De weg

image_pdf

6 april 1963

We zijn niet al wetend of onfeilbaar, daarom verzoeken wij u zelfstandig na te denken over alles, wat door ons gebracht wordt. Een vorige maal hebben wij met u het “Woord” besproken. Als vanzelf vloeit hieruit ons onderwerp van vandaag voort: De weg

Wanneer je begint een godsdienst of inwijdingsschool te bezien, is daar altijd weer in de eerste plaats de boodschap, het woord, de kracht. Daarnaast vinden wij echter als tenminste gelijkelijk belangrijk: de procedure, de weg. Deze weg zal vaak sterk verschillen van elke andere weg. Zo “het woord” altijd weer tot een en de zelfde waarheid herleid kan worden, zo zal de weg, waarlangs de mens zijn God benadert, steeds weer afgestemd moeten zijn op de tijd, waarin hij leeft, op zijn persoonlijke mogelijkheden, en ook op de meest voorkomende lichamelijke en geestelijke eigenschappen. Dat deze wegen zover uiteenlopen, is mede te wijten aan het feit, dat zij, in ruimte zowel als in tijd, vaak zeer ver van elkander liggen. De mens is nu eenmaal niet op elke plaats en in elke tijd gelijk en kan dus ook niet dezelfde denkwijzen en procedures volgen.

Wanneer wij de eerste ‘wegen’ vanuit een menselijk standpunt beschouwen, zo valt ons allereerst op, dat de mens in die tijd nog erg sterk aan de natuur gebonden is. Men zoekt dan niet tegen de natuur in, maar in zo volledig mogelijke harmonie met de natuur het hogere te erkennen en te ondergaan. De mens denkt in deze dagen nog niet over de dood na. Een leven na de dood is voor hem moeilijk of niet voorstelbaar. De wereld van de goden is voor hem een combinatie van een wrekende gerechtigheid en een verzendhuis van vervulde wensen. De primitieve godsdiensten van deze dagen worden later vaak cargo-godsdiensten genoemd.

Wij vinden namelijk ook in uw dagen nog soortgelijke godsdiensten, o.m. op de Fiji-eilanden. Nu blijkt men in vele gevallen een soort cargo, een volgeladen schip te verwachten, dat door goden vanuit de zee, of misschien vanuit de hemel, aan de gelovigen gezonden zal worden, een schip, dat dan alle gewenste rijkdommen bevatten zal. De primitieve gedachtegang zoekt niet naar een mogelijk later geluk in een of andere sfeer, maar naar een geluk, dat ogenblikkelijk bereikt kan worden. De godenwereld brengt geluk of ongeluk, daarom is zij voor de mens belangrijk.

Toch beseft men wel degelijk, dat er ergens een band bestaat tussen de mens en de vreemde, onbekende wereld van goden en krachten. Men zoekt deze band te versterken en komt zo tot een soort inwijdingsleer, waarbij echter de nadruk wordt gelegd op de meer stoffelijke aspecten van het leven. Vandaar dat bij dergelijke stammen ook de fysieke inwijding van jongens en meisjes altijd een zeer grote rol speelt. De leden van de stam moeten sterk zijn, lichamelijk krachtig, anders kunnen zij niet in harmonie zijn met de natuur, waarin de kenbare krachten van de goden tot uiting komen. En om met de natuur om te kunnen gaan, dient men nu eenmaal sterk en tot op zekere hoogte bekwaam en wijs te zijn.
De achtergrond van de leer is dan ook vaak allereerst een reeks van regels en gebruiken te scheppen, waardoor de gezondheid van de leden bevorderd en bewaard kan worden. De ouderen van de gemeenschap worden als wijzen, als uitverkorenen beschouwd, indien zij naast hun ouderdom ook bezit hebben.

Wat later zal de mens ontdekken, dat men in een roes kan geraken. Hierin voelt hij zich vrijer, lijkt het hem of hij in zuiverder contact komt met de goden en de wereld. Vandaar dat een volgende reeks van wegen gebaseerd blijkt op het gebruiken van verdovende dranken en spijzen, terwijl de dansen eveneens de roesvorming tot doel blijken te hebben. In deze roes spreken de goden tot de aarde. Wanneer de ingewijde ten opzichte van de stam een belangrijke rol moet vervullen, wanneer hij de goden moet raadplegen enz., zal hij dan ook de roes, een  vorm van trance, zoeken.
Bij orakels, maar ook bij de cultusgroepen van de magiërs en medicijnmannen zullen wij de roes als weg nog lang zien voortbestaan. Voor mensen, die nog niet de waarde van innerlijke beheersing kennen of kunnen aanvaarden, is dit een zeer aanvaardbare weg: zij hebben behoefte aan leiding, aan iets of iemand, die beslissingen helpt nemen en hen opdrachten verstrekt. Hun groei naar zelfstandigheid zal afgelegd worden onder leiding van en met behulp van krachten, die zij beschouwen als goden.

Wie bewustwording zoekt, zal altijd ergens een band moeten vinden met het hogere: zonder dit kan men nu eenmaal niet verder stijgen boven de menselijke beperkingen. De basis van dit alles is nog steeds een primitief geloof, dat stelt: wanneer je maar genoeg in harmonie bent met de goden en de natuur, zal de natuur je dienen en zullen de goden je zegenen. Je zult zo machtig worden en rijk worden. Al snel neemt men echter aan, dat de goden met de mens een achting gemeen hebben voor heldendom, rijkdommen en wijsheid.
Daarom is het aanvaardbaar, dat de goden bijzonder verdienstelijke mensen in hun midden op zullen nemen. Daarmee verandert de weg enigszins: nu is het doel zich verdiensten te verwerven, want wanneer je maar verdienstelijk genoeg bent in de ogen van de goden, wordt je onsterfelijk. Zo doet het hiernamaals en het niet onafwendbaar zijn van een werkelijk einde zijn intrede.

Een leven zonder belichaming is echter nog niet goed denkbaar. De mens meent dus de verdienstelijke geesten van hen die voorgingen  een woning op aarde te moeten verschaffen. Wij zien hiervan vele voorbeelden, die lopen van de beelden op het Paaseiland via de vele gesneden beelden bij primitieve stammen tot de vooroudertafels, die men tot voor kort in de hal van elke yamen in China kon vinden. Zelfs het oprichten van standbeelden voor verdienstelijke mensen in deze dagen is nog een overblijfsel uit die dagen: onbewust menen vele mensen nog heden, dat de weg naar een eeuwig leven gaat via heldendom, dat men iets moet betekenen, voor men waardig is voor eeuwig voort te bestaan.
De weg bij de minder primitieve volkeren is gebaseerd op een verwerven van deze betekenis, waarbij men geen onderscheid pleegt te maken tussen geoorloofde en niet geoorloofde middelen. De inwijding wordt zo een scholing, waarin lichamelijke bekwaamheid en verstandelijke kennis het mysterie aanvullen en zelfs grotendeels vormen. Toch is dit alles vanuit het hedendaags standpunt onvoorstelbaar eenvoudig en simpel gesteld en kan men zich niet indenken, dat zelfs in deze dagen ingewijden reeds over vele paranormale eigenschappen en mogelijkheden konden beschikken.

Met het geloof aan een mogelijkheid tot persoonlijk voortbestaan is de weg vrij voor inwijdingen en wegen, die reeds veel minder primitief aandoen. Wanneer de goden mensen onder zich op kunnen nemen en hen zo tot onsterfelijken kunnen maken, is het immers redelijk ook te geloven aan goden, die ter wereld komen? Een binding met deze in de stof levende goden zal eveneens bovennatuurlijke gaven, kennis en onsterfelijkheid betekenen. Wij zien dan ook, dat er mensen op aarde zijn, die zich, aan de hand van hun kennis en bekwaamheden, uitroepen tot dochters en zonen van de goden. De gewone mensen beschouwen hen en hun nageslacht al snel als werkelijke goden, die voor een ogenblik onder de mensen optreden. Zij zijn hoofdzakelijk tovenaars, magiërs, wijzen.

Al snel worden zij echter in de eerste plaats vorsten, regeerders. Men gaat hier dus uit van het standpunt: de god openbaart zich op aarde. Door een band op aarde te vinden met de God, zoals hij op aarde bestaat, zal men opgeheven worden tot verwantschap met alle goden. Vandaar dat men in vele staten er tegen was, dat een vorst-god huwde met buitenstaanders, zodat tenminste zijn eerste en wettige gade uit zijn eigen geslacht moest stammen. De echtgenote werd immers, alleen door dit feit, een godin, terwijl elke vrouw, die de vorst zich nam als zijn gedienstige en gezellin, het eeuwige leven verwierf, dat voor de gewone burgers nog steeds niet weggelegd scheen te zijn. Wanneer een vrouw eenmaal op deze wijze onsterfelijkheid had verkregen, kon haar geslacht op deze wijze het hiernamaals eveneens leren betreden.

