de mens terug te gaan tot het natuurlijke, wil hij vanuit het natuurlijke zijn eigen wezen en bewustzijn kunnen opbouwen.

De terugkeer tot het primitieve – het vaak overheersen van het dierlijk begeerte- en angst-element in de droom – houdt de mens met twee voeten op de grond. Je kunt geen wereld bouwen met stel­lingen en dromen zoals die redelijk zijn uitgedacht. Het redelijk menselijk denken is niet in staat het totaal der wereldwaarden te omvatten en te doorgronden. Het onbewust deel‑zijn dat via de weg van de geest en ook zelfs via de onderbewuste beleving voort­durend in de droom wordt geopenbaard, geeft echter de werkelijke kernwaarde van de mens aan. En hier heeft mijns inziens de droom wel haar belangrijkste taak vervuld.

Enerzijds maakt zij een voortdurende catharsis mogelijk, waar­door de realisatie van te dierlijke factoren kan worden voorkomen. Anderzijds wekt zij beelden die in het bewust denken – als sugges­tie fungerende – het handelen in een bepaalde richting eenvoudiger maken. De droomwereld maakt het verwrongen menselijk streven en denken eenvoudiger en natuurlijker en tracht het terug te brengen tot het rechtlijnig streven, waarbij men geen omwegen zoekt, gaande van zijn eigen standpunt tot een gesteld doel.

Ook de geest maakt soms gebruik van de droom. Als voor­beeld hiervoor zouden wij onder andere Jacob’s droom kunnen aanhalen. Jacob droomt van een ladder die zich oneindig ver omhoog strekt, waarlangs mensen of engelen opgaan en ook neerdalen. Deze droom is een van de schoonste droomsymbolen die in het Oude Testament worden weergegeven, want er bestaat een voort­durende wisselwerking tussen de hoogste sferen en de aarde. Deze wisselwerking wordt gedragen door persoonlijkheden, zo­dat een voortdurende verbinding bestaat tussen alle werelden.

Een dergelijk visioen, een dergelijke droom wordt mijns inziens niet geboren uit het eigen ik van de mens, noch uit het on­middellijk goddelijke of uit het bovenbewustzijn. Het is een open­baring, een symbolische weergave van een werkelijke toestand op een voor de mens begrijpelijke wijze, door de geest gegeven. Of deze geest nu een engel is of een overgegane doet minder ter zake; zij komt voort uit de geest en dan blijkt ons dat menig visioen op dezelfde wijze tot stand komt. De Bijbel zelf levert ons hiervoor meerdere voor­beelden. Altijd weer is er de droombelevenis, de visionaire terugval tot het eigen ik, waarin grote waarden worden geopenbaard. Realistisch zijnde moeten wij zeggen dat daar, waar het bewustzijn wegvalt en onbewust wordt beleefd, te allen tijde van een droomtoestand sprake moet zijn. Wij vullen dit dan echter aan door te zeggen dat de droom instrumenteel kan zijn voor de weergave van hogere waarden vanuit andere werelden of sferen naar een voor de mens begrijpbaar vlak.

Dan moeten wij nog iets zeggen over de dromen die kunnen ontstaan onder invloed van bepaalde middelen. Degenen die opiaten gebruiken en weten welke invloed deze hebben op hun slachtoffers zullen zich realiseren dat ook hier een droomtoestand ontstaat, waarin niet de werkelijkheid, maar een soort tweede werkelijkheid wordt beleefd. Deze wordt zo intens ervaren dat velen voortdurend tot het gif terugvluchten om hun bestaan in deze andere wereld te continueren.

Nu meent men vaak dat hier sprake is van een vrijmaking van het ik van vele bindingen en daardoor een beleving, die niet op reële waarden maar op begeertevervulling en binnen het ik – dankzij het prikkelend gif – ontstane impulsen doet plaatsvinden. In feite blijkt ons echter anders.

Vele giffen kunnen worden gebruikt om de geest te werpen; dat wil zeggen de eigen geest te doen uittreden naar een andere plaats. De zogenaamde heksensabbat is een droom, maar zij is een droom die gebaseerd is op een werkelijk elkaar ontmoeten van geesten, een samenkomen in een sfeer, waarbij dan de stilering van het gebeuren – de gedachte in de droom dus en de realisatie – plaatsvindt aan de hand van de gangbare voorstelling. Vandaar de ver­ering van de grote bok.

Dit gemeenschappelijk droom beleven gaat echter zo ver dat sommigen van deze heksen in staat zijn elkaar te herkennen, ofschoon ze elkaar in de stof nooit ontmoeten. Iets dergelijks geeft wel te denken. Ik spreek nu over de werkelijkheid. Het is natuurlijk moge­lijk te spreken over hysterie en ook hier vele seksuele symbolen te vinden, bijvoorbeeld de bezemsteel waarop de heks door de lucht vliegt. Maar het feit blijft dat een gemeenschappelijk droombeleven niet ongewoon is en onder omstandigheden zeer scherp kan worden uitgedrukt.

Dit gemeenschappelijk droombeleven blijkt in sommige ge­vallen uit te groeien tot een contact met wezens die normaal niet worden gezien. Sjamanen dansen en zwepen zichzelf op, komen in een uitputtingstoestand en vallen in slaap. Het is niet altijd een trance, heel vaak is het een normale, gezonde slaap. Toch komt in die slaap een reeks van beelden voor die het hen mogelijk maken met demonen, met werkelijk bestaande geestelijke machten, te confereren. De weergave daarvan is over het algemeen verwrongen, het feit blijft bestaan.

