De weg tot andere werelden

21 september 1959

Het is logisch aan te nemen dat er naast de wereld die de mens kent een reeks van gebieden moet bestaan, die voor hem niet of slechts bij toeval toegankelijk zijn. We weten dat de mens beperkt is in zijn er­varingen. Het is niet slechts logisch maar zelfs met zekerheid vast te stellen dat er gebieden bestaan van licht, van klank, die voor hem gesloten zijn.

Al deze gebieden zijn gebieden waarin de trilling bepa­lend is voor het al of niet waarneembaar zijn van het verschijnsel. Wij zullen aannemen dat trilling hiermee ook verder veel van doen zal hebben. De kwestie van de andere werelden waarop ik zinspeel, betreft in de eerste plaats de werelden welke buiten de stof bestaan. Buiten de stof kan al datgene bestaan wat niet onderhevig is aan de veld‑bepalende eigenschappen van de dichte materie. De aarde wentelt om haar eigen as. Het gevolg is dat zij daardoor een eigen magnetisch veld opwekt. De aarde beweegt zich rond de zon met een zekere snelheid. Deze en haar wenteling bepalen haar zwaartekracht. Met de zon beweegt zij zich in een bepaalde richting. Dit bepaalt weder­om de tijd, dus de tijdconstante, die geldt voor de aarde en de overige planeten. Dit te begrijpen is misschien nog niet zo moeilijk.

Maar wanneer ik op een terrein kom waar geen van de genoemde werkingen meer geldt, dan wordt het voor mij wel heel erg moeilijk te gaan praten over zwaartekracht, over magnetische velden of zelfs over tijd. Er zullen in een dergelijke wereld totaal andere verschijnselen optreden. Elke poging om zo’n wereld te benaderen, kan alleen berusten op het aanpassen van­ eigen wezen of een deel van eigen wezen aan die andere wereld. Wanneer we die wereld kenbaar maken in onze eigen wereld, gehoorzaamt ze alweer aan de wetten, die bv. op de aarde bestaan. Het gevolg is dat zij zich nooit kan openbaren in uw wereld, zoals ze in haar eigen bestel leeft.

Nu is er natuurlijk één grote weg, welke iedereen op de duur naar die andere werelden brengt, de dood, de eeuwigdurende verandering, waarbij vormen en voertuigen als niet meer belangrijk worden achtergelaten. Zij blijven deel van eigen wezen, maar behoren niet meer tot een bepaalde wereld, alleen tot het eigen “ik”. De dood is wel de eenvoudigste weg, maar zij gaat gepaard met een eenzijdigheid. Als u hier sterft en in een andere wereld komt, dan kunt u uit die andere wereld nooit meer terug naar dezelfde toestand op aarde. U moet dan eerst een hele cirkelgang maken en komt dan weer op de wereld terecht, maar niet meer in dezelfde condities. U kunt niet meer uw vroeger aardse “ik” hernemen. Het is dus voor ons niet praktisch om aan deze weg te veel aandacht te geven. Het is voldoende te constateren dat hij er is en dat hij de meest overtuigende kracht is die er bestaat.

Wie sterft, komt in een andere wereld en moet zich deze realiseren. Nu is echter de vraag: Wat gaat dan op weg, wanneer het lichaam achterblijft? De algemene uitdrukking daarvoor is de geest of de ziel. Een andere uitdrukking, die je niet zo vaak hoort, maar die juister is: een deel van het bewustzijn plus het resterend ego. En dat resterend ego moet een vorm hebben, moet een uitdrukking hebben. Dat bewustzijn moet ergens in zijn vastgelegd. Vandaar dat wij spreken over “voertuigen”, ook wanneer deze niet beantwoorden aan de gedachte van een stoffelijk lichaam bv. of zelfs aan een beperking ‑ in sommige sferen ‑ zoals men die voor een ego van uit aards standpunt nu eenmaal noodzakelijk acht. Al deze waarden liggen in de mens. Bij nadere studie blijkt dat juist de wijze, waarop men denkt (dus de denkprocessen, welke zich in de mens voltrekken) bepalend is voor de wijze waarop men zich een andere wereld kan voorstellen of zelfs beleven.

Het is noodzakelijk dat wij om uit te treden in een wereld, die niet aan stoffelijke wetten gehoorzaamt, allereerst de stoffelijke prikkels uitschakelen. Met de officiële term heet dit, een zodanige verhoging van de bewustzijnsdrempel verkrijgen, dat geen uiterlijke prikkels meer tot het bewustzijn kunnen doordringen. Maar dat is van de stof uit. U zou ook kunnen zeggen: Het is elke ver­binding van zich afzetten, die herinnert aan de eigen wereld. Wanneer deze zeer sterke impulsen zijn uitgeschakeld, kan de mens fijne­re impulsen ervaren. Hij kan daarop reageren; hij kan op iets, dat nor­malerwijze in zijn bewustzijn geen invloed heeft, nu een nieuw concept op­ bouwen. Ja, hij kan zelfs handelen door krachten, die normalerwijze niet tot uiting komen. Ook dit alles is nog logisch. U kunt o.a. in de psychologie van Jung daar voldoende verklaringen voor vinden. Nu ga ik nog een stap verder. En ik moet gaan vaststellen, dat is altijd heel erg moeilijk. Want ik weet wel dat het zo is, maar voor u is het een hypothese. Het kan waar zijn, het kan niet waar zijn. Toch doe ik dit eenvoudigheidshalve.

Ik stel dan vast dat er naast het georganiseerd stoffelijk terrein een minder georganiseerd stoffelijk terrein is. Het onderscheidt zich van de normale materie in de eerste plaats door de eigenaardige vorm van de atomen, welke daar nog kunnen voorkomen. Ze zijn evenals in de ionisatie­ toestand incompleet, instabiel en hun elektronen hebben vaak een gewij­zigde wentelingssnelheid en wentelingsrichting.

Deze materie heeft geen enkele relatie meer met de normale stof. Ze ver­schilt wat eigenschap betreft daarvan zeer veel. Zij kan daarom door andere krachten worden beïnvloed, dan in de materie mogelijk zou zijn. U kunt moeilijk een tafel alleen door uw gedachten vervormen. Maar u kunt een dergelijke incomplete materie ‑ welke dus in een vormings‑ of veranderingsproces is begrepen ‑ wel met de gedachte vervormen. Vergelijk: ijzer kun je niet met de handen buigen, klei wel. Dat ligt aan de samenhang.

Deze fijne materie nu en nog fijnere deeltjes vormen tezamen wat wij noemen, de basis van het astraal‑gebied en zelfs ‑ althans een deel daarvan ‑ van Zomerland. Wij hebben hier te maken met werelden, waarin de gedachte boven alles re­geert. Elk veld bepaalt een vorm voor de materie. Zij groepeert zich daar­ in, zoals ijzervijlsel zich zal groeperen volgens de krachtlijnen van een magneet. Indien wij onze eigen prikkels kunnen uitschakelen ‑ dus onze eigen wereld ‑ dan is voor ons de mogelijkheid geschapen dit astraal gebied uit de stof binnen te gaan.

Omgekeerd, wanneer wij door sterke concentratie een tijdelijke stabiliteit van ons voertuig binnen dit terrein kunnen bereiken, dan is het voor ons eenvoudig om de aarde uit een andere geestelijke sfeer via dit astrale gebied te benaderen. Bij de doorsneemens geschiedt deze benadering ten minste verscheidene malen in het leven en is onbewust; dus niet bewust veroorzaakt. Het vreemde is, dat om de mens in deze toestand te brengen, heel vaak een verdoving dient op te treden. De gebruikers van opiaten bv. treden vaak, zonder dit te beseffen, een droomwereld binnen, waarin de astrale krachten als deel van een droom worden gezien. Opvallend is, dat zij daarbij een punt hebben, dat hen aan de werkelijkheid vasthoudt. De doorsnee opiumroker bv. zal in zijn roes vooral dus in het begin van zijn roes en het roken iets gaan beschouwen dat schoon is. Hij zal bij voorkeur kijken naar een bloem of naar een beeldje, althans wanneer hij niet de roes zonder meer zoekt. Hij heeft dan iets dat voor hem een levende werkelijkheid wordt en uit deze levende werkelijkheid ontwikkelt zich dan een totaal nieuwe wereld. Het beeldje wordt door de gedachte als het ware astraal gereproduceerd, maar nu met andere eigenschappen. Voorbeeld: Een ivoren vrouwenbeeldje wordt een levende vrouw, die di­rect herinnert aan het beeld, maar verder alle kwaliteiten en eigenschappen heeft, die men daarin eigenlijk gewenst had. De uitdrukking van de gedachte treedt op als een realiteit. Gaan we nog een paar stappen verder, dan vinden we o.a. nog het gebruik van sommige zwammen, daarnaast van zeer speciale hennep-deri­vaten. Hierbij wordt de mens zozeer aan de werkelijkheid onttrokken dat hij, terwijl hij zijn eigen wereld wel kan blijven waarnemen, voor elke prikkel daarvan ontoegankelijk is. Er is niets dat hem bijzonder kan beroe­ren en zijn aandacht kan terugroepen naar die wereld. In deze toestand treden voor hem dan de beelden van het astraal gebied zeer scherp en zuiver op. Medicijnmannen en tovenaars maken reeds lang van deze methode gebruik en voor de inwijding van jongeren en ook voor het bereiden van mate­riaal dat nodig is voor voorspellingen en bezweringen.

Zonder dit al­les kunnen we echter precies hetzelfde bereiken en wel eenvoudig door middel van een voldoende concentratie. Wanneer de concentratie alles uitschakelt, kunnen wij bewust binnentreden in een wereld van astrale verschijnselen. Er is een “maar” aan verbonden. Wanneer dit bewust en mede uit een lichamelijk willen geschiedt, dan zal de lichamelijke impuls een zeer sterke invloed behouden, zodat deze beelden zich vaak als een droom of zelfs als een fantasie aan ons voordoen. Het is zeer moeilijk deze van normale dagdromen en fantasieën te onderscheiden, tenzij wij in deze materie thuis zijn en dus zien hoe wij onszelf langzaam maar zeker uitscha­kelen. Dit neemt niet weg dat het astraal gebied voor negen van de tien mensen op een bewuste wijze kan worden betreden en dat zelfs dat laatste restant van 10 % toch onbewust te eniger tijd daaraan deel zal hebben.

Gaan wij verder dan het astraal gebied, dan krijgen we te maken met wat men het best een wijziging in dimensie zou kunnen noemen. De verhouding van krachten is geheel anders. Bestaat er in de astrale wereld al­thans nog enigszins een tijdsfactor, in alle werelden die daarboven lig­gen, zelfs de fijn‑materiële Zomerlandsfeer, gaat een algemene tijd teloor, waarvoor een ervaringstijd in de plaats komt, zodat de snelheid van onze perceptie het tijdsverloop in die sferen bepaalt. Het gevolg is dat men in deze werelden moeilijker kan binnentreden en als men er binnentreedt, praktisch niet in staat zal zijn het juiste gebeuren en het juiste ervaren in een stoffelijk bewustzijn om te zetten. De weg, die hier bestaat, is er a.h.w. één van ontzegging. Hij wordt heel vaak gekoppeld aan een reeks van voorstellingen. Wij zien bv. dat door een in­tens gebed een verrukkingstoestand teweeg wordt gebracht, waarbij men zich verheft boven de eigen wereld. Wij zien in andere condities dat een fana­tieke geestdrift de mens tot ontrukking kan voeren. In enkele gevallen zien we zelfs dat ziekteverschijnselen, gepaard gaan met een toegang tot deze werelden. Het hoe en waarom zou ons te ver in allerhande klinische bijzonderheden voeren, maar simpel gezegd: Wanneer er bij de mens plotselinge veranderin­gen in klierafscheidingen ontstaan, gepaard gaande met een heftige wijzi­ging van de bloeddruk in de hersenen, dan zal de lichamelijke gesteldheid zo zwak zijn en vaak ook spastisch, dat hierdoor de andere werelden reëler worden en wij een tijdlang bestaan in een tijdscontinuüm, dat niet gelijk is aan ons eigen.

