De wegen der waarheid

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 26

8 juli 1956

Er zijn vele punten in het leven, die ons voortdurend tot steen des aanstoots, tot punt van strijd worden. Indien wij nu echter de waarheid kunnen begrijpen, dan zal daardoor ongetwijfeld ons pad simpel worden en onze weg gemakkelijker begaanbaar.

Waarheid te definiëren is zeer moeilijk. Men heeft het op duizenderlei wijzen getracht te doen. Maar er is m.i. slechts een enkel citaat hier, dat waardig kan worden bevonden om de kern der waarheid voor te stellen en weer te geven. Dit luidt:

“De waarheid is de kern van het Scheppend Vermogen, waar genomen vanuit het Scheppend Vermogen.” Slechts God kent Zich zelve. Slechts indien wij God kennen, zoals Hij Zichzelf ervaren kan, weten wij, wat werkelijkheid en waarheid is.

Dit nu is voor ons niet te bereiken in korte tijd. Hoeveel levens wij ook achter ons hebben, hoe ver het pad der bewustwording zich nog voor ons uitstrekt, te allen tijde zullen wij weer stuiten op de moeilijkheid: de Waarheid zelve is voor ons niet te begrijpen. Wij leven in haar, wij voelen haar aan, zij bestaat in ons, maar wij kunnen haar niet openbaren. We kunnen haar niet begrijpen. Ze gaat ons, ondanks alles, toch steeds weer voorbij.

Nu zijn er echter een aantal mogelijkheden in de schepping, waardoor wij deze waarheid in ieder geval benaderen. Dit wordt aardig uitgedrukt in een Chinees citaat, dat zegt: “Wie de waarheid eens zelve geschapen heeft, zal moeten voortgaan op de weg, die deze waarheid toont. Wie de wegen der waarheid gaat, is onaantastbaar voor alle leugen.”

Wanneer wij oprecht waar en eerlijk zijn, wanneer wij onze realiteit een ogenblik zo beleven, dat zij – van ons standpunt uit – in harmonie is met de goddelijke Kracht, dan behoeven wij niet meer te aarzelen. Want juist door dit waar zijn, dit uiten van alle waarden, die wij weten te bestaan voor ons, veroorzaken wij een reeks van gevolgen, die wanneer zij in waarheid worden beleefd ons vanzelf tot de goddelijke Schepper, tot de scheppende Kracht zullen voeren.

De vraag is echter: Wat zijn de wegen der waarheid? De Westerling zal heel vaak zeggen, dat de waarheid pijnlijk is en dat het beter is niet te kwetsen door de waarheid te verzwijgen, of zelfs de leugen in haar plaats te stellen. De Oosterling zegt, dat de waarheid zo kostbaar behoed moet worden, dat zij in uitingen slechts naar voren mag treden, omsponnen met beelden en waarden, zie in zichzelf niet reëel zijn.

Waarom? Waarom moeten wij dan die waarheid zo schuwen, wanneer wij mens zijn? Wat is de reden, dat deze mensheid de waarheid voortdurend verwerpt, en zelfs indien ze haar voor een ogenblik aanvaardt onmiddellijk probeert de wegen der waarheid te verlaten en die van de leugen verder te gaan?

De mens vreest de waarheid. Want wie de wegen der waarheid gaat, kan ook zichzelve niet meer bedriegen. De weg der waarheid is het einde van de persoonlijke waan en het begin van de beleving der kosmos.

Men durft het niet aan het oude, vertrouwde milieu, de zo prettige gewoonten, de sluikse genietingen, de mogelijkheden binnen de maatschappij, te verlaten terwille van een enkele waarheid. Men meent, dat zij onbelangrijk is. Belangrijk is voor ons (dat zegt men er natuurlijk altijd bij): “Ik ben wel waar, maar een kleine leugen, een kleine omspinning met wat woorden, maakt het toch zoveel eenvoudiger en zoveel gemakkelijker.” Men vergeet er bij te zeggen: “Gemakkelijker om voort te gaan op onze eigen weg.” En indien onze weg slechts de waarheid kruist en niet met haar samen verder gaat tot het einddoel, dan blijft ons gehele leven een voortdurend laveren, waarbij – wij lange tijd in leugen en waan verkerend – één ogenblik van waarheid vinden, om dan weer terug te keren naar de duisternis van zelf geschapen beelden.

Wat is waarheid? Waarheid is de enige Kracht, die harmonisch is met de God in ons. Een christelijke definitie. Deze definitie geeft ons aan, wat voor ons noodzakelijk is. Afstand te doen van het eigen leven en daarvoor een leven in waarheid beginnen.

