De waarde van de hogere werelden

uit de cursus ‘Zelfverwerkelijking’ ( hoofdstuk 9 ) – juni 1965

Als wij het begrip “dood” enigszins begrijpen, dan zien wij dat deze dood een scheidingslijn vormt, althans voor het menselijk begrip, tussen een grotere waarheid en de beperkingen van het menselijk bestaan. Die dood kan symbolisch zijn, maar hij kan ook menselijk reëel zijn. Dit doet verder niet ter zake.
De hogere werelden hebben voor de mens – en wat dit betreft ook voor de geest — een aantal waarden en waarderingen, die wij niet zo heel gemakkelijk in zuiver materiële beelden kunnen omzetten. Wanneer ik dit probeer te doen, zo moet u begrijpen dat deze uiteenzetting nimmer geheel volledig kan zijn en dat ze slechts tot haar volle betekenis kan worden aangevuld aan de hand van uw eigen ervaringen.
De hogere werelden zijn in wezen kracht. Deze kracht wordt wel eens omschreven als de gedachtenkracht van de Schepper. Anderen spreken erover als de aura van de Ene; dus de directe uitstraling van het goddelijk middelpunt. Deze werelden kunnen voor ons vele verschillende vormen en waarden aannemen. Elke wereld heeft voor ons haar eigen wetten en mogelijkheden. Hier geldt echter iets, wat op aarde lang zo sterk niet tot uiting komt, nl:
In een hogere wereld is alle kracht, alle erkenning en alle mogelijkheid tot actie alleen beperkt door eigen bewustzijn.
Dat is een heel wat belangrijker definitie u misschien denkt. Want zodra je dus — onverschillig of je dit als levend mens of op een andere wijze ervaart — een hogere wereld binnentreedt, gelden daar de wetten van die wereld. En je bent geneigd die wetten aan te nemen als een blijvende, als een algemene regel. Degene echter, die voldoende begrip van zichzelf heeft, weet dat die wetten voor hem of haar anders zullen zijn dan voor de meeste bewoners van die wereld (zoals een kind in de wereld van de grote mensen vaak veel beperkter is dan de grote mensen zelf) en de verschillende rangen en standen t.o.v. elkaar toch ook zekere beperkingen kennen, die voor de ene groep zeer sterk; voor de andere praktisch niet in verschijning treden.
Heeft men eenmaal die wereld bereikt, dan zal men daarin ervaring opdoen. Maar die ervaring is niet stoffelijk uitdrukbaar. Dat betekent, dat alle geestelijke waarden en geestelijke ervaring voor de mens worden omgezet niet slechts in een voor hem te vatten beeld, want dat zou onvolledig zijn maar in twee delen. Het eerste deel dat men als mens in die geestelijke of hogere werelden kan ervaren is een bepaald besef. Een besef, dat niet alleen redelijke maar ook bepaalde emotionele strekkingen heeft. Het andere deel dat niet kan worden verwerkelijkt — en dit is zeer belangrijk — wordt omgezet in energie.
De mens heeft dus naast de ervaring met de daaruit voortvloeiende begrippen en emoties de beschikking over een hoeveelheid kracht. Die kracht is niet gelijk aan de kracht, die op aarde bestaat. De materie en de daarin werkzame krachten, ook binnen uw eigen lichaam, zijn gehouden aan bepaalde richtingen en wetten. Zij zijn nl. krachten, die verlopen volgens de materiële structuur. Als wij een voorbeeld willen stellen, dan kan ik het misschien het best als volgt doen:
Wij proberen een geestelijke genezing tot stand te brengen. Wij hebben misschien kennis van de kwaal en kunnen onze gedachtenkracht daarop inschakelen. Wij kunnen een deel van de levensenergie (een deel astrale en een deel etherische kracht) overdragen aan de patiënt. Hierdoor wordt een genezingsproces bespoedigd. Het is dus de patiënt, die het genezen doet.
Dit is natuurlijk niet te vergelijken met b.v. de wonderbaarlijke genezing door Jezus, die een aantal melaatsen ontmoet en hen met één slag geneest. Hier is kennelijk niet alleen een genezingsproces in het lichaam aan de gang, er speelt hier ook nog iets anders een rol. Er speelt een kracht mee, die niet uit de stoffelijke wereld stamt, maar uit de hogere wereld. Deze energie herschept eenvoudig. Zij is niet gebonden aan de bestaande stoffelijke vormen, normen en wetten. Zij hergroepeert eenvoudig de materiële structuur volgens haar eigen beeld.
Met dit voorbeeld kunnen wij misschien beter begrijpen wat dus die kracht is, welke achter deze grens, die wij dood noemen gelegen is. Het is een scheppend vermogen. Maar dit scheppend vermogen kan dus alleen actief zijn volgens het bewustzijn van degeen, die het bezit. Hoe sterker het bewustzijn van die persoon is t.a.v. bijv. een bestaande kanker of iets anders, des te gemakkelijker hij daarin de noodzakelijke veranderingen tot stand brengt. Zelfs indien hij geen kennis heeft van het ziektebeeld, maar wel voldoende begrip van de gezonde cel, kan hij door die kracht de zieke cellen eenvoudig oplossen en hergroeperen volgens de norm van een gezonde cel.
Dit klinkt misschien een klein beetje theoretisch en fantastisch. Maar indien wij onszelf willen verwerkelijken, indien wij het wezen dat wij zijn reëel tot uitdrukking willen brengen, dan zullen wij m.i. toch ook moeten leren gebruik te maken van die schijnbaar onmogelijke krachten en werkingen, die er in ons bestaan. De grote moeilijkheid bij dit alles is wel het bewust beleven of het betreden van de hogere wereld.
In een inwijding komt dat haast op natuurlijke wijze tot stand. Ik zou aan die inwijdingsprocedure hier enige aandacht willen wijden om u duidelijk te maken wat er eigenlijk gebeurt. Ook dit alles is eigenlijk een beetje symboliek.
Wanneer wij b.v. de Mitrasdienst nemen, dan zien wij dat degene, die inwijding zoekt, afwisselend wordt geconfronteerd met de vier verschillende elementen. Hij overwint aarde, water, vuur en lucht. Die vier elementen zijn de materie. Hij doorleeft a.h.w. de materiële structuur, de wetten van het element. Hij ontdoet zich van alle angst, daardoor van alle gebondenheid aan het element en kan nu pas beginnen aan de vijfde en beslissende fase, waarbij hij de zon moet dragen.
De zon kunnen wij voorstellen als het eeuwig Licht. Dit eeuwig Licht omvat alle elementen en bezielt alle elementen. Wie het Licht draagt, beheerst alle elementen. In die oude inwijdingssymboliek wordt dus kenbaar gemaakt, dat de mens eerst door het materiële bestaan heen moet. U kunt niet zeggen: Ik begin eenvoudigweg met, het hogere en laat al het andere rusten. U moet elk deel van het materiële bestaan beseffen. U moet het overwinnen; d.w.z. meester zijn van uzelf en t.a.v. dat bestaan zonder angst zijn. Dan pas kunt u verdergaan.
