De ware leer van Jezus – deel 2

DEEL II

Het openbare leven van Jezus

Als u de evangeliën doorbladert, ik neem aan dat u dat wel eens hebt gedaan, dan valt het op, dat het aantal verhalen, gelijkenissen en leringen dat daarin staat eigenlijk maar heel weinig is voor een periode van ten minste ongeveer drie jaar openbaar werk. Ik geloof dat dit meestal over het hoofd wordt gezien en dat men zich niet realiseert hoe dit komt.

Om te begrijpen wie Jezus is hebben wij hem in het eerste deel geprobeerd te schetsen in zijn ontwikkeling en zijn wezen. Nu komen we dan aan het ogenblik – ik zou haast zeggen het fatale ogenblik – dat Jezus in de woestijn is.

In die woestijn wordt hij bekoord, althans, dat wordt ons verteld. Er was niemand bij behalve Jezus. Kennelijk hebben we hier dus te maken met iets wat Jezus, zijn leerlingen heeft verteld en wat ook een diepere betekenis heeft. Wij moeten het niet zien als de beschrijving van een directe werkelijkheid, maar als een beschrijving van een relatieve werkelijkheid, een leerverhaal, een soort gelijkenis.

Eerst verwerpt Jezus het wonder ter bevrediging van zichzelf. Hij voelt er niets voor uit stenen brood te maken en daarbij de onthouding, die hij zichzelf oplegt, teniet te doen.

Het tweede, zo wordt ons verhaald, is erger: het is een poging hem over te halen zichzelf te bewijzen. Werp u van de tinnen van. de toren enzovoort.

Het derde is een beroep op zijn behoefte aan macht en misschien ook aan goed doen.

Jezus probeert de mensen in deze gelijkenissen duidelijk te maken hoe het ervoor staat. Het ergste kwaad is doodgewoon: jezelf handhaven tegen je geweten in. Als je voor die eenvoudige, zeer vaak voorkomende val niet zwicht, dan is er altijd de tweede: Mens, je bent onzeker, bewijs jezelf. Gaan we nog wat verder dan is daar altijd weer: Kijk eens, het is beter je hele wereld te regeren en dat dan goed te doen, dan eenvoudig verder te gaan zonder gezag, want je kunt alleen goed doen indien je macht hebt. Nee, zegt Jezus, ook dat moet je verwerpen. Geestelijke macht ligt in jezelf.

Nu ben ik niet van plan me verder met exegese te gaan bezighouden. Dat lijkt me betrekkelijk zinloos op een avond als deze. Hier zien we Jezus echter voor het eerst zoals hij eigenlijk is: de Meester, de Leraar. Iemand die voor zich het aanzien van zichzelf en zelfs de illusie dat macht betekenis heeft, terzijde stelt. Daarmee bereikt hij iets dat heel dicht bij de inwijding ligt. Als wij later dan ook horen (zij het in gnostische geschriften en niet in de evangeliën) dat Jezus in de woestijn op een bepaalde manier aanroepingen doet, dat hij plechtigheden viert van een uitgesproken magisch karakter, dan kunnen we dat begrijpen, want het heeft niets meer te maken met macht en machtsuitoefening. Het is de uitdrukking van de harmonie tussen het Ik, de wereld en de Vader.

Voor een groot gedeelte kunnen we alle verhalen die er verder zijn wel enigszins met een korreltje zout nemen. Neem bv. het verhaal van de doop in de Jordaan.

Jezus komt daar. Hij wordt herkend door Johannes (geen wonder, want hij was een neef van hem), die uitroept: “Kijk, daar is hij die groter is dan ik!” Begrijpelijk. Johannes weet dat Jezus heeft gereisd, dat hij een groot talmudist, een hebraïst is, dat hij kennis heeft van andere leerstellingen, dat hij weet van de magie van Egypte, van de denkwijze van India. Het is geen wonder dat hij zegt: Deze is groter dan ik. Dat is niet de geest Gods, dat is gewoon de logische reactie van iemand, die in zijn neef zijn bewonderde meester ziet, zijn meerdere.

Dan komt de doop. Johannes zegt: “Eigenlijk zoudt gij mij moeten dopen.” Natuurlijk, de wijsheid is nu eenmaal datgene je wat geeft. Dopen is geven en vernieuwen. De wijsheid van Jezus zou zelfs voor Johannes de Doper, de geroemde profeet en heremiet, een verbetering, een verandering kunnen zijn. Maar Jezus zegt: “Nee, ik wil behoren bij degenen die zich willen vernieuwen. Doopt gij mij.”

Daarna komt het voorval waarvan we allemaal zeggen: Ja, maar dat is een wonder Gods. Er is een duif (die is opgevlogen uit een bosje vlakbij, maar dat staat er niet bij) en die duif zweeft op het ogenblik van de doop boven de wateren. Dan hoort men een stem (er staat niet dat die duif dat heeft gezegd): Dit is mijn welgeliefde zoon enz.. Als een profeet spreekt en hij spreekt uit naam van God, dan noemt men hem “een stem” of “de stem Gods”. Johannes de Doper was als zodanig erkend. Het is zeer waarschijnlijk dat Johannes de Doper zelf die uitspraak heeft gedaan en Jezus trekt zich er verder dan ook niets van aan, hij geeft er geen antwoord op. Ook dit is begrijpelijk, want het eerste punt van Jezus werkelijke leer is wel: Wees mens met de mensen, Een groot deel der christenen probeert Jezus ver weg te plaatsen. Er wordt b.v. niet over gesproken dat hij gehuwd is geweest, dat hij dus niet ‑ laten we zeggen ‑ helemaal maagdelijk was toen hij aan zijn werk begon. Daar praten wij ook niet over. Wij beginnen bij zijn openbaar leven, wanneer hij alles achter zich laat, ook Maria, zijn moeder, Mirjam, zijn vrouw enz.

Wij volgen Jezus als leraar en wij horen ook niet dat hij tijdens zijn werk als leraar ook nog zo nu en dan optreedt als timmerman; hij is tenslotte een goed timmerman. Hij wordt door de christenen vervreemd.

Jezus is een wonderdoener en als wij horen dat hij de Bergrede houdt dan klinkt dat als een wonder. Maar lees nu eens wat er is gezegd. Is het daarvoor nodig dat een schare zolang bijeen blijft, dat ze zelfs geen eten meer hebben? Nee, hier is kennelijk weer iets gebeurd. Men heeft de essentie van een grote reeks leringen geprojecteerd in de steeds herhaalde woorden. Evenals ook de gelijkenissen, die (laten we dat niet vergeten; later uit het geheugen moeten worden opgediept en niet onmiddellijk worden opgetekend) meer te vergelijken zijn met de leerverhalen van de vele rabbi’s. Verhalen, die ze overal vertellen. Het is heel goed mogelijk dat een gelijkenis als die van de arbeiders in de wijngaard door Jezus overal wordt gebruikt. Het is bovendien een leerstuk, dat niet alleen te maken heeft met de Wijngaard des Heren. Het heeft ook iets te maken met een sociale kwestie, namelijk de vraag of de beloning van de arbeid, als er een overeenkomst is gesloten, door eisen mag worden verhoogd of niet, en ook de vraag, of de landheer het recht heeft naar eigen wens loon toe te kennen aan een ieder die geen overeenkomst heeft gesloten. Laat mij u vertellen dat dat een actuele kwestie was in die tijd. Dat heeft niet alleen maar te maken met dat verre hemelse, dat men er altijd in zoekt. Het heeft wel degelijk te maken met het alledaagse.

Als Jezus over de dwaze en de wijze maagden vertelt, gebruikt hij een gelijkenis die uit het leven genomen schijnt te zijn, want bij bruiloften komt het voor dat de bruidegom midden in de nacht verschijnt omdat hij een heel eind heeft gereisd. Zelfs het idee van de ontvoering leeft nog bij een deel van de stammen. De Israëlieten zijn tenslotte tot op zekere hoogte nog een woestijnvolk. We moeten dus de beelden die hij projecteert wat dichter bij de wereld brengen.

Als Jezus spreekt over het geloof als een mosterdzaad, dan is dat begrijpelijk. Als hij spreekt over de gelovige (de mens die God in zich kent) als het zuurdesem in de mensheid, dan kunnen we dat ook nog begrijpen, dat zijn eeuwige dingen. Maar als hij begint over een rentmeester, die talenten heeft gestolen en die zich dan uit de Mammon vrienden maakt, dan vragen we ons af: Maar wat is dat nou? en dan gaan we het verdraaien. Jezus bedoelt letterlijk: Wanneer je nou toch diefstal pleegt of onrechtvaardig bent, doe het dan zo, dat je daarmee zoveel mogelijk genegenheid kweekt, want die genegenheid is zeer belangrijk. Maar dat kun je niet zeggen, dat is niet sociaal. Dus zeggen wij: Maak je vrienden uit de Mammon. Koop met het geld dat je op aarde verdient voor jou de zegen van de hemel.

Dat heeft Jezus echter dat nooit bedoeld. Hij is niet alleen maar een docent van een levensleer in geestelijke waarden, dat moet u zich heel goed realiseren, anders zullen we zijn leer nooit kunnen begrijpen. Jezus is een practicus die met beide benen op de grond staat. Hij is een politicus en zou zeker nooit zijn vervolgd en gekruisigd als hij alleen maar leraar was. Een leraar kun je weglachen en wegpraten. Zelfs als hij wonderen doet kun je hem nog weglachen en wegpraten, maar niet iemand die je in je fouten aantast. Niet iemand die zegt:: “Maar zo hoort het niet” en die zegt: “Een priester heeft geen recht om dit of dat te zeggen”. Vooral wanneer hij daarbij dan ook nog zegt: “Die priesters en die tempels hebben geen wereldlijk gezag, dat matigen ze zich aan. Het werkelijke gezag is Rome.” Van dit alles horen we niets en daardoor wordt Jezus en vooral de ware leer van Jezus vaak zo volkomen verkeerd begrepen.

Jezus is in de eerste plaats onafhankelijk. Hij staat tussen de kampen. Hij kiest niet voor Rome, zoals velen hebben gedaan, maar ook niet voor de tempel. Hij geeft ze allebei hun vet, als het zo uitkomt. Hij houdt het niet met de zedenprekerij, de zedenregels van al die brave, vrome mensen.

Dat is natuurlijk iets wat in het verleden dan wel zo geweest kan zijn, maar bij ons kan dat niet. Niemand kan zich voorstellen dat Jezus tegenover de vrome ouderlingen van de kerkenraad gaat staan en zegt: “Gij, witgepleisterde graven, van buiten vol verblindende schoonheid, van binnen vol verderf.” Toch is wat Jezus doet precies hetzelfde.

