De waarde van de filosofie

20 oktober 1969

Onze gastspreker is een filosoof en zijn leven is gebaseerd geweest op het opbouwen van stellingen en het zoeken naar allerlei samenhangen vanuit de gedachtewereld. Nu is de moeilijkheid, dat wij in de gedachtewereld weliswaar iets uit een totale realiteit putten, maar dat het lang niet altijd zeker is dat dit voor onze persoonlijke realiteit van toepassing is. Het resultaat is dan ook dat een dergelijke spreker probeert om het probleem van de overweging – in feite het speculatieve denken – te herleiden tot iets wat een grotere zekerheid en een juistere samenhang met de werkelijkheid geeft.

De moeilijkheid in het menselijk denken is wel dat een groot gedeelte van de begrippen, die voor ons het meest belangrijk zijn, in feite abstracties blijven. Wij kunnen spreken over geluk, maar geluk is dus een abstractie. Wij kunnen het niet definiëren, wij kunnen het hoogstens beleven of ondergaan. Wij kunnen spreken van God. God kan voor ons een persoonlijke realiteit zijn, maar gelijktijdig leven wij in een wereld, waarin van die God maar heel weinig zichtbaar wordt. Wij kunnen denken aan vrede bv., maar vrede is een zo alomvattend begrip dat elke definitie daarvan tekort zal schieten. Wij kunnen deze begrippen eenvoudig niet alleen redelijk vastleggen. De filosoof werkt voor een groot gedeelte met begripswaarden of mede met begripswaarden die een dergelijke: abstractie in zich dragen. Wil je nu vanuit de filosofie terug naar de mens, dan zal je in de eerste plaats het abstracte moeten vervangen door iets wat beter in de realiteit past. In de tweede plaats zal je moeten voorkomen dat je op een te smalle basis van feiten een te grote reeks aan speculaties opbouwt.

De spreker die wij krijgen is iemand die o.a. ook op natuurwetenschappelijk terrein veel heeft gefilosofeerd en ofschoon hij dat zelf waarschijnlijk zal ontkennen, meen ik dat hij dat tot op zekere hoogte nu ook nog weleens doet. Maar zijn denken is gericht op een vereenvoudiging, die niet gelijktijdig een vermindering van inhoud betekent. En dat is heel moeilijk. Wij kunnen hier met elkaar spreken over de meest ingewikkelde dingen. En wanneer ik ga spreken over meerdimensionale ruimten, dan klinkt dat heel aardig. Maar wanneer ik zeg dat er werelden kunnen zijn die groter zijn dan onze eigen wereld, dan zit ik al in dezelfde richting. Wanneer ik mij zo kan uitdrukken dat iedereen mij op grond van feitelijke termen kan verstaan, heb ik gelijktijdig ook bereikt dat mijn eigen denkbeeld past in de werkelijkheid waarin ik leef.

De spreker zal ongetwijfeld in dit verband proberen om u aan te bevelen alles zonder meer te vereenvoudigen. En u weet wel: het is niet onze gewoonte om een gastspreker in waarde te verminderen, maar wel om daar het eigen standpunt van de Orde tegenover te stellen. Wij menen n.l. van ons standpunt uit dat je niet altijd verder kunt gaan met het herleiden tot dagelijkse werkelijkheid, tot eenvoud. De grote moeilijkheid waarop je steeds meer stuit is n.l. dat die werkelijkheid niet voor iedereen dezelfde is, zodat een herleiding tot de werkelijkheid toch nog voor veel mensen een andere betekenis en inhoud zal hebben. Terwijl je in de tweede plaats te maken krijgt met een vervalsing door vereenvoudiging, omdat je op zich belangrijke waarden die in een bepaald verband dan niet zo bijzonder zwaar tellen, terzijde schuift.

Toch kunnen die waarden voor de mensen zelf die leven, juist het meest spectaculaire effect zijn van het geheel. Neem bv. het aspect dood. Dood op zichzelf is onbelangrijk. Maar de associatie dood is lijden. Wanneer een mens dus spreekt over de dood en een zekere angst of schuw koestert voor die dood, dan is dat mede in verband met het lijden dat hij daarin begrijpt. Wanneer wij nu alleen spreken over de dood, dan kunnen wij die wegpraten. Dan kunnen wij zeggen: dood bestaat niet; maar het aspect lijden dat voor de mens met de dood verbonden is, blijft wel bestaan en dat wil zeggen dat het wegpraten van de dood dan ingaat tegen de feitelijke belevenis en gevoelswereld van de mens.

De ervaringen hebben ons geleerd dat je dan in de sferen een heel vreemde reactie krijgt. Het is anders dan men meende te kunnen aannemen, daarom komen ze niet tot een verwerpen van een klein deel van het gestelde of een modificatie daarvan, maar verwerpen ze het geheel en daarmee wordt de aanvaarding van het leven dat in de dood zelf is gelegen, moeilijker en zal vaak beperkt zijn. Dergelijke ervaringen brengen je vanzelf tot een benadering, die een klein beetje realistischer is, want zoeken naar de werkelijkheid is niet altijd realistisch, zoals u misschien weet.

Een realist is iemand, die rekening houdt met de feitelijke werkingen en mogelijkheden. Iemand die zich alleen op de feiten wil baseren en daarbij de ontwikkelingen en mogelijkheden voorbijziet, omdat ze niet werkelijk zijn, komt altijd weer verkeerd uit. Wij moeten dus werkelijk wel in de filosofie proberen niet alleen terug te gaan naar het eenvoudige, maar ook gelijktijdig rekening houden met het werkelijk belangrijke. De stelling bv., dat alle lijden beperkt is op aarde, is in theorie volledig juist. We weten allemaal dat er een pijngrens is, we weten dat menselijke beheersing van eigen denken en gevoelens die pijn aanmerkelijk kan veranderen en verminderen. We weten hoe de mens door psychische spanningen tot pijnen wordt gebracht, zelfs tot ongevallen, maar wanneer we zeggen, dat pijn op zichzelf te beheersen is, dan veronderstellen wij dat ook de mens zichzelf beheersen kan. Wanneer dat laatste niet het geval is, hangt de eerste stelling in de lucht. Ze mag dan feitelijk juist zijn, zover het de theoretische waarde aangaat, maar ze is niet meer menselijk juist.

De moeilijkheid waarin een natuurfilosoof natuurlijk terechtkomt, is de ontwikkeling van het menselijke weten. Die ontwikkeling van het menselijk weten is niet alleen maar een vergroting van begrip – dat denkt u misschien – het is eerder een uitbreiding van de mogelijkheden om te speculeren met een vermindering van het aantal feiten, dat je als zekerheid durft aannemen.