Stel nu, dat u in uw leven wordt geconfronteerd met verschillende grote gebeurtenissen. Daarin zitten altijd elementen als angst, verwachting, begeerte, hartstocht en wat dies meer zij. Als wij deze dingen bezien op hun geestelijke waarde en ze nu eens niet bekijken van uit een menselijk standpunt, dan zeggen wij: In elk van deze factoren moeten wij ergens meester worden over onszelf. Wij mogen er niet door geleid worden. Wij moeten deze dingen bewust kiezen en leiden. Hebben wij dit bereikt, dan staan wij boven het menselijk bestaan. Dit “boven het menselijk bestaan” kunnen leven en werken houdt in, dat wij voor het eerst het aangezicht van de dood zien.
De dood is onze primaire angst; niet alleen in het menselijk leven, maar ook wel elders. Er komt een ogenblik, dat datgene wat voor ons het meest verschrikkelijk is (de disharmonie van ons eigen wezen, geprojecteerd in verschillende vormen),tot uiting komt.
In de inwijding wordt men inderdaad geconfronteerd met de grens tussen Werkelijkheid en menselijke werkelijkheid; en daar ziet de mens dan dit afzichtelijke wezen, dit monster dat uit hemzelf geboren is. U moet daarvoor niet bang zijn. U moet het terzijde stellen. Er is hieraan nog een legende verbonden. Men zegt nl: “Wanneer je dit wezen ontmoet en je wijkt ervoor terug, dan blijft het je achtervolgen.” En dat is duidelijk.
De dood is een afrekenen met het leven. Het is een onthulling van wat je bent, ook in je eigen ogen. Het is misschien het enige ogenblik behalve de geboorte, waarop je leeft zonder jezelf te beschermen tegen de werkelijkheid door interpretaties, voorwendsels, vergeetachtigheden e.d. Heb je dat bewustzijn, dan kun je het niet meer van je afschudden.
Je zult dat bewustzijn moeten dragen. Ga je verder en zeg je: “Wat de schijn van mijn wezen is, interesseert mij verder niet,” dan betreed je de geestelijke wereld en kom je in die hogere wereld met haar eigen energie, haar eigen verhoudingen, haar eigen mogelijkheden. En nu gebeurt er iets eigenaardigs.
Op het ogenblik, dat ik als mens in staat zou zijn de hogere werelden volledig te aanvaarden (dus daar niet alleen maar als mens of als bewustzijn te leven, maar mij daarmee volledig een te gevoelen), verandert dit monsterlijke dat mij op de drempel opwacht; dan verandert de draak in een mooie prins of wordt de pad een beeldschone prinses. Het klinkt een beetje sprookjesachtig, maar het is een van de grote realiteiten van het leven. Eerst als wij de hogere wereld in onszelf hebben aanvaard, wordt al datgene, wat lelijk is, wat angstaanjagend is, wat dreigend is plotseling deel van die schoonheid.
Zo kan men t.a.v. die hogere werelden dus ook weer een paar eenvoudige regels stellen:
1. Hij, die bewust — hetzij door de dood hetzij door de symbolische dood — een hogere wereld betreedt, zal daarbij eerst zichzelf in waarheid moeten zien, aanvaarden en overwinnen.
2. Elk bestaan in een hogere wereld impliceert de energie van die wereld in het “ik” bezitten. Daar, waar het begrip niet kan worden overgebracht naar eigen bestaan of eigen wereld, zal dat deel dat niet wordt uitgedrukt als een energetische potentie binnen het “ik” bestaan.
3. Terwijl alle wetten en krachtsverhoudingen van een materiële wereld altijd zijn gehouden binnen de wetten der natuur en dus afhankelijk zijn van het bestaan, zijn alle geestelijke krachten daaraan superieur en kunnen het bestaande herscheppen
4. Elke mens is krachtens zijn behoren tot de hogere werelden schepper. Zolang hij dit niet beseft, wordt hij beheerst door het geschapene. Op het ogenblik, dat hij de beheersing over zichzelf verwerft plus de erkenning ervan, schept hij binnen het geschapenene met zijn wil zijn wereld volgens zijn besef van de hogere wereld.
Die laatste zinsnede moet misschien iets worden verduidelijkt. Indien ik in de hogere wereld een begrip ontvang dat niet geheel in stoffelijke waarden is uit te drukken, dan zal het u duidelijk zijn dat de energie of de energetische potentie, die als gevolg hiervan ontstaat, in harmonie moet zijn met het bewustzijn U kunt nooit de scheppende kracht verwerven als deel van een geestelijke bewustwording en deze in strijd met die bewustwording gebruiken. Daarom kunt u voor het “ik” ook nog stellen:
1. Alle krachten binnen het “ik” zijn alleen bruikbaar in overeenstemming met het bewustzijn.
2. Daar, waar het bewustzijn geen voldoende definitie kent, zal de kracht niet kunnen worden geuit, of zal zij slechts onbewust en daardoor ook onverwacht en vaak niet erkend tot uiting komen.
3. Om te komen tot een maximaal gebruik van de potenties, die in de mens berusten, zal hij juist zijn hogere werelden, zijn hogere voertuigen moeten beseffen en volgens een hoger bewustzijn verwezenlijken in eigen wereld.
In al het vorige heb ik de nadruk gelegd op het verschil tussen een geestelijke en een stoffelijke wereld. Dit is slechts ten dele waar. Er is echter ook nog een ander punt, dat wij wel degelijk mede in ogenschouw moeten nemen. Het totaal van de schepping bestaat uit één Kracht. Er is slechts één levende God. Er is slechts één primaire Oorzaak. Er is nergens een dualiteit. En dat impliceert, dat in wezen de kracht van de materiële wereld en van de geestelijke wereld dezelfde is. Het impliceert ook, dat wij onder omstandigheden het totaal van een geestelijke wereld wel degelijk kunnen overbrengen naar de stof en het totaal van een stoffelijke wereld kunnen overbrengen naar hogere werelden, naar de geest. Hier ligt de verklaring voor de wisselwerking binnen het “ik”, die men zo weinig begrijpt. Wanneer u innerlijk onzeker, instabiel bent in uw stoffelijk bestaan, dan moet dat wel voortkomen uit het feit, dat u uw geestelijk bestaan niet aanvaardt. Wanneer u met uw handelen in de stoffelijke wereld geen vergroting van inzicht en kracht verwerft, kan dat alleen voortkomen uit het feit, dat u ingaat tegen de waarheid van uw geestelijk wezen. Men kan dan komen tot de volgende stellingen:
1. Elk proces van leven, dat een proces van bewustwording impliceert, zal de eenheid tussen hogere en lagere wereld voor de mens uitbreiden. Hijzelf is het brandpunt, waarin twee werelden elkaar samentreffen. Hij is eveneens het brandpunt, via hetwelk de spiegelwerking der eeuwigheid zich voor zijn eigen wereld afspeelt.