Jezus houdt zich niet aan een kerk of tempel. Al moeten we hier, voor zover het de aardse bronnen betreft, weer teruggrijpen naar de gnostici, die werden vervolgd, terwijl de waarde van hun geschriften over het algemeen wordt ontkend. Als Jezus zelf werkelijk religieuze dingen doet, dan doet hij ze in de vrije natuur. Geen wonder, dat hij met de Samaritanen soms beter kan opschieten dan met de orthodoxie.

Kijk, die Jezus is het die, weggaande van de Jordaan, volgelingen met zich meeneemt. Omdat hij het niet alleen af kan? Nee, omdat hij een gevolg nodig heeft. Als lerarend rabbi heeft hij gezelschap nodig, Hij kan niet naar de gemeente (de Shoel) gaan en zeggen: Ik moet een aantal mensen hebben, we hebben vanavond een quorum nodig. Dat kan niet. Hij moet ze meebrengen, want – in tegenstelling tot hetgeen men uit de evangeliën vaak meent te vernemen – de geest Gods is voor hem niet iets wat zomaar komt. Jezus is zich niet voortdurend bewust van de Vader. Hij is ook niet machtig in zichzelf alleen. Hij is machtig door de gelovigen, door hen die met hem zijn en met hem geloven, Vandaar dat hij geneest, maar niet iedereen. Vandaar dat hij steeds weer zegt: “Uw geloof heeft u genezen, heeft u behouden. Gaat naar de tempel en bewijst God eer.”

Jezus is in deze gevallen mediator. Hij is dit dankzij zijn leerlingenschaar. Van die leerlingen moet hij er altijd minstens een negental rond zich hebben. Vandaar dat hij komt tot de 12 (apostelen) en daarnaast tot de 72. Mensen, die misschien niet zozeer als intieme vrienden maar dan toch regelmatig met hem meetrekken. Vandaar dat hij op den duur reist als iemand van belang, met een gevolg, ook al gaat hij te voet. Jezus doet dit zeker niet alleen om dat quorum te vinden, want dan zou men nog kunnen zeggen: Daar kunnen we nog wel op wachten. Hij doet het ook omdat hij moet imponeren.

Het is een heel typisch verschijnsel, dat er onder de volgelingen van Jezus mensen zijn, die eigenlijk eerder bij de opstandige beweging horen, een soort Maccabi van die tijd. We vinden daaronder Johannes, als de tedere vriend, maar ook de ruwe Jacobus, Bartholomeus, Petrus; mensen die hun mannetje staan. Het is alsof Jezus een paar uitsmijters mee op stap neemt. Wat leert Jezus dan dat hij dat allemaal nodig heeft?

In de eerste plaats leert hij de mensen dat God overal is. Hij zegt: Als je naar een tempel wilt gaan staat het je vrij. Als er een tempel dan moet je haar respecteren; niet omdat zij de enige woonplaats van God is, maar omdat men daarin gelooft. Je mag een ander in zijn benadering van God nooit belemmeren. Maar hij voegt eraan toe: Als wij God willen vinden dan gaan we naar de woestijn. Wij stellen ons voor het altaar, we spreken de heilige namen naar de windrichtingen. Wij roepen Jezus aan (alleen zegt hij nog geen Jezus). Wij roepen de Christus aan. Wij roepen het Verborgene, de Vader aan. Het is echter wel opvallend dat hij zijn aanroepingen ook tot het begrip ‘Messiah’ richt. Messiah is voor hem een hemelgeest.

Hij zegt ook niet van zichzelf dat hij de Verlosser is, de Messias in de werkelijke betekenis, de enige en blijvende. Hij bidt tot de Messiah en gelijktijdig treedt hij in zekere zin op als Messias. Waarom? Omdat Jezus weet dat een begrip als Messiah een groot begrip is. Het is een soort synoniem voor wat wij de Christos noemen, dat is God zelf. Hij weet dat hij soms de kracht draagt en vertegenwoordigt, maar niet altijd. Hij moet tot God roepen en smeken om van die kracht te worden vervuld. En als het niet meer gaat, dan zien we hoe hij met de mensen het meer op gaat of hoe hij zich terugtrekt in de woestijn. De mens Jezus blijft aanwezig.

Als we zijn leringen bundelen en moeten proberen iets ervan duidelijk te maken in deze korte tijd, dan is vanzelf het tweede punt belangrijk: God is niet een Wezen ver van ons. Het is een toestand die in ons bestaat. Het Koninkrijk der Hemelen is als het ware de complexe, uit het totaal der schepping – en misschien uit nog meer – opgebouwde werkelijke persoonlijkheid van God. Zodra ik in mij dit deelgenootschap ken ben ik deel van God, ben ik de zoon Gods, ben ik de kracht Gods en werk ik uit God.

Alle wonderen betrekt Jezus op de naam des Vaders. Waarom? Omdat de Vader de totaliteit is die ook hem heeft voortgebracht, omdat het een kracht is die in hem leeft en naar buiten toe bestaat.

Als zijn leerlingen moeten uitgaan zegt hij: Genees in mijn naam en in de naam des Vaders. Als ze hem dan komen vertellen: Heer, ze drijven duivelen uit in uw naam en in de naam des Vaders, zegt Jezus: Goed, eindelijk eens een paar mensen die het ook kunnen. Hij zegt niet: Dat is ons recht, of: dat hoort bij onze leer. Jezus is uitermate verdraagzaam.

Als er mensen een vrouw komen stenigen, zit Jezus daar en schrijft in het zand (hij wist het allemaal heel goed) en ze dropen af. Misschien was het een demonstratie van helderziendheid of van kennis, opgedaan door het onderlinge geleuter van de mannen en vrouwen in zijn gevolg. Maar daarna gaat hij naar die vrouw toe en zegt: “Vrouw, ga heen en zondig niet meer.” Dan zegt iedereen: Ze mag geen overspel meer plegen, dus Jezus heeft daarmee de seksualiteit veroordeeld. Want geloof me, dat is werkelijk wat je hoort in de christenheid. Maar Jezus veroordeelt de seksualiteit helemaal niet. Wat hij veroordeelt is, dat een vrouw haar belofte breekt.

Jezus predikt uitdrukkelijk niet een bepaalde gedragslijn in voorschriften van: zo moet je doen en zo moet je niet doen. Hij predikt een werkelijkheid, die bestaat in het deel‑zijn van God en die alleen wordt gerealiseerd door absoluut rechtvaardig en liefdevol te zijn tegenover een ieder. Het zal u duidelijk zijn dat dat heel wat anders is.

Daarbij komt ook nog, dat de leringen, die zijn opgetekend, niet behoren tot de z.g. kleine of inwijdingsleringen, die Jezus ook heeft gegeven. U denkt toch niet dat hij zijn apostelen niets meer heeft geleerd dan wat er in de evangeliën staat? Het zou toch wel te dwaas zijn dat aan te nemen. Jezus leert hun de relatie met de natuur. Hij leert hun over het water te gaan. Petrus waagt het er een keer op en het lukt hem, totdat hij denkt: Ik kan het niet. Dan zakt hij weg en roept: Heer sta me bij, ik verdrink. Hij leert hun hoe je met een magisch trucje vissen kunt vangen (de wonderbare visvangst). Zeker, Jezus weet het, maar mag ik erop wijzen dat het een bijgeloof is dat zelfs nu nog in de omgeving van de Rode Zee bestaat? Als je vist en het net aan de rechterkant haalt niets op, dan doe je of je naar huis gaat en gooit het net aan de linkerkant uit. Het komt dan op een plaats waar de vissen het niet verwacht hebben en ze zwemmen het net in. Kinderlijk eenvoudig misschien, maar Jezus doet het en het lukt. Waarom? Misschien wel omdat hij erin gelooft.

Jezus beveelt de storm. Je kunt allerlei uitleggingen geven voor het samentreffen van de feiten, maar hij heeft kennis van de elementen. Jezus, die dat alles heeft en die ‑ let wel ‑ zijn leerlingen uitzendt om wonderen te doen zou de mensen van dit alles niets hebben verteld? Hij heeft het hun wel degelijk verteld, al staat het niet in de evangeliën. Hij heeft tot hen gezegd:

“Alles is bezield, want in alles is de adem van de Vader.”

“Indien de wind tot u komt, zo spreekt hij u van de Vader. Indien gij gelooft aan de Vader en gij zegt:: Vader, in u is de kracht, en tot de wind: Wees stil, dan zegt de kracht van de Vader tot de wind: Zwijg! En hij zwijgt.”

“Indien gij zegt tot de berg: Verhef u, en gij bedenkt dat de geest Gods in u is en in de bergen, dan zal – zo het nodig is en goed – de berg zich verheffen.”

Mohammed was dus niet de eerste en heeft het overigens geleerd van de christenen, maar dat is weer een andere kwestie.

We kunnen dus stellen dat Jezus de elementen ziet als iets levend, maar zo was het ook met de dieren. Jezus is misschien niet een Franciscus van Assisi, die tegen de vissen en tegen de vogels predikt, die een wolf bekeert, maar hij heeft een eigenaardige macht over de dieren. Trouwens, hij deelt deze macht met vele profeten uit de oudheid en vele heilige mannen overal elders, b.v. in India.

Jezus is kennelijk meester, omdat hij hun innerlijk erkent. Zijn leer is de leer van het innerlijke rijk. Hij noemt het het Koninkrijk Gods. Hij probeert de mens duidelijk te maken dat dat rijk, dat niet logisch is (iets wat een kwestie is van aanvoelen en aanvaarden en niet van bewijzen), uit zichzelf zijn bewijs produceert. Handel in het bewustzijn van het Koninkrijk Gods, zo zegt hij, en gij zult zien, dat de macht Gods met u is in alle tekenen.

Hij laat de doden opstaan, nou ja, de doden, misschien wel de schijndoden. Maar ook als het een schijndode is, dan moet hij over de kennis beschikken om te zien: daar is leven. Er is een verwantschap met de ander. Kijk, dat is het nu wat het openbare leven van Jezus zo verwarrend maakt. Zolang we op de ouderwetse toer blijven en we maken van Jezus een mannetje, dat ergens God is en dat als God iets moet doen en een soort toneelspel, een mysteriespel opvoert, dan zijn we er. Maar dan is het geen echte Jezus, dan is het een komedie

Jezus is geen komediant. Hij is een levende kracht, een levend wezen. We kunnen Jezus ontluisteren, bv. à la Renan, en tot een doodgewoon mannetje maken, dat te koppig was om ongelijk te bekennen, tot het te laat was. Maar Jezus wist het want hij heeft voorzegd wat er ging gebeuren. Nee, met de Jezus die men u op het ogenblik voorhoudt, kunnen we net zo weinig doen als met de Jezus die de atheïsten proberen te ontmaskeren. We moeten Jezus zien als een erfgenaam van een oude priesterlijke orde en zijn openbare leven valt ongetwijfeld samen met zijn inwijding in de geheimen daarvan.