Ik geloof niet, dat onder ons allen hier aanwezig – geest en stof – er ook maar één is, die ten volle de consequentie hiervan durft te dragen. We kennen allen ons zelfbedrog. Waarom streven wij dan naar waarheid?

In ons leeft God. Dat kan U niet vaak genoeg gezegd worden. In ons allen leeft God. Deze God is waar. En om deze God te benaderen, om door te dringen tot de kern van ons persoonlijk zijn, om, door te dingen ook tot de kern van het kosmisch bestaan, moeten wij waar zijn.

Maar waar zijn betekent dan ook: verantwoording dragen. Wat de God in ons is de band, die ons bindt met heel de mensheid, met al het zijnde, met al het levende. Het legt ons verantwoording op voor al deze dingen.

De God in de kosmos is de wet, die geen goed en kwaad meer kent, die oordelen en veroordelen onmogelijk maakt. Hoe kunnen wij dit dan aanvaarden? Ons hele leven is gebaseerd op oordelen en veroordelen. Ons gehele bestaan is gebaseerd op de afgeslotenheid van ons eigen wezen, heilig tegenover de wereld rond ons. Wij zelve zijn strijders tegen de waarheid. Dat is vaak genoeg erkend.

Een Perzisch dichter schreef eens in schone regelen neer: “Een leugen is mijn leven en ik weet, dat ikzelf leugen ben, maar zo slechts kan ik leven.” En hij had gelijk. Wij kunnen de uiterste waarheid, de grote werkelijkheid niet verdragen. Wij zijn niet in staat met het Goddelijke om te gaan en de grote éénheid tussen ons en al het geschapene reëel te erkennen. We willen geen afstand doen van het oordeel. We willen geen afstand doen van onze eigen hoogheid, van de minderwaardigheid, die wij bij anderen menen te mogen veronderstellen.

Nu zijn er verschillende wegen, die wij kunnen gaan, en die zo zij niet de onmiddellijke wegen der waarheid zijn ons toch steeds dichter tot die wegen voeren. Ik zal trachten enkele van die wegen hier kort weer te geven:

Wanneer je leeft, zul je oordelen. Maar indien men elk oordeel, over anderen uitgesproken, beschouwt als een veroordeling van het weten, dat in het “ik” bestaat, dan zal men leren voorzichtig te zijn met zijn oordelen. Want wanneer gij zegt: “Dit is slecht,” zo bestaat in U het bewustzijn van dit kwaad.

Indien gij zegt: “Dit is goed,” zo hebt gij zelve deze wijze van handelen, deze daad uitverkoren boven al het andere. Wanneer gij zegt: “Dit is vreugde en dat is smart,” zo geeft gij weer, hoe gij zelf reageert op de dingen.

Wanneer die wereld buiten U zo slecht is, dan zijt ge blijkbaar blind voor het goede. Wanneer mensen soms zo goed schijnen of gij Uzelf zo goed vindt ten opzichte van de wereld, zijt ge blijkbaar blind voor het kwaad, dat daarin schuilt.

Indien, men alle wereld op zichzelf betrekkende, leert zien, dat er geen goed of kwaad in overmacht is, maar een voortdurend evenwicht tussen deze beide, dan zal men alleen hierdoor reeds in zijn handelingen steeds meer worden geleid tot de waarheid. De waarheid, die goed noch kwaad is, licht noch duister, maar de enige werkelijkheid, waarin wij God kunnen ontmoeten en kennen.

De tweede weg – soms voor ons eenvoudiger om te gaan – is de weg van het aanvaarden. Deze weg is zeer oud. Ze werd reeds gegaan, voordat de eerste grote tempels op aarde werden gebouwd. Aanvaard de wereld. Ken geen verzet tegen hetgeen je overkomt en hetgeen je wordt opgelegd. Aanvaard alles, wat tot je komt. Maar uit – vanuit jezelf – al hetgeen je wordt gegeven slechts zo, dat je hierin zelve de vreugde en het licht kunt zien.

Door voor jezelf vreugde te puren uit al hetgeen wordt gegeven door het leven, zul je in dit licht, dat niet meer persoonlijk is, niet meer behoren tot een bepaald deel van het Goddelijke, maar aan de lichte zijde van de weg der waarheid wandelen en de waarheid volgen. Gedragen door een waan van geluk en vrede misschien nog, maar steeds dichter komende tot de ware beleving, het één zijn met God, dat niet uitdrukbaar is in gevoelens of toestanden. Dat geen verschil meer kent, geen vreugde en geen smart, maar slechts het intense leven, dat de kern is van alle werkelijkheid.