Misschien staat u in deze dagen van dergelijke opvattingen wat te kijken. In het verleden zijn deze geloofswaarden voor de gehele sociale vormgeving van de gemeenschappen van allergrootst belang geweest. Misschien wordt het iets begrijpelijker, wanneer u zich realiseert, dat een toekomstig vorst altijd werd opgevoed door priesters en magiërs – vaak zelfs – in een vele jaren durende afzondering van de wereld, zodat hij haast altijd over buitengewone en voor de gewone mensen onbegrijpelijke gaven beschikte. Zo kon de vorst – soms alleen door aanraking reeds – mensen genezen, werkzame vloekformules uitspreken tegen hen, die ongehoorzaam waren. Hij was verder vaak in staat bepaalde natuurgeesten en krachten op te roepen.

Nu mag veel hiervan op suggestie berust hebben, maar de leer was voor de mensen van die dagen aanvaardbaar en logisch. Selectie door de huwelijksgebruiken droeg verder veel bij tot het ontstaan van sterke en sprekende verschillen tussen de vorsten en anderen. Het geloof was: wanneer ik in mijzelf een direct verband gevoel met een Godheid, zo zal deze Godheid in mij wonen. Al wat voor deze Godheid mogelijk is, zal dan ook voor mij mogelijk zijn. Door mij steeds weer op die Godheid te beroepen, zal ik, volgens mijn weten om  volgens de wil van de Godheid, alles kunnen volbrengen, wat wenselijk of noodzakelijk is.

Dit geloof werd echter alleen door de priesters, de ingewijden in het pad van die tijd, bewust gekend. Zo gesteld, klinkt het niet meer zo onaanvaardbaar. Het heeft immers veel gemeen met de stelling van latere inwijdingen en vormt een overgang tussen de oude, geheel op de stof gebaseerde wegen van eens, en de latere wegen, waarbij de nadruk vooral op de geest zou vallen. Overigens was deze leer mee verantwoordelijk voor het feit, dat men aan zijn vorst vaak zeer grote trouw toonde en bovenal er prijs op stelde hem persoonlijk te mogen dienen. Dit geloof was ook de reden voor de graagte, althans het gebrek aan weerstand, waarmede men met zijn vorst placht te sterven: het was misschien niet aangenaam, maar op deze wijze verzekerde men zich een eeuwig leven.

Speelt hier het geloof nog een overheersende rol, in latere inwijdingen blijken de wegen meer gebaseerd te zijn op het weten. Dit is logisch, wanneer men beseft, dat in het begin alle mensen tegenover de goden op gelijke wijze stonden, terwijl nu de god-koningen het aanzien hebben geschonken aan vaste priesterkasten en orden. Oorspronkelijk is het alleen maar de taak van de priesters en priesteressen de koning en zijn goddelijke verwanten op de juiste wijze te eren, maar al snel beseffen zij, dat vorsten toch niet onfeilbaar zijn, zelfs wanneer zij van goddelijke afkomst zijn. Het is de priester, die de god-koning lering geeft, niet omgekeerd. Zo ontstaat er een noodzaak voor de priesters te studeren en te onderzoeken. Alleen daardoor kunnen zij de kinderen van de vorsten op de juiste wijze opvoeden. Hun tempels worden uitgebreid met primitieve laboratoria en studiezalen.
De vorsten, beseffende, dat dit alles in hun eigen voordeel is, doen alles om de priesters te helpen. Zo ontstaan de grote tempels, waarvan men nu nog wel ruïnen vindt. Belangrijk hieronder zijn o.m. de Maantempel van Ur en de tempel van Ursa-Bel bij Baalbek.

Ofschoon in een later centrum gelegen van de Egyptische eredienst vereert men in deze laatste plaats een Heer, die de gedaante van een soort beer aan kan nemen. Dat ook Israël deze eredienst gekend heeft wordt waarschijnlijk gemaakt door het verhaal van de profeet, die door een beer gewroken wordt, wanneer jongens hem hebben uitgescholden voor kaalkop. Dit laatste doet overigens vermoeden, dat deze profeet, priester was van een of andere godheid, daar alleen de priesters in die dagen zich plachten te scheren, zodat hun hoofden geheel kaal waren. Ik wil echter niet afdwalen.

De onderzoekers in deze tempels beginnen te beseffen, dat de mens in zich krachten draagt, die niet afhankelijk zijn van een één zijn met de goden, maar berusten op het eigen wezen van de mens. Ofschoon zij er zich wel voor wachten dit aan de gemeenschap te doen weten, wordt hierdoor voor het eerst afstand gewonnen van de oude opvattingen, waarbij de mens alles eerst stoffelijk moest bereiken. Nu ontstaat de gedachte: ik moet mij innerlijk ontwikkelen. Deze leer wordt door ‘meesters’ verkondigd, die niet zelf God zijn of directe drager van een goddelijke kracht, maar wel de geheimen van de innerlijke wereld openbaren.
Toch blijft men veel aandacht wijden aan lichamelijke perfectie en ontwikkeling. Dit laatste is echter mede te wijten aan de vorm, die de eredienst in deze dagen heeft: een priester of priesteres moet wel heel wat mans zijn om op de juiste wijze de rituelen  te vervullen en de religieuze dansen, die een hoofdbestanddeel vormen en vaak tot vijf uren ononderbroken voort duren, vol te kunnen houden.

De frequentie van dergelijke grote en alles eisende tempelfeesten wordt echter steeds lager, terwijl de stilte, de mogelijkheid tot onderzoek en overpeinzing voor de meer bekwame priesters steeds toeneemt. Zo ontdekken de priesters de sleutels tot het ontwikkelen van de menselijke begaafdheden. Er is geen sprake meer van gezichten, die alleen door God worden gegeven, maar van een zien naar ruimte en tijd, dat door de eigen  wil beheerst wordt. De leringen van de meesters worden omgezet in een bepaalde techniek. Het resultaat is een – zij het vaak – op intuïtieve erkenningen rustende wetenschap. Deze wetenschap zal in elke latere weg, christelijk, geheimschool of anderszins, een zeer grote rol gaan spelen.

Toch moet u niet denken, dat de weg in de tijd, die wij bespreken, door de wetenschap werd bepaald, of dat de wetenschap daarin zelfs een overwegende belangrijkheid had gewonnen. Want nog steeds gelooft de mens aan zijn goden, die een beeld van eeuwig levende mensen zijn. Deze goden zijn te willekeurig in optreden, in hun verwerping, of aanvaarding van mensen en offers. Toch kan reeds nu de mens die meerdere kennis heeft vergaard, van de goden a.h.w. meer afdwingen dan anderen. Wat belangrijker is: hij kan meer begrijpen en meer vooruit zien. Daardoor krijgt de wetenschap steeds meer vaste voet in de tempels en ontstaan er zelfs kloosters, waarin men zich bijna geheel aan de studie wijdt.
De volgende reeks van wegen, die de mens vindt, ligt eveneens nog dicht bij de natuur. Wij vinden hier bv. heilige mannen en vrouwen, die bepaalde diersoorten leren beheersen. Een overblijfsel hiervan vormen de totemgroepen en diergodsdiensten, waarvan in deze dagen nog leeuwmannen, jakhalsmannen, alligatormannen, tijgermannen en slangen-meesters. Dezen zijn in staat om hun dieren te roepen, kunnen de gedaante van deze dieren volgens het volksgeloof aannemen en regeren het optreden van hun dieren als een veldheer zijn legers. Ofschoon men kennis en ‘bekwaamheid’ in de plaats van uitverkiezing en eigen inzichten in de plaats van inspiratie alleen begint te gebruiken, is er toch nog geen sprake van een werkelijk zoeken naar harmonie met geheel de kosmos. De mensen zijn hiervoor niet rijp.

Het woord, dat wordt gegeven en de weg, die daaruit voorkomt, doet de mens echter steeds sterker beseffen, dat er een God is, die een geheel ras omvaamt, een geheel volk. In het begin kan men niet beseffen, dat dit voor de mensen het geval zou zijn: één enkele god, of een familie van goden, die alleen en in het bijzonder de persoonlijkheid, hét lot van een volk zou bepalen, lijken wat onaanvaardbaar.
Wel beseft men, zoals uit het voorgaande blijkt, dat dit voor dieren het geval kan zijn. Reeds lang beseft men dat bomen, dieren, beken, rivieren, wolken, wind, geregeerd worden door bepaalde natuurkrachten, die zich aan de menselijke beheersing onttrekken. Nu ontstaat eerst het begrip, dat alle winden, alle wateren, alle bomen, alle soorten dieren, een eigen hoofdkracht, of regeerder in de geest hebben. Hierdoor komt men tot een verering van een rassengeest en zoekt men zijn voortbestaan e.d. vooral binnen die rassengeest te bevestigen. Men erkent wel, dat andere volkeren hun eigen goden hebben, maar beschouwt zijn eigen stam of rassengod als alleen beslissend, zover het eigen lot en leven betreft.