Het is duidelijk dat juist dit zich bezighouden met een na­tuurfilosofie in de oudheid voor onze spreker een zeker effect heeft gehad. Hij heeft het idee dat je alles nu maar moet terug­brengen tot de oude eenvoud en dat je daarmee veel gered hebt. Om één van zijn stellingen te citeren: “Waarom zou je de natuur zo ver ontleden, wanneer wij goden kunnen accepteren die een veel een­voudiger en voor onszelf gemakkelijker hanteerbare relatie met die natuur stellen, zonder dat er iets aan feitelijke mogelijkheden ver­loren gaat.”

Nu is het in de eerste plaats de vraag of dat voor ons juist is. Of er op den duur toch geen feitelijke mogelijkheden teloor­gaan, maar in de tweede plaats geloof ik, dat het niet juist is. Je kunt geen persoonlijkheid, zelfs wanneer je toegeeft dat die persoonlijkheid alleen maar een voorstelling is, in de plaats stel­len van een grote reeks van feiten. De mens kan dat niet. Zolang je niet beter weet, is een God aanvaardbaar. Maar zodra je beter gaat weten, kun je niet meer terugkeren tot die God. In de filosofie ont­ga je veelal die problemen door een schitterende manipulatie van ar­gumenten. Je kunt wel zeggen: die God is er natuurlijk niet, maar voor ons is het alsof hij er wel is en door ons gedrag tegenover deze niet bestaande persoonlijkheid bepalen wij onze relatie met de krachten van de natuur. Dat is waar. Alleen vergeet men erbij te zeggen dat onze manipulatie van natuurkrachten dan niet bewust ge­schiedt. Dat wij dus niet verder kunnen komen. Ik meen dat de ont­wikkeling ook erg belangrijk is.

De noodzaak om te vereenvoudigen zouden wij dan ook wel in de eerste plaats moeten zoeken in de termen. Ik weet wel dat er de neiging is van elke groep die zich specialiseert, op welk terrein dan ook, om een eigen soort gesproken steno te ontwikkelen, een reeks vaktermen die voor deze specialisten zelf een snelle en een­voudige communicatiemogelijkheid betekent. Ik vraag mij alleen af, of dat steno moet worden gezocht in een andere samenhang dan bv. de normale taal, het normale begripsvermogen. Wij zien dat priesters in India bv. op een gegeven ogenblik Sanskriet spreuken mompelen, waarvan niemand meer precies weet wat ze betekenen. Nu is het na­tuurlijk wel aardig om te zeggen: maar daarin ligt de kracht. Maar wij zien helemaal voorbij aan het feit dat de spreuk daardoor zijn betekenis verliest en dat zo ze magisch werkzaam is, we nooit in staat zullen zijn de magische kracht die erin gelegen is en die eruit wordt opgewekt, ook persoonlijk te benaderen.

De vaktaal staat op een gegeven ogenblik als een grens, een muur, tussen de mens en de werkelijkheid. En in zoverre geloof ik ook wel, dat we het met onze gastspreker eens kunnen zijn, dat eenvoud toch wel belangrijk is. Het is natuurlijk leuk om te spre­ken over een appendicitis als het over een blindedarmontsteking gaat. Je kunt ook spreken over de belangen van de regio, maar je kunt even­goed spreken over streekbelangen. Dat is eenvoudiger en duidelijker. Alleen al de taalvereenvoudiging zou volgens mij een feitelijke ver­eenvoudiging, niet alleen van de specialistische maar ook van de filosofische taal tot gevolg kunnen hebben. Denken in de eenvou­digste termen betekent denken in heldere termen. Denken in spe­cialistische termen betekent een vervreemding van het gebied, waar­over je denkt of spreekt van alle andere levensgebieden. En deze af­scheiding kun je niet tolereren wanneer je naar de werkelijkheid toe wilt.

Nu is een filosofie volgens mij alleen dan maar aanvaardbaar en ook hanteerbaar, wanneer zij ons via de gedachte voert vanuit een beginpunt in de werkelijkheid naar een bereiking in de werke­lijkheid. Zolang die bereiking in de werkelijkheid wegvalt en daar­voor in de plaats iets theoretisch komt, zijn wij niet verder gekomen. Integendeel onze filosofie, onze hele opzet, is verkeerd. In dit geval weet ik wel dat er symbolen zijn die voor de mens vol betekenis kunnen zijn. Een levensboom, zonneraderen enz. of zelfs het pentagram, de vijfpunt die de Orde bv. Hanteert. Maar deze symbolen zijn alleen belangrijk wanneer wij eerst weten wat zij inhouden. Wanneer wij dat niet weten, moeten wij een eenvoudige reeks van woorden vinden die het symbool weergeven op een voor iedereen begrijpelijke wijze. Ik meen dat de gastspreker voorbijziet in vele gevallen in zijn zoeken naar vereenvoudiging aan bruikbaarheid. Bruikbaarheid is belangrijk.

Dan is er nog iets anders. Wanneer wij filosoferen, dan zoeken wij vaak naar een mogelijke verklaring voor bepaalde verschijnselen. Die mogelijke verklaring zoeken wij altijd volgens onze eigen inhoud, onze eigen persoonlijkheid. Wanneer een probleem wordt gesteld, waarvoor een formalistische oplossing bestaat, dan benadert u dat op uw eigen manier. Het is bv. heel aardig om te zien hoe een mathematicus, een minister van financiën en bv. een huisvrouw de toename van de prijzen met bv. 1% bezien. Ieder bekijkt het op een andere manier en dat betekent ook, dat men stuk voor stuk op een andere manier reageert. Hier is nog een werkelijkheid, de marktverhoudingen kunnen corrigerend optreden, zowel t.a.v. het standpunt van de huisvrouw als dat van de minister of de mathematicus. Maar zodra ik ga spreken over dingen die niet helemaal concreet zijn, over een ziel, over geestelijke waarden, dan heb ik deze hanteerbare markt praktisch niet meer. Er is geen mogelijkheid om een verkeerde interpretatie of een misvatting terug te brengen tot een meer feitelijke werkelijkheid. En daar zitten we dan met een moeilijk punt. Want ik kan wel zeggen wat geest is of wat een ziel is, ik kan er hele theorieën over opbouwen, maar ik kan nooit zeggen wat ze daadwerkelijk betekenen.