Een derde weg wil ik U nog voorleggen. Men zingt, wanneer men vrolijk is; men weent, wanneer men treurt. Doch indien de lach en de traan geboren worden uit dezelfde oorzaak, zo stellen zij de bewogenheid van ons eigen wezen rond éne oorzaak, éne kern. Wie in het leven vreugde en smart steeds gelijktijdig weet te ervaren, voor wie offer en verwerving voortdurend gelijktijdig optreden, voor wie er geen goed zonder kwaad en geen kwaad zonder goed bestaat, die zal voortdurend rond de waarheid gaan en zo de wegen der waarheid in zichzelf dragen als de kern van zijn, waardoor zijn beleven nog wordt geuit.

Het zijn drie mogelijkheden, die ik U aangeef om de wegen der waarheid te vinden. Een middel om de weg der waarheid te gaan kan ik U niet geven. Want de weg der waarheid te gaan wil zeggen: vanuit menselijk en geestelijk standpunt de volmaking bereiken.

Belangrijk, vrienden! Wij kunnen ons niet vermeten tot God door te dringen, Zijn weg te gaan zonder meer. Een kort ogenblik, terwijl ons levenspad ons voert voorbij één van de kernen van waarheid, die in Zijn Wezen bestaan en die in de uiting van het Zijn zijn doorgedrongen, kan het ons verheffen boven onszelf. Maar waar we nog menen te stijgen, vallen we weer neer, want de kracht, die ons een ogenblik beroerde, is anders gericht dan ons eigen streven en leven. Het is goed ze een ogenblik te ervaren, maar beter is het, bewust te streven, dat dit ogenblik ons steeds nabij is, zelfs wanneer wij nog niet de kracht bezitten om het voortdurend te beleven.

Deze meditatieve beschouwing heb ik U voorgelegd als in leiding tot een volgende spreker, een gast, die wijzelf met zeer veel vreugde tot U brengen. Hij stamt noch uit Uw land, noch uit Uw tijd. Maar hij was één der gelukkigen, die strevend naar de waarheid de waarheid in zichzelf vond en het lied dezer waarheid heeft gezongen in een oude wereld. Die meende in zijn gedichten en zangen zichzelf te zien, niet bewust, dat slechts de goddelijke Waarden, die in alle dingen schuilen, in zijn lied werden verheerlijkt.

o-o-o-o-o

Wanneer ons wordt gezegd te spreken over waarden van de eeuwigheid, dan wordt in mij een lied geboren, dat over alle tijd uitgaat en zingt van de waarden, die mij in het herte leven. Alle zijn en alle streven tracht ik te omvamen in een lus van woorden, snel geworpen. En falend, zie ik zelve toe, hoe mij de waarheid nog ontgaat; terwijl ik weet, dat woordenpracht nog neven deze waarheid staat en niet het laatste heeft volbracht, en heeft omvaamt in eigen zijn. Zo ben ik en zo streef ik voort, zo worstelend met het grote woord, dat nog mijn lippen niet ontvliedt. Maar in mijn woorden beeld ik uit de kracht, die scheidt het Niet en is de volheid van ‘t bestaan.

Deze wijze van spreken is voor U misschien niet gebruikelijk genoeg en redelijk genoeg. Gij vindt, dat het voor een dergelijke woordenschat te vroeg geworden is, en Uwe dag nog vele uren tellen moet, voordat het dichterlijk woord, een ogenblik bekorend Uw wezen, de werkelijkheid doet verzinken, de vrezen van de dag doet sluimeren? Want ik ken Uwe tijd en ik weet, hoe zij vergeten heeft te schatten de omschrijving die in woorden kan gevonden worden. Maar zo mij, zoals eens een Meester zei, die in Uw ras steeds voor U gaat: Wie Uwer is er zonder deze zonden? Hem misse de eerste slag.” Gij zwijgt. Ach, wie vermag ook zonder woorden nog te leven?

En toch, wanneer in denken, nauw omvaamt de woordenreeks is neergeschreven, dan vang je het goddelijke Licht, de pracht van ‘t werkelijk bestaan in beelden, die ontleend slechts zijn aan ‘t spel van tijd en waan.

Wanneer gij gaat door rozendreven, omgeven door spel van kleur, dat het verstand haast aarz’lend wijkt U in de bedwelmen de geur van lusten en van vreugden, van deugden, hier geboren uit de tuin, zijt gij dan niet nabij aan God? Wordt niet de waarde van het lot U plotseling weergegeven in de goddelijke pracht en de bedwelmende geur van deze rozenoverspoelde dreven?

De werkelijkheid is niet besef en niet het ware kennen. Ze is niet: gaan in bepaalde weg of streven naar een doel. Ze is beleven in het ik, verdwazing van ‘t verstand, de zege praal van het gevoel, die altijd steeds weer verder gaat.

Wanneer gij hier deze taal verstaat, gebrekkig uitgedrukt in harde, vaak wat melancholieke klanken, dan zult gij met mij wel verstaan, dat zo wij God eens danken, ‘t zal zijn voor de geschapen waan en niet voor het verstand. ‘t Verstand is koel en nuchter, scherp. Maar in de waan:de schone Vaderhand, die voorleidt ons naar nieuw besef, ‘t begin van nieuw bestaan, terwijl de waarde van ‘t verstand de werelden doet ondergaan.

Ik zeg U luister naar mijn woord: Er klinkt een verre zang in schoonheid uit de wereld voortgebracht. En jaren lang speelt rond ons waan, geboren uit de goddelijke Kracht. En willen wij die God verstaan, Die ons nog lijkt zo ver, wij zien naar al, wat in de wereld leeft of staren op tot ene ster en zien, hoe ‘t licht een diamanten kroon omzweeft.

Welaan, ervaart gij al wat leeft? Spreken U de bomen en zijn de bloemen U geworden tot beelden, die uit dromen tot werkelijkheid geworden nu U spreken van een ver bestaan? En fluistert U misschien de wind, hoe gij eens voort zult gaan, totdat de oudheid komt, waarin weer leeft het kind?

De wereld spreekt, de mens gaat voort en het verstand, dat breekt. Verstoord, dat alles wat er in hem leeft, de werkelijkheid waardoor hij streeft, is in het woord vaak weer vergaan.

Wie met mij zijne woorden weeft en tracht het Al te vangen in klanken vol van zoet begrip, van diepgevoeld verlangen, begrijpt: ‘k Ben met mijzelf steeds in strijd. Want vluchtig is het woord, doch onbeperkt de eeuwigheid en in het woord kan ik het eeuwige niet vangen. toch streef ik steeds ernaar en al mijn groot verlangen, jaagt mij in woordengloed…..

Ik droom van een wereld vol licht, vol van pracht, van een God op een wondere troon. Van mijzelf, aarzelend voor Hem gebracht en uitverkoren, ten teken mijn woon in al, wat Hij voor mij heeft geschapen. Ik zie in mijn God mijn redding, mijn kracht, mijn vermogen, mijn rijkdom, mijn waan.

Maar is Hij dit al? Och, ik kan ‘t wel verstaan. Uit mijzelf geboren is dit beeld slechts, slechts waan. Maar zonder dat kan ik niet leven.

Terwijl ik door het leven ga, zoek ik des levens waarden na en vind dan telkenmale neergeschreven Gods naam, Gods woord, Gods werkelijkheid in al, wat rond mij sterft. Zodat uit ‘t sterven van mijn wereld mijn ziel het leven erft.

Te dromen is zoet. Te leven valt zwaar. Wie kan er de krachten omschrijven, die rond ons altijd in verandering steeds de kern van ons waanbeeld blijven?

Ga door Uw wereld, ga naar het strand. Laat het ruisen der zee tot U spreken. Zij weet zonder woorden in eeuwige deining Gods waardigheid krachtig te preken. Schouw naar de wind, die jaagt en die stormt en komt vaak van alle kanten. Ziet, hoe hij in werkelijkheid brengt een tijding van alle verwanten, die er over de wereld bestaan. Nauw is hij van de Noordpool tot het Zuiden gegaan en hij keert en hij stormt en hij gaat rond het Al, en zegt van Amerika’s stranden een groet, die hij over de oceaan verder draagt tot in deze lage landen.

Niets is er verlaten. Er bestaat geen eenzaamheid. En ook geen waarheid in deze beelden. Zij verhelen de kracht van de Werkelijkheid. Zij zijn de kleine weelden, waardoor ons leven wat makkelijker glijdt, waardoor wij het leven aanvaarden, niet begrijpend wat door waarheid en waan de goden ons bespaarden in ‘t bestaan.

Al wat wij leven, al wat wij zijn, staat in de wind geschreven. Maar wat wij gevoelen, dat is onze kracht; en onze kern is altijd gebleven. Dat kent geen grens. Dat kent geen paal en perk gesteld aan het bestaan. Hiervoor is slavennood en vorstenpraal de onbetekenende waan van kort vervlogen ogenblikken.

Ik ben de werkelijkheid. Van U kan ik slechts zeggen, dat gij zijt een deel der waan, waardoor mij ‘t bewustzijn glijdt tot waardiger, edeler bestaan. Gij leeft, gij streeft, hebt deel met mij aan wat ik heb gesproken. Vergeef mij is het woord voorbij, de band is weer verbroken ik ga mijn weg, eenzaam, blij. Gij zult de Uwe gaan. Wij kennen elkaar voor een ogenblik. Maar dat ogenblik zelve is waan.

En daarom gegroet, gij, kort hier ontmoet en snel weer door sferen ontgaan. Wij treffen elkaar slechts in werkelijkheid aan het einde van alle waan. Wanneer door God is geopenbaard, wie in waan en werkelijkheid leeft; en een einde is gekomen aan de strijd van mijn ziel, die naar deze werkelijkheid streeft.

Gezegend Uw wegen en zon op Uw pad. Treedt het leven nu lachende tegen. Werkelijkheid of waan, gij, die ik verlaat, over U bid ik! ‘t “ware” en zegen.

o-o-o-o-o

Het is jammer dat wij die vorige spreker niet helemaal zonder commentaar kunnen laten. Maar juist zijn manier van betogen en spreken is de moderne maatschappij zo vreemd geworden, dat het misschien goed is U iets te vertellen over de achtergrond.

Deze bard, deze zanger, die geestelijk licht in zijn woorden weet te brengen, stamt uit de tijd, dat Babylons koningen nog naar grootheid streefden. Het is een ver verleden. Hij had tot taak om steeds in rijm en vers te spreken tot een ieder, die – volgens zijn vorst – voor een dergelijke aanspraak in aanmerking kwam. En zo is dit eigenlijk zijn gezelschapsmanier: te spreken in wat dichterlijk lijkt en voortdurend beelden tezamen te brengen, die eigenlijk vaak meer gevoelsbetekenis hebben dan werkelijke betekenis.

Dat hij zo tot U kon spreken, is voor hem eigenlijk maar een vraag, of dit werkelijk is. Hij neemt met zijn geestelijke krachten, die groot zijn een medium en hij werpt zijn gedachten er in, dwingend tot een vorm, die ongeveer overeenkomt aan de methode, die hij eens gebruikte om zich in gezelschap uit te drukken. De achtergrond van zijn gedachten, och, ze komen door die woorden al duidelijk genoeg naar voren, maar ik zou ze graag nog een keer even scherp formuleren op een meer Westerse manier. Tenzij U bezwaar heeft, natuurlijk.

Wij weten niet, of we elkaar wel werkelijk ontmoeten, zegt deze vriend. Alles rond mij is waan, ik kan het nog niet beleven. Ik zie het wel, ik aanvaard het wel; maar wie zal weten, wat er in mij bestaat en wie zal weten, wat er buiten mij bestaat. Ik ken geen verschil tussen deze dingen. Er bestaat voor mij de werkelijkheid, dat wat ik zelf beleef en wat ik uit, en de waan. Het kan best zijn, dat ik meen hier tot U te spreken zegt hij terwijl rond mij niets anders zitten dan schimmen van eigen geschapen gedachten. Maar wat geeft dat? Wat geeft het mij zegt hij wat waan of werkelijkheid is? Indien ik daarin maar een uiting vind, die mij dichter naar mijn God toe brengt.

Het kan heel goed zijn, dat de hele wereld waan is. Maar toch heb ik vreugden gekend, beweert hij, vreugden in die wereld, die voor mij een schrede dichter tot het Goddelijke geweest zijn.

Gelijktijdig wordt hij haast sarcastisch op zijn manier. “Want,” zegt hij, “ik ben een man van woorden. Maar in al die woorden heb ik eigenlijk de grote moeilijkheid, dat ik nooit het werkelijke, het abstracte kan vangen in een woord. En dus” voegt hij er aan toe “zijn mijn woorden altijd weer waan.”

De achtergrond is een mens, die zich juist, doordat hij zich heeft toegelegd op het woord, steeds meer bewust is geworden van de onvolmaaktheid van het woord, de onvolledigheid daar van. En het is dan ook begrijpelijk, dat hij al datgene, wat met woorden beduid wordt, met woorden wordt aangesproken, ziet als iets, wat eigenlijk niet helemaal werkelijk is.

Hij heeft tot op zekere hoogte gelijk. Want indien wij reëel blijven, zullen we moeten toegeven, dat hij juist, wanneer hij in woorden spreekt, een deel van zijn eigen wezen achterwege moet laten. Hij kan niet zijn hoog geestelijk besef uiten. Hij moet proberen terug te komen tot een aardse vorm, proberen zijn oude methoden en manieren weer te gebruiken en dan kan hij pas op deze wijze naar voren treden.

Maar wanneer U misschien de gelegenheid krijgt om fragmenten van hetgeen hij heeft gezegd eens nader te overdenken, dan zult U merken, dat hij met zijn woorden zoals hij ook zelf zegt vaak de werkelijkheid al heel dicht benadert. In een wereld, waar in je kunt vragen: Wat is waar en wat is schijn? komen zijn woorden zeer dicht bij iets, wat voor ons allen wel waar is en werkelijk:

Wanneer ik op zijn manier zou moeten spreken, dan zou ik U zeggen: Wanneer U dadelijk naar buiten gaat en de wolken kruipen weer voor de zon en de zomerse morgen vergaat weer zo’n beetje, waarom zou je je dan eigenlijk druk maken? Regen of zon, het is waan. Wanneer je zelf de zon in je hart draagt, is dat veel belangrijker dan al, wat er buiten je bestaat. De zon in je hart is werkelijkheid; wat er buiten is, moet je maar afwachten.

Nu is het opvallend, dat deze vriend met zijn methode van betogen, (U zoudt het haast niet geloven) de voorbereider is geworden van een verlossingsgedachte op een heel andere planeet, al ligt die hier betrekkelijk ver vandaan. ‘t Is zo merkwaardig, omdat juist zijn dichterlijkheid het hem mogelijk heeft gemaakt wezens te benaderen, waarvoor wij eerlijk gezegd stilstaan. Wij kunnen ons niet zo ver in die begripswereld inwerken, dat wij vanuit onze eigen ervarings- en uitdrukkingsmogelijkheden er iets kunnen brengen, dat voor hen betekenis heeft.

Maar hij niet. Hij komt daar en rijgt er klanken aan elkaar net zoals hij het hier zo-even heeft gedaan in een taal, die hij niet beheerst heeft, beelden gebruikend, die hem ten dele vreemd zijn….en hij bereikt iets. Hij schijnt daar door te dringen in de gevoelens en een verlangen wakker te roepen.

En nu mag ik misschien één van zijn oudere werken citeren, die hijzelf misschien allang weer als waan vergeten heeft. Hij heeft eens gezegd: “Het verlangen is de roep tot de reis, die in de onbekende verten gaat. Maar waar het verlangen blijft bestaan, daar zal eens het doel bereikt worden. Want in wie het verlangen sterk leeft, is de kracht om alles te volbrengen.”

Ik kan het daar werkelijk mee eens zijn. Ik geloof werkelijk, dat zijn gehele leven en bestaan een illustratie daarvan is. Hij heeft steeds gezocht naar waarheid. En in zijn zoeken naar waarheid is hij soms vastgelopen in woorden en begrippen, soms ook blijven steken voor grenzen, die nu eenmaal voor elke geest en elke mens gesteld zijn.

Aan de andere kant was het hem mogelijk om ondanks alles zijn eigen verlangen, zijn eigen weten, maar ook zijn eigen vreugde en rust steeds weer uit te drukken in woorden, in beelden, in licht. Overal, in alle sferen. Wanneer U hem zo hoort (U kunt zich hem misschien wel voorstellen, een betrekkelijk vierkante baard, waarboven een gekorte snor, wat krullend haar, zoals hij daar eigenlijk vroeger ronddoolde op die wereld, hoe hij met die zelfde onverschilligheid, waarmee hij tot U komt, goedbedoeld, vol van zegenwensen voor iets, waarvan hij niet eens weet, of het bestaat), zo gaat hij tot de laagste sferen en is dáár licht, Daarmede is hij voor ons een bewijs, dat de waarheid ligt in het gevoelsbeleven.

Deze dichter is uiteindelijk ten onder gegaan door zijn eigen dichterlijkheid. Want zo is het gekomen, dat hij gif moest drinken. En hij heeft het met dezelfde vreugdigheid gedaan, als hij een lof rede sprak. Hij kan het zelfs niet nalaten om zijn eigen doodsklacht nog in rijm aan de mensen toe te werpen. Onverschillig voor de wereld; maar in zichzelf ‘n mens, ‘n geest, in wie het gevoel zo sterk is geworden, dat er niets anders meer overblijft.

U ziet, ik moet proberen U een beeld te geven, dan kunt U beter begrijpen, waarom en hoe dit zo gebracht werd. Zegt U eens eerlijk, had U ook niet het gevoel, dat er veel meer achter de woorden zat, dan in die woorden zelf kon mee klinken? Ja. Dus wanneer hij zegt, dat hij de waarheid niet door woorden kan vangen, dan heeft hij misschien getracht om iets van de waarheid van zijn wezen achter de woorden mee te delen.

En dat is nu juist het punt, waar het deze keer eigenlijk over is gegaan, waar deze bijeenkomst aan gewijd is, n.l. aan de waarheid. De Waarheid, die wij al meer hebben besproken, maar die in de allereerste plaats moet worden gezien als iets, dat ligt achter de dingen, die we beleven. Dus een achtergrond.

En zoals U hebt kunnen aanvoelen, dat hij meer zei, dan hij ooit in woorden kon samenvatten, zo zult U ongetwijfeld ook kunnen aanvoelen, dat de wereld meer te zeggen heeft, dan in alle beleven U ooit feitelijk kan worden getoond en medegedeeld. Wanneer we dat nu doen, dan zullen we vanzelf die weg der waarheid wel ontdekken, die voor ons past en die ons voert tot het einddoel.

o-o-o-o-o

ONTMOETING

Mijn weg voert door de eeuwigheid en na het lange reizen verzink ik door de eenzaamheid in diep en lang gepeinzen.

Ik zoek naar waarden, stel een vraag.

D’ Eenzaamheid, die mij omringt, wordt tot een echo, waarin eigen vraag mij weer als antwoord klinkt.

Maar plots… wat klinkt er vreemde macht? Wat brandt daar nieuw bestaan? Wat wordt er in het ogenblik aan nieuwe kracht op mijne baan gebracht?

‘n Ontmoeting met leven, met vormend bestaan. Ik zou zo graag vertoeven, omdat in mij is naar eenheid en zijn zo n intens en diep behoeven.

Maar ‘t ogenblik van ontmoeten is klein en ik moet weer verder gaan. Want…kort is het pozen, ver is de weg, grote noodzaak tot verder gaan en beleven van mijn eigen weg en eigen diep bestaan.

Zo zoek ik door de eeuwigheid, ontmoetend telkens weer een kracht voor korte wijl.

En zoek ik naar een antwoord dan, ’t klinkt in mijn eigen hart.

En verder spoed ik, waar d’ eenzaamheid mij met een echo tart van ‘t lang vergane zijn.

Maar ontmoeting en ontmoeting, zij komen steeds weer.

Wij tarten elkaar telkenmaal.

En daarom begrijpen we elkaar zozeer en beheersen elkanders taal.

Zo worden wij langzaam tot eenheid gesmeed; en d’ ontmoeting wordt samengaan.

Dan is er geen eenzaamheid, leegte meer.

Dan is de levensbaan een vreugde, waarin nieuw bestaan men looft en dankt de Heer, ontmoetend nieuwe kracht en macht op alle weg? telkens weer.

ZOMER

Buiten kondigt U de zon aan, dat de zomer komt. Het jonge groen, zo teer en zo pril en zo mooi schijnt de wereld in een sprookjesland te veranderen, waarin de rijpe, wonderlijke bloesemkleuren ijle en tere wolken over het land spreiden, terwijl de bloemen aarzelend piekend of reeds fel opschietend en kleurend uit Uw treurige winterwereld een feestzaal hebben gemaakt. Want het is werkelijk lente. Het is werkelijk reeds de tijd, dat de winter verdreven en verslagen heen vlucht en het leven opnieuw met steeds sterkere kracht pulseert, stuwend naar nieuwe bloei en groei.

De lente is een periode, die de mens een eigenaardig ver schijnsel bezorgt. De mens wordt wat loom, wat moe en wat lusteloos. En dan ineens, dan is het, of er ergens in hem iets de zon weerkaatst en hij wordt zelf zonnig. Hij lacht, omdat er buiten het licht is. Hij verheugt zich over de schoonheid, die hij overal ziet. Hij neemt een bloem een ogenblik teer tussen de handen, en droomt over de wonderen, die zo iets schoons geboren kunnen doen worden. Hij luistert naar de vogels en zegt: “Wat gaan ze te keer. O, wat is het toch een mooie tijd, de lente.”

De mens weerkaatst in zichzelf al datgene, wat in de wereld buiten hem ontstaat. En dan komt de grote vraag: “Waarom dan alleen zo lenteachtig en opgewekt, wanneer de zon schijnt? Waarom dan alleen met deze lichte, haast nog vermoeide verrukking de wereld ondergaan, wanneer daar buiten je schoonheid is? Is de mens dan niet geschapen om zelf te scheppen? Heeft de mens dan niet het vermogen om uit zijn gedachten werelden naar voren te brengen, schoner dan de natuur? Kan een droom niet alle schijnbare volmaaktheid uit de wereld perfectioneren, tot de droomwereld is geworden een paradijs zonder enkele smet, zonder enkele fout?”

In U ligt een wereld, die veel schoner kan zijn. In U ligt ook een wereld met lachende tuinen, met pril blozende bloesem. In U brandt een licht, sterker dan de zon. Want de goddelijke volmaaktheid en de goddelijke schoonheid leven in de mens. En dat is lentekracht.

Soms dan ken je zo’n ogenblik. Dan voel je je eventjes meegesleept door die innerlijke vreugde. Dan ben je in een stemming, dat je de hele wereld zou willen omhelzen. Dan zou je willen zingen en jubelen. En het is misschien met moeite, dat je je als vormgetrouwe mens onthoudt van deze uitingen, om niet al te belachelijk te worden. Maar dan is de tijd voorbij. Het trekt weg. En dan lijkt het, of het wereldje zo loom en zo stoffig wordt.

Wel, vrienden, we spreken van de lente. Kunt ge de lente genieten op het ogenblik? O, bollenvelden en bloesembomen, bossen vol van teer en pril ontwakend groen, ze overgieten het hele land. Tot zelfs tussen de straatstenen zal zo hier en daar een nieuwe grasspriet kieren. En op een paar veldjes bleek verlopen gras prijkt alweer een enkele paardebloem, die met zijn gele, felle kleur a.h.w. verzet predikt tegen de dorheid van het verleden.

Maar daarna komt de zomer. Dan zijn er ook bloemen. Dan zijn er ook bladeren. Dan is er ook zon. Maar die zon, waarover ge nu U verheugt, waarover ge jubelt, die doet U dan puffen: “Wat is het warm” en in stil verzet komen. “Was het maar wat kouder.”

Het blad, dat in zijn pril groen, in zijn fijne, lichte vorm, toen het a.h.w. een pastel tekening was van de natuur U zozeer bekoorde, is in zijn voldragenheid en grootheid maar stoffig en vies. “Nou ja, het is wel aardig. Je hebt er scha duw aan.” Maar dat is de zomer, vrienden.

En in die zomer komt de vrucht. Die zomer is de voorbereiding voor alle voortplanting, voor alle groei, voor alle bloei. Als er alleen maar lente was en geen zomer, waar zoudt ge dan zijn met Uw koren, met Uw graan? Waar zoudt ge zijn met Uw aardappelen en Uw kool? Waar zoudt ge zijn met Uw appelen en peren? Waar zouden alle gulle gaven van de natuur blijven? En juist, nu het buiten zo lenteachtig kan zijn, zou ik U er graag aan willen herinneren, dat elke lente ook de lente in Uzelf altijd gevolgd wordt door een periode van sufheid en dofheid. Dat in de periode, dat de grootste vruchten kunnen worden geplukt Uw herfsttijd de stormen door je leven razen. Dan zit je met het probleem, met die gedachte. En je kunt er haast niet meer tegenop, denk je. En dan is het de kunst, om deze elementen niet te zien als het enige in het leven. Maar bewust en voorzichtig de vruchten te plukken, vóórdat ze verrot zijn.

Weet U, de lente genieten, dat doet elke mens wel. Maar oogsten in de herfst, dat vinden sommigen maar veel te moeizaam. O ja, ze zullen een enkele vrucht in het voorbij gaan plukken en een ogenblik een bete eruit nemen. Want het is toch wel aardig, het is toch wel prettig. Maar voorzorg oogsten dat is sommigen te moeilijk. En anderen levert het te weinig op.

En toch is dat hetgeen, waar het om gaat, vrienden. Want in je leven heb je een oogst nodig. Eerlijk. Je moet alle vruchten van je leven durven plukken. Je moet a.h.w. alle geestelijke rijkdommen, die maar te bereiken zijn in die zomer wereld van binnen, steeds verzamelen, totdat je een grote voorraad hebt. Want dat is je enig bezit, dat je kunt meenemen.

Het nog niet opgeloste raadsel Shakespeare heeft eens geschreven: “Je kunt het niet met je meenemen.” you can ‘t take it with you. Laat me U één ding zeggen: “U kunt van alles op deze wereld niets meenemen. Geen straaltje zon, geen enkel jong gevormd blad, geen enkele bloesem. Maar wat ge in Uzelf geoogst hebt uit het leven, dat is bezit. Dat neem je mee. Dat is onvervreemdbaar eigendom.”

En zoals bij een volgende lente men het zaad neemt in een vorige herfst gewonnen zo is het ook Uw taak, wanneer ge wilt, dat een nieuwe geestelijke lