De waarheid in bijbel en andere openbaringsgeschriften

SVGZ – 7 september 1962 

Wanneer wij ons bezig houden met de Bijbel – en wel vooral met het Oude Testament – staan wij voor vele verbluffende feiten. In vele gevallen vinden wij immers hierin historische waarheden, die – ofschoon zij langere tijd onmogelijk geacht werden – later door onderzoekingen als volledig juist werden bewezen. Hierbij denk ik onder meer aan de paardenstallen van Koning Salomo. De uitgebreidheid van deze ruïne toont aan, dat Koning Salomo inderdaad over vele duizenden strijdwagens het bevel gevoerd kan hebben. Een ander voorbeeld vinden wij in de oude koper- mijnen, die later werden teruggevonden. Zo zou ik nog enige tijd verder kunnen gaan. Zelfs de geslachtslijsten blijken geheel verantwoord en waar, ofschoon sommigen als enkele naam opgevoerde personen, als geslachten, strekkende over meerdere generaties, moeten worden beschouwd.

Een teruggaan in de geschiedenis aan de hand van de Bijbel bevatte gegevens, is zeer zeker en zonder grote fouten mogelijk. Nu stel ik dit op het ogenblik alleen voor de Bijbel, maar ook elders vinden wij openbaringsgeschriften en heilige boeken, waarin hetzelfde blijkt op te treden. Wanneer wij ons bezig houden met de Veda’s, die door de Brahmanen als heilige schrift beschouwd worden, zo vinden wij ook hier gebeurtenissen en personen vermeld, die op het eerste gezicht slechts legenden lijken te zijn, maar bij een nader onderzoek toch wel degelijk op werkelijk bestaande persoonlijkheden, rijken en toestanden gebaseerd blijken te zijn. Wanneer wij ons bezig houden met de heilige schrifturen der Mohammedanen, zo blijkt, dat wij enerzijds te maken hebben met geschiedschrijving, terwijl het heiligste boek – de Koran – zich alleen bezig houdt met het geven van wetten, die waarschijnlijk ten dele uit visioenen voort kwamen.

Nu is het voor de mens, zeker de gelovige mens, wel het eenvoudigst te stellen, dat, waar enkele punten blijken te kloppen, het geheel volledig op waarheid en feiten berust. Maar dan komt men te staan tégen vele feiten, als bijvoorbeeld de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek naar de ouderdom en structuur der aarde, het ontstaan der rassen en zelfs feiten gevonden in verband met gebeurtenissen van historisch belang in het verleden. Hier blijkt namelijk een afwijking van wat letterlijk in de heilige boeken wordt gesteld, nogal eens voor te komen. Mogen wij dan zeggen, dat de Bijbel geheel en letterlijk waar is, dat de Veda’s en andere heilige boeken geheel en letterlijk waar zijn? Aan de hand der feiten meen ik dit te mogen betwijfelen. Dit brengt mij tot het belangrijkste punt van onze lezing.

Waarheid, mijne vrienden, is altijd relatief, wanneer zij met de mens in verband staat of gebracht wordt. Ik kan niet zeggen, dat bv. de geschiedenis, zoals die de doorsnee mens in deze dagen meent te kennen, altijd waar is. Zij is namelijk alleen waar, indien wij haar uit een zeer bepaald standpunt beschouwen en vele andere – even ware – waarden buiten beschouwing laten. Menige historische waarheid blijkt alleen nog waar genoemd te kunnen worden, wanneer men bij de beschouwing en het onderzoek uitgaat van bepaalde – soms zelfs niet redelijke – stellingen. Op deze wijze kan de mens nu ook stellen, dat de Bijbel geheel en letterlijk waar is. Hij gaat dan daarbij uit van de stelling, dat het geheel daarvan woordelijk door God aan de mensen gegeven is. Feiten, die niet stroken met de werkelijkheid, kunnen nimmer waarheid zijn, zodat in dit geval de feiten verkeerdelijk worden gezien of geïnterpreteerd.  Alle heilige schrifturen zijn daarom volledig waar, zodra ik uitga van het – overigens moeilijk bewijsbare – standpunt, dat zij door hogere krachten of God geopenbaard zijn.

Wanneer ik dergelijke schrifturen uit een meer menselijk standpunt bezie, wordt het gestelde raadselachtig, onbegrijpelijk, of zelfs kennelijk onwaar. Wanneer ik mij even beperk tot de Bijbel, zo vind ik bv. in Genesis vele waarden, die – ontleed aan de hand van hetgeen bekend is omtrent de in de oudheid gebruikelijke symboliek – ongetwijfeld zinvol zijn, maar toch nooit als een feitelijke waarheid zonder meer en in letterlijke zin beschouwd kunnen worden. Bovendien vinden wij daarin vele schijnbare tegenspraken. Zo vinden wij ook in de andere boeken van de Bijbel vele feiten, die – bezien vanuit menselijk standpunt en zo objectief mogelijk – een typisch menselijk, nationalistische geschiedenisvervalsing schijnen te zijn. Elders treffen wij dichtkunst aan, die ons verbluft en ontroert, maar gelijktijdig vanuit ons huidig standpunt gebaseerd schijnt te zijn op waarderingen, die niet rationeel, ja, zelfs dwaas aandoen. Vaak ook blijken wij een gedicht, een verhaal, volgens onze huidige inzichten en maatstaven te beoordelen, terwijl lang niet zeker is, dat deze waardering met de oorspronkelijke opzet van de dichter strookt. Zo bv. het Hooglied van Salomo: “Hoe schoon is zij, mijn geliefde, wanneer zij afdaalt van de bergen”. De mens van heden zal onmiddellijk aannemen, dat dit een lied is, dat werd geschreven voor een vrouw. Vanuit dit standpunt beschouwt, is het inderdaad een lied van buitengewone schoonheid. Maar er zijn enkele aanwijzingen in dit gedicht, waaruit men eveneens af zou kunnen leiden, dat het als een lofzang op de berggeit was bedoeld. De berggeit voldoet namelijk aan alle eisen, die door het gedicht in vorm van omschrijvingen werden gesteld, zeker, wanneer wij rekening houden met de bloemrijke, in Arabië zelfs heden nog gebruikelijke, wijze van uitdrukking.

Kortom, wanneer wij de waarheden van bv. de Bijbel als onomstotelijk en woordelijk waar aan moeten nemen, moeten wij de menselijke rede geheel terzijde stellen. Daarom is de vraag: “Wat is er waar in de openbaringsgeschriften?” in de eerste plaats voor elke mens een kwestie van keuze. Kan de mens uitgaan van het redelijke, zo zal hij moeten stellen: veel van hetgeen ons in openbaringsgeschriften wordt medegedeeld, is niet waar, of althans niet woordelijk waar. Aan de andere kant kan de mens natuurlijk uitgaan van zijn geloof en stellen: “Dít is de enige waarheid…”. Dit voert, naar mijn inzicht, tot voor de mens niet altijd aanvaardbare consequenties. Wij zien bijvoorbeeld dat de Brahmanen hun Veda’s zo heilig achten, dat zij zelfs wetenschappelijk onderzoek hebben verboden, omdat immers alle waarheid reeds in hun schrifturen vermeld zou zijn: alle kennis was immers reeds geopenbaard. Daarom lijkt mij – zeker vanuit een menselijk standpunt – het à priori aanvaarden van openbaringsgeschriften als absolute en volledige waarheid, verwerpelijk.

De mens kan niet verder zich ontwikkelen in stoffelijke en geestelijke zin, kan zijn bewustzijn niet verder zien groeien, wanneer hij zich dwingt om zonder onderzoek en bevestiging openbaringen aan te nemen, die zelfs tegen de menselijke rede ingaan. De mens moet leren bewust te leven en te streven. Dan zal hij ook uit zijn eigen erkennen en weten, uit de persoonlijke verworven ervaringen en zelfbeheersing, een eenheid moeten bereiken met het Hogere, dat hij innerlijk aanvoelt. Maar wanneer men eigen rede opzij stelt en daarvoor in de plaats de absolute aanvaarding zonder onderzoek stelt van alles, wat geopenbaard is, terwijl men zelfs op het feit der openbaring en de wijze, waarop deze gegeven werd, geen enkele controle uit kan oefenen, of maar met zekerheid kan zeggen: “zo lang geleden werd deze openbaring gegeven”, of “hierover vinden wij ook buiten de openbaring zelf, in de geschiedenis aanduidingen”, zal men niet meer werkelijk bewust denken en leven, doch slechts afgaan op schijnwaarden. Daarom meen ik te moeten stellen, dat men als mens verplicht is na te gaan, of de waarheid – zoals zij in de algemeen aanvaarde geschriften en openbaringen staat – ook inderdaad de waarheid is.

Het is niet mijn bedoeling u te vergasten op een opsomming van alle klaarblijkelijke onjuistheden en tegenspraken in de Bijbel. Toch geef ik u een voorbeeld. “Adam en Eva zijn de enige mensen op aarde.” Zij zijn de eerste mensen, die God geschapen heeft. De mensheid stamt dus geheel af van hun kinderen, waarvan Kaïn en Abel met name worden genoemd. Kaïn doodt zijn broeder Abel, trekt weg naar een vreemd volk en huwt daar een vrouw. Dan is dit gesteld in de Bijbel als volledig en geheel juist… onmogelijk, en dwaas.