Een Rousseau heeft opgeroepen tot een “terug naar de natuur”. Misschien dat ik in mijn pleidooi – meer dan de gastspreker aangenaam zal vinden – een beroep wil doen op een terug naar de praktijk. Ik geloof nl., dat de praktijk het belangrijkste is. Niet de theorie, maar het bewijs, het tastbare bewijs van de theorie is het waardevolle. Niet het betoog op zichzelf, maar de werking die het betoog, voor mij reëel tot stand brengt, is waardevol.

Onze gast staat misschien wat verder van uw wereld af en beziet daardoor de zaken in een wat ander licht. Maar zelfs dit mogelijk verschillen van inzicht en mening in een wereld, die voor u na de dood ligt, is dus eigenlijk al een bewijs dat je niet kunt komen tot een interpretatie zonder meer. Wat ik zei is een persoonlijke mening, die – gelukkig zou ik haast zeggen – door een groot aantal entiteiten in de geest wordt gedeeld. Zeker in onze Orde. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat een andere denkwijze is uitgesloten. Het wil niet zeggen dat wij zonder meer gelijk hebben. Het wil alleen zeggen dat wij voor de theorieën van zo’n hogere spreker geen bewijzen zien die in uw wereld direct en onmiddellijk van belang zijn.

Wanneer ik op deze manier probeer aan te tonen wat belangrijk en wat niet belangrijk is, zal ik daarmee ook, hoop ik, de spreker brengen tot een verdediging van zijn eigen stellingen en ook, als het even kan, van de vereenvoudiging daarvan. Wanneer ik denk aan de levensboom bv., kan ik op ongeveer 100 verschillende manieren de zaak uitleggen en in elk geval heb ik te maken met een sluitend geheel; de gedachtengang is sluitend. Maar wat is de praktijk? De praktijk is dat al die namen die ik verzin, al de paden en wegen, die ik er in teken, al de betekenissen moeten worden herleid tot wat ze hier op dit moment voor mij betekenen. Wat ze voor mij betekenen is niet het gaan van hot naar her, het lopen van pad 1 naar pad 2 enz. Het betekent gewoon dat ik probeer mijn eigen bereiking te meten en die eigen bereiking meet ik dan af aan abstracte maatstaf. Een abstracte maatstaf wel te verstaan, waarvan niemand een concrete waardering kan geven in feiten, waardoor elke controleerbaarheid, van hetgeen ik in die samenhang van het symbool “Levensboom” bereikt meen te hebben, dus wegvalt.

Nu is de controleerbaarheid niet zonder meer noodzakelijk. Er zijn dingen die wij niet kunnen controleren en die toch belangrijk voor ons kunnen zijn. Er zijn gerechten, waarin een kleinigheid van de één of andere kruiderij een fijne variatie van smaak tot stand brengt. Dan kunnen wij ons natuurlijk gaan zitten afvragen: wat zit erin? Maar ik geloof dat het belangrijker is dat wij een smaakverandering krijgen. Het recept is nooit zo belangrijk of de omschrijving van het recept, als het eindresultaat. En wie dat niet gelooft, moet maar eens iemand met een werkelijk goed kookboek in de keuken loslaten. Dan zult u zien hoe groot het verschil is tussen de theorie van de bereiding en de praktijk. De praktijk is datgene, waar het op aankomt. Die bepaalt de verteerbaarheid. Bij argumenten van geestelijke en abstracte aard, van filosofische aard zal de verteerbaarheid grotendeels bepaald worden niet door het argument zelf, maar mede door de associaties, de persoonlijke waardering misschien die door een spreker erin wordt gelegd. Wat de spreker extra geeft, die fijne kruiderij, maakt iets buitengewoon smakelijk en goed verteerbaar of maakt het onsmakelijk en onverteerbaar met dezelfde bestanddelen. Maar het is de verteerbaarheid waardoor onze persoonlijke reactie erop bepaald wordt en daarmee ook ons vermogen om er zelf iets mee te doen en er desnoods iets beter van te worden.

Ik heb daarom gemeend om in de eerste plaats te wijzen op dit element dat in de overdracht – ook van de filosofie – nooit bepaald kan worden. Wanneer u denkt aan grote denkers, b.v. Spinoza of Erasmus, Cato of Aristoteles enz., dan gaat het niet alleen om wat ze gezegd hebben, het gaat er om hoe zij het gezegd hebben. En in vele gevallen zullen wij de eigenlijke gedachtengang niet meer herkennen – in deze tijd kun je nl. bepaalde denkwijzen eenvoudig niet meer thuisbrengen in hun werkelijke betekenis – maar de filosofie is zodanig mooi geformuleerd dat wij ze zelf door emotionele reacties of door appreciatie een inhoud gaan toekennen. Een inhoud van deze tijd, die dus helemaal niets meer te maken heeft met de oorspronkelijke filosofie, laat staan met de oorspronkelijke denkers.

Daarom moet u rekening houden met alles wat gezegd wordt, zeker als u een gastspreker krijgt als vanavond – dat de persoonlijkheid en de persoonlijke benadering van veel groter belang kan zijn dan het argument op zichzelf. De aanvaardbaarheid, de verteerbaarheid van het argument is afhankelijk van de presentatie. Dat geldt voor elke filosofie. Pas wanneer je het voorhangsel, het tempelgordijn wegscheurt van allerlei exclusieve gedachten en beperkte openbaringen e.d. kun je zien, wat erachter ligt. En zelfs dan is het nog je eigen appreciatie, die bepalend is voor de betekenis.

Daarom hoop ik dat deze kleine uiteenzetting mijnerzijds heeft bijgedragen tot de duidelijkheid. De duidelijkheid van begrip, van besef. Het is erg prettig voor een bijeenkomst als deze, sprekers te vinden en bereid te vinden, die op een hoger plan staan. En in vele gevallen is het hun persoonlijkheid, al dan niet aangepast aan uw periode en uw tijd, die bepalend is voor de wijze, waarop u alles, wat zij zeggen, verwerkt. Persoonlijkheid is vaak van veel groter belang dan hetgeen zij zeggen, Hier werken wij magisch-esoterisch. D.w.z. dat een deel van het beroep dat op u wordt gedaan in feite subliminaal is. Dat geschiedt in termen die u zich niet onmiddellijk zult realiseren, maar die u later door allerlei associaties helpen om met de persoonlijkheid, met die gedachtengang een zekere verbondenheid te voelen en zo u in feite anders te oriënteren.

