De weg naar de werkelijke geest

uit de cursus ‘Geheimen van de geest’ – (Hoofdstuk 2)  november 1960

 De weg naar de werkelijke geest

Wanneer wij de geest zelf en haar voertuigen bezien, zoals wij dat een vorige maal hebben gedaan, dan vloeit hier vanzelf uit voort dat wij met de stof worden geconfronteerd; de stof, die een betrekkelijk grote invloed heeft op het totaal van het geestelijk werk, het totaal van het geestelijk beleven.
Zoals wij reeds hebben geconstateerd, kan men niet zonder meer op zijn geestelijk doel op aarde afgaan. Stoffelijk wordt men daarin op bepaalde wijze gehinderd en belemmerd. Op aarde is dus het leven voor de mens een compromis. Een compromis wel te verstaan tussen het doel van de geest en de mogelijkheden van de stof.
Deze kwestie van doel en mogelijkheden zullen wij dan vandaag nader beschouwen, terwijl wij daarnaast ook nog de aandacht willen vestigen op andere problemen. Want ook wij, die in de geest zijn, blijven nog enigszins met die stof verbonden; ánders dan u en, ik zou haast zeggen, vrijer. Ook deze verhouding zullen wij moeten definiëren.
Eerst wanneer wij precies weten hoe het nu eigenlijk staat met het geestelijk doel en de stoffelijke mogelijkheid en later met de geestelijke vrijheid en tóch nog de binding met de stof hebben, zullen wij verder kunnen doordringen in het geheim van de geest, zoals dat voor de meeste mensen bestaat.
Ons eerste punt is dus stof en geestelijk doel. De geest zelf zal te allen tijde zijn doel opbouwen uit zijn voorgaande levens, zo hij deze in de stof heeft doorgemaakt, dus op stoffelijke ervaringen; komt hij direct uit een meer geestelijk vlak, dan uit geestelijke ervaringen. Hij zal in zijn stoffelijk voertuig over het algemeen slechts één werkelijk doel nastreven. En dat ene werkelijke doel houdt nauw verband met een door hem erkend hiaat, dat in zijn eigen leven bestaat. Als geest leef je ten slotte kosmisch. En juist daardoor zul je, ongeacht het feit dat je denkt in een sfeer te leven, jezelf a.h.w. vergelijken met de kosmos zelf. Die geest ziet voor zich een volmaaktheid: het afgeronde. Stel dit nu eenvoudigheidshalve eens voor als een cirkel. Deze cirkel is volledig. Volledig evenwichtig. Ziet hij zichzelf echter, dan blijkt hij te bestaan uit iets, dat meer lijkt op de restanten van een aangesneden ronde taart: dus uit enkele segmenten. Zij voelt aan dat hij althans deze segmenten moet samenvoegen tot een groter geheel, maar hij is in de stof niet altijd in staat onmiddellijk een aanvullend segment te kiezen.
Hij kan dus zijn ervaringen niet zonder meer uitbreiden. Daarvoor heeft hij niet altijd de mogelijkheid. Wat hij wel kan doen, is een zodanige ervaring kiezen dat hij, zo dicht mogelijk bij het bestaande geestelijk bewustzijn, een nieuwe bewustwording ervaart waardoor een soort grotere volmaaktheid ontstaat. U moet het voor uzelf maar eens uittekenen, dan zult u zien en beseffen dat het belangrijk is een zo groot mogelijk en zo samenhangend mogelijk deel van de kosmos te begrijpen.
Hieruit volgt dat elke belichaming een vast doel heeft, dat in de kern van het wezen, in de geest zelf, kan worden aangeduid als een enkel punt van ervaring. Geprojecteerd op een stoffelijke wereld of zelfs in een sfeer wordt dit echter groter zodat wij een bepaalde levenslijn krijgen, een noodzakelijke reeks van ervaringen. De geest realiseert zich meestal onvoldoende wat zijn beperkingen in de stof zijn. Daardoor zal zijn keuze van een zo groot mogelijke aanvulling van zijn kosmisch bewustzijn niet altijd de meest gunstige zijn. Wel blijkt dat dit niet volkomen bewuste kiezen toch een evenwichtigheid van ontwikkeling in de hand werkt. Dit gaat nl. volgens een kosmische wet (de wet van evenwicht), waardoor bij het ontbreken van een werkelijke maatstaf onwillekeurig een verschuiving wordt gekozen in de richting die voor het ‘ik’ de grootst mogelijke evenwichtigheid zal mogelijk maken.
Hier hebben wij dan punt 1: de geest, die vanuit de kern van zijn eigen wezen zich in de wereld projecteert. Maar dan komt men in de wereld. Wij krijgen te maken met een lichaam, dat is voorbestemd. Dat wil zeggen, het is genetisch voor een groot gedeelte bepaald. De invloed van de geest op de eigenschappen van dat lichaam bestaat wel, maar is niet zo groot dat niet-bestaande eigenschappen eraan kunnen worden toegevoegd of bestaande eigenschappen geheel kunnen worden verwijderd. Ten hoogste kan de nadruk komen te liggen op de meest gewenste eigenschap. Daarbij blijkt steeds weer dat de geest ‑ handelend uit een geestelijk standpunt ‑ geen rekening houdt met de daaruit voortvloeiende lichamelijke ongemakken, moeilijkheden en eventueel lijden tijdens het leven enz.
Hij ziet dit als noodzakelijk en zal dus ook in de eerste vormingsperiode eigenschappen stimuleren die je later als mens misschien niet kunt waarderen.
Heeft hij dit gedaan, dan komt hij in aanraking (wij hebben er in de vorige les al even over gesproken) met de maatschappij. Die maatschappij heeft haar vaststaande concepten. Ik denk hier aan onderricht, opvoeding, godsdienst, sociale structuur, economische verhoudingen, kortom al datgene wat uw leven bepaalt. U zult hieraan zelf ook betrekkelijk weinig kunnen veranderen. Theoretisch kan dat lichaam binnen zijn eigen mogelijkheden dus het doel van de geest geheel vervullen.
En zou er geen sprake zijn van een stoffelijk bewustzijn, dan zou dit ook gebeuren. Maar de stof leeft niet in de geestelijke wereld, heeft van het werkelijk geestelijk doel betrekkelijk weinig besef en zal zich richten naar wat haar in de stoffelijke wereld het best lijkt.
Hierdoor zal de geest vele ervaringen niet kunnen hebben. Hij zal geen gebruik kunnen maken van bepaalde stoffelijke eigenaardigheden. Hij moet tot op zekere hoogte worden geperst in het keurslijf van het stoffelijk bestaan.
Ik zal nu enkele voorbeelden geven, die u misschien duidelijk zullen maken waarom dit voor de geest soms een zeer grote hinderpaal kan zijn.
Een geest incarneert op aarde. Hij heeft dan de mogelijkheid ook op aarde tot een voor mensen haast ondenkbaar intense uitwisseling te komen van bepaalde krachten door o.a. een menging van de verschillende voertuigen, die iets buiten de stof uitkomen (de verbinding van de aura noemt men dat); en bovendien meestal door handelingen ‑ b.v. in de seksualiteit, dus in het vleselijk contact ‑ waarbij ook denkbeelden en onderbewust weten van anderen worden overgenomen. Dit zou op zichzelf voor die geest vaak een perfecte aanvullingsmogelijkheid zijn, indien hij in staat zou zijn partners ook op zuiver geestelijke basis te kiezen. Als wij nu even de sociale samenhangen, huwelijkswetgeving e.d. terzijde stellen, blijkt ons echter dat dit nog niet mogelijk is. Want de menselijke genegenheid tot anderen is nl. gebaseerd op een dierlijke aantrekking. Dat klinkt misschien erg cru of wreed, maar het is toch een feit. Het menselijk lichaam wordt dus door de tegengestelde sekse aangetrokken. Deze aantrekkingskracht, voortkomend uit de drang tot voortplanting van het ras en tot zelfbehoud, wordt verder door denkbeelden beïnvloed.
Er ligt nl. in de partner vaak een zeker prestige verborgen. Dit prestige wordt bepaald door eigenschappen, die anderen dus in die partner, in de gemeenschap, waarderen. Dat houdt in dat bv. bepaalde mensen bij negerstammen niet kijken naar werkelijke overeenstemming; zij kijken of de vrouw dik genoeg is, of de man groot genoeg gebouwd is, of hij een sterke jager is. Dat zijn de geldende maatstaven. Zij hebben echter niets met de geest uitstaande.
Een ander voorbeeld: Geld trouwt geld. Dat is een bekend gezegde. Met andere woorden: een bedelaar kan zelfs niet paren met een dame van de hoogste rang. Er zijn daarbij zoveel hinderpalen te overwinnen dat van een werkelijke eenwording praktisch niet kan worden gesproken. Omgekeerd kan een rijke slechts zeer moeilijk een arme tot zich verheffen en zal ook bij zijn keuze altijd weer beperkt zijn door zijn eigen opvatting omtrent het aanvaardbare. Wij weten dat in sommige gevallen zelfs de taal ‑ dus alleen het woordgebruik en de uitspraak van het woord ‑ bepalend kan zijn bij een keuze van partner.
Hieruit volgt dat te veel op zichzelf niet belangrijke omstandigheden de partnerkeus beïnvloeden.
Zoals gezegd, heb ik nu nog niet gewezen op andere moeilijkheden Een groot gedeelte van de wereld is op religieuze gronden monogaam.
Een groot gedeelte van de wereld beschouwt een eenmaal gesloten huwelijk als iets, dat niet mag worden veronachtzaamd. Maatschappelijke dwang verbiedt heel vaak werkelijk eerlijke en oprechte contacten en stelt daarvoor in de plaats een bepaalde formalisatie. Wij hebben daarvan een aardig voorbeeld kunnen zien bij de Sjah van Perzië, waarbij ‑ ongeacht het al of niet bestaan van een zielsverwantschap tussen hem en zijn achtereenvolgende echtgenoten – alleen vruchtbaarheid en nageslacht bepalend waren. Het is bitter, maar waar.
Zo blijft dus heel vaak het werkelijke en intense contact, waarbij geest geest geheel doortrilt, voor de geest op aarde onbereikbaar; of hij zal, door stoffelijke condities misleid, dit verwerpen of voorbijgaan.
Een ander voorbeeld: De geest heeft een doel. Dit doel kan niet beoordeeld worden naar stoffelijke maatstaven. In heel veel gevallen kan het werkelijke geestelijke doel stoffelijk worden omgezet in een streven. In dit geval weerspiegelt het stoffelijk streven dan werkelijk de geestelijke intentie.
Maar dit streven komt in aanraking met de maatschappij.
Voorbeeld: Het streven is anderen te verrijken; dat is tevens een uitbreiding van het ‘ik’. De persoon in kwestie komt in de stof, ziet kans om dit door te zetten, laat ons zeggen, tot een leeftijd van 25 à 26 jaar.
Daarna slaagt hij erin de mensheid inderdaad te verrijken met een grootse uitvinding. Nu kan het volgende gebeuren: Deze uitvinding is bv. voor de defensie belangrijk. Dan krijgt hij niet eens de kans die uitvinding elders te presenteren. Hij wordt door sociale en andere pressies gedwongen eenzijdig iets af te geven. Daardoor verkeert dit in zijn tegendeel. Iemand slaagt erin een uitvinding te doen en wordt zo betrokken in een bepaalde zaak. Die zaak bepaalt zijn welvaart. Welvaart bepaalt zijn aanzien. Hij heeft ongetwijfeld mensen, die van hem afhankelijk zijn en die ook hun eigen aanzien graag willen zien stijgen. Het gevolg is dat zijn pogen de mensheid iets te geven, wordt omgebogen tot exploitatie van de mensheid. Deze twee voorbeeldjes zijn alweer voldoende om aan te tonen dat ook hier dus het geestelijk doel een grote remming ondergaat.
Dan kennen wij ook nog, en dat is zeer gevaarlijk, het zelfbeklag. Er is bijna niets dat zo dodelijk kan zijn voor geestelijke en stoffelijke bewustwording en vooruitgang als zelfbeklag.
Op het ogenblik dat je jezelf gaat zien als een uitzondering, als iemand die het slecht heeft, als iemand die onverdiend moet lijden enz., stel je jezelf automatisch tegenover de wereld, die je dit eigenlijk aandoet, of je daarvoor een vergoeding zal moeten geven. Het gevolg is dat als de geest bewust een weg heeft gekozen, waarbij offers moeten worden gebracht, het offer omslaat in een soort zelfzucht en deze zelfzucht een verder reëel leven en ervaren onmogelijk maakt.
Het zal u duidelijk zijn dat al deze dingen niet direct het volbrengen van het geestelijk gestelde doel bevorderen. Ik kan, wat belemmeringen aangaat, er nog heel wat meer opnoemen. Ik noem deze alleen in het kort, omdat het geven van volledige voorbeelden hier wel wat te ver zou voeren.
Bij opvoeding zullen ouders vaak trachten hun kinderen te maken tot datgene wat zij zelf zijn of wensen te zijn. Hierdoor kan in de kinderjaren een richting worden gegeven aan het menselijk leven, die in strijd is met het feitelijk geestelijk doel, althans daarmee niet overeenstemt. Mensen zullen uit het gevoel van verplichting jegens anderen, die van hen afhankelijk zijn bv., een levensrichting volgen die niet in overeenstemming is met wat geestelijk voor hen noodzakelijk is. Frustraties en spanningen, die zo ontstaan, werken niet mee tot het brengen van het geestelijk gestelde. Verder zijn dan nog te noemen gewetensvragen, waarbij bepaalde opvattingen, in de jeugd opgedaan en voortkomend uit onderwijs, opvoeding of religie, de mens voortdurend voor problemen stellen, die hij niet aan kan en alleen niet weet op te lossen.
Zo worden vaak onbelangrijke delen van het leven als essentieel gedacht met als gevolg weinig of geen resultaat.
Wij zien dat de mens een te grote waarde hecht aan het leven zelf en al wat erbij hoort. Het gevolg is dat angst voor dood , angst voor pijn e.d. die mens voortdurend ertoe brengen zich anders te gedragen dan hij krachtens zijn geestelijk doel en zijn innerlijk wezen zou moeten doen.
Commerciële beweegredenen, politieke dwang, de sociale structuur van het land waarin hij leeft, de daarin bestaande wetgeving, dwang van buitenaf (bv. commerciële pressie om godsdienstige reden uitgeoefend), terreur, onzekerheid, een niet‑weten wat met jezelf en de wereld te doen ‑ allemaal veel voorkomende factoren ‑ zijn eveneens schadelijk voor een directe volbrenging.
Het is dus logisch dat ‑ als wij ons geestelijk doel althans enigszins willen benaderen ‑ wij op de een of andere manier een middenweg moeten zoeken. Een vorige maal hebben we het daar al eens over gehad en ik wil daar vandaag nog het een en ander aan toevoegen.
Wij zullen moeten leven volgens ons beste weten in de stof. Maar dit beste weten moet zoveel mogelijk afstand doen van angst, van begeerte en van zelfzucht. Als dit gebeurt, zal het wereldgebeuren, waarin wij ons bevinden, plus onze eigen drang om iets te doen, iets te betekenen, iets te zijn, ons altijd wel voeren tot een vervulling van ongeveer 60% à 70% van het geestelijk gestelde doel. Naarmate angst en begeren een grotere invloed krijgen op de mens, naarmate zijn zelfzucht groter wordt, zal de kans, dat zijn geestelijk doel bereikt of althans grotendeels bereikt wordt, afnemen. Wij hebben er niets aan ons dus te baseren op hetgeen alleen stoffelijk wenselijk is, maar wij mogen ons ook niet baseren op hetgeen geestelijk wenselijk zou zijn.
Wanneer wij ons baseren op het geestelijk doel, zouden wij geen rekening moeten houden met enige stoffelijke conventie, enige stoffelijke wet noch met rechtvaardigheidsgevoelens, gevoelens van anderen en met sociale structuur, wij zouden anarchisten en revolutionairen pur sang moeten zijn. Maar dat houdt in dat wij in ons persoonlijk streven zoveel chaos voor anderen zouden veroorzaken, zoveel disharmonie zouden doen ontstaan, dat wij daardoor, voor wij kunnen terugkeren tot een zuiverder geestelijk bestaan, een zeer zware last te torsen zouden krijgen. Wij kunnen ons eenvoudig niet keren tegen de wereld, waarin wij leven. Dat geldt voor ons zowel als voor u.
Voor degenen, die echter menen dat het met één leven afgelopen is, of misschien wel dat het stoffelijk leven onbelangrijk is, moet ik nog een ander punt toelichten.
Wij, die in de geest leven ‑ van de laagste geest tot de hoogste toe ‑ zijn en blijven in zekere zin aan de stof gebonden. Wanneer u goed nadenkt, is dat begrijpelijk. Wij halen maar weer die bekende bijbelspreuk aan: ‘God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis.’
Dat betekent heus niet dat God zo lelijk is als wij zijn, maar het betekent alleen dat, wat God is en wat Hij in Zijn schepping openbaart, in ons wezen niet voor een bepaald moment maar voor de duur van de schepping, die in zichzelf volmaakt en voleind is, zal bestaan. Nu bestaat de schepping uit twee delen: uit stof en uit geest. Als regel zou men dus kunnen aannemen dat wij altijd uit stof en uit geest bestaan. In de praktijk voelt men het enigszins anders. Je bent nu geheel stofmens, dan voel je je geheel geestelijk. Maar wat blijkt?
Bepaalde stoffelijke effecten, bepaalde stoffelijke aspecten, bepaalde stoffelijke mogelijkheden en invloeden blijven deel uitmaken van ons wezen. De hoogste geest kan zich onmiddellijk in menselijke vorm op aarde verstoffelijken. Hij kan dit alleen omdat een deel van zijn wezen, kracht en energie, onmiddellijk kan worden omgezet in uw vorm van materie. Dus de kern van ons eigen wezen is op de een of andere manier een kracht, die materie kan zijn en tijdelijk (in een soort suspensie misschien) voor ons bewustzijn althans (ik moet hier aarzelend spreken) geest lijkt.
Wanneer wij dus verbonden zijn met uw stof en uw stoffelijke wereld, is dat niet zo vreemd als het wel lijkt. Wij hebben een groot aandeel gehad in die stoffelijke wereld van u. Het kan lang geleden zijn of betrekkelijk dichtbij liggen. Wij zullen er misschien nog eens deel aan hebben in stoffelijke vorm. Die materie en alles wat in materie is uitgedrukt, is in ons wezen weerspiegeld. Het kan uit ons wezen altijd opnieuw ontstaan en opnieuw gevormd worden. Wanneer wij ons volledig bewust worden van onze vermogens en onze eigen kracht, kunnen wij te allen tijde, en ogenblikkelijk, alle stoffelijke waarden, die deel uitmaken van ons wezen, verwerkelijken.
Wanneer wij op 100 werelden hebben geleefd, kunnen wij op 100 werelden weer gelijktijdig leven en verschijnen in de vormen, die passen bij die 100 werelden.
Het zal voor menig mens wat moeilijk te begrijpen zijn. Maar…. redelijk is redelijk. De menselijke rede zal u zeggen dat, als de kern van ons wezen eeuwig is ‑ en dit stellen wij ‑ het onmogelijk is dat één deel van die kern wel teniet of teloor gaat en het andere deel blijft voortbestaan. Ons wezen is of eeuwig of vergankelijk. Wij kunnen dat niet in hokjes en vakjes indelen.
Wat het bewustzijn betreft, kunnen wij nog zeggen: dit is a.h.w. direct bewustzijn of waakbewustzijn voor de geest of de ziel en de rest is een onderbewustzijn, dat slaapt. Maar zelfs dan moeten wij aannemen, dat het volledige bewustzijn aanwezig is. Wij kunnen nooit stellen, dat een deel er wel is en een ander deel niet. Hoogstens dat een deel actief is en een deel latent.
Wanneer wij in de geest vertoeven, dan is dat deel van ons, dat met de materie verbonden is, latent. Wanneer wij in de stof vertoeven, is dat deel van ons, dat zuiver vrije geest is, latent. In beide toestanden echter, dus stoffelijk zowel als geestelijk, bestaat de mogelijkheid om a.h.w. een bezoek te brengen in dat andere gebied.
Een mens kan op aarde dromen. Dan leeft hij nog in zichzelf. Maar hij kan ook uittreden. Dan leeft hij buiten zichzelf. Hij leeft dan niet meer als stoffelijk mens maar als een geestelijk wezen van een bepaalde essence en misschien, volgens eigen gedachten, bepaalde vorm, dat in de ruimte en in de tijd in andere werelden kan waarnemen en beleven, ook wanneer men zich dat niet altijd in het waakbewustzijn kan herinneren. Omgekeerd is het van onze wereld uit mogelijk om a.h.w.in uw wereld te leven. Er blijft een grens. Die grens vloeit niet voort uit ons wezen maar uit ons bewustzijn. Wij zijn ons ervan bewust geest te zijn.
En dientengevolge zullen wij nooit volledig als een mens kunnen denken of handelen, zullen wij ons niet volledig menselijk kunnen manifesteren. Maar als wij beseffen hoe klein het verschil in feite is, dan kunnen wij uit de geest toch het menselijke zeer goed benaderen.
Omgekeerd geldt voor de stof: Begrip voor de smalle grens tussen stof en geest maakt het voor de mens mogelijk om, zonder dat hij daardoor zijn idee van menszijn verliest ‑ want dat is zijn leven op dit moment ‑ een groot gedeelte van de geestelijke werelden te benaderen en te beleven.
Als wij nu deze grondslagen hebben bezien, zowel uit de stof als uit de geest, mogen wij weer een schrede verder zetten op het pad naar die ware geest, die werkelijke geest. Want wat is hij? Als wij uit de geest met de stof verbonden blijven, ook als wij die stof niet meer kennen in een persoonlijke vorm of zoiets, wanneer wij in de stof – zelfs al beseffen wij dit niet en zullen wij dit misschien tijdens de gehele stoffelijke periode niet bewust beseffen – toch met die geest verbonden blijven, dan mag worden gesteld dat de werkelijke of de ware geest een kracht is, die in beide gebieden gelijktijdig bestaat.
De geest, de ware geest, bevattende waarden van alle werelden, die deel uitmaken van het kosmisch Ik, van het Cosmic beleven, datgene wat wij in de voleinde schepping zullen zijn, zal over de krachten van al die gebieden en het bewustzijn van al die gebieden in zich te allen tijde kunnen beschikken. Hij zal echter bij het gebruik van die krachten en dit bewustzijn steeds beperkt worden door de vorm, waarin hij zich op het ogenblik manifesteert en daarin slechts zoveel van die krachten of dat bewustzijn kunnen uiten als door dat voertuig rédelijk mogelijk is.
De krachten van de geest zijn nooit onredelijk. De ware geest is, gezien uit een meer filosofisch standpunt, een volkomen redelijk, volmaakt en logisch iets. De geheimen van de geest zijn niet zozeer geheimen, omdat die geest zelf iets verbergt of omdat er in de kosmos dingen verborgen worden gehouden, maar eenvoudig door het feit dat in een bepaald voertuig ‑ en nu spreken wij dus even als mens, een menselijk voertuig ‑ het niet mogelijk is om het totaal van de geestelijke en materiele bindingen en krachten van de ware, de werkelijke geest te openbaren en te gebruiken.
Dat maakt het wel een beetje moeilijk om die ware geest te gaan zoeken. Het is dan ook niet een pelgrimstocht, die ik u nu direct wil aanbevelen. Zou ik u daarover gaan spreken, dan zou ik in een verhaal vol symboliek vervallen, zo ongeveer als het verhaal van Bunyan’s ‘The Pilgrim’s Progress’ en zijn evenbeeld: ‘De Christenreis’. In deze verhalen staat alles symbolisch mooi vast. En het heeft wel een praktische parallel, maar het is niet praktisch bruikbaar. Daarop lopen wij vast, als wij die werkelijke en ware geest willen gaan omschrijven. Zonder nu direct in een imitatie van cursus 1 te vervallen, zou ik toch ook wel hier enkele eenvoudige raadgevingen willen laten volgen.
Zolang u mens bent, mag u niet trachten uw werkelijke geestelijke wezen volledig te begrijpen. Dit is u nl. onmogelijk in uw stoffelijke vorm.
Wees er innerlijk van overtuigd dat uw werkelijke wezen, uw ware geest, voor zover deze bewust is en voor zover deze nog voor het bewustzijn verborgen schijnt en in het onbewuste vertoeft, altijd aanwezig is, altijd bruikbaar is. Het is niet noodzakelijk over de kennis te beschikken van eigen werkelijk geestelijk wezen om in de stof met de krachten en het bewustzijn van die geest in contact te kunnen komen, ze te kunnen gebruiken en ze te kunnen exploiteren. In alle fasen van het zijn speelt de verbinding, die de mens legt ‑ of het ‘ik’ legt ‑ tussen zijn werkelijk wezen en hetgeen hij op het ogenblik is in zijn beperking, een zeer grote rol. Deze verbinding wordt over het algemeen gevormd door geloof en aanvaarding. Het gebruiken van de krachten van de ware geest door middel van de beperkingen van bewustzijn van geest en stof geschiedt door sterk en onzelfzuchtig te willen. De verschijnselen daarvan kunnen op velerlei wijze voor ons kenbaar worden en kunnen gaan van het zuiver stoffelijke tot het geestelijke toe.
Hoe het ook zij, het verschijnsel op zichzelf is bijkomstig; het is voor ons slechts een bevestiging dat hogere kracht dan wij nu in onszelf kunnen erkennen, een grotere kracht dan wij ons durven toedenken, werk­zaam is geweest.
Ten slotte, besef heel goed dat, zolang u leeft als mens, denken heel erg mooi is, maar dat de gedachte pas merkelijk zin krijgt, als zij wordt gevolgd door de daad. Die daad behoeft niet altijd te bestaan in een directe stoffelijke handeling. (Dit is belangrijk!) Zij kan ook bestaan uit een sterke wilskracht plus een concentratie van gedachten of vermogens, waardoor het eigen vermogen zo sterk mogelijk over de wereld wordt uitgestraald. Wel zal in dit laatste geval geen enkele handeling, die met hetgeen men geestelijk wekt en uitzendt, in strijd is, op zuiver stoffelijke wijze mogen worden gepleegd.
Dat zijn een paar regels. En nu je deze hebt geleerd, ga je ongetwijfeld nadenken over die geestelijke krachten en vermogens. Ik wil dan voorop stellen dat het niet in de bedoeling van deze cursus ligt u alles over die krachten en die vermogens te vertellen. Hebt u daarvoor belangstelling, dan kunt u die in de twee voorgaande jaargangen uitgebreid behandeld vinden. Voor ons is het wel belangrijk te weten, hoe de bestaande geestelijke krachten en gaven ‑ ongeacht hun omschrijving of verschijningsvorm ‑ geactiveerd kunnen worden. Een mens, die op aarde leeft, heeft er behoefte aan zo nu en dan een soort bovennatuurlijke kracht als hulp of steun te voelen. Hij heeft zo nu en dan de behoefte het paranormale ge-uit te zien, maar dan op een wijze die voor hemzelf of haarzelf volledig aanvaardbaar blijft. Juist dit laatste gaat niet altijd op, wanneer we te maken krijgen met onbeheerste ontwikkeling.
Zo zullen wij ‑ en ik geloof dat dit voor u allen ook interessant is ‑ eens even gaan nadenken over de vraag: Wat kan ik van mijn ware geest, diens krachten, bewustzijn en vermogens in de volmaakte kosmos doen weerspiegelen in mijn huidig wezen en hoe? En dan gelden weer direct de eerste en eenvoudige begrippen.
Wij moeten natuurlijk beheerst zijn. Beheersing is nu eenmaal noodzakelijk in de stoffelijke wereld. Die beheersing moeten wij uitbreiden tot geestelijke gebeurtenissen, tot geestelijke belevingen, zelfs tot het ontvangen van geestelijke indrukken. Maar wij moeten voor onszelf weten, wanneer wij deze beheersing terzijde mogen en kunnen stellen en daarvoor in de plaats de spontaneïteit van ons wezen mogen laten gelden. Deze is nl. in heel veel gevallen, vrienden, een belangrijke factor in de openbaring van de werkelijke krachten, het werkelijk bewustzijn, het werkelijk vermogen van je ware persoonlijkheid, je ware wezen in de kosmos.
Die spontaniteit kunnen wij ons echter alleen permitteren ‑ en zeker als wij in de stof zijn ‑ wanneer wij daardoor geen onmiddellijke strijd wekken. Wij mogen nooit trachten die spontaniteit eenvoudig verder te laten gaan, als wij weten dat zij aanstoot geeft, op een ogenblik, dat wij aanvoelen dat wij daardoor in een situatie komen, die voor ons niet begeerlijk noch aanvaardbaar is.
Het gaat hier niet om de menselijke wetten. Heus niet. Die zijn tenslotte onbelangrijk. Het gaat ook niet om de menselijke opvattingen of mores. Ook die zijn betrekkelijk onbelangrijk. Maar een deel van uw wezen, van uw stoffelijk wezen, is daarmee verknoopt. Op het ogenblik dat u door uw spontaniteit gevaar loopt dergelijke grenzen te doorbreken, zonder dat u met geheel uw wezen deze spontane opwelling kunt volgen, brengt zij een verdeeldheid in uzelf tot stand. En die verdeeldheid betekent tevens dat u zich weer afsluit voor een groot deel van uw leven en ook van uw wezen. Dus spontaniteit kunnen wij ons alleen dan veroorloven, als wij voelen dat ze zonder schade voor anderen en zonder het ontstaan van schuldbesef of strijdigheid in onszelf kan worden toegelaten. De spontaniteit is in vele gevallen een samenwerking van intuïtie en lichamelijke reflexen. Als zodanig is zij een uitdrukking van hetgeen wij gunstig achten voor elke bewustwording, nl. het zo perfect mogelijke evenwicht tussen geestelijke doeleinden en stoffelijke mogelijkheden. Deze harmonische samenwerking tussen die twee delen van het wezen en van het leven, welke in de spontaniteit tot uiting komt, schept harmonie. Door harmonie ontvangen wij zoveel mogelijk kracht uit de kosmos via ons eigen en ware wezen en een uitbreiding van het bewustzijn; voorts ontstaan op haast wonderbaarlijke wijze in ons plotseling nieuwe gedachten, nieuwe methoden, nieuwe reacties en zelfs nieuwe bekwaamheden.
Harmonie is belangrijk. Daarom moeten wij u dus de raad geven, indien u wilt overgaan tot het ontwikkelen van geestelijke begaafdheden en het gebruikmaken van de mogelijkheden, die in uw geest liggen: durf voor alles spontaan te zijn, indien u dit volgens uw geweten tegenover uzelf en tegenover de wereld mogelijk is. Besef echter dat deze spontaniteit ook wel eens overdreven kan worden. Spontaniteit bestaat uit enkele handelingen of gebeurtenissen. Een mens, die dit doet, kan echter daardoor in een situatie komen, die niet meer spontaan is, maar bv. gewrongen. Laat ik maar een heel eenvoudig voorbeeld geven.
Een jong meisje is blij. In haar vreugde geeft ze iemand een kus. Die kus wordt teruggegeven op een andere manier, dan die eerste bedoeld was. Zij voelt zich nu verplicht ‑ ze heeft immers die eerste kus gegeven ‑ om door te gaan. Dan wordt die spontaniteit een verbuiging van het eigen wezen. Ga nooit op verdere consequenties in, maar verander – zo u kunt, wanneer die spontane impuls voorbij is – de situatie zo, dat u uzelf kunt zijn en blijven.
Wanneer u met andere mensen te maken hebt, zal die spontaniteit u soms wel eens wat hoofdbrekens kosten. Want je wilt spontaan iemand belonen, iemand prijzen, iemand straffen. Die opwelling is goed; maar zij mag niet leiden tot een onmiddellijke uitvoering van dit voornemen, zonder verdere beheerstheid. Het straffen bij impuls en de daaruit voortkomende reflex kan goed zijn. Zodra de reflex echter verdergaat tot een overdrijving, dan krijgen we de situatie bv. van de een of andere rechter, die zegt: “Ja, de gevangene is eigenlijk niet schuldig; hij zou na 2 weken vrijgelaten moeten worden, maar hij zit nu al 3 maanden, dus veroordeel ik hem tot 3 maanden met aftrek.” Daarin zit iets fouts. Wanneer dat gebeurt, zijn wij vastgeraakt in een formalisme. Dat zal ons de kracht, die we nodig hebben, ontnemen en wij sluiten ons weer af.
Verder wil ik u vandaag nog wijzen op één enkel aspect van geestelijke bekwaamheid en geestelijke mogelijkheden.
Op het ogenblik dat een mens innerlijke kennis heeft, komt hij vaak tot een gesprek met zichzelf. Dit tweegesprek gaat dan tussen, wat men noemt, zijn intuïtie (zijn aanvoelen of zijn innerlijk gevoel en denken) en de rede. Die innerlijke kwestie is niet met een stoffelijk oordeel gelijk te stellen. Als ik iemand onsympathiek vind, betekent dit niet dat die mens slecht is. En ik kan niet helemaal verklaren waarom hij voor mij onsympathiek is, maar het is nu eenmaal zo. Wij mogen dus op grond daarvan geen oordeel vellen. Toch zijn die eerste impulsen voor ons zeer belangrijk. Kunnen wij van deze gevoelens en emoties gebruik maken, dan komen wij nl. heel wat verder. Want wij kunnen daardoor een zeker voorbehoud maken in onze omgang met bv. de stoffelijke wereld. Wij kunnen ons voorbereiden op eventuele teleurstellingen.
Door deze intuïtie geleid zullen wij vaak juister aankopen, dan we anders zouden kunnen doen. Een mens, die deze intuïtie, die van binnen opwelt, volgt, zal tot zijn verbazing ontdekken dat hij zich in het geheel niet alleen met geestelijke zaken of menselijke betrekkingen bezighoudt. De intuïtie kan u ook dwingen om, wanneer u 27 winkels bent doorgegaan, terug te gaan naar de eerste om daar iets te kopen, wat u helemaal niet had gezien; of misschien zelfs naar een 29e zaak.
Het blijkt vaak dat hetgeen op deze wijze, mits overlegd, wordt gekocht (want de stoffelijke rede speelt hier ook een rol), goedkoper is en u meer voldoening geeft dan anders, dat u daarvan meer nut zult hebben en het zal blijken dat die aankoop geschikter is voor omstandigheden, die u niet had kunnen voorzien.
Een andere wijze, waarop die eigenaardige invloed van de geest ‑ die ik intuïtie noem ‑ in de totale persoonlijkheid werkzaam is, zou je weleens kunnen noemen: “opstijgingen”, huidprikkelingen e.d. Ik weet niet of u het wel eens hebt gehad. U kunt ergens binnenkomen en dan ervaren dat je huid gaat prikkelen, je haren te berge rijzen en toch weet je niet waarom.
Je bent in een heel gewoon gesprek gewikkeld en ineens valt er een enkel woord en dan is het of het bloed je naar het hoofd stijgt. Je voelt je als een zon, die naar alle kanten uitstraalt. Deze gevoelens hebben ook wel degelijk betekenis. Het zijn niet alleen zo maar reacties. En zij kunnen ongetwijfeld ‑ dat geef ik direct toe ‑ met verborgen gedachten in verband staan en dan zuiver aan de hand van onderbewustzijn, lichamelijke reactie enz. verklaard worden. Maar in zeer vele gevallen bestaat een dergelijke verklaring niet. En dan ‑ nazoekende ‑ vinden wij dat hier de impuls van de geest wordt omgezet in een stoffelijke waarde. Nu kun je die waarde nooit voor iedereen gelijk bepalen. Maar ik wil u toch vandaag enkele vingerwijzingen geven. Het prikkelen van de hoofdhuid wijst op de aanwezigheid van een sterk veld in de omgeving, dus op een sterke uitstraling. Die uitstraling kan voor u goed, kwaad of latent zijn. Op zichzelf mag de prikkeling dus nooit worden beschouwd als iets anders dan het aanwezig zijn van een onzichtbare invloed. Maar deze prikkeling kan in ons een verwachting doen ontstaan, welke soms zelfs gepaard gaat met een hartklopping; en als er een verwachting is, dan betekent dit altijd dat wij ons zo goed mogelijk moeten instellen, dat wij spontaan gedachten in ons moeten laten rijzen en dat wij desnoods spontaan moeten gaan handelen, omdat dááruit dan een voor ons harmonische vervulling ontstaat. In een dergelijk geval is de invloed altijd gunstig. Gaat het echter gepaard met angst of soms zelfs met de illusie van iets duisters, dan betekent dit dat u zich van die omgeving moet losmaken.
Kunt u zich afschermen, dan doet u dat; kunt u dat niet, dan gaat u heen. U zoekt frisse lucht, en als het even kan, neemt u een douche of een bad. Daardoor bevrijdt u zich van een invloed, die voor u niet harmonisch is, al kan deze voor anderen nog zo goed zijn. U moet zich bevrijden van factoren, die in u disharmonie zouden wekken en grotere verdeeldheid dan noodzakelijk tussen stof, geest en ware geest veroorzaken.
Dan, wat warmte betreft: Warmte‑effecten komen op verschillende manieren. En als die opstijgingen (vapeurs zei men in mijn tijd) voorkomen als een soort koorts, dan is het heel vaak (u moet natuurlijk even rekening houden met de omgeving) eenvoudig een contact met een enkel segment van het bewustzijn dat niet in het heden is geopenbaard. U stelt een relatie vast met ofwel een deel van een stoffelijk of geestelijk verleden, dan wel met bepaalde bewustzijnselementen, die hier tot nog toe niet waren gewekt, die nu wakker worden. Een dergelijke verhoogde temperatuur kan over het algemeen gemakkelijk worden beheerst door wat diepere ademhaling en mag rustig worden verdragen, zelfs wanneer ze vermoeidheid veroorzaakt.
Ongeacht de vermoeidheid, welke er het gevolg van is, leidt een en ander nl. tot grotere harmonie, vaak ook tot een verrijking van geestelijke capaciteiten; en bovendien tot een grotere veerkracht en dikwijls een groter innerlijk geluk, waardoor je sterker staat in het leven en juister je geestelijk doel binnen de stoffelijke beperking kunt nastreven. Er bestaat echter ook iets anders. En dat is een warmte, die schijnt te schroeien. Zijn in het eerste geval bij de warmte heel vaak vooral het hart en het bovenlichaam sterk betrokken , in het tweede geval worden de handen klam. Wij hebben het gevoel alsof de warmte uit de zonnevlecht komt en wij vinden als bijkomend verschijnsel dikwijls een sterk bonzend of kloppend gevoel in de slapen. In een dergelijk geval is er een voor u niet te verwerken contact gemaakt met hetzij uw vorige bestaansvormen of uw bewustzijn van geest, dan wel met werkingen van oorzaak en gevolg, die op het ogenblik niet harmonisch liggen. Wanneer wij deze ervaring krijgen, hoeven wij ons daaraan niet onmiddellijk te onttrekken ‑ zij is niet gevaarlijk ‑ maar wij moeten toch voorzichtig zijn en moeten trachten deze invloed zoveel mogelijk van ons af te zetten, eventueel door ons te concentreren op een andere omgeving, andere onderwerpen, andere gedachten.
Op deze manier kun je dus gebruikmaken van de door mij genoemde verschijnselen, zonder dat je er schade van hebt; je kunt de eenheid met je geestelijk vermogen vergroten, zonder erdoor schade te lijden; en je kunt wat verder komen t.a.v. de eenheid met je werkelijke geest en het daarin op dit ogenblik bestaande bewustzijn.

Het verdrag met de duivel

In de geschiedenis van de oudste tijden, maar vooral in de overleveringen en legenden van de middeleeuwen ontmoeten wij regelmatig de duivel als een soort handelsman. Hij levert fortuinen af, betovert de kogel, hij geeft schotvrijheid, haalt mensen uit de gevangenis en van het schavot, alles in ruil voor hun ziel.
De eigenlijke oorzaak van dit eigenaardig demonisch gedrag heb ik helaas niet kunnen achterhalen. Wel heb ik enkele bronnen gevonden.
Allereerst in Thessalië. Het landschap van Thessalië zelf met zijn donkere bergen, zijn vlakten en zijn pijnbomen is a.h.w. geschapen om bewoond te worden door heksen, tovenaars en demonen. Het is niet te verwonderen dat de volksmond deze streek dan ook altijd heeft gezien als de vergaarbak, waarin een veelheid van demonisch vermogen van magische kwaliteit samenstroomde.
Eenieder, die bij nacht door Thessalië reisde en zich op de kruiswegen bevond, hoorde rond zich het gierend lachen van de heksen, die op hun eigenaardige rijdieren door de lucht zweefden, of werd belaagd door demonen. En in vele gevallen kocht men zijn leven vrij door een zekere belofte te doen van een ziel, een dieroffer, of soms zelfs het stellen van bepaalde daden.
Wij vinden in de Griekse literatuur enkele overblijfselen van dit volksgeloof terug en ik meen dat het juist de bewondering voor de Griekse klassieken is geweest, die in de Middeleeuwen deze verhalen weer op de voorgrond bracht.
Wij vinden in de Middeleeuwen het z.g. abele spel. Het is een toneelspel, dat zich in of voor de kathedralen afspeelt, waarin de acteurs duivels en engelen zijn en waarbij engelen zich – vervaarlijk met de vleugels klepperend ‑ op torentransen wagen om met luide stem bijbelteksten over het volk uit te storten. In een tijd van weinig vermaak speelt dit spel in het volksleven ongetwijfeld een grote rol en daarover wordt dan ook veel gesproken.
Nu was het voor de clerus, en ongetwijfeld ook voor andere gezaghebbers, aangenaam de duivel af te schilderen als de verleider, die tot seculaire of andere ongehoorzaamheid noopt en zonde aanbiedt, ja, zelfs een zieltje koopt.
Wanneer dan kort daarna de minnestreel vervangen wordt door een troep kunstenmakers en acteurs, brengen ook dezen spelen.
Spelen echter, die nu niet meer gebaseerd zijn op de kerkelijke geschiedenis of op de bijbel, maar die o.m. verhalen van geheimzinnige ridders, van oosterse wonderen en al datgene, wat het volk boeide.
Deze spelen zijn, althans over het algemeen, improvisaties.
Zij improviseren over de duivel en vertellen hoe deze bv. een ridder alle overwinningen en het eeuwige leven belooft onder één voorwaarde: hij mag niet over stromend water gaan. Doet hij dat toch, dan zal zijn ziel aan de duivel vervallen. En het verhaal gaat verder: De ridder leeft lang, slecht en gelukkig tot hij op en een dag, een vijand achterna jagend, zich niet kan inhouden en met zijn ros over een beekje springt. Een donderslag, een demonisch gelach … het paard galoppeert ruiterloos verder en er blijft verder niets over.
De Faustuslegende, die vooral in Midden Duitsland reeds omstreeks 1100‑ 1200 begint vorm te krijgen, is ongetwijfeld ook te herleiden tot deze zelfde behoefte, nl. de tegenstelling tussen de demon en het goede op een amusante wijze tot uiting te brengen, waarbij men tevens wat op de begeerten en verlangens van de toehoorders kan speculeren. En hiermee zijn wij dan gekomen op een zeer onaardig terrein. Want wat eerst als een soort kijkspel is begonnen, wordt ernst voor wij begrijpen ‘hoe’. Het christendom is nu eenmaal, vooral bij de Teutonen, niet zo diep geworteld en hun bijgelovigheid is zelfs groter dan die van de Basken. Zij geloven daar wel degelijk nog – ofschoon daarover niet wordt gesproken ‑ aan goden, die door de wolken rijden en donderhamers smijten. Zij geloven aan een wilde jacht, die op stormachtige avonden met bloedhonden langs de wolken trekt en dood brengt aan eenieder, die hen ziet. Zo wordt het verhaal vervlochten met het primitieve geloof en met de nog bestaande magie van het land.Hoe mogen wij dan de gedachtegang verklaren, die tot het verdrag met de duivel voert?
Een mens leeft slechts één maal. Dit geloof overheerst in het Westen van die tijd. En als je één maal leeft, wil je graag goed en lang leven. Maar het leven is zwaar. Het leven maakt je machteloos. De hoge heren en ridders zitten op hun burchten, zij zenden hun dienaren uit op strooptochten. Zij gaan op bedevaart of op reis en plunderen het land. Zij jagen en vertrappen de oogst. De handelsman is op vele wegen zijn leven niet zeker en als hij een lading van bv. Neurenberg naar Berlijn kan brengen, dan is hij werkelijk een held, die vele gevaren heeft overwonnen en vele malen een aanval op zijn kostelijk goed heeft moeten afslaan. Deze mens verlangt naar zekerheid. Hij verlangt, althans een enkele maal, te genieten van al hetgeen het leven biedt. Al is het in het geheim, toch zou hij voor een enkele maal macht willen hebben. En zo begint de zwarte magie langzaam maar zeker weer haar klauwen naar de bijgelovige mens uit te slaan.
De eerste magiërs zijn eenvoudig. Zij geloven niet in verdragen met de duivel; en hun heksenzalven zijn eigenlijk ‑ dat weten zij zelf zeer goed ‑ niets anders dan roesverwekkende middelen. Hun eredienst voor het zwarte altaar is meestal eerder de aanleiding tot een orgie, een je uitleven, misschien ook een rechtvaardiging van roofmoord en plundering, dan een werkelijk contact met een baarlijke duivel.
Er zijn echter op heel de wereld ‑ en ongetwijfeld in Duitsland en verder langs de Donau tot Roemenië en het Zevengebergte ‑ vele zwart‑magiërs, die werkelijk weten wat slechte krachten en demonen zijn. De school van zwart‑magiërs in het Zevengebergte werd pas rond 1800 uiteengedreven. En dit zijn magiërs, die inderdaad geesten kunnen bezweren, die inderdaad de dood kunnen uitzenden. Zij vinden onder de goedgelovigen hun offers, hun kring en hun steun. Zij beginnen deze macht absoluut te maken. En dit kan alleen, als de mens weet alles te zullen verliezen wat hij door de magie heeft gewonnen en méér.
Zo komt men samen in kelders onder smoezelige herbergen, soms ook in deftige kloosters en ondertekent in het schijnsel van rode flambouwen een perkament, dat door een onzichtbare hand op een tafel wordt geworpen. Men ondertekent met zijn eigen bloed en belooft hierbij zijn ziel aan de duivel te geven. En de magiërs ‑ vooral wanneer zij eenmaal vaste voet in bepaalde kerkelijke organisatie en riddergroepen hebben gekregen ‑ zijn wel in staat om de eenvoudige burger iets te geven wat voor hem weelde lijkt. Zij hebben in hem echter een dienaar gevonden, die niet aarzelt te vergiftigen, te doden en te plunderen.
Wat zij niet beseffen en wat, ook door de meesten van de kring niet wordt begrepen, is dat in een dergelijke bijeenkomst altijd een werkelijke demon aanzit.
Hier zijn dan enkele feiten.
Op het ogenblik, dat men voor zichzelf een pact met de duivel sluit, is er een feitelijk contact geboren met de lagere sfeer. Vooral de niet‑menselijke geesten trachten voeling te krijgen met de mens, zodat zij zich onmiddellijk op deze gelegenheid tot versteviging van hun stoffelijke positie werpen. In vele gevallen dringen zij in de mens binnen en worden oorzaak van bepaalde afwijkingen, soms zelfs van ziekten en pijn. Het lijkt wel of een verhaal van Sindbad werkelijkheid wordt. Misschien tekent een jonge mens uit durf en bravoure een contract met de duivel. En van dit ogenblik af heeft de demon vat op hem. Zolang hij blijft geloven in de werkelijkheid van het contract, heeft hij een onzichtbare ruiter, die hem dwingt op vele paden te gaan, die hijzelf niet wenst te betreden. Deze demonen zoeken echter naar nog grotere kracht en die kracht kan worden gewonnen o.m. uit bloed.
Bloed is ‑ Goethe zegt het ons reeds ‑ een eigenaardig vocht. Het bevat o.m. een deel van het half-stoffelijk plasma, dat het zenuwstelsel voedt en voortkomt uit verschillende spierwerkingen en chemische omzettingen in het lichaam. Dit plasma zal als regel na korte tijd verdampen. Maar zoals men een vluchtig gas kan opvangen en van de damp van alcohol een kostbare likeur kan distilleren, zo distilleert de demon uit het bloed een haast zichtbare kracht. Het veld is misschien te vergelijken met dat van een magneet, die zich op de mogelijkheid tot kwaad richt, maar die ‑ als die mogelijkheid bestaat ‑ ook vorm en gestalte durft aannemen.
De roes en de orgieën worden werkelijker. Uit het simpele volksgeloof ‑ dat overigens aansprakelijk is geweest voor de z.g. heksen – wordt nu de werkelijke zwarte magie geboren. En niet eenieder, die zich daarmee bezighoudt, is een mens die ook inderdaad het kwade wil.
Stel u voor: Goethe op de Paasmorgen. Hij wandelt met zijn leerling buiten de stad en plotseling ziet hij een hond. Eerst lijkt het wel een aardig dier; een zwarte hond, die rondspringt en dartelt en dan ineens maakt hij driemaal een cirkel. Haast aarzelend vraagt de oude geleerde zich af : “Is dit wel een hond? Ik zag een vurige cirkel met een vurige straal erachter aan.” Dan verwerpt hij die gedachte. Wetenschap is wetenschap. Wij moeten onderzoeken.
Maar wie in de Middeleeuwen geleerde was, was ook metafysicus. Hij zocht naar de geheimen, die achter het menselijk weten verborgen zijn. En in vele gevallen trachtte hij uit de sterren de toekomst te lezen en door het bezweren van de geest een grotere werkelijkheid te leren kennen.
Goethe toont ons Faust als een alchemist. Hij bezweert de geest en o.a. Wagner spreekt tot hem. Hij roept de ouden op en de wijzen. En voor hij het weet …. is daar de hond. De hond wordt Mefistofeles. Hij zwelt en zwelt tot hij barst als een overrijpe vrucht… en daar staat de ridder van de hanenveer. Wat sarcastisch, wat lachend, maar eigenlijk toch ook een mens. Hoe juist heeft Goethe hier de duivelsvoorstelling van de oudheid gevangen. In de zwarte missen, in de geheimzinnige magie van keldergewelven was het heel vaak een jonge mens, die, ‑bezeten door de demon, tot een soort Mefistofeles werd.
Het verdrag ‑ ach, ge weet hoe het zich afspeelt ‑ is er één van verleiding en begeerte. Eerst als Faustus in de spiegel van de toekomst zijn Gretchen heeft gezien, verlangt hij jong te zijn. Als het leven voor een mens waarde heeft, zal hij van elk middel trachten gebruik te maken. En wij weten met zekerheid dat het verbond met de duivel ‑ hoezeer ook een schijnvertoning ‑ toch in feite gebaseerd was op dergelijke begeerten en verlangens, op verleiden en het wekken van begeerten met altijd enige mogelijkheid tot vervulling.
De zwart‑magiër van die dagen was geen grote vereerder van de zwarte bok van Mendes. 0 neen, het was eenvoudiger voor hem.
Wanneer wij Goethe horen spreken over de Blockbergscène, de Heksensabbat, dan toont hij ons wel de grote Bok, maar zijn klassieke opvoeding en zijn lidmaatschap van een geheime vereniging, voeren hem ongetwijfeld tot het gebruik van deze symbolen. De bok was nl. in Duitsland geen demonisch wezen. Vandaar dat ook niet de jonker met de bokspoten optreedt, maar die met de paardenvoet, de hoef. Een typisch verschijnsel.
Zo vormt zich in de magiër de sterke essence van het orgiastisch leven. Hij barst voortdurend uit en de volheid van zijn levensvreugde gaat met wreedheid, minachting voor de mens gepaard. Dat er sprake is van demonen, beseft hij soms zelf niet. En de grote zwart‑magiër, die de leider is van een dergelijke kring, zwijgt daarover. Er is alleen het komediespel: Het verdrag met de duivel.
Nu hoop ik dat u mij wilt toestaan dat ik tracht u een ogenblik een dergelijke scène voor ogen te voeren.
Het is rustig in een kleine stad. Op de toren heeft de hoorn geblazen voor het doven van de vuren en de lichten. De straten zijn stil, modderig en rustig. Hier en daar knort misschien nog een zwijn. Ergens klinkt de stap en roep van de nachtwaker. Er komen mensen uit hun huizen. Het zijn er niet veel, misschien tien of twaalf. Geheimzinnig en bij voorkeur in zwarte mantels gehuld gaan ze schichtig van schaduw tot schaduw en daar ze een maanloze nacht hebben gekozen, zijn ze praktisch onzichtbaar. Wat aan de rand van de stad gelegen, vinden wij een herenhuis. Het is goed gebouwd met drie verdiepingen, grote kelders en een uitbouw van de eerste en tweede verdieping. De grote schuine kap is met snijwerk versierd als een uitbundige verkondiging van het aanzien der bewoners. Achter en aan de zijkanten is er een kleine deur, die voortdurend openklapt en zich haast geruisloos sluit. In de wijnkelder zijn een paar vaten verplaatst. Daarachter gaapt nog een donkere opening. En schim na schim, spookachtig verlicht door het flauwe schijnsel van een lantaarn, glijdt als een fladderende vleermuis door de opening en wordt in het absolute duister verzwolgen.. Als wij daar binnengaan, kunnen wij hier een bijeenkomst van dergelijke zwart‑magiërs bijwonen. Op zichzelf is het beeld wat belachelijk. Wij vinden hier oud en jong bijeen. Zowel dit kleine meisje, dat juist haar kap afdoet en ternauwernood 17 jaren telt, als gindse oude heer, een bekleed geraamte, dat schijnbaar de dood nog net ontlopen is, zijn hier elkaars gelijken. Dan valt de deur dicht en het spel begint.
Een van hen leest het ‘Onze Vader’, maar van achter naar voren. De woorden klinken als een vreemde taal, als een vloek, die een doffe galm uit het gewelf schijnt te wekken. En nu moet één van hen ‑ ja, u ziet hem daar, hij wordt juist binnengeleid – worden beëdigd.
Uit het duister klinkt een honende lach. De anderen ontkleden zich geheel. Langs de wanden zien wij wat kroezen staan van steen en tin en wat houten borden waarop wat voedsel ligt. Er is geen rijm, reden of orde in dit gezelschap en eenieder gaat en bedient zichzelf van spijs en drank, naar het hem belieft. Voor hen is een tafel. Er branden twee flambouwen en daarachter zien wij een magisch symbool.
Het is ruw getekend, met wat olieverfklodders op een plank. En van daarachter klinkt een stem. Ze vraagt wat de nieuweling wenst.
En haast aarzelend zegt deze dat hij rijkdom begeert, want hij wil een meisje trouwen. De stem zegt lachend: “Dat alles kun je krijgen en meer, maar dan moet je mij gehoorzaamheid zweren. Als ik dit verdrag nakom, dan is je ziel aan mij vervallen. Maar wanneer ik je wens heb vervuld en je trekt je terug, dan zal ik je verzwelgen. Al wat je bezat en toebehoorde, je vrouw, je kinderen, je dieren en je huis zal ik doen opgaan in zwaveldamp en rook.” 0, het is een spel, een wat cynisch en sarcastisch spel, zoals u zult merken. Nu komt de jongeling naderbij. Van achter de plank ‑ door het duister kun je haast niet zien dat een hand het doet ‑ wordt een stuk schaapsperkament op de tafel geworpen. Wie goed toekijkt, zou kunnen zien dat men er iets op heeft uitgewist. Vermoedelijk is het uit een of ander hand verlucht boek genomen, dat in een klooster met veel moeite is vervaardigd en het leven der heiligen beschrijft. Nu staan er wat grove letters op: een contract. “Hierbij verkoop ik mijn ziel aan de duivel. Dit bezweer ik met mijn eigen bloed.”
Een ogenblik lijkt het, of de jongeman zich wil terugtrekken, maar nu is het beklede geraamte erbij. De oude grijze hand, die uit modder schijnt opgebouwd, grijpt een ogenblik die frisse jonge kerel beet en dwingt hem haast een pen in de hand. Aan zijn andere zijde komt een vrouw. Zij lacht, strijkt hem eens onder de kin en ze biedt hem een pennenmes aan. Het wordt in de polsader gestoken, het bloed valt met trage druppels, de veer wordt erin gedoopt en er wordt een teken gemaakt, want schrijven kan de jongen niet. En dan ineens….klinkt er een gelach. Even lijkt het alsof door een windvlaag de fakkels zullen uitdoven en wanneer hij weer kijkt, is het perkament verdwenen. De windvlaag was bewust veroorzaakt door enkelen van de aanwezigen en het perkament berust bij vele andere perkamenten om zekerheid te verschaf­fen aan de heksenkring.
En nu begint een orgie. En tijdens deze orgie blijkt dat de moeder van het begeerde meisje aanwezig is en met een grandioos gebaar haar kind, dat vermoedelijk van geen kwaad weet, mogelijkerwijze zelfs zeer jong is, aan de man ten huwelijk schenkt. Een ander vraagt hem wat hij nodig heeft voor een zaak en voor een huis. En hij helpt hem.
0, zij helpen elkaar. Morgen is er misschien een moord op een rijke koopman, morgen brandt misschien een huis, morgen vallen er doden, want het geld moet worden opgebracht. Maar de jonge man heeft zijn plaats gekregen en hij ontvangt zijn geld. En hij gelooft dat hij met de duivel in contact is. En omdat hij nu meent alle schepen achter zich te hebben verbrand, laat hij zich meeslepen in iets wat inderdaad iets van een Heksensabbat weg heeft.
Spijs en drank ontketenen de lusten, waarbij de man, die op parool schijnt te zijn ontsnapt uit het graf, paart met haar, die geboren schijnt uit de frisheid van een pas vergane lente. Zo speelt zich het spel af en de lusten zwepen zich op. Nu komt de eigenlijke magiër, die de duivelsrol op zich heeft genomen en werpt wat geurige stoffen op het kleine kolenvuurtje, dat hij daartoe heeft opgesteld op de plaats, waar eerst het contract lag.
Dan lijkt het een ogenblik of zij, door hun lusten en zinnen opgezweept, inderdaad demonen zien en kennen. Zij verliezen elke band met de werkelijkheid. Zij schijnen tijdloos in een waanzinnige dans in de ruimte te zweven. En dit is het ogenblik, dat de werkelijke demonen hun buit plukken. Dit is het ogenblik, waarop begeerte van demonische geest zich huwt met de onbeheerstheid van een mens. Dit is het ogenblik, dat magische krachten worden geboren. Want zij doen wonderen, deze zwart‑magiërs. Dit is het ogenblik, dat menige mensenziel ondergaat, niet door een verbond met de duivel, maar door ongeloof in zijn vermogen nog ooit een lichte wereld van geest te zullen betreden.
En dan, wanneer de roep al klinkt over de naderende dag en misschien in de verte al een haan kraait, sluipen de schimmen schichtig weg, met bleke gezichten en wallen onder de ogen. En niemand zal weten wie er tot de heksenkring behoorde. Zo wordt het spel gespeeld.
Deze dingen blijven niet verzwegen Deze dingen worden voortdurend aangevuld en verrijkt met nieuwe gedachten en nieuwe vermogens. Degenen die aan zo’n demon zijn gebonden, ach, soms zijn zij als Doctor Faustus, die zich als een kluizenaar in het woud terugtrekt om te dromen. Om dan door Mefistofeles te worden gewekt en meegevoerd naar het hof van een vorst, waar zo dadelijk de schim van Helena van Troje de edelen met haar schoonheid zal verwonderen; meegevoerd naar een klassieke Walpurgisnacht, een Griekse heksensabbat, waar de meest tegenstrijdige verschijnselen zich vertonen: homunculus, de kunstmatige mens, in zijn flauw en schemerig lichtende fles, dobberend op dezelfde stroom als Pan, die de fluit bespeelt en de statige figuren van oude wijsgeren. En tussen hen misschien hetaeren en demonen, oude goden en nieuwe geloven. Zo gaat het de mens, die de zwarte magie zoekt. Ook hij zal zich vaak terugtrekken. Hij verlangt naar rust en vrede, maar hij wordt bezeten door die geheimzinnige kracht. Hij heeft zijn onzichtbare ruiter, die hij maar niet kan afwerpen, omdat hij niet gelooft in licht, in harmonie, in vrede, in werkelijk bereiken.
En dan, mijn vrienden, gaat het drama verder, met grotere verlangens, met grotere kennis, maar ook met groter bijgeloof. Dan zoekt men naar het eeuwige leven, want men is bang om te sterven. De eeuwigheid zal immers kwelling zijn. Ergens heeft men gehoord dat de jeugd kan worden overgedragen. Dan zien wij het afschuwelijke kinderoffer op de zwarte altaren. Dan horen we van waanzinnige ridders, die als een Blauwbaard kinderen roven en doden, keer op keer, tot hun veste een knekelhuis is geworden, zonder dat zij ooit het eeuwige leven vinden. Het demonisch bijgeloof, dat opbloeit en dat vanuit Duitsland met zijn stinkende adem van ondergang en ontbinding uittrekt tot over Frankrijk heen. Een adem, die een ogenblik aarzelt en omhoog schijnt te trekken tegen de onoverkomelijke Alpen om plotseling herboren te worden in de 14e en 15e eeuw in de grote steden van Italië.
Het begon in Thessalië. Thessalië heeft het waarschijnlijk geërfd van Egypte. Egypte heeft het gevonden in Babylon. Babylon vond zijn vreemde krachten in de verre bergen bij de wrede volkeren van Azië. De dreunende trommen uit het Zuiden, de verloren maantempels van Zimbabwe, zij alle hebben meegedaan aan die spelen. Doch het onbegrip van de mens wist van de bovennatuurlijke krachten niets anders te maken dan een spel met ondergang, met eeuwige dood en eeuwige kwelling: een verdrag met de duivel.
Hier zou ik ongetwijfeld afscheid van u kunnen nemen. Maar het is niet alleen het naspeuren van het verleden maar ook de studie van de werkelijke betrekkingen, die ook nu nog bestaan, welke mij heeft geboeid. En zo wil ik u graag een beeld schetsen van het heden. Want ook in deze dagen zijn er nog heksen.
In Engeland bestaan nog de witch’s courts, de heksencirkels en ‑kringen, waarin eenieder met zijn eigen naam, zijn geestendolk en toverstaf tracht onheil af te roepen of rijkdom te verwekken.
Ook nu wonen er nog wit‑magiërs. Soms worden ze bekend: de magiër van het eiland Man. Soms worden ze niet erkend, de geheimzinnige genezer in Duitsland, die verdreven werd omdat hij zieken genas.
Soms duiken ze op als politici, publicisten; maar ze zijn er nog steeds. En wij kunnen hen indelen in twee klassen.
Allereerst zien wij de mens, die meent werkelijk met het kwade een verdrag te kunnen sluiten. Dwaasheid. Hoe noemt de volksmond de duivel wel? De vader aller leugens. Wie een verdrag sluit met een leugenaar, kan daardoor niets anders dan leugen verwerven. Het is dus dwaasheid om met het kwade een verbond aan te gaan, want het betekent altijd slavernij; nimmer vervulling. Wie echter zo gelooft, wie de demon tot zijn dienaar wil maken, ziet hem al snel als zijn meester verschijnen. Dan zien wij mensen, die snel in aanzien rijzen. Wij zien mensen, waartegen ieder opziet, als grote politici, als voormannen van kerk, staat en wetenschap, die in feite niets anders zijn dan zielige dieven, gedreven door onzichtbare demonen. Wie denkt het kwaad te huwen, wordt slaaf en bereikt nimmer wat hij begeert. Het begeerde blijft altijd juist buiten zijn bereik.
Maar de tweede soort, de magiër die ook in deze dagen bestaat en veel betekenis kan hebben, is de mens, die beseft dat de demon, evenals het dier, te verlokken is, als men zijn eigenschappen kent.
Zoals een jager een gazelle dichterbij lokt door met het onregelmatig bewegen van een lap boven het hoge gras de nieuwsgierigheid te prikkelen, zo gebruikt de wit‑magiër de uitstraling van zijn gedachten ‑ en in sommige gevallen meer stoffelijke middelen als reukwerken – om de demon naderbij te trekken.
Maar een demon kan slechts meester of slaaf zijn. Vrij zijn, kan hij niet, wanneer hij komt binnen het bereik van een menselijke wereld. 0, als hij een bloedoffer zou hebben, als hij uit de wasem van het bloed een kracht zou kunnen verwerven, die in het duister woont waar geen zonlicht doordringt, dan zou hij niet vrezen. Dan zou hij de wit‑magiër grijpen, met een helse lach worgen en neersmijten. Maar geestelijk zou hij hem nooit overmeesteren.
De wit‑magiër brengt echter geen bloedoffer. Integendeel, hij weeft een web van gedachten en dwingt de demon te gaan, waar hij hem beveelt. Hij drijft de demon uit, wanneer deze een mens in bezit heeft genomen. Hij overheerst de demon, die kwaad en onheil wil brengen. En hij zendt hem zelfs als zijn dienaar en bode uit om taken te vervullen, die voor de demon pijnlijk zijn. De demon is slaaf, zodra de mens zich vrij voelt.
Er bestaat in deze dagen soms nog een verbond met de duivel, ook al wordt dat niet meer gesloten in duistere kelders, al is het niet meer het toverspel van bedrog en magie tegelijkertijd.
Wanneer een mens door begeren tot het kwade wordt gebracht, in dit begeren met anderen samengaat en zich daarop concentreert met uitsluiting van al het andere, dan kan de demon macht krijgen, dan kan de geest van de chaos een menselijke slaaf winnen. Maar als een mens het goede wil, als hij het zuivere, het voor allen dienstige en lichtende zoekt, dan kan ‑ wanneer men weet hoe ‑ de slaaf nog steeds tot dienaar worden gemaakt. Want de heksen op de kruiswegen van Thessalië, ze waren geboren uit de angst van de bijgelovige reizigers.
De dodende demonen, zij werden geboren uit een wurgende angst en een onbegrip voor wat werkelijk mogelijk was.
De zwarte magie uit het verleden voedde zich met de angst van de mens, de zwarte magie van het heden met zijn begeren. Dat is het verschil. Wanneer u ‑ niet achtend wat anderen toekomt en wat uw plicht is ‑ in deze dagen met velen samen zou willen gaan om voor uzelf iets af te dwingen, wees dan voorzichtig. Het moge een edel doel schijnen, als u het goed formuleert; maar waar zelfzucht in het spel is, sluit de mens nog steeds een verbond met de duivel (al woont dan die duivel in hemzelf) en stelt zich open voor demonen, waarvan hij de tegenwoordigheid niet beseft.

Herfsttinten

De lucht spint gazen waden,
de zon is wat bleek en wat koel,
de wind, die je zachtjes voorbij ruist, draagt het weemoedig gevoel
van afscheid.

Dor ritselen reeds de blaad’ren.
Maar komt er omstreeks het middaguur
een ogenblik een zonnestraal dalen
dan willen de kleuren steeds feller
gaan stralen;
dan brandt heel het bos van een herfstelijk vuur.

Rood zijn de blaad’ren en goud zijn de blaad’ren, felkleurig, juist nu de winter komt aan,
alsof nog eenmaal de lentevreugden
en alle zomerlijke geneugten
samendrommen in het bestaan.

Maar daar komt de harde herfstwind reeds waaien en laat de takken
nu met goud nog belaan
kaal als een geraamte tegen de loodgrauwe hemel staan.
Herfsttinten.

Hoe schoon is niet het herinneren
aan wat je vroeger eens deed.
Hoe groot lijkt je niet je eigen bereiken.
Hoe rijk ben je niet met al wat je weet.

Maar komt er de koelte dan van de dagen,
waarin ’s levens volheid voorbij is gegaan,
dan klamp je je in herinneringsvlagen
nog eenmaal vast aan het menselijk bestaan.

Want reeds dreigt de koelte uit andere wereld,
reeds voel je het kille levenseind aan;
en je ziet je herinneringen vallen als bladeren,
totdat je uiteindelijk alleen meent te staan.

Meen je onder te gaan dan met het winterse leven
in een grauwheid, waarin je geen kleuren meer vindt,
dan begint al opnieuw het wondere leven,
dat, schoner dan herfsttinten nog, voor je blinkt.