2. Niets van hetgeen ik nu ben, is volgens zuiver stoffelijke normen te lezen of te bezien. Niets van de wereld, zoals ik haar ken, mag worden beschouwd als te zijn voortgekomen uit zuiver stoffelijke normen. Er is altijd een invloed van het geestelijke. Er is altijd een interpretatief element in elke vaststelling, emotie en waarneming in de materie.
3. Daar het geheel van mijn wereld en het geheel van haar invloeden voor mij een samenspel zijn van de waarden der hogere en der lagere werelden (de materiële werelden), kan ik daarin de nadruk leggen, zoals ik dit zelve wens. Elke invloed, die ik materieel interpreterend schep, heeft invloed op mijn geestelijke wereld. Elke geestelijke werking of invloed, die ik onderga of erken in mijn bewustzijn, zal mijn stoffelijk zijn onmiddellijk beïnvloeden.
Een punt, dat wel eens even nader mag worden bezien. Er is geen sprake van dat men als mens iets alléén geestelijk of alléén stoffelijk doet. Altijd zijn die twee elementen met elkaar verweven. Maar doorgaans is uw bewustzijn gebaseerd op het materiële. U interpreteert. U ziet niet de feiten, maar u interpreteert volgens wat u als stoffelijk hebt leren beschouwen en wat u volgens de ervaring als stoffelijke waarde hebt leren kennen. U interpreteert dus van uit de materiële wereld. Dan zult u via die materiële wereld de hogere geestelijke werelden, voor zover u daaraan bewust deel hebt wel direct beïnvloeden en veranderen. U zult de potentie van de geestelijke hogere werelden, die u niet erkent eveneens t.a.v. uw wezen wijzigen. Op het ogenblik, dat u de zaak omdraait en dus van uit het geestelijke gaat interpreteren, kan — en dat is afhankelijk van uw bewustzijn — een groot gedeelte van de kracht van de geest werkzaam worden in de materie. U kunt er dus iets veranderen. U kunt er iets tot stand brengen. Maar dat kunt u alleen, indien u wederom die geestelijke waarden doet versmelten met uw werelderkenning.
Je kunt niet zeggen. “Ik doe dit alleen geestelijk.” En je kunt ook niet zeggen: “Ik doe dit alleen stoffelijk.” Er is niemand, die iets alléén materieel kan doen en er is niemand, die iets alléén geestelijk kan doen. Niet in de sferen en niet op aarde en naar ik meen is dit zelfs voor God onmogelijk, omdat voor Hem Zijn schepping eveneens een geheel is.
Wij hebben dus de keuze van benadering. Die keuze van benadering is zo belangrijk, omdat ons besef van een hoger bestaan of een hogere wereld het ons mogelijk maakt die hogere wereld actief in de materie tot uiting te brengen. Wij behoeven niet uit te gaan van de lagere stoffelijke wereld, die ons ervaring moet bijbrengen en die ons menig oordeel en veroordeling bezorgt. Wij kunnen uitgaan van de hogere geestelijke wereld; en met die hogere geestelijke wereld scheppen wij — voor zover ons begrip het mogelijk maakt – een inzicht in een waarde, die verdergaat dan de materiële wet. Gelijktijdig scheppen wij voor het in ons resterende een kracht, die het ons mogelijk maakt in te grijpen daar, waar de stoffelijke wet tekort zou schieten.
Wij hebben in onszelf het vermogen om uit de hogere werelden al datgene te compenseren, wat er in onze wereld niet in orde is. Maar wij kunnen dat nooit doen door alleen geestelijk te werken. Wij kunnen dit slechts doen, indien wij een geestelijk besef omzetten in een stoffelijke daad met de wetenschap, dat een deel van het geestelijk besef niet kan worden omgezet, maar een kracht wordt, die via onze wil plus onze daad, die harmonisch moet zijn met de wil, direct en gericht wordt geuit in onze eigen wereld.
Hier is dus voor de zelfverwerkelijking weer een zeer belangrijke factor gevonden.
In de eerste plaats is het een ten dele onafhankelijk zijn van de stoffelijke omstandigheden, want zij beheersen ons niet. Wij kunnen de stoffelijke omstandigheden voor een groot deel beheersen.
In de tweede plaats leert het ons, dat wij nimmer via een ander of van uit een ander iets kunnen doen of bereiken. Wij kunnen het alleen van uit onszelf doen. En daarmee wordt de wereld eigenlijk ook een beetje anders.
Als je jezelf verwezenlijkt als dat wat je bent (het eeuwige wezen, geuit in vele tijden en vele vormen), dan is er geen plaats voor de erkenning van medelijden, van sentimentaliteiten, van voorbehoud enz. Er is sprake van een wet, die in je wezen ligt, je geestelijk wezen. Dat is hetgeen, wat voor jou regeert. Alle mensen om je heen zijn daarbij eigenlijk van minder belang. Zij spelen een rol binnen de kosmische eenheid, waaruit je bewustzijn stamt. Zij spelen echter geen rol als afzonderlijke mensen in de wereld, waarin je leeft. Zodra je hen als een afzonderlijke factor in je eigen wereld gaat beschouwen, zul je de geestelijke krachten, waarover je kunt beschikken, maar moeilijk tot uiting kunnen; je zult er moeilijk iets mee kunnen doen. Het is juist je begrip van de eenheid in het hogere plus de — ik zou haast zeggen — onverschilligheid voor de vorm, waarin de dingen zich manifesteren, die je de kracht bewust kunt doen richten. Het is de gelatenheid, waarmee je het onvermijdelijke aanvaardt, die eveneens de geestelijke erkenning waarde geeft boven de materie.
De meeste mensen zijn wel eens opstandig. En dat is te begrijpen. Maar wilt u uzelf verwezenlijken, wilt u zich bewust worden van wat u kosmisch gezien eigenlijk bent, dan zult u ook van een dergelijke luxe afstand moeten doen. In opstand komen helpt immers niet. Het verweer helpt niet. De erkenning is het enige middel dat kan helpen. En ik geloof, dat we daarmee één van de meest belangrijke punten in de bewustwording voor onszelf nader kunnen omschrijven.
Ik heb al gezegd: Het is mij onmogelijk om de wetten van de hogere werelden en hun krachtsverhoudingen hier in eenvoudige woorden voor u begrijpelijk weer te geven. Ik kan slechts een zeer algemeen beeld gebruiken. Maar ik kan u via deze regels, naar ik hoop, duidelijk maken, hoezeer u zelf macht hebt over uw eigen leven. U bent niet afhankelijk van de wereld of van het toeval. U bent alleen afhankelijk van uw innerlijke geestelijke harmonie. Heeft u die erkend, bent u achter het begrip “dood”, achter de grens van werelds zijn in stoffelijke zin doorgedrongen, dan kunt u de materiële wereld hervormen, herscheppen en veranderen.