Jonas en de walvis. Er moet in de eerste plaats wel sprake zijn van een zeer bijzondere zeevis – walvis – dat deze in staat was een mens zonder meer geheel in te slikken. Dit verhaal past ongetwijfeld, bij de oude legenden en overleveringen omtrent fabelwezens en kan zelfs enige waarheid bevatten. Maar dit is zeker geen woordelijke waarheid en niet het tegen alle natuur- kennis en bekende feiten ingaande mirakel, dat menigeen hierin zoekt. Wanneer ik denk aan het gedrag van sommige dolfijnen en bruinvissen, lijkt het mij aanvaardbaar, dat een profeet – door matrozen in zee geworpen – door een dergelijk dier wordt gevolgd, geholpen en aan land gebracht. Indien ik mij niet vergis, heeft in Australië een dergelijk dier – een dolfijn – zich zelfs roem verworven, omdat het dier soms drenkelingen hielp en op den duur zelfs kinderen toestond op zijn rug een ritje te maken. Maar dat is altijd nog heel iets anders dan drie dagen in de buik van een zeemonster, of walvis, door te brengen. Overigens lijkt mij dit een tamelijke warm en duister verblijf, dat bovendien nog wel wat benauwend zal zijn geweest, daar wij immers niet aan kunnen nemen, dat het dier van binnen van airconditioning was voorzien.

Wanneer ik verder de verhalen na ga omtrent wonderen en profetieën, zo valt mij allereerst op, dat de nadruk alleen ligt op profetieën, die zeer vaag zijn, dan wel kennelijk vervuld werden. In vele gevallen zijn de “vervullingen van de profetie” niet buitengewoon aanvaardbaar of onomstotelijk en doen zij denken aan de verklaringen, die vele regeringen zo gaarne afleggen zoals: “Wij hebben voorzien dat dit of dat zal gaan gebeuren, wij hebben toen reeds gezegd…” Tot er misschien iemand opstandig wordt en zegt: “Maar volgens notulen en akten hebt u toen en toen iets geheel anders beweerd”. Alleen de vervulling maakt de profetie waardig om opgenomen te worden in de annalen van tempels en orakels van het verleden. Dit is bewijsbaar. Daarom dienen wij met betrekking tot de profetieën, die in de Bijbel vermeld staan, voorzichtig te zijn.

Voorbeeld: De komst van Jezus was door vele profeten voorspeld, vaak met bijzondere details. Dit is aanvaardbaar en zeker aannemelijk te maken. Wij mogen daarbij niet over het hoofd zien, dat vóór Jezus’ geboorte een groot aantal “verlossers” reeds zijn opgetreden. Dezen waren klaarblijkelijk niet de ware verlosser, maar wisten hun Messias-zijn te bewijzen door zich op de profeten te beroepen en zagen in hun leven vaak de profetieën ook verder waar worden. Het lijkt mij daarom wel zeer moeilijk de voorspellingen van bepaalde profeten als alleen op één bepaald persoon van toepassing te beschouwen. Het is niet mijn bedoeling hiermee Jezus aan te vallen, of zelfs maar de uitleg, die men tegenwoordig aan de voorspellingen van de oude profeten geeft. Ik stel alleen, dat het niet verantwoord is aan dergelijke profetieën en hun schijnbare vervulling alleen één zekerheid te ontlenen. Dit lijkt mij niet menselijk en redelijk verantwoord.

In meerdere gevallen blijkt overigens een vertrouwen in de profeten en de juistheid van hun voorspellingen en verklaringen niet gerechtvaardigd. Het is van buitengewoon belang, dat men weet, wat voor een persoon de profeet is en onder welke omstandigheden zijn uitspraken tot stand kwamen. Bij meerdere profeten – waaronder enkele der kleinere – vinden wij bijvoorbeeld een beschrijving van visioenen. Daarbij worden meerdere malen wezens en voorwerpen beschreven, die na enig nadenken eerder in deze tijd thuis schijnen te horen, dan in de dagen van de profeet in kwestie. Na enig nadenken zal men zich hier dan ook de vraag gaan stellen, of hier misschien de profeet geconfronteerd werd met de moderne techniek. Dit kunnen wij, aan de hand van alles wat wij omtrent het verleden weten, eventueel nog betwijfelen. Maar wanneer er in de beschrijvingen alinea’s voorkomen, die ons onmiddellijk doen denken aan een helikopter, zoals deze kort geleden op aarde ontworpen werd, terwijl de visioenen verdere elementen van beschrijving bevatten, die ons onmiddellijk doen denken aan de landing van de een of andere raket of straaljager, zo rijst bij mij toch de vraag, of het wel redelijk is de bovennatuurlijke verklaring, die men ons voor het verschijnsel geeft, onmiddellijk en zonder meer te aanvaarden.

Verder mogen wij niet vergeten, dat de beschrijving ons gegeven wordt door een eenvoudig mens zonder enige technische kennis; een mens die tot een eenvoudig herdersvolk behoorde. Deze beschrijft, wat hij waarneemt en denkt te zien, daaraan een uitleg gevende, die past bij zijn eigen wereld en denken. Maar dan hoeven wij de uitleg niet zonder meer als een letterlijke waarheid te aanvaarden. Toch kan worden gezegd, dat deze profeet in zijn beschrijvingen de waarheid heeft gesproken, zover hij deze kende, maar een absolute waarheid is dit zekerlijk niet.

Wanneer wij een mens uit de dagen van de grote profeten eens zouden kunnen verplaatsen, vanuit zijn dagen in het heden – al was het maar voor een kort ogenblik – en deze de start van een straalvliegtuig laten zien, dan zou deze profeet dit alles waarschijnlijk als een visioen beschouwen en spreken over een vreemde vogel, die door vuur wordt voortgedreven. Zou de profeet gezien hebben, dat mensen in het vliegtuig stapten, dan zou hij – bij gebrek aan andere woorden – waarschijnlijk spreken over een vurige wagen. Wanneer wij deze mens een auto zouden laten zien, zou hij waarschijnlijk daarover spreken als een metalen monster, een verslindend dier, dat – rook en stank verbreidend – met ongelofelijke snelheid zich voortbeweegt – een omschrijving, die doet denken aan de draak der fabelen -. Daarom moeten wij, vóór wij alles als een letterlijke waarheid aanvaarden, ons toch wel realiseren, dat alles, wat in de openbaringen wordt gezegd, gezegd wordt vanuit een bepaald standpunt, terwijl in vele gevallen sprake is van een niet voldoende woordenschat, waardoor waarheden niet omschreven konden worden. Ook dienen wij te beseffen, dat de interpretatie van waarden en feiten geschiedt door eenvoudige mensen, die in ieder geval niet leefden in een technisch ontwikkelde maatschappij; mensen voor wie een armzalig dorp uit deze dagen een stad van onvergelijkelijke schoonheid en een der grootste wonderen van de wereld zou kunnen zijn.

Verder mogen wij nooit vergeten, dat ook in de oudheid de volkeren en stammen elkaar onderling vaak sterk beïnvloed hebben. In de Bijbel vinden wij bijvoorbeeld voortdurend weer uitspraken en uitdrukkingen, die ons wijzen op een invloed van de Chaldeeën. Ook treffen wij steeds weer inzichten en commentaren aan, die ons eerder doen denken aan de Goden van Babylon en Egypte, dan aan een zelfstandig geloof, of een absolute openbaring, zelfs wanneer die Goden elders in de Bijbel worden veroordeeld en verworpen als duivelen en demonen.

Naar mijn mening worden ook deze invloeden van andere volkoren maar al te vaak eenvoudig over het hoofd gezien, of terzijde geschoven. Ik kan mij best voorstellen, dat een gelovige zegt: “Deze invloeden uit het verleden, deze inwerking van andere volkeren en hun leringen, dienen wij eenvoudig als een toeval te zien, of geheel te verwaarlozen, want deze Bijbel is Gods Woord”. Indien ik een dergelijke geloofsaanvaarding terzijde stel, zo kan ik wel degelijk constateren, dat de oude magie en de oude beelden van het huidige Perzië, Indië, Egypte en zelfs van de vereerders van de wrede en wraakzuchtige Goden in Afrika mede een invloed hebben gehad op het volk der Joden en zijn opvattingen, zodat zij in de leringen van de Bijbel wel degelijk een rol spelen. Een voorbeeld van dergelijke invloeden is wel de poging van de Joden om bij Sinaï een Apueion op te richten, een tempel voor Apis, de Zonnegod, die in deze vorm rijkdommen, vruchtbaarheid en kracht geeft. Wij vinden dit in de Bijbel als de aanbidding van het Gouden Kalf.

Een onbevooroordeeld lezer valt het verder op, dat vele wonderen in de Bijbel een eigenaardige neiging hebben. Zij geschieden vooral, wanneer er niemand buiten de wonderdoener in de buurt is, of in staat is getuigenis van het wonder af te leggen. Ook de basis van het Judaïsme ligt in een dergelijk wonder: Mozes gaat de berg op, daar wordt hem door God persoonlijk de wet gegeven, gegrift op twee stenen tafelen. Het verhaal is wonderbaarlijk en schoon, maar het was alleen Mozes, die de berg opging en niemand ging met hem. Wie kan zeggen, wat er op die berg werkelijk is geschied? Toch wordt omtrent zijn verblijf daar veel vermeld en wordt dit alles zonder meer als een letterlijke, ja, Goddelijke waarheid aanvaard, maar kennelijk alleen op gezag van Mozes.

Ook in het evangelie treffen wij een dergelijke passage aan: een verklaring, die kennelijk vanuit een bepaald standpunt werd gedaan. Als Jezus in de Hof der Olijven alleen vertoeft en de leerlingen, die Hij met Zich nam, op enige afstand slapen, bidt Hij tot Zijn Vader. Men vertelt ons precies, hoe dat is gegaan en men vermeldt zelfs precies, wat Hij woordelijk heeft gezegd. Maar wie is daar bij geweest? Zou Jezus Zelf dit verteld hebben? Volgens het evangelie heeft Hij daartoe voor Zijn dood geen tijd gehad, terwijl nergens wordt vermeld, dat Hij dit na Zijn herrijzenis aan Zijn leerlingen heeft meegedeeld, ofschoon andere en minder belangrijke voorvallen wel in extenso worden vermeld. Begrijpt u nu, wat ik bedoel? Laat ons nu eens de islam bezien. Wanneer ik de Koran bekijk, zo zeg ik onmiddellijk: de wetten, die daarin worden gegeven, zijn wel niet allen oorspronkelijk, maar zij zijn ongetwijfeld zeer mooi en juist. Gezien het volk, waarvoor zij gegeven werden, is deze reeks van wetten en geloofspunten een werk van buitengewone wijsheid. De inhoud geeft blijk van een buitengewoon scherp inzicht in de omstandigheden, een buitengewoon gevoel voor rechtvaardigheid en een goedheid, die  de latere moslims weliswaar op hun wijze hebben uitgelegd of verloochend, maar die toch zonder twijfel aanwezig is.

Waarop baseert men echter de Goddelijkheid van dit alles? Waarom zou dit alles een Goddelijk woord zijn? Omdat Mohammed de profeet Gods was? Maar wie heeft dit allereerst verteld? Mohammed zelfs misschien? Waarschijnlijk wel. Er is geen enkel bewijs te vinden voor mirakelen of wonderen, die hij gedaan heeft; wonderen, waardoor zijn band met het Goddelijke onmiddellijk door anderen werd erkend. In zijn dagen – dit blijkt uit de geschriften uit zijn tijd – was van dergelijke wonderen geen sprake. Toch worden zij later door legenden aan hem, maar vooral aan bepaalde zijner volgelingen, toegeschreven. Mohammed heeft vele visioenen gehad. Naast de Koran vinden wij meerdere geschriften, waarin dezen zijn vastgelegd. O.m. vinden wij daarin een beschrijving van de zeven hemelen, waardoor Mohammed opsteeg, toen hij oprees tot voor de troon van God. Maar is dit alles nu werkelijk een visioen? Of was het een poging een aanval van epilepsie weg te verklaren? Er zijn meerdere aanwijzingen te vinden, waaruit kan blijken, dat de kameeldrijver Mohammed een epilepticus was. Het is wel zeker, dat verschillende grote profeten – ook in christendom en Hindoeleer en boeddhisme – aan dezelfde kwaal hebben geleden. Maanzieken schijnen in de oudheid, maar ook bij primitievere volkeren in deze dagen, de rol van priester en profeet – of Godgezondene – te vervullen. Wonderlijke blijken van moed, een optreden van sommige “heiligen” blijkt – in het licht der menselijke kennis van heden – eerder te verklaren als een uiting van hysterie, dan als een ingrijpen van bovennatuurlijke krachten.

Met dit alles hoop ik u duidelijk te hebben gemaakt, dat wij de waarheid van de Bijbel en andere openbaringsgeschriften zeker niet hoeven te zien als de woordelijke waarheid, die ons dwingt zonder enig voorbehoud of nadenken alles, wat daarin geschreven staat, als waarheid te aanvaarden. Wat is dan wel waar? Deze vraag is zeer moeilijk te beantwoorden. Er bestaat namelijk geen enkel objectief bewijs voor hetgeen ik in de openbaringsgeschriften persoonlijk als een onomstotelijke waarheid erken. Hetgeen ik daaromtrent zeg, is dan ook maar in zeer beperkte mate op menselijk weten, voor een groter deel op beleven en voor een ander deel op persoonlijk en innerlijke beleving gebaseerd. Zeker is alles, wat ik in de openbaringsgeschriften als waar aanvaard, een wetenschappelijk aantastbaar en onbewijsbaar iets.

Toch moet ik beginnen met het volgens mij voornaamste punt:

In alle heilige schrifturen staat aan het begin van alle ontwikkeling en schepping één enkele kracht, een oerkracht, een Oergod. Deze is het begin der Schepping. Ook wanneer in de godsdienst verder een veelgodendom wordt aanvaard, zal het geloof toch deze waarheid bevatten: er is een oorzaak, een begin, een God, waar alles uit voortkomt… . Ik acht dit van buitengewoon belang. In de tweede plaats blijkt elk geloof en elke heilige schrift een eigen verklaring te hebben voor het ontstaan van de mens. Deze verklaringen verschillen veel van elkaar. Toch zijn zij het er allen over eens, dat de mens iets bezit, wat hem tot de meerdere van de dieren maakt. Steeds is dit een Goddelijke adem of zegen, waardoor hem een menselijk leven, als verschillend van alle andere leven, wordt gegeven. Nu kan men natuurlijk stellen, dat dit voortvloeit uit een aan de mens eigen behoefte zich boven zijn omgeving te verheffen. Mij lijkt het redelijker om te veronderstellen, dat hier inderdaad algemeen en door alle rassen en godsdiensten een bepaald feit wordt erkend.

Alle openbaringen en heilige schrifturen houden zich verder – zij het soms in beperkte mate – bezig met een voortbestaan na de dood. Soms geschiedt dit in een bijna negatieve zin: “Het huidige leven moet goed worden geleefd, want later is er iets…” Sommige leringen definiëren dit “iets” niet verder. Andere openbaringen geven daarentegen precies weer, wat het voortbestaan is en hoe de werelden na de dood wel zijn ingedeeld. Wanneer wij het geloof der Joden, der christenen, der hindoes, mohammedanen en boeddhisten nagaan – ik zou hierbij nog vele geloofsrichtingen kunnen noemen – dan erkennen zij allen verschillende werelden in het hiernamaals. Deze kunnen worden verdeeld in hemel en hellewereld. Daartussen bevindt zich meestal een soort niemandsland, dat soms vagevuur wordt genoemd, soms het gebied der reïncarnatie, terwijl het bij anderen eerder de vorm krijgt van een nevelland voor dolende zielen.

Het geloof aan een dergelijke indeling van de wereld na de dood in praktisch alle geloofsvorm en het vermelden daarvan in praktisch alle openbaringsgeschriften, plus mijn eigen ervaringen, overtuigt mij ervan, dat er inderdaad vele hemel en hellewerelden zijn. Verder is hierbij opvallend, dat bepaalde geloofsrichtingen en esoterische leringen daarbij nog een verschil maken tussen meer zuiver materieel bestaande hemelwerelden en zuiver geestelijke hemelwerelden. Ik vestig hierop de nadruk, al wordt in de leringen zelfs dit verschil niet met precies dezelfde termen uitgedrukt.

In de Hindoewereld, in Egypte en bij sommige boeddhistische sekten vinden wij een geloof aan zuiver stoffelijke werelden, die aanmerkelijk van de menselijke wereld verschillen, terwijl de dode daarin werkelijk en stoffelijk leeft. Waar deze geloofswaarden en de daarmee verbonden openbaringen over het algemeen voortkomen uit een betrekkelijk beperkte opvatting van het Al – de zon centraal enz. – projecteert men dergelijke werelden eenvoudig boven het uitspansel, zonder meer, terwijl duister meer stoffelijke werelden over het algemeen worden voorgesteld als liggende onder de aardkorst, of zelfs in het middelpunt der aarde. Nu weten wij in de sferen, dat er in het Al vele werelden zijn, die bewoond worden. Ik geloof dan ook, dat wij hier mogen stellen: onder de waarheden, die in praktisch alle openbaringsgeschriften erkend worden, is ook het feit, dat er elders bewoonde werelden zijn. Deze werelden zijn vergeleken met de toestand op de aarde goed – hemelwerelden – dan wel slecht, waardoor zij hellewerelden kunnen zijn. Deze werelden zijn niet geestelijk, maar zuiver materieel. In de oude geloofswaarden en legenden treffen wij verder vaak de gedachte aan, dat men dergelijke werelden via een boot zou kunnen bereiken.

In de door mij genoemde geloofsrichtingen vinden wij eveneens voorbeelden van een contact met dergelijke werelden, hoewel dit dan niet wordt uitgedrukt als een reis in de boot naar een Hades. Onder meer treffen wij in de Bijbel een profeet aan, die met een vurige wagen ten hemel opgenomen werd. Elders horen wij van een heilige, die met een schip de hemel inzeilt; een heilige, die zich in de lucht verheft en, door geesten gedragen, verdwijnt naar de hemel enz.

Dit maakt het voor mij aannemelijk, dat er in het verleden sprake is geweest van een wederkerige beïnvloeding van de wereld der mensen door andere werelden. Ik ben mij ervan bewust, dat ik hier een punt aanroer, dat volgens velen met de waarheden van de Bijbel en andere openbaringsgeschriften weinig of geen verband heeft. Wanneer wij in de Bijbel, zowel als in andere geschriften, gegevens aantreffen, die niet in overeenstemming zijn met alles, wat wij omtrent de beschaving in de tijd van ontstaan leren uit overblijfselen en ruïnes, dan wordt het naar mijn mening toch interessant. Wij treffen bv. in de Bijbel de maten aan van het bekken in Salomo’s tempel en gegevens omtrent de indeling en maten van Salomo’s tempel zelf. Hier worden getalsverhoudingen gehanteerd, die – gezien de toen heersende beschavingen – door de mensen niet in hun volle betekenis gekend konden worden. Eerst vele eeuwen later vinden wij immers op aarde mathematici, die dergelijke berekeningen zouden kunnen maken. Dit geldt bij de opstelling van het reizende tabernakel en de eerste tempel in Jeruzalem, ook al is de Egyptische invloed niet te loochenen. Ook bij de Ark van Noach worden dergelijke maten gehanteerd, die kennelijk niet alleen bedoeld zijn als een opgave van maten, maar bovendien, of misschien vooral, als een reeks van heilige getallen, als een weergave van iets, wat een Goddelijke en zeer bijzondere betekenis heeft.