Maar zelfs wanneer wij dit magische aspect mede in aanmerking nemen, moeten wij nog oppassen. Want de formulering in woorden kan vaak bedrieglijk zijn. Ze kan misleidend zijn. En naarmate ze minder concreet is, zijn wij meer geneigd onze persoonsinhoud in die woorden te verbergen en a.h.w. onszelf daaruit terug te lezen. Ik hoop dan ook dat u dit niet wilt vergeten. Niet alleen vanavond maar ook op die vele andere avonden.

En nu heb ik nog enkele minuten voor wij gaan pauzeren en die wil ik graag gebruiken voor een klein lesje, dat minder praktisch lijkt, maar buitengewoon praktisch is. Het valt misschien een beetje in de richting van magie. We weten dat de reacties van een mens voor een deel zijn vastgelegd. Wanneer wij die vastgelegde reacties kunnen constateren, zijn we dus in staat om het gedragspatroon van die mens enigszins te voorvoelen. We zijn daarnaast in staat om met die mens, al dan niet op de juiste manier harmonisch te zijn. Nu zijn er enkele vragen t.a.v. die persoonlijkheid en van de beïnvloedingsmogelijkheid.

Wat de persoonlijkheid betreft zou ik willen zeggen, niemand is precies als een ander. Voor de reacties van een mens is niet zozeer zijn eigen karakter, zijn eigen type van belang, dan wel zijn achtergrond, datgene wat hij in het leven heeft meegemaakt, want dit heeft het gewoontepatroon geschapen. De doorsneemens breekt slechts zeer zelden uit deze conditionering uit. Wanneer u dus wilt weten: wat voor iemand heb ik voor mij, dan kijkt u naar het optreden van die mens en u kijkt waar de kleine afwijkingen t.a.v. de norm liggen. Deze zijn uw aanwijzingen. Ik geef enkele voorbeelden:

Iemands reactie is buitengewoon uitbundig en levendig, ook zonder dat daar enige aanleiding toe bestaat. Dan kunt u er zeker van zijn dat we in de eerste plaats te maken hebben met onzekerheden. Dat we in de tweede plaats te maken hebben met een neiging om impulsief in te grijpen. Dan weten we dat we te maken hebben met een persoonlijkheid, die waarschijnlijk altijd anders doet dan verwacht wordt. Deze mens is dus geneigd om in zijn reacties tegen elke normale verwachting in te gaan. Wanneer wij dat weten, dan weten wij ook ongeveer hoe die mens reageert en wij weten zelfs door bepaalde weerstanden op te werpen, hoe wij hem de juiste kant op kunnen krijgen. Het type zelf is veelal, ongeacht de lichaamsomvang die niet veel uitmaakt wat luidruchtig; erg levendig en in vele gevallen een spraakwaterval.

Dan kennen wij typen, die z.g. lethargisch zijn. Dat zijn de dooie dienders. Het zijn de typen, die op de achtergrond schijnen te blijven en die maar heel vaag reageren. Wanneer ze het doen, dan is het a.h.w. of ze dan toch maar wat zullen doen of zeggen, omdat het niet anders kan. Hier hebben wij te maken met mensen, die kennelijk geschrokken zijn van hun eigen vroegere voortvarendheid. In 9 van de 10 gevallen zal iemand, die in zijn gedrag zo reageert buiten lichamelijke oorzaken om ervaringen hebben, waardoor hij bang is geworden om te vlug te beslissen of zich te laten leiden tot iets, zonder dat hij het zelf overwogen heeft. Bij deze typen weten wij dat elke poging om een snellere beslissing tot stand te brengen, in feite betekent dat de beslissing verder wordt uitgesteld. De pressie wordt groter en daarmede de weerstand. We weten ook dat juist zo iemand in het denkbeeld van ontspannenheid en zelf reageren, vaak veel vlugger tot reactie komt dan wij denken. Dit zijn dus persoonlijkheden die we in een bepaalde situatie kunnen plaatsen en dan, zonder dat we de overgang zien, een normaal verder reageren in die situatie kunnen opmerken. Zolang ze maar niet het idee hebben dat ze ergens toe gedwongen zijn. De reactie is verder meestal in overeenstemming met de geldende normen en wanneer wij zo iemand dus subliminaal willen beïnvloeden, dan zullen we altijd van geldende normen moeten uitgaan. Nooit van iets anders.

We hebben daarnaast dan nog een type dat ik het op zichzelf gerichte type zou willen noemen. Deze mensen zijn opvallend door het volgende: Wat er ook gebeurt, wat er ook gezegd wordt, zij betrekken het op zichzelf. Hun reactie op de feiten en de gebeurtenissen is meestal een herinnering, al dan niet reëel, in verband met eigen beleven en eigen persoonlijkheid. Hebben we met zo iemand te maken, dan weten we dat wij die persoon nooit kunnen beroeren door uit te gaan van de wereld. We moeten uitgaan van de persoon zelf. Maar iemand die zo sterk met zichzelf bezig is, zal over het algemeen de werkelijkheid over zichzelf niet helemaal verdragen. De neiging jezelf als middelpunt, als hoofdpersoon te dromen, is bij deze typen zeer sterk. Wanneer wij dus een droom projecteren omtrent deze persoon, dan zullen wij zien, dat deze persoon zeer sterk geneigd is deze als werkelijkheid te aanvaarden en daarin te reageren.

Het zijn drie voorbeelden, ik zou er meer kunnen geven. Nu zult u begrijpen dat magie en beïnvloeding voor een groot gedeelte gebaseerd zijn op het vinden van de juiste weg, om een ander te beïnvloeden. Ik kan wel een geest oproepen, maar die geest kan iemand niet aan, tenzij er een harmonie is. Je moet dus voor een afstemming zorgen. Ik kan zo iemand wel kracht toevoegen om hem te genezen, maar alleen wanneer ik dat doe in overeenstemming met diens persoonlijkheid en ik er een zekere suggestie achter kan zetten, heeft die kracht werkelijk betekenis en inhoud.

Dan kunnen we de procedure misschien als volgt omschrijven: ga uit van het type, dat u in de ander herkent. Wat is zijn afwijking van de norm in het gedrag? Is hij abnormaal met zichzelf bezig? Abnormaal zwijgzaam over zichzelf? Houdt hij van sprookjes of niet? Al die dingen zijn van belang. Wanneer ik een geestelijke kracht, een magische kracht of zelfs een kracht van bewustwording naar een dergelijke persoon wil sturen moet ik dit doen in een vorm, die strookt met zijn eigen reactiepatroon. Op deze manier krijg je sneller en vaak onverwacht goede resultaten.