Toch zullen er banden bestaan. Men kan daar niet aan ontkomen. Het zijn geen banden, die in materiële vorm uit te leggen zijn. U kunt niet zeggen b.v.: Ik ben gehuwd, of ik ben verliefd en dat is een band. Of: Ik heb een verplichting en dat is een band. Zolang dit materiële waarden zijn en anders niet, zijn ze nietig, hebben ze geen betekenis, tenzij wij die zelf eraan willen toekennen.
Maar in de kosmos bestaan er natuurlijk harmonische verhoudingen. In die hogere werelden bestaan er harmonieën, die worden bepaald door het wezen der entiteiten.
Als wij zeggen: U behoort tot een bepaalde Straal, dan gebruiken wij een heel populaire uitdrukking om te zeggen: De grondwaarde van uw wezen is harmonisch met die van een groot aantal andere wezens. Daar, waar die harmonie volledig is, ontstaat er een binding, een resonantie, die in geen enkele wereld en onder geen enkele conditie kan worden teniet gedaan. Dat moet u goed begrijpen.
Deze dingen kunt u echter ook in de geest erkennen; en zijn zij in de sferen erkend. (in die hogere werelden, welke voor de mens na de dood schijnen te komen) dan kunt u, als u tot de stof terugkeert, het bewustzijn daarvan meebrengen; en dan krijgen we natuurlijk ook weer een uiting daarvan in de materie. Maar die uiting is nu niet meer een willekeurig iets van hartstocht, van liefde, van haat of van verplichting. Het staat er geheel los van. Het is geworden. Het erkennen van een harmonische verhouding, waardoor de kracht, die in het eigen “ik” als potentie bestaat, ook in de ander bestaat.
Er zijn altijd mensen op deze wereld, die zozeer op elkaar zijn afgestemd dat zij eenvoudigweg door de actie van de harmonische factor worden gebracht tot een gelijkgerichte ontlading van de in hen aanwezige energie. Dit is het enige noodlot, dat er bestaat. Dit is het enige waaraan wij niets kunnen veranderen. Niemand zal ooit in staat zijn een in de hogere werelden bestaande harmonische werking en waarde in de materie teniet te doen of te wijzigen. Al het andere kunnen wij veranderen. Slechts onze aanvaarding van een stoffelijke begrenzing en de beperkingen van ons bewustzijn t.a.v. de geestelijke werkelijkheid zijn bepalend voor het niet gebruiken van de in ons berustende krachten, voor het niet tot stand brengen van die dingen, welke wij misschien wensen, maar die wij alleen waar willen maken op een manier, die van uit een geestelijk standpunt gezien onmogelijk is.

Herscheppend vermogen

Als wij een materie hebben, dan heeft deze een eigen structuur en een bepaalde vorm. Zodra wij een kracht van buitenaf daarop aanwenden, die op deze structuur invloed heeft, kunnen wij deze vorm veranderen. Een voorbeeld van dat herscheppen kunnen wij misschien het eenvoudigst nemen, als wij uitgaan van gewalste staalplaten.
Ik heb een gewalste staalplaat. Deze heeft bepaalde eigenschappen, ze heeft ook een bepaalde vorm. Nu onderwerp ik deze staalplaat aan een zeer sterke verhitting, waaraan ik ook zuurstof toevoer. Terwijl ze zo wordt verhit, breng ik haar onder een pers, die met een enorme kracht er een totaal nieuwe vorm aan geeft. Als ik dan het eindproduct bekijk, dan is door de toevoeging van zuurstof de eigenschap van die staalplaat aanmerkelijk veranderd. Zij is b.v. minder taai geworden; daarentegen heeft zij door de grotere oxidatie een veel grotere hardheid verkregen en wij zien daarnaast dat er een vorm is ontstaan.
Als wij ons afvragen hoe dat komt, dan kunnen wij zeggen: Er zijn twee krachten opgetreden. De eerste was de kracht, die de structuur aantastte (oxidatie); de tweede was de kracht, die de vorm veranderde. In zekere zin is hiermede dus iets herschapen.
Nu noemen we dat geen herschepping, we noemen dat een bewerking, omdat wij daarbij uitgaan van een materiaal dat wij kennen en dat wij beheersen. Op het ogenblik, dat ik een dergelijke actie zou volvoeren zonder daarbij die instrumenten te gebruiken, dan zou men wel kunnen spreken van een herschepping. Men zou het dan geen bewerking noemen om de doodeenvoudige reden, dat er geen logisch verband meer ligt tussen de procedure en het eindresultaat. En daarmee hebben wij voor het begrip “herscheppen” naar ik meen wel de definitie gevonden.
Herscheppen is dus het veranderen van de eigenschappen en structuur en/of vorm op een wijze, die voor de doorsnee mens niet in een logisch verband staat met het oorspronkelijke product.
En nu wij dit zo hebben geformuleerd, kunnen wij eens gaan praten over de mogelijkheid tot herschepping, die er voor een ieder bestaat, die voldoende geestelijke kracht heeft.
Geestelijke kracht is natuurlijk een heel vage definitie. Maar als ik nu eens zou stellen: Ik heb rauwe energie, dus gewoon energie en verder niets. Dan kan ik door die energie alles, wat fijnste materie is, versnellen of vertragen. Ik kan dus van alles daarmee doen. Wij nemen maar weer een voorbeeld en nu uit de techniek.
Ik heb lood. Ik onderwerp dit lood aan een zeer sterk bombardement met elektronen en neutronen. Het resultaat is, dat het lood zijn structuur wijzigt en een ander materiaal wordt. Ga ik er lang genoeg mee door, dan kan ik er goud van maken. Zou ik nog verder doorgaan, dan kan ik er ten slotte zelfs platina van maken. Dit is een bekend systeem.
De kracht, die hier wordt gebruikt (zij het een enorm grote via een magnetron) is dus elektronische kracht. De geestelijke kracht heeft dezelfde grondwaarde, die wij ook in de elektriciteit zouden kunnen veronderstellen. Wij kunnen niet zeggen: Het is een versnelling van kleinste delen. Het is dé versnelling. En die versnelling kunnen wij toepassen waar wij willen. Ik kan haar toepassen op elk willekeurig stukje materie, waarop ik die kracht kan concentreren, waar ik haar dus actief kan maken. En daar gebeurt dan het volgende:
Ik heb een stukje materie. Die materie heeft een bepaalde vorm. Zeg, een levende cel. Zij heeft in die vorm bepaalde eigenschappen. Zeg: de celkern, die de actie, de eigenschappen van de cel en haar uitwisselingsprocessen bepaalt. Nu ga ik die energie gebruiken. Ik kan dat op twee manieren doen. Ik kan de energie zo ontstellend scherp ontladen, dat de zaak eenvoudig verdwijnt; ik kan die cel dus in haar bestanddelen ontbinden.