Soortgelijke reeksen van maten en verhoudingen vinden wij eveneens bij andere volkeren, ofschoon voor een zo algemeen gebruik van juist déze verhoudingen en maten uit de overblijfselen van deze volkeren, geen verklaring gegeven kan worden. Ook in de heilige boeken en openbaringen van deze volkeren wordt voor het hanteren van dergelijke cijferwaarden en verhoudingen geen verdere verklaring gegeven. Voorbeelden zijn de piramide van Chephren, de maten van de open sarcofaag in Egypte; de maten en verhoudingen in enkele tempels en stoepa’s bij de hindoes; de verhoudingen van de tempel en de orakelgrot in Delphi in Griekenland. Door het gebrek aan gegevens is het moeilijk het hoe en waarom te verklaren.

Aan de hand van het voorgaande en de in de sferen daaromtrent bestaande kennis meen ik te mogen stellen: er is in het verleden een contact geweest tussen de bewoners van de wereld, waarop u leeft en wezens van andere werelden, die tenminste een hogere mathematische kennis, maar zeer waarschijnlijk ook een hogere esoterische kennis bezaten.

Een ander punt. Wij vinden in elk geloof engelen, of een weerkaatsing van hun werk en functies in het geheel der voorstellingen van lagere Goden enz. Altijd weer wordt onder deze hemel- wezens een rangorde, een bepaalde hiërarchie, erkend, die ongeacht de verdere verschillen in geloof en leringen, overal ongeveer gelijk is. Wanneer alle geloofsvormen ongeveer gelijke hiërarchische verhoudingen onder de hemelwezens aannemen, moet daarvoor een bepaalde reden bestaan. Nu kunnen wij de grondregels, die steeds weer tot uiting komen, ten dele ongetwijfeld herleiden tot het toen bekende planetenstelsel – zeven hemelen enz. – zeven toen bekende bewegende hemellichamen. Overigens klopt dit ook met onze ervaringen, waar wij immers in de sferen al snel leren beseffen, dat de planeten en sterren ten dele de belichaming zijn van kosmische grootmachten. Maar de veelheid van lagere engelen, hun onderlinge strijd, de uitwerping van Lucifer en de zijnen doet op het eerste gezicht sprookjesachtig aan.

Nu weten wij, dat op de plaats, waar op het ogenblik vele brokstukken van een vroegere planeet door de ruimte zwerven, vroeger een Licht aan de hemel moet hebben gestaan, dat door een enorme uitbarsting moet zijn vergaan. Mogelijk heeft deze planeet vroeger gefungeerd als Morgen- en Avondster, zoals Venus en Mars in deze dagen wel zijn. Dan is het niet onwaarschijnlijk, dat de legende van Lucifers val voortkomt uit deze ondergang van een planeet. Maar waren er toen reeds mensen op aarde? Of is dit gebeuren door een overlevering van andere planeten – bv. bewoners van Mars – aan de vroege mensheid meegedeeld? Zeker is, dat in elk menselijk geloof, een vreemde verwarring schijnt te hebben bestaan tussen hemellichamen, persoonlijkheden, die niet tot de menselijke wereld behoren en wezens, die een directe openbaring – in niet materiële vorm – zijn van een hoger geestelijk vermogen, een hogere kosmische kracht, want al deze vormen worden kennelijk samengevat onder het begrip engelen, Goden enz.

Hoe eigenaardig het werk van dergelijke engelen soms verloopt, hoe schijnbaar zinloos, moge blijken uit de ontmoeting van Tobias de Jongere met een engel. Deze engel worstelt met hem. Na hem overwonnen te hebben, geeft hij hem echter het geneesmiddel, waardoor zijn vader, Tobias de Oudere, genezen kan worden van blindheid, ontstaan door het in zijn ogen vallen van het vuil van een vogel. Dit geneesmiddel wordt ons beschreven als van magische geaardheid. Het toegepaste middel is – gezien de kwaal – niet logisch, maar heeft wel succes. Mijn vraag is hier: zou een werkelijke geest een stoffelijke vorm aan gaan nemen om met de jonge Tobias te gaan worstelen? Dit verhaal is schijnbaar zinloos. Ten hoogste zouden wij kunnen aannemen, dat het hier gaat om een gelijkenis; maar de Bijbel vertelt het ons als een feitelijk gebeuren.

Nu vinden wij in andere geloofssoorten overeenkomstige verhalen en beschrijvingen. Hier gaat het over heiligen, meesters, of helden, die eveneens engelen of Goden ontmoeten. Ook daar komt vaak een strijd tussen mens en engel of God voor, omdat de sterveling de raad of het gebod van deze engel niet zonder meer wil aanvaarden. Ook dit schijnt zinloos. Maar wanneer wij nu eens aannemen, dat het hier ging om een persoon, die niet tot de wereld van Tobias behoorde, maar wel degelijk materieel bestond, een stoffelijke mens dus, wordt de zin van het verhaal anders en begrijpelijker. Allereerst moet de meerwaardigheid, het gezag van de vreemdeling worden getoond, opdat de jonge Tobias hem zal aanvaarden. Dit is zeker een verklaring voor de beschreven strijd.

Bij primitieve volkeren vinden wij zelfs in deze dagen wel een strijd, waardoor de vreemdeling zijn waarde moet bewijzen, voor hij in de gemeenschap kan worden opgenomen, of daarin enig gezag uit kan oefenen. Stel, dat een wantrouwen tegen de “engel” bestaat; dan zal de strijd kunnen dienen om overwicht en macht te bewijzen, zodat het geneesmiddel daarna aanvaard zal worden. Er kan niet verwacht worden, dat een normaal geneesmiddel zonder meer genomen zal worden. Daarom een ritueel, dat de aanvaarding van het geneesmiddel bijna zeker maakt. Want juist het ritueel is – ook bij medicatie – in primitieve gemeenschappen bovenmate belangrijk. Deze methode zou dus ook door een vreemdeling kunnen worden gebruikt om een genezing van een invloedrijk persoon tot stand te brengen, zo deze gezond makende en tevens diens invloed in de gemeenschap aanmerkelijk verhogende.

Ook bij dit en dergelijke verhalen blijft de vraag naar het hoe en waarom onbeantwoord, het belangrijkste weten wij niet. Nu nam ik enkele verhalen uit de Bijbel als voorbeeld. Maar ik meen aan de hand van deze verhalen alleen al te mogen stellen, dat een groot deel van de Bijbel en andere openbaringsgeschriften mede gebaseerd is op stoffelijke mogelijkheden en feiten, die de mens ook heden nog niet kent. Ik meen te mogen stellen, dat een groot deel  van de in openbaringsgeschriften bevatte waarheden door de mensen geheel verkeerd wordt geïnterpreteerd, omdat ook heden de mens nog een verkeerd beeld heeft van het heelal. Mag ik verder stellen, dat dit ongetwijfeld van toepassing is voor vele andere leringen en geschriften, ook die, welke behoren tot geheimscholen en esoterische groeperingen? Wanneer dit namelijk voor u aanvaardbaar klinkt, kunnen wij de vraag “Wat is waarheid?” ook nog anders beantwoorden. Dan komen wij tot een reeks van stellingen, die esoterici zullen aanvaarden, maar waarvan de waarde voor eenvoudige gelovigen waarschijnlijk zeer twijfelachtig is.

  1. Het is bekend, dat – vóór de mensheid op aarde vol ontwikkeld was – andere levende wezens, mogelijkerwijze met een hogere beschaving en andere culturele waarden dan de mensheid zelfs nu bezit, op aarde zijn geweest. Overleveringen omtrent het keizerrijk Mû en het geheimzinnige Atlantis zullen ongetwijfeld verweven zijn met niet goed begrepen verhalen omtrent contacten met andere wezens in de vroegste dagen van de mensheid.
  2. Het is aannemelijk, dat juist hierdoor een geloof tot stand kon komen, dat niet alleen maar op menselijke dwaasheid, of op behoefte tot rationalisatie gebaseerd was, maar tevens elementen van een zodanige kennis van het Al en de werkelijke krachten daarin – mechanisch zowel als geestelijk – omvatte, dat het tegenwoordig mensdom nog niet ver genoeg gevorderd is om deze overleveringen te begrijpen.
  3. De mensen hebben deze aan hen inderdaad eens geopenbaarde waarheden daarna verpakt in hun eigen beelden en zo de feiten, die hen geleerd waren, voor zich aanvaardbaar gemaakt. De mensheid heeft getracht deze kennis tot een waarlijk menselijk bezit te maken, maar daardoor de feitelijke inhoud van leringen en openbaringen duisterder gemaakt, dan noodzakelijk was. De mensheid bezit – zelf nu niet – de redelijke vermogens om de zin van vele van de geopenbaarde waarheden te beseffen en de werkelijke openbaringen terug te vinden onder de neerslag van menselijke bijvoegingen en bijgelovigheden.
  4. Zowel in de Bijbel als in andere openbaringsgeschriften staat daarom zeer veel, dat van zuiver menselijke oorsprong is en geen enkele werkelijke betekenis dient te bezitten, indien het gaat om de werkelijke kern van het geloof, maar van overwegend belang blijkt te zijn, zodra het de menselijke Godsbeleving en menselijke godsdiensten betreft. Het is voor alles dit element, dat niet redelijk is en nimmer redelijk zal kunnen worden verklaard.
  5. In alle zogenaamde openbaringsgeschriften treffen wij vele stellingen en profetieën aan, die onmiddellijk te herleiden zijn tot politiek. In de Bijbel vinden wij dit terug bij de profetieën van Jeremia en Jesaja de eerste. Kennelijk hadden hun uitspraken allereerst ten doel eigen volk te wijzen op de fouten, die gemaakt werden en de aandacht te vestigen op bestaande dreigingen. Daarnaast wordt dan vaak een poging gedaan om hoop voor de toekomst te wekken en het volk van zijn uitverkoren-zijn, zijn meerwaardigheid, te overtuigen.