Helderziendheid kan worden opgewekt door bepaalde prikkel­- en gifstoffen aan de ogen toe te voegen, ofwel aan het gehele organisme. Waanzin kan worden opgewekt op dezelfde wijze. Mijne vrienden, dit is dan bij bewustzijn, maar er bestaat ook een mogelijkheid om tijdens de slaaptoestand door een roes dergelijke verschijnselen mogelijk te maken. De droom wordt dan tot een wer­kelijkheidsbeleving in een andere wereld, een contact met andere werelden. En het blijkt ons dat de belevingen in die andere we­reld grote lichamelijke krachten kunnen vorderen, ja, uitputting kunnen veroorzaken van zenuwkracht en levenskracht.

Het is niet alleen het gif van opium, cocaïne of de meer moderne vormen die de mens zo snel ten onder doet gaan. Het is vooral de uitputting van zijn eigen levenskracht door het besteden hiervan op een ander bewustzijnsvlak. Een dergelijk iets betekent voor ons de kwade droom, de uitputtende droom die als een vampier uit het werkelijk leven de kracht wegzuigt, om dit in een gedeeltelijk reëel beleven op ander vlak te projecteren. Een dergelijke droom is natuurlijk niet waardevol.

En dan nog één enkel punt, voordat ik ga besluiten. Er zijn velen die menen niet te dromen. Zo ver als ik kan nagaan ‑ en dat kan ik krachtens mijn huidige toestand waar­schijnlijk beter dan iemand op de wereld ‑ zal de doorsneemens ongeveer tien tot vijftien dromen verwerken per slaapperiode van ongeveer acht uren. De meeste echter worden niet of slechts gedeelte­lijk herinnerd. Een droombeeld bij een tussentijds ontwaken scherp voor ogen staande, vervaagt en vervlakt onmiddellijk en wordt zo­zeer vergeten dat men uiteindelijk ontwakende in de morgen meent niet gedroomd te hebben. Ook hiervoor moet een reden bestaan.

Zover ik kan nagaan en vaststellen is het niet dromen, het niet bewust dromen, een bewijs dat de droom haar functie volledig heeft vervuld. Eerst dan, wanneer de droom niet in staat is de innerlijke rust te handhaven, wanneer de droom niet in staat is bepaalde geestelijke impulsen en waarden onmiddellijk aan het lichaam mee te delen, krijgen wij de herinnerde droom. Deze droom­herinnering betekent eigenlijk dat er bepaalde factoren waren die men niet kon overwinnen. Naarmate het droom beleven intenser wordt, zal zij de slaap bekorten. Ik geloof dat de doorsneemens dan ook dankbaar mag zijn voor het feit dat hij niet te veel droomt. Te veel dromen leidt vaak – vooral bij degenen die aan de waarde van de droom geloven – tot zelfbegoocheling, waarbij uiteindelijk onge­lukken kunnen voorkomen. Maar de mens die zijn droomleven op de juiste waarde weet te schatten, zal van zijn dromen gebruik kunnen maken; evenals eens in de oude tempels, toen men in het licht der maanstralen badend de patiënten neerlegde, opdat zij zouden dromen welk middel hen zou genezen. De instelling ge­durende de slaap of kort voor de slaap op een bepaald onderwerp maakt het niet slechts mogelijk hierover te dromen, maar ook al­le gegevens omtrent dit feit te putten uit het onderbewustzijn of zelfs uit andere werelden of sferen. Een dergelijk gebruik maakt het u dus mogelijk om toestanden in uzelf en rond uzelf te realiseren op een wijze die u anders zeer zeker onmogelijk zou vinden.

Een bewust gebruik maken van het droomleven is dus wel noodzakelijk. Een zich ervan bewust zijn dat de droom niet een aangenaam tijdverdrijf is of een aardig experiment, maar een reële beleving binnen het ik, zal er ongetwijfeld toe bij­dragen dat u zich van te grote experimenten op dit gebied onthoudt. Het is misschien aardig anderen experimenteel te laten dromen aan de hand van een wekprikkel; het is misschien aardig u bezig te houden met uw eigen droomwereldje, waarin toch o, zo veel schoons te zien is, maar een onjuiste belang­stelling leidt tot een verwaarlozing van het reële leven en het daarin noodzakelijke. Gij schept dan vanzelf conflictwaar­den die – of u wilt of niet – tot onaangename dromen worden, ongeacht de verdere stoffelijke verschijnselen.

Begrijp dus de waarde van de droom die gelegen is in een zelfopenbaring, mits men ze op de juiste wijze weet te benade­ren. Wees u ook bewust van de dreigende, vernietigende waar­de van de droom die – wordende tot een vervangingsmiddel van de werkelijkheid – u ontrukt aan uw eigen wereld, uw daadkracht vermindert, uw krachten uitput en u uiteindelijk maakt tot ie­mand, die stoffelijk en geestelijk op zijn eigen wereld weinig of niets kan bereiken.

Vragen

  • Wat heeft het dromen in diersymbolen voor betekenis?