Indien men dat doet met gewoon materiaal, dan zullen de bestanddelen neerslaan. Er bestaat b.v. een proces, waarbij men metaal aan een zeer hoge elektrische spanning onderwerpt. Er slaat een zeer hoge spanning over. Het gevolg is, dat een deel van een der elektroden wegbrandt. Maar nu doet men dit in een luchtledig. Men heeft dat luchtledig zo gesteld, dat er om de elektrode een vorm is; dat kan b.v. glas zijn. Dat glas krijgt dan een neerslag van het metaal. Het is op een uiterst fijne wijze overtrokken met en zelfs ten dele doordrongen van dit metaal. Dit glas is dan elektrisch geleidend geworden. Een procedure, die niet veel wordt gebruikt, maar dat toch in de techniek bestaat.
Doe ik ditzelfde met de cel, dan zullen de bestanddelen worden opgenomen in de omringende cellen. De omringende cellen zullen sterker worden, zij bevatten meer materiaal en daar, waar de cel is weggevallen, is niets. En omdat in een levend weefsel ruimte maar zeer beperkt kan bestaan, zullen de omringende cellen onmiddellijk beginnen met het delingsproces. Ze zijn groter en sterker geworden. Er ontstaat celdeling en de ledige ruimte is gevuld. Ik heb dus op deze manier door een cel weg te nemen in feite een andere cel geschapen; en die andere cel heeft de eigenschappen van de omringende cellen.
Maar waarom zou ik het zo ingewikkeld maken. Ik kan het veel eenvoudiger doen. Laten we zeggen, dat we als de wereld vredelievend wordt een aantal kerkklokken (gegoten metaal) en een aantal kogels nodig hebben. Ik voer zoveel energie aan, dat de kerkklok vloeibaar wordt. Zij verliest haar vorm. Ik heb nu een vorm gemaakt. In die vorm giet ik het metaal en ik krijg kogels.
Ik heb een cel. Ik breng de delen van die cel zo intens in beweging, dat in feite die cel bestaat als een beperkt, gasvormig geheel. Uit dit gasvormige geheel neem ik de verschillende losse elementen (dus atomen en enkele moleculen), ik groepeer ze volgens een nieuwe vorm en ik heb een cel met totaal nieuwe eigenschappen.
U ziet, dat bij deze herschepping de kwestie helemaal afhangt van de vraag:
1. Beschik ik over voldoende energie en in dit geval:
2. Beschik ik over de juiste vorm.
Herscheppen met geestelijke kracht is nu gebaseerd op weten, of zo u wilt op voorstellingsvermogen plus energie, die niet is gebonden aan stoffelijke maatstaven. De geestelijke energie kan elke vorm aannemen. Bij stoffelijke energie gaat dat niet zonder meer; er zijn daar dus altijd tussenfasen. Geestelijke energie kan echter in elke stoffelijke vorm van energie – gebonden of niet – onmiddellijk worden geuit. Mijn voorstellingsvermogen vormt de matrix (de moedervorm), waarin ik dus iets ga presteren. Mijn bewustzijn neemt die moedervorm en omdat ik kracht heb (want ik heb die energie), ontstaat er — en dat is dan op astraal terrein — een vorm, die zo vast is, dat het hele proces van ontbinding en omvorming zich alleen binnen die vorm kan afspelen. Binnen die vorm komt de energie verder tot uiting. En als ik die matrix heb vastgelegd, dan is ze (het is een astrale vorm) niet alleen iets wat de buitenkant bepaalt, maar het bestaat uit een hele reeks velden en veldverhoudingen, waardoor elke flux van energie wordt bepaald, elke definitie van stukjes materie. Dit is dus één van de processen, waarmee men het herscheppen het gemakkelijkst tot stand brengt. Er zijn er meer.
Voor de doorsnee mens is dit heel moeilijk te hanteren. En daarom roept hij vaak geestelijke krachten of geestelijke waarden te hulp. Er zijn op aarde ingewijden geweest, die dat hebben gedaan. Wij kunnen hier b.v. Paracelsus aanhalen. Ik zou ook anderen kunnen aanhalen. In de tempel van Aesculapius b.v. was Hyptheroptha, een zeer bekend arts, van origine eigenlijk een Egyptenaar, die dit proces ook beheerste. Deze mensen deden het volgende: Ze zeiden: In de geestelijke wereld bestaan de perfecte vormen. Wanneer ik de perfecte vorm in mij kan opnemen, dan behoef ik haar niet te begrijpen; ik moet haar alleen maar absorberen. Dus zuiver een geheugenkwestie. Dan kan ik die vorm dus projecteren in mijn eigen wereld. Zoals je met een projectie iets kunt vergroten maar ook kunt verkleinen. Zo breng je het dan op de schaal, waar je het wilt laten werken. Op deze manier heb ik dus de goddelijke Oervorm, de perfecte vorm. Ik heb mijn eigen energie. Ik behoef die vorm niet bewust te kennen. Ik heb haar alleen maar geabsorbeerd. Ik denk aan de goddelijke perfectie, denk aan datgene, waarin die vorm moet optreden en nu laat ik de energie werken. Ik zeg: Ik wil scheppen. Het resultaat was inderdaad dat er heel eigenaardige veranderingen plaatsvonden.
Hyptheroptha was o.m. beroemd om het feit, dat hij gebroken ledematen, zelfs als er stukken bot weg waren, in een fantastisch korte tijd kon genezen. En wat was nu eigenlijk de kwestie? Hij nam de mens in zich op. Hij probeerde het beeld van die mens te associëren met de goddelijke mens, de perfecte mens, zoals men die kende in de oude voorstellingen. Hij dacht aan die perfecte mens en liet dan de energie van zijn wezen los op die persoon. Nu was de meest onvolmaakte plaats meestal de plaats waar de breuk zich bevond of waar de splinters van het bot eenvoudig weg waren. En zo begon daar heel eenvoudig een nieuw deel aan te groeien.
Hij heeft eens gezegd bij wijze van grapje maar toch kentekenend voor de mens: “Het is jammer, dat de kracht der goden in mij zo weinig sterk is, want zo deze kracht groot genoeg zou zijn, waarlijk, ik zou u niet genezen maar ik zou u hervormen tot de schoonste en edelste mens van deze wereld.”
Dus het idee; ik zou u eigenlijk helemaal moeten kunnen aanpassen aan die perfecte vorm. Wij scheppen ook, wanneer wij iets maken. U kunt een stuk hout nemen. U kunt dat stuk hout snijden en er iets uit maken wat er nog niet was.
Dat is ergens scheppen. U werkt dan met het materiaal, dat aanwezig is in een grove vorm, nl. in hout, dat een cellenstructuur is, die weer bepaald wordt door de chemische werkingen, die zich in de plant afspelen en de eigenschappen, die in de cellen van de plant zijn vastgelegd. Maar stel nu eens, dat we geen boom hebben, dan kunnen wij hout maken, als wij maar weten hoe een boom is.