Enkele elementen daarbij tonen grote overeenkomst met de propagandamethoden in bepaalde dictatoriaal geregeerde staten. Ofschoon dichterlijker uitgedrukt treffen wij dezelfde termen aan, die ook heden nog in de pers wel gebruikt worden. Is een waarschuwing voor de wreedheden van het dreigende Babylon zo verschillend van een op dezelfde sentimenten gebaseerde waarschuwing voor het rode gevaar? Verschilt een oproep tot solidariteit in deze dagen zoveel van de waarschuwende woorden, dat men zich niet met andere volkeren mag vermengen, dat men geen egoïstisch standpunt in moet nemen, maar moet denken aan de wet? Kennelijk gaat het de meeste profeten in de eerste plaats om de structuur van de gemeenschap, de eenheid van het volk. Vaak wordt de nadruk gelegd op de zeden van het volk. Daarbij gaat het al weer kennelijk niet in de eerste plaats om het vinden van de voor het volk meest juiste zeden, maar wordt uitgegaan van de gedachte, dat – door het scheppen van bepaalde mores – een sterke en van alle andere groepen onderscheiden eenheid kan worden opgebouwd, die – mede door de afschuw voor de heidense zeden van andere groepen en volkeren – tegenover alle invloeden van buiten af pal zal staan. Ik meen dan ook, dat vele profetieën en verhalen aan openbaringen werden toegevoegd uit zuiver politieke overwegingen. Dit geldt zeker ook voor bepaalde heldenlegenden met een moraal zoals bv. Samson en Delila, of Naäman en Eshter. Op dezelfde wijze zou men zich voor kunnen stellen, dat een later Nederlands geslacht heldenlegenden met een moraal vlecht rond de op zich historische gestalte van een Luns, een Burger, een de Quay. Misschien is het stoutmoedig deze hedendaagse figuren als voorbeeld te nemen voor mogelijke legendevorming, maar niemand weet, wat er nog eens kan gebeuren.

Vaak vinden wij onbegrijpelijke elementen. Waarom moet een belangrijke lering in een der Veda’s worden gegeven, terwijl de held en zijn mentor heen en weer lopen op een slagveld kort voor het begin van de veldslag? Ten hoogste zou men kunnen stellen, dat juist hierdoor de nadruk wordt gelegd op de noodzaak, vóór elke belangrijke beslissing eerst na te gaan, wat de meest eerlijke en niet slechts de ogenblikkelijk meest nuttige beslissing is. Ik meen, dat in de oudheid een grote mate van psychologische kennis bij de leiders van vele volkeren aanwezig was. In de Bijbel vinden wij in Profeten en Rechteren, maar in wat mindere mate ook in het Boek der Koningen, deze psychologische kennis gedemonstreerd. Ook in de bijgeschriften, die worden toegeschreven aan de grote meesters en leraren in het verre oosten, treffen wij – zelfs in de perioden, die beoordeeld vanuit het heden, zeer primitief waren – een inzicht in de menselijke natuur, een begrip voor alles, wat er in de mens leeft, een kennen van alle motiveringen, die de mens tot zijn daden brengen, dat ontstellend vér gaat. In sommige gevallen zouden wij zelfs mogen stellen, dat de moderne dieptepsychologie nu in deze dagen voor het eerst op wetenschappelijke wijze tipt aan alles, wat op psychologisch gebied reeds in de verre oudheid werd vastgelegd.

Hieruit komt de vraag voort, of misschien veel van de oude wijsheid en de oude openbaringsgeschriften bovendien nog is gebaseerd op een diepe kennis van de mensheid, een weten, dat zo ver gaat, dat het – vergeleken met de doorsnee mens van die dagen – bovenmenselijk, of althans buitenmenselijk genoemd mag worden? Mijns inziens wordt dit bevestigd door vele legenden, overleveringen en openbaringsgeschriften. Steeds weer treedt van buiten af immers de verkondigende engel, de meester, de profeet op. Deze wezens verschijnen opeens. Hun afkomst is meestal onbekend. Is dit niet het geval, dan stelt men in vele gevallen, dat zij uit een maagd zijn geboren. Nu tracht men dit soms te verklaren door te stellen, dat al deze groten onder invloed van het sterrenbeeld de Maagd geboren zouden zijn. Maar m.i. houdt dit geen steek, want het sterrenbeeld de Maagd was onder die naam nog niet bekend op het ogenblik, dat deze verklaring van hun ontstaan werd neergeschreven. Hier moet klaarblijkelijk iets aan de hand zijn, dat verder gaat, dan alleen maar een toevalsgebeurtenis of een mirakel. Wanneer alleen Jezus uit een maagd geboren zou zijn, zo zou ik geneigd zijn uit te roepen: “Ja, dit is inderdaad een groot wonder”. Maar soortgelijke verhalen vinden wij terug bij de boeddhisten en in verschillende Veda’s. Zelfs in de Edda, de IJslandse overleveringen, vind ik een held terug, die spontaan – zonder ingrijpen van een man – geboren wordt. Ook in de Griekse mythologie vind ik dergelijke verhalen terug en denk daarbij onwillekeurig aan de geboorte van bepaalde Goden, die zouden zijn ontstaan uit het hoofd van hun vader, die tot op het ogenblik van hun geboorte het enige levende wezen is. Parthenogenesis in feite.

Ik kan mij deze verhalen moeilijk verklaren, tenzij ik aanneem, dat ook bij het ontstaan van deze verhalen sprake is van een beïnvloeding van buiten de mensheid, waarbij in sommige gevallen inderdaad plotseling een mens “geboren” wordt; wat er in de meeste gevallen op neer lijkt te komen, dat een mens opeens bezeten lijkt te zijn en een geheel andere persoonlijkheid manifesteert dan voorheen. Daarbij treedt dan het menselijk element terug en wordt verdrongen door, of vervangen door, een element van veel grotere en diepere wijsheid.

Ik geloof dan ook, al kan ik dit niet bewijzen, dat in de gehele geschiedenis der mensheid en in het ontstaan van alle openbaringsgeschriften, krachten van buitenaf – met groot inzicht en grote macht – zich hebben gemanifesteerd. Ik geloof, dat dergelijke krachten de mens tot mens hebben gemaakt, door zijn mogelijkheden te ontwikkelen en hem in staat te stellen zichzelf enigszins te beheersen en te begrijpen. Ik geloof, dat dit ingrijpen niet alleen vanuit zuiver geestelijke werelden en sferen heeft plaats gevonden, maar dat daarbij ook in de stof levende wezens en stoffelijke invloeden een zeer grote rol hebben gespeeld. Verder meen ik te mogen stellen, dat – ongeacht hetgeen men gelooft, de wijze, waarop men gelooft enz. – iedere mens voor zich verplicht is dit geloof en de door hem aanvaarde openbaring in te passen in eigen leven, niet slechts als een veraf leidsnoer, of een toekomstig ideaal, maar als een werkelijke en reeds nu het Ik regerende wet. Het geloof dient op deze wijze een maatstaf te zijn, waaraan alle eigen denken en alle actie in de wereld kan worden afgemeten.

Dit laatste schijnt u misschien niet in dit betoog thuis te horen. Maar wanneer in de evangeliën wordt geschreven: “Ik ben u de weg en de waarheid”, zo kan ik niet aannemen, dat dit een zinloze uiting is. Indien ik elders in een der boeddhistische leringen aantref: “Ga de weg der onthechting, niet vrezende en niet begerende en gij zult de waarheid in uzelf bezitten, het licht der rechtvaardigheid kennen”, zo is dit ook geen zinloos gebazel voor mij. Dat moet betekenis hebben. Er zijn vele verschillende wegen geopenbaard – of geschapen – en niet slechts één enkele weg. Met deze verklaring zal ik in de ogen van vele christenen ongetwijfeld een slecht figuur slaan; maar het is nu eenmaal mijn overtuiging. Er zijn vele verschillende wegen geopend – mede door openbaringen – die de mens tot een hoger bewustzijn kunnen voeren. Deze wegen hebben gemeen, dat zij een kennis van de mens en het Al, omvatten, die verder gaat dan de kennis der mensheid in de tijd, dat zij werden geopenbaard en ontstonden in de geschriften, waarin zij werden vastgelegd.