Daarnaast kennen wij werelden, waarin vorm geen zin meer heeft. Het “panta rei” dat op aarde alleen gebruikt kan worden om het ver­loop van de tijd en tegelijk van de verschijnselen aan te geven, wordt in de vormeloze wereld een onmiddellijke werkelijkheid. Wij hebben daar niet meer te maken met vormen, maar met een spel van licht en duister. Er vormen zich wel beelden, maar deze berusten niet op een concrete waarneming en dat weten wij. Het is eerder of we ergens schaduwen zien tegen licht, of licht door de schaduwen heen. Een soortgelijke illusie kan men soms hebben, wanneer men uit een donkere grot naar het licht gaat. Dit wekt dan voorstellingen van weiden, bomen en al wat erbij hoort, ofschoon men deze nog niet ziet. Men neemt alleen nog maar het licht waar. Deze reactie kan ik het best gebruiken om ons een meer stoffelijk beeld te geven van de vormeloze sfeer. Er is niets concreets meer en toch ontstaan alsnog beelden. Die beelden komen uit ons eigen bewustzijn voort. Het gevolg is dat, wanneer een mens tot deze sferen zou kunnen doordringen, hij geen contact meer heeft met iets, wat vorm hoeft; dat hij een absolute onverschilligheid ontwikkelt voor alles, wat hij weet met de wereld in verband te staan en in plaats daarvan een soort ver­zadiging ondergaat van indrukken, die hij niet nader kan beschrijven. Typisch is, dat het bereiken van deze sferen zelden gepaard gaat met lichamelijke vermoeidheid, wat in andere gevallen nog voorkomt, maar dat daarentegen een vaak zeer korte rustpauze of slaap bij het ontwaken een gevoel van volledige ontspanning en uitgerust zijn geeft, een stabi­lisering van het zenuwstelsel en al wat daarbij hoort. Daarboven liggen nog andere werelden en sferen, die ik buiten beschouwing laat, omdat ze door de mens zelden of nooit bereikt worden en de bereiking daarvan niet meer kan behoren tot de gewone wegen die wij vinden.

Ik wil nu eerst proberen u enkele uiteenzettingen te geven omtrent de verschijnselen van het astraal gebied, daarna van Zomerland, daarna van de lichtsfeer en in elk der gevallen u duidelijk maken wat zich af­speelt. In de astrale wereld is de gedachte vormend. Maar niet de gedachte die aan de oppervlakte leeft, maar de gedachte met al haar inhouden en achtergronden. Dat wil zeggen dat in de astrale wereld een op zichzelf schone gedachte gebaseerd op begeerte, in haar vormgeving die begeerte mede uitdrukt. Hieraan is niet te ontkomen. Het gevolg is dat op de meest onverwachte wijze schoonheid en afzichtelijkheid zich aan ons openbaren. In vele gevallen zal de afzichtelijkheid voor ons niet te dragen zijn en zal ons eigen voorstellingsvermogen haar omzetten in monstervormen, die meer aannemelijk zijn. Wij zien daar dan ook optreden: demonen, die doen denken aan de tempelwachters van de Indische tempels, draken, daarnaast bleke figuren, prehistorische, monsters en schimmen, waarvan misschien alleen de ogen een dreiging schijnen te bevatten, maar die ons een onverstaanbare afkeer inboezemen. Wij krijgen te maken met eenvoudige wervelingen (denkt u maar eens aan een wervelwindje, dat even wat stof omhoog werpt en daardoor voor een ogenblik zichtbaar wordt), die ons ontzettend aantrekken, maar die we niet kunnen bereiken. Al deze verschijnselen tezamen kunnen worden gebracht onder gedachte­-uitingen. Zij zijn de weergave van een gedachte, nooit van een geheel we­zen. Een demon, die op astraal gebied opereert, kan slechts de weergave zijn van een gedachte maar niet van het gehele wezen. Er moet meer zijn.

Dientengevolge geldt voor ons dat al datgene wat op het astraal gebied aan ons verschijnt, zonder vrees geaccepteerd moet worden. Gelijktijdig moeten wij echter weten dat ongeveer 9/10 daarvan als bij een ijsberg onder de oppervlakte ligt. Dat er dus plotselinge veranderingen kunnen optreden, die ons niet mogen verbazen. We zien dan alleen het deel, dat tot nog toe verborgen was van hetzelfde wezen, dat hierin zijn gedachten openbaart. Voor onszelf bezitten wij in de stof een voertuig dat de astrale wereld onmiddellijk beroert. Het is a.h.w. een deel van het levenslichaam en wordt teruggevonden o.m. in de zaadcellen van het menselijk lichaam, daarnaast echter in praktisch elke cel. De vitaliteit, die in het zenuw­stelsel voorkomt, heeft ook haar functie op astraal terrein. Het trillingsgetal van het verschijnsel ligt echter aanmerkelijk boven het hier waarneembare en soms zelfs in de buurt van dat van microgolven. Het heeft dan een betrekkelijk lage frequentie. Het is dus mogelijk dat astrale verschijnselen op golflengten liggen, die op het ogenblik reeds benaderd worden met bepaalde stoffelijke instrumen­ten. Werktuigen, die dergelijke, trillingen opwekken, kunnen storend zijn voor astrale invloeden en omgekeerd.

Dan krijgen we de Zomerlandsfeer. De Zomerlandsfeer berust evenzeer op gedachtevormen als de astrale wereld. Maar één verschil is er, hier is een poging tot contact met anderen. De gedachten, die het sterkst gevormd worden, zijn dus gedachten die door gemeenschappen worden gevormd. Het gevolg is dat hele reeksen schijnbaar permanente landschappen schijnbaar permanente gestalten ontstaan. Toch zal ieder van ons deze anders zien. Alles wat wij verwachten is in Zomerland aanwezig. Wij vinden er zowel de geheime instructie‑loges van een inwijdingsdienst, de open tempels en de gotische kathedralen van andere godsdiensten,  en al wat erbij hoort, waarin men filosofeert, een eeuwige zee, bergen als eenvoudige velden. Zodra wij echter buiten de gemeenschap treden, blijft ons slechts een leegte over. Het zou voor de doorsneemens het best kunnen worden beschreven als even uit de wereld opgenomen worden en ver buiten het zonnestelsel, misschien zelfs buiten het melkwegstelsel in de ruimte zweven. Rond je zien dat er lichten en verschijnselen zijn, maar deze niet kunnen definiëren, want het is te ver van je af. Wanneer deze toestand overigens te sterk optreedt, volgt hierop het over­schakelen op impulsen, welke van buiten op deze wijze worden ontvangen en krijgen  wij contact met de lichtwereld.

Bij de verschijnselen in Zomerland houden we rekening met het feit dat een bepaalde ons naderende vorm de uitdrukking is van een totale persoonlijkheid. Er zal geen opvallende of grote verandering nodig zijn om elk fa­cet van het totale wezen tot uitdrukking te brengen. Wanneer we daar contact hebben met personen, zal dat voor de mens heel vaak een teruggrijpen betekenen naar aardse normen. Gelijktijdig echter zal het wezen zelf toch een beeld vormen van een feitelijke persoonlijkheid, een reëel bestaande persoonlijkheid in zijn geheel. Waar het voorstellingsvermogen van vele groepen onderlinge verschillen kan vertonen en verder nog even moet worden herinnerd aan de tijdloosheid ‑ dus dat hier de zuiver persoonlijke tijd alleen optreedt ‑ zal het dui­delijk zijn dat de mens, die tot dit gebied doordringt, niet zeker kan zeg­gen: “Ik heb het Zomerland gezien.” Men kan hoogstens zeggen: “Ik heb een deel van Zomerland beleefd en daarin voor mij aanvaardbare voorstellingen gevonden.

Dan die kwestie van licht. Voor de doorsneemens is het onmogelijk dat zo’n wereld, waarin vormen je ontsnappen en alleen gedachten voor je overblijven die gewekt worden door wisselende verschijnselen, kleuren, klanken buiten je, kan worden gerealiseerd. De mens, die daarin doordringt, zal dit alles moeten omzetten in symbolen. De symbolische voorstelling is dan volledig gebaseerd op het bewustzijn en het onderbewustzijn van het menselijk wezen, het stoffelijk wezen. Alleen op deze wijze nl. is een voldoende interpretatie in het stoffelijk ego vast te leggen.

Met deze korte omschrijvingen heb ik u nu verteld wat de gebieden zijn, die kunnen worden benaderd en komen wij aan het belangrijkste onder­werp: de weg. Laat ik van tevoren vaststellen dat de weg voor iedereen anders kan zijn. Ik zal voor de duidelijkheid bepaalde gevallen noemen, die zijn, voorgekomen, maar ze moeten niet als de enige benaderingsmogelijkheid worden gezien. Ik zal hierbij zowel de buiten het huidig sociaal be­stel vallende methoden als de wel daarbij behorende, kort trachten weer te geven. Benadering van het astraal gebied wordt o.a. gezocht door een sterk emotionele verdieping. Deze kan ontstaan uit een verrukkings­toestand door ideeën. Ze kan worden teweeggebracht ‑ zoals reeds is gezegd ‑ door het gebruiken van bepaalde roesverwekkende giften. Daarnaast wordt ze gewekt door seksueel verkeer onder bijzondere ritu­ele omstandigheden. Dit laatste komt weinig of niet meer voor, uitge­zonderd bij bepaalde groepjes, die zich duivelaanbidders noemen. Al het andere wordt nog wel in praktijk gebracht. Voor onszelf moeten wij allereerst bepalen wat voor ons een aanvaardbare weg is. En de methoden, die wij naar het astrale gebied kiezen moeten altijd ‑ dus zon­der uitzondering ‑ aan de volgende voorwaarden voldoen: a.) De mogelijkheid om jezelf, je huidige toestand en huidige omgeving te vergeten. b.) Er moet een zodanig sterke emotionele bewogenheid bestaan, dat men het voorstellingsleven voor een ogenblik reëler acht dan al het andere. c.)Men moet lichamelijk veerkrachtig en goed ontwikkeld zijn. Wanneer men gezond is en veerkrachtig, kan men nl. aan het lichaam vol­doende energie ontlenen om het betreden van het astrale gebied op eenvoudige wijze mogelijk te maken. De methoden, die gevolgd worden, mogen nooit en te nimmer gepaard gaan met vrezen of angsten. Zij moeten te allen tijde uit een nuchtere aan­vaarding van alle verschijnselen zijn opgebouwd. Zij moeten degene, die naar het astrale gebied gaat, verder helpen zich onaantastbaar te ach­ten en te weten. Bij voldoende oefening is het verder raadzaam in de methode die elementen te zoeken die een gelijktijdig contact met de stof mogelijk maken. Dit zijn de algemene eisen, waaraan zij zal moeten voldoen.