Misreken u niet te veel door alleen op de uiterlijkheden te letten. Want de uiterlijkheden zijn een formaliteit. Maar de uiterlijkheden hebben een zeker persoonlijk karakter. Het is dat persoonlijke karakter, alweer een afwijking van de directe norm misschien die van groot belang is. Iemand kan ambtelijk denken, maar wanneer zo iemand voortdurend bezig is met reglementen op te sommen, dan kunt u er wel zeker van zijn dat u zo iemand alleen door een beroep op een hogere macht of een hoger gezag ergens toe zult kunnen krijgen. Is iemand ambtelijk in zijn denken, maar veroorlooft hij zich zekere vrijheden, dan hebben wij te maken met iemand die houdt van een geregelde gang van zaken, maar die aan de andere kant bereid is in die regelingen een zekere souplesse te gebruiken, een aanpassing dus. En dat betekent dat je zo iemand niet kunt benaderen vanuit een gezag, daar zal hij over het algemeen niet op gesteld zijn. Je kunt zo iemand weer het best benaderen vanuit een erkennen van een bestaande regel en het daaraan toevoegen van een kleine interpretatie die nog net te rijmen valt, zonder dat hij er in feite bij betrokken is. Dan krijgen we wat men noemt een harmonie, wat alleen maar wil zeggen een zekere overeenstemming, een zekere wederkerigheid.

En wat ik nu heb gedaan t.a.v. de magie, is iets proberen in de geest, wat ik t.a.v. de filosofie zo even heb geprobeerd naar voren te schuiven, nl. in eenvoudige woorden iets vertellen, dat op de feiten betrekking heeft, dat feitelijk bruikbaar is en dat gelijktijdig de verklaring vormt voor heel veel van die geheimzinnige stellingen die wij in de magie kunnen aantreffen. Want de geheime stellingen van de magie vallen voor een groot gedeelte terug – laten wij dat niet vergeten – op de relatie van persoon tot persoon. Harmonie, overdracht van krachten e.d., ze berusten op de juiste aanpak. Zo zal het m.i. ook zijn wanneer we filosoferen. De filosofie op zichzelf is vaak niet zo belangrijk, belangrijk is de juiste aanpak.

En nu wil ik u nog één klein geheim verraden voor de pauze, te weten dit: Wanneer je, zoals wij dat vaak hebben, tegenover een heel gezelschap staat, dan is het weleens moeilijk de juiste aanpak te vinden. Dan kun je proberen iemand uit het gezelschap te zoeken, die ongeveer als gemiddelde kan fungeren. Wanneer je op die persoon je totale poging om begrepen te worden, overdragen van krachten e.d. richt, dan zal je tot je verbazing ontdekken, dat je de meerderheid van het gezelschap eveneens bereikt en wat méér is, dat de aanvaarding die je op één punt volledig vindt, dan bij de ander een soort resonantie, een vergroting van de aanvaardbaarheid tot stand brengt. Misschien voor u ook weleens aardig om te proberen, wanneer u voor meerderen moet spreken en het wordt erg moeilijk voor u om duidelijk te blijven en gelijktijdig begrepen te worden.

De Gastspreker

Wanneer je leeft, bestaat het leven uit een grote reeks van onbelangrijkheden. Het onbelangrijke krijgt pas zin, doordat het versterkt wordt met vele malen zijn eigen waarden. Anders gezegd: bij ons is belangrijk in ons bestaan, de intensiteit die verkregen wordt door een voortdurende opeenstapeling van onbelangrijkheden. En als die intensiteit door ons juist wordt begrepen, dan kunnen wij daaruit voor onszelf de nodige conclusies trekken. Dan is ons leven daardoor begrijpelijker en duidelijker. Maar wanneer wij de relatie niet kunnen leggen tussen vele op zich onbelangrijke dingen en de stemmingen, spanningen of noodzaken, die in onszelf ontstaan, dan zullen wij altijd verrast worden door hetgeen er in ons oprijst en zullen wij daarnaast, juist hierdoor alle mogelijkheid verliezen om met onszelf een eenheid te blijven vormen. Wij worden dan a.h.w. de toeschouwer van eigen lot dat door andere krachten, zo menen wij, bestuurd wordt.

Nu is andere kracht alleen maar een formulering. Want om te komen tot een juist aanvaarden van en werken met de mogelijkheden die het leven de mens biedt, zal hij bepaalde hoofdprincipes stellen. En hoe eenvoudiger en meer omvattend die hoofdprincipes gesteld worden, hoe minder men zich zorgen behoeft te maken omtrent de verklaring. De verklaring die ik vind, is altijd onjuist. De verklaring, die de wetenschapsman in zijn laboratorium vandaag meent te vinden, is morgen het sprookje voor de kinderen van nieuwe generaties. Maar waarom zouden wij ons dan zo druk maken over de verklaring? Wanneer wij maar een denkbeeld hebben dat het ons mogelijk maakt om te werken! Wij hebben niet een verklaring nodig. Wat wij nodig hebben is een werkterrein en de verklaring, die dat werkterrein ons geeft, is voorlopig voldoende. Wanneer zij ons niet meer helpt om verder te gaan, dan is de verklaring onjuist, dan zoeken wij ons een nieuwe formulering uit en gaan rustig verder met de feiten.

0, ik weet het, de inleider van deze avond heeft geprobeerd dergelijke denkwijzen bij mij voor u althans enigszins verdacht te maken. Dat neem ik hem helemaal niet kwalijk. Maar ik ben toch wel bang dat een mens, die wil bepalen wat God is, vergeet dat hij dat alleen beleven kan, wanneer hij leeft zoals een mens leeft. Ik ben altijd bang dat degenen, die de juistheid van een wetenschappelijke stelling probeert te bewijzen, daarbij de consequenties vergeet die dat voor andere mensen met zich mee kan brengen. Hij acht het principe zo hoog dat hij eenvoudig niet meer denkt aan de wereld, aan de werkelijkheid. Wij vinden in de natuur vele krachten die zich, althans klaarblijkelijk, als wetten aan ons openbaren. Nu geloof ik dat je pas tegen een wet in opstand moet komen op het ogenblik dat die wet het je onmogelijk maakt om verder te gaan. Zolang ze je die mogelijkheid laat, waarom zou je dan die wet bestrijden of proberen aan te vullen of uit te dijen? Wanneer wij spreken over zwaartekracht, dan weten wij allemaal dat die zwaartekracht geen wet is, maar in feite een complexe samenvoeging van een reeks eigenschappen. Maar is het belangrijk dat ik die hele reeks opsom, wanneer ik kan volstaan, voorlopig, met de zwaartekracht?