Jezus brengt het offer van Melchizedek, zelfs nog op het laatste avondmaal. Jezus erkent de eenheid met de aarde en met de hemelen. Zijn leer is de leer van de absolute verbondenheid in de kosmos.

Jezus spreekt niet over goed of kwaad. Hij spreekt over de uitersten van duister en licht. Jezus spreekt niet over de mens als zondig of deugdzaam. Hij spreekt niet over nut, of onnut. Denk maar aan het bekende verhaal van Maria van Magdala, van Thyrreense stam, die daar neervalt en een kruik kostbare zalf over zijn voeten kapotbreekt. Dan zegt iedereen: Tjonge, tjonge, wat jammer! Petrus denkt aan hen die het beter hadden kunnen gebruiken. Judas denkt aan de centen die het bij verkoop zou hebben opgebracht. Johannes denkt dat het toch helemaal niet netjes is voor een profeet om zo lekker te ruiken. En wat zegt Jezus dan? Hij zegt: Het is goed. Hij keurt verspilling goed en dat is eigenlijk heel eigenaardig. Men zegt dat Jezus Christus de profeet is, de Zoon Gods, die zegt: Mens, ontzeg je alles opdat je het hemelrijk verdient. Maar diezelfde Jezus gaat naar de bruiloft in Kana. En wanneer de gasten dronken zijn verschaft hij hun nieuwe wijn. Of dat nu met een handigheidje gaat of met een wonder, daarover hoeven we niet te praten. Hij geeft nieuwe wijn. Waarom? Omdat Jezus alles wat werkelijk vreugde geeft in het leven erkent. Hij is geen mens, die het stoffelijke leven ontkent. Hij is geen Meester die u afsluit van het heden om een hiernamaals te verdienen. Jezus is de mens die u leert nu met God te leven. En nu met God leven dat is met vreugde leven – en als je God niet begrijpt – dan toch altijd nog zeggen: God, uw wil is goed. Daaruit moet vreugde geboren worden, daaruit moet het goede voortkomen. Dat is Jezus. Jezus leer is er geen van: doe dit en laat dat. Het is eenvoudig een kwestie van keuze.

Een van de meest bekende gelijkenissen is waarschijnlijk die van de rijke jongeling. U kent het verhaal allemaal. De rijke jongeling zegt: “Heer, wat moet ik doen om u te volgen?” Jezus antwoordt: “Laat alles achter. Geef uw bezit aan de armen. Verlaat uw vader, uw moeder, uw vrouw en uw kinderen en volg mij.” Als hij dat nu zei met betrekking tot zichzelf, dan zou ik zeggen: Jezus is een immorele verwaande kwast. Dat is niet moreel volgens menselijke normen: laat alles achter, je vrouw en je kinderen. Daar draag je toch verantwoordelijkheid voor. Maar we moeten dat weer zien in het licht van Jezus leer. Hij zegt niet: Je moet hen werkelijk in de steek laten. Hij zegt: Kijk, als je mij volgt, dan is de eenheid met de Vader, de verbondenheid in de liefde voor de naaste, de erkenning van de gelijkheid in al het geschapene, belangrijker dan je eigen menselijke relaties. Zijn leer probeert de mens los te maken uit zijn bezitsisolement, de ideeën van vroomheid, rijkdom, stand, kennis en inwijding. Hij probeert de mens als het ware daarvan los te scheuren door hem de geheimen te geven, die de enige werkelijke geheimen van de esoterie zijn, van de priesterschappen door alle eeuwen heen:

“Er is één God en wij zijn allen deel van die God. Er is één Kracht en wij leven in en uit die Kracht. Indien wij de Kracht erkennen zo zij in ons is, dan spreekt die Kracht tot ons en door ons. Want ziet, de Vader en ik zijn een.”

Als wij uit die kracht putten, zal al datgene wat mogelijk is en in die Kracht wordt erkend, door ons ten uitvoer worden gebracht. Dan zullen de duivelen uitgaan, dan kunnen we de werelden van mensen en van demonen scheiden, want er is geen kosmische ordening die in God noodzakelijk is.

We staan alleen nog voor de noodzakelijkheid van de Vader. Het is deze noodzakelijkheid die Jezus erkent. De noodzakelijkheid van een God, van de rechtvaardige Vader, die hem voortstuwt over de landen heen naar Jeruzalem, waar dan het bekende drama gaat beginnen. Jezus wordt binnengehaald als Messiah, maar niet – vergeet dat niet – als de geestelijke bevrijder.

Wat verwacht het Jodendom van zijn verlosser? Een opstand, een wonderdadig verslaan met wapenen, zoals Mozes eens toepaste om Farao’s ruiters te doen ondergaan in de Rode Zee. Een wonderdadig heerser, die hen groot maakt en macht geeft, die hen opnieuw voert naar een wereld van melk en honing. Zo wordt hij binnengehaald.

Jezus weet dat hij dat niet kan zijn. Hij kan niet de profeet en verlosser van één volk zijn.

“Indien gij al uzelf weet te verlossen moet ge de hele wereld verlossen. Want naarmate gij verder doordringt in de geheimen Gods,” zo leert hij eens aan de 72, “beseft ge hoezeer gij één zijt met alle dingen. Er is geen scheiding tussen u en het laagste en geen scheiding tussen u en het hoogste, want ziet: al deze dingen zijn het Koninkrijk des Vaders.”

In dit alles erkent gij het Huis des Vaders en draagt gij verantwoordelijkheid als deel van de Vader, een wezen, dat de wil des Vaders kennend hem moet vervullen.

Zo ontkent Jezus de eis van de menigte: Wordt gij onze koning. Jezus kan geen koning zijn. Als hij zegt: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”, dan bedoelt hij helemaal niet dat die wereld er niets mee te maken heeft. Men heeft hem weer gedistancieerd. Men heeft gezegd: Hij heeft het hemelse koninkrijk. Nee, Jezus zegt: Ik ben deel van Gods Rijk. Ik kan geen koning zijn, God alleen kan Koning zijn. Ik ben alleen maar de uitdrukking. Als je jezelf vindt, dan is er de verlossing en anders niet.

Er zijn zeer schaarse sporen overgebleven van de werkelijkheid van Jezus en van zijn leer. We horen zo hier en daar door een vage aanduiding dat Jezus weet omtrent reïncarnatie. Maar hij spreekt er verder niet over. Als hij er al over heeft gesproken, zo heeft men dat zeker niet beschouwd als bestemd voor de massa.

Jezus vertelt de volgelingen het een en ander over de eeuwigheid, maar voor hen wordt de eeuwigheid altijd weer een soort gastmaal, een eeuwige stad. Wat zegt Jezus eigenlijk over die eeuwigheid? Als hij met drie of vier van zijn leerlingen spreekt, dan zegt hij over het Koninkrijk Gods het volgende:

“Er is geen tijd en geen verandering, want al veranderen alle dingen, zij blijven zichzelf gelijk. De oude goden en de nieuwe goden hebben een aangezicht en zij alle zijn het aangezicht des Vaders. Zo men roept tot de hoge engelen en roept tot Seraphim en Cherubim, zo roept men tot dezelfde aangezichten Gods die men elders anders noemt, want de verandering ligt in de beschouwer. De eeuwigheid en het Rijk Gods dat in ons woont zijn één.”

Hier vinden we de ware leer van Jezus. Niet iets van: haast je hier op aarde opdat je naar boven kunt klimmen en boven kunt zeggen; Hallo Petrus. Nee, de eeuwigheid is hier. Zij is nu, zij is altijd. Je moet die eeuwigheid niet verdienen, je bent er deel van. Je hoeft nu geen rechtvaardigheid van God af te smeken, want Gods rechtvaardigheid is met je. Het is een wet.

Jezus leert zijn leerlingen omtrent kosmische wetten. Als hij tot het volk spreekt doet hij dat in een aantal beelden, die eigenlijk maar half worden verstaan. Hij zegt bv.:

“Een zaaier ging uit om te zaaien … (U kent het verhaal allemaal, het klinkt zo heerlijk van de kansel) en ziet: een derde deel van hetgeen hij wierp viel op de steenachtige rots en werd vertreden en een derde deel viel op de grond en werd gegeten door de vogelen des hemels.”

Wat heeft Jezus hier eigenlijk bedoeld? Hier is zijn werkelijke leer, dat van alle verschijnselen maar een klein deel waar is. Veel van de verschijnselen rond ons zijn niet echt. Ze zijn als het ware de denkbeelden Gods die niet leven. Ze zijn het milieu dat wordt gevormd door God. Het is juist dit begrip, dat alles een coulisse is van die machtige God waarvan je deel bent, wat Jezus op een gegeven moment doet zeggen: “Heer, indien het mogelijk is laat deze beker mij voorbijgaan”, maar wat hem ook onmiddellijk doet beseffen: Ja, maar het kan zijn dat dit echt is, een deel van de werkelijkheid, en dan zegt hij: “Heer, niet mijn wil maar uw wil geschiede.” Hij gebruikt geen invloed om de werkelijkheid te veranderen, maar slechts dat wat onnodig is. Zo is Jezus dus een mens die heel veel dingen als irreëel beschouwt, als een coulisse. Iemand die tot zijn leerlingen zegt: “Ziet gij de leliën des velds, hoe ze wuiven op de wind? Hoe schoon zijn zij. Zij zaaien niet en maaien niet, zij weven niet, en toch zijn zij gekleed schoner dan Salomo in al zijn heerlijkheid.”

Maar wat zegt Jezus hier in feite? Datgene wat jullie nu zo belangrijk vinden (schoonheid) is geen kwestie van verdienste, maar een kwestie van bestaan. Salomo in al zijn heerlijkheid en met al zijn wijsheid had niet meer schoonheid dan een bloem. Het is God die de schoonheid brengt. Wie in harmonie leeft met de Vader, hij kent de waarde des Vaders en drukt die uit in schoonheid, licht en kracht. En ziet, de demonen wijken voor hem. Zo hij zich richt tot de windrichtingen en spreekt de namen, als hij roept tot de Elohim, dan, waarlijk, siddert de aarde en leeft de werkelijkheid waaraan alle dingen voorbijgaan. Dit is ook van Jezus. U zult het waarschijnlijk nergens vinden, hoogstens in een klein geschrift, toegeschreven aan de geneesheer Nicodemus. Maar dat is naar ik meen allang verloren gegaan.