Hierbij denk ik onder meer aan het feit, dat, lang voor de mens ook maar iets kon beseffen omtrent de werkelijke structuur van de materie, reeds gesproken werd over kleinste delen. Dit geschiedde reeds lang vóór Christus’ geboorte. Deze kleinste delen zijn later, aan de hand van een daarvoor door de Griekse filosofen gebruikte term, atomen genoemd. Verder herinner ik u er aan, dat, ofschoon een werkelijke kennis omtrent de bloedsomloop en het zenuwstelsel van de mens niet bestonden, reeds een kennis daarvan in vele geschriften door schijnt te klinken, ofschoon dezen reeds duizend of meer jaren vóór Christus’ geboorte werden opgesteld. Opvallend is ook, dat de oudste sterrenkunde – die geen astronomie en ook geen astrologie in de huidige zin dezer woorden was – zeer nauwkeurig de banen en omlooptijden van de planeten wisten te berekenen, terwijl men eveneens kennis had van de onderlinge rangorde der sterren en hun verschillen in grootte en lichtsterkte wist te hanteren op een wijze, die, gezien het gebrekkige instrumentarium van deze dagen, haast niet als een menselijke wetenschap voorstelbaar is. Ofschoon de chemische kennis in deze dagen wel zeer groot is, waren er in de oudheid bepaalde chemische oplossingen en werden bepaalde legeringen vervaardigd, die door de mens van heden nog niet te imiteren zijn. Klaarblijkelijk is dus deze oude waarheid iets waarmee wij ons nog wel degelijk bezig moeten houden. Wij mogen aannemen, dat, verborgen onder mythologie en godsdienstige begrippen, een zeer werkelijke wetenschap is verborgen. Wij kunnen niet nagaan, uit welke bron dit alles stamt.

Natuurlijk kunnen wij stellen, dat dit alles van God is gekomen enz… Zeker is, dat waarheden en wijsheden, die, ondanks alle vervormende invloeden, een dergelijke kennis van het Al en een dergelijk inzicht in kosmische samenhangen, zowel als menselijke psyche, vertonen, voor de mensheid van het allerhoogste belang zijn. Waar bovendien in vele gevallen de historische waarde van deze geschriften blijkt en in vele gevallen in deze geschriften zuiverder en duidelijker het verloop der gebeurtenissen is vastgelegd dan in menig geschiedkundig werk, mogen wij – ondanks alle eenzijdigheid der openbaringsgeschriften – dan ook wel stellen:

  1. De waarheid, die zij bevatten, is niet alomvattend, maar zó groot, dat zij voor ons een wet worden. Hier vinden wij Licht en kracht uit hogere werelden. Men kan voor zich kiezen, wat men aanvaarden wil van de openbaringen, die deze wereld nog kent.
  2. Verder kan men daarbij uitgaan van de esoterische, de verborgen innerlijke, betekenis daarvan, dan wel de letterlijke aanvaarding van deze openbaringen vooropstellen. In al deze gevallen zal daarin een waarde zijn gelegen, die – voor de eenling, zowel als geheel de mensheid – goed is, mits men maar daarbij stelt, dat hier geen sprake is van een leer of een ideaal, van iets, waarmee men zich soms eens bezig dient te houden, maar van een wet, die alle dagen en uren van het eigen leven beheerst.
  3. Elke godsdienst en elke esoterische leer, zelfs indien men deze niet geheel begrijpen kan, mits daarin een Goddelijke element meespreekt en een aantal der genoemde feiten redelijk bevestigd kan worden, zal het de mens mogelijk maken geestelijk te groeien en stoffelijk meer te bereiken. Enige kennelijk juiste feiten, enkele bevestigingen van het gestelde zijn nood- zakelijk; alleen wanneer er een zeker voor de mens aanvaardbaar bewijs is, zal hij immers ook redelijk en niet alleen in zijn gevoelens kunnen weten, dat de leringen waardevol en de daaruit voortvloeiende wetten goed zijn.
  4. Verder is belangrijk, dat men beseft, dat het niet noodzakelijk is een eigen interpretatie van geval tot geval te geven, of een verklaring van de wet en haar toepassingen van geval tot geval dient toe te voegen aan de wet zelf, doch slechts in gehoorzaamheid aan die wet dient te leven, haar aanvaardende, zoals zij is.
  5. Verder dienen wij te beseffen, dat alle wetten, die aan deze openbaringen door de mensen werden verbonden, voor de wetgevers met een bepaald nut gepaard gingen. Deze religieuze wetgevers streven met het geven van geboden, gebaseerd op de eigenlijke leer, steeds een meer stoffelijk doel na. Zoals Mozes de Tien Geboden nodig had om uit een mengeling van volkeren en stammen het ene en samenhangende volk van Israël te maken. Zoals de christenen een geloof aan onfeilbaarheid nodig hadden om deze pauselijke macht te kunnen handhaven t.o. de vele vorsten die zelf ook naar macht streefden en deze macht ook op religieus gebied wilden uitoefenen. Zo heeft elk geloof geloofsartikelen en wetten, die niet uit de leer zelf voorkomen, maar in de eerste plaats te maken hebben met pogingen om macht te verwerven of te behouden, de godsdienst te regelen en de gemeenschap godsdienstig te richten en slechts in de tweede plaats, of zelfs geheel niet, daarbij rekening houden met de werkelijke leer en de eerlijke waarheid. Dergelijke wetten mogen wij rustig terzijde stellen.

Achter al dit mensenwerk ligt een wet, die uit een hogere wijsheid werd geboren, een wet, die wij niet loochenen kunnen. Voor zover het het Oude Testament betreft, meen ik, dat men als kern der wet kan volstaan met de eerste drie artikelen der Tien Geboden. Wanneer wij bij de evangeliën komen, zullen wij daar de werkelijke wet uitgedrukt vinden in de woorden:

“Heb God lief boven alle dingen en uw naaste gelijk, uzelf”.

Wanneer wij de leringen van Boeddha en alle boeddhistische geloofsvoorschriften nagaan, zo kunnen wij hier de kern vinden in de woorden:

“Vreest niet en begeert niet, maar ga uw weg met een bewustzijn van de Kracht, waaruit gij zijt voortgekomen”.

In alle esoterie, in alle godsdienst, in alle openbaringen vindt men een dergelijke alomvattende waarheid terug. Deze waarheid is de wet, volgens welke men dient te leven en te denken.

Mijn inleiding wil ik nu als volgt besluiten:

De waarheid in de openbaringsgeschriften is niet de letterlijke waarheid, of de waarde, die de mens daarin bij voorkeur pleegt toe te kennen. Die waarheid blijkt steeds, wanneer men de hogere waarden en krachten binnen deze openbaring leert beseffen.

In de tweede plaats bevatten al deze geschriften in zeer eenvoudige termen de wet, die het de mens mogelijk maakt de hogere geestelijke waarden, die geopenbaard, werden, zelf en waarlijk te beleven. Wanneer men deze kern uit onverschillig welke openbaring voor zich weet te vinden en te beleven, heeft men de waarheid van de schriftuur gevonden, zal men een het Al omvatten- de waarheid daarin leren kennen en alle andere argumenten, beweringen en wetten, als onbelangrijk terzijde stellen.

* Ik ben ervan overtuigd, dat niets in de eeuwige Schepping teloor zal gaan. Allen zijn aan God gelijk in het Rijk der Goden, zoals God de mensen, want God vernietigt Zich niet.

Ik meen, afgaande op eigen ervaringen op aarde en in de sferen, dat wij allen inderdaad naar een punt van bewustwording toestreven, waarin wij inderdaad waarheid zullen kennen. Of dit de absolute en alomvattende waarheid zal zijn, weet ik niet. Dit betwijfel ik zelfs. Op het ogenblik, dat wij God volledig kennen en alle geheimen van Zijn wezen en Schepping bezitten, zijn wij volledig gelijk aan God. Mijn persoonlijke overtuiging, die ik met velen gemeen heb, is dan ook, dat wij eens wat betreft onze eigen ontwikkeling de volle waarheid zullen weten, maar dat er toch wel elementen in het Al zullen blijven bestaan, waarvan wij niet op de hoogte zijn. Ik meen, dat wij kunnen besluiten met de opmerking, dat het leven, gepaard gaande met een persoonlijk voortbestaan in de sferen, zoals ik dit ken, inhoudt, dat er een eindbestemming zal bestaan, die voor ons volledig bevredigend zal zijn. Dit betekent, dat wij een waarheid zullen kennen, die geheel ons wezen vervult.

* Maar u weet, dat het einddoel de moeite waard is?

Ongetwijfeld. Ik weet dit, omdat een enkel ogenblik van vrede en geluk, zoals je soms reeds in het menselijke leven kunt vinden, maar vooral in de Lichtere sferen regelmatig zult doormaken, een zodanige vervulling is van eigen wezen, dat een enkel ogenblik eigenlijk reeds alle zorgen en ellende waard is. Eén ogenblik van bewustzijn in vrede kan reeds alle leven waard zijn. Hoe onmetelijk groot moet dan niet de innerlijke vrede en vreugde zijn, wanneer men weet, dat men zijn einddoel werkelijk bereikt heeft? Het einddoel is dan ook volgens mij zeer zeker alle moeiten waard.

* Maar het ego is dan geheel veranderd, een deel van een veelheid, waarin  misschien nog flauw een notie leeft, dat je eens zelfstandig bestaan hebt.

Een moeilijk punt. Aan de hand van hetgeen wij in de sferen zien, kan ik opmerken, dat een of zelfs meerdere entiteiten tot eenheid kunnen worden t.o.v. de buitenwereld en tegenover die buitenwereld verder dan ook als een persoonlijkheid, een enkel wezen, op kunnen treden. Wij weten ook, dat elk van de delen, toch een volledig persoonlijk besef blijft behouden. Dit persoonlijk besef is zelfs dieper en rijker door de eenheid en gemeenschap, waarin men met anderen streeft en werkt. Dit zijn voor ons constateerbare feiten, die op aarde moeilijk kunnen worden nagegaan.

Indien u stelt, dat geheel de Schepping op den duur één geheel wordt, lijkt mij dit aanvaard- baar. Indien u stelt, dat het ego daarbij verandert, betwijfel ik, of dit wel juist is gesteld. Het lijkt mij juister om te zeggen, dat het ego van de mens zich juist binnen deze gemeenschap geheel ontplooit. Vergelijk: menselijk ego als zaad, nog van de werkelijke buitenwereld afgesloten en geen werkelijk levensproces buiten zichzelf kennende. Het ontplooide Ik: de plant of bloem, geheel ontwikkeld en deel van de natuur, ook in eigen ervaren. Al wat in het zaad was, is ook in de bloem. Dat het persoonlijk besef omtrent eigen wezen zich wijzigt, is aanvaardbaar en natuurlijk. Dit geschiedt immers reeds vaak gedurende het menselijke leven, soms meerdere malen. Ik meen, dat het ego, zoals de mens dit redelijk erkent, slechts een zeer klein deel van zijn werkelijk wezen is, aangezien de doorsnee mens geen direct bewustzijn heeft van zijn banden met de kosmos, zijn beïnvloed worden door de kosmos en zijn eigen invloed op de kosmos. Verder heeft de mens weinig of geen besef van zijn geestelijk bestaan en zijn verschillende geestelijke voertuigen, dit met alle mogelijkheden en consequenties, daaraan verbonden. Vanuit een stoffelijk redelijk bewustzijn zal volgens mij het ego dan ook nimmer volledig gekend kunnen worden. Het kan wel soms aangevoeld worden, maar zal nimmer bewust worden beseft.

*  Vanavond spreekt u over waarheid. Wat verstaat u daaronder?

Waarheid feiten en waarden, die ten allen tijde onveranderlijk zichzelf gelijk blijven, niet aangetast kunnen worden door veranderingen van waarden buiten deze waarden en feiten, waardoor zij niet slechts steeds zichzelf gelijk blijven, maar ook voortdurend gelijkelijk kenbaar zijn. Dit is waarheid in kosmische zin. Daarnaast kennen wij een beperkte waarheid: de op dit ogenblik onloochenbaar bestaande situatie, die door mij met en anderen van een gelijk bewustzijn gelijktijdig en in gelijke vorm beleefd wordt, zo dat wij deze verschijnselen en werkingen in hun wezen als voor allen gelijk zijnde en voor allen gelijkelijk werkzaam zijnde hun wezen als voor alleen gelijk zijnde en voor alleen gelijkelijk werkzaam zijnde kunnen erkennen.

De formulering is wat ingewikkeld. Maar er is niets moeilijker te omschrijven dan het begrip “waarheid”. “Waar” wil zeggen “werkelijk”. Werkelijk zijn alleen de punten, feiten en toestanden, die niet door het menselijk denken veranderd kunnen worden en, ontdaan van elke menselijke interpretatie, zichzelf gelijk blijven. Wanneer ik de vraag stel: “Wat is de waarheid in de Bijbel en andere openbaringsgeschriften”, zo heb ik daarmee gesteld: “Wat is de werkelijke en onveranderlijke waarde daarin, zover ik deze na kan gaan?” Een poging tot objectiviteit betekent, dat men via een tijdelijke waarheid reeds de kosmische waarheid kan benaderen, door uit te gaan van alles, wat op het ogenblik begrijpbaar en beredeneerbaar is. Dit wil niet zeggen, dat op deze wijze een volledige, een volle waarheid wordt bereikt. Wel wil het zeggen, dat bepaalde onwaarheden, die uit menselijk denken werden geboren of ontstonden, door bv. het verschil van uitdrukken en beleven in verschillende tijdperken, daardoor geëlimineerd kunnen worden.

 * Jezus heeft gezegd: “Laat de doden de doden begraven”. Hiermee verbonden de  uitspraak: “Ik leef en gij zult leven”. Mag ik hierover uw commentaar?

Laat de doden hun doden begraven is: laat het verleden het verleden zijn. De waarde van het verleden ligt in het verleden. Tracht niet meer ze ook nu nog werkzaam te maken. Vele mensen hebben getracht deze uitspraak omtrent de doden van toepassing te verklaren op mensen, die gestorven zijn. Elk ogenblik sterft er iets: een woord dat verklonken is, een toestand die achterhaald is… Gisteren was Nederland een koloniale macht… Pardon, mijn voorbeeld schijnt doeltreffender te zijn, dan ik meende.

Wanneer ik dit stel, betekent “Laat de doden hun doden begraven”: tracht niet de toestand van gisteren te continueren. Leef vandaag, stel u in op de mogelijkheden en toestanden van vandaag en morgen. Leef steeds naar morgen toe en tracht nimmer dat, wat gisteren was, nog te doen herleven, want het leven is een voortdurende ontwikkeling, een verder gaan, dat niet alleen in de tijd, maar ook in ons eigen wezen en onze eigen begrippen tot uiting komt. De illusies, die zich nog bezig houden met wat gisteren was, zijn nutteloos. Wie naar gisteren grijpt zal het heden niet begrijpen en zich daardoor meer en meer van de werkelijkheid verwijderen. Indien wij teruggrijpen en onszelf daarin verliezen, zo worden wij zelf tot doden. Wij leven niet werkelijk meer op het ogenblik, dat de werkelijkheid van vandaag aan ons voorbij gaat. Misschien is deze interpretatie niet de meest gebruikelijke, maar volgens mij is zij wel de meest juiste, want “Jezus leeft”. Dus niet: “Hij heeft geleefd”. Hij is een kracht, Die nu nog bestaat. Toch is hij niet meer dezelfde Jezus, die eens te Bethlehem geboren werd, predikte in Galilea en stierf op Calvariën. De Jezus, Die leeft, is de Jezus van nu, een Wezen, waarin alle krachten van de vroegere Jezus ongetwijfeld aanwezig zijn, maar die toch anders is, omdat Hij voortleeft.   Wanneer wij dit beseffen en ons niet afvragen, of wij terug kunnen keren, tot wat gisteren was, maar steeds verder gaan in het heden en met de middelen van het heden, te bouwen aan een beter morgen, een betere beheersing en een groter onderling begrip in de toekomst, zo kunnen wij onszelf waarlijk het leven verschaffen; want de vloed van de tijd is een reeks van veranderingen, waaruit wij leren, waaruit wij sterker worden. De vloed van de tijd is een voeding, die ons niet slechts in staat stelt de lasten van het leven te dragen, maar ook ons steeds méér doet leven en zo in staat stelt om alles, wat nu nog verblindend en onbegrijpelijk voor ons is, eens te aanschouwen, te begrijpen en bewust waar te nemen: de Goddelijke werkelijkheid. Wie niet naar het verleden teruggrijpt, maar steeds leeft voor morgen, leeft werkelijk. Ik meen, dat Jezus dit in de eerste plaats heeft willen zeggen met deze spreuk.

Vergeet niet, dat de tempel reeds toen de begraafplaats was van een aan onvermogen stervend Judaïsme. In de tijd, dat Jezus leefde, gingen alle waarden van het verleden reeds teloor. De heerschappij van God over zijn volk, als theocratische gemeenschap, had reeds plaats gemaakt voor armzalige pogingen om zo goed mogelijk in redelijke overeenstemming met de Romeinen hetzelfde nog te doen voortbestaan.

Jezus ziet vooruit, Hij schouwt niet terug naar de dagen van Salomo en David, zoals zovelen in zijn dagen. Hij leeft. Wie zijn weg gaat, levende voor het Koninkrijk Gods, zal zich op een bepaald ogenblik vrij kunnen maken van alle oude en vergane begrippen.

Volgens mij is deze uitleg veel aanvaardbaarder dan het gebruikelijker “Laat vooral de doden in hun graf rusten”. Bovendien, zijn er wel doden? Alles bestaat in en uit God. God vernietigt zichzelf niet, werd zo-even gesteld. Kan er dan iets waarlijk sterven? Hoogstens kan iets uit uw leven en/of bewustzijn verdwijnen; dan sterft het misschien voor u, maar het leeft voort, tot ook u het weer zult beseffen, zodat het ook voor u weer levend wordt. Daarom stelt Jezus dan ook: Grijp niet naar het verleden terug, maar bouw u – gebaseerd op alles, wat het verleden u heeft gebracht – een toekomst.

* U zei, dat vele profeten epileptici waren. Bedoelt u daarmee, dat zij door andere  wezens in beslag genomen waren?

Epilepsie is een ziekteverschijnsel. Zij komt in twee vormen voor: het z.g. “petit mal” en het “grand mal”. In het eerste geval heeft de lijder korte stuipen. De tweede vorm doet bewusteloosheid ontstaan, gepaard gaande met sterke krampen, die een algehele uitputting kunnen veroorzaken. De epilepticus evenals de waanzinnigen, behoorde voor de primitievere mensen, tot de mensen, die men niet helemaal kon begrijpen. Daarom kende men aan hen een bijzondere invloed toe. Er zijn gevallen bekend, waarbij uitspraken van een waanzinnige, van een lijder aan epilepsie enz., werden aangenomen als orakel der Goden, als een uiting van God Zelf. Dit, ofschoon telkenmale achteraf bleek, dat hun uitspraken geen enkele zin hadden. Ofschoon er zekere profeten zijn, waardoor de geest spreekt, zoals dezen door alle tijden hebben bestaan en de geest des lichts, de geest Gods, zich door vele middelen steeds weer uit in de menselijke wereld, zo zijn er ongetwijfeld ook velen geweest, die hun roem als profeet en gezondene niet te danken hadden aan een ingrijpen van de geest,… maar alleen aan het bewust of onbewust exploiteren van een zuiver stoffelijke kwaal. Deze kwaal werd door de hen omringende menigte niet begrepen en gaf hen de roep door geesten of Goden bevangen te worden.