De aanbidding van stam- rassen- en natuurgoden voert weer tot inwijdingen, waarbij niet alle leringen van meesters, maar ook meer gespecialiseerde studies deel uitmaken. Voorbeelden hiervan vinden wij bv. in de goden van Egypte, maar ook bij de Joden.
De wijze, waarop Mozes de stamgod introduceert als al beheersende kracht, waarop men zich steeds kan beroepen, een kracht, waartoe sommigen in kunnen  gaan en anderen niet – aan de hand van afstamming e.d. – doet ons duidelijk beseffen, dat de inwijding van deze tijden nog niet is gebaseerd op de kosmos zelf, op werkelijk kosmisch begrip en de daaruit voortvloeiende harmonische mogelijkheden.
Eerder is er sprake van een zoeken naar verwantschap met de stamgod, welke verwantschap via erfelijke waarden en kennis bereikbaar is. Je wordt dus geen priester, omdat je uit een bepaalde stam komt of Leviet, alleen maar, omdat je uit het geslacht van Levi stamt. Dit is wel een eerste voorwaarde, maar werkelijk priester of Leviet wordt men eerst, wanneer men zich ook bepaalde kennis en bepaalde bekwaamheden heeft eigen gemaakt.
Een vergelijking kunnen wij hier ook maken met de tweemaal geborenen, de Brahmanen, van India. Ook zij worden in hun kaste geboren – vooral later – maar moeten veel studeren en leren voor zij, krachtens hun innerlijke bereikingen en kennis een zekere betekenis, een groot aanzien zullen verwerven.

De wet van de stam- of rassengod is natuurlijk een zeer beperkte. Het is dan ook aangenaam te kunnen constateren, dat aan deze beperkingen al snel een einde komt. Onder meer blijkt dit uit een vernieuwing van de verering van de zonnegod in Egypte, welke leer door Ichnaton helaas op een verkeerde manier naar voren werd gebracht en aan geheel het volk geopenbaard, met alle gevolgen van dien. Hier wordt alles, wat in de stof bestaat, een symbool van een geestelijke waarde of kracht.
De mens heeft zijn stoffelijke wereld om zich te oriënteren, hij heeft zijn stoffelijke bereikingen en mogelijkheden. Maar deze zijn in wezen niet veel meer dan weerkaatsingen en aanwijzingen, die het hem mogelijk maken een geestelijk rijk te betreden en door een geestelijke wereld te gaan, die hij nog niet precies kent. Alle ervaringen van vroeger worden door de priesters van deze inwijdingsgroepen verzameld opdat men toch maar precies aan de hand van de ervaringen van anderen zal kunnen leren, hoe te gaan en waarheen.

De grote kernen van deze scholen zijn de zgn. kringen of ringen, een systeem, dat bij andere godsdiensten en de daarin gelegen inwijdingen eveneens voorkomt, als bv. bij de Kelten. In dit systeem worden bepaalde groepen ingewijd in een beperkt geheim. Zij hanteren dit, het is hun persoonlijke weg. Hoe sterker zij als eenheid binnen dit geheim verder streven, hoe duidelijker in henzelf de wetenschap van de ‘goddelijke krachten’ ontstaat. Zij erkennen, ondanks hun beperkte benadering, de totale structuur van de kosmos en de gehele goddelijke werkelijkheid, al geven zij daaraan andere namen dan tegenwoordig gangbaar zijn. Zij erkennen, dat in alles dezelfde kracht leeft en dat in elke weg dezelfde bereiking mogelijk is. De ring, kring, of keten, zoekt echter naar een zo sterk mogelijke binding en harmonie, waardoor hun streven een zo groot mogelijke eenheid zal verwerven en vanuit het beperkte streven van de ring de grote werkelijkheid zal kunnen worden bereikt.

Hier komen wij aan iets, wat ook in deze dagen nog bestaat: de gedachte aan een betrekkelijk eenzijdige keten van streven, waarbij de mens niet tracht onmiddellijk het geheel van de goddelijke waarden te bereiken – wetende, dat hij hier te klein voor is – maar een zeer beperkte samenhang opbouwt, die slechts in een enkele richting schijnt te gaan om echter, het goddelijke in dit punt eenmaal bereikt hebbende, vol ingewijd zijnde hierin dus, toch vanuit deze beperkte benadering het totaal van de goddelijke kracht te kunnen openbaren. Dit geeft natuurlijk aanleiding tot het ontstaan van aardige gebruiken: zo ontstaan in de eerste tijd, dat deze ringen werkzaam zijn, ook de eerste zegelringen. Men heeft dus niet alleen maar stempel en zegelrollen, maar ook ringen, die voor het zetten van een zegel of waarmerk gebruikt kunnen worden. Er worden nu vaak speciale stempels in ringen gesneden, waaraan een magische betekenis wordt toegekend. Deze worden gedragen door de personen, die de top vormen van dergelijke groepen. Zij, zegt men, hebben het goddelijke geheim van de groep en zullen dit a.h.w. over kunnen dragen door middel van hun magisch zegel.

In de volgende periode zijn de wegen nogal verwarrend: terwijl de verheerlijking van lichaam en lichaamskracht zich bv. op Kreta en in Griekenland nog voortzet, wordt elders de geest steeds belangrijker in de ogen van de waarheidszoekers, zodat zij het lichaam als steeds onbelangrijker beginnen te verwaarlozen of zelfs te schaden. Men kan wel stellen, dat er twee geheel verschillende soorten van scholen ontstaan: de innerlijk filosofische en een reeks van wegen, die veel met yoga gemeen hebben, omdat men hier allereerst tracht zijn lichaam te beheersen en te ontwikkelen, om zo de mogelijkheid te vinden, zijn geest te ontwikkelen. De behoefte tot voortleven, tot ontsnappen aan de dood, is tot nu toe een van de kentekenen van alle wegen.

Hiermee zijn wij aan het einde van deel één van mijn betoog en komen wij in de meer moderne tijden.

De bewustere en geestelijk steeds zuiverder weg die wij nu aantreffen bestaat niet alleen in het begin van het christendom, maar blijkt ook reeds vóór Jezus’ geboorte te worden aangetroffen. De Messiaanse gedachte speelt hierin veel minder een rol dan u wel zou denken, want de kern van deze nieuwe reeks stellingen is de leer, dat de mens geketend is. “Wij zijn geketend”, zo leert men. “Onze ketenen komen voort uit een ontrouw aan de wet.” Deze wet wordt naar buiten toe vaak verklaard als een samenstel van religieuze wetten, maar in de kringen van ingewijden wordt zij als van meer kosmische geaardheid gezien en is deze wet in wezen de basis van de wet van oorzaak en gevolg: de wezenlijke eigenschappen en structuur van de kosmos.

“Wij moeten onze ketenen afwerpen door trouw aan de wet te zijn.” In trouw aan de wet zullen wij ons steeds weer moeten afzonderen van het lichaam, opdat de geest in zich kan keren tijdens een periode, waarin het lichaam niets te zeggen heeft. Zo zal de geest vervuld worden met het goddelijk Licht, daarnaast zijn er perioden van lichamelijke activiteit, waarin het Licht, dat zich in de Geest bevindt, zich onder de mensen kan verbreiden.

Jezus gaat op dit pad verder, door het Koninkrijk Gods te proclameren dat in wezen identiek is met de Lichtende kracht Gods, waarvan wij bij andere leringen horen. Het verschil is gelegen in de voorwaarden, die er bestaan om de innerlijke verlichting deelachtig te worden. Andere sekten en groeperingen stellen, dat dit alleen onder zeer bijzondere condities en onder leiding van ingewijden bereikt kan worden, terwijl Jezus zegt, dat het Koninkrijk Gods in elke mens bestaat en dus ook door iedereen bereikt kan worden. Hij doet afstand van de gedachte, dat er maar één enkele methode bestaat om dit innerlijke Licht deelachtig te worden en stelt, dat een ieder dit op zijn wijze zal kunnen bereiken. Hiermede geeft Jezus niet alleen de synthese, maar tevens de vernieuwing van alle paden, die vóór Hem bestonden. Zijn Weg is die van onthechting, van zelfverloochening, van grote liefde en, bovenal, van een onmetelijk Godsvertrouwen.