Jezus is de koning en hij gedraagt zich in zekere zin ook als een vorst, want zijn erkenning van anderen is niet de erkenning van een onderworpenheid. We zien hiervan kleine voorbeelden.

“Heer, aan wie moeten wij de cijns betalen, aan Rome of aan de tempel?” Het antwoord is zo aardig. Jezus zegt niet aan wie hij cijns betaalt, hij zegt alleen: “Ach, geef de koning wat des konings is” – en spreekt dan niet over de tempel maar zegt: “en geef God wat van God is”. Met andere woorden, hij distancieert zich van de tempel. Hij zegt niet dat het geld van de tempel van God is, hij weet wel beter. Bovendien, zolang de priesters nog bepaalde verdachte huizen financieren met het geld dat wordt ingebracht door de vromen, weten ze toch zelf ook wel dat het niet deugt. Dat weet Jezus net zo goed als ieder ander. Hij weet dat de knechten die hem later gevangen zullen nemen, mensen zijn die worden betaald door de verdiensten van danseressen. Danseressen waren in die tijd zo nu en dan ook prostituees. Zij werden betaald door houders van kroegen. Al die mensen kregen hun geld niet op een eerlijke manier maar door afpersing, door kleine rechten. Ongeveer zoals bijvoorbeeld een Al Capone, die tegen een paar van zijn satellieten zegt: Jongens, als jullie nu zorgen dat het in dat kwartier rustig blijft, dan mogen jullie de speelautomaten exploiteren. Daarom zegt Jezus: ‘Wat van God is’ en daarmee zegt hij aan zijn leerlingen heel wat anders dan de schriftgeleerden beweren. Want heeft hij niet geleerd:

“Al datgene wat gij zijt, al datgene wat gij erkent is uit God. Het is de Vader die werkt in u en in al wat er rond u is. Erken Hem in het totaal van uw wezen. Erken dat gij behoort aan Hem, met geheel uw wezen en met al wat rond u is en vervul Zijn wil, zo die in u spreekt. Want dit zeg ik u: Gij zijt God en delen Gods. Gij zijt de slaven Gods en toch zijn evenbeeld.”

Die Jezus is een heel ander mens en zijn leer een heel andere leer dan men denkt.

Ik heb u de eerste maal voorgesteld aan Jezus de rebel. Nu stel ik u voor aan Jezus de magier, die slechts één wet en één kracht erkent: God. Die lijdzaam ondergaat. Niet omdat hij moet, maar omdat hij erkent: dit is Gods werkelijkheid, daarin speel ik een rol.

Als de knechten, waarover ik zo net sprak, die vreemde menigte met Judas voorop, daar in die duistere Hof van Olijven komen en Jezus staat er in het licht van de fakkels, dan vraagt hij hun: “Wie zoekt gij?” Het antwoord is: “Jezus, de Nazarener.” Dan zegt hij: “Ik ben het.” Maar dat ‘ìk’ kan een bepaalde nadruk hebben. Hij zegt dat ìk zo ongeveer als in het begin van de Geboden, waar staat: Ik ben de Heer, uw God. Dat is een geweld! We lezen dan ook dat de mannen plat ter aarde vallen. Ze weten er geen raad mee. Dat is een grootheid waar ze niet tegenop kunnen.

Maar maakt Jezus daar gebruik van? Nee, want dit is de eeuwigheid, de verbondenheid met de Vader, die kan alleen bestaan indien je haar niet uitbuit. Hij mag zichzelf niet uitleveren ten koste van het Koninkrijk Gods dat in hem is. Hij moet in zichzelf dat Koninkrijk Gods verwerkelijken en daarom – nogmaals – zegt Jezus: “Ja, ik ben het.” Tegen Judas zegt hij: Verraad mij in de……” enz.

Ze tekent Jezus zich af als iemand die in zekere zin fatalist is. Niet een fatalist die er bij gaat zitten, maar iemand die in zich een droom draagt, die voor hem de uiting van God is. Het is deze droom die hij leeft. Is hij daarom minder de Zoon Gods? Hij is het misschien in een wat andere zin dan een eenvoudige gelovige dat meent, maar hij is déél van God. Hij is zich niet alleen bewust van zijn eigen wereld maar ook van andere werelden. Jezus leert de mensen dat zij door de hel tot de hemel gaan, dat vinden we terug in de geloofsbelijdenis. Dat geldt niet alleen voor Jezus, dat geldt voor iedereen. Hij leert hun de kringloop des levens en hij, die bewust die kringloop erkent, is meester daarvan in alle fasen.

Hier hebben we de verklaring voor Jezus’ herrijzenis. Jezus kan herrijzen, natuurlijk, want hij behoeft zich slechts te realiseren wat hij is. Er bestaan echter twee fasen in die kringloop. de verschijning van de mens, gaande vanuit het Goddelijke tot de aarde (dat is Jezus van voor de herrijzenis) en dan de mens die afdaalt ter helle. Degene die de duistere sferen doorloopt, de levenskracht hervindt en die terugkeert. Maar dan is hij een schim. Hij is geen levend wezen, want hij moet nog weer die voertuigen terugvinden die de ander met zich heeft gevoerd. Dat is het wonder als hij tegen Maria Magdalena, die hem heeft herkend, zegt: “Beroer mij niet, want ik moet nog ingaan tot het Huis mijns Vaders.”

Is het een wonder dat hij zijn nieuw hervonden lichamelijkheid op de proef stelt? Maar daarbij kan hij zijn bewustzijn niet meer losmaken van de eeuwigheid. De eenheid met God in de erkende kringloop van het bestaan is zijn wezen en zo nu en dan heeft hij de behoefte zich ervan los te maken: de opstijging op de berg Tabor en later natuurlijk de hemelvaart. Dingen, die kennelijk met mensenogen zijn bezien en beschreven.

Wat is nu typerend voor de Jezus na de herrijzenis. Is hij een ander? Ja, hij heeft veel meer medegevoel en medelijden misschien dan voordien, maar het is net of er een afstand is gekomen tussen hem en die anderen. Hij troost hen nog wel, maar door zijn aanwezigheid, door zijn uitstraling en niet meer met woorden. Hij verschijnt onverwachts, hij is niet meer hun blijvende metgezel. Hij is als het ware een deel van het leven dat zich zo nu en dan weer in de oude gestalte materialiseert.

Dan krijgen we dat beruchte punt: Tu es Petrus. (Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mij een kerk bouwen.) Daarop is een organisatie gebouwd, die behoort tot een van de machtigste ter wereld. Ik denk dat Jezus eerder zal hebben gezegd: Gij zijt als een steenrots, weliswaar vervuld van God, maar onbeweeglijk (wij zouden zeggen: je loopt met een bord voor je kop), daarom zult gij mij een kerk bouwen. Dat is maar een heel kleine variant. Ik meen zelfs dat het mogelijk is in het Aramees door verwisseling van één letter duidelijk te maken dat dit is gezegd. Maar ja, er is een kerk gebouwd en die moet worden gerechtvaardigd.

Maar Jezus, bouwt die een kerk? Hij heeft in zijn hele leven op aarde nooit een bijeenkomst gehruden in een huis dat hem toebehoorde. Hij is naar de tempel gegaan als een erkenning van het volk waartoe hij behoorde, maar er staat nergens dat Jezus offers bracht in de tempel en dat is ook niet gebeurd, dat kan ik u wel vertellen. Wel door zijn ouders. Zij brachten bij zijn meerderjarigheid duiven als offer. Hij kwam als een erkenning van het volk dat hierin God zag en zei: “God, hier zijt Gij, zoals overal. Zie dit mijn volk en bevrijd het uit zijn zorg.” Dit was logisch, hij was deel van het volk, maar hij bouwde geen kerken.

Als ze hem aanvallen omdat hij in Samaria spreekt met de mensen, dan zegt hij letterlijk dit (het is helaas niet volledig opgenomen in de evangeliën, het staat wel in bepaalde Apocriefen beschreven):

“Is het belangrijk of gij God eert op de toppen der bergen of in de tempel? Zo gij zijt in de Vader is Hij in u. Hoe kunt ge beter met Hem verbonden zijn dan door deze eenheid in uzelf?”

Dat is Jezus. Geen tempels, geen kerken. Men roept: Jezus heeft sacramenten ingesteld. Waar? Wat hij heeft ingesteld is een gebruik, geen sacrament. Het sacrament des altaars, het heiligste, zeker. Een wonder, dat zelfs waar wordt door het geloof der gelovigen. Maar niet een sacrament door Jezus ingesteld, wanneer hij de wijn schenkt en de beker laat rondgaan, het brood breekt en deelt en zegt: “Ziet hier, dit is mijn bloed.” (Het bloed der aarde, het sap, de wijn, de kostbare drank, het water waaruit de aarde leeft.) Alleen zegt hij dat er niet bij, maar zijn leerlingen weten dat wel. “Neemt en drinkt en neemt en eet, want ziet, dit is mijn lichaam dat voor u ten offer wordt gebracht.”

Dan zegt men: Ja, maar dan spreekt hij over zichzelf. Nee, Jezus erkent zichzelf als deel van God, als deel van de Vader. Het is die eenheid met al het zijnde die hij nog eens aan zijn leerlingen duidelijk wil maken. Dat zit in die hele conversatie.

Als Petrus zit te bluffen over wat hij zal doen brengt Jezus hem meteen terug tot wat hij is. “Voorwaar Petrus, ik zeg u: vóór de haan driemaal zal hebben gekraaid, zult gij mij driemaal hebben verraden.” Een profetie? Nee, dat is niet alleen maar profetie. Het is: Petrus, je bent een mens. Zie God in jezelf, zoals ik. En wat er ook gebeurt, je zult weten dat het goed is. Je zult weten dat het niet anders kan. Want zolang je jezelf blijft, Petrus, wring je je als een mens, durf je de waarheid en de rechtvaardigheid niet te erkennen. Petrus gaat eronder gebukt. Niet omdat hij zijn Heer heeft verraden, hij weet dat dat niet zo belangrijk is, maar omdat hij dat ene heeft verloochend wat zijn Heer hem heeft geleerd: God, de rechtvaardigheid, de kracht Gods, de eeuwigheid in zich te erkennen in plaats van als een dwaas nieuwsgierig weg te lopen om te gaan kijken wat er gebeurt, los van het leven te zijn in plaats van geboeid in de eeuwige wervelgang van het gebeuren te lopen. Kijk, dat is weer typerend voor Jezus.

Als Johannes op een gegeven ogenblik met hem praat en zegt: “Waar is eigenlijk de Vader?” dan zegt Jezus tegen hem: “Kijk mij in de ogen. Wat ziet ge?” Johannes antwoordt: “Heer, ik zie mijn beeld weerspiegeld in uw ogen.” Dan zegt Jezus: “Ja, maar ook ziet gij de tempel waarin de Vader woont.” Dat is de mystiek van Jezus. Wij allen zijn deel van God. Het is niet: doe het wel of doe het niet, nee, het is: God in jou is het belangrijkste. Volg de waarheid van die God, wat het je ook kost. Wees één met die God en laat daarvoor alles achter je. Maak je los van angst, maak je los van begeren en als je niet anders kunt en je wordt meegesleurd, realiseer je dat die God een blijvende werkelijkheid is. Als je daar deel van, bent is dat een eer, dat moet je aanvaarden. Zeg dan: Heer, Uw wil, want ik kan het voor mijzelf nu niet als wil zien.

Vrienden, als ik u Jezus zo teken, dan klinkt het hier en daar een beetje ketters. Als ik zeg dat bv. de biecht geen sacrament is zal men mij aanvallen. Maar waar heeft Jezus gezegd dat de biecht, en zeker de oorbiecht, vrijdom van zonden en schuld kan geven? Hij zegt het nergens. Maar hij zegt wel: “Hij die zijn schuld bekent voor het volk en de Vader, is daarvan bevrijd” en dat is iets wat elke psycholoog en zeker de psychiater, zelfs van deze dagen, zal erkennen. Wat is uitgesproken houdt op een probleem te zijn. Let wel, Jezus is helemaal niet de man die zegt: dit is zus en dat is zo.

Over het huwelijk zegt Jezus: “Waar ware liefde is, daar is de eenheid Gods in twee mensen wederkerig erkend.” Het is iets groots. Maar hij zegt niet: Dan gaan we een formule uitspreken en het is voor elkaar.

Jezus bouwt geen kerken. Als ik u iets in het ware leven en de ware leer van Jezus moet trachten te laten zien is het wel dit: Jezus is geen kerkstichter. Hij is zelfs geen profeet in de gewone zin van het woord. Jezus is een mens die de eenheid met zijn God vindt en die de geheimen van die eenheid wil delen met een ieder, ook met de 72, ook met de 144. Hij wil hun duidelijk maken hoe elke mens in zich een deel van het Goddelijke draagt en tot uiting kan brengen. Dat is het wat op Pinksteren de doorslag geeft. Niet een heilige Geest. Zeker, een stormwind, een gebeuren, een ontwikkeling, waarin de eenheid van de elementen en de mens plotseling doorbreekt, waarbij de grenzen van het menselijk weten breken en het goddelijk weten, een ogenblik daarvoor in de plaats kan treden misschien.

Jezus brengt ons in feite de leer van de gelijkheid, van de naastenliefde, van de rechtvaardigheid. Als hij zegt: “Waarlijk, zalig zijn de armen van geest”, dan zegt hij: Degenen die door jullie worden geminacht zijn evenals jullie deel van God. Zij in hun eenvoud aanvaarden het waar jullie bedenkingen hebben. Daarom zijn zij zalig.

“Zalig zijn de treurenden, want ze zullen getroost worden.” Iemand die het leed erkent, erkent een deel van God in zich en hij Zal het evenwicht vinden. Want God is de rechtvaardigheid, Hij is het evenwicht. Zo moet u dat zien.

Als Jezus spreekt over bv. het bevrijden van gevangenen zegt hij iets wat in deze dagen zelfs bijzonder strafbaar zou zijn. Stel u eens voor dat u een gevangene uit het Huis van Bewaring gaat bevrijden. Een goed werk, let wel, staat in de evangeliën. Het staat zelfs in uw catechismus. Maar als u dat gaat doen wat bent u dan? Een misdadiger in de ogen der mensheid. Jezus zegt: “Niemand heeft het recht een mens gevangen te zetten. Niemand mag honger lijden zolang er nog een mens is die te eten heeft. Niemand moet naakt rondlopen zolang er nog iemand is die hem kan kleden. Jullie zijn één geheel.”

Jezus is de man die ingaat tegen de bestaande orde. Jezus is de leraar die de eenheid met God in de plaats wil stellen van menselijk gezag, menselijke wetten en gebruiken. Jezus wil de spontaniteit van het Goddelijke laten regeren. Daarnaast onderwerpt hij zich, met een erkenning van: een deel van Gods werkelijkheid is ook mijn leven, soms tot het onvermijdelijke. Zo gaat hij naar Jeruzalem. Zo gaat hij naar Gethsémané. Zo gaat hij naar de schedelplaats Golgotha. En zo herrijst hij uit het graf, want hij is deel van een goddelijke werkelijkheid.

Misschien kan ik dit inleidende deel over de leer en het wezen van Jezus het best besluiten met een paar woorden, die behoren tot een lering, die hij nabij het meer van Tiberias voor een deel van zijn leerlingen heeft uitgesproken.

“Bedenk wel: God is in alle dingen; daar waar hij niet in is, vinden wij slechts verblinding en schijn.”

“Tracht de werkelijkheid te puren uit de schijn. Laat haar voor u ontstaan en erken haar in nederigheid, u buigend voor de God Die in zijn wijsheid het Al beschikt.”

“Beheers de schijn, opdat gij niet zijt als de dwazen die zich buigen voor het gewaad en de mens niet erkennen.”

Ik hoop dat ik niet dit tweede deel het beeld dat u van Jezus en zijn leer hebt, wat heb kunnen verhelderen. Ik wil uw geloof niet wijzigen. U mag uw eigen opinie daarover hebben. U mag er zelf over nadenken. Dit is geen evangelium, geen onaantastbare waarheid. Het is alleen de waarheid zoals wij die hebben leren kennen en dan nog slechts een klein deel van een grote waarheid.

Ik wil u erop wijzen dat u rustig in verweer mag komen. Het is niet uw plicht om alleen maar te vragen. U mag ook zeggen: Dat vind ik onaanvaardbaar. Want Jezus is niet de suikerzoete figuur die met zegenende hand over de wereld gaat. Jezus is ook niet de ruige proleet die in opstand is gekomen, de geketende. Jezus is de vrije, die gaat door de schijn zonder zich door iets te laten afleiden.

*****************

*  Als God in alle dingen is maar niet in de schijn, hoe kunnen we dan onderkennen wat schijn is, die zich in onze ogen voordoet als behorend tot alle dingen?

Dit is een betrekkelijk moeilijke vraag: Hoe kunnen wij schijn herkennen die zich aan ons als werkelijkheid voordoet?

Ik zou zeggen: dat kunt u pas als u God kent. De mens, die innerlijk (en hier baseer ik mij zelfs op de leringen, die Jezus heeft gegeven) doordringt tot het begrip van eenheid met God, erkent die God in alles waarin Hij leeft. Hij erkent al datgene waarin God leeft als deel van zichzelf. Dat wat buiten hem staat is schijn en onbelangrijk, het is geen deel van zijn wezen. Het is een vergankelijke vorm of, vaker nog, een illusie door mensen geschapen. Voordat men zover is kan men misschien menige schijn doorzien. Om u een voorbeeld te geven: In deze wereld lijken socialisme en marxisme volkomen reële zaken. Toch kan aan de hand van de praktijk worden bewezen dat het marxisme ‑ zeker waar het zijn idee van totaal staatsbezit en staatsregeling betreft ‑ niet hanteerbaar is op de wijze waarop Marx dit voorstelt. Wij kunnen aantonen dat de stellingen van het marxisme zoals ze bv. in Rusland worden toegepast, direct in strijd zijn met de werkelijkheid. Want die stellingen erkennen de noodzaak van staatsbezit, maar gelijktijdig gaat de staat over tot maatregelen, die steeds weer een privé‑kapitalisme nabij komen. Als u de dingen naar hun uiterlijk beoordeelt, dan ziet u dus schijn. Als u echter de werkelijke inhoud erachter beseft, dan ziet u iets van de werkelijkheid. Maar zelfs dit vraagt een tamelijk grote kennis en zeker ook praktisch inzicht.

* Is het waar dat Jezus na zijn opstanding ook nu nog in het etherisch lichaam voortleeft op de zuidelijke hellingen van de Himalaya, c.q. als Meester Jezus in de Libanon en dat zijn voertuigen ook gebruikt zijn door St.Patrick, die men als een Engelse incarnatie van Jezus beschouwt?

Ik kan deze drie punten alle ontkennend beantwoorden. Jezus manifesteert zich weliswaar in een etherische en soms zelfs stoffelijke vorm, maar hij doet dit nimmer binnen een gewone lichamelijkheid, zoals in het geval van St. Patrick. Hij doet dit ook nimmer blijvend. Zijn wezen staat immers buiten het tijdsverloop van deze wereld. Als zijn liefde en belangstelling voor de mensheid hem toch met dit tijdsverschijnsel van de mens in contact brengen, zo is dit niet om met die mens te leven in een menselijke vorm, maar om in die mens het eeuwige begrip van de werkelijke vorm wakker te maken.

*  Dus u acht die stellingen volkomen onjuist?

Ik acht die stellingen volkomen onjuist en meen dit te mogen doen op grond van de feiten die mij bekend zijn.

  1. Jezus is enkele malen in de Himalaja verschenen met andere Meesters, waaronder ook de Boeddha, maar hij heeft daar nimmer blijvend gewoond.
  2. Jezus is niet in de Libanon of elders blijvend in verschijning Degene die zich daar als Meester Jezus manifesteert, is niet identiek met Jezus Christus of Jezus van Nazareth.
  3. In het Engelse geval hebben we te maken met iemand, die misschien op een bepaald ogenblik als weergever of drager van een deel van Jezus’ krachten kan optreden, maar de normale ontwikkeling van het lichaam vanaf de geboorte maakt wel duidelijk, dat hier ten hoogste van een reïncarnatie sprake zou kunnen zijn en Jezus is die fase te boven. Hij behoeft niet te reïncarneren, omdat hij zich overal waar hij dit noodzakelijk acht, in welke vorm dan ook kan manifesteren.

*  In de “Brieven van de Meesters” wordt opgemerkt dat, Jezus een mens van de 5e ronde is en dus beschikt over meer verfijnde voertuigen. Wat is hiervan bekend?

Als een geest een ronde heeft doorgemaakt (we kunnen zeggen een cyclus, een rassencyclus b.v. of een levenscyclus) en daarin bewust is geworden, dan ontstaat er een beheersing van de sferen en van alle voertuigen welke in die sferen worden gebruikt. Dit betekent dat bij een eventuele incarnatie op aarde de begaafdheid om uit de sferen te putten en daar te handelen kan blijven bestaan. Het houdt dus ook in dat bv. een visuele waarneming altijd automatisch door een soort helderziendheid wordt aangevuld, dat naast het horen van woorden men ook de gedachten waarneemt, dat men niet alleen het uiterlijk van de mens ziet maar ook zijn uitstraling, waarin het totaal van zijn wezen tot uiting komt enz.

*  Op een vrijdagavond‑bijeenkomst werd opgemerkt dat Jezus mogelijkerwijs via een soort onbevlekte ontvangenis is geboren. Mattheus vermeldt echter een vaderlijke afstamming van David. Welke van beide stellingen is juist?

Mattheus vermeldt geen vaderlijke afstamming van David, maar bewijst dat zowel Maria als Jozef behoren tot het geslacht van David, dit om duidelijk te maken dat in Jezus de profetieën, dat de Messias een afstammeling van David zou zijn, zijn bewaarheid.

Als we het hebben over maagdelijke conceptie bedoelen we hiermee, en dat zal de wetenschap van vandaag kunnen bevestigen dat een eicel door prikkeling van buiten, maar zonder dat de zaadcel daarin doordringt, tot splitsing kan overgaan, zodat daardoor een levenstype ontstaat dat uiterlijk de waarden van een mens bevat, maar waarvan het aantal erfelijkheidsfactoren de helft is.

*  Is dat het geval geweest bij Jezus?

Voor zover mij bekend is dat niet bij Jezus het geval geweest. Wel is zeker dat Jozef niet de vader was. Zover wij kunnen nagaan was de vader een der zogenaamde engelen uit de Esseense orde. Daarmee werd de hoogst ingewijde aangeduid.

*  Het leven is toch heden in de openbarende Christusfunctie als mens? Is er nog een apostel onder ons, ook in Nederland?

Wat is een apostel? Een apostel is iemand die een boodschap van waarheid brengt. Als wij het zo interpreteren dan zijn er zeer veel apostelen. Sommigen bewust en wetend, anderen meer onbewust. Indien we stellen: Er is een apostel als een directe volgeling van Jezus, in Nederland b.v., aanwezig, dan acht ik dit niet juist. Iemand die in deze tijd optreedt als gemachtigde van de grote geestelijke genootschappen en broederschappen (bv. de Witte Broederschap) vertegenwoordigt in de eerste plaats de goddelijke wil en waarheid en dus niet een apart deel daarvan. Of het is een figuur die voor zich deze macht en waarheid heeft gedragen, met daarnaast de besluiten en krachten van een gemeenschap waaraan hij zich vrijwillig kan onderwerpen. In deze zin, zou ik zeggen, is er geen apostel aanwezig.

Ten laatste wil ik opmerken: Elke mens die tot het besef komt van de innerlijke waarheid en daarmee zijn God vindt, zal alleen reeds door te leven volgens de waarde van die God een apostel zijn, daar hij de juiste levenshouding – dit is zeer belangrijk – en de juiste geestelijke instelling onder de mensen brengt, ook al zou hij niet lerarend spreken. Door zijn uitstraling alleen al zal hij de mens reeds in de gelegenheid stellen innerlijk zijn God dichter te benaderen en zo dus meer bewust te worden van de werkelijkheid.

*  Hebben de apostelen de woorden die Jezus uitsprak direct opgeschreven?

Dit is uitdrukkelijk niet gebeurd. Het is ook begrijpelijk als u zich realiseert, dat het aantal mensen dat met enig gemak kon lezen en schrijven, zeer klein was in Jezus tijd en misschien één op de vijf‑ tot tienduizend bedroeg. Bij een kleine bevolking kunt u begrijpen wat dit betekent. Zelfs de Levieten, ofschoon de stam van Levi er een was van priesters en schrijvers, konden vaak niet werkelijk lezen, maar slechts uit het hoofd geleerde bijbelteksten herkennen aan dat deel van de schriftrollen dat zij voor zich hadden. Als u zich dat realiseert zult u begrijpen dat van een neerschrijven niet zo gemakkelijk sprake was. Er wordt wel beweerd dat verschillende, meestal niet‑Joden of geleerde Joden aan de hand van hetgeen de apostelen vertelden een deel hebben vastgelegd. (Prokrates, de Griek, Philippus, ook een Griek van halfjoodse afkomst, en nog enkele anderen.) Maar als wij nagaan hoe deze zijn verwerkt, dan blijkt dat de eerste geschriften zijn ontstaan ongeveer 40 jaar na Jezus dood, terwijl het eerste der thans geldende Evangeliën pas openbaar is geworden in het jaar 80 na Jezus dood. Dit laatste werpt bovendien de vraag op of het wel een persoonlijk schriftuur is geweest van de genoemde stellers. Het is namelijk zeer waarschijnlijk dat deze is geschreven door klerken, zoals ook de brieven van Paulus en Petrus niet door henzelf werden geschreven maar door schrijvers of klerken, een soort secretaris.

*  Hoe zit het met het eenmalige offer dat Jezus Christus bracht aan het kruis om de mensheid te redden? Volgens de kerk-opvatting is dit werkelijk eenmaal. En of je er in gelooft of niet, hij heeft de zonden der mensheid op zich genomen en is voor ons gestorven. Dit heb ik altijd als een belasting voor mijn geweten gevoeld. Volgens mij maakt ieder mens een dergelijke ‘kruisgang’ door. Hoe hij dit verwerkt is een persoonlijke zaak. Ook in deze mens komt dan het moment van aanraking met de God in hem.

Ja, ik kan daar natuurlijk heel veel over zeggen, maar laten we brginnen met een vraag. Als iemand in het verzet is gestorven, is hij dan gestorven voor geheel Nederland, voor de gehele wereld, voor de vrijheid, of misschien voor de schulden van andere Nederlanders en de schuld van de Duitsers? Mij dunkt dat dat heel moeilijk is te beantwoorden. Toch is die situatie ongeveer dezelfde. Jezus sterft door zijn besef van de gebondenheid van de mens. Of dit een zondelast is betwijfel ik, want het begrip zonde wordt het eerst kerkelijk als een eeuwige waarde gehanteerd. Zelfs in het Judaïsme wordt het eerder als een schuldig‑zijn beschouwd en staat dan als een schuld tegenover God zoals men ook schuld tegenover de mens kent. Iets wat dus kan, worden afgedaan, wat hanteerbaar blijkt.

Als Jezus beseft dat hij moet sterven om zo zijn leer althans enig gehoor en enige blijvende waarde te verschaffen, dan doet hij dit dus in wezen voor de mensheid. Maar dat is heel iets anders dan te zeggen: Hij belaadde zich met alle zonden der mensheid. Hier wordt gegrepen naar het Judaïs gebruik een bok in de woestijn te zenden, beladen met de schulden van het volk, iets wat ook een symbolisch gebaar was. Laten we dat niet vergeten. Het diende om het volk zich rein te doen gevoelen, zodat het met het offer van een andere geitebok (in dezelfde rite) zich kon vertonen voor het aangezicht Gods. Op deze manier mag u zich dit zondelast dragen dan wel voorstellen. De werkelijkheid van Jezus leer echter is niet: Ik sterf voor uw zonden opdat gij bevrijd zult zijn. Zijn leer is gebaseerd op andere woorden: “Ik ben u de weg en de waarheid” en dan “Volgt mij.”

Jezus is de weg. Hij toont ons de werkelijkheid van de relatie met God. Hij is de waarheid. Hij oordeelt niet aan de hand van menselijke waarden, maar alleen krachtens de God, die hij in zich kent. Hij leeft zijn leven volgens die inhoud en bestemming. Elke mens die deze weg wil gaan moet God in zich vinden en moet voor zich die goddelijke wil vervullen. Dit houdt in dat de verlossing misschien door Jezus gemakkelijker bereikbaar is geworden, maar dat zij ergens toch is en blijft: een zaak tussen de mens en zijn God.

Hierbij moet ik u erop wijzen dat het stellen van een middelaar als Jezus onrechtvaardigheid in God veronderstelt, een onvolmaaktheid, een partijdigheid. Dit kan passen ten aanzien van een soort stamgod, dit kan echter nooit passen ten aanzien van een kosmische God, die in alle dingen gelijkelijk tegenwoordig en werkzaam is.

Degenen die Jezus niet zouden aanvaarden, om welke reden dan ook, zouden volgens vele kerkelijken zijn uitgesloten van de genade en de verlossing. Een God die dat toepast is geen werkelijke God. Hij is hoogstens, ik herhaal het, een stamgod. Hij kan niet de hoogste instantie zijn, datgene wat het gehele Al in evenwicht houdt. Daarom stel ik dat de mens het beeld, dus de weg van Jezus voor zich kan waarmaken, dat hij – dankzij de werkelijke leer van Jezus – innerlijk het begrip van eenheid met God en wereld kan bereiken, en dat hij hierdoor de zonde, de schuld, achter zich kan laten.

Ik heb u er zojuist al op gewezen dat Jezus een paar gelijkenissen geeft, waarin het onrecht in feite wordt beloond, denkt u maar aan de onbetrouwbare rentmeester. Het gaat er dus kennelijk niet om wat je doet, maar om datgene wat je in jezelf aan begrip en aan andere waarden bereikt. Daarmee is wel duidelijk, dat elke mens zijn eigen weg moet gaan en dat ook elke mens ergens een beproeving vindt, die misschien dan wel geen Golgotha is, maar die dan toch in ieder geval een loutering betekent, een sterven voor de wereld van schijn en een herboren worden in de wereld van de goddelijke werkelijkheid, een herboren worden in het Koninkrijk Gods.

*  Ik heb eens een geschrift gelezen, waarin wordt gezegd dat het Jezus onaangenaam was dat door de christengemeenschappen zo heel erg de nadruk wordt gelegd op zijn lijdensdood en zo weinig op zijn leer. Daar werd eigenlijk gesuggereerd, dat de crucifix met de lijdende Christusfiguur als symbool moest verdwijnen en dat meer op de leer van Christus moest worden gelet. Is dat zo?

Ja, dat is in zekere zin volledig waar. U moet zich nu even indenken wie Jezus is. Een volwassen geest uit de hoogste sfeer, maar nog steeds met de mensheid bezig. Hij heeft deze mensheid de weg getoond die ze zelf moeten gaan om diezelfde status van volledige vrijheid en eenheid in en met God te bereiken. Nu gaan de mensen zeggen: Ja, maar dat hoeven wij niet te doen, als we maar geloven. Want hij is doodgegaan en daarom hoeven wij het lekker niet meer te doen.

Dit is gewoon een kwestie van geestelijke luiheid, een afschuifsysteem. U kunt wel begrijpen dat Jezus daar helemaal niet gelukkig mee is en ook helemaal niet gelukkig is als iemand begint met Onward Christian soldiers met het kruis voorop en vervolgens in zijn naam de heidenen de kop gaat inslaan. U kunt ook wel begrijpen dat Jezus absoluut niets voelt voor politici, die er zich op beroemen dat zij met de bijbel in de hand en Jezus leer de christelijke waarheid en de noodzakelijke zedelijke en morele waarden in het volk vertegenwoordigen. Een gewoon mens wordt er al misselijk van en als Jezus, die heeft geprobeerd de mens te zeggen ‘je moet het zelf doen’ ziet hoe hij als machtsinstrument wordt misbruikt en hoe zijn naam, zijn leer wordt vertekend tot een politieke intrige, dan moet hij er toch ook misselijk van zijn. Gelukkig kan hij dat niet.

*  Dus eigenlijk moeten we dat symbool van het kruis, dat vooral in de katholieke kerk zo heel erg naar voren wordt gebracht, een beetje loslaten; het kruis is toch niet het belangrijkste van Christus geweest?

Kun je dat veranderen? Nee, laten de mensen het zien als een aansporing om voort te gaan op de weg en niet als een soort zegel, een bewijs, dat dat allemaal is gebeurd. Dan ben ik het ermee eens dat ze het kruis gebruiken. Zoals ik mij in Nederland nooit zal verzetten tegen de vele monumenten voor hen die zijn gevallen in oorlog en verzet, maar het de mensen wel verwijten dat ze die gebruiken als symbolen van haat en niet als een aansporing om de eenheid van streven te bewaren, waarin en waarvoor die anderen tenslotte toch zijn gestorven. Het ligt er maar aan hoe je het benadert.

*  Maar Jezus was toch niet een man van smarten? Hij was de man van de blijde moed, zou ik haast zeggen.

Waarom ook niet een man van smarten? Een herrijzenis betekent afscheid nemen van heel veel. Een geestelijke hergeboorte betekent voor u, dat u zeer vele lievelingsideeën en misschien zelfs voorrechten – uzelf toegekend of opgeëist – zult moeten opgeven en dat is ook smartelijk. Het is maar hoe u het wilt zien.

Dat Jezus in de eerste plaats de blijmoedige aanvaarding is van alle dingen in het leven mag men niet vergeten. Wat dat betreft geloof ik, dat als Jezus vandaag de dag op aarde zou zijn, hij liever de Beatles zou horen dan een traag galmende gemeente, die haar eigen druipende vroomheid laat overspoelen door een slecht preludiërend orgel. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik persoonlijk een bewonderaar ben van de geluidsorkanen door de genoemde sterren voortgebracht.

*  Kunt u zeggen hoe een geleerde als Calvijn ertoe komt een zo zwaarmoedig en eigenlijk ook zo wreed geloof op te bouwen?

Een mens die zichzelf miskend voelt in de wereld, die meent dat het leven hem alles ontzegt, zoekt daarvoor een rechtvaardiging. Hij ziet dit dan als de beproeving, de last, die hij moet dragen om later iets te bereiken. Het is een bekend ontvluchtingssymptoom. We vinden het overal, zelfs in de literatuur. Verder moeten we ons realiseren dat zo iemand behoefte heeft aan gezag en dat hij dit gezag, juist omdat hij persoonlijk het idee van liefde, het gevoel van genegenheid voor het leven ontbeert, hard en dictatoriaal zal uitdrukken. Calvijn is, neemt u het mij niet kwalijk, een soort geestelijke Hitler, zoals Luther een soort geestelijke Mussolini is. Een beetje meer van het goede leven houdend, maar ook een absoluut machtsbegrip opbouwend in de naam van een vrijheid, die hij in wezen alleen zichzelf toestaat.

Daarom moeten we goed onthouden dat reformatoren mensen zijn, die vaak niet in de eerste plaats in verzet komen tegen het onrecht in de kerk maar tegen het onrecht dat hun naar hun gevoel door het leven of door die kerk wordt aangedaan. Dit geldt ook voor Zwingli, voor Huss en voor zovele anderen. Zelfs als we kijken naar b.v. Brigham Young (stichter der Mormonenkerk), dan zien we dat deze hervormer op de een of andere manier niet in de maatschappij past en door zijn openbaring, zijn vernieuwing, aan de werkelijkheid ontvlucht.

Het spijt me dat ik de reformatie, die zoveel goeds heeft gedaan, hier in dat bekende wapperende kledingstuk moet tonen. Maar onthoudt u goed: de reformatie is het verzet geweest niet tegen de kerk, de hervorming van het christendom, maar tegen de heersende sociale omstandigheden. Daarom was de hervorming in Noord‑Nederland zo sterk. Het was een poging de rijkdom van de kloosters in handen te krijgen. Daarom werd het ook in Duitsland zo sterk. Het was een poging zich onafhankelijk te maken van het gezag van Rome, waardoor ook de anglicaanse kerk in Engeland zo machtig werd. Zo kan ik doorgaan.

Begrijp goed dat deze vernieuwingen veelal niet ware geestelijke vernieuwingen zijn, ze worden als zodanig gepresenteerd. Maar omdat er veel mensen zijn die geloven dat ze zijn wat ze voorgeven te zijn, ontstaat er in die mensen, meer dan in de eerste verkondigers, een nieuwe waarheid.

Als die waarheid niet wordt gebruikt als een zelfrechtvaardiging, als een poging persoonlijk overwicht te scheppen, een ‘ik ben beter dan jij’, dan voert dit heel vaak tot een terugkeer naar meer primaire christelijke waarden en leerstukken. Maar dit is dan niet in de eerste plaats aan de hervormers te danken.

*  Wat is uw oordeel over de keuze van het christendom van de naam Goede Vrijdag voor de dag van de kruisiging?

Ongetwijfeld menen ze dat daar iets goeds is gebeurd en aangezien zij menen dat daar de verlossing plaatsvond, hebben ze wel gelijk. Er zijn wel meer gekke ideeën. Waarom noemt men bv. de dag dat Nederland met een nieuwe begroting wordt belast Prinsjesdag?

*  Omdat het zo prinselijk heerlijk is.

U ziet het, we kunnen het altijd wel verklaren. Deze dingen moeten we werkelijk niet zo serieus nemen. Persoonlijk doet Klaproosdag mij meer denken aan een klapzoen dan aan een oorlogsgraf. Nee, ik vind die keuze niet kwaad en ik vind haar niet goed; ik kan haar accepteren zoals ik elke naam kan accepteren. Het gaat niet om de naam, het gaat om datgene wat men erin voelt. Als ik mij hier nog één opmerking mag veroorloven. Er is een tijd geweest dat elke goede katholiek – om niet te zeggen elke goede christen – op Goede Vrijdag rond twee uur zijn werkzaamheden staakte tot rond vier uur en later dit werk inhaalde, om in die twee uur in rust en stilte te herdenken dat Jezus had geleden, was gestorven en zou herrijzen. Op het ogenblik gunt men oorlogshelden nog wel twee minuten stilte, maar op die herdenkingsdag waarover de hele wereld zo spreekt, is het zelfs in de meeste katholieke landen op het ogenblik business as usual. Dat vind ik een veeg teken. Het maakt duidelijk dat zelfs deze kerk met haar verlossingsleer zich in de praktijk meer en meer verwijdert van de erkenning van het wezen van Jezus en de belangrijkheid ervan. Het is of de kerken langzaam maar zeker alleen in de spiegel kijken en zichzelf beschouwende uitroepen: Ziet, hier is het gezag van Jezus en de rest kan me niks verdommen. Ik vind dit treurig. Dat was mijn commentaar erbij. Neemt u mij niet kwalijk.

*  In de beantwoording van een der vragen hebt u gesproken van een engel uit de esseense gemeenschap, die een ingewijde was. Was dit een levende figuur of bv. een engel der verkondiging?

Dit waren levende mensen, over het algemeen van wat rijpere leeftijd, die binnen deze gemeenschap, waar men dus zeer ascetisch leefde, golden als gezaghebbers, als stemmen Gods of als profeten. Men noemde hen dan ook vaak boodschappende engelen, vandaar de verkondiging door de engel Gabriël. Zij zouden, althans onze studies tonen dit aan, in vele gevallen trachten bijzonder begaafde voertuigen te scheppen, waarbij de geestelijke waarden van de engel plus de onschuld en de genetische dus uit de voorouders stammende eigenschappen van een maagd een bijzonder kostbare vrucht zouden voortbrengen waarin een hoge geest zich zou kunnen uiten. Het is aan te nemen dat niet slechts Jezus, maar ook het eerste kind van Anna een dergelijk kind is geweest.

*  Is dat eigenlijk niet mogelijk geworden door een vorm van magisch denken of handelen?

Zo zou u het kunnen noemen. Deze praktijken vallen in het algemeen zeker onder het woord magie.

*  Ik heb altijd moeite gehad het mystieke lichaam van de Christus te begrijpen.

Het mystieke lichaam van de Christus is een illusie, althans, indien men dit wil zien als een lichaam dat bestaat door bv. bemiddeling van een kerk. Maar indien wij elk voor onszelf de Christus als geest, als kracht erkennen, beleven en uiten (dus behorend tot dit Koninkrijk Gods) dan wordt de Christusgeest, de mystieke Christus, de liefde Gods in ons openbaar en zijn wij allen gezamenlijk, elk in onze wereld, de belichaming daarvan. Dan vormt ons innerlijk erkennen van deze waarde over het geheel genomen het mystieke lichaam van Christus. Ik hoop dat dit duidelijk is.

*  Het is dus niet afhankelijk van een doop?

Dit is niet afhankelijk van een doop. Ik hoop dat niemand mij dit kwalijk neemt. Of dacht u dat een magisch ritueel met een paar druppels water waarin wat zout en asse zijn gedaan,. in staat zou zijn ineens het bewustzijn van een kind te openen? Als iemand zich bewust tot God erkent – of hij nu mohammedaan is, boeddhist, zen‑boeddhist, taoïst of wat anders – en hij zoekt deze God in zichzelf, Hem erkennend als een Wezen van rechtvaardigheid en liefde, dan is hij deel van deze mystieke Christus, want dan erkent hij het wezen van de Christus‑kracht. De naam die wij aan die dingen geven doet er niets aan toe of af. Wat in de oudheid Re werd genoemd of de verlossende Osiris, is nu misschien geworden Jezus en God de Vader. Maar het denkbeeld erachter, het besef van een goddelijke liefde die de mens opneemt in een eeuwigheid reeds nu, en een liefde die zich niet alleen beperkt tot één mens of tot een uitverkorene, maar die zich openbaart in het totaal van de schepping, of dat op deze wereld is of ergens anders, dat is het mystieke lichaam. Die erkenning vormt de gemeenschap met de Christus en zo de uiting van de Christus in alle werelden.

*  In het kerkelijk jaar keert steeds de lijdenstijd van Jezus terug. Nu is door proeven bewezen, dat omstreeks de tijd van volle maan samenvallend met Goede Vrijdag, deze maan elk jaar ook een bijzondere invloed heeft. Is dit nu ook kosmisch?

Ik hoop dat ik u niet teleurstel als ik zeg dat het kerkelijk jaar niet door de kerk zelf is ontworpen, maar is overgenomen uit de oude godsdiensten. Ik wil u eraan herinneren dat ook nu nog hier en daar, zij het dan niet op Goede Vrijdag, in christelijke gebieden het uitdrijven van demonen plaatsvindt rond Goede Vrijdag en dat op Pasen het Paasvuur, het nieuwe vuur, wordt aangestoken, vaak met stukken hout die bewaard zijn van het kerst‑ of midwintervuur. Dit zijn gebruiken die al voor Christus bestonden bij de zogenaamde Germaanse en Keltische stammen. Men vindt soortgelijke natuurgebruiken ietwat anders terug in Egypte, waar ze in verband staan met de fasen van de Nijl. Verder vinden we dergelijke gebruiken – met ook weer ongeveer dezelfde tijdsindeling – terug in de zogenaamde Brahma‑Vishnoefeesten, waarbij het feest van Goede Vrijdag en de lente bijna samenvallen met een overigens niet elk jaar gevierd feest van Krishna. Ik wijs u erop dat het hier dus gaat om een natuur‑ritme, dat in vele godsdiensten tot uiting kwam reeds voordat het christendom bestond.

Het is duidelijk dat het christendom, toen het zich ging uitbreiden ongeveer in de jaren 500 tot 1000, deze oude ritmen niet ongedaan kon maken, zij spraken te veel voor zichzelf. Daarom heeft men de kerkelijke vieringen daaraan aangepast. Toen in Rome eenmaal sprake was van een normalisering heeft men het gemiddelde genomen van deze verschillende data en daarop Kerstmis, Goede Vrijdag, Pasen, Pinksteren e.d. vastgesteld.

Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt dat ik dit zo zeg, maar de kerkelijke kalender is in veel opzichten, ik wil niet zeggen diefstal, maar dan toch wel ontleend aan onder meer Etruskische, Romeinse, Griekse en Judease gebruiken. Ook is er een deel van de Zoroaster‑leer in opgenomen. Er zijn elementen in aan te tonen die typisch Indisch zijn en zelfs enkele dingen die we in China kunnen terugvinden. De voorstelling die men zich maakt van engelen en duivelen blijkt ontleend te zijn aan de heidense goden. Zelfs de heldengestalte van Christus als Vorst der wereld blijkt te zijn ontleend aan een halfgoden‑voorstelling die al zeer oud is.

*  Maar deze voorstellingen zijn toch machtige gedachtevormen?

Inderdaad, het zijn machtige gedachtevormen, die thans ook binnen de kerken werkzaam kunnen zijn, maar die daarom nog niet het eigendom van die kerk zijn. of door die kerk ontstonden. Waarmee ik probeer duidelijk te maken, dat de leer van het christendom niet, zoals de bedoeling is, een vrije persoonlijke leer is geworden, maar eenvoudig een nieuwe reeks godsdienstige voorstellingen en wetten, die in feite identiek zijn met of ontleend zijn aan oude godsdiensten. Er is zelfs veel in de moderne marialogie dat sterk herinnert, schrikt u niet, aan de Isis‑verering, de Isthar‑verering er, zelfs aan de Diana‑verering. Wij mogen dus nooit voorbijzien aan het feit dat wat de kerk van Rome heet en wat ook het latere daaruit stammende christendom is geworden, eigenlijk een hutspot is van oud heidendom, opgediend met een saus van een christelijke leer, die door de meesten eerst van het gerecht wordt afgekrabd voordat ze het verteren. Jammer, maar waar.

*  Heeft het tijdstip van de kruisiging van Jezus iets te maken met dit ritme?

Nee, het tijdstip van Jezus kruisiging en dood staat zelfs niet vast. Het is wel vastgesteld, maar we moeten ook hier weer heel voorzichtig zijn, want er wordt gebruik gemaakt van een heel andere dagindeling. De dag begint om 6 uur is morgens, dat is het eerste uur. We moeten verder rekening houden met het feit dat in dergelijke verhalen de getallen vaak gekozen zijn op grond van bepaalde semantische en kabbalistische waarden. Jezus is bv. niet precies 33 jaar geworden. Zo kan ik meer van dergelijke onjuistheden opnoemen.

*  Wat zou dan wel zijn leeftijd zijn geweest?

Dat moet ik even omrekenen. Volgens uw jaartelling: 35 jaar, 6 maanden, 2 weken en 3 dag. Daar heeft u dan de precieze ouderdom. Hierbij mag ik opmerken dat de geboorte niet te middernacht plaatsvond maar rond het zevende uur, en niet op 25 december, maar tegen het einde van februari.

*  De vorige keer zei u maart. Is dat een andere telling?

Ik reken het zo goed mogelijk om in uw kalender en meen dat het ongeveer juist is. Ik geef toe dat er onjuistheden kunnen zijn, maar ik heb niet de tijd om zo snel al die gegevens te herleiden, omdat ik in de eerste plaats moet uitgaan van een maan‑kalender. Deze moet ik omrekenen in een zonne‑kalender, de zonne‑kalender dan weer in uw eigen systeem en daarnaast moet ik trachten ongeveer de werkelijke tijdstippen te bepalen aan de hand van optredende sterren. Dit is nodig aangezien de formulering van de plaatsen in uren e.d. zo anders is, dat er praktisch geen mogelijkheid bestaat dit nauwkeurig te bepalen zonder zeer uitgebreid differentie‑materiaal.

*  Wat bedoelde u met het eerste kind van Anna?

Anna, een zuster of nicht van Maria, kreeg ook op latere leeftijd haar eerste kind. Ze was bovendien een heilige. U kunt het hele verhaal in de hagiografie (biografieen van heiligen) terugvinden. Haar eerste kind was kennelijk een bijzonder kind en als zodanig zijn er aanwijzingen dat ze behoorde tot dezelfde sekte als Maria en dat dit kind eveneens een pleegkind van de vader was.

  Wat is er uit dit kind geworden?

Johannes de Doper.

*  De moeder van Johannes de Doper heette toch Elisabeth?

Gaat u het rustig na. Ik heb u reeds verwezen naar de hagiografie, waarin u het volledige verhaal kunt vinden. Want als we eenmaal beginnen met elke door mij genoemde figuur afzonderlijk na te gaan, ben ik bang dat het middernachtelijk uur nog niet het einde van de besprekingen zal zijn.

*  Waarom heeft Jezus nooit ingegrepen toen hij zag dat zijn leer zo heel anders werd gebracht dan hij heeft bedoeld?

Omdat je de mens niet kunt dwingen tot bewustwording, hoogstens kun je hopen dat hij zelf bewust zal worden.

*  De ster die tijdens Jezus geboorte zo helder scheen, werd die niet gevormd door twee sterren die samengekomen waren?

Nee, dat is niet helemaal juist. Het was wel een zeer bijzondere constellatie, waarin een komeet optrad. U kunt dat zelfs nog terugzien in het huidige kerststalletje, waar ook een waaierster (een staartster dus) wordt uitgebeeld. Dat is niet onjuist.

Vrienden, als ik een eind mag maken aan deze, ongetwijfeld voor u belangwekkende bijeenkomst, zou ik dat in het kort willen doen met enkele stukjes uit Jezus leer.

“Indien gij in uzelve de waarheid beseft van datgene wat rond u is en van de waarheid Gods, zo zij in u bestaat, dan kunt gij al datgene wat geen eigen wil kent of een wil tegenover u stelt, doen beantwoorden aan de goddelijke waarheid.”

“Werkelijke liefde ontkent zichzelf in de aanvaarding van het andere. Zo alleen dient men zijn God te beminnen.’

“Het Koninkrijk Gods is het bewustzijn van de Vader in u, waardoor gij al hetgeen beseft waarin Hij Zich uit en deel hebt aan al Zijn wonderen en werken. Besef dit in u en gij zijt eeuwig en zult geen tweede dood sterven, want waar uw lichaam verbleekt, zult gij u niet meer belichamen.”

“Het duister (dat wat wij hel noemen; dit laatste is mijn tussenvoeging) is het totaal afwezig zijn van de aanvaarding Gods. Het is de absolute eenzaamheid, waarin geween is omdat men zichzelf niet meer erkent, en knersing der tanden, omdat men al wil aanvaarden behalve de waarheid omtrent zichzelf. Daarom zeg ik u: Erken uw waarheid en uw schulden, zodat gij ‑ in het licht levend ‑ gekleed moogt zijn in de heerlijkheid van de levende God.”

En als laatste en misschien ook wel voor u belangrijkste woord, gezien hetgeen wij vanavond hebben besproken:

“Zo gij de waarheid zoekt bij voortduring, niet slechts buiten u, doch steeds ook uzelve bevragende, zo zult gij vinden wat gij zoekt. En ziet, de waarheid is de stem des Vaders die spreekt in uw wezen en die zich openbaart in alle dingen.”

Met deze woorden, die ik aan Jezus leringen heb ontleend, hoop ik een waardig slot aan deze avond te hebben gemaakt. Ik zou u alleen nog dit willen zeggen:

Let niet te veel op details. Weetgierigheid is iets anders dan nieuwsgierigheid. Zoek in uzelf het weten omtrent de Christus en al het andere valt u vanzelf ten deel.

Zoek de uiterlijkheden te bepalen en u gaat onder in een waan waaruit niets u kan redden. Het is de innerlijke waarde die voor alles belangrijk is. Het uiterlijke gebeuren is bijkomstig.

Ik hoop dat u in deze geest wilt nadenken over wat wij hebben gezegd over Jezus en dat u mij zult willen vergeven dat ik op enkele aspecten van zijn wezen, die meestal worden verhuld, zozeer de nadruk heb gelegd. Ook vraag ik vergeving aan degenen die ik in hun geloof of kerkelijkheid misschien zou hebben gekwetst. Het is niet mijn bedoeling u uw huidige geloof te ontnemen, wel heb ik getracht u bewust te maken van de werkelijke waarden die erin schuilen en dat zijn vaak andere dan u meent of die men u meent te mogen verkondigen. Beschouw hetgeen we hebben besproken als een richtlijn voor uw geloof in God en uw volgen van Jezus.