Nu bestaat er in de kosmos dus van alles een oervorm. Dat is voor sommigen een geloof, voor anderen een wetenschap. Maar als wij stellen, dat God denkt en dat het de goddelijke Gedachte is die schept en voortbrengt, dan kunnen wij ook aannemen dat elke mogelijke vorm, die ooit heeft bestaan of zal bestaan, in God bestaat; en dat elke natuurlijke vorm — “natuurlijk” betekent dus: niet door mensenhanden gemaakt — die bestaat in het Goddelijke moet bestaan volgens de wetten van het Goddelijke: perfect harmonisch, perfect evenwichtig en met alle eigenschappen tot in de kleinste kleinigheid volmaakt.
Die beelden bestaan in wat men de spiegelsfeer noemt. Spiegelsfeer is een naam, meer niet. Men stelt zich dus voor, dat God denkt en dat die gedachten a.h.w. zichtbaar worden op een soort scherm. Dat scherm is dan de ijle kracht van het Leven waarin God scheppend werkt. Ik kan die vorm daar dus zien. Zodra ik die vorm zie (zien is een betrekkelijke term), kan ik haar verwezenlijken; zij is mijn matrix geworden.
Nu bestaan er in die goddelijke wereld niet alleen de dingen, die wij kennen als vorm. Er bestaan ook abstracties. Leven b.v. is iets, wat voor ons een proces is dat wij wel kennen, maar dat in zijn definitie ergens abstract blijft. Wij kunnen het alleen uitdrukken als een vorm van actie, van beweging. Maar in zich is het een eigenschap, die ook statisch kan worden uitgedrukt, dus zonder beweging; in het Goddelijke wel te verstaan.
Als ik de vorm “leven” noem en ik ken het wezen ervan, dan kan de toestand van leven scheppen in elke willekeurige materie. Ik breng eenvoudig mijn geestelijke kracht in diezelfde vorm en ontlaad haar in die vorm op een willekeurige structuur.
U hebt misschien wel eens gehoord van de vroegere alchemisten of tovenaars, die zich bezighielden met homunculi (kunstmatige mensjes), die in retorten werden gemaakt. Als u een beschrijving van de geaardheid ervan wilt hebben, dan vindt u die o.m. in de z.g. klassieke Walpurgisnacht van Faust.
Zo’n homunculus is dus eigenlijk niets anders dan een samenstel van materie. Maar ik heb het proces “leven”, de status “leven”, daarin geprojecteerd en daar ontstaat dan tussen de bestanddelen een verhouding, die zich uitdrukt als leven. Ik heb dus scheppend gewerkt. Ik heb leven geschapen.
Nu begrijpt u wel, dat dat leven niet altijd een geest zal inhouden. Daarom stelt men voor de astrale wereld, dat het mogelijk is schillen te scheppen, die niet bezield zijn. Want wat in de materie moeilijk is, omdat er zo ontzettend zware bindingen bestaan tussen de materiedelen en omdat de verhoudingen daar zo erg precies zijn en zo moeilijk te beïnvloeden, kan men van de astrale wereld zeggen dat deze fijne materie in elke willekeurige vorm te gieten is. Het verschil is bij wijze van spreken: iets maken door water in de vorm te gieten of ijzer in de vorm te hameren. Dan is het ijzer de materie en het water is in deze vergelijking de betrekkelijk amorfe kracht, die wij de astrale kracht noemen. Wanneer ik dus de gedachte heb, dan vorm ik daarmee een wezen. Ik kan aan dat wezen een zeker leven geven en zekere eigenschappen, maar het heeft geen ziel. Het is niet bezield.
Hier heeft u dus eigenlijk de kern van het scheppen, dat de gemiddelde mens doet. Want het scheppingsproces en het scheppend denken zullen bij de doorsnee mens niet in de materie tot uiting komen. In de eerste plaats weet hij niet hoe hij dat moet doen. Hij heeft daar de vorm, het goddelijke werkelijkheidsbeeld niet voor. In de tweede plaats zou hij niet weten hoe hij zijn geestelijke en andere energieën daarvoor zou moeten ontladen. In de astrale wereld doet hij het echter wel. Daar bouwt hij uit zijn gedachten voortdurend allerhand vormen en schrikvormen; en die vormen worden bezield door de kracht van het astrale, gebonden volgens de krachtregels en wetten, die het bewustzijn heeft gesteld en tot onderlinge binding heeft gebracht via geestelijke kracht.
Maar ik geloof niet, dat u zich daarvoor zo bijzonder interesseert. U zou liever willen weten hoe u b.v. in een mens, die ziek is iets kunt herscheppen. Inderdaad. Dat is praktischer en daarmee zou men meer resultaat kunnen behalen. Maar om dat te doen — en dat moet u heel goed begrijpen — moet er een geestelijk beeld zijn. Dat beeld zou u bewust in de geest kunnen zoeken of in het Goddelijke als uw bewustzijn maar groot genoeg is.
Een bekend voorbeeld: Een grootmeester, een adept 1e klas, wandelt door de bergen van Tibet. Hij komt een jongeman tegen, die volgens hem wel voor inwijding in aanmerking komt. Hij praat een tijd met hem. De jongeman heeft geen eten bij zich; hij zal honger moeten lijden. Wat doet de adept? Hij weet wat tsampa is (een soort gemalen vlees in poedervorm), hij kent de structuur daarvan. Hij kijkt naar een steen, hij ontlaadt het beeld van de voeding (de geestelijke voeding) via het beeld stoffelijke voeding op die steen en zegt tegen de ander: “Ga er heen, steek je hand in die steen en haal er zoveel voedsel uit als er nodig is.” Zolang de man voedsel nodig heeft, blijft de ingewijde het beeld handhaven. Zodra echter blijkt, dat de ander voldoende heeft gehad, trekt hij het beeld terug en de steen is weer gewoon steen. Want hij heeft alleen dat deel gewijzigd, wat nodig was; het andere gedeelte laat hij terugkeren tot zijn eigen vorm.
Op deze manier kan een adept dus ook in een menselijk lichaam ingrijpen. Hij kan de cellen van een lichaam b.v. zo beïnvloeden, dat bij een slangenbeet het gif automatisch naar buiten wordt gebracht, zodat de parels van het gif op de huid, waar de beet is geweest, weer gevormd en dus afgewist kunnen worden. Iets, dat sommige fakirs doen. Hij kan nog verdergaan. Hij kan eenvoudig de geaardheid van het gif veranderen, zodat het niet meer toxisch is. Maar daarvoor heeft hij kracht nodig plus een voorstelling; en als die er niet is dan bereikt hij weinig.
Daarom moet u goed onthouden, dat als u wilt herscheppen bij genezing – en soms is dat nodig, indien b.v. bepaalde zenuwkanalen onderbroken zijn — dan moet u daar nieuwe cellen scheppen met een verbinding in plaats van een onderbreking. Waar een ziek weefsel is dat volledig is aangetast, zou u de oude cellen moeten vernietigen en er nieuwe voor in de plaats stellen. Maar dat kunt u alleen doen, indien er een geestelijk beeld is. En dat geestelijk beeld is niet alleen maar het geval van genezen. Dat geestelijk beeld is een harmonische relatie tussen u en het zieke. Dus niet de zieke, maar dat wat ziek is. Indien er voor u een persoonlijke verbinding met het zieke orgaan zou bestaan (de zieke zenuwbaan, de zieke spier of wat het ook is), dan zou u daardoor de geestelijke kracht kunnen ontladen en zo alles, wat er fout is, kunnen oplossen en kunnen herscheppen.
Het is een tamelijk ingewikkeld onderwerp. Maar dat herscheppen doen wij eigenlijk vaak onbewust. Wist u dat u voortdurend bezig bent om uw eigen lichaam te herscheppen? Voortdurend breekt u cellen af, die niet meer een voldoende stofwisselingsproces hebben en u vervangt ze door nieuwe. Dat is ook een vorm van herscheppen. U kunt zeggen. Dat is in het lichaam ingebouwd. Maar de levenskracht, waardoor de cel wordt bezield, komt uit uzelf voort.
Als u dood bent, dan kunnen we een cel misschien een tijd in leven houden. Wij kunnen haar tot deling bewegen, maar wij kunnen het nooit zover brengen, dat het weefsel zichzelf vernieuwt.
U doet het natuurlijk niet onbeperkt. U wordt ouder; en als u ouder wordt, is dat niet alleen maar een kwestie — zoals sommige mensen denken – van: de weefsels willen niet meer. Het is doodgewoon een langzaam vergiftigingsproces. In uw stofwisseling worden bepaalde stoffen niet meer voldoende afgescheiden. Bepaalde afscheidingsproducten, vooral van de spieren en ook de afvalproducten in het bloed, dat zichzelf ook voortdurend vernieuwt, hopen zich op en daardoor is het niet meer mogelijk om zonder meer een cel te vernieuwen. Men laat iets steeds meer wat langer staan.
Als wij een kind bezien, dan kunnen we zeggen: Een kind verandert zijn spierweefsels en cellen gemiddeld eens per 4 jaar. Iemand van ca. 25 jaar doet een eens per 7 jaar. Maar bij iemand van 50 jaar vraagt diezelfde vernieuwing 16 tot 18 jaar. En dat wil zeggen, dat het functioneren steeds slechter gaat. Dat is nu het ouder worden.
Nu kunt u zeggen: Ik heb de geestelijke kracht om te beseffen dat ik die gifstoffen moet wegwerken. U kunt dat niet doen door te zeggen: Ik moet ze afscheiden. In de geriatrie is het nog wel mogelijk om daar iets aan te doen. Men gebruikt daarvoor orale doses van minstens 0.5 mg. vitamine E per dag. Dat is voor ouden van dagen absoluut niet schadelijk. Als ik dat echter geestelijk doe, zeg ik: Ik ga die afvalstoffen veranderen in iets wat onschadelijk is.
U hebt wel eens van ingewijden gehoord (een van de meest bekende is de Comte de St. Germain), die schijnbaar het eeuwige leven hebben. Die mensen blijven even jong, even energiek. En niemand begrijpt hoe dat gaat. Het is echter heel eenvoudig. Wat zij doen, is niet hun lichaam herscheppen. Zij hebben alleen in zichzelf de matrix gevonden, waarmee alle gif (dus elke stof, die schadelijk is voor dit vernieuwingsproces) wordt omgezet in een onschadelijke stof. Het is een verandering van moleculaire structuur, verder niet. Maar omdat deze verandering eenmaal in hen bestaat, want de geestelijke kracht heeft die ingeschapen in o.m. de werking van de lymfeklieren en van het bloed (hoofdzakelijk de witte bloedlichaampjes), zal dat lichaam voortdurend, zoals bij een jonge mens, zich gemiddeld eens per 5 à 6 jaar blijven vernieuwen. Zij blijven jeugdig en veerkrachtig. Zij verliezen niets van hun mogelijkheden.
U kunt dat misschien niet. Maar u kunt wel iets anders doen. U kunt begrijpen, dat harmonie het beginsel is van alle leven. Alle levensprocessen en alle leven bestaan nl. uit de evenwichtigheid tussen wat wij zouden noemen: goed en kwaad.
Neem een cel. Die cel bestaat. Zij is goed. Op het ogenblik, dat zij goed is, begint zij stoffen op te nemen en af te scheiden. Daardoor ontstaan er gifstoffen (dus kwaad). Het kwaad wordt ten dele afgescheiden, ten dele kan het in de cel blijven. Op een gegeven ogenblik wordt het kwaad te groot, de harmonie wordt verstoord en de cel sterft. Als het kwaad er helemaal niet is, blijft de cel een potentie. Zij heeft geen levensproces en kan dus niet reageren.
Wat in uw lichaam moet bestaan, is eigenlijk een perfect evenwicht tussen goed en kwaad. En die harmonie kunt u alleen handhaven door in uzelf een zo groot mogelijke blijmoedigheid en een zo gezond mogelijke interne huishouding te scheppen; wat voor de meeste mensen betekent, dat ze zich hier en daar een beetje moeten beperken en elders eens wat minder lui moeten zijn.
En nu komt eigenlijk de clou van alles. Wanneer men zich bewust is een schepsel Gods te zijn en men is in staat dit “ik ben een schepsel Gods” te stellen boven alle beperkingen van de materie, dan ontstaat er een harmonie met de geestelijke vorm: de goddelijke mens. Dat begrip is in ons heel beperkt, maar het brengt met zich mee dat een zeker deel van die geestelijke kracht wordt ontladen. Een mens wordt daardoor wat minder snel oud en hij wordt daardoor ook wat mooier. Want het herscheppingsproces, waaraan u waarschijnlijk weinig of geen aandacht hebt geschonken en dat toch bestaat, wordt zelfs door de gewone menselijke gedachte veroorzaakt. Zeker, die gedachte staat weer in verband met het geestelijk leven en er komen dus ook geestelijke krachten in het geding.
Maar waarom ziet de oppasser van de zeeleeuwen er na 30 jaar uit, alsof hij er zelf een is? Hoe komt het, dat man en vrouw, die oorspronkelijk heel verschillend zijn, er na 50 jaar huwelijk uitzien als tweelingen, die per ongeluk met elkaar getrouwd zijn? Hoe komt het, dat een mens, die voortdurend bezig is met edele dingen en op zichzelf zo lelijk was als een aap, op een gegeven ogenblik een bijna serafijnse sereniteit over zich krijgt en een uiterlijk heeft, waarin de eigen wezenstrekken wel behouden zijn, maar waarin alles veredeld is? Kijk, ook dat is herscheppen.
Wanneer de gedachten van de mens voortdurend zijn geconcentreerd op het hogere en op het betere, zonder dat daardoor de materie wordt ontkend, dan wordt dat hogere en dat betere naar de materie overgedragen. De geestelijke krachten, die daarmede gepaard gaan, zijn dan werkzaam in het lichaam. Zo kunt u dat voor uzelf doen.
Maar als ik nu een stap verderga, dan kan ik dit ook voor een ander doen. Want de kracht van de geest is niet beperkt tot een bepaalde vorm. Zij is a.h.w. amorf. Zij kan in elke vorm, die het bewustzijn vindt en waarmee het “ik” harmonisch is, worden geuit.
Als ik een lelijk kind heb (weer een voorbeeld, dat sommigen van u misschien uit de praktijk kunnen bevestigen) en de moeder heeft het kind op een onzelfzuchtige wijze lief, zodat het de schoonheid in dit kind voortdurend zoekt (dus datgene, wat er goed in is), dan wordt die baby, die met een halfjaar tot een jaar eigenlijk lelijk is, langzaam maar zeker mooi. Ook het omgekeerde gebeurt: Het kind is in het begin knap. Het wordt een jaar of vier en het begint lastig te worden. De ouders, die het eerst aanbeden hebben, die er een toppunt van schoonheid in wilden zien en daardoor de charme, het goede en het harmonische in het kind tot uiting brachten, beginnen het nu als een hinderpaal te zien. Het kind ervaart dit. De kracht van de ouders én het denken van het kind gaan nu dus in tegengestelde richting; en het jongetje, dat met 3½ jaar nog een cherubijntje was, is met 5 jaar een sproetig monster dat eigenlijk te lelijk is voor deze aarde.
Als u het zo eens bekijkt, dan zult u zien dat u veel meer herschept in het leven dan u wel denkt. En er is niet zoveel nodig om die processen bewust te gebruiken.
U hebt iemand in uw omgeving. Nu bent u helemaal niet zo sterk geestelijk bewust dat u de oervorm kunt vinden en de kracht dan volgens de vorm bewust door uw wezen op de ander kunt ontladen. Maar u kunt wel uw denken over die ander beheersen. U kunt de gevoelens, die u de ander laat toevloeien, beheersen. U kunt dus datgene, wat geestelijk in u met die ander harmonisch is, maken tot een kracht, welke de ander toevloeit.
Heeft u nooit mensen meegemaakt die binnen kwamen, eigenlijk zonder iets bijzonders te doen en die u, toen zo weggingen, veel prettiger achterlieten; dat uw hoofdpijn b.v. ineens weg was; dat u plotseling meer energie had en u zich prettiger gevoelde? Die mensen zijn er. Dat zijn mensen, die een zeer grote sympathie voor het leven hebben. Zij geven door de erkende harmonie iets van hun geestelijk vermogen af aan de ander. En denkt u nu niet, dat u bent opgeknapt. Zij hebben slechts bepaalde dingen, die bij u niet harmonisch waren, herschapen in harmonie. Dat is nu het meest simpele principe ervan.
Men kan over dat herscheppen zeer ingewikkeld spreken. Men kan zeggen: Ik herschep iets door het helemaal van vorm te veranderen. Natuurlijk, dat is waar. En om dit onderwerp weer met een beeld te besluiten:
Er was eens bij Rubens een leerling, die betrekkelijk begaafd was en die tot opdracht kreeg een kruisiging te schilderen. De meester had dat onder zijn toezicht en het kwam er wel uit, maar het was een beetje eigenaardig, wat zoetelijk. Toen het klaar was, kwam de meester; en met een paar penseelstreken, misschien maar 4 of 5, had hij een vakkundige voorstelling veranderd in een kunstwerk. Hij had met die paar penseelstreken aan de Jezus, die eigenlijk geen bijzondere uitdrukking had, die een formaliteit was, de gelaatstrekken van een bovenmenselijk lijden gegeven. Het bewuste stuk hangt op het ogenblik in een groot museum in Brussel. Het is niet door Rubens gesigneerd, maar het heeft het kenteken van deze meester. De geest van Rubens vond het niet nodig het geheel te herscheppen, om de opstelling van de figuur enz. te veranderen. Het was hem voldoende enkele penseelstreken aan te brengen, waardoor datgene wat er voor hem in leefde zichtbaar werd. Ik geloof, dat wij daaruit wat herschepping betreft als mens de juiste en grootste les kunnen trekken.
Om te herscheppen behoeven wij niet alles te veranderen of op te lossen. Zeker, het is mogelijk. Maar waarom zouden wij het doen? Wij kunnen het misschien niet eens. Maar wij kunnen datgene, wat in ons bestaat, soms haast oppervlakkig met een gedachte, met de wil, met een kleine projectie in een ander wezen aanbrengen. En dan hebben wij het karakter van die ander niet veranderd, maar wij hebben de goede aspecten ervan versterkt en daardoor lijkt het heel anders.
Wij hebben de feitelijke toestand van onze patiënt eigenlijk niet gewijzigd, maar wij hebben de eigen verhouding, van de patiënt tot zijn kwaal veranderd en het resultaat is: een genezing. Met kleine dingen kunnen wij onnoemelijk veel bereiken. Het werkelijke herscheppen met geestelijke kracht uit het Goddelijke, een totaal nieuwe vorm a.h.w. creëren uit de goddelijke Gedachte en die tot werkelijkheid maken in b.v. de materie, dat is maar een enkeling gegeven. Maar met je bewustzijn, waarin geestelijke krachten wel degelijk bestaan, de kleine dingen wijzigen door een gevoel van harmonie, door een zekere concentratie ten goede (niet eens de wil om te veranderen, maar de concentratie ten goede) je denken a.h.w. zo sterk in de ander leggen dat het pakt, daarmee kun je je wereld als gewoon mens herscheppen. En ik geloof, dat dit in de praktijk voor u wel de meest eenvoudige, de beste en steeds bruikbare methode is.
Doordringen tot de spiegelwereld, waarin Gods volmaaktheid bestaat, betekent geestelijk loskomen van heel veel lagere sferen, van heel veel beperkingen. Maar het goede dat in elke geestelijke wereld bestaat, de harmonie die in elke lichtende geestelijke wereld toch ergens het principe van de sfeer is overdragen aan je besef van je wereld, dat is betrekkelijk eenvoudig. Daarvoor heb je zelfs geen bewuste kennis van een geestelijke sfeer nodig. En daarmee bereik je resultaten.
Laten wij dit onderwerp besluiten met de hoop uit te spreken dat u dat wilt proberen. Want de goddelijke Kracht leeft in ons allen. In ons allen – mens en geest — is er een méér aan kracht, meer dan wij normaal gebruiken. Indien wij de harmonische waarden, die in ons leven, leren projecteren in de wereld rond ons, zal die kracht actief worden; en zo ons instellend op een grotere harmonie t.a.v. de wereld, maken wij de wereld t.a.v. ons harmonischer.
Ik geloof, dat dit een heel mooi resultaat is, dat bijdraagt tot verdere geestelijke bewustwording en ook — en dat mogen wij niet vergeten – een langzame maar niettemin toch wel heel voorname erkenning van ons eigen wezen en onze eigen waarden, zelfs in de materie.