De waarde van goede smaak en goede manieren

image_pdf

4 september 1959

Aan het begin van deze avond is het allereerst mijn plicht u erop te wijzen dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Dit betekent dat u dus zelf na moet denken en ook rustig met uw eigen mening kunt reageren wanneer wij een onderwerp behandelen. Ons onderwerp voor heden is: De waarde van goede smaak en goede manieren.

Over dit onderwerp is veel en toch ook weer weinig te zeggen. Allereerst wil ik vaststellen dat goede smaak moeilijk te definiëren is. Men neemt meestal aan, dat goede smaak identiek is met “smaak à la mode”. Wanneer de mode voorschrijft dat men zich dient te kleden in een groene jurk met een pimpelpaars randje, opgeluisterd door rode vlekken, acht men het een blijk van goede smaak, wanneer men zich inderdaad zo kleedt. Indien de kunst van Picasso de mode is, heet het ook, dat een ieder die Picasso’s werken waardeert, een goede smaak heeft. Dit is m.i. een pretentie die niets met smaak, laat staan met goede smaak uitstaande heeft. Wij moeten goede smaak toch wel uit een enigszins ander standpunt beschouwen. In geen geval mogen wij dit begrip interpreteren als een volgen van de geldende mening der massa.

Ook bij goede manieren dienen wij een nadere vaststelling van het begrip te geven. Maar al te vaak worden de goede manieren uit een handboek over etiquette geleerd. Hier is dan ook geen sprake van werkelijke goede manieren, doch slechts van mode. Ik meen te mogen stellen dat wij aan goede manieren die slechts voortkomen uit een volgen van geldende usances en gebruiken zonder meer, niets hebben. Goede manieren kunnen nu eenmaal niet uit de gebruiken zonder meer voortkomen, evenals goede smaak niet door scholing alleen verworven kan worden. Hieraan heeft de mens bovendien geen enkele werkelijke behoefte. Wat de mens wel nodig heeft, is een soort innerlijk weten. Niet omtrent de voorschriften of meningen van anderen, doch een weten dat voor jezelf noodzakelijk of aanvaardbaar is bij je relatie tot de wereld, is belangrijk. Innerlijk mopperend opstaan voor een dame in de tram, omdat dit zo hoort – terwijl je feitelijk liever zou blijven zitten – is geen blijk van werkelijk goede manieren, maar een dwaasheid. Aan de andere kant geldt ook weer dat blijven zitten, omdat een ieder dit doet, terwijl men innerlijk voelt dat het beter is om op te staan en hoffelijk te zijn, nog als dwazer. Iets te kiezen, omdat de wereld je zegt dat het mooi is, is dwaas. Iets niet te kiezen, omdat de wereld zegt dat het lelijk is, is nog dwazer. De werkelijk goede smaak en de werkelijk goede manieren staan in verband met je hele wezen en bepalen vaak je hele leven. Maar dan is er geen sprake van een vernisje dat door de maatschappij op wordt gebracht. Deze dingen hebben slechts zeer weinig te maken met de waarderingen van de wereld waarin je leeft. Zij komen voort uit steeds weer een treffende weergave van de relatie die er bestaat tussen je innerlijk en de wereld waarin je moet leven.

Zo gezien betekent goede smaak in feite: Begrip hebben voor harmonie. Het betekent dat je jezelf nooit zult omringen met dingen – of wezens – die niet werkelijk bij je passen. Voorbeeld: Een keukenmeid die naar van Beethoven gaat luisteren, omdat dit nu eenmaal mooi en deftig heet, geeft daarmede geen blijk van goede smaak. Eerder van het tegendeel. Zij vormt bij het concert waarschijnlijk een storend element. Ook voor haarzelf is er eerder sprake van verwarring en verveling, dan van ontroering. Zij doet beter zich te houden bij de vormen van muziek die haar persoonlijk iets kunnen zeggen; bv. Speenhoff, Albert de Booy, of Max van Praag. Dit kan zij begrijpen, doorleven en verwerken. Dit is voor haar dan de ware muziek. Een zich daartoe bepalen, zolang zij geen schoonheid aanvoelt in andere muziek, is voor haar dan ook enkel maar een blijk van goede smaak. Deze gewone liedjes – misschien galmt zij ze wel met veel gevoel na – maken een deel uit van haar leven en denken. Zij hebben voor haar waarde. Elke poging andere muziek te beluisteren, te begrijpen en te waarderen, is een experiment. Noodzakelijk is het experiment wel voor een verdere ontwikkeling. Maar met smaak heeft het niets uitstaande. Goede smaak is: bepalen wat voor jou persoonlijk betekenis kan hebben, wat voor jou persoonlijk past volgens eigen gevoelen, bepalen wat voor jou persoonlijk waarde heeft. Dit alles onafhankelijk van de vraag, of het gekozene ook waarde heeft in de ogen van de wereld.

In de moderne tijd gaat de mens – helaas – maar al te veel uit van het standpunt dat men aan de algemeen geldende normen moet beantwoorden. Het ideaal wordt dan een wereld, waarin men de kunst met een grote K gratis verkrijgt bij aankoop van een rolletje beschuit, de kleine kunst bij de koffie. Al het verder voor de mens aan weten of beschaving noodzakelijke, moet dan worden opgediend via radio en televisie, onder het welwillend oog van de daarvoor bestemde regeringsinstanties. Maar op deze manier kan je een mens geen goede smaak geven, kan je de mens niet tot een hoger begrip of beter leven opvoeden. Voor alles is het noodzakelijk dat de mens begrip verwerft voor deze dingen. Eerst door een groeiend bewustzijn omtrent zijn eigen wezen en mogelijkheden kan hij op den duur komen tot een handelen volgens en aanvaarden van hetgeen slechts bij hem persoonlijk past.

Een bereiken hiervan wordt aangetoond door het scheppen van een sterk op de persoonlijkheid afgestemd milieu. Dit uit zich niet alleen in een keuze van vrienden, de wijze, waarop men zich amuseert, de kunst die men apprecieert, maar ook wel degelijk in de sfeer die men in eigen woning rond zich schept, de voorwerpen en meubels, die de mens voor zich kiest e.d. Als u een werkelijk goede smaak hebt, dan hebben al deze dingen voor u een bijzondere waarde. Niet omdat de wereld zegt dat zij zo goed zijn, maar omdat u te midden van al deze waarden een innerlijke harmonie ervaart met grotere krachten en Goddelijke vrede.

Voorbeeld: Wanneer u een goede kamer bezit, is het zeer wel mogelijk dat u tijdens een verblijf daarin onder voortdurende druk gebukt gaat. Wie kent niet de huisvrouwen die – ook wanneer er gasten zijn – met een stoffer en blik klaar staan om het eerste kruimeltje of vlekje as, dat de vloer zou ontheiligen, onmiddellijk op te vegen. Voor hen is dit deel van het huis geen deel van eigen omgeving, maar een tempel waarover zij moeten waken. Een dergelijke houding wijst op onbewustzijn. Er is geen sprake van werkelijk schoonheidservaren, of van een persoonlijkheidsopenbaring hierin, doch slechts van prestigeoverwegingen. Dat is kolder. Hier mag men niet spreken over goede smaak en manieren. Hier wordt de nadruk zo zeer op stoffelijke en aan de persoon in feite vreemde waarden gelegd, dat geen mogelijkheid tot ware ontspanning, grotere harmonie, of een actiever geestelijk leven wordt gelaten.

Goede smaak betekent harmonie scheppen. Het is wel zeer wel mogelijk, dat een ander het niet met u eens is. Het vertrek waarin u zich geheel thuis gevoelt, wordt door een ander misschien veroordeeld met een “Wat staat het hier vol met prullaria. Waarom heb je zoveel kitsch aan de muur hangen? Hoe kom je er toe dergelijke afschuwelijke imitatie antiekmeubelen te kopen?” Dit pleit niet tegen uw smaak, doch hoogstens tegen de manieren van de ander. Trekt u zich er niet te veel van aan. De hoofdzaak is immers dat u in dit vertrek in staat bent vrede en rust te vinden. Belangrijk is het immers alleen, dat u steeds weer met een zekere vreugde in dat vertrek rond kunt zien?

Een ieder heeft recht op eigen smaak. Wanneer men u veroordeelt, omdat u graag boogiewoogie-platen draait, trekt u zich daar dan niets van aan. Het gaat immers niet om namen of systemen, doch om het erkennen van een inhoud. Wat de ander vindt in de werken van Chopin, van Beethoven, of Bach, vindt u misschien juist in de wat lichtere muze van deze dagen. In feite maakt het heel weinig uit, of men een innerlijke beroering ervaart bij luisteren naar het spel van een Dizzy Gillespie, of een opgaan in het spel van een Yehudi Menuhin, ook al meent de wereld vaak, dat juist dit met goede smaak in verband staat.

In feite hebben al deze dingen hun oorsprong in een zoeken naar innerlijk evenwicht. Wanneer je op de wereld leeft, is het noodzakelijk in die wereld voor jezelf een rustpunt te vinden. Rond je is alles in beweging. Overal is strijd, verandering, rumoer. Overal moet je jezelf verdedigen en beheersen. Wanneer je nu dingen vindt die met je wezen harmonisch zijn – in eigen milieu of elders – zal de strijd die je voert voor een ogenblik kunnen verslappen. Daarbij ontstaat dan de ontspanning, het herwinnen van kracht. Dit is noodzakelijk om een mens in staat te stellen waarlijk te leven. Al wat dit bevordert, mogen wij goede smaak noemen. Het is de smaak die voor jou goed is, die je helpt iets te bereiken. Door je hieraan te houden, kun je bereiken dat je in het leven steeds vrij blijft staan t.o. de wereld.

Verder bereik je ook, dat, waar je met die wereld verbonden bent, de schoonheid in je leven een rol speelt; schoonheid die de geest kan verheffen. Schoonheid die de mens in staat stelt soms te dromen van lichtere en schonere werelden. In een enkel geval doet dit de mens zelfs opgaan tot sferen van Licht en vreugde, waarbinnen hij de onmiddellijke communicatie met God in zich kan ervaren. Misschien lijkt u dit een de zaak op de top drijven. Maar laat u mij dan enkele voorbeelden geven om u duidelijker te doen zien, wat ik hiermede bedoel.

Een heilige uit de Roomse hiërarchie bekende eens dat hij zijn taak had verzuimd, omdat hij geboeid was door het aanschouwen van een roos, waarop een paar dauwdruppels lagen. Hij was zo gevangen in deze schoonheid, dat hij – volgens zijn eigen verklaring – God Zelf hierin ervoer.

Ook dit lijkt overdreven. Maar wij weten dat dergelijke meditatie- en contemplatietechnieken gebruikt worden door yogi’s en heiligen van Indië, terwijl soortgelijke methoden ook worden onderwezen door bepaalde geheimscholen.

De schoonheid die door de mens op deze wijze ervaren en gevonden wordt, betekent in feite een harmonie die tussen het ik en de kosmisch scheppende kracht ontstaat. Deze harmonie is niet van het voorwerp afhankelijk, maar van de instelling van de beschouwer. Nu zou u misschien een zelfde begeestering kunnen ervaren in het beschouwen van een roos. Maar rozen zijn niet de “bon ton”. Je moet een orchidee hebben. Die orchidee zegt u weinig of niets. Maar zij is kostbaar. Zij geeft de bevrediging van een prestige; maar dat is dan ook alles. Zij brengt u alleen in een relatie tot uw omgeving die u voor een kort ogenblik bevredigt.

Nu zult u misschien kunnen begrijpen waarom ik over goede smaak alleen maar kan spreken in de zin van persoonlijk ervaren, schoonheidsgevoel in de persoonlijkheid, dat zo sterk mogelijk wordt uitgedrukt. Wij mogen niet vergeten, dat, waar de één in een extatisch “Alle Menschen werden Brüder” God voor een ogenblik nader voelt komen, een ander hetzelfde kan ervaren bij het horen van het voor u misschien wat la-di-da-achtige: “En mijn Karel is agent”. Belangrijk is, dat beiden op hun eigen wijze de vreugde der Goddelijke uiting ondergaan. Dit is het belangrijke voor mij. Wie zal dan zeggen dat een bepaalde smaak slecht is, indien zij uit het ik voortkomt?

Bij de goede manieren treffen wij precies dezelfde verhoudingen aan. Goede manieren gebruiken wij – wanneer wij tenminste verstandig zijn – als een instrument om harmonie te scheppen in ons leven. Wij zullen ons dan niet aan de conventies storen. De wereld ketent je immers ook zonder dit al meer dan genoeg? Het heeft geen zin je voortdurend te laten verblinden door de usances, door “wat nu eenmaal zo hoort”. Wanneer je je hierdoor toch laat verblinden, wordt je leven een steeds meer zoeken naar een hoge positie, een zoeken naar kennis met mensen van steeds hoger aanzien. De ongelukkigen die aan deze kwaal lijden, zien als enig levensdoel het contact met vorsten, met mensen die blauw bloed in de aderen hebben.

Hun hemel is een verzameling van baronnenkroontjes en grafelijke wapens. Hun eredienst bestaat uit vormelijkheid en een steeds weer buigen als een knipmes. Maar dat schenkt hen niets. Zij leven in voortdurende spanning; dienen zich voortdurend te beheersen en als loon van dit alles vinden zij een leeg bestaan en leven.

Indien je niet zo hoog kunt grijpen en toch aan deze ziekte lijdt, zul je het zoeken in de vele handboeken die u vertellen hoe u te gedragen, hoe te doen. Hoe de gasten te plaatsen bij diner en visite. Hoe zich te gedragen in bijzijn van een jonge vrouw, een oude heer, een jonge man. Hoe kan ik op de juiste wijze een dame of heer, laten merken dat zij of hij, mij interesseert?

Duizenden vragen die in feite het summum van onbelangrijkheid vormen. “Moet ik handschoenen aantrekken, wanneer ik naar een verlovingsfeest ga, of niet?” Wanneer je van je eigen waarde voldoende overtuigd bent, zul je het ook zonder dergelijke dingen kunnen stellen. Want op de keper beschouwd, heb je er maar weinig aan.

U meent, dat wellevendheid van groot belang is? Zeker, wanneer zij van binnenuit komt tenminste. Het woord zegt het reeds: “Wel leven”. De manieren hebben weinig zin zonder de achtergrond van de persoonlijkheid. Wat hebt u aan de beleefdheid van een mens, die – giftig als een cobra – u beleefd vraagt, of u het hem niet kwalijk wilt nemen, voor hij u te gronde richt?

Deze wellevendheid is zinneloos. Werkelijk goede manieren echter komen van binnen uit. Zij hebben niets te maken met opvoeding, rang, of stand. Er zijn boerenknechts, achterbuurt mensen, die niets weten omtrent maintien en toch een aangeboren ridderlijkheid bezitten. Zij zijn vaak hoffelijker, edeler en haast altijd ook oprechter dan de mensen die alleen maar uiterlijk goede manieren tonen. Deze mensen zijn hoffelijk en ridderlijk, omdat dit een deel van hun leven is. U meent dat men toch wel de regels van het spel in acht moet nemen. Zou U het aangenaam en een blijk van goede manieren vinden, wanneer iemand bij u op bezoek zou komen die zich had vermomd? Toch noemt men een dergelijke vermomming vaak een blijk van goede manieren. Men komt dan op bezoek, omdat het hoort, u schudt de hand met een stralende glimlach. Van binnen ziet het er anders uit. Het hart is door zorgen en leed als verscheurd. Het “Lach dan clown” der wellevende gemeenschap. Praten, buigen, opstaan, zitten, glimlachen en geestig zijn, vóór laten gaan en diensten aanbieden en er niets van menen; in je hart al deze dingen vervloeken. Wilt u dat goede manieren noemen?

Laat ons het eens anders stellen. Iemand komt bij u op bezoek en doet zich voor als iemand van adel, van belang, ofschoon hij een bedelaar is. Vindt u dat niet onbehoorlijk? Is dat geen dwaasheid? Maar ja, dat bemerk je ofwel niet, dan wel eerst, wanneer het te laat is. Tante Sofie is dik, gezellig, gemoedelijk. U nodigt haar uit voor een diner. Tante Sofie is zo zeer ingeregen, dat zij er van bloost, terwijl zij voortdurend op de grens van een hartcollaps schijnt te verkeren.  Zij praat met een pseudo beschaafde piepstem over dingen die haar niet interesseren. Zij is zichzelf niet. Dan zeg je onwillekeurig! “Mijn lieve mens, wat heb je nu gedaan?” Je hoopt dat zij weer zichzelf zal willen en durven zijn. Dwaas, nietwaar? Toch noemen velen zoiets een blijk van goede manieren. Redelijk lijkt mij dit niet. Volgens mij komen de werkelijk goede manieren van binnen uit. Ook dezen vinden hun oorsprong in het binnen het Ik bestaande gevoel voor wereld en harmonie. Wanneer men t.o. een oudere mens hoffelijk is uit een besef, dat je zelf meer kunt hebben dan die ander, dat die ander recht heeft op je hulp en bescherming, omdat je de sterkere bent, dan is dit geen gewone beleefdheid. Eerder kunnen wij dit een uiting van naastenliefde noemen, of een uitdrukken van een in het Ik bestaand begrip van samenhorigheid.

Wanneer je op visite gaat in het besef dat een ander dit op prijs stelt, of omdat je het gezelschap van die ander prettig vindt, dan is dit normaal. Maar op visite gaan bij anderen, alleen omdat dit zo hoort, omdat men bv. zijn kaartje bij je heeft afgegeven, is dwaasheid. Het is een tijdverspilling voor u, zowel als voor de ander. Uit een dergelijk bezoek zal slechts zelden iets werkelijk belangrijks kunnen groeien. Bovenal zult u zich moeten realiseren dat u in een tijd leeft, waarin goede manieren en goede smaak, volgens de oude opvatting, geen betekenis meer hebben.

Om dit duidelijk te maken moet ik hier een probleem aansnijden, dat enigszins buiten het onderwerp ligt, maar m.i. toch moet worden genoemd, om de ware verhoudingen duidelijk te maken.

Hebt u wel eens op de moderne jeugd gelet? Heel vaak toont deze geheel geen “goede manieren”. Onder elkaar vragen zij niet hoffelijk: “Hoe gaat het u, juffrouw?”, maar zwaaien slordig met hun hand en brullen “Hi, babe” waarop de dames al even ongemanierd iets terug kirren? “Hello, sweetie pie…”. Dat zijn toch geen manieren, zegt dan de goegemeente. Wat is dat toch erg. En dan moet je eens zien hoe zij erbij lopen. De jonge heren met luizenladdertjes, waar zij bijna over struikelen en de dames in broekjes die zij waarschijnlijk met een schoenlepel aan moeten trekken. Wat is de moderne maatschappij toch verdorven! Waar blijven toch onze goede smaak en goede manieren? Toch heeft die jeugd wel degelijk goede manieren, maar zij uit deze op haar eigen manier. Zeker, er zijn nozemrelletjes en zo. De jeugd van heden knijpt klaarblijkelijk de kat niet meer zo alleen in het donker als de ouderen het vroeger deden. Dat is een tijdsverschijnsel. Maar het betreft maar een klein deel van de jeugd. Daarnaast zien wij jongelui – ook met paardenstaarten, met duck-coupe haren enz., met een kolderachtig taaltje en een schijn van ongevoeligheid – die soms meer voor elkaar overhebben, elkaar een grotere trouw schenken en elkaar meer werkelijke hoffelijkheid betonen, dan menig zeer beleefd ouder mens de zijnen schenkt. Dat ziet men over het hoofd. Dat vergeet men.

Goede manieren komen voort uit de verhouding tussen de mensen. Er zijn geen altijd geldende regels, die precies bepalen wat je in een bepaald geval moet doen, of zeggen. De tijd en de opvattingen kunnen veranderen. Vroeger heette het een blijk van goede manieren, wanneer je de andere kant uitkeek, wanneer er iemand met een verwonding, of een zonderling uiterlijk, voorbij kwam. Tegenwoordig stappen de jongelui er rustig op af, bekijken de zaak en becommentariëren misschien bovendien nog. Gut, wat heb jij een raar, gezicht! Ongemanierd?

Daar mag u uw eigen mening over hebben. Maar zou na die eerste schok het voor beide partijen niet veel gemakkelijker zijn de fout te vergeten, te doen, of de afwijking niet bestaat? Wat zou, dunkt u, beter zijn? Het is een tijd van vernieuwing. De vernieuwing, de omwenteling van deze jaren brengt met zich, dat alle gangbare opvattingen omtrent goede smaak en goede manieren overhoop zullen worden gegooid. De ritmische en elektronische muziek, waar u van rilt, brengt de jeugd tot vervoering en de manieren die u zo verschrikkelijk vindt, zijn voor hen de enig juiste, ja, misschien zelfs de enig mogelijke wijze van uitdrukking. Juist op deze wijze gevoelen zij, dat zij de wereld aan kunnen.

Onverschillig echter welke maatstaf men hanteert, de zaak moet steeds van binnenuit komen. Daar alleen gaat het om. Wanneer wij van binnenuit beleven, mag de uiterlijke vorm misschien in de ogen van anderen ietwat eigenaardig zijn. Dit is niet zeer belangrijk. Wij tonen ons wezen en denken. Dat is wel belangrijk. De manieren van de jeugd mogen soms wat vreemd zijn. Maar zolang zij van binnen uit komen en niet alleen een modekwestie worden, zijn zij tevens een aanduiding van de omwenteling die zich in de mensheid aan het afspelen is. De geest van een nieuwe tijd openbaart zich, terwijl gelijktijdig de bestaande gebruiken en opvattingen afbrokkelen en uiteindelijk slechts als ruïnes zullen herinneren aan de gedachtegangen van een overleefde wereld. Ofschoon nu nog niet direct kenbaar, kan ik u toch al zeggen, dat deze veranderingen in smaak en manieren tevens reeds een aankondiging zijn van de inhoud die Aquarius biedt, de tekenen van een vernieuwing en een nieuwe tijd. Het is vooral dit laatste dat mij bewoog over dit onderwerp te spreken. In deze zin alleen is er over goede smaak en goede manieren veel te zeggen.

Terwille van een drietal vragen die ik opving, nog een korte noot: De z.g. duck-coupe, of duckbill-coupe is een mannenkapsel, waarbij de haren langs de zijkant sterk naar achteren worden geborsteld. Hierdoor ontstaat zoiets als het begin van een staartje, dat doet denken aan het staartje van een eend. Vandaar ook de naam duckbill. Overigens is het al weer ouderwets. Wij kunnen dat ook niet helemaal bijhouden, want die modes wisselen nog al vlug.

  • De uitdrukkingen enz. van de jongelui hoeven toch niet altijd van binnen uit te komen. Er is m.i. evenveel mode bij als bij de oudere methoden.

Soms wel. Maar zeker is het dat, wanneer de jeugd tot dergelijke extreme veranderingen van gebruiken enz. overgaat, dit een uiting is van verzet tegen een wereld, waarin voor die jeugd weinig, of geen toekomst meer zit. Ik wil graag toegeven dat de manieren wat overdreven zijn en dat veel in dat gedrag gemaakt aandoet. Maar dat is bij de jeugd uiteindelijk weer normaal. Denk maar terug aan uw eerste bal. Waren uw manieren toen ook niet een beetje gemaakt en overdreven? Toch is er een verschil met die tijd aan te wijzen. De oprechtheid van de huidige uitingen zal groter zijn, omdat de vrijheid tot persoonlijke uiting in deze dagen nu eenmaal groter is dan toen. De kuddegeest blijft ook nu nog bestaan, evenals bij de ouderen. Alleen zijn de groepen wat kleiner geworden. Ook dit hoeft ons niet af te schrikken. Door het groot aantal groepen – kudden – is het waarschijnlijk dat de jeugd in haar uitingen dichter bij haar innerlijke waarheid komt, dan voor de oudere mens met zijn handboek der etiquette mogelijk was. Dit betekent echter ook, dat er een grens zal bestaan tussen een groot gedeelte van de jeugd en een groot gedeelte van de ouderen. Zij begrijpen elkaar niet meer, omdat de jeugd de ouderen te gekunsteld en te conservatief zal vinden, terwijl de ouderen de jeugd voorgooien, dat zij te overdreven, te onbeheerst en te extreem zijn. Beiden zullen zij zich meestal vergissen. Hen dit duidelijk te maken zou een zodanige omstelling van wereldconcept voor beide partijen vergen, dat wij hen dit niet kunnen toemeten.

  • Er is toch een zekere gelijkvormigheid bij de jeugd waar te nemen in kleding en uitlatingen. Zij kunnen hier niet onderuit en willen hier niet onderuit. Wanneer de één een blauw bloesje aan heeft, moet de ander het ook hebben. Met hun spijkerbroeken enz. doet uiteindelijk de één de ander na. Ik breng dit naar voren, omdat daardoor uw stelling: “Alles van het innerlijke uit” misschien wat in het gedrang komt.

Allereerst moet ik in antwoord hierop weer opmerken, dat er in de eerste plaats sprake is van een verzet. Een verzet tegen de wereld van de ouderen. Dit verzet hebben de jongeren haast allen gemeen. Waar u echter verder een te grote gelijkvormigheid meent te onderkennen, meen ik echter dat u zich vergist. U wijst op spijkerbroeken. U vergeet daarbij, dat dit voor de meeste jongeren in de eerste plaats een utiliteitsdracht is. Zij zitten gemakkelijk, zijn eenvoudig en sterk. Je hoeft er niet zo op te letten. Zij laten zich eenvoudig reinigen. Maar als wij dit nu terzijde laten, wat zien wij dan? In de mode voor de jonge heren – leren vesten, blousons, jasjes e.d. – zijn alleen hier in Nederland al tenminste 20 verschillende richtingen te vinden, die elk weer vele eigen varianten tonen. Bij de dames vallen de verschillen nog meer op. De meisjes weten wel degelijk een eigen karakter aan hun kleding te geven. Maar ja, daar kijkt u natuurlijk niet naar.

  • Dat is zo.

Ik bedoel de kleding, niet de meisjes. Ik hoop dat u het ook nu nog juist vindt.

  • Zeker wel.

Wat echter ook nu weer over het hoofd werd gezien, is dit. De jeugd is reeds exponent van een nieuwe tijd, van een geheel nieuwe ontwikkeling. Voor deze, nog niet helemaal bewust beleefde vernieuwing, zoekt de jeugd een uitdrukking. Zoals dit gebruikelijk is, begint dit zoeken met een revolte. Dat is altijd zo geweest en zal ook wel altijd zo blijven. Een revolte betekent in de eerste plaats het verwerpen van het oude, enkel waar dit mogelijk kan zijn. Het is een verzet tegen alle dingen die voor die tijd normaal en redelijk heetten.

Dit verschijnsel neemt u waar, terwijl vele andere dingen aan u voorbij gaan. Hieruit vloeit de eenvormigheid voort, die ook u dus bij de hedendaagse jeugd meent te zien. U ziet het verzet tegen uw normen, niet de persoonlijke uitingen binnen dit verzet, Wanneer wij hierover spreken, mogen wij ons niet wenden tot de nozems. Want juist bij dezen vinden wij in sterkere mate de uniformiteit, waarop u zinspeelde. Over het algemeen is namelijk de nozem een jonge mens die niet in staat is zijn verzet op eigen wijze te voeren. Hierdoor zoekt hij de gang, de bende, de kudde, die de plaats inneemt in zijn leven van de moedergeborgenheid, die vroeger binnen het gezin bestond. Hierdoor ontstaat een bendementaliteit, die zich bij voorkeur uit in een uniformiteit van kleding binnen de gang. Daarnaast ontstaan afwijkende vormen van taal en gebruiken. Dit zijn de excessen. Wanneer wij aannemen dat in Nederland per 100.000 jonge mensen tussen de 15 en 25 jaar, 700 tot 800 echte nozems voorkomen, dan is deze schatting rijkelijk juist. In een grote stad als Amsterdam bedraagt het aantal werkelijke nozems misschien 500. Maar daarmede is dan toch wel alles gezegd. In den Haag vinden wij er misschien 250 tot300, die “echt” zijn. De rest bestaat uit meelopers, namaak, en houdt zich niet aan de regels van opstand en verzet, die het nozemdom kenmerken.

De nozem is overigens de verschijningsvorm in het heden van een verschijnsel, dat cyclisch terugkeert in de geschiedenis. De ziel die geborgenheid zoekt bij gelijk denkenden in een verzet tegen een wereld die geen mogelijkheden schijnt te bieden. De jeugd als zodanig staat hier echter geheel buiten. Let op de kleding van jongere vrouwen. U zult gelijktijdig in gebruik kunnen zien: Lange rokken, korte rokken, wijduitstaande rokken, al dan niet met daaronder petticoats, plooirokken. Verder verschillende soorten slacks en pantalons in alle vormen van spijkerbroek tot een soort ballettricot toe. De bekleding der benen gaat van kousloos via nylons tot dikke katoenen kousen in de meest schrille kleuren en patronen. Want ook hier geldt zeker, dat een ieder tracht zijn verzet tegen de ouderen en hun wereld uit te drukken op een manier die juist voor het eigen ik past. In de nieuwe generatie zijn de begaafden er goed aan toe. Zij zijn de jongeren, die bittere gedichtjes maken, die kolderdingen fabriceren. Zij zijn het, die onbegrijpelijke schilderstukken vervaardigen, terwijl zij aan hun ietwat verfomfaaide ringbaarden pluizen. Zij hebben daarmee een weg gevonden, waardoor zij meer intellectueel hun verzet naar voren kunnen brengen. Maar in deze gemechaniseerde maatschappij zijn er velen, die deze mogelijkheden niet bezitten. Zij kunnen hun verzet alleen uitdrukken door hun gedrag, hun kleding, hun reactie op de wensen van de ouderen. Wat de taalvervalsing betreft, het slang, waarin de jeugd zich uit pleegt te drukken…, och kom… dat hebben wij in onze tijd allen evenzo gedaan. Hebt u de tijd gekend dat alle dingen “okie-dokie” waren? Dat alles “fenomenaal” of “George” heette, of alleen maar “mieters” was? Dat was toch eigenlijk precies hetzelfde? Alleen zijn de termen op het ogenblik dan wat internationaler. Aan de hand van dit alles concludeer ik dus nogmaals, dat de revolutie van de jeugd van binnen uit komt. Ik stel, dat zij voortkomt uit een innerlijke onzekerheid en een uiting is van een onbewust innerlijk zoeken. Verder stel ik, dat dit alles al de aankondiging is van een nieuwe tijd, waarin de jeugd van vandaag met al haar voor u zo belachelijke uitingen degene zal zijn die ook op aarde de kosmische vernieuwing uit zal dragen. Ook meen ik duidelijk te hebben gemaakt, dat het protest van de jeugd tegen de smaak en de manieren van gisteren in feite een protest is tegen de mentaliteit van gisteren. Het gevolg hiervan is het ontstaan van een nieuwe en hardere mentaliteit, die veel zal vernietigen, om uiteindelijk te leiden tot een wereld, waarin de mens weer gelukkig kan zijn, weer iets voor zich zal kunnen en durven opbouwen. Wat nu verhuld wordt door het razen van een gemechaniseerde wereld, zal dan weer kenbaar zijn. Hierdoor zal de mens weerom meester kunnen zijn van al wat hij geschapen heeft. Op het ogenblik dreigen echter eigen scheppingen de mens te beheersen.

  • Is dit alles bewust, of niet?

Indien de jeugd zich nu reeds van al deze processen bewust zou zijn, zouden wij ongetwijfeld veel sneller de vernieuwing voltooid zien. Daartegenover staat, dat dit voor de ouderen onder u wel heel erg onplezierig zou zijn, want dan zou de jeugd bewust haar krachten doen gelden, i.p.v. van een uitleven van energie in een relletje en een aardigheidje. Haar obstructie zou veel vernietigen, wat de oudere mens van heden nog beschouwt als noodzakelijke orde en regel. Het gevolg zou een kennelijke chaos zijn, i.p.v. van een algemene overgang van oud naar nieuw, waarbij de jeugd in haar onbewustzijn ten dele de oude waarden nog aanvaardt, ten dele ook reeds nu een vernieuwing weet te brengen: Dus onbewust. Veelal weet men wel dat men rebelleert, maar beseft nog niet goed, waartegen.

  • Zal de jeugd niet toch door de maatschappij worden ingevangen en dezelfde fouten begaan die ook wij begaan hebben?

Op den duur niet. Dit kondigt zich duidelijk aan in de behoefte die de jongeren tonen, niet slechts het verkeerde van de oude tijd over boord te gooien, maar ook het goede, zoals zeden, moraal, gebruiken, politiek. Indien u wilt spreken over de kracht van de hedendaagse jeugd, dan moet ik u toegeven dat deze kracht op het ogenblik nog hoofdzakelijk negatief gericht is. Dit negativisme betekent echter ook het uitblussen van een dwang die nog bestond. Wij zien hiervan vele voorbeelden. Politieke belangstelling is er bv. bij de jeugd weinig. In de kerken verzint men op het ogenblik de raarste dingen om de jeugd nog binnen te krijgen.

Wij horen van kerkdiensten waarbij een speciaal hot-trompet-solo van het podium klinkt, van een pastoor die chansons zingt en een dominee die na de dienst hoogst persoonlijk een paar nummertjes rock ’n roll brengt. Dit zijn de excessen. Maar zelfs zo: het is een aanduiding van de moeite die men zich moet getroosten om de jeugd nog te “pakken”.

Wij zien ook dat de vroegere politieke jeugdbonden trachten door verandering van vorm en beginsel, althans uiterlijk, iets anders te brengen dan politieke strijd. Men neemt er nu reeds gaarne genoegen mee, als door het milieu de politiek later als een soort levenshouding er bij komt. Vergeleken bij de organisatievormen van 30 jaar geleden betekent ook dit een totale ommekeer. Indien u eens gaat zoeken wat de jeugd van heden nu werkelijk interesseert, dan zal u iets vreemds opvallen. Wist u, dat vele jonge mensen op het ogenblik onderricht volgen in de meest vreemde vakken, die meestal geheel – of grotendeels – buiten hun feitelijke opleiding liggen? Meestal geschiedt dit door het volgen van schriftelijke cursussen. Wat zou u bijvoorbeeld zeggen van een gymnasiast die er een middenstandsdiploma bij haalt? Raar? Hoe denkt u over die jonge postbode die in zijn vrije tijd bezig is Sanskriet te leren? Ook dit zijn misschien excessen, maar weerom vinden wij hier een zoeken aangeduid. De jeugd zoekt naar iets anders dan voor het normale. Zij kan dit op dit ogenblik praktisch alleen doen door de raad van de ouderen te negeren. Voorbeeld: Wanneer u, oudere, op het ogenblik tegen een jongere zou zeggen: “Ja, daar moet je niet gaan zwemmen, want dan zou je kunnen verdrinken”, dan gaat de jongere juist daar zwemmen. En verdrinkt misschien ook inderdaad. Dat risico neemt hij graag, alleen maar omdat u erop hebt gewezen dat het gevaarlijk is, omdat u – zij het nog bescheiden – hebt gepoogd dit te verbieden. Door deze mentaliteit wordt op den duur steeds meer van de gewoonten en gebruiken van de ouderen genormaliseerd.

Het is tegenwoordig helemaal niet gebruikelijk meer, dat een heer in de tram voor een dame opstaat. Het is helemaal niet gebruikelijk meer aan ouderen een recht op eerbied vanwege de jongeren toe te kennen. Vergeten is de tijd, dat men, indien men goed gekleed was, door een haag van gepeupel kon gaan, zonder iets meer te horen dan een nederig “goedenavond meneer”. Eerder geldt tegenwoordig het tegendeel. Want ook het oude standenbesef en standenverschil wordt langzaam genivelleerd. Evenzeer tot uitsterven gedoemd is het à priori verschil maken tussen de seksen in recht en plicht. Hiervoor in de plaats komt een eigen denken en ervaren, gebaseerd op het voor elkaar zorgen.

Dit kwam in den Haag tot uiting in een H.T.M. bus, waar een aantal jongens het publiek terroriseerden met hun opmerkingen en hun hossen. Toen echter een zwanger vrouwtje in de bus kwam, maakten zij plotseling plaats voor haar, zorgden ervoor dat zij goed kwam te zitten, waarna zij rustig verder gingen met hun lawaai. Hier ziet u een der vreemdste aspecten van het verzet van de jeugd geïllustreerd. Het verzet is er, men werpt de burgerlijke beleefdheid ver van zich af. Maar innerlijk blijft een zekere ridderlijkheid gehandhaafd. Hier is geen sprake meer van een zich gedragen volgens de regels van een boek. Wel is er hier sprake van een aanvaarden van verantwoordelijkheid, ook voor anderen, die de ouderen maar al te vaak trachten te ontzeggen. Ontzeggen overigens, omdat de jeugd nog zeer negatief blijft in haar uitingen, maar dat zal met de tijd veranderen, dat is wel zeker.

  • Dit is dan voor de jongeren dus een weg van bewustwording, die juist voor hen bereikbaar is.

Dat ben ik geheel met u eens. Zij hebben daarbij een groot voordeel: Aan hetgeen de ouderen de laatste decennia hebben gedaan, kunnen zij wel zien wat je op de wereld zeker niet moet doen. M.i. betekent dit voor hen een grote voorsprong, ook al zullen zij voor zich nieuwe wegen moeten zoeken.

  • Zal dat nog lang duren?

Dergelijke veranderingen zullen altijd enige generaties vragen. Daaraan ontkomt men niet.

  • Zij zullen toch nog altijd moeten bewijzen dat zij het beter kunnen. Slechter kan nauwelijks.

Waarmee verder commentaar wel overbodig wordt. Zij zullen het moeten bewijzen, inderdaad. Maar wanneer je er zeker van bent dat veel op de wereld door een bepaalde mentaliteit wordt verknoeid, dan ben je al heel erg blij, wanneer er een andere mentaliteit zich aankondigt die dan misschien het niet zó erg zal maken. Dit is natuurlijk voornamelijk ons standpunt. Wij weten immers dat er op het ogenblik veel op de wereld aan het veranderen is.

Zonder nu op de komende gebeurtenissen vooruit te lopen, durf ik toch u wel te verzekeren, dat u zelfs in dit komende jaar nog heel wat mee zult moeten maken. U zult ervaren dat er in de politieke constellaties grote veranderingen plaats vinden. U zult moeten bemerken dat bij velen van een werkelijk eergevoel klaarblijkelijk geen sprake meer is, doch alleen nog van een kras egoïsme. Aan de andere kant zult u ervaren dat er een ridderlijkheid bestaat die ver boven alle diplomatie uitgaat, juist omdat zij eerlijk blijft. Misschien zult u zich dan realiseren dat degenen die het goede tot stand brengen, niet degenen zijn die precies weten wat hoort, wat goed en wat mooi is. Zij zullen zich niet meer bezig houden met traditie, maar met noodzaken.

Opmerkelijk is, dat degenen die het meeste van zich doen spreken, zullen behoren tot de typen die zich in een idee vastbijten en dan doorzetten ten koste van alles, met daarbij een als redelijk aanvaarden van alle daaruit voortvloeiende consequenties. Daaruit zult u kunnen begrijpen, wat deze revolutie is en waarom het eigenlijk gaat. Want dit komende jaar is illustratief daarvoor.

Dat kunt u van mij aannemen. Daarin zal zeker ook het antwoord liggen op uw opmerking van zo-even. Zij moeten altijd nog laten zien, dat zij het beter kunnen. Naar mijn weten is er de laatste 200 jaren geen enkele periode geweest, die zo duidelijk de verschillen tussen het nieuwe en het oude tot uiting bracht als de thans lopende, die gaat van 1958 tot I964. Aan het gebeuren van het komende jaar zult u dus zelf kunnen toetsen, of ik hier terecht heb gesproken, of niet.

  • U sprak over schoonheid. Kunt u hierover iets meer zeggen?

Schoonheid is een relatieve waarde. In feite is zij niets anders dan het ervaren van een innerlijke harmonie met het gehoorde, het geziene, het betaste. Hierdoor kan men de waarde, het leven hiervan, in zichzelf herscheppen. Een grondwaarde van schoonheid is altijd de daardoor ontstane innerlijke behoefte, het schone in zich te herscheppen. Dit geldt altijd, onverschillig of het gaat over schoonheid in de natuur, dan wel over de schoonheid van bv. een kunstwerk. De schoonheid zelf is een eigenschapsbepaling die nooit alleen aan het onderwerp gebonden kan zijn, maar altijd tevens in relatie staat met de beschouwer ervan, degene die de schoonheid dus ondergaat.

  • Men zegt wel dat schoonheid de Schepper is, die zich in de dingen aan de mens openbaart.

Dat trachtte ik ook duidelijk te maken. Wij kunnen zeggen dat schoonheid ligt in alles wat ons in grotere harmonie brengt met het onbekende. Ook alles wat ons brengt tot grotere innerlijke vrede, is schoon en is goed. Wij kunnen dat dus ook wel goede manieren en goede smaak noemen. Maar dat is het goede, dat is de schoonheid die zich in het leven aan ons openbaart. Hier moeten wij, indien wij persoonlijk spreken, altijd onmiddellijk op laten volgen: Het goede voor ons tenminste. Wij weten niet, of – en zo ja hoe – hetgeen voor ons goed is, ook voor anderen gelijke betekenis heeft.

  • Bij het luisteren naar uw rede moest ik denken aan het begrip “onthechting”. Moeten wij ons niet onthechten van al het oude? Ik meen dat dit in uw betoog doorklinkt.

In zekere zin ja. Werkelijke onthechting is toch iets anders. Dat betekent meester zijn over begeerten en over angsten. Hierdoor bestaat er niets buiten de relatie tussen het ego en het Goddelijk ego, wat bestemmen kan hoe en waar men zal gaan. Maar wat zich op het ogenblik afspeelt, is eerder een verwerpen. M.i. is het geen feitelijke onthechting. Je zou het eerder zo kunnen zeggen: De angsten van de ouden zijn de nachtmerrie van de jeugd geworden.

De begeerten en vreugden van de oude tijd zijn voor de jeugd leeg en schaal geworden. Er is in geen geval sprake van een zich bewust onthechten van het oude. Vele jongeren zouden maar al te gaarne naar de vroegere vrede en vreugden toegroeien, wanneer dit onder deze omstandigheden nog mogelijk was. Maar de invloeden, die de wereld op het ogenblik regeren, laten een dergelijke terugkeer niet meer toe. Er is dus slechts sprake van een reageren op de omstandigheden, waardoor een verwerpen van veel, wat vroeger aanvaard werd, is ontstaan. Vanuit het standpunt van de ouderen kan men misschien spreken over een noodzaak tot onthechting. Dan mag men niet vergeten, dat deze noodzaak slechts in zeer zeldzame gevallen tot onthechting – dus een beheersing tevens – uit zal groeien.

  • Wij hebben allen recht op onze eigen smaak. Maar wat nu, wanneer ik op een middag naar van Beethoven wil luisteren en mijn buurman begint erg luidruchtig een plaat met Indianengekrijs af te draaien?

Och, beide melodieën tezamen vormen dan de bekende kakofonie der wereld. U weet, dat daarin niet alleen het verschil der smaken, maar vooral het egoïsme van de mens altijd weer bijzonder sterk tot uiting komt. U hebt recht op uw eigen smaak. Maar zonder een egoïstische levensopvatting houdt dit tevens in, dat u bij het volgen daarvan maatregelen zult nemen, om een ander zo weinig mogelijk te hinderen. Ook de buurman heeft recht op zijn eigen smaak. Wanneer een mens innerlijke beschaving heeft – en dat is een natuurlijke eigenschap, ook al wordt zij vaak onderdrukt – weet men, dat sommige dingen een ander heilig zijn en dat men hem dus daarin zeker niet mag kwetsen. Zelfs velen onder de opgewonden standjes van 18, 19 jaar weten dat nog. Dus zouden de ouderen dat eigenlijk ook moeten weten. Wanneer dus uw buurman weer eens zo hard een Indianenplaat draait, moet u er maar aan denken dat hij behoort tot de verloren generaties, tot de mensen die twee wereldoorlogen en een grote crisis geboren hebben zien worden. De generaties die zichzelf verloren hebben door hun onvermogen nog recht en rechtvaardigheid te vinden in de wereld. Dit maakt hen vaak zo egoïstisch, dat zij over de belangen van anderen niet verder nadenken. Wanneer u er zo over denkt, dan zult u zich twee dingen afvragen: Heb ik per ongeluk van Beethoven zo hard aangezet dat die ander zich daardoor in zijn rechten aangetast ziet, of zich gekrenkt voelt, zoals ik nu door zijn Indianengehuil. Wanneer dit niet het geval is, vraag u dan af, of u het recht hebt die ander zijn vreugde in een beetje ritme te misgunnen. Dan bedenkt u misschien wel, dat het verstandiger is een straatje om te lopen.

Overigens, muziek als die van Beethoven kan in u leven. En als dat zo is, dan kan men die er met geen jazzmuziek en geen kakofonie uit krijgen. Dan is er immers sprake van de melodie der oneindigheid die in u leeft, de melodie die u uitdrukt in de muzikale fraseringen die u misschien van van Beethoven onthouden hebt. Op het ogenblik echter dat wij menen dat onze schoonheid de enig ware is, gaan wij eisen dat de wereld deze zal respecteren, zonder dat wij daar een respect voor de mening, of smaak van anderen tegenover moeten zetten. Wanneer wij echter de schoonheid die voor anderen, maar niet voor ons bestaat, respecteren, dan zullen wij onze eigen schoonheid misschien niet zo uitbundig en overdadig meer beleven. Maar in onszelf zullen wij deze schoonheid zoveel te sterker gevoelen.

Wat in ons leeft, is onaantastbaar. Zolang de schoonheid van een werk van van Beethoven van buitenaf tot je moet komen, ben je nog niet ver in begrip ervoor. Maar zodra zij uit de partituur tot je spreekt en een perfectie in je bouwt, die geen orkest kan evenaren, ben je in staat om iets van de muziek der oneindigheid te begrijpen, die soms ook in de muziek van van Beethoven tot uiting komt.

Nu is mijn raad misschien niet erg prettig voor u en gaat u liever niet een straatje om. Geloof mij, in dergelijk gevallen is zij de meest juiste, want wanneer je het kwaad tracht te bestrijden door van Beethoven steeds harder te zetten, is het gevaar groot, dat na enige tijd twee mensen, belast met een verbaal wegens burengerucht, treurend zitten te kijken naar door overbelasting bezweken radio’s en grammofoons. Zoek liever in uzelf naar de schoonheid die iedere mens nodig heeft om te leven. Dan kom je verder.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterische beschouwing

In het eerste gedeelte hebt u de mogelijkheid gehad uw eigen onderwerp te stellen. Het is voor ons prettig dat wij nu toch nog een eigen onderwerpje naar voren mogen brengen. Dat wij het daarbij haast onwillekeurig in de richting van de esoterie gaan zoeken, zult u wel kunnen begrijpen. Op dit gebied zijn er altijd vele problemen, waarover je verder na wilt denken. Door een toeval zijn wij gisteren met een dergelijk probleem in aanraking gekomen. Het komt wel eens voor dat wij onze inspiratie vinden bij u, bij de mensheid. Soms zijn de vragen die dan rijzen, ons wat vreemd. Maar je denkt er over na en zoekt naar een oplossing. Gisteren hadden Wij hier in den Haag een bijeenkomst. Bij het Schone Woord werd ons als onderwerp gegeven: Het dagelijks brood. Wanneer je die woorden hoort, ontplooit zich haast onwillekeurig een panorama voor je van werken, van bidden en denken. Je denkt aan het Onze Vader. Dan rijst de vraag: Hoe is dat eigenlijk mogelijk? Een God, die je Vader is en toch je laat bidden en smeken om je dagelijks brood. God heeft toch alle dingen geschapen? Ook ons. Er is niets, wat buiten Hem zijn kan. Alle dingen zijn uit Hem voortgekomen. God heeft ons en alle dingen gemaakt. Daar staan wij nu in onze wereld, of sfeer. Men verwacht van ons, dat wij zullen bidden en smeken om iets te krijgen. Is onze God dan een onredelijke, een wrede God?

Vreemd eigenlijk, wanneer God je schept, is Hij toch immers ook verantwoordelijk voor je bestaan? Ja, zeggen sommige mensen dan, maar je bent zondig en schuldig. Hoe kan ik echter  of schuldig zijn, waar ik immers geen enkele vrijheid bezit buiten de vrijheid die God mij geeft?

Dan is God ook in feite de verantwoordelijke persoon. Als je zo nadenkt, tracht je voor jezelf een oplossing van dit dilemma te vinden. Wij willen niet graag afstand doen van het Vaderimago, dat wij God heten. Wij willen geen afstand doen van het beeld van de alles beheersende Liefdevolle Vader, die met ons is in alle dingen en ons alles geeft. Indien God ons alles geeft, hoeven wij er feitelijk niet om te vragen. Dan is een gebed als: “Geef ons heden ons dagelijks brood”, niet veel minder dan een verklaring van wantrouwen. Hoe moeten wij dit begrijpen? Hoe moeten wij dit voor ons zelf verantwoorden?

Dan zie je de schimmen der Oudheid voorbij trekken. Oermensen met hun geloof aan de invloed van een steen, aan de bezieldheid van het water en de vreemde geesten die in de bomen leven.

Ik zie de mensen in een berookte grot tijdens hun magische plechtigheden, waarmee zij jachtbuit trachten aan te lokken door gebruik te maken van magische parallellen, door een schijnjacht op te voeren om zo de werkelijke jacht beter te doen slagen. Ik zie de latere mens met zijn stamgod, met zijn Bel, zijn Baäl, zijn Heer, de mens, die een God heeft voor zijn volk, voor Hem alleen. Een God, Die hem verdedigt tegen andere volkeren en Goden. Wanneer je dit alles beschouwt, vraag je je onwillekeurig af, of het geloof der mensen in feite niet de hiërarchie der geesten aan het volgen is. In dat geval is het duidelijk, dat men aan lagere geesten vaak werkingen en mogelijkheden toeschrijft die – naar men later ontdekt – in feite uitgaan van een andere, hogere geest.

Dit zou ons tot een aanvaardbare stelling omtrent het gebod en de noodzaak daartoe in de mens kunnen voeren. Maar ook dit kan niet helemaal juist zijn. Want het Onze Vader komt tot ons uit de mond van Jezus Christus, Die in geestelijk opzicht de Grootmeester, de grote Ingewijde is van de afgelopen periode. Ondanks deze verwarrende tegenspraken meen ik echter, dat ik een weg naar de waarheid heb gevonden. Ofschoon ik mij kan vergissen, meen ik, dat wij bij onszelf moeten beginnen. Eerst dan is een verklaring mogelijk. Mijzelf beschouwende ontdek ik, dat ik vele eigenschappen en mogelijkheden bezit, die ik niet gebruik en misschien zelfs niet kende. Evenals dit met de mensen het geval is.

Hoevelen zijn er onder u die hun geestelijke krachten werkelijk geheel en beheerst kunnen gebruiken? Hoevelen onder u verstaan de kunst te luisteren naar de stem die uit de stilte voortdurend tot ons allen spreekt? Vraag u zich eens af, hoeveel mensen bewust gebruik maken van hun voorgevoelens. Hoeveel mensen zullen in staat zijn een onderscheid te maken tussen het onderbewustzijn, de begoocheling, de werking van de geest en de directe Goddelijke openbaring? Laat ons het maar eerlijk toegeven: Wij zijn niet voldoende ontwikkeld. Daardoor ontstaan al die misvattingen. Daardoor gevoelen wij de behoefte tot bidden, enz.

God geeft ons alle dingen. Hij schenkt ons niets, wat kwaad of slecht is. Dat maken wij er zelf van. Om de dingen die God ons geeft, de dingen waarop wij recht hebben als deel van de Goddelijke werkelijkheid, hoeven wij niet te vragen. Gods eeuwige volmaaktheid is altijd in en met ons. Er is geen ogenblik, dat wij zonder dit kunnen bestaan. Ons bewustzijn kan dit niet verwerken, kan deze volmaaktheid niet aannemen. Wij zijn nog niet ver genoeg gevorderd, dat wij te midden van het verblindend witte Licht van onbekende sferen het aangezicht van de bron van alle leven erkennen. Wij zijn en blijven gebonden door onze beperkte voorstellingsmogelijkheid. Wij spreken onszelf steeds weer toe: Dit komen wij te kort en dat zouden wij toch ook moeten hebben. Dit mogen wij niet, maar dat moeten wij vooral doen. Dit is schuld, dat is zondig, dat is goed. Wij spreken uit onze beperking voortdurend tegen onszelf en overtuigen onszelf steeds weer van de waarheid die in onze misleidende gedachtegangen schuil gaat.

Daarom moeten wij bidden. Daarom spreken wij over ons dagelijks brood, waarmee wij ons leven bedoelen, ons werkelijk leven. Want wij hebben behoefte aan het brood van de geest, evenzeer als aan het brood van de stof. Het is ons een behoefte voor onszelf steeds weer te getuigen van het bestaan van een alomvattende Godheid, omdat wij alleen zo kunnen hopen eens te ontkomen aan onze eigen beperkingen, aan ons eigen onvolkomen begrip.

Gesteld echter, dat – zoals ik innig geloof – het door mij gestelde juist is. Dan moet er een weg zijn die ons sneller en dichter tot God brengt dan alle tot nu toe meest gebruikelijke wegen. Dan moet er voor ons een mogelijkheid bestaan om in onszelf God te ontmoeten en te leren kennen.

Deze ontmoeting kan geen lichtende flits zonder meer zijn. Dit is niet één enkel ogenblik van ontmoeting in misschien een heel mensenleven. Het zal eerder een continu innerlijk weten zijn, een onafgebroken herkennen van God en daardoor ook een onbeperkt deel hebben aan de Goddelijke wil, de Goddelijke wetten en de Goddelijke Schepping. Zelfs wanneer je dit niet geheel kunt bereiken, kun je toch reeds beginnen door jezelf steeds voor te houden: Alles is volmaakt in God en al het onvolmaakte, wat er bestaat in stof en geest, komt voor mij uit mijzelf voort.

Dit met overtuiging te verklaren zal ons vooral in het begin zeer moeilijk vallen. Want wij zijn wel goed. Maar de mensen begrijpen ons niet. Wij hebben het wel goed bedoeld. Maar de wereld rond ons heeft het verkeerd gedaan. Het is zeer moeilijk om overtuigd te verklaren: de onvolmaaktheid is deel van mijzelf. Zij is het gevolg van mijn onbegrip, mijn onderbewustzijn.

Maar als je dat kunt zeggen…. Dan kun je ook zeggen: Alles wat er buiten mij gebeurt, gaat mij niets aan. In mijzelf moet ik mijn beeld van de volmaaktheid voortdurend vasthouden. Ik moet mijn eigen weg vinden tot het Goddelijke.

Meent u niet dat wij dan sneller en dichter tot God zouden komen? Zouden wij juist door het uitschakelen van de onbelangrijke dingen buiten ons niet kunnen komen tot een juister en dieper begrip van het werkelijke? In God bestaat er geen dood en geen ziekte. In God bestaat er geen lijden en ook geen vreugde, zoals de mensen dit kennen, God is volmaakt en volledig evenwichtig. Als wij in onszelf voortdurend beseffen, dat al, wat rond ons gebeurt, direct deel is van God – evenals wijzelf – zodat wij als deel van God tevens reeds nu deel uitmaken van een volmaaktheid, zullen wij ongetwijfeld de rust weten te gewinnen, waardoor God beter tot ons kan spreken.

Een mens is – geestelijk gezien dan – als klei: Je kunt hem vormen, je kunt hem boetseren. Maar meestal wordt de mens geboetseerd en gevormd door het leven. Dat wil zeggen, dat al hetgeen hem geleerd wordt en wat hem overkomt, uitmaakt wat hij werkelijk is. Hij is meestal het product van zijn tijd en zijn milieu. Maar is dit noodzakelijk? Wanneer de mens dode klei zou zijn zonder meer, ja. Maar de mens is geen amorf stuk klei, een ogenblik aan het strand gespoeld uit de levenszee, gevormd door de wind om zo dadelijk weer op te lossen in het eeuwige water.

Indien de werkelijkheid zo zou zijn, heb ik recht mijn milieu te verwijten, dat ik ben, wat ik ben. Dit alles is te vermijden. Wij hoeven niet gevormd te worden door onze wereld, onze sfeer, ons bewustzijn. Want, mijne vrienden, kunnen wij onszelf niet vormen? Zijn wij het niet die uit onszelf – zonder de wereld zo nodig – de weg kunnen vinden tot de absolute bewustwording, tot de ervaren volmaaktheid en het contact met de Goddelijke werkelijkheid? Laat ons dit dan doen. Laat ons ons eigen lot bepalen en trachten meester te worden over de omstandigheden, door ons besef van God in ons.

Wij zijn hier vanavond tezamen. Sommigen zijn gekomen om het verschijnsel. Anderen kwamen om de sensatie, of misschien de geestelijke wijsheid. Weer anderen kwamen misschien in de hoop hun eigen wijsheid te kunnen luchten. Ieder van u is hier met een eigen doel, met een eigen bedoeling. De een wil met alle geweld horen dat hij gelijk heeft, terwijl de ander juist van zijn schuld en zondigheid overtuigd wil worden. Maar wij kunnen samen werken. Laat een ieder nu eens alles wat van buiten komt, trachten weg te cijferen. Dus ook niet meer denken: “O ja, maar dat mag niet en dat hoort niet”. Vergeet een ogenblik wat u is geleerd en wat de wetenschap zegt. Laat alles, wat uit de wereld tot u is gekomen, voor een ogenblik rusten. Zeg tot uzelf: Wat er op de wereld gebeurt, gaat mij niet aan. Alles, wat ik uit in de wereld, gaat mij nu nog aan. Dan hoeven wij niet verder meer te zoeken. Dan is er geen sprake meer van recht, of onrecht, gelijk of ongelijk. Wij hebben altijd gelijk, wanneer wij Gods wil maar volbrengen, zoals die zich in ons openbaart. Wanneer wij dit doen, gaan de waarden van de wereld ons niet meer aan. Dan hebben wij alles gedaan, wat wij kunnen om de volmaaktheid ook hier te verwerkelijken vanuit ons eigen wezen. Niets kan ons dan meer geschieden. Zelfs al gaat het verschijnsel wereld onder, wij zijn eeuwig. Niets kan ons aantasten of veranderen, wanneer wij beantwoorden aan de weg die God ons toont. Wij kunnen nu voor het eerst een onbegrensde weg uitstippelen volgens ons weten. Dit weten, dat in ons bestaat, noemen wij ons bewustzijn. Maar het is meer, veel meer. Want achter het bewustzijn ligt het onbewuste weten, waaraan wij ons bij het zoeken naar een geloof onbewust voortdurend vastklampen. Achter al onze geleerdheid, onze boekenwijsheid en onze citaten schuilt ergens het geheimzinnige iets, dat ons soms bij een bepaald woord de rillingen over de rug doet lopen. Het geheimzinnige deel van ons wezen, dat ons bij het beschouwen van iets soms opeens onttrekt aan de vloed van tijd en in een kort moment een eeuwigheid doet ondergaan, vol van rijping van gedachten. Een refrein komt uit dit onbekende tot ons allen, of wij nu geest zijn, of in de stof leven. Wij zijn eeuwig. De wereld gaat ons niets aan. Alleen wat wijzelf zijn, is voor ons belangrijk.

Ons dagelijks brood volgens de bedoeling van het Onze Vader, vrienden, is niet wat wij nodig hebben voor de stof. Dit dagelijks brood is het symbool van de innige relatie tussen het werkelijke Ik en de Kracht, waaruit het is opgebouwd. Wij weten, dat sommige wezens en mensen met heel weinig voedsel kunnen bestaan. Denk aan Therese uit Könnersreuth, denk aan de yogi. Zij nemen misschien eens in vele dagen een vingerhoed vol voedsel, enkele druppels drank tot zich en zij bestaan. Stoffelijk brood hebben wij niet nodig. Wij scheppen de noodzaak ervoor hier zelf. Wij hoeven m.i. dus God zeker daar niet om te bidden. Het lijkt mij dwaasheid, jezelf steeds weer te bevestigen dat je het nodig hebt. Want deze noodzaak is niet reëel. Wij spreken over de genegenheid die wij nodig hebben in het leven, over de behoefte aan waardering. Maar zijn deze dingen werkelijk een noodzaak voor ons? Is het niet voldoende dat wij innerlijk weten, dat wij betekenis hebben, dat ons leven en werken in een kosmisch schema meetelt?

Of wij nu geest of mens zijn, wij hebben weinig werkelijke behoeften. Maar ons onbewustzijn laat ons nog niet toe dit te beseffen. Wij beseffen nog te weinig van het eeuwige dat in ons leeft.

Wij gevoelen nog te weinig de kracht van ons werkelijk wezen, waarin het plan der Schepping werd afgedrukt op de eerste dag. Wij spreken voortdurend over onszelf en hetgeen ons beweegt. Wij leren en leraren, kwebbelen, roddelen en amuseren ons. Wij beklagen ons vaak over wat wij zijn en dromen van wat wij wel zouden kunnen worden. Wij kunnen maar niet beseffen dat deze dingen eigenlijk niet noodzakelijk zijn.

Ik volg uw gedachten. Dit is wereldvreemd. Wat zou je als mens moeten doen, wanneer je niet meer op je tijd je brood zou kunnen krijgen? Wat zou je moeten doen, wanneer er geen eten en geen drinken, geen werk en geen vermaak, geen licht en geen duister meer was? Wat zou je moeten doen, wanneer er geen radio was om je lege uren te vullen en geen flimmerend bioskoopbeeld om je door te laten ontspannen? Wat zou je moeten doen, wanneer er geen boeken waren om je eigen geleerdheid te vergroten en je persoonlijkheid gewichtiger te maken in je omgeving? Wat zou men moeten doen, wanneer er geen moord- en doodslagromannetjes waren om je de werkelijkheid zo nu en dan eens even te doen vergeten?

Toch heb je al deze dingen niet nodig. In jezelf draag je datgene wat je alleen nodig hebt. De kracht waarmee je – indien je er maar voldoende bewust van bent – al het andere zou kunnen vervangen: De Goddelijke Kracht. De mens is klei. Zeker, maar klei die zichzelf kan vormen, want God heeft de oermassa geschapen. De Vader, Die ons de vrijheid van leven, denken en werken heeft gegeven, die wij bezitten, heeft ons de grove vorm gegeven. Hij maakte ons tot beginnend bestaan, waarin de werkelijke vorm van het wezen verborgen is. De vorm die de onze is.

De wereld van waan, waarin wij bestaan, is een reeks van bijkomstigheden, waarin ons het werkelijke wezen, het ware ik, nog wordt verhuld. Vreemde gedachten. Maar toch bestaat dit probleem, want wij bidden, bewust of onbewust, steeds weer: Geef ons heden ons dagelijks brood. Wij bidden steeds weer tot God.

Wanneer wij de vorm van het gebed mijden, dan bidden wij met wensen: Wanneer ik nu maar eens minder eenzaam was. Wanneer ik nu maar eens wat minder zorgen had. Als men mij nu eens….. en zo gaat het verder, dag na dag. Zo deze wensen dan al een beeld geven van de werkelijkheid, zoals wij die beleven, u en ik, zo moet daarachter de volmaaktheid schuilen, indien er een God bestaat. Daaruit volgt m.i. dan weer, dat al deze kleine dingen die voor ons het belangrijke van het leven vormen, niet eens werkelijk bij ons behoren. God geeft ons alle dingen die wij nodig hebben. God is één met ons wezen. Dit geloof ik met heel mijn wezen. Maar wij beseffen nog niet wat ons wezen is. Soms zoeken wij meer te zijn, dan wij ooit zullen kunnen zijn. Soms onderschatten wij onze mogelijkheden en bereiken niet de wondere werkelijkheid, die op ons wacht. Daarin schuilt m.i. de fout.

Wat voor nut heeft het naar deze dingen te luisteren? Geen, wanneer je er niet iets in vindt wat je beter, wat je gelukkiger maakt. Onnut is dit alles, wanneer wij als gevolg van het aanhoren alleen maar menen toch beter te zijn, dan wij gevoelen te kunnen zijn. Maar als u dit alles hebt kunnen volgen, dan is hier wel degelijk een praktische kant met vele mogelijkheden aan verbonden. Wij hoeven onze wereld, of sfeer, niet opeens te gaan verloochenen. Wij moeten echter wel trachten onszelf steeds minder afhankelijk te maken van al hetgeen ons in die wereld nog als noodzaak, of schijnbare noodzaak omgeeft. De weg naar de onafhankelijkheid kunnen wij vinden, wanneer wij beginnen te leven volgens de regel: niets in de wereld kan mij beroeren, zolang ik maar handel volgens mijn eigen begrip van verantwoordelijkheid. Onverschillig wat de wereld van mij verwacht, of in mij ziet, zal ik steeds er naar streven te zijn, zoals ik meen werkelijk te zijn.

Ik zal steeds handelen volgens mijn eigen wezen, ongeacht de pressie van buiten af. Niets in de wereld kan mij een plicht opleggen, maar het Goddelijke Licht in mij verplicht mij te handelen volgens de regels die ik in mij erken als wetten van het Goddelijk Scheppingsplan. Ik zal alle daden stellen die noodzakelijk zijn voor het behouden van een innerlijke harmonie in mijn wezen, evenals alle daden die m.i. noodzakelijk zijn voor het uitdrukken van de Goddelijke Kracht in de wereld.

In eenvoudige woorden gezegd: Leef volgens hetgeen je gevoelt, dat goed is. Trek je er niets van aan wat een ander van je denkt. Streef zo goed als je maar kunt. Werk steeds aan jezelf, niet aan de wereld. Alleen door aan jezelf te werken, kun je de wereld veranderen. Indien u deze weg volgt, begint voor u de grote onthechting, die niet berust op een verlaten der dingen, of een beheersen der dingen, maar op een één zijn met alle dingen. Hoe immers kun je iets vrezen wat waarlijk deel is van jezelf ? Hoe kun je iets begeren wat deel is van jezelf? Hoe meer je de eenheid tussen het ik en de wereld tot uitdrukking weet te brengen, hoe dichter je ongetwijfeld komt te staan bij het Goddelijke.

image_pdf