Om u nu hiervan een paar voorbeelden te noemen. Bij een zekere Indianenstam, de Yaquis, bestaat een methode om in het astraal gebied door te dringen en daar zelfs zgn. magie te bedrijven. Dit wordt bereikt door zich in een ruimte te zetten, waarin zware reukstoffen worden ver­brand en waar men gelijktijdig ofwel bedwelmende dranken dan wel bedwel­mende plantendelen gebruikt. Er ontstaat dan een tekort aan zuurstof als gevolg van de zware reukstoffen, zodat het lichaam langzaam maar zeker uitgeschakeld wordt. De gemeenschap wordt beziggehouden ‑ ik kan er geen betere naam voor vinden ‑ door een van hen, die met dansen, uit­roepen, liederen, een suggestie van strijdvaardigheid, strijdkracht en macht opwekt. Hierdoor wordt zekerheid verkregen. De roes zelf kan van 6 tot 72 uur duren. Er zijn nogal eens verschillen. Over het algemeen volgt er een kater op. Het is iets anders wanneer men Mescal gebruikt; in dat geval is de kater over het algemeen minder erg of treedt in het geheel niet op. Gedurende deze periode is er niet zozeer sprake van het verblijf in het astraal gebied zonder meer, als wel van een voortdurende wisseling van de droomtoestand, waarin men daar verkeert. Men herinnert zich de bele­vingen over het algemeen zeer goed, mede als gevolg van een suggestie, die aan de roes voorafging. Zij worden later voorgelegd aan de wijze mannen als een soort orakel. Men leest daaruit dan verschillende dingen af.

Een geheel andere weg vinden we bij de zgn. zelfkwellers, die als gese­laars of anderen regelmatig in de wereld in grote groepen verschijnen. Hierbij tracht men voortdurend door zich in opwinding te pijnigen een toestand van absolute vergetelheid te bereiken. Hierin treden dan visioenen op, zoals dat heet. In feite is dit ook weer een kortere of lan­gere verplaatsing naar een astraal gebied of een daaronder of zelfs daar­boven gelegen sfeer. Deze gebruiken zult u in Europa niet veel meer vinden. Ze zijn in sommige­ delen van Afrika en Azië echter nog in gebruik. De methode die men hier in Europa het eenvoudigst naar het astrale gebied kan volgen is de weg van concentratie, gepaard aan het ongewoon diep adem halen. Precies het tegendeel van wat de Indianen deden. Wij proberen a.h.w. een zuurstof‑dronkenschap te verwekken. Gelijktijdig trachten we door onze concentratie de wereld uit te schakelen. We zullen dan vaak eerst als op een afstand zekere verschijnselen waarnemen, droombeelden. Maar droom­beelden met een achtergrond van werkelijkheid van astraal standpunt uit. Op de duur zullen we ons daarin als werkelijke persoonlijkheden verliezen. Er treedt dan een tijdelijke bewusteloosheid op of een trancetoestand, gedurende welke in het astraal gebied belevingen zonder meer mogelijk zijn.

Een raad voor hen die bij hun zoeken naar een weg naar de andere werelden het astraal‑gebied betreden: indien u zich ervan bewust bent dat u lichamelijk bestaat, zal de eenvoudige gedachte aan uw lichaam u te allen tijde aan astrale invloed onttrekken. De verplaatsing van uw bewustzijn betekent gelijktijdig een verandering van uw wezen, waardoor u niet meer aantastbaar bent voor al hetgeen er op astraal gebied ontstaat. Er is dus geen enkele reden voor angst, zolang u dit maar onthoudt. Men mag zich nooit laten bewegen tot wegvluchten. Standhouden of terugkeren naar het lichaam is voor de mens de enige weg.

Dan gaan we verder. De weg naar Zomerland. De weg naar Zomerland is niet te bereiken eenvoudig door het gebruik van verdovende middelen en evenmin door een zelfsuggestie. Ze vraagt meer. Voor de mens is het belangrijk dat hij een instelling heeft, waarbij hij zichzelf edel kan voelen. Men moet zich dus iets beter voelen dan men werkelijk is a.h.w. Het is daarom goed elke actie vooraf te doen gaan door bepaalde lichamelijke handelingen, die goed worden geacht. Deze kunnen zijn: het verrichten van diensten voor anderen, waardoor vermoeidheid wordt opgewekt; het zich inspannen voor anderen, of zelfs het uitzenden van gedachtekracht naar anderen, dus het welwillend denken aan anderen. Deze bezigheid is een vaststellen van het wezen. Want om de Zomerlandsfeer te betreden moeten wij ‑ uit de stof gezien ‑ ons bevrijden van vormvoorstelling. Verder van een te persoonlijk denken. Wij moeten over­schakelen van een voortdurende wisselwerking tussen de omgeving en ons­zelf naar een alleen ontvangen, dus niet meer het zelfstandig handelen. In de oudheid werd dit ook wel bereikt langs de weg van seksuele orgieën, maar de gevolgen daarvan waren niet altijd begeerlijk en brachten dus niet altijd de Zomerlandsfeer werkelijk binnen het bereik. Ontaarding daarvan heeft geleid tot misbruik van de tempelprostitutie en wat erbij hoort en de consequenties waren allesbehalve prettig. Maar goed, ook deze weg heeft dus bestaan. De eenheid van twee mensen in dierlijke zin, welke echter gepaard gaat met een door beiden gelijkelijk ervaren geestelijk streven ‑ dus ter ere van de godheid ‑ brengt ook weer mede een verzadiging en een vermoeidheid met daarbij een versterking van het persoonlijk verlangen naar een geestelijk gebied. Ook zo is een betre­ding daarvan mogelijk.

Dan voor de doorsneemens alweer, zoals hij hier leeft. In de eerste plaats, wanneer u naar Zomerland wilt uittreden, moet u zorgen dat u lichamelijk vermoeid bent. De lichamelijke behoefte naar rust bevrijdt u van een groot deel van uw voorstellingsvermogen. Geen oververmoeidheid echter. Bent u te zeer vermoeid, dan zullen droombeelden u zozeer bezig­ houden, dat u niet tot een werkelijke ontsnapping aan bewustzijn en onder­bewustzijn toekomt. Gewone vermoeidheid, dat is het beste Tracht verder niet Zomerland te bereiken zonder hulp van onze zijde, al­thans in een trancetoestand. Prefereer daartoe de natuurlijke slaap en in deze slaap bij voorkeur ‑ al zult u dat misschien niet meer bewust regelen ‑ de eerste anderhalf uur na het in slaap vallen, dus het bereiken van een zekere diepte van slaap, die voor ons praktisch droomloos is. U heeft voor dit inslapen, wanneer u wegdommelt, meestal nog ongeveer een half uur stoffelijke tijd nodig. Wanneer u zich echter bij het inslapen instelt op het betreden van Zomerland, zal automatisch, zodra de gunstige conditie optreedt, de innerlijke persoonlijkheid, het geestelijk ego, trachten dit te verwerkelijken. We behoeven ons dus niet bezig te houden met: Heb ik nu al zo lang geslapen of niet. Dat gaat automatisch. Willen wij echter gedurende de slaap in het Zomerland iets beleven en contact opnemen, dan kunnen wij dat slechts doen met behulp van een bepaald punt van concentratie. Zoals een vlieger in de mist op een radio­-station peilt, zoals men met radar in de mist een bepaald doel opzoekt, zo moeten jij met een voorstelling van het doel daarop onze persoonlijk­heid richten. Het is natuurlijk mogelijk dat men zich daarbij richt op een persoon. Dit is echter niet aan te raden, omdat we niet weten of die persoon daar werkelijk bestaat of niet. Dus of datgene wat wij zoeken van ons stoffelijk voorstellingsvermogen uit, nog inderdaad in Zomerland bestaat. De ideeën, die het gemakkelijkst hanteerbaar zijn om Zomerland te betre­den zijn: rust, natuur of delen van de natuur opgevoerd tot de perfectie, waarbij dus al het ontsierende wegvalt: een soort kunstenaarsvisie van het paradijs of een volmaaktheid.

Daarnaast het zoeken naar lering; het zich instellen op het contact met de geest zonder nadere bepaling. Wij doen verstandig om kort voor het slapen voor onszelf deze dingen te herhalen en nog eens te herhalen. Degenen, die getraind zijn, kunnen op de duur ook overdag door eenvoudig even in te sluimeren, zoals men dat noemt, contact opnemen met deze sfeer. Maar zelfs dan zullen zij zonder geestelijke hulp niet in staat zijn zich langere tijd in die sfeer te handhaven. In de Zomerlandsfeer treden over het algemeen weinig impulsen op, die ons terug dwingen. Wij zullen er rekening moe moeten houden, dat het vluchten naar het Zomerland wegens de onaanvaardbaarheid van bepaalde situaties op aarde een gevaar kan betekenen voor het lichaam en daarnaast voor de geest die ‑ beroofd van het lichaam en het direct contact met het lichaam ‑ niet in staat zal zijn zich in de Zomerlandsfeer te handhaven. Dus geen vlucht naar Zomerland.

Wat betreft de lichte sferen of lichtsferen, daarheen kunt u de weg slechts vinden via de meer rituele en magische handelingen. Hier is sprake van een voortdurend doorgevoerde suggestie die op de duur het lichaam onaantastbaar maakt voor tijd, tijdprikkels, lichtprikkels, pijnprikkels e.d. Daarnaast moet de behoefte bestaan om God of het Goddelijke onmiddellijk nader te komen en wel zo intens, dat wij bereid zijn elke belevenis daaruit desnoods te reproduceren en te, ondergaan, ook wanneer dit lijden betekent. Slechts door absoluut prijs te geven al hetgeen ons stoffelijk waardevol is en gelijktijdig naar licht en lichtende krachten te streven, kunnen wij dit gebied uit de stof betreden. Het is daarom niet aan velen gegeven deze sferen uit de stof op bewuste wijze te ervaren. Zover de bewuste methoden.

En nu nog kort, voordat ik ga eindigen, de onbewuste weg. Hiervoor zijn weer bepaalde verklaringen nodig, die ik dan maar kort samenvat. Wanneer u hier in de stof leeft is uw wezen gelijktijdig levend in elke wereld, waarvoor het capaciteiten bezit. U leeft dus een aantal parallelle levens, waarvan het grootste gedeelte echter onbewust wordt beleefd en slechts één enkele, of ten hoogste enkele bewust. Uw wezen bestaat uit elke kracht, elk trillingsveld, elk gebied, dat ligt tussen de Oerbron en uzelf. Ook wanneer alle aandacht in het stoffelijk gebied is geconcentreerd, bestaan deze andere voertuigen toch en behouden hun absolute gevoeligheid ten aanzien van de sfeer waartoe zij krachtens hun wezen behoren. Wanneer wij in de slaap ‑ vaak ook weer door emoties, verlangens en begeerten gedreven of soms door eenvoudig te zoeken naar het antwoord op een vraag ‑ uit het stoffelijk gebied uittreden, dan zullen wij in onszelf – maar nu onbewust en dus zonder vermogen zelf te, kiezen of te regelen – juist dat deel van ons eigen wezen actief maken, dat het meest in overeenstemming is met ons probleem, met onze gesteldheid, met onze vraag. Dit voertuig beleeft dan op zijn eigen vlak, krijgt daar reacties en zal deze soms, maar lang niet altijd, aan het lichaam doorgeven, waardoor dat dan in staat is zich bepaalde droombeelden te herinneren. Deze droombeelden zijn altijd symbolen, omdat de veelheid van denken, weten en beleven, die in een zgn. tijdloze sfeer (waar dus alleen nog, maar persoonlijke ervaringstijd bestaat) kan optreden, slechts in een lange reeks van droombeelden, die niet herinnerd kunnen worden, zou, kunnen worden uitgedrukt. Vandaar dat de totale indruk wordt terugge­bracht tot een droomsymbool. Het interpreteren van deze droomsymbolen is zeer moeilijk en ik zou u dus aanraden om niet te trachten elke sym­boliek in overeenstemming te brengen met een sfeer, waarvan u wel eens hebt gehoord. Wanneer het noodzakelijk is, zal de betekenis van het droomsymbool ongetwijfeld in het onderbewustzijn reacties wekken, waar­door weliswaar geen juiste interpretatie, maar wel een juiste reactie binnen het bewuste denken kan optreden.

Nu ben ik eigenlijk klaar, vrienden. Dit is de inleiding en dat is ongeveer alles, wat ik erover te zeggen heb. Ik weet dat ik onvolledig ben geweest, natuurlijk. Dat is duidelijk. Ik weet ook dat sommigen onder u op het ogenblik al vragen hebben. Voordat ik ga sluiten, mag ik nog wel even op een paar punten wijzen. In de eerste plaats: verwacht u niet van mij, dat ik u een voor de we­tenschap aanvaardbare rationalisatie van deze sferen kan geven. Ze zijn voor de wetenschap nu eenmaal niet hanteerbaar, onttrekken zich daar­door aan haar wijze van onderzoek en van definitie. In de tweede plaats‑ verwacht niet van mij dat ik u allen persoonlijk even ga vertellen langs welk achterdeurtje u naar een aangename sfeer kunt gaan. Ik wil graag ingaan op de problemen, die u dienaangaande stelt, maar ik kan deze niet op de persoonlijkheid afgestemd beantwoorden. U zult ook na deze lezing uw eigen weg moeten zoeken. Verder, een deel van hetgeen ik heb opgemerkt, onttrekt zich aan wat men noemt, stoffelijke logica. Het spijt mij zeer, maar de stoffelijke logica is begrensd, omdat zij in haar redenering en uitgangspunt nu een­maal alleen beperkt is tot de op aarde kenbare verschijnselen en alle veronderstellingen, die aan de hand daarvan kunnen ontstaan. Er is een verbinding met paranormale verschijnselen te vinden. Wanneer we alle andere vragen hebben beantwoord en als er belangstelling voor zou be­staan, wil ik ook daar eventueel wel op ingaan. Maar de bedoeling is toch wel eerst te trachten ons eigen standpunt ‑ het mijne als geest maar ook het uwe als stofmens ‑ t.o.v. deze sferen en de mogelijkheden om ze te bereiken verder te omschrijven.

Vragen

 Zo vrienden, daar zijn we weer en dit keer is het woord groten­deels aan u. Mag ik de eerste vraag, de eerste opmerking of het eer­ste bezwaar.

  • Welk praktisch nut heeft het voor niet paranormaal begaafden te trachten geestelijke werelden te betreden.

In de eerste plaats heeft het voor hen het voordeel, dat ze de zgn. paranormale kwaliteiten van hun wezen aanmerkelijk kunnen stimu­leren. Er is niemand, die niet paranormaal begaafd is. We hebben slechts te maken met mensen, die minder of meer gevoelig zijn voor die delen van het bestaan, die op aarde onder paranormale verschijnselen worden gerangschikt. In de tweede plaats: zo goed als het aangenaam is je te kunnen oriën­teren over de plaatsen, die je eventueel in een vakantie wilt bezoeken, is het, meen ik, ook voor degene die niet paranormaal begaafd is aangenaam zich althans enigszins te kunnen oriënteren over de werelden, die later toch de zijne zullen zijn. Ook in deze zin heeft dus het streven naar die werelden en het zoeken naar contact met die we­relden doel. Als opmerking moet hier verder bij worden gesteld, ofschoon dus het nut hiervan groot is, zal ieder mens moeten beseffen, dat het zoeken van een weg naar andere werelden alleen dan nut afwerpt, wanneer men in de eerste plaats blijft voldoen aan de verplichtingen, die de eigen wereld oplegt. Is dit voldoende antwoord of wilt u meer?

  • Die andere werelden heeft toch ieder reeds meegemaakt. Wanneer ik nu overga en daarheen terugkeer, is het eigenlijk een retourtje dat ik heb gehad. Ben ik dan volkomen onbekend met die wereld?

Ja, het is heel waarschijnlijk dat u ook op deze wereld meermalen hebt geleefd. Maar als u hier geboren wordt, moet u toch ook weer le­ren spreken en u moet toch leren u aan te passen aan deze wereld. Wanneer uw leven op stoffelijke basis is verlopen volgens uw eigen we­ten en u komt in die andere wereld, dan zal het u enige moeite kosten om u daaraan te passen. Ik mag misschien een voorbeeld geven, dat maakt de zaak duidelijker: Wanneer een Hollander op tournee gaat naar Parijs, dan is hij nog geen Parijzenaar, ook al heeft hij er gewoond. Dan moet hij eerst een hele “hola‑periode” doormaken, vandaar gaat hij de periode van de “tout‑nu” shows af en eerst daarna komt hij in het meer burgerlijk bestaan, dat nu eenmaal de kern van Parijs uitmaakt, de bourgeoisie. Op dezelfde manier zou u, wanneer u in andere werelden komt en daarmede niet voldoende bekend bent, ook gedurende uw stoffe­lijk leven een vrij lange periode van aanpassing moeten doormaken, voor­ dat u er voldoende de weg weet om er zonder gevaar of erger uw eigen weg te kunnen gaan.

  • Ligt die aanpassingsperiode in het astrale gebied?

Die aanpassingsperiode ligt niet in het astraal gebied. Zij ligt tussen de astrale en Zomerlandsfeer in. Zij betreft dus nog wel be­paalde fijnstoffelijke gebieden, maar geschiedt meestal in een haast embryonale geborgenheid, waarbij slechts zeer indirect prikkels van buitenaf het “ik” bereiken, terwijl in het “ik” zich de denkprocessen af­spelen en vaak een herbeleving plaatsvindt van die delen van het stof­felijk bestaan, die voor eigen vorming en emotioneel bestel zeer belang­ rijk waren. De tijd daarvan is niet te bepalen. Zou zij alleen in het astraal gebied plaatsvinden, dan zou zij binnen 72 uur beëindigd zijn. Maar daar het zich boven het astraal gebied voortzet, is de duur ervan alleen te bepalen aan de hand van de bewustzijnsmogelijkheid van de mens en kan variëren van enkele uren tot honderden jaren.

  • Kunt u nog iets meer omschrijven wat voor belang het dan heeft voor het werk, dat de mens op aarde heeft te verrichten.

Wanneer je een overzicht hebt van een situatie, dan zul je jezelf gemakkelijker aanpassen en je taak zo indelen, dat je niet het werk van anderen verricht of anderen tegenwerkt. Wanneer je geen inzicht hebt in de totale situatie, zul je daarentegen vaak werkzaamheden verrichten, die uws inziens belangrijk zijn, maar die later blijken geen enkel feitelijk belang te hebben, dus verloren moeite. U zou verder de nadruk gaan leg­gen op aspecten van uw leven, die eigenlijk secundair zijn, terwijl u de belangrijke voorbijloopt. Het resultaat is dat u later zeer veel tijd nodig zult hebben om bewust te worden van wat belangrijk is in uw leven en dat te leren hanteren. Wij moeten goed begrijpen dat ook de mens, wanneer hij in de stof leeft (ik heb al gesproken over die parallellen, dus het parallel‑bestaan in alle sferen), een kosmische eenheid is, die binnen het Goddelijke het totaal omvat van alle verschijningsvormen die behoren tot de groei die wij onder “mens” verstaan. Het gevolg is dat wanneer deze mens alleen aan één fase van zijn wezen werkt, hij dikwijls waarden van andere delen van zijn bestaan ‑ geestelijke zal schaden. Heeft hij echter besef van zijn geestelijk leven en van de plaats die hij daar inneemt, dan zal hij in de stof in overeenstemming daarmee handelen en zonder stoffelijk tekort te schieten zich daardoor voordelen bezorgen voor de geest, weerstanden die anders zouden optreden, ontgaan en wat dies meer zij. Het is juist dit wat een kennis van het geestelijk leven en een streven dat daarmede redelijk in overeenstemming is zo belangrijk kan maken. Ik mag hier bijvoegen dat deze overeenstemming binnen de persoonlijkheid besloten ligt en dus nooit kan worden afgemeten aan uiterlijke wetten of algemeen aanvaarde normen van moraliteit, wetenschap e.d. Het is een zuiver persoonlijke norm en de harmonie, waarover ik spreek, is dus in de eerste plaats een harmonie, die in het eigen wezen wordt gehandhaafd.

Die harmonie is natuurlijk niet statisch, want u moet deze steeds opnieuw trachten te bereiken. De harmonie is niet statisch. Indien we aannemen dat alles sta­tisch is, is de harmonie ook statisch. Maar wanneer zij deel uitmaakt van een ontwikkeling, dan kunnen we zeggen dat, wanneer ons wezen in bewustzijn groeit op één bepaalde trap ‑ onverschillig welke ‑ op die trap geen genoegen meer kan worden genomen met de bereikte eenheid of harmonie en dus een uitbreiding van die harmonie in overeenstemming met de groei van bewustzijn noodzakelijk wordt. In die zin is het een voortdurend veranderende en bewegende waarde, maar het is altijd een groeiende reeks. Een negatieve reeks komt daarbij zelden of nooit voor.

Harmonie op zichzelf is toch een toestand, zou ik zeggen, en de verschijningsvorm waarin ze optreedt, kan verschillen. Iemand is harmonieus en dat kan hij op verschillende wijzen demonstreren en zo langzamer­hand uitbreiden. Harmonie is een begrip dat abstract blijft, tenzij het wordt gebruikt ter toetsing van een toestand. Als zodanig kan het begrip “harm­onie” in ons betoog alleen worden gebruikt in directe relatie tot de eigen persoonlijkheid en dan spreken wij dus over een “zich uitbreidende of groeiende harmonie”.

  • Aldous Huxley beschrijft in zijn boek “The doors of perception” een wereld, die hij binnentreedt na het gebruik van mescaline; liever gezegd, hij beschrijft de transformatie die deze wereld voor hem ondergaat. Kan u akkoord gaan met deze beschrijving of is het gestelde louter “dich­terlijk”.

Het is niet “louter dichterlijk” maar het is persoonlijk. Wij moeten goed begrijpen dat zelfs in het normale leven en de normaal zintuiglijke waarneming wij voor onszelf steeds een persoonlijke vertaling geven van hetgeen wij buiten ons zien. Vandaar dat de één zegt. “Picasso hoera!” Een andere; “Picasso bas”. De kwestie is, hoe beroert het mij, hoe interpreteer ik? Wat voor waardering heeft het voor mij? Wanneer men mescaline neemt, dan vinden we daarin een transformatie. Maar deze is een uitdrukking van de eigen persoonlijkheid. Dat wil zeggen, de persoonlijke en over het algemeen op astraal of mentaal terrein liggende in­terpretaties geven een nieuwe vorm aan het geziene en vullen dit bovendien aan met verschijnselen, welke niet inherent zijn aan de stof zelf. In zoverre kunnen we met de beschrijving akkoord gaan, als men er maar de nadruk op legt dat deze een persoonlijke interpretatie is. Ditzelfde geldt voor elke beschrijving van onverschillig welke ingewijde of spiritist of paranormale of meester, die het heeft over zijn reizen in andere werelden. Ook hier moeten we rekening houden met het feit, dat altijd sprake is van een interpretatie, nooit van een werkelijkheid zonder meer. Het persoonlijk element maakt deze beschouwingen, illustratief voor ons t.o.v. mogelijkheden maar niet bepalend t.o.v. een verwerkelijking eveneens in ons.

  • Ieder mens heeft dus een persoonlijke wereld. Persoonlijke werelden kunnen zich enigszins samenvoegen. Ik zeg: Kijk, hier pas ik aan bij deze persoon, dus zijn er gelijkenissen te vinden in deze werelden. Hoe ziet u dat?

Elke mens leeft in zijn persoonlijke wereld, maar hij deelt in de­ze wereld een aantal maar niet alle normen met anderen. Anders zou er geen samenleving mogelijk zijn. Elke samenleving en elk contact met an­deren is gebaseerd op een ongeveer gelijke waardering van zekere punten of waarden binnen beide persoonlijkheden. Eerst zo is contact mogelijk. We kunnen erbij voegen dat deze overeenstemming door lering en wederzijds begrip kunnen worden aangevuld, totdat wij een benadering van een volledige overeenstemming hebben. Maar slechts een benadering. Een absolute overeenstemming is in de stof onbereikbaar en evenmin in de door mij genoemde sferen. Daarboven kan zij optreden, maar brengt dan weer andere consequenties met zich mee.

  • Ik vroeg het daarom, omdat we met andere sferen te, maken krijgen en daar geldt natuurlijk ditzelfde.

Inderdaad.

  • Een sfeer berust toch juist op die gelijke gestemdheid. Op het gemiddelde.

Ja.

  • De mensen, die een bepaald bewustzijn hebben, zijn op hetzelfde vlak. Zij die daarboven zijn, op een ander en die er onder zitten, ook weer op een ander.

Inderdaad, Het eenvoudigst kun je het zo uitdrukken; Een sfeer wordt bepaald door de gemiddelde perceptie‑mogelijkheid t.o.v. de god­delijke waarheid. Hoe meer wij van de goddelijke waarheid ervaren, hoe hoger onze sfeer. Maar wij kunnen slechts tot een wisselwerking met an­deren komen, wanneer die een ongeveer ‑ niet volledig ‑ gelijk peil hebben bereikt. En dan uitgedrukt in cijfers. Wanneer wij voor de tota­le ontwikkeling 1000 nemen, dan kan de variant voor een sfeer ongeveer 30 zijn. Dus 3 % ongeveer. Dat is dus de speling waar het bewustzijn zich beweegt. Het is dus een betrekkelijk kleine waarde. Er moet daarom een zekere gelijkvormigheid zijn tussen ons en anderen om een gemeenschappelijk besef en een uitwisseling van gedachten mogelijk te maken; en indien wij naar een lagere sfeer gaan, zullen wij bewust een deel van onze persoonlijkheid mogen uitschakelen, van onze gevoelighe­den enz., anders kunnen wij niet met die anderen in contact komen. Wanneer u hier uit een westerse beschaving naar een negerstam gaat en u wilt deze mensen werkelijk leren begrijpen, dan zult u afstand moeten doen van uw idee dat een dagelijks bad noodzakelijk is en daarvoor in de plaats tot de conclusie komen, dat het goed is voor de huid. Dat moet nou eenmaal want u moet met deze mensen het bestaan delen, wilt u hen kunnen begrijpen. U moet dus uzelf beperken. En nu is die zelfbeperking over het algemeen gemakkelijker dan een tijdelijke uitbreiding van je eigen vermogens bereiken. Vandaar dat we zeggen dat u wel uit een hogere sfeer naar beneden toe contact kunt opnemen, maar dat hogere sferen met u contact moeten opnemen.

  • Uit de inleiding zou te begrijpen zijn, dat de weg naar de andere werelden er een zou zijn van volgehouden, juiste, eigen inspanning. Maar ik vraag mij af, of deze inspanning niet moet plaatsvinden onder deskundige leiding. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat dit zelfstandig experimenteren, hoe serieus overigens bedreven, levensgevaarlijk is. En wie zijn de deskundigen, die leiding komen geven bij de daadwerkelijke wandeling.

Ja, hoezeer het mij spijt, ik kan het met het gestelde niet helemaal eens zijn. Ik zal proberen duidelijk te maken waarom. In de eerste plaats: natuurlijk is het een volgehouden eigen inspanning plus een daardoor ontstane toestand in het “ik”. Maar dit betekent dat, zodra uw eigen hogere voertuigen actief worden, zij gelijktijdig in harmonie zijn met andere voertuigen  van ongeveer gelijke inhoud. En dat betekent weer dat u door uw eigen instelling in elke sfeer af­zonderlijk contact maakt met diegenen, wier streven ongeveer aan het uwe gelijk is. Dezen zullen u helpen, omdat dit voor hen de mogelijkheid is hun eigen taak te volbrengen, dus voor zichzelf iets buiten zich duidelijk te maken wat zich ook in het “ik” af moet spelen. Het gevolg is dat de deskundige leiding over het algemeen uit de sferen komt en slechts zelden op aarde te vinden is. De mens echter, mag niet trachten verder te gaan dan de Zomerlandsfeer, zonder dat hij zeker is van een leiding. Ten aanzien van de mogelijke gevaren van de as­trale wereld. Ik heb deze aangestipt en u duidelijk gemaakt, hoe men al­leen al door zich zijn lichamelijk bestaan te realiseren, zich kan ont­trekken aan elk gevaar dat daar optreedt. Ik geloof dat dit dus vol­doende is, maar als u meent dat er meer moet worden gezegd, ga uw gang.

  • Ik kan mij toch voorstellen, dat wanneer iemand in het astrale ge­bied is, hij door een dusdanige panische schrik bevangen wordt dat hij het hulpmiddel vergeet om zich te redden.

Dat is inderdaad mogelijk en daarom is het dus raadzaam om in het begin geen lange reizen te maken en eerst te wennen, voorzichtig. Net te doen als een dame of heer op leeftijd, die bij de zee komt. Eerst eens met de tenen voelen of het water wel koud is.

  • Is dat mogelijk? Kan men dat bepalen: “Ik maak een korte reis.”

Natuurlijk, dat kunt u bepalen. Want u streeft naar die sfeer, u komt er, u realiseert zich deze sfeer en u zegt‑ “Ik wil in mijn lichaam terug zijn.” Dat is maar even een flits en die flits breid je langzaam uit. Ik geef toe, wanneer men door nieuwsgierigheid of zelfoverschatting gedreven, meent in deze sferen zonder meer zijn weg te kunnen gaan en daarbij niet acht geeft op de leiding, die ook in het astrale gebied over het algemeen toch wordt aangeboden, men in onaangename perikelen kan komen. Zou de panische schrik, waarover hier gesproken werd, u beheersen, dan is het gevaar zeer groot, dat u niet meer ontwaakt, omdat u in deze panische schrik te lang van het lichaam wegblijft en daaraan te veel krachten onttrekt. Dat betekent dat de binding tussen de geest en het lichaam definitief wordt verbroken. Die mogelijkheid en dat ge­vaar bestaat dus wel, maar alleen bij overdrijving, alleen wanneer men door zelfoverschatting meent meer te kunnen doen dan kennis nemen en onder bescherming van anderen eventueel langzaam maar zeker meer te leren. Maar zoals ik zo-even reeds zei, we mogen er de nadruk op leggen dat de kwestie van instelling, waardoor u dit terrein kunt bereiken, tevens een contact met gelijkgestemden praktisch verzekert, zodat deskundi­ge leiding daar a.h.w. ter plaatse is. En indien u nu maar vertrouwt op degenen die u daar geleiden, dan kan u heus niets overkomen.

  • Maar dit betekent dus ook dat het niveau van je vertrouwen meteen bepaalt het niveau van je raadgever aan de andere kant.

Dat is niet helemaal waar. Het niveau van het vertrouwen dat u heeft t.o.v. een raadgever, bepaalt de wijze, waarop die raadgever u kan helpen. Echter de reden waarom u streeft, bepaalt het niveau van uw raadgever.

  • Het is mij allemaal nog zo vreemd. Je gaat toch niet zeggen: Nu ga ik eens even naar het astrale gebied. Ik kan me voorstellen dat je een bepaald onderwerp hebt, waarover je je gedachten laat gaan, waardoor je in zeer hoge sferen kunt komen. Maar ik kan me niet voor­stellen, dat ik zou zeggen: “Nu ga ik eens naar het astrale gebied.”

Ja, dat kan ik me best voorstellen, dat u dat zegt. Maar om nu een eenvoudig iets te noemen: Ziet u kans om van hier naar Scheveningen te gaan zonder eerst over het Frankenslag te komen?

  • Dat hangt ervan af waar ik ben.

Als u hier bent, dat stel ik erbij.

  • Dan natuurlijk niet.

Juist. Ziet u kans om naar een hogere sfeer te komen zonder daarbij bewust of onbewust alle tussenliggende sferen te passeren?

  • Redelijk gesproken, zou ik zeggen: U hebt gelijk. Neen, dat kan niet.

Redelijk gesproken en ook praktisch gesproken kan dat niet. Het enige is dit: de snelheid, waarmee wij ons door die sferen bewegen kan bepalen of wij ons van dit passeren bewust zijn of niet. En indien onze instelling op een hogere sfeer plus ons innerlijk vermogen plus eventueel de leiding, die wij uit die sfeer krijgen zo intens zijn dat wij daarop geheel geconcentreerd zijn, zullen wij het passeren van andere sferen eenvoudig niet bemerken. Voorbeeld: U zit in een trein met een boek, dat u zeer interesseert. Het boek handelt over iets dat u gaat doen, als u in een plaats komt: Utrecht, Delft, Leiden – het in­teresseert me niet – een plaats. Door de verzonkenheid in dit boek, het bezig zijn met wat u zo dadelijk gaat doen, realiseert u zich niet wat eigenlijk op uw weg ligt en u vraagt zich opeens af: “He ik ben er al. Wat is dat gauw gegaan.” Dan moet u dat maar eens vragen aan een docent bv. die een belangrijke, een inaugurale rede of zoiets zit voor te bereiden. Die zit dat nog eventjes door te denken en die zit daar in zijn treintje en als hij niet heel erg uitkijkt, rijdt hij nog te ver ook, zozeer is hij verzonken. Zo gaat het u bij het passeren van die sfeer. Maar naarmate u trager gaat en meer uit het raam kijkt, laten we maar zeggen, ziet u meer wat u passeert. En als u lang genoeg doorgaat, dan kunt u elk grashalmpje en elk koetje, dat u gepasseerd bent ook nog noemen. Zodat u dan elk aspect van elke sfeer dus kunt kennen. Wanneer wij beginnen te zeggen: Wij willen naar een hogere sfeer toe, dan moeten we allereerst leren om de lagere sfeer, die op onze weg ligt te bereiken, U gaat toch ook geen vierdaagse lopen, als u van tevoren niet meer dan 100 m gelopen hebt.

  • Maar ik denk überhaupt niet aan sferen in die zin als vanavond besproken is. Ik concentreer mij bv. op een onderwerp. Ik ga bv. eens nalezen wat enige dagen geleden gezegd is over “ons dagelijks brood” op een vrijdagavond. Daar concentreer ik mij op en dan denk ik niet: Kom ik nu aan die sfeer of aan die sfeer; maar waarschijnlijk kom ik in een tamelijk hoge sfeer terecht. Dat weet ik niet.

Ofwel, u blijft volledig met uw stoflichaam gebonden, maar er ont­staat een gedeeltelijke, zeer gedeeltelijke harmonie, waardoor u geeste­lijke stromingen in verband met hetzelfde onderwerp op uw stoffelijk ter­rein kunt interpreteren er waarnemen en omzetten in stoffelijk denken, wat meer gebeurt. Het is niet noodzakelijk dat u daarvoor naar die sfeer gaat. De invloed van die sfeer kan ‑ vertaald en geïnterpreteerd dus ‑ u bereiken. Het is net als een televisie‑uitzending uit Engeland. Daar moet het beeldraster vertaald worden, voordat het in Holland kan worden waargenomen. Zo gaat het in hogere sferen ook. Maar dat neemt niet weg dat veel van hetgeen dan in u ontstaat of in u leeft het resultaat kan zijn van een activiteit in een hogere sfeer.

  • Ik veronderstel dat de meesten onder ons verlangend zijn de Zomer­landsfeer te beleven. Mag men zich daar dus, indien nodig, op concen­treren?

Ja, sta me weer toe om een gelijkenis te gebruiken. U heeft een contract voor het stoffelijk leven gesloten, inhoudend: het zo goed mogelijk vervullen van een bepaalde taak en het afleggen van een be­paalde geestelijke of bewustzijnsweg. U heeft vrije tijd. Uw vrije tijd mag u in Zomerland besteden, mits u niet tracht in Zomerland te vertoeven en daardoor hetgeen, waartoe u verplicht bent door uw stoffelijk bestaan, terzijde te stellen. Met andere woorden beschouw Zomer­land als de plaats waar u met vakantie heen kunt gaan en waar u zich misschien eens, gepensioneerd en vrij van de stoffelijke zorgen kunt vestigen. Maar verlang niet naar de Zomerlandsfeer in plaats van uw eigen leven, want dat is voor u geestelijk en stoffelijk nadelig.

  • Mag ik dan nog even vragen; U had daarnet die vergelijking met die trein. De bedoeling van de trein was om in een bepaalde plaats te komen. Ik concentreerde me op een onderwerp alleen in mijn bewustzijn. Nu is mijn doel Zomerland. Die astrale wereld interesseert me niet, die kan me niet schelen. Gaat dat ook?

Nou, kijk eens, als u naar Leiden wilt, zult u Wassenaar passe­ren, bij wijze van spreken. Wanneer u naar Zomerland wilt, zult u de astrale wereld moeten passeren.

  • Ja, maar als ik me er niet van bewust ben.

Dan maakt dat voor u weinig uit, dat ben ik met u eens. Maar het neemt niet weg, dat u haar passeert. En dat is waar het hier om gaat. Wij kunnen dus a.h.w. onze gedachten tot voertuig maken en daar­ door onze perceptie, ons bewustzijn op een ander vlak openbaren. Maar wij kunnen dit alleen doen, wanneer wij ook de tussenliggende vlakken beroerd hebben.

  • Is dit noodzakelijk?

Ja, dit is noodzakelijk, anders zou ik het niet zeggen.

  • Kan men haar niet onbewust laten liggen?

Wij hebben al vastgesteld dat het mogelijk is, dat men zich daar­van niet bewust is. Dat betekent dus dat het onbewust kan geschieden. Maar als u niet weet dat u over Wassenaar naar Leiden of over Delft naar Rotterdam moet, dan heeft u grote kans dat u probeert bv. over Nootdorp naar Rotterdam te gaan, dus een omweg. En ten slotte zult u toch datzelfde moeten presteren om er te komen of meer. Het is dus logisch dat wij de weg verkennen, indien wij die weg regelmatig met zo weinig mogelijk moeite willen gaan. En dit houdt in: het verkennen van de tussenliggende sferen en werkingen. En in staat te zijn ons te be­heersen en te verdedigen binnen die sferen, als door omstandigheden het bereiken van de Zomerlandsfeer niet doorgaat. Het kan wel eens gebeuren, dat er omstandigheden zijn, waardoor u even blijft steken in de as­trale wereld. Kort en goed, een zekere kennis van omstandigheden is nuttig en ‑ wil men zeker zijn van zijn zaak ‑ werkelijk vereist.

  • Is het overigens niet zo, dat je Zomerland pas kunt bereiken, als je in staat bent om je slechte eigenschappen, die je opdoet in de tussenliggende werelden, te overwinnen?

Dat is niet helemaal zuiver. De Zomerlandsfeer impliceert het ac­cepteren van eigen slechte eigenschappen, dus een uitschakeling van zelfbedrog. Dat betekent niet dat we die eigenschappen moeten overwinnen, maar dat we ze moeten accepteren. En dat is nu juist de moeilijk­heid. Er zijn zeer veel mensen, die het niet erg vinden om te zondigen, maar die het verschrikkelijk vinden, wanneer ook maar iets van een zonde bekend zou worden

  • Dat is het wat je tegenkomt in het tussenliggende terreinen als je die eigenschappen nu maar gelouterd hebt, zul je het tussenliggende terrein kunnen passeren.

Akkoord, ik wil u zover gelijk geven, anders voert het ons te ver.

  • Hier treedt toch het verschijnsel op waarover we gesproken hebben, wat genoemd wordt: de poortwachter, dat toch ook het eigen wezen is.

Ja, de poortwachter is eigenlijk niets anders dan de personificatie van eigen angst. Maar nu gaat u eventjes een andere kant uit, want de “Wachter op de drempel” ‑ zoals hij eigenlijk heet, niet de poortwach­ter of de portier ‑ vinden we nl. hoofdzakelijk bij een magisch streven, waarbij we onszelf permanent bewust trachten te maken van meer dan één wereld gelijktijdig. Van dat ogenblik af worden we voortdurend met onze eigen angsten geconfronteerd en tenzij we die kunnen overwinnen, zullen wij tot een soort waanzin vervallen, omdat we dan die twee werelden niet gelijktijdig kunnen verdragen, Overbelasting van het wezen is het gevolg. Een soort kortsluiting in denkvermogen en leven.

  • Dus bij de overgang treedt de wachter op de drempel niet op.

Die treedt dan niet op, omdat er geen sprake is van een gelijktij­digheid van twee werelden.

  • Kunnen wij de belevenissen, die wij in de andere werelden zullen krijgen, niet reeds hier op aarde bewust beleven‑, want we hebben hier toch ook met onze angsten en narigheid te maken, Staat dat ook in ver­band met datgene wat wij straks zullen meemaken?

Over het algemeen kan worden gesteld. Dat wat u straks meemaakt een voortzetting is van hetgeen u nu meemaakt, echter ontdaan van bepaalde stoffelijke remmingen en beperkingen. Dat wil zeggen dat u in uzelf die ten allen tijde zou kunnen beleven en u daarvan zelfs bewust zou kunnen zijn. Dit is wat men noemt, de openbaring, de goddelijke Vlam, de Tempel of wel Het Koninkrijk Gods dat in u is. In u bestaat het contact met alle sferen en zij zijn te beleven. Maar u kunt nooit beleven wat u straks mee gaat maken, omdat elke beleving thans in verband met een andere wereld opgedaan, misschien een versterkte aanpassing bete­kent en dus een verandering van de condities, die u daar later zult aan­ treffen en hetgeen u daar moet doormaken.

  • U zei “Als u doodgaat, gaat het bewustzijn en een deel van het ego over.” Wat is het juiste onderscheid tussen ego en bewustzijn? Waar blijft het restant van het ego?

Het restant van hetgeen men op aarde “ego” noemt, is nl. datgene wat als persoonlijke eigenschap wordt beschouwd, doch in feite voortkomt uit lichamelijke condities en omstandigheden, eventueel door erfelijkheid overgedragen. Dit deel van wat men noemt “karakter” blijft dus niet behouden en gaat voor ons bewustzijn met de stof te gronde. Slechts de er­varing daarvan opgedaan kan door het ego worden meegedragen. Bewustzijn op zichzelf is een conditie van weten. Zij kan alleen bestaan, wanneer er iets is waarin dat weten kan worden geuit. Datgene, waardoor het bewustzijn zijn uiting vindt en zijn mogelijkheid tot uitbreiding, is in feite ons ego ‑ het restant dus van het ego, stoffelijk gezien ‑ waaraan dan onttrokken zijn de stoffelijke kwaliteiten en eigenschappen. Vandaar res­tant. Dit is de werkelijke persoonlijkheid. Het bewustzijn bepaalt de re­latie van deze persoonlijkheid t.o.v. de andere delen van de schepping. En men is in den beginne zonder bewustzijn geweest. Door de bewustwording is men zich meer bewust geworden, ja, hoe moet ik het zeggen: heeft men zich beter kunnen oriënteren t.o.v. zijn plaats in de wereld en de mogelijkheden, die men daar vindt. Maar dezelfde kracht, die oorspronkelijk aanwezig was ‑ de goddelijke Kracht ‑ is altijd in ons aanwezig. En zolang deze optreedt als drager van ons persoonlijk bewust­ zijn, noemen wij het ‘ego.’ Op het ogenblik echter dat dit tot eenheid met de kosmos overgaat, durven wij ‑ van ons standpunt uit – niet meer over “ego” te spreken, ofschoon wij weten dat de persoonlijke eigenschap­pen wel bewaard blijven maar nu in een zodanige samenvatting en harmonie met al het andere, dat geen definitief onderscheid uit het bewustzijn meer kan worden gemaakt. Al is één. Dit laatste is overigens een zijweg, ik zou u dankbaar zijn als u daarop niet verder doorgaat, voordat we de vragen verder hebben afgehandeld.

  • Acht u het voor iedereen nuttig in bewust contact te komen met de astrale wereld. Kan men, daar zijnde, gevaarloos hulp geven of is er een bepaalde studie voor nodig?

In de eerste plaats acht ik het niet voor iedereen nuttig om in contact te komen met de astrale wereld maar slechts voor hen, die ‑ voor ze dit contact hebben ‑ volledig voldoen aan de eisen van hun eigen we­reld. Anders zoekt men in die astrale wereld een uitwijkmogelijkheid en komt men tot een innerlijke strijdigheid, die zowel in eigen wereld ongenoegen en ongelukken kan baren, als ook gevaren in de astrale wereld, Dat is punt 1. Punt 2. Wanneer men in de astrale wereld verkeert, zal men ook daar zich eerst moeten leren bewegen. Als u denkt aan een antwoord, dat ik iets vroeger op deze avond heb gegeven, zult u begrijpen dat daarbij leiding is. Eerst wie zich heeft leren bewegen in de astrale wereld, is in staat ook zonder leiding en zelfstandig aan anderen hulp en steun te verlenen. Veelal echter prefereert men dan eerst boven de astrale wereld uit te gaan, dus wat wij Zomerlandsfeer hebben genoemd ‑ en van daaruit weer neer te dalen om hulp te geven. Dit maakt het nl. overbodig een kwetsbaar astraal voertuig met zich te voeren en dus eenvoudiger om zonder grote risico’s tot zelfs in duistere sferen af te dalen

  • Het is voor ons al zo moeilijk om de weg te vinden in de wereld waarin we nu leven; een behoorlijke dagindeling, het tot een goed resul­taat voeren van het dagelijks werk, een behoorlijke belangstelling voor onze plaats in de huidige maatschappij, het zijn alle schier onoplosbare opgaven. Welke zin heeft het dan nog om, al was het alleen nog maar te trachten, contact te zoeken met andere werelden?

Mag ik parafraseren? “Het is voor mij al zo moeilijk om, met mijn be­perkte rekenkundige kennis een boekhouding in elkaar te zetten, dat ik geen tijd overhoud om boekhouden te leren.” Dat zegt u hier in feite Want uw plaats in deze wereld, uw taak en uw dagindeling in deze wereld hangen in feite niet af van stoffelijke condities en omstandigheden van uw eigen instelling t.o.v. stoffelijke condities en omstandigheden Dat vergeet u in de stelling van de vraag. Het gevolg is dus, dat een uitbreiding tot geestelijke werelden in vele gevallen eigen inzicht en harmonie vergroot en daardoor een doelmatiger volbrengen van de stoffelijke taak mogelijk maakt. Ik wil hier enkele voorbeelden aan toevoegen, die misschien wel interessant zijn: We hebben te maken met een handelsreiziger. Deze man komt regelmatig bij verschillende mensen aan huis of in hun bedrijf en heeft veel tijd nodig om te verkopen. Men zou zeggen: Deze mens is dwaas, wan­neer hij nu tijd gaat nemen om zich op geestelijk terrein te ontplooien Dat is slechts ten dele waar. Want stel nu, dat hij leert anderen beter aan te voelen en zo de juiste benaderingsmethode te gebruiken, dan zal hij sneller handelen, meer verkopen en meer vrije tijd overhouden, waardoor hij nog verder kan doordringen in geestelijke gegevens. Een soort­gelijk geval is inderdaad wel gebeurd. Een ander voorbeeld: Iemand heeft het ontzettend druk. Laten we zeggen, een advocaat, een notaris of iets dergelijks. Stapels met werk. Nu komt hij tot een zeker geestelijk inzicht: nl. dat zijn tijd niet zo beperkt is als hij denkt, maar dat zijn eigen intensiteit van werken zal bepalen wat hij doet. Het resultaat is dat hij begint alle dingen één voor één af te handelen en niet tien zaken gelijktijdig te overzien. Hierdoor werkt hij per zaak intenser, gemakkelijker en sneller. Hij heeft verder geen tijd nodig voor het overschakelen van zijn gedachten van de ene naar de andere zaak. Hij zal dus voortdurend een opgeruimd bureau hebben, hij zal een overzicht hebben van alle zaken en hij zal door dit systematisch werk meer kunnen doen met minder moeite. Het was voor hem niet mogelijk hier­ toe te komen zonder eerst een zekere psychologische omwenteling mee te maken, die deze mens het best kon verkrijgen door zich te richten op geestelijke belangen. En zo kan ik natuurlijk verder gaan. Maar met deze enkele voorbeelden heb ik u ‑ naar ik hoop ‑ duidelijk gemaakt dat voor menige mens een belang­stelling voor het geestelijk leven en het daarin zoeken van een houvast, mits ook in praktijk gebracht ‑ stoffelijk grote voordelen oplevert. De geestelijk gevonden harmonie, toegepast in de stof, maakt een vergrote arbeidsintensiteit en een vergrote arbeidssnelheid mogelijk met een geringere inspanning, waardoor een grotere capaciteit zowel tot werk als tot ontspanning ontstaat. Deze voorbeelden kunnen u door velen praktisch worden bevestigd, die o.m. onze leringen hebben bijgewoond en dus van ons veel hebben geleerd. Zij zullen u verder kunnen bevestigen dat door de juiste geestelijke in­stelling het eenvoudiger mogelijk wordt om lichamelijk lijden te dragen, dat het eenvoudiger mogelijk wordt om in het onvermijdelijke te berusten en dus dat, wat resteert, volledig te benutten etc. Ik meen dat dit vol­doende argument is om uw vraag hiermee beantwoord te achten.

Zijn de duistere sferen, waarin aardgebonden geesten vertoeven, hetzelfde gebied dat u de astrale sfeer noemt?

 

Maar in die duistere, sferen zijn de entiteiten toch geheel aanwezig en niet slechts voor een klein gedeelte? De zgn. duistere sferen zijn niet identiek met de astrale wereld, zal uit de duistere sfeer een gedachtenbeeld een gedeeltelijke persoon verwerkelijking in de astrale sfeer mogelijk maken. Een sfeer is zoals reeds is gezegd ‑ een bewustzijnstoestand. Onder duistere sfeer verstaan we een bewustzijnstoestand die grote delen of zelfs het geheel van de werkelijkheid buiten het “ik” verwerpt. De beperking van bewustzijn, die daardoor ontstaat, brengt een zodanig onbewustzijn en gelijktijdig een zo intens beleven van het eigen “ik” tot stand, dat daaruit kwelling ontstaat door eigen onvolledigheid, die men niet kan beheersen en een voortdurende strijd tussen eigen wensdroom en eigen werkelijkheid, die omtrent het “ik” voortdurend word ervaren. Ze zijn dus niet identiek met de astrale wereld. De astrale wereld is van een fijnere stof dan de aarde. Fijner dan normale materie. Maar het is materie, waarin dit geestelijk leven zich ten dele kan uiten. Overigens zal het ook altijd in zijn eigen sfeer blijven bestaan en zich aan de problemen daarvan evenmin kunnen ontworstelen als een mens, die uit de stof in de astrale wereld komt, zich geheel vrij kan maken van zijn stoffelijk voertuig en van zijn ervaringen in die eigen wereld.

  • Als er dus geesten in die duistere sferen zijn en zij komen verder zo maar omhoog ‑ om het zo maar te zeggen ‑ moeten zij dan ook nog via de astrale sfeer of is die astrale sfeer alleen maar een spiegelingswereld?

Ja, ik vind het een mooie term Laten we liever zeggen dat het een spiegelingswereld is die voor hen – omdat zij geen stoffelijk voertuig meer hebben – niet noodzakelijk is. Zij behoeven niet uit de stof ‑ zoals u dat noemt ‑ omhoog te gaan. Maar zouden ze dus met de stof gebonden zijn, dan zullen ze vaak eerst weer astrale verschijnselen moeten op­heffen, voordat ze verder kunnen. Denk eens aan het voorbeeld van een aardgebonden geest, die een astraal voertuig heeft opgebouwd, waarmee hij spookt. Het komt wel niet veel voor, de meeste spoken zijn zuiver menselijk. Maar het kan voorkomen. Wanneer hij bevrijd wordt, zal hij eerst zijn astraal voertuig dat opgebouwd is moeten overwin­nen, uiteen doen vallen a.h.w., voor hij persoonlijk verder kan gaan. Dan wel. Hij kan de schil laten bestaan, maar blijft toch voortdurend nog met de verschijnselen, welke die schil veroorzaakt, gebonden. Ik geloof dat het duidelijk is. Moet er dan een soort innerlijke werking in hem zijn.

  • Maar hoe komt hij verder.

Door zich open te stellen voor de impulsen die van anderen uit­ gaan, daar hij zich tekortkomingen in het “ik” realiseert. Het is heel simpel: wij ontdekken dan dat er een bepaalde blinde plek in ons wezen bestaat, we ontdekken dat een ander dat blinde deel van ons bewustzijn met zijn denkbeelden kan aanvullen. We accepteren die denkbeelden en raken daarmee de blinde plekken in ons eigen wezen, komen tot een nieuwe realisatie omtrent onszelf en zijn dan alweer iets hoger want ons bewustzijn is iets verder uitgebreid en iets harmonischer.

  • Wij schijnen deze sferen onderbewust te betreden. Wil dat zeggen dat het bewustzijn daaruit geen lering trekt en dat u om die reden ons aanbeveelt de betreding bewust te doen plaats hebben.

Ik wil niet zeggen, dat men daaruit geen lering trekt. Maar zoals u zich misschien realiseert, is het onderbewustzijn een drijfveer, die elke beslissing beïnvloedt. Het is echter niet mogelijk ons te realiseren hoe en waarom. Wij zullen dus vaak handelen tegen de rede in, zonder te begrijpen waarom wij het doen. Dit veroorzaakt problemen in ons bestaan en heel vaak tegenstrijdigheden die veel energie vergen. Wij krij­gen last van wroeging, van zelfverwijt, van allerhande onaangename impul­sen. Naarmate wij echter in staat zijn beter te begrijpen wat ons onderbewustzijn ons zegt te doen en waarom, zullen wij meer in staat zijn onze eigen weg te kiezen en de onnodige tweestrijd in onszelf te vermijden. Dat zult u met me eens zijn. Dat is gewone psychologie. Nu, dan gaan we een stap verder: Wanneer ik mij bewust ben van ervaringen in de sferen en mij dus ook realiseer waarom ik handelingen pleeg en dat deze inderdaad de harmonie bevorderen, dan zullen zij voor mij geen probleem worden, ze zijn niet onbegrijpelijk. Ik kan ze eenvoudig vergeten, nadat ze de uit­breiding van mijn bewustzijn, die gewenst was, veroorzaakt hebben. Ik zal dus in staat zijn meer te verwerken, want anders wordt een deel van mijn capaciteit door het probleem – onderbewustzijn en normale node met elkaar in strijd ‑ in beslag genomen. Wanneer ik dat voorkom, spaar ik veel energie. Mijn eigen capaciteit tot beleving vergroot. Mijn vermogen tot uit­ breiding van bewustzijn is dus evenzeer groter geworden.

  • Wilt u mij het nut uitleggen van dit zoeken naar andere sferen? Is het niet beter je aan de taak van dit leven te houden en pas bv. na de dood andere sferen te zoeken. De bewuste weg naar de astrale wereld klonk mij erg ongezond in de oren, met opium e.d.

Ja, u heeft dus alleen gelet op iets, wat ik er volledigheidshalve ook bij vermeld heb, zijnde de meest gebruikelijke weg in sommige oude cul­ten. Dat is natuurlijk helemaal niet zo belangrijk. Maar nu moet u eens goed luisteren: Het nut van dit betreden van de wegen naar andere werelden is gelegen in de mogelijkheid, die u daardoor kunt verwerven tot juis­ter en beter handelen met name in uw dagelijks leven. Wanneer u goed hebt toegehoord, zult u gemerkt hebben dat ik steeds de nadruk heb gelegd op het feit dat wie in de stof is eerst zijn stoffelijke taak moet vervullen, maar dat ik daarnaast stelde, de kennis van andere werelden. Het erva­ren dat wij daar kunnen hebben, is dikwijls in staat onze stoffelijke taak te vereenvoudigen. Hierdoor kunnen wij gelijktijdig op aarde beter werken en in de sferen sneller bewust worden. Wanneer u echter ontdekt dat de poging om een andere wereld te betre­den voor u storend is, wanneer u ontdekt dat u met uzelf in tweestrijd komt, omdat u zich afvraagt of u eigenlijk niet gek bent dit te probe­ren, houdt u zich dan bij de stof. Zoals reeds in het begin is gezegd, wat ik u hier vertel is uit onze ervaring, uit hetgeen wij geleerd heb­ben in de loop der tijd. Het is niet de enige oplossing van het probleem: Maar gezien het gestelde onderwerp mag ik hier toch wel een lans breken voor het nut dat kan schuilen in het contact met andere werelden en sferen en zelfs in het daarin als handelende geest optreden, ook voor de stof en het vervullen van de taak die daar is gesteld in verband met het voorgaande geloof ik dat dit voldoende is.

  • Als een mens gaat mediteren, zou hij dus al in een hogere sfeer kunnen komen.

Dat is inderdaad mogelijk, het is niet zeker. Maar het is dus moge­lijk. Als u nog eens zult nalezen wat gezegd is over de wegen, die ik u heb aangegeven, dan zult u zien dat ook meditatie daarbij, onder zekere condities, een belangrijke plaats inneemt

  • Is het voor ons mensen gewenst de weg naar andere werelden te zoe­ken en te vinden. Zo ja, maakt het de mens geschikter voor zijn taak hier op aarde? Zal het toch niet een vlucht uit het leven op aarde blijken te zijn?

A en B werden reeds beantwoord, T.o.v. punt C zal dit toch niet een vlucht blijken te zijn, wil ik opmerken dat dit van de persoon afhankelijk is. Maar dat personen, die hierin uit de werkelijkheid zouden willen vluchten dit ‑ bij gebrek aan een reëlere sfeer ‑ vaak doen in hun droomwerelden. U komt hen dan ook tegen in al die inrichtingen die, met een mild woord, “de zenuwzieke” verzorgen. Er is hieraan dus geen bijzon­der gevaar verbonden, aangezien er andere mogelijkheden tot wereldont­vluchting evenzeer aan de mensen open staan.

  • Is het noodzakelijk voor de mens om de weg naar andere werelden te zoeken en te vinden? 2. Doet een overgegane wat en wie hij was op aarde? 3. Heeft het zin om uit het stoffelijk bestaan te trachten met andere werelden in verbinding te komen? 4. Is het bewust betreden van die andere werelden een noodzaak voor onze ontwikkeling? Of is een oprecht streven naar harmonie in ons gewone aardse bestaan daarvoor voldoende?

Het 1e punt is al voldoende behandeld. Het 2e punt: De overgeganen, die zich dus bewust van zichzelf zijn geworden, hebben ook in de sferen herinnering aan een vroeger bestaan. Deze is meestal niet volledig en op sommige punten heel vaag, maar toch voldoende om zich een beeld van hun vorige persoonlijkheid te vormen. Het is zelfs zo, dat er onder ons zijn, die zich 10 tot 12 incarnaties kunnen herinneren, (ze zijn er niet trots op ‑ ze weten ook dat ze het eigenlijk in kortere tijd hadden kunnen doen ‑ maar ze weten dat dus) maar meestal fragmentarisch en wel aan de hand van die punten, die voor de ontwikkeling van de geest werkelijk belangrijk waren. Daarnaast dan de vraag: Is het nuttig? Ja. Is het noodzakelijk? Neen. Noodzakelijk is het bewust beleven van andere sferen niet. Het is vaak een wenselijk hulpmiddel om volmaaktheid te bereiken. Ten opzichte van de laatste vraag: grote harmonie, innerlijke harmonie kan in de plaats treden van dit bewust streven naar sferen, dat ben ik met u eens. Maar mits die harmonie innerlijk groot genoeg is, zal zij langzaam maar zeker bewust contact betekenen met andere sferen, waar juist deze harmonie, het Goddelijke zich uitdrukt in zijn totale scala en niet in het eenzijdige licht van een stoffelijke wereld.

  • Wilt u hiermee zeggen dat het stoffelijk lichaam een eigen bewust­zijn heeft en dat dit deel verdwijnt?

Ja, natuurlijk is er een zeker eigen bewustzijn in het lichaam, d.w.z. het bezit kwaliteiten, die het denken en het handelen beïnvloeden. Het bezit zgn. instinctieve reacties, die op gewoontevorming be­rusten en zelfs uit erfelijke waarden voortkomen en die niet inherent zijn aan het werkelijk geestelijk bewustzijn. Gezien het feit dat de mens een groot gedeelte daarvan toch aanziet als deel van zijn persoonlijkheid, was het dus wel noodzakelijk te vertellen dat juist dit deel, dit stof­felijk deel, dus tenietgaat en niet meegaat. Dus m.a.w. wanneer u goed heeft kunnen vechten, omdat u sterk was en uw lichaam snel reageerde, zult u dat geestelijk niet kunnen. Maar als het een verworven bekwaamheid was, dus een begrip van mogelijkheden bv. als met judo; juiste punten van aanzet, hefboomwerkingen, e.d., dan is de kans heel groot dat wan­neer u ooit nog eens op aarde terugkomt, genoeg van dat bewustzijn is blijven hangen om u dan tot een zeer jeugdig judo‑expert te maken, die reeds in de wieg Pa of Ma met een zwaai naar de andere zijde deponeert. Nu ja, goed, ik maak er even een grapje van, maar u begrijpt dus waar het om gaat. Anders moet ik steeds precies hetzelfde zeggen, dat wordt ook vervelend.

  • In één van de O.D.V.‑verslagen las ik dat wij het astrale gebied zo­veel mogelijk vermijden. Welk nut kan het dan hebben, de weg daarheen te zoeken?

Dat is voldoende duidelijk gezegd. Het heeft voor ons weinig zin om in een astraal gebied te gaan werken, tenzij we als magiër optreden en dan moeten we een zeer grote beheersing hebben en bij voorkeur uit hogere sferen in het astrale werken. Voor de doorsneemens is het astrale gebied niet iets, waar je bij voorkeur gaat toeren. Net zomin als je bij voorkeur gaat voetballen op het spitsuur midden op de rijweg van de Laan van Meerdervoort. Maar het kan nodig zijn dat u de Laan van Meerdervoort oversteekt om ergens anders te komen. Het is dan goed dat u weet, hoe u naar de Laan van Meerdervoort moet komen, anders komt u niet verder ook. Vandaar dat het kennen van de weg daarheen en het kennen van dit ter­rein belangrijk is. Maar dat het essentieel is, dat dit alleen als tus­senfase wordt gezien en niet als hoofddoel.

  • Is Zomerland een gedeelte van het astrale gebied, een hogere sfeer of behoort het tot het mentale gebied?

Zomerland is geen astraal gebied meer, maar het kent nog materiële eigenschappen. Het zou dus misschien de spiegelsfeer van het mentale gebied genoemd kunnen worden. Daar bent u niet veel verder mee, geloof ik. Ik zal het even duidelijker maken. Ik heb u uitgelegd dat in de astrale sfeer de gedachte zelf onmiddellijk vormend optreedt. Maar ik heb ook duidelijk gemaakt dat het gemeenschappelijk denken een beeldsfeer veroorzaakt in Zomerland. Vandaar dat we in Zomerland allerhande hemelen tegenkomen, gezellig en minder gezellige, landschappen, kortom al wat er denkbaar is, tot steden en dorpen toe. Deze worden echter uit een gemeenschappelijk denken geboren. Er is dus een andere bewustzijnswerking voor nodig. En deze bewustzijnswerking, waarbij een wederzijds contact be­staat ‑ wat dus in de zuiver astrale, wereld niet noodzakelijk is ‑ zou ik dan wel onder mentaal terrein willen rekenen, dus daarmee inbegrepen zien. Vandaar dat ik zeg: Het is een weerspiegeling van mentale activiteiten, een mentale spiegelsfeer a.h.w., maar van een gemeenschapsbewust­zijn, dat hoger staat dan datgene wat zich alleen astraal kan openbaren. Ik hoop dat ik het nu duidelijk heb gemaakt.

  • In sommige spiritistische literatuur komen we in de astrale sfeer ook een samenwerking in het kwade tegen. Is dat een fantasie van de schrij­ver; bestaat er geen samenwerking in de astrale wereld, omdat ieder daar op zichzelf werkt?

Nu, samenwerking in de zin van een georganiseerde samenwerking kan nooit alleen astraal bestaan. Maar wanneer die samenwerking in een duistere sfeer zou ontstaan, dan kan van daaruit een gemeenschappelijke projectie op astraal gebied plaatsvinden en krijgen we dus een samenwerking van de zo ontstane gedachtenbeelden in de astrale sfeer. Dat is wel mogelijk. Wezens, die alleen astraal bestaan of zich bewust zijn, kunnen niet georganiseerd samenwerken. Hun samenwerking is dan een toeval. Ongeveer als de samenwerking van twee mensen, die beiden hardlopen en daardoor voortdurend tegen elkaar botsen en zo voorkomen dat ze vallen of juist een voortdurende val veroorzaken. Je zou zeggen, dat is een samenwerking, ze doen het erom. Dat is toch zeker niet zo. Men is zich dan heel vaak van de ander zelfs niet eens volledig bewust. Uit lagere zowel als uit hogere sferen kunnen dus georganiseerde reek­sen verschijnselen in de astrale wereld worden geprojecteerd.

  • Dus uit de hogere geestelijke sferen kan gebruik worden gemaakt van astrale vormen, welke door mensen zijn opgebouwd. Of bouwen zij ze zelf op?

Nu moet u eens luisteren: Wanneer ik poppenkast‑vertoner ben, kan ik een pop gebruiken, die door een ander is gemaakt, mits niemand anders daar tevoren zijn handjes in heeft. Het is vaak gemakkelijker om een reeds bestaande pop voor een korte tijd te hanteren dan een pop speciaal te ontwerpen voor iets, wat toch eigenlijk niet zo belangrijk is. Wanneer er een schil bestaat door mensen opgebouwd maar niet beheerst, kan ik uit de geest die schil bezielen ‑ tijdelijk. Ik heb dan daarmee een voortuig dat me de moeite bespaart om er zelf één te bouwen.

  • Dus we zouden de astrale sfeer eigenlijk als de sfeer van de schillen kunnen beschouwen?

Een sfeer, waarin ook de schillen voorkomen, welke zowel door men­sen als door geesten gehanteerd kunnen worden als tijdelijke uitbreiding van hun eigen bestaan. Hierbij moet verder worden opgemerkt dat de schil gebouwd wordt door sterke gedachtenimpressies en door de sterke vorm, de hechtheid dus waarmee het beeld wordt opgebouwd, een lange vervaltijd heeft, welke geremd kan worden, zodra wederom een bezieling ontstaat. Dat is nu even de techniek van de zaak. Nu ja, ik zou zeggen: Houd je niet met de schillen bezig. Je hebt er niet veel aan. Als je er één te­gen het lijf loopt, denk dan maar: Nu ja, dat is zoiets als het restant van een gepelde pinda, dat ik in de dierentuin vind. Het is niet belangrijk. Alleen datgene wat er in leeft, heeft wat te zeggen.

Dan geloof ik, vrienden, dat we verstandig doen onze bijeenkomst te besluiten. Ik mag zeggen, dat ze van mijn standpunt uit zeer vrucht­baar was, omdat u klaarblijkelijk toch wel aan het denken geslagen bent en met dat denken een zeer speciale reeks problemen hebt aangeroerd, die mij bewijzen dat u ongetwijfeld iets aan deze avond hebt gehad. Al ware het alleen maar: het begrip van de werkingen, die tussen de sferen en de mensen kunnen bestaan en waarom dus die sferen voor de mens belangrijk zijn. De wegen door mij aangegeven zijn een schets, meer niet. Het is niet noodzakelijk dat u de wegen precies zo volgt. Ik zou u zelfs niet eens de raad willen geven om nu onmiddellijk die wegen te gaan zonder meer. Maar ik hoop dat ik in u een belangstelling heb kunnen wekken voor de sferen, een begrip van de mogelijkheid om ook als levend mens die sferen te bereiken en daarin zo nodig actief te zijn. Verder heb ik u duidelijk gemaakt dat het voor elke mens noodzakelijk is tot een zo groot mogelijke harmonie te komen met alle voertuigen, die hij bezit, geestelijke en stoffelijke. Om aldus tot een maximale prestatie te komen in overeenstemming met een zo groot mogelijke realisatie van de goddelijke waarheid. Als we dit nu een beetje hebben bereikt, vrienden, dan geloof ik dat we elkaar mogen danken. Wat verwaand natuurlijk. Maar ik dank u in ieder geval voor uw aandacht en ik wens u nu ook verder allen een pret­tige avond toe, niet door te veel problemen gekweld, maar misschien toch met dat kleine beetje aansporing van binnen om eens verder te zoeken.