* Waarom horen wij in Oude Testament zo weinig over het leven na de dood? Het moet toch voor de Joden zeer belangrijk geweest zijn, zie o.m. het gesprek van Jezus met Nicodemus.

Nicodemus had een grotendeels Griekse opleiding. Zijn gesprekken en filosofieën kunnen wij dan ook zien als voor het grootste deel niet zuiver joods. Ook gaat het Oude Testament terug in zijn belangrijkste boeken tot enkele duizenden jaren voor Jezus’ geboorte. Wij kunnen aannemen, dat de belangrijkste delen van dit Oude Testament vanaf 2.000 tot rond 1.700 v. chr. tot stand zijn gekomen. De verhouding mens – Godheid was vroeger anders dan nu – men nam aan, dat bepaalde grote mensen – helden – zouden blijven voortbestaan. Zij zouden tot in de hemel of in het dodenrijk behoren na hun dood en daar verder leven. De anderen zouden, niet voortleven, maar eenvoudig vergaan.

In Egypte is het voortbestaan afhankelijk van de balseming van het lijk. De mens zocht in die tijden niet in de eerste plaats zekerheid omtrent een voortbestaan in zijn godsdienst, maar wenste in de eerste plaats krachten uit en gunsten van zijn God te verwerven. Ook bij de Joden is dit in het begin het geval geweest. Later ontstond het bewustzijn, dat eens een voortbestaan mogelijk zou zijn. Men nam niet aan dat er een direct leven na de dood zou ontstaan, maar meende, dat de mens bij de dood onbewust werd, insluimerde a.h.w., en eerst weer bewust zou leven op het ogenblik, dat er een Laatste Oordeel wordt geveld over geheel de mensheid en de huidige wereld op zou houden te bestaan. Daarna vinden wij de opvatting, dat bepaalde profeten enz. onmiddellijk bewust zouden blijven voortbestaan, zodat men met hen een contact zou kunnen opnemen. Nog later meent men, dat er een dodenrijk bestaat, waarin alle zielen zullen leven tot de dag des oordeels. Ongetwijfeld komt bij vele van deze voorstellingen de invloed van Egypte en Griekenland om de hoek kijken. Deze laatste invloeden en gedachten werden rond 500 v. Chr. merkbaar, maar beïnvloedden zeker niet het gehele joodse volk. In deze tijd ontstaat ook het gebruik, dat vroeger alleen aan heidenen bekend was – de heks van Endor – om, terwijl men in quorum bijeen is, met bepaalde incantaties de doden op te roepen en een contact met de geest te verwerven.

Bij dergelijke seances traden invloeden en toestanden op, die aan het Pinkstergebeuren doen denken, ofschoon de inwerking op de aanwezigen niet zo overweldigend en overtuigend zal zijn geweest Wij kunnen dus wel zeggen, dat er in Jezus’ tijd een aarzelend aanvaarden van een onmiddellijk persoonlijk voortbestaan na de dood in het joodse volk bestond. Slechts enkele sekten hielden zich hiermee werkelijk bezig. Op de denkwereld van de ruimer denkende Joden had hierbij ongetwijfeld een aantal Griekse nederzettingen in de omgeving van Israël een belangrijke invloed. Ook Aziatische invloeden zijn in de eeuwen rond Jezus’ geboorte merkbaar. Hiermede heb ik, naar ik hoop, duidelijk gemaakt, dat in het religieuze leven van de Joden de hoop op een beloning in een onmiddellijk na de dood beginnend hiernamaals, niet een zo grote rol speelde, als in vele andere godsdiensten.

Belangrijk is daarentegen van het begin af aan de relatie tussen God en het – zich als uitverkoren beschouwende – volk. Deze God treedt compenserend op, bestraft de zondaars, maar beloont de trouw van Zijn volk en Zijn dienaren en beschermt of wreekt hen. Dat reeds in een ver verleden bepaalde esoterische geheimscholen bestonden, die over het voortbestaan na de dood andere opvattingen hadden, bewijst nog niet, dat het joodse volk als geheel dit aanvaardde, of zich daarmede bezig hield. Zelfs werden bepaalde gemeenschappen, die zich sterk met het leven na de dood bezig hielden, uitgewezen en werden niet meer als werkelijke Joden erkend. Vanuit het standpunt van de schrijvers van het Oude Testament, was het dan ook niet noodzakelijk de nadruk te leggen op het leven na de dood. De uitverkiezing van het volk was voor hen belangrijker en betekende een belangrijker band, dan een geloof aan een hiernamaals, volgens hun denken zou kunnen zijn.

Wanneer dan ook op het leven na de dood wordt gezinspeeld, geschiedt dit in bedekte termen, of – typerend voor de tijd, waarin deze boeken tot stand kwamen – in verband met het leven van helden of profeten. Wat bij de christenen als het Oude Testament bekend is, is dat deel der geschriften, die voor geheel het volk bestemd waren. Vele leraren waren er lange tijd zeer op tegen, dat de vraag van het voortbestaan na de dood zou worden aangeroerd, zodat zelfs in Jezus’ tijd in vele gemeenten dit onderwerp eenvoudig taboe was. Pas in het christendom wordt de gedachte aan een voortbestaan na de dood steeds sterker. Hieraan was naar mijn mening een onjuiste interpretatie van het koninkrijk Gods schuldig, dat men niet zag als een rijk, dat in de mensen zelf is gelegen, maar word vereenzelvigd met het Koninkrijk der hemelen. Voor vele joodse christenen werd dit alles eerst werkelijk aanvaard, omdat Jezus eveneens had gesteld, “Want ziet, Ik ben u het einde van het Oude Verbond”. Overigens zagen vele der eerste christenen de christelijke leer als een voortzetting van het Jodendom.

In het Oude Testament zien wij verder nog, hoe zeer het Jodendom werd beschouwd als een uitzonderlijk volk, dat zich gescheiden diende te houden van alle andere volkeren. Wij lezen bv. hoe men zich beklaagt over de verwerpelijke praktijken van de zonen Israëls, die ingaan tot de dochteren der Medanieten. Een nadruk op een voortbestaan zou ongetwijfeld een binding hebben betekend met vele andere godsdiensten. Dit wenste men te voorkomen. Het diende als uitverkoren volk op zich te blijven. Dit is begrijpelijk, want reeds in Mozes’ dagen was het joodse volk niet, zoals men nu pleegt aan te nemen, werkelijk één volk. Het was een samenraapsel van verschillende stammen en woestijnvolkeren. Ook vóór de gevangenschap in Egypte was het volk nooit een werkelijke eenheid geweest, maar bestond uit een reeks van kleinere, onder elkaar steeds strijdende stammen, waarvan de leiders, de hoofden, het best vergeleken kunnen worden met sjeiks en de kleine stadsvorsten, die wij ook bij andere volkeren aantreffen. Met een dergelijke heterogene groep, die alleen ras eigenschappen gemeen had, een gebied te veroveren en te beheersen, was alleen mogelijk door een religieuze binding te scheppen. Vandaar de nadruk op het ingrijpen van Jehova, de uitverkiezing, de bovennatuurlijke band tussen de stammen. Dit was de enige mogelijkheid. Een op meer natuurlijke waarden gebaseerde binding was oncontroleerbaar geweest. Dan had men kunnen strijden over voorrechten en taken, over gezag en invloed. Door dit alles vanuit God te regelen, werd een protest voorkomen. Zo ontstaat een geloof, dat bewust een verschil accentueert tussen zichzelf en alle andere vormen van denken en geloven. Toch zien wij – zij het dat dit niet openlijk wordt erkend – de invloed van de heidenen en hun denkwijzen. Dit begint al in de tien Geboden, waarin wij vele regels en wetten aantreffen, die in Egypte reeds bestonden. Het scheppen van een absolute afzondering van de Joden is kennelijk het doel van de wetgevers en schrijvers. Hieraan is waarschijnlijk ook het absolute verbod te danken om beelden etc. te vervaardigen, want de heidenen kenden en eerden beelden. Hieruit zou weer een band tussen Joden en andere volkeren kunnen ontstaan. Toch luidt het gebod: “Gij zult geen vreemde beelden voor Mijn aangezicht stellen”. Wat inhoudt, dat het werkelijke beeld wel mocht worden gemaakt, terwijl het maken van andere beelden verboden zou zijn, van zodra men daaraan Goddelijke waarden ging toekennen. Ik weet niet, of u zich kunt realiseren, hoever dit alles werd doorgevoerd. Dit ondanks het feit, dat in de eredienst wel degelijk beelden werden gebruikt, de Seraphim op de ark bv.

Dit alles bewijst wel, dat men er geen interesse aan had de nadruk te leggen op een voortbestaan na de dood en alles, wat daarmede samenhangt. De kern van de leer had immers andere, volgens de leiders van het volk, belangrijker aspecten. Bovenal wijs ik u erop, dat, mede gezien de commentaren op de wet en de profeten, klaarblijkelijk verschillende godsdienstige leiders van het joodse volk elk hun eigen visie hadden op de belangrijkste aspecten van het geloof.

Jammer genoeg zijn er maar weinig wetsrollen en commentaren uit de voorchristelijke tijd overgebleven. Daardoor blijven vele interessante commentaren en verschillende inzichten van bv. Jezus’ eigen tijd voor de hedendaagse mens ontoegankelijk. De hellewereld, waarheen Jezus zou zijn afgedaald na Zijn dood, is geen hel in de algemene zin des woords, doch eerder een plaats van geestelijke gebondenheid, overeenkomende met hetgeen wij bedoelen, wanneer wij van een duistere sfeer spreken. Het bestaan van deze plaats en deze vorm van voortbestaan was bij bepaalde joodse sekten bekend.