Helaas valt voor de moderne tijd het begrip, dat Jezus ingewijd was, dat Hij waarlijk veel wist, weg door de vergoddelijking van Zijn persoonlijkheid. Hij was echter, volgens de normen van zijn tijd zeker, een wetenschapsmens en een groot deel van de inwijding, die hij trachtte te geven aan zijn apostelen, aan de groep van 21 en de groep van 40, was dan ook gebaseerd op kennis. Er is kennis nodig, om vanuit het menselijke zijn God te kunnen benaderen, zo zegt Hij. In ons kunnen wij God altijd vinden, maar om deze God ook buiten ons tot uitdrukking te kunnen brengen, moet men ook over een zeker wéten beschikken.

Deze combinatie van innerlijke waarden, kennis en Godsbesef is een wezenlijke vernieuwing, die vreemd genoeg onmiddellijk ook overslaat naar andere landen en groeperingen. Een mystieke school in het tegenwoordige Egypte, welke zich tot dan hoofdzakelijk bezig heeft gehouden met innerlijke bespiegelingen, besluit rond deze dagen naar de praktijk te grijpen. Omgekeerd zijn er tussen de geleerden van die dagen velen, die opeens schijnen in te zien, dat er tussen hun weten en esoterie enig verband bestaat. Deze invloed, die dus niet alléén aan Jezus leven gebonden is, maar voordien en nadien langere tijd heeft bestaan, was onder meer de bron van verschillende Alexandrijnse scholen, waarvan de Pythagorese school wel de meest bekende is.
Bij deze scholen is de weg steeds weer een zich op zichzelf bezinnen, het verwerven van zekere zelfkennis en inzicht in eigen wezen, waarnaast men kennis opneemt, deze kennis leert uitdrukken, om op de duur te komen tot het ontvangen van en uitdrukken van goddelijke kennis.

Deze scholen kenden allen drie hoofdfasen van ontwikkeling. Deze scholingen, evenals de Griekse geheimscholen van deze tijd baseren hun inwijdingen op een symboliek van sterven en herleven. Voor de gewone leden blijft deze symboliek gehandhaafd. Men kan nog geen afstand doen van de oude geheimen.
Lang na Jezus’ dood dwaalt men nog door duistere labyrinten achter of onder de tempels, wordt de zoeker naar inwijding verschrikt door het schuifelende geluid van echte of nagemaakte slangen, gaat hij in het duister langs afgronden, die meestal niet zo diep zijn, als hij vreest, wordt hij geconfronteerd met wanden van vuur en wat dies meer zij. Maar de werkelijke beproeving, de werkelijke inwijding krijgt al snel een geheel ander karakter: men moet bewijzen, dat men begrijpt. Men heeft een zeker weten nodig, om te kunnen begrijpen. Dit wordt gegeven.

Daarnaast heeft men echter voor alles harmonie in zich en met anderen nodig, om de geleerde waarden in de juiste samenhang te kunnen brengen en toe te kunnen passen. Zo wordt het harmonische geheel van de inwijding hier wel zeer sterk tot uitdrukking gebracht. Wij kunnen natuurlijk opmerken, dat de naastenliefde hier een andere naam draagt, terwijl de geloofswaarden, die aan de inwijdingen verbonden zijn volgens het hedendaagse standpunt wel erg libertijns, om niet te zeggen hedonistisch zijn. Maar de kern is de gedachte aan harmonie, een harmonie die noodzakelijkerwijze ook een besef van verplichtingen tegen de naasten in zich draagt. De kern van de inwijding brengt tot dienen, maar geeft daarnaast een zekere onthechting.

De ware wijzen van Griekenland, die aan deze inwijdingen deel hebben gehad, vrezen de dood dan ook niet: zij zijn reeds duizenden malen de dood gestorven. De dood is hen eerder een vriend  – een poort naar een ander leven – al spreken zij daarover niet al teveel. Hun weg is er een van berustende aanvaarding naar buiten toe, een innerlijk zoeken naar begrip en harmonie met geheel de wereld en, bovenal, een onophoudelijk zoeken naar waarheid.

Hierbij zoekt men zowel door middel van kennis en stoffelijk onderzoek als door middel van introspectie de hoogste waarden te leren kennen en aanvaarden.

U ziet dus, dat de wegen van het verleden allen enigszins een klimmende reeks van begrippen en persoonlijke ontwikkelingsmogelijkheden vertonen, waarbij de oudste wegen zich alleen op de bezielde natuur stoelen, terwijl daarna natuur en bovennatuurlijke wezens voor de mens een mogelijkheid tot verdere bewustwording blijken te brengen. Daarna brengt de erkenning van bovennatuurlijke wezens een geheel andere inpassing in het geheel van de schepping, maar ook de mogelijkheid, ‘deel’ te hebben aan het bovennatuurlijke en bovennatuurlijke gaven te verwerven. Hierop volgt een weg van innerlijke bespiegelingen, waardoor een vergroting van innerlijke krachten ontstaat, die gepaard gaat met een grotere vrijheid van de oude goden en hun invloed op de stof door een steeds grotere harmonie met de krachten van de geest. Nog later vinden wij dus het begrip van een algehele harmonie, die geheel het al omvaamt, terwijl men daarin zelf een geheel bijzondere plaats inneemt, die men alleen goed kan vervullen door zich van de kosmos en haar wetten bewust te zijn. Hieruit vloeit het begrip van persoonlijke onsterfelijkheid voort.

Dat de dood altijd een grote rol speelt in de riten en leringen, die bij elke weg optreden, hoeft ons niet te verwonderen: De mens vreest boven alles te sterven, uitgeblust te worden. Hierbij dient men zich te realiseren, dat een bewust, direct en persoonlijk voortbestaan in de geest eigenlijk door een groot deel van de wereld eerst na Jezus dood is aanvaard. Voordien dacht men, dat men na de dood ofwel onbewust zou moeten rusten tot men eens weer tot leven gewekt zou worden – zoals de Joden bv. dachten, dat zij zouden slapen, tot Gods’ engel hen aan het einde van de tijden zou wekken – ofwel dat men door de dood eenvoudig uitgeblust zou worden en alleen in zijn nageslacht voort zou leven. Vandaar ook het sterk magische karakter van oude erediensten, die tot doel hadden, tegen de normale regel in, de mens een leven na de dood te verschaffen.

Nu is er voor haast alle mensen een begrip van eeuwigheid. Dit begrip wordt op alle wijzen hernieuwd en aangepast. Zo vinden wij dit eeuwigheidsprincipe terug bij de moslims, al doet ons de voorstelling, die men daarvan heeft, wel wat materialistisch aan. Wanneer wij horen, hoe het paradijs door hen wel wordt beschreven, houdt het voor ons het midden tussen een zeer luxe gelegenheid voor alle mondain vermaak en een paradijstuin. Maar dit is het beeld voor het eenvoudige volk.
Want ook binnen de Islam bestaan en ontstaan esoterische groeperingen. Van de tijd van Ali Bakr Hussein af zien wij zelfs een school, die beweert: Het paradijs en de 7 hemelen, waarvan de profeet ons spreekt, worden ons zo stoffelijk voorgesteld, opdat wij ze zullen kunnen aanvaarden. In werkelijkheid bestaan zij echter in ons. Wij moeten in onszelf het paradijs weten te wekken, in onszelf moeten wij de roes vinden, waardoor wij de wereld kunnen vergeten en niets in de menselijke wereld voor ons werkelijke betekenis blijft behouden. Hieruit, zo zeggen zij, moeten wij voor onszelf een kracht putten, een bewijsbare kracht, die het normaal menselijke te boven gaat.

Natuurlijk wordt deze stelling niet door een ieder even goed begrepen. Als gevolg hiervan ontstaan dan ook vele vreemde sekten, als de slangeneters, de derwisjen, die zichzelf voortdurend weer op hun grote feestdagen kwellen, met dolken verwonden enz., vuurlopers e.d. Een van de meest waardevolle groepen, die hieruit voortkwam, is wel de sekte der z.g. dansende derwisjen. Belangrijk is echter, dat ook hier een weg wordt gevonden, die op innerlijke waarden en niet direct op de godsdienstige wetten alleen berust. De godsdienstige wetten zijn er voor ons als een aanwijzing in de materie. De kern van de weg is echter ook hier weer: Wij respecteren de wetten in de materie maar boven alles moet in onszelf een bewustzijn ontstaan van andere werelden, van een hemel, van sferen. Wij moeten meer beleven dan de aarde alleen.