Het opbouwen van een denkbeeld is heel vaak moeilijk. Niet omdat het ons moeilijk valt om te denken, maar omdat het ons moeilijk valt de relatie tussen ons denken en de werkelijkheid in de gaten te houden.

Ieder onder u kan fantaseren. Ieder kan een droomwereld opbouwen en er is bijna geen mens die dat niet doet op een wijze die met de werkelijkheid niets te maken heeft. Zelfs de z.g. nuchtere mensen zonder voorstellingsvermogen verwisselen in hun gedachten van rol en zijn zo ineens een andere kracht geworden in dezelfde omstandigheden die zij elke dag beleven. Die fantasie van ons is mooi. Misschien zou je zelfs zonder dat vermogen, je een andere wereld, een andere toestand voor te stellen, er niet meer toe komen iets te veranderen aan de toestand, waarin je verkeert. Als wij die fantasie in de plaats schuiven van de werkelijkheid, dan betekent dat, dat ik in de werkelijkheid niet verder kom. Iemand die zo voortdurend droomt dat hij de baas is, dat hij in zijn dagelijks leven genoegen neemt met de grootste ondergeschiktheid, zal nooit weten waarover hij droomt. Hij die droomt van gezag en daardoor gebracht wordt naar het zoeken van dit gezag in werkelijkheid, zal misschien ontdekken, dat gezag minder waard is, dan hij denkt. Maar hij zal in ieder geval zichzelf veranderen en zijn verhouding met de wereld.

Wanneer ik de kosmos bekijk en ik hoor de stellingen die op dit ogenblik worden geuit t.a.v. de radiobronnen in de ruimte bv. en de fantastische stellingen die men gebruikt om toch de oude stellingen omtrent een exploderend Alkracht bij te zetten of te handhaven, dan vraag ik mij af waarom de mensen daaraan zoveel aandacht hebben besteed en zo weinig aan die kleine afwijkingen op de instrumenten die bij de ruimtevaart de laatste tijd en ten volle en meerdere malen geregistreerd werden. Want deze kleine afwijkingen vertellen meer omtrent de relaties tussen planeten en een planeet en een ster, en daarmede ook omtrent het hele ruimtelijke geheel, dan alle stellingen omtrent de radiosterren die de radioastronoom op het ogenblik poneert. Het onbelangrijke wordt voor de mens pas belangrijk door een voortdurende herhaling en opeenstapeling. Wanneer 10.000 vluchten zullen zijn uitgevoerd, dan ben ik ervan overtuigd dat deze kleine en voortdurend optredende verandering eindelijk wordt geregistreerd als een vreemde interactie van magnetische velden en misschien dat men dan een stap verder is in de richting van de beheersing van de ruimte, zowel als de erkenning van de werkelijkheid. Maar zolang dat nog niet het geval is, dan blijven wij zitten met een vaak krankzinnige reeks van veronderstellingen.

De zon, mijne vrienden, is zwart. U ziet de zon als licht omdat ze zo sterk gloeit, dat haar oorspronkelijke kleur niet meer zichtbaar is. Dit is een stelling die op zich krankzinnig is. En bovendien is de zon zeker niet zwart, ze omvat een voortdurend veranderende reeks van kleuren. Maar als ik dat stel, dan kunt u dat niet bestrijden. U kunt hoogstens zeggen: dat is waarschijnlijk of niet. Wanneer wij daarover gaan vechten, komen we dus nergens, want al zou die zon nu zwart zijn, u zou het nooit kunnen zien. Niet nu, hier en met de middelen die u hebt. Dan is het ook onzin je daar druk over te maken. Wanneer je verschijnselen ziet die wijzen op iets in de zon, wat niet helemaal normaal is, goed, registreer het en er zal een dag komen dat je daar iets mee kunt doen misschien. Maar vandaag is het belangrijker wat die afwijking op aarde betekent, dan wat ze ons zegt omtrent die zon. Eens komt dat, nu niet.

Leven is een kwestie van geduld. Wie wil weten met zekerheid of er een leven is na de dood, moet wachten tot hij sterft. Dat klinkt waanzinnig, maar het is waar. Iemand die met zekerheid wil weten of er een God bestaat, moet wachten tot een ogenblik dat hij contact met die God heeft en als hij dan zover is dat hij die kracht kan begrijpen, weet hij misschien of het een werkelijke God is, die er bestaat.

Wij spreken over de ziel, over deze vreemde, levende kern, die de basis uitmaakt van alle menselijke en ook van alle andere leven. Dat is natuurlijk wel mooi, maar weten wij dat die ziel er is? Wat weten we eigenlijk over het leven? Leven is energie. Dat kunnen wij rustig zeggen, maar energie is nog geen leven. Dus leven is een vorm van energie. Maar dan moet ik energie kunnen vervormen tot leven. Begrijpt u waar het om gaat? Het is niet alleen de vraag: hoe staan wij ervoor en hoe denken wij erover? Dat is onze zaak, maar het gaat erom: wat is er werkelijk. En wanneer wij zo heer­lijk filosoferen dat leven energie is en energie in een bepaalde vorm dus leven betekent, dan moeten wij ons dus afvragen; wat is dan die vorm? Kan ik leven veroorzaken, maken, welke energieën komen daarbij te pas? En wanneer ik dat weet, dán pas is de veronderstelling, die ik heb omtrent het leven, van belang. En wanneer ik de essentie van het leven ken, dan kan ik misschien zover komen, dat ik zeg: de ziel is datgene wat energie tot levensmogelijkheid transformeert. Misschien, want dat weet je niet.

Het is vreemd, dat je op aarde altijd veel ingewikkelder fi­losofieën hoort dan in een hoge sfeer. En toch geloof ik, dat de denkbeelden, die wij in onze wereld hebben, vaak heel wat verder gaan en heel wat meer met de werkelijkheid te maken hebben, dan de theorie op aarde. Waarom? Wel wij denken, maar wij denken in fei­ten. Wanneer je vroeger filosofeerde, dan nam je een korreltje feit, twee korreltjes inspiratie, vijf korreltjes van gehoor, want je moest weten tegen wie je iets zei en vooral in mijn tijd. (Iets verkeerd zeggen betekende heel vaak verbanning, als je tenminste niet op een wredere of minder wrede wijze ertoe werd gebracht de waarheid van het eeuwige leven te onderzoeken.) Dus vijf korreltjes gehoor en ook nog een korreltje logica misschien. Dat mix je door elkaar en dan kom je tot een stelling. Ik heb in de oudheid onder meer de stelling verkondigd, dat de sferen die rond de aarde la­gen niet moesten worden gezien als afzonderlijke werelden, maar als de niveaus waarop zich sterren bevonden. Ja, ik schaam mij nu dat ik niet verder heb nagedacht, maar dat was toen al een hele vooruitgang. Mijn indeling was toen, zoals ik al zei, 49. Ik weet niet eens meer waarom. Waarschijnlijk omdat dat het beste uitkwam met de waarnemingen die ik deed. Nu zeg ik: het is onzin. Maar het onzinnige van mijn bewering maakte het voor anderen mogelijk een systeem te brengen, een nieuw systeem in hun manier van observeren van de hemelruimte en het zijn deze observaties, die de mens weer de kans hebben gegeven tenslotte wat meer te begrijpen omtrent het wezen van de sterren. Mijn filosofie was fout, maar ik maakte ze eenvoudig genoeg, ik formuleerde ze eenvoudig genoeg om het mogelijk te maken daarop iets te baseren.

Wanneer u leeft en in uw leven iets zoekt, dan kunt u met elke willekeurige filosofie beginnen, want dat maakt niet veel uit. De filosofie is nl. geen waarheid. Zij is alleen een grondstelling die je kunt gebruiken om de dingen te onderzoeken en te beschouwen. En als je naar de ziel en naar de geest toe wilt, dan kun je dus daaromtrent allerlei verhalen houden en ook sprookjes vertellen, zonder dat het iets uitmaakt in werkelijkheid. De stelling, die ik heb, maakt het mij mogelijk mijzelf te beschouwen. Mijzelf beschouwend, erken ik bepaalde dingen. Bepaalde eigenschappen, mogelijkheden en zelfs onbegrepenheden. En uit dat alles distilleer ik dan een verklaring omtrent mijn bestaan. Maar die moet dan ook feitelijk bevestigd worden.

Ik weet het, dat onze vriend vindt, dat je daarmede te ver kunt gaan, dat je altijd een zekere redelijkheid moet vinden, want ik heb goed geluisterd toen hij bezig was. Je kunt geen goed filo­soof zijn, wanneer je niet oneindig kunt praten en even oneindig kunt luisteren. Want mijn denken formuleren kan ik alleen wanneer ik weet hoe een ander denkt. Daar zit de grote moeilijkheid. Wanneer ik u vertel, dat in mijn wereld eigenlijk niets bestaat buiten een zekere melange van kleuren, dan is dat mooi voor u en het zegt u misschien iets, maar u weet niet wat het betekent. Dus kan alles wat ik daaruit opbouw, voor u eigenlijk niet van belang zijn. Maar wanneer ik nu zeg dat mijn wereld, dus die sfeer, die wereld waarin ik leef of denk te leven, alleen nog maar hoofdzaken kent, bijkomstigheden wegvallen, dan kunt u ook begrijpen dat in uw eigen wereld, ongeacht de vele kleinigheden die er zijn, eigenlijk maar een paar krachten zijn, die het menselijk leven werkelijk bepalen.

Dan kunnen wij dus zeggen: het verschil ligt daarin dat wij daarboven leven met de hoofdzaken, waarbij “boven” ook maar fi­guurlijk is, terwijl wij leven met de bijzaken. En dan weet u iets omtrent mijn wereld. Maar daarmee heb ik iets gezegd en ik heb nog niets bewezen, tenzij ik u vertel dat wanneer u de hoofdzaken ziet en de bijzaken verwaarloost, u hetzelfde overzicht krijgt ook over de bijzaken, die wij hebben en de andere samenhangen ziet. Dan kunt u dat proberen en dan zult u in het begin waarschijnlijk 39 verkeer­de hoofdzaken hebben – dat noemt u dan waarschijnlijk de treden van inwijding – maar als u aan de veertigste toekomt, dan klopt het met de feiten, dan hebt u iets werkelijk geleerd.

Nu moet u niet denken, dat ik hatelijk ben tegen een bepaalde groep of zo. Voor de meeste mensen is inwijding een illusie, waardoor zij minder aandacht aan de werkelijkheid menen te mogen besteden. Terwijl een werkelijke inwijding alleen kan bestaan uit een groter overzicht van de werkelijkheid, waardoor je er veel meer mee verbonden bent.

Ik heb geprobeerd duidelijk te maken wat belangrijk is. Laat mij de dingen eens gewoon zeggen op een manier, die volgens mij eenieder kan begrijpen en die naar mijn beleven de belangrijkste in de wereld is. De samenhang zoals ik die zie en geleefd heb.

Leven is de illusie, die voortkomt uit bestaan. Het is een waanvoorstelling, want ik besta altijd. Maar ik beperk mijn besef van dit bestaan tot iets wat ik leven noem: een opeenvolging van gebeurtenissen en feiten. Dan moet er in alle leven of in alle le­vens dus één ding zijn dat zich steeds herhaalt, het belangrijke, het bestaan zelf. Nu is het voor u moeilijk om alle levens terug te vinden en in mijn sfeer wordt het alweer bijna onbelangrijk. Maar wanneer u in uw eigen leven een ding hebt dat altijd domineert dat altijd maar weer de baas wil spelen, dan is dat zeer waarschijnlijk de uiting van uw werkelijke bestaan; van wat u bent, of u nu hier leeft of ergens anders of helemaal niet in verschijning treedt. Dan is dit bestaan basis van de ziel, van de levenskern van het ik, van geest, en bewustzijnskern van het ik. Ik geloof dat ik de for­mulering voor deze groep juist heb. De kern van allebei is bestaan. Dan is ziel, dan is geest een uiting van iets onveranderlijk, wat ik altijd ben. Indien ik kan teruggrijpen, hoe beperkt ook, op iets dat bestaan is in mij, wat ik altijd ben, dan zal ik hierdoor mede beheersing krijgen, een zekere zeggenskracht over die ziel, over die geest. Ik dring dan niet door in andere werelden misschien, dat is maar een vertaling die ik geef, maar ik kom tot een direct con­tact met het Zijn en kan dus de betekenis van mijn bestaan op ver­schillende vlakken van besef, ook als u het anders wil zeggen, in verschillende dromen omtrent leven, gelijktijdig erkennen.

Daar, waar mijn persoonlijkheid op die manier deel van mijn bestaan wordt of een deel van bestaan erkend wordt als deel van mijn persoonlijkheid, ontstaat in mij de zeggenskracht over de werelden, die in zichzelf interpretatie, illusie, waan zijn, maar waaruit de werkelijke feiten net zo zeer bestaan zijn als ikzelf en daarom even tijdloos.

De mens, die begrijpt waar het eigenlijk op aankomt, zal zich afvragen of daden nu werkelijk wel zo belangrijk zijn. Daden zijn alleen belangrijk voor ons, omdat wij daarmede iets uitdragen van ons bestaan, hoe dan ook. Die daden zijn verwisselbaar. Dat kan op honderd manieren gebeuren. Als ik mijzelf besef, wanneer ik het bestaan proef, dat in zelfs één leven als voortdurend voorkomende invloed kenbaar is, dan kan ik met mijn daden elke kant uit. Zolang mijn daad de erkenning van het bestaan, het tijdloze inhoudt, is mijn wereld slechts de bevestiging daarvan. Dat is een belang­rijk punt.

Zodra deze in mij altijd aanwezige kracht of waarde, dat wat altijd in mijn denken en mijn leven een rol heeft gespeeld, beves­tigd wordt in de wereld, ben ik vrij. De feiten van mijn wereld passen zich aan mij aan. Zodra ik probeer dit bestaan in mijzelf te veranderen of te ontkennen, dan wendt de wereld zich tegen mij, Want de ontkenning maak ik even goed waar vanuit het bestaan als de erkenning.

Dan zijn al de feiten die wij bij elkaar hebben geraapt eigen­lijk waardeloos, tenzij wij in ons iets hebben dat wij ermee kun­nen verbinden. Zodra wij ons bestaan verbinden met het z. g. feit buiten ons, wordt uit het z. g. feit een waarheid, dus een voor ons onveranderlijke, voor ons geldende werkelijkheid, geboren. Die wer­kelijkheid kan nooit te maken hebben met de ruimte, met de sterren, met radiobronnen of wat anders. Ze heeft te maken met ons en alléén met ons. Wij zijn verlaten in het Al totdat wij teruggrijpen op het eeuwige, op het onveranderlijke, dat wij zijn. Leren het Al te ver­binden met onszelf, de relatie tussen het Al en mijzelf, dus de er­kende band of verhouding, of hoe je het noemen wilt, wordt werke­lijkheid wanneer mijn werkelijke ik kiest uit de mogelijkheden en daadwerkelijk waar maakt.

Dan moet u nog iets onthouden. Niemand is wijzer dan u en nie­mand is dommer dan u. Iemand is alleen anders dan u. Niemand is braver dan u of slechter dan u, alleen anders dan u. Wanneer wij begrijpen dat eenieder anders is en wij gaan uit van ons bestaan zonder dat wij de vorm daarbij belangrijk achten, dan vinden wij de erkenning van een werkelijkheid metterdaad. Een werkelijkheid in de ander, die helemaal niets meer te maken heeft met waarderingen, die alleen te maken heeft met het zelferkennen. Alle leven voert terug tot jezelf. Alle sferen voeren terug tot jezelf. Het is je bestaan, dat in welke vorm het ook nu beleefd kan worden of wordt, de wer­kelijke band uitmaakt met al wat deel van jezelf is, Je kunt geen deel zijn van iets, wat je niet zelf bent in de kracht van je be­staan. Bestaan is de vorm van de energie, die wij leven noemen of die wij op een ander vlak ook bestaan kunnen noemen. En dat betekent dat wij het bestaan als vorm zien, als vormgeving van onze wereld en onze wetten. Als ik geloof dat de wereld plat is dan leef ik in een platte wereld. Later kan ik mij een andere wereld denken, dat is niet meer dezelfde wereld. Dat is een andere wereld. Ik kan dus nooit zeggen dat mijn wereld zich verandert. Ik kan alleen zeggen dat ik in een andere wereld ga leven, door anders te denken. Mijn 49 sferen zijn werkelijk geweest voor mij. Nu be­grijp ik dat het een kinderlijke werkelijkheid was. Maar het was waar voor mij. Dan moet ik dus ook constateren dat elke waarheid in zich een deel is van een onwaarheid vanuit een ander deel van werkelijkheid of waarheid. Naarmate ik mij verplaats, verandert mijn waardering, maar ik bestond in mijn oorspronkelijke waardering en daarom blijft zij voor mij een feit.

Ik schaam mij dat ik vroeger zo slecht heb opgelet. Ik schaam mij er niet voor dat ik mijn wereld zo zag, omdat ik door mijn erkenning van onoplettendheid in mijn huidige leven, in mijn nieuwe vorm van bestaan, misschien beter uitkijk. Maar ik mag niet zeggen dat het mijn wereld nooit is geweest. Mijn wereld is geweest zoals ik haar zag en al zouden alle tijden tot één korreltje samensmelten, dan blijft die wereld daarvan deel, ze blijft bestaan. En dat is ook voor u waar. Daarom is het belangrijk dat je nooit probeert om je een wereld voor te stellen of in te denken, waarin je niet helemaal gelooft. Dan verlies je haar. Maar zolang je in een wereld kunt geloven, is ze waar. Dan kun je naar een andere wereld groeien, maar je kunt niet verliezen wat was.

Rijkdom van het bestaan is de samenvoeging van alles wat in een leven waarheid was, totdat het de waarheid van het bestaan zelf is geworden, En dat laatste is dan misschien wat onduidelijk. Maar wie verwacht van een filosoof voortdurend de duidelijkheid, niet­waar?

Met veel moeite, zelfbeperking, onderbreek ik dit voor mij be­langwekkende discours om het voor u niet onbelangwekkender te maken. Ik hoop alleen dat ik met die paar gedachten toch iets gezegd heb, waar u iets aan hebt. Want als er geen resultaten voort­komen uit mijn poging zo te praten, dat het voor u reëel is, had ik beter kunnen zwijgen.

En nu u hebt geluisterd naar mij om te horen, wat ik denk, moet u gelijk uitvinden wat u denkt. Als u daarin werkelijk gelooft, is het voor u de uitdrukking van uw bestaan. Erken die gelijkblij­vende waarde in uw persoonlijkheid, dan kunt u met wat u nu denkt, iets doen. Wat u daarmee doet, doet u binnentreden in een andere wereld. Je kunt er nooit iets mee verliezen, maar je kunt daardoor wel sneller begrijpen, wat de belangrijke factor is in alle dingen, de vorm van alle kracht, het bestaan zelf.