Dat is afhankelijk van de waarde van de persoon zelf en een algemene uitleg kan slechts bij benadering worden gegeven, maar wij zien heel vaak dat bepaalde capaciteiten, bepaalde lusten en bepaalde vrezen worden vermomd in de symbolische gedaante, die dan niet in overeenstemming is met de eigenschappen van het werkelijke dier. Wij zien bijvoorbeeld de slang in vele gevallen daar, waar men zich bedreigd voelt. Men voelt zich dan benaderd door invloeden die gevaarlijk en giftig zijn, die afschuwwek­kend zijn, ofschoon men deze in het normale leven meestal niet kan ontgaan. Wij krijgen dan – waar men zich de persoon niet wil realiseren die men als zodanig aanvoelt, soms een beste vriend of vriendin ‑ een symbool van een slang, evenzeer vaak verscheurende dieren. Soms zien wij niet-gerealiseerde trouw gebaseerd op het beeld van een huisdier, een hond of ook wel een kat. Zo kan het dier­symbool in vele gevallen een weergave zijn van eigenschap­pen van personen die men niet wil kennen, zoals men ze diep in zichzelf wel kent. Wanneer deze openbarende droom voorkomt, dan is er dus altijd sprake van een vlucht voor erkenning in het ik en is het symbool een omgaan van een werkelijkheid die men bewust niet wenst te accepteren. Is dit voldoende?

  • Ligt het aan het stoffelijk lichaam dat de ene persoon zich steeds zijn dromen herinnert, terwijl een ander zich nooit iets van dromen herinnert of weet?

Over het algemeen kunnen wij niet zeggen dat het aan het stoffelijk lichaam als zodanig ligt. Het heeft meestal meer te maken met de wijze waarop het denkvermogen is belast. Met andere woorden: iemand die weinig te doen heeft, zal zich over het algemeen dromen beter herinneren dan ie­mand die veel te doen heeft. Iemand die weinig of geen hersenarbeid heeft zal gemakkelijker een droom behouden, dan iemand die veel hersenarbeid verricht. Iemand met een goed geheugen herinnert zich een droom beter dan iemand met een slecht geheugen. Verder zijn vooral de eerste uren na het ontwaken vaak zeer belangrijk. Wanneer iemand onmiddellijk na het ontwaken losbarst in activiteit, dan is het begrijpelijk dat de vage droomherinneringen die aanwezig zijn niet worden gerealiseerd en verbleken in deze eerste acties. Wanneer men daarentegen een ogenblik rust neemt en tracht zich de droom te herinneren, zal men heel vaak althans enkele fragmenten kunnen redden. Dan moeten we verder in dit geval nog rekening houden met de eigen in­stelling hieromtrent. Wanneer de persoon zich instelt op het onthouden van dromen en dit met behoorlijke intensi­teit doet, heeft hij een dwang geschapen in zichzelf om bepaalde droomfragmenten weer te geven. Dit betekent niet dat hij ze zich duidelijker herinnert, maar wel dat deze predispositie hem dwingt tot een realiseren van de droombeelden onmiddellijk na het ontwaken. Zijn ze eenmaal in het bewustzijn gebracht, dan blijft de her­innering over het algemeen langer dan normaal. Is dit voldoende of wilt u er meer over horen?

  • Het is me vaak overkomen dat ik op het moment na het wakker worden de droom helemaal wist (of althans, dat dacht ik), het probeerde in woorden vast te leggen, bij elke volgende recapitulatie hoe langer hoe minder ervan wist en na drie, vier keer er niets meer van wist. Dan was het volkomen weggezonken. Wat is er dan eigenlijk gebeurd?

Dan heeft u te maken gehad met het verschijnsel dat ik ook al in mijn oorspronkelijk betoog heb aangesneden, namelijk dat bij de herinnering de eigen gedachten mee gaan werken. Wanneer wij nu aannemen dat u zelf geen logisch verband gaat scheppen tussen de herinneringen, zult u dus steeds meer delen weg zien vallen, waar uw poging tot realisatie van de oorspronkelijke droom – in plaats van het aanvaarden van fragmenten daarvan als deel van een geheel – u heeft gebracht tot een zo sterk zoeken (gedachte-activiteit) dat de herinnering (vaag) aan de droom op de achtergrond wordt gedrongen en op den duur door uw intense streven niet meer te behouden blijft.

  • Zou u iets willen vertellen over het Dunne‑effect? En zou u ook iets willen vertellen van de archetypen van Jung?

Tamelijk uitgebreide vragen. Met het Dunne‑effect bedoelt u natuurlijk het tijdseffect in de droom?

  • Ja, met andere woorden: dat men droomt wat later verwerkelijkt wordt.

Inderdaad. En wat ik ook aangesneden heb. Kijkt u eens, wanneer wij uitgaan van het standpunt dat de droom op zichzelf het ons mogelijk maakt buiten het onmiddellijk tijdservaren te treden (en nu moet u wel begrijpen, dat zijn supposities die liggen op het gebied van het para­normale, dus behorend tot een gebied dat met de droom wel verwant is, maar niet onmiddellijk daaronder behorend) wanneer ik dus het normale tijdservaren kan uitschakelen, iets wat gedurende de slaaptoestand over het algemeen meer of minder gebeurt, dan blijkt ons dat wij geheel bevrijd van het tijdservaren – wat zelden voorkomt – vooruit en terug kunnen gaan in de tijd, gebaseerd op het moment heden. Ik hoop dat dit geen abracadabra voor u is, maar in het nu is het totaal van verleden en toekomst begrepen. Of anders gezegd: de mens bevat alle mogelijkheden van ervaren uit verleden en toekomst in zich en zal deze kunnen realiseren, zodra hij zich bevrijdt van het broks­gewijs ervaren van deze in het aanwezige belevingsmogelijk­heden. Duidelijk?

  • Ja, dat impliceert dat de toekomst vastligt.

Dat een reeks van mogelijkheden inderdaad is vast­gelegd en dat impliceert niet -zoals u misschien hier­uit had willen concluderen – dat alles gepredisponeerd is, dat alles ook gepredestineerd is. Wanneer wij namelijk spreken over het realiseren van in het ik liggende moge­lijkheden, dan moeten wij wel in het oog houden dat onze eigen wijze van realisatie een zeer groot verschil kan uitmaken ten opzichte van de belevingswaarde. Het staat bijvoorbeeld vast dat u een ontmoeting zult krijgen met een persoon die bepaalde kwaliteiten en eigenschappen bezit. U reageert daarop vol interesse. Dan betekent dat, dat hier een beleven wordt geschapen dat voor uw verdere aanvaarding van de vastgelegde waarden en dus ook de gestalte en gedaante die ze voor u aannemen, een zeer grote invloed heeft. Op het ogenblik dat u dit niet aanvaardt, verandert dus het uiterlijk beeld geheel. Wanneer we echter nagaan, blijkt dat dezelfde waarden daarin bevat zijn, maar dat zij op een andere wijze wer­den gerealiseerd. Is dit duidelijk?

  • Niet helemaal.

Nee, dat dacht ik. Dan gaan we proberen het met een voorbeeld duidelijk te maken. Noemen wij hetgeen u kunt verwerven. U droomt dat u een appelboomgaard ziet en daar een appel kunt verwerven, of stelen. U zegt nu: het staat dus vast dat ik een appel krijg. Dat is inderdaad waar; in zoverre dat die appel een ogenblik uw eigendom zal zijn of zal kunnen zijn. Maar aannemende dat u op dat ogenblik een afkeer van appels hebt, kunt u die appel wegwerpen. Zij betekent dan niets voor u. Aannemende dat u grote honger heeft, kunt u die appel onmiddellijk consumeren. U hebt ze dan in u opgenomen, de resten weggeworpen en u bent hem evenzeer kwijt. U kunt hem een tijdlang bewaren, zolang als de kwaliteit van de appel dat toestaat. U kunt hem wegschenken aan een ander en daarvoor een glimlach of een beloning ver­werven. Het aantal mogelijkheden dus dat hieruit voort­vloeit, is ongeteld. Wanneer er nu staat dat u geld zult ontvangen als een toekomstmogelijkheid, kan dit ge­schieden doordat u de appel verkoopt. Indien u die appel echter weggeeft, zult u datzelfde toch verwerven op een andere wijze. De betekenis die het dan voor u krijgt, is dus een andere. Kunt u dat volgen?

  • Jawel

Dit betekent dus dat, wanneer ook de hoofdpunten van belevingsmogelijkheid in de mens zijn vastgelegd, de realisatie van deze belevingsmogelijkheden tot ware be­leving geheel verschillende beelden kan tonen. In het Dunne‑effect nu hebben wij in de eerste plaats te maken met een realisatie van deze mogelijkheden bui­ten de tijd. Dit houdt in dat een tijdsvaststelling hier moeilijk, zo niet onmogelijk is. Wanneer dit toch gebeurt, dan heeft dit over het algemeen aan de hand van bepaal­de gelegde normverschijnselen in het beeld zelf (een kalender, een klok enz.) plaats. Bladeren die vallen of jong groen, sneeuw of hete zon, de tijdsbepa­ling zal dus bij benadering plaatsvinden. Het feit echter dat de mogelijkheid in het droomleven reeds zo werd gerealiseerd, vergroot voor ons de mogelijkheid dat het eigen wezen – onbewust haast – zal streven naar een ver­werkelijking van deze toestand, dat dus het eigen streven gericht is op het realiseren van hetgeen men in de droom zich reeds realiseerde.

Dat lijkt vreemd omdat het Dunne‑effect zeker ook betrekking heeft op onaangename belevenissen als rampen, oorlogen en dergelijke. Het is echter opvallend dat al­tijd de beleving gekoppeld blijft met de persoonlijkheid; dat verder te allen tijde gezegd kan worden dat de mens die een dergelijk droombeeld heeft, een fragment-realisatie doormaakt en niet in staat is de ware betekenis van zijn beleving voor het geheel van de wereld te doorgronden. Heeft u commentaar?

  • Alleen dit: u hebt vooropgesteld dat er verschil­lende mogelijkheden zijn die het gevolg zijn van bepaalde gebeurtenissen.

Inderdaad.

  • Maar in feite realiseert zich maar één lijn van die ketting. Ik stel me voor dat er op dat ene punt verschil­lende lijnen in verschillende richtingen kunnen gaan, als verschillende mogelijkheden die zich kunnen voordoen. Maar in feite is er toch maar één lijn die gevolgd wordt. In feite is er één lijn die als stoffelijk beleven wordt gerealiseerd, terwijl de rest als mogelijkheid, als fantasie of droom, als beleving in het ik gerealiseerd wordt, maar niet buiten het ik wordt geprojecteerd.

Ja, mijn vriend, dat is iets waar u misschien niet aan gedacht had.

  • Inderdaad, dat is mogelijk een wijze van uitdrukking van hetzelfde. De kwestie is dat het realiseren gebeurt volgens een bepaalde volgorde.

Ja, dat is ook nog niet eens zeker.

  • Die andere mogelijkheden zijn aanwezig, maar die hebben zich niet gerealiseerd.

Juist. Dus om het nu eens zuiver uit te drukken – en dan raken we van het Dunne‑effect af en komen we op de predestinatieleer natuurlijk – de mens zal dus een reeks belevingen moeten doormaken. Deze reeks is veel groter dan zelfs de mogelijkheden in zijn eigen wereld, maar al hetgeen voor hem voorstelbaar is, is in hem ver­werkelijkbaar. Kunt u dat volgen?

  • Ja

Wanneer ik dus binnen mijn wereld een bepaalde uiting kies van een in mij liggende mogelijkheid heb ik daarmee wat men noemt een deel, een brokstuk van mijn leven en beleven geschapen. Nu mankeert echter één ding en dat is mijn bewustzijn; dat ook een andere realisatie voor mij moge­lijk geweest zou zijn, omdat ik door mijn bewustzijn aan de zogenaamde werkelijkheid ben gebonden. Echter alle andere mogelijk­heden kan ik door vergelijking met mijn zogenaamde reëel beleven voor mijzelf waarderen en kennen. Het is dus in het algemeen voor mij niet noodzakelijk alle mogelijkheden binnen mij te doorleven, maar slechts een doorsnee daarvan, waardoor ik een voorstelling kan krijgen omtrent het geheel. Wat zegt u daarop?

  • Ik vind het heel interessant.

Ja, en het is ook logisch. Maar dat zult u waarschijn­lijk in mijn toestand beter kunnen realiseren dan in de uwe op het ogenblik.

  • Dat spreekt vanzelf.

In ieder geval is dit een gedachte die u hier mis­schien kan helpen om te beseffen dat het onmogelijke mo­gelijk is. Het onmogelijke is namelijk alleen dan onmogelijk, wanneer wij weigeren de mogelijkheid daarvan volledig met heel ons wezen te erkennen.

Om terug te gaan, u had het over de archetypen van Jung, ja? Nu kunnen wij dat misschien korter en eenvoudiger zeggen wanneer ik hier van mijn eigen standpunt uitga. Wij kunnen de mens rubriceren in een aan­tal typen. Deze typen zijn hoofdzakelijk afhankelijk van het samenspel der interne secreties, waardoor wij verschil­lende typen van temperament verkrijgen die gaan van het zeer flegmatische tot het zeer sanguinische. Het aantal typen dat gerubriceerd kan worden, beloopt bij een vergaande rubricering zelfs 144. Dan heeft men nog niet alle, maar wel de meest voorkomende typen vastgesteld. Wij weten ech­ter dat de reacties van de mens in zijn stoffelijk leven af­hankelijk zijn van de factoren, die in zijn wezen zelf als interne secreties en samenspel van waarden aanwezig zijn. Dit houdt in dat het zogenaamde innerlijk leven – in werkelijkheid het gedachteleven van de mens – afhankelijk is van zijn eigen toestand, terwijl omgekeerd zijn eigen toestand (zijn geeste­lijke toestand dus) zijn werkelijke beleving kan beïnvloeden.

Uitgaande van de stoffelijke verschijnselen kunnen wij nu komen tot een rubriceren van het aantal mensentypen, waar­bij wij aan elk een reeks van naar voren tredende mogelijkhe­den weergeven. Wij kunnen bijvoorbeeld zeggen: sommige mensen zijn inactief, anderen zijn actief. Dan drukken wij daarbij uit dat sommige typen gedisponeerd zijn in de richting van het laten gaan en zich laten drijven, terwijl andere typen daaren­tegen een voorkeur tonen voor het zelf doen. Dit maakt ver­der niets uit omtrent het geestelijk peil of bewustzijn van die mens, noch omtrent diens vermogens. Wij kennen mensen die lui zijn, maar deze luiheid kan zeer vaak uit zuiver stoffelijke oorzaken ontstaan, zonder dat hier sprake is van een werkelijke onwil tot het volbrengen van werkzaamheden, het is alleen een zekere onmacht. Daartegenover kennen we zeer daadkrachtige typen, die een ontzettend doorzettingsvermogen vertonen. Ook hier is geen sprake van een verdiens­te, maar alleen van een lichamelijke toestand, waarbij de ac­tiviteit wordt geprikkeld en men dus ook grotere energie­ën zal gebruiken om bepaalde dingen na te streven.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat wij – sprekend vanuit geestelijk en niet vanuit zuiver psychologisch stand­punt – mogen vaststellen dat de mens voor zijn handelingen slechts in zoverre aansprakelijk is, als de intentie loopt waarmee hij zijn handelingen stelt. Dat in vele gevallen de intentie krachtiger op de geest van invloed is dan de stof­felijke verwerkelijking. Want elke stoffelijke realisatie wordt beperkt, en wel beperkt door het spel van in het ik levende waarden. Op den duur is het mogelijk dit spel zoda­nig te beheersen dat men van type verandert. Het is moge­lijk bijvoorbeeld dat een zeer sanguinisch iemand zichzelf terug­brengt tot een zekere flegmatieke wereldaanvaarding. Het is mogelijk dat iemand die, laten wij zeggen, praktisch onderbewust handelt, dus geheel gestuwd wordt, uiteindelijk middelen vindt om volledig bewust te gaan leven en zijn ei­gen richting van leven te bepalen.

Maar met dit alles hebben wij slechts vastgesteld dat de geest en ook het voorstellingsvermogen op het li­chaam invloed kunnen hebben. Wij hebben echter niet kunnen vaststellen in hoeverre de geestelijke waarde verschilt naargelang het type. Het gedachteleven is echter in het bewustzijn, en daardoor in het stoffelijk onderbewustzijn, evenzeer gekoppeld met de stoffelijke beleving en verschijningsvorm. Dit houdt in dat de gedachtewereld wordt beheerst door het type dat men lichamelijk bezit. Ik geloof dat ik daarmee van mijn kant uit de belangrijkste punten heb aangestipt. Wanneer u van uw kant belangrijke punten hebt waarover u meer wilt weten, kunt u dat zeg­gen.

  • U hebt het woord archetypen nog niet gebruikt. Waarschijnlijk hebt u het begrip vertolkt, maar het is misschien wel goed dat u nog eens preciseert in hoeverre nu het begrip archetypen in hetgeen u gezegd hebt naar vo­ren komt.

O, uitstekend. Archetype is hoofdtype eigenlijk, of­wel oertype. Elke mens is dus een zekere variant op een hoofdtype. Dit hoofdtype wordt bepaald door een aantal eigenschappen die voor dit type als dragend en bepalend worden gezien. Deze eigenschappen zijn medebepalend voor het gedachteleven en bepalen dus voor een groot gedeelte ook de psychische problemen waarmee een dergelijke mens in de wereld heeft te worstelen. Zij kunnen mee­ bepalend zijn voor de aard van droomverwerking, dus droom­beleving en zelfs bepalend zijn voor de wijze van wereld­aanvaarding. Is dat voldoende gedefinieerd zo?

  • Misschien zou u nog een voorbeeld ervan kunnen geven

Goed. Voorbeeld: cholericus. Een mens die de neiging heeft om bij de minste emotie een versterkte afscheiding van opwinding en hartspanning veroorzakende stoffen in zich te doen plaatsvinden. De cholericus is dan ook iemand die onmiddellijk begint zich op te winden, zoals dat heet. Deze opwinding bestaat in een sterk doorvoeren van een verhoogde bloeddruk, vaak gekenmerkt door het wat purperig of paars aanlopen van de gelaatskleur en verder ook door het onmiddellijk en scherp, fel en onbeheerst reageren op het­geen buiten hem gebeurt. Dit kan voor een groot gedeelte dus worden teruggebracht tot een zuiver stoffelijke oorzaak. De wijze van reageren bepaalt de wereldervaring, zodat de cholericus de eigenschappen die hij stoffelijk bezit en daadwerkelijk uit, ook in zijn gedachteleven mee ervaart, waardoor ook in zijn gedachten scherpe opwindingen en scherpe tegenstellingen naar voren komen.

Stellen wij als ander voorbeeld van archetype daartegenover de flegmaticus en zeggen we dat deze – geneigd zijnde alles gelijkmoedig te aanvaarden en te beschouwen – een type is dat slechts zelden overgaat tot een verhoging van bloeddruk en verhoging van emotionele toestand. Het resultaat is dan ook dat deze lichamelijk veel minder moeite heeft met het doorstaan van spanningen, dat hij kalmer en ook in zijn gedachtewereld beheerster zal reageren, over het algemeen onpartijdiger is dan de cholericus ooit kan zijn.

  • Bij de beschrijving die u zo‑even gegeven hebt van archetypen heb ik gedacht aan wat ik gelezen heb over de potentie die in de hersencellen aanwezig is, wat eens vergeleken is met een radertje van 6 tot 13 tanden. Heeft de potentie die hier aanwezig is ook invloed op het droom­leven, wanneer dus de aanstormende indrukken van het da­gelijkse leven ophouden in de slaap en waarbij dan de on­rust, die in het stoflichaam aanwezig is, omgezet wordt en gecompenseerd moet worden? Speelt deze potentie daar­in een rol?

Tot op zekere hoogte. Wanneer wij zien dat de hersen­potentie inderdaad verschilt bij sommige mensen, dan moe­ten wij even vaststellen waar deze potentieverschillen hoofdzakelijk in gelegen zijn. Het blijkt ons dan dat de doorlaatbaarheid voor spanningen buiten de cel bij sommige hersencellen groter is dan bij andere. Er zijn dus mensen die slechts één gedachtespoor gelijk kunnen volgen. Derge­lijke personen dromen – indien zij dromen – zeer intens en zullen dit droomleven ook makkelijk bijhouden. Er zijn ook mensen die in staat zijn tien, twaalf gedachtebeelden gelijktij­dig in zich te doen circuleren. Hierbij is dus de reactie van de hersencellen op impulsen sterker, terwijl gelijktijdig de kracht waarmee zij deze impuls doorgeven en verwerken zwakker wordt. Een dergelijk iemand zal meer dromen, want er zijn meer conflictwaarden en conflictmogelijkheden. Maar gelijktijdig zal de mogelijkheid tot droomherinnering en sterke droombeleving aanmerkelijk verminderen, zodat van een behouden van de droom over het algemeen sterk verminderd sprake is ten opzichte van het eerste geval.

  • Kan het herinneren van een geestelijk beleven in een droom opzettelijk worden belemmerd, bijvoorbeeld ten bate van de dromer? Door een andere kracht waarschijnlijk?

Theoretisch, ja. In de praktijk moet ik eerlijk zeggen dat dergelijke gevallen maar heel zelden voorkomen. Het is namelijk zo dat het menselijk organisme – en dus de gehele stof­mens – in de eerste plaats is ingesteld op zelfbehoud. Voor al hetgeen door dit ik gevoeld wordt als een bedrei­ging van het zelfbehoud – waaronder ook moet worden ver­staan hetgeen men als leven waardeert, dus omgeving, we­reldbeleving en dergelijke – werpt deze mens zelf een remming op en belemmert zichzelf bepaalde droombelevingen en ook werke­lijke belevingen volledig te herbeleven of zich te herinne­ren, omdat deze bedreiging hierin werd gevoeld. Het is dus voor ons maar zeer zelden noodzakelijk om in een dergelijk geval in te grijpen. Ik geloof dat wij verder kunnen vast­stellen dat droombelevingen die buiten het begripsvermo­gen en voorstellingsvermogen van het stoffelijke gaan, al­leen emotioneel worden ervaren. Zij worden niet verwerkt en kunnen dus niet herinnerd worden. Is een grote waarde aan emotionele kracht en gevoelsbeleven in een droom aanwezig, met feitelijk praktisch weinig of niets dat kan worden om­gezet in werkelijkheid, dan krijgen wij ofwel de vage symbool­droom, ofwel de verdwijnende droom, waarvan men meent ze te kennen, terwijl ze onmogelijk herinnerd of gerealiseerd kan wor­den. Wanneer u op dergelijke gevallen dus doelt, dan kunnen wij zeggen dat het ingrijpen van geestelijke krachten welis­waar niet onmogelijk is, maar dat in de meeste gevallen u zelf voor dergelijke remmingen de oorzaak bent.

  •  Ik heb het genoegen gehad enige samenkomsten mee te maken en ik heb veel verslagen gelezen. Het is mij daarin opgevallen dat dikwijls zo tussen de moeilijke punten door een gezegde kwam dat waar het eigenlijk om gaat zo eenvoudig is. Dat zou ik willen definiëren door een goed en edel mens te worden. U heeft straks van de droom gezegd dat wanneer men voor het slapen zich concentreert – ik heb er ook over gelezen – en men bijvoorbeeld iets te we­ten wil komen, dit kan gebeuren. Dat is dan dikwijls van mate­riële aard. Maar wanneer men de grote behoefte gevoelt om in de lijn te werken naar een groter bewustzijn en een bete­re uitleving en ontwikkeling van het ik, kan dan de droom ons helpen de innerlijke krachten en innerlijke wijsheid te doen openbaren, als we voor het slapen gaan bepaalde … ja, nu weet ik de juiste woorden niet … vragen?

Ja, kijkt u eens. Wij weten dat het droom beleven voor een groot gedeelte medebepaald wordt door de laatste in­drukken die men bewust heeft ontvangen. Wanneer wij nu zelf een zeer sterke druk uitoefenen op ons bewustzijn, het­zij door te mediteren, te bidden, te contempleren, of zelfs door een eenvoudige concentratie op een bepaald punt waar­over wij graag willen dromen, dan wordt de waarschijnlijkheid vergroot dat wij hierover dromen. Zullen wij daarbij gelijk­tijdig de impuls scheppen deze droom moet behouden, moet herinnerd worden dan scheppen wij – zoals reeds gezegd – voor onszelf een prikkel om onmiddellijk deze herinnering voor andere handelingen naar voren te brengen bij het ontwaken. Wij hebben dus alle factoren die nodig zijn om een be­paald punt te doen belichten door ons onderbewustzijn en eventueel door onze geestelijke capaciteiten, mogelijkerwijze zelfs door onze zielenkracht. Als resultaat zou ik willen zeggen dat het mogelijk is de droom dienstbaar te maken aan een geestelijke bewustwording door zich voortdurend – niet slechts een enkele keer – te richten op het leiden van de droom. Dit richten geschiedt het best in de richting van eigen problemen. Men moet dus de eigen problemen, zowel van geestelijke als stoffelijke aard, tot meditatiepunt maken en zal dan in de droom meer en meer, naarmate men deze me­thode meer gebruikt, komen tot een voor zichzelf oplossen of gedeeltelijk oplossen van die problemen. Dit maakt een meer definitieve houding in het leven mogelijk, een sterker streven en een betere overtuiging, waardoor dus de bewust­wording inderdaad in de hand wordt gewerkt.

Te zeggen dat men een goed en edel mens moet worden (dat ligt tussen alle regels door) is tot op zekere hoogte waar. U zult mij echter toestaan om hier een kleine aanvulling te geven?

De Orde – want ik spreek hier nu niet alleen voor mij­zelf – tracht niet om van een mens een goed en edel mens te maken, maar een mens die zich van zijn eenheid met het andere zijn en zijnde bewust is en daarin voor zichzelf geluk weet te vinden.

Geluk vinden komt voort uit zelfbeperking en wereld­beschouwing. Een zijn met het zijnde is een toestand die niet verder gekarakteriseerd kan worden dan het een bele­ven van het leven te noemen. Deze beide waarden zijn mijns inziens noodzakelijk en op zichzelf niet eens moeilijk. Door één te zijn met het zijnde zijn wij in harmonie met onze omgeving. Dat wil zeggen dat elke beleving in overeenstemming met onze eigen bewustwording ons niet slechts mogelijk, maar ook aangenaam wordt gemaakt. Hierdoor zal ons eigen gees­telijk bewustzijn sneller kunnen stijgen en zich ontwikkelen, terwijl we gelijktijdig door ons bewustzijn van eenheid dit meedelen aan anderen. Een algemene verheffing van geeste­lijk peil zal hieruit resulteren.

Door gelukkig te zijn zal men door zichzelf die krach­ten weten te vergaren die noodzakelijk zijn om tot een wer­kelijk actief en goed leven te komen, terwijl men gelijktijdig zich de onnodige krachtsverliezen bespaart die uit onge­lukkig zijn, ontevreden zijn en dergelijke maar al te vaak voortkomen wanneer men zich meent afgezonderd te zien van de omgeving en van de wereld.

  • In hoeverre hebben de maandstonden invloed op het droom­leven?

Ja. Wanneer de maandstonde komt, zien wij dat in het organisme van de vrouw een noodzakelijke verandering plaatsvindt. Deze verandering is niet alleen gebaseerd op baarmoeder, eileider en dergelijke, zij grijpt wel degelijk verder. Zij grijpt door de gehele bloedsomloop en beroert ook de in­terne secreties. De cyclus van ongeveer 28 dagen is dan ook in te delen in een aantal zeer definitieve perioden en wel te weten: na de maandstonde een periode van opgewektheid, groter wordende veerkracht, groter zelfvertrouwen; in het droomleven over het algemeen gespiegeld in actieve dromen, belevingen, die hoofdzakelijk gericht zijn op bereikingen en in mindere mate met zinnelijke belevingen in verband staan. Echter de week voor de maandstonde begint het geheel zich te richten naar een hernieuwing als het ware van het geslachts­leven. Dit houdt de maandstonde in. En dit betekent ook dat de geslachtshormonen meer werkzaam worden. Dat wil zeg­gen dat het seksuele element in die tijd op de voorgrond komt. Het beleven wordt sensueler en het droomleven als zo­danig hecht zich meer aan symbolen van meer seksuele geaard­heid. Daarbij neemt door de innerlijke spanning en een on­rust – het lichamelijk ongenoegen dat met de maandstonde ge­paard gaat – over het algemeen de droombeleving toe; dat wil zeggen: de gerealiseerde droombeleving. U ziet dus dat van in­vloed inderdaad mag worden gesproken.

  • In hoeverre hebben de maanstanden invloeden op het droomleven?

Maanstanden hebben dezelfde invloed voor de vrouw – voor de man niet. Maanlicht wel. Maanlicht is gepolariseerd licht en gepolariseerd licht heeft een eigen trillingsfrequen­tie. Dit verschilt dus aanmerkelijk van het zonlicht. Vandaar dat het maanlicht ook andere reacties kan wakker roepen in de mens en deze reacties zijn – eigenaardig genoeg – een stimuleren van bepaalde vervalstoffen en een ver­sterkte uitscheiding van vermoeidheidsstoffen; een twee­ledige functie. Deze betekent evenzeer een omzetting in interne secreties en daardoor een activering van bepaalde droombelevenissen, vooral voor zover deze in verband staan met het meer lichamelijk beleven. Op het geestelijk leven heeft de maanstand absoluut geen invloed, noch het maan­licht.

  • U heeft in uw inleiding gesproken over de dromen die de levenskracht van het stoffelijk voertuig afnemen. Kunt u hierover nog iets zeggen, een voorbeeld geven?

Ja, we kunnen ze nader definiëren. Wanneer ik droom en ik kom tot een geestelijke beleving en deze beleving ligt op een vlak dat voldoende hoog is, dan kan ik gees­telijk mijn krachten putten uit mijn omgeving en daaruit zo nodig zelfs krachten toevoeren aan mijn stoffelijk voertuig. Op het ogenblik dat mijn geestelijk leven echter tot een lager peil komt en mijn activiteiten dus in strijd zijn zelfs met mijn stoffelijke fatsoensbegrippen, zal ik niet in staat zijn uit mijn omgeving die krachten te putten. Kom ik tot dergelijke handelingen en gedachten en begeerten – geeste­lijk gezien – op een hoger peil, dan zonder ik mij van mijn om­geving af door mijn schuldbewustzijn dienaangaande. Ik zal dus dan voor mijn totale beleving in de droom kracht moeten putten vanuit mijn stoffelijk voertuig. Kom ik in een lage­re sfeer, dan zal deze sfeer bovendien vaak trachten op de in mij aanwezig zijnde krachten te parasiteren, waarbij een versterkte afgave van levensenergieën plaatsvindt.

Wij zullen het hier dan bij laten. Ik dank u voor uw aan­dacht, uw medewerking en hoop dat mijn behandeling van onderwerp en vragen voor u geen teleurstelling heeft be­tekend, maar integendeel u misschien iets heeft meegege­ven – juist op dit gebied – waar u ook in uw leven actief gebruik van kunt maken.