Ook bij de boeddhisten vinden wij soortgelijke scholen en gedachtegangen. Wanneer wij ons hiermede bezig gaan houden, dienen wij echter allereerst te beseffen, dat bij het begin van Boeddha’s prediking, Nirwana voor velen alleen maar rust betekende: een einde van de vele incarnaties, een uitgeblust zijn.
De betekenis, die de Meester zelf aan dit begrip gaf tegenover zijn leerlingen: “het zijnde niet zijn”, werd slechts door weinigen begrepen en was aanleiding tot vele speculaties en gissingen. De weg zelf was er wederom een van onthechting, rechtschapenheid, harmonie met de natuur en de mensen, harmonie bovenal met het scheppende principe, met God zelf. Volgens de meester diende men zoveel mogelijk buiten het directe aardse gebeuren te staan. In de mens zelf is een vaste werkelijkheid, een waarheid zonder begoochelingen. Wie deze werkelijkheid in zich erkent, betreedt op dat ogenblik reeds het Nirwana, want zijn leven wordt niet meer door hemzelf, maar door de werkelijkheid geleid. De boeddhist, die in zichzelf luistert naar de waarheid, vindt in zich de hoogste sferen en de vervulling van zijn bestemming, zoals wij in het christendom trachten de hemel in onszelf te vinden enz.

Hiermee is, naar ik meen, de vernieuwing, die in de laatste 2000 jaren zich afspeelde, aan de orde gekomen: De mens zoekt immers steeds verder. Al snel beseft hij, dat de  vele goden, geesten en krachten waarover men in oudere inwijdingen nog zoveel sprak, niet werkelijk zo bestaan. Men heeft inzichten – in vele gevallen te danken aan de wijsgeren van Griekenland als Aristoteles en sommige Egyptische overleveringen – die voeren tot het besef, dat men zijn wereld kan kennen en beheersen.
Als gevolg van deze inzichten zien wij o.m. de kabbalisten ontstaan, die de menselijke systematiek toepassen om zo een verder inzicht te verwerven in de hemelwerelden, en als tegenstelling de alchemisten, de voorlopers van de moderne chemici. Deze laatsten zochten natuurlijk naar een steeds grotere kennis van de materie zelf. Daarnaast meenden zij echter, dat er een parallel moest bestaan tussen stof en geest. Voor alles, wat mogelijk is en bestaat in een stoffelijke wereld, moet een gelijke geestelijke mogelijkheid bestaan, zo menen zij. Geestelijk goud maken betekende, dat men in zichzelf dezelfde processen deed ontstaan als gebruikt werden bij pogingen, om in de smeltkroes uit lagere metalen het edele goud te vervaardigen.

Levenswater, de steen der wijzen, zelfs de pogingen om homunculi tot stand te brengen – kunstmatig geschapen mensen – zijn niet alleen maar onderwerp van experimenten in meer materiële zin. Zij zijn een pogen om aan de hand van alles, wat op aarde bestaat en gebeurt, de waarden van een hemelsfeer te leren kennen, te leren beleven en beheersen, voor men de eigen stoffelijke wereld verlaten heeft. De grote stoffelijke verschillen van school en richting doen in wezen niet veel meer ter zake: de weg is nu duidelijk genoeg geworden. Niet alleen aan de hand van een geopenbaarde leer en niet alleen aan de hand van wat een ander voor je doet, maar door eigen besef, leven en werken, zal de bewustwording bereikt worden. De kern van alle wegen in deze periode is gelijk: er bestaan kenbare parallellen tussen de onzienlijke wereld en de wereld, die men kent.

Deze erkenningen zijn het begin van een ware inwijding. De mens schept nu – ook zonder ingewikkelde riten en gebruiken – soms door magie, soms op andere wijze, rond zich een milieu, waarin voor hem de eeuwigheid reeds leeft. Wat er materieel met hem gebeurt, wil hij innerlijk zo leren ondergaan, dat uit dit gebeuren zijn God onmiddellijk tot hem spreekt, hem zo voerende tot het nieuwe. De weg, die men gaat, berust in wezen op het omwerken van eigen wezen, het ombuigen van eigen wezen, tot men uiteindelijk geheel past in het goddelijk kosmisch concept. Resten van de oude inwijdingen, van de oude wegen, bestaan natuurlijk nog voort en hebben vaak zelfs nog grote invloed op de minder bewusten. Maar toch komen wij met deze ontwikkeling tot het heden.

De mens van deze dagen heeft, vooral dankzij degenen die naar parallellen voor hun geestelijke belevingen in de stof zochten, geleerd, hoe hij een groot deel van de materie kan beheersen en regeren. Hij heeft zo geleerd, hoe te werken met stoffelijke reacties, hoe te werken met vele vormen van energie. Het aantal mensen is steeds meer toegenomen en de directe beïnvloeding door de natuur heeft steeds meer plaats moeten maken voor industrie, het leven in en werken met het kunstmatig geschapene. Het is a.h.w. alsof de mensen langzaam maar zeker uit de werkelijke wereld verdreven zullen worden door de kunstmatige scheppingen, die uit de mensheid zijn voortgekomen. Van harmonie met wereld en mensheid, laat staan van harmonie met het Al, is daardoor weinig of geen sprake meer.

Toch moet er een weg zijn. Er blijkt echter geen ruimte meer te zijn voor stoffelijk gezochte inwijdingspaden, die voeren door diepe dalen en over hoge bergen, tot het innerlijk Ik zozeer zich bewust is geworden, dat het leert te lezen in boeken, die voor een ander niet leesbaar zijn en leert in de sterren vele dingen te zien, waarvoor anderen blind zijn. Die tijd is voorbij. De hemel is niet meer open voor de mens en de tocht van de menselijke eenzaamheid heeft niet meer het karakter, waaruit de inwijding volgens oudere gewoonte voort zou moeten komen. Er zal dus een nieuwe weg moeten komen.

Opvallend is, dat, juist in de periode dat de oude wegen van de inwijding afgesloten worden, in de wereld bepaalde scholen op de voorgrond gaan treden, wier leringen gebaseerd zijn op al dit oude. Wij vinden bv. in Christian Science een poging om de kennis, die Jezus onderwees, terug te vinden, om deel te hebben aan een wetenschap, die heel wat verder ging dan alleen maar het genezen, waarmede deze richting meestal in de eerste plaats wordt geïdentificeerd. Wij vinden de theosofie, waarbij uit een vaak verkeerd begrepen mengseltje van spiritisme, oriëntalisme en zelfs piramide-onderzoek een structuur ontstaat, waarin de mens een innerlijke sfeer kan opbouwen en zelfs riten en plechtigheden kan ontwerpen, waardoor hij bewuster wordt van zichzelf en oude kennis. De Rozenkruisers hebben ongetwijfeld altijd bestaan, zelfs tot in Jezus’ dagen. Wij zouden dit overigens van andere sekten en scholen evenzeer kunnen zeggen. De wetenschap, die Christian Science leert is ook van oudsher bewaard gebleven, zij het, dat dit hoofdzakelijk in het Abessijnse hoogland geschiedde, en in het christendom zelf dus weinig of geen betekenis had. En de leringen van de theosofie zijn ook te herleiden tot een zeer ver verleden. Dit is echter van minder belang.

Opvallend is, dat de Rozenkruisers lange tijd zeer besloten zijn geweest en op de achtergrond bleven. Opeens zien wij echter deze groep naar buiten toe actief worden. Ook zij verkondigen aan allen, die leren willen, het oude geheim. Zij vertellen de mens alles over de kringloop van de ziel, de oude wijzen van lichaamsbeheersing, transmutatie van krachten enz. Ergens spreken in deze leringen de oude alchemisten mee, maar wij horen ook de stem van de wetenschappelijke christenheid, terwijl het geheel zeker ook tegemoet komt aan de behoefte van de meeste moderne mensen aan een systeem.

Dit is geen toeval: van alle kanten worden de mensen voorbereid op een nieuwe aanvaarding, op een nieuwe weg. Dezelfde weg kan men als mens niet zo gemakkelijk meer gaan: men kan zich in deze dagen niet meer zo eenvoudig geheel in zichzelf verliezen of zich geheel en al baseren op een bepaald systeem. Daarom spreekt men over de werkelijke inwijdingsgroepen als het verborgen priesterrijk, de grote witte loge, de witte broederschap e.d. Dezen worden beschouwd als haast onbereikbaar, als bijzonder exclusief. In wezen zijn zij dit eigenlijk niet: ieder mens zou tot deze kern kunnen behoren. Maar dan moet hij eerst innerlijk bereiken. Tot op heden loopt de doorsnee mens echter vast op uiterlijkheden, uiterlijkheden, uiterlijkheden!

Wat zal voor deze tijd nu de juiste weg zijn? In de eerste plaats zal men zekere kennis nodig hebben, dit zal echter niet menselijke kennis kunnen zijn, waar deze te sterk bindt aan eigen wezen en wereld, het besef wekkende: dit hebben wij bereikt, dit hebben wij geschapen. Daarom zal het weten van de nieuwe weg in de eerste plaats een terug voelen moeten zijn naar de grondwaarheden, waaruit alle wegen en alle kennis voor de mensen konden bestaan. Het is belangrijk, dat de mens weet, wat een atoom is. Maar wat die atomen nu allemaal doen en hoe hun gewicht in zekere tabellen kan worden ondergebracht, is voor de mensheid misschien interessant, voor de innerlijke wetenschap echter heeft het weinig waarde meer. Dat er vele verschillende stralingen en krachten bestaan, mag voor de mens wetenschappelijk interessant zijn maar geestelijke gezien is alleen belangrijk, wat men ermee kan doen in zichzelf, hoe men ermee harmonisch kan zijn, hoe men er bewust in kan worden.

De mensen zullen terug moeten keren tot zichzelf. In de oudheid werd bij elke weg uiteindelijk alles herleid tot het Ik. Het Ik dat beleefde, banden zocht met de schepping en vaak kinderlijk egoïstisch alleen maar aan zichzelf wilde en kon denken, Dit egoïsme hoeven wij niet te imiteren. Wij behoeven niet terug te gaan tot primitiviteit.

Maar de nieuwe weg houdt wel in, dat de mens in de allereerste plaats zal moeten terugkeren tot de eenvoud. Deze eenvoud houdt een zekere mate van geloof en onredelijke aanvaarding in. Maar daarnaast is er behoefte aan bewuste kennis. Bewuste kennis, plus innerlijke aanvaarding, bepalen de levenshouding. Een mens kan alleen waarlijk zijn weg gaan, wanneer hij leeft naar dat, wat hij in wezen werkelijk is. Maar wat hij innerlijk is, moet dan ook worden afgestemd op God en niet alleen op zelfbevrediging, het persoonlijk geluk, dat hij zich wenst, of het aanzien, dat hij meent voor zich te kunnen winnen. De mens moet zichzelf zijn, omdat dit Ik plus de gekende wetten van de natuur, de gekende krachten van het al dus, samen betekenen dat deze mens een harmonie kan vinden met de hoogste krachten in de kosmos.

Hij heeft daarbij ongetwijfeld ook de naastenliefde, de mensenliefde, de onthechting en wat nog meer nodig zij , maar dan niet in de extreme wijze, waarop dit alles door de mensen vaak wordt uitgelegd. Een gematigde opvatting van onthechting, zoals deze in de moderne weg past, stelt bv. niet: ik wil niets bezitten, maar wel: wat ik schijnbaar bezit, is niet werkelijk van mij. Wanneer een ander daaraan meer behoefte heeft dan ik, is het door de behoefte alleen reeds zijn eigendom geworden. Ik heb een gave of een kracht. Deze gave, deze kracht is echter niet ‘van mij’. Zij is in mij en vormt daar een verplichting tegenover anderen, die ik als deel van mijn werkelijk wezen met mij draag. Men kan dromen van een sfeer, een meester, een kracht. Maar nimmer zal men mogen stellen: dit is mijn sfeer, mijn meester, mijn kracht. Ten hoogste zal men kunnen zeggen, dit is deel van het Al en blijkt mij behulpzaam te zijn bij een langzaam mij invoelen in een hogere wereld. Alles wat er aan bezit bestaat, is niet een waarlijk eigendom, maar een beheer in een deelgenootschap met de gehele schepping, waardoor het in de eerste plaats een taak en een verplichting tegenover de schepping betekent.

De nieuwe, de moderne weg, wordt langzaam opgebouwd. Zij is niet meer te vergelijken met de oude wegen van de vele geheimscholen. Daarvoor is in deze dagen weinig plaats. Wij kunnen ons dergelijke scholen nog wel als organisatievormen indenken, maar gezien de moderne mentaliteit zullen daar op de duur zoveel mensen met orde en administratie zich bezig hebben te houden, dat er maar heel weinig ingewijden uit voort zullen komen. Het is noodzakelijk, dat de nieuwe weg in de eerste plaats een vrije weg is, maar dat zij gelijktijdig een innerlijke binding geeft met anderen. Het oude verbond werd in de scholen bezegeld door geheime tekens, door samenkomsten achter gesloten deuren, door gewapende soldaten bewaakt misschien. Want het geheime van de groep was een van haar belangrijkste wapens. Nu is het anders: Tegenwoordig dient men in zichzelf een band te vinden met het hogere en als gevolg daarvan opeens te erkennen: Hé, wat deze mens is of doet raakt mij. Wij horen ergens samen.

Belangrijk als altijd is het zoeken naar de kern van eigen wezen, het erkennen van de God in het Ik. Want wanneer men eenmaal heeft erkend, hoe die God binnen de mens spreekt, in hem werkt en maar een klein begrip heeft van de taak, die een zelf verder werken met deze in het Ik verscholen krachten betekent, zal men ook erkennen, wat de juiste ‘innerlijke weg’ is, wat de juiste banden in de wereld zijn. Wij zullen in anderen het bewustzijn leren erkennen en hen in het voorbijgaan misschien een: Gegroet, broeder – of zuster – toeroepen. Wijzelf zullen echter ook in de nieuwe weg steeds meer leren beseffen, dat wij in feite bij een kleine en beperkte kring behoren. De ringen en ketens van de oudheid zullen in de komende tijd ongetwijfeld herleven. Niet meer vanuit een religieus standpunt. Dit is niet meer mogelijk. Zij zullen ook niet in de eerste plaats de uitdrukking zijn van een inwijding of een bepaald streven, maar eerder de uitdrukking zijn van juiste harmonie en perfecte samenwerking.

Zeer belangrijk zal volgens mij in de nieuwe weg de saamhorigheid zijn, die bestaat uit een bewust tezamen streven naar hetzelfde Licht, dezelfde Kracht, dezelfde Waarheid. Daaraan zal natuurlijk nog een vorm moeten worden gegeven. Het is niet voldoende, wanneer overal op de wereld mensen leven, die door een dergelijke ring of keten verbonden zijn met elkaar. Langzaam maar zeker zal de samenwerking, die op het ogenblik hoofdzakelijk in de geest bestaat, ook een stoffelijk vorm moeten vinden. Toch kan dit geen zuiver organisatorische vorm zijn. Zelfs een nieuw geloof of iets dergelijks schijnt, gezien de gegevens, waarover ik nu kan beschikken, niet geschikt te zijn.

Ik meen dan ook, dat de uiting van de nieuwe weg hoofdzakelijk een soort op geestelijke waarden berustende traditie, een reeks gewoonten met geestelijke achtergronden, zal worden. Een reeks van uiterlijke gebruiken en vormen, waarin de innerlijke saamhorigheid, de innerlijke realisatie, tot uiting komen. Iets wat voor de buitenstaanders waarschijnlijk even onbegrijpelijk, gevaarlijk, zelfs onaanvaardbaar zal zijn als de tempeldansen in de vroegste tijden, de verborgen bijeenkomsten en stieroffers van eens. Men zal zich in deze tijd vooral wel afvragen: is dit nu eigenlijk wel nodig, heeft dit eigenlijk wel zin? Maar degenen, die, vanuit een innerlijk besef tot deze gebruiken en gewoonten komen, zullen weten, dat zij daarmee iets scheppen, waardoor een harmonie kan worden uitgedrukt, die over geheel de aarde zal voortgaan en overal steeds sterker zal inwerken en zijn invloed zal doen gelden.

Ook de wijze van verbreiding van de nieuwe weg zal van het tot op heden gebruikelijke waarschijnlijk verschillen. Vroeger was het vaak zo dat tenminste twee ingewijden garant moesten staan voor een nieuweling, die als leerling werd aangenomen. In andere gevallen werd een zeer lange leertijd gevergd, waarbij niet de geestelijke rijpheid van de leerling, maar de wens van zijn meesters bepalend was voor zijn mogelijkheden tot verder gaan in het geheim.

Een volledige inwijding zal voor een ieder alleen door eigen werken en innerlijk bereiken mogelijk zijn, zodat men niet als bv. in het verleden bij de Rozenkruisers, de volledige inwijding door een meester alleen ziet overdragen kort voor zijn dood en een enkele onder zijn leerlingen, die op zijn beurt weer wacht tot het einde van zijn stoffelijk bestaan, voor hij het geheim verder doorgeeft.

Nu is er behoefte aan een mogelijkheid  een ieder, onafhankelijk van geloof en discipline, snel in te wijden, daartoe zullen de sleutels aan allen gegeven dienen te worden op een wijze, die een hanteren daarvan geheel afhankelijk stelt van het innerlijk begrip. Kortom: de nieuwe weg is dezelfde oude weg naar god, maar nu gegaan volgens de mogelijkheden en met de middelen van een nieuwe tijd. Dezelfde weg die Jezus, Boeddha en vele anderen hebben geleerd, dezelfde weg in essentie, die vele geheimscholen toegankelijk hebben willen maken. Want de weg is in wezen altijd alleen maar het gaan van de mens tot God, het gaan uit de beperking van eigen wezen tot de harmonie met de kosmos. De methode zal echter steeds móéten veranderen, omdat de mens zelfs steeds verandert.

Naarmate de wereld drukker bevolkt is en de materie een belangrijker deel van kennis en aandacht vergt, zal het belangrijker worden, dat men een eigen wijze vindt om innerlijk te beseffen en uiterlijk te volbrengen wat hiertoe noodzakelijk is. Zelfvertrouwen, een diep geloof in God en een waar geloof in een voortbestaan, in een eeuwig leven, een besef van het doel van alle dingen, is noodzakelijk. Uitgaande hiervan, levende volgens deze inzichten, zal men alles, wat men rond zich ervaart en ziet, kunnen maken tot de weg zelf, tot een beleving van en een benadering van de innerlijke waarheid en de goddelijke kracht.

Hiermede meen ik, de nieuwe weg redelijk omschreven te hebben. Ook deze weg zal eens verouderen, zal vastlopen in ritueel, onbegrip, boeken en stellingen. Dan zal er weer een woord en een weg worden gegeven, want overal, waar het woord klinkt, zal een weg zijn. En het woord klinkt door alle tijden, zolang er wezens zijn, die van zich en God  bewust zijn, terwijl hun verlangen uitrijpt naar weten en een in harmonie leven met zichzelf en de kosmos.

  • Ik neem aan, dat de door u geschetste trappen van ontwikkeling door de geest geleid zijn?

Ik begon met op te merken, dat dit onderwerp een voortzetting is van het onderwerp van vorige week. Daarin werd duidelijk gemaakt, dat de Goddelijke Liefde het steeds weer mo- gelijk maakt, dat een Leraar vrijwillig tot de aarde komt, om daar de boodschap, de passende leer, te verkondigen. U zult begrijpen, dat er dus in zekere zin sprake is van een leiding vanuit de sferen. Maar alleen in zekere zin: er is geen enkele gids, die u verder kan helpen langs de weg, tenzij u zelf begint die weg te gaan. Een gids kan u helpen, deze weg beter en sneller af te leggen. Maar hij kan u zelfs de noodzaak van de weg, het begin van de weg niet tonen, wanneer u dit niet in u zelf weet te vinden.

De harmonie met de kosmos, die het doel is van de weg, kan voor een mens eerst werkelijkheid worden, wanneer het begrip van en het zoeken naar harmonie in hemzelf waar zijn geworden. Het is dan ook zijn honger naar vrede, zijn verlangen naar een harmonisch bestaan, dat hem boven alles bindt met hogere waarden. Vanaf het ogenblik, dat dit het geval is, zal de geest in kunnen grijpen en medewerking kunnen verlenen. Wel zal vanuit de sferen getracht worden de omstandigheden op aarde steeds zodanig te vormen, dat het gaan van de weg voor de mens aanvaardbaarder en eenvoudiger wordt. Wie echter de roep van de geest hoort: “het is tijd, de weg is bereid, ga nu”, is in wezen reeds langere tijd op weg en kan nu de steun van de geest aanvaarden. Hier is dus sprake van persoonlijke hulp, die alleen zolang gegeven kan worden, als de mens zelf voortgaat. Hiermede zullen wij dan het eerste deel van deze avond besluiten, vrienden.

De twijfel

Wanneer wij zoeken naar de waarheid, worden wij steeds weer geconfronteerd met het onoplosbare raadsel. Wij vinden daarin steeds weer de twijfel, die ons geloof aan onszelf, aan onze God, onvolledig doet zijn. Het is de twijfel ook, die steeds weer onze innerlijke ontwikkeling remt. Het lijkt mij dan ook goed, heden, het probleem van deze twijfel eens nader te bezien.

Waaraan twijfelen wij eigenlijk? In de meeste gevallen juist aan die dingen, die wij innerlijk gaarne zouden willen aannemen en geloven. Wij zeggen, dat wij bang zijn voor de wereld, of voor God. Maar in feite vrezen wij onszelf. Wij zeggen maar al te vaak dat wij eerst eens de oplossing moeten vinden voor bepaalde raadselen, voor wij kunnen weten, welke weg wij moeten gaan. Maar wanneer wij eerlijk zijn, zullen wij vaak toe moeten geven, dat die grote raadselen voor ons de verlossing betekenen van de noodzaak te beslissen, dat zij ons verlossen van de vele kleinere raadselen en problemen, die wij wel op zouden kunnen lossen, maar alleen ten koste van voor ons minder aangename consequenties. Dit is al te vaak de verklaring van het feit, dat de mens eerst de oplossing eist van alle grote vraagstukken, voor hij wenst terug te keren tot zichzelf.

Men strijdt er vaak over, of er nu eigenlijk wel een God is of niet en tracht zijn standpunt met redelijke bewijzen te staven. Toch ligt dit probleem zo ver buiten alle menselijke mogelijkheden, dat men uiteindelijk alleen maar kan zeggen: zo voel ik het van binnen. En wanneer puntje bij paaltje komt, blijft het ondanks alle ‘bewijzen’ daarbij. Wanneer men zich druk bezig houdt met het construeren van bewijzen of tegenbewijzen in verband met dergelijke grote en niet te beantwoorden vragen, terwijl men dichterbij liggende en wel oplosbare vraagstukken rustig terzijde laat, vlucht men in feite voor de werkelijkheid. Ook wanneer men zich druk bezig houdt met geloofspunten, meesters en heilige schrifturen, staat men voor dezelfde grens.

U kunt misschien met veel moeite aannemelijk maken, dat Jezus een historische persoon was en werkelijk geleefd heeft. Maar dat de boeken, die, naar men zegt, Zijn leer bevatten, ook werkelijk Zijn woorden en leer weergeven, is redelijk niet te bewijzen. Ook wanneer de mens zich bezig houdt met de vraag van een voortbestaan en de wijze, waarop dit zich afspeelt, staat men voor hetzelfde probleem: er zijn geen bewijzen, die als geheel bewijskrachtig kunnen gelden, ook wanneer men ze zelf misschien als zodanig om gevoels-, geloofs- of andere redenen als zodanig wenst te aanvaarden.

Een menselijke oplossing van de raadsels van het eeuwige leven, de goddelijke krachten e.d. is in feite niet mogelijk. Toch zien wij, dat vele van hen, die het innerlijk pad willen gaan, beginnen met de eis: “eerst moet ik dit bewijzen, eerst wil ik zeker weten of…”

Het gevolg is een reeks van misvattingen, fouten enz. Want het innerlijk pad kan niet gegaan worden aan de hand van menselijke kennis en redelijke argumenten, al eist men dit nog zo luid. De leiding, die men van Meesters of krachten ontvangt, is eveneens niet mogelijk in de vorm, die de mens voor zich verlangt: een reeks van vaste regels en voorschriften, die geen uitzonderingen of eigen aansprakelijkheid toelaten.

In feite is het gaan van het innerlijke pad in de eerste plaats een kwestie van vertrouwen in jezelf, van aanvaarding van innerlijke waarheden zonder daarom de vele vraagstukken onmiddellijk op te willen lossen, die misschien later eens duidelijk zullen worden, maar tot het werkelijk erkennen waarvan,  laat staan het oplossen ervan,  men op het ogenblik de middelen niet bezit.

Onze Meesters leren ons, dat je moet uitgaan naar anderen om hen lering te brengen, om hen te genezen en gelukkiger te maken. Waarom dit noodzakelijk is kan aannemelijk worden gemaakt, indien wij niet proberen, een redelijke verklaring en een redelijk bewijs voor alle achtergronden daarvan te vinden. Wanneer je leeft volgens de leringen van de grote Meesters, leef je echter in ieder geval goed. Je leeft dan op een wijze, die voor het Ik aanvaardbaar blijft en voor de mensen in de wereld het leven als geheel meer aanvaardbaar en waardevol kenbaar doet worden.

Ik meen, dat in alle leringen dit laatste het belangrijkste punt is. Nadenken over alles, wat er in het leven aan geheimen bestaat, zal ons uiteindelijk weinig verder kunnen helpen. Wanneer wij hier geconfronteerd worden met leringen van sprekers, die tot een hogere groep behoren, zo kunt u zeggen: dit doet mij iets, het zegt mij iets. Wát het echter is, weet men niet. Het is zelfs niet mogelijk in waarheid te zeggen: ik weet, dat de spreker die of die was. Men kan het hoogstens voor zich geloven.

Toch vinden wij steeds weer, wanneer wij met iets hogers, met een hogere kracht geconfronteerd worden, wij – ondanks de onredelijke of niet kenbare waarden daarin – er altijd weer in slagen, voor onszelf iets daaruit te puren, wat ons leven beter en meer aanvaardbaar maakt. Wij moeten m.i. dan ook voorop stellen, dat wij zelf een weg moeten vinden, die wij kunnen gaan, dat wij een methode moeten vinden, waardoor voor ons een grotere harmonie met alle leven, mogelijk wordt, wij moeten voor alles een wijze van leven kiezen, waardoor wij innerlijk meer zekerheid krijgen en afrekenen met alle halfheid van gedachten en begeerten.

Allereerst zal men als mens moeten leven. En leven wil zeggen: leren hoe je God en je eigen wezen in een geheel kunt samenbrengen. Men zal zich vaak afvragen, waarom zovele ingewikkelde leringen en stellingen aan de mensheid werden gegeven. Mijn persoonlijke ervaring is, dat de doorsnee mens eenvoudig niet in staat is het eenvoudige werkelijke te overdenken en te begrijpen. Een andere ervaring, die ik opdeed, toont aan, dat het vaak noodzakelijk is de mens met het absurde, of schijnbaar absurde, te confronteren, voor hij in zichzelf gaat denken: de innerlijke weg is immers niet alleen maar een kwestie van aanvaarden of de regels volgen, maar een proces, waarbij geheel het wezen, ook het eigen denken, een rol moeten spelen. Ons denken, de wijze, waarop wij werken, leven en zelfs de wijze, waarop wij afstand kunnen nemen van onszelf en eigen belangrijkheid ter zijde kunnen stellen, zijn van groot belang voor alle innerlijke ontwikkeling.

Erkennen van de waarheid is eveneens belangrijk voor een gaan van het innerlijke pad, niet de wereld zoals wij die gaarne zouden willen zien, maar de wereld, zoals zij zich feitelijk manifesteert. Dan is er geen sprake van een wereld in zoete kleuren, vol van hemelse liefde. De wereld is dan volgens menselijk denken vaak hard en wreed, een wereld, waarin alles gebeurt op een eigen wijze, vaak tegen onze diepste hoop en meest gerechtvaardigde verwachtingen in.

Een wereld, die maar heel zelden een direct antwoord geeft op onze vragen en wensen.

Toch is dit de wereld, waarin de mens werkelijk bestaat, is de wereld, waarin hij moet leven, werken en bewust worden. Eerst zal men deze wereld moeten leren aanvaarden. Dan zal men zich af moeten vragen, hoe men in deze wereld meer voor anderen kan betekenen, hoe men in deze wereld meer zichzelf kan zijn. Het is in deze wereld, dat men uit het ongekende krachten zal moeten leren puren en voor anderen praktisch gebruiken.

Wat de mens de waarheid noemt, is maar zelden de feitelijke waarheid. In de meeste gevallen is, wat men waarheid pleegt te noemen, niet méér dan een gerationaliseerde droom. De feiten zijn echter voor de bewustwording van groter belang dan de grootste en mooiste dromen: uit de feiten kan men iets opbouwen, door de feiten kan men leren. Uit de dromen is dit niet mogelijk. Het innerlijk wezen van de mens moet met de werkelijkheid vertrouwd zijn. Zijn denken en zoeken moet niet gebaseerd zijn op theorieën en de studie van de grote raadselen, maar op de eenvoudige oplossing van de vele kleine problemen, die een bestaan in de wereld met zich brengt, zodat hij antwoord kan geven op de allerbelangrijkste vraag van allen: Hoe leef ik goed?

Tot mijn spijt moet ik mijn betoog hier onderbreken voor een andere spreker. Toch meen ik reeds genoeg te hebben gezegd om inhoud te geven aan mijn onderwerp en mijn woorden.

Esoterie

Wanneer een ziel naar rust zoekt, zo dwaalt zij door haar gedachten. Maar waar zij gaat, zij ontmoet bitterheid.

Wanneer een ziel rust zoekt van het leven, zo zoekt zij dit door niet meer te willen leven of anders te willen leven. Zo blijft zij, ondanks haar streven, zichzelf.

De grote wegen, waardoor men tot vrede komt, de vrede, die is alle kracht en alle wijsheid, zijn de wegen van onthechting. Gij bezit niets en niets kunt gij behouden. Morgen draait het rad van het leven een slag verder. En waar is dan uw bezit? Waar zijn dan degenen, die gij de uwen hebt genoemd? Waar is dan uw belangrijkheid?  Waar zijn dan uw verplichtingen gebleven?

Gij bezit niets. Niets bezit gij in werkelijkheid, zelfs niet de genegenheid die gij meent de uwe te mogen noemen. Deze zal u nooit werkelijk kunnen behoren, tenzij zij is geworteld in het tijdloze, het ruimteloze, waarin alleen het bestaan nog voort klinkt, terwijl het gebeuren reeds lang is verbleekt.

Toch leeft gij nu in uw wereld en moet gij daarin bereiken. Toch zoekt gij naar vrede en kunt gij  uw wereld niet ontkennen, want zij is deel van uw wezen. Daarom moet de weg gezocht worden in onthechting, niet in het verwerpen: wanneer de zon schijnt hoeft men geen schaduw te zoeken maar mag men zich koesteren in haar stralen. Wanneer het koele water van de bron als een tintelende dronk uw dorst lest, verheug u. Maar zeg nimmer: “Dit is mijn”.

Wanneer het leven u genomen dreigt te worden, stel niet, dat uw leven bedreigd wordt, doch erken: “Ik ben”. Het enige, wat mijn eigendom kan zijn, is de vrede, waarin ik besta. Deze kan geen dood van mij wegnemen.

Gij zoekt naar wijsheid, hopende zo te leren, hoe gij uw wereld aan kunt tonen, wat waarlijk lichtend, wat waarlijk duister is. Ik zeg u echter, dat Licht en duister zijn als zon en maan: zij gaan en komen, verwisselen hun functie. Maar gij erkent dit niet. Hoe kunt gij dan uw naaste leren, wat goed en kwaad is? Leer te zien, dat de zon een bron van Licht is, maar niet de kracht zelve, terwijl de maan, het Licht van de zon weerkaatsend, de wereld herschept tot een bleke tuin, waarin de bewuste mag wandelen zonder vrezen.

Vrede vindt men slechts, waar men begint zich niet te hechten, niet ontkennen wil of bevestigen, maar leeft naar de wet, die men in zich draagt.

Wees in uzelf eerlijk. Ware eerlijkheid tegenover uzelf en een waarlijk beantwoorden aan uw wezen is zuiverheid, reinheid van denken en leven. Indien gij werken wilt in uw wereld, besef, dat gij niet leven of werken kunt voor uzelf alleen, maar slechts voor het geheel. Het bewustzijn hiervan is de ware harmonie.

Wanneer gij rond u ziet en alles ziet, wat gij zou kunnen bezitten of verwerpen, zeg tot uzelf: “Zie, ik ben te gast in de tuinen van de eeuwigheid. Niets hiervan behoort mij, niets hiervan kan mij bedreigen”. Zo zult gij waarlijk vrij zijn en ontkomen aan de bitterheid van hen, die leven in waan.

Zo kunt gij, vrienden, de grote kracht vinden, waarin men waarlijk leeft. Leef nimmer zwaar- moedig, want wie zwaarmoedig en zonder vreugde leeft, is bevreesd. Leef dus vreugdig, omdat gij niets waarlijk kunt verliezen. Wees niet gierig en zoek niet te behouden, want wie zijn geluk zoekt in het bezitten, verliest zijn geluk reeds bij het verwerven.

Leef als de wind, die over de vlakten blaast. Wees een ademtocht van de oneindigheid, trekkende van wereld tot wereld. Meen niet zwak of sterk te zijn. Weet, dat gij deel zijt van een geheel, dat gij nog niet kunt beseffen. Gij zijt de adem van de oneindige. Zijn adem zal u drijven en, zo hij u van een zachte wind tot een orkaan maakt, die bomen doet breken en zeeën opzweept, zo is dit zijn wil.

Zeg: ” Wanneer hij mij roept, zal ik antwoorden”. Want wie kracht zoekt om zichzelf, zal krachteloos zijn. Maar wie gedreven wordt door de oneindige, is de oneindige zelve in kracht, onmetelijk en zonder eind.

Zo gij waarheid zoekt, zoekt niet in de oceanen van menselijk denken, doch in de stilte van uw eigen wezen naar de zuivere bron van Licht, waarin gij een ogenblik uw wezen kunt spiegelen. Vreest niet uzelf te beschouwen en voort te gaan.

Wanneer uw wereld raast, de vernietiging flitsen aan de hemel tekent, vreest niet. Gij leeft zonder einde. De schepper zelve zegeviert. Hij is met geen leger te verdelgen. De kracht, die in u woont is eeuwig.

Wees  vredig en vrij. Niets zal u deren. Er is Licht, er is kracht, waaruit gij sterk zijt.

Leef dus de wetten van uw schepper.

Dat de waarheid en de kracht het bereiken in u mogelijk mogen maken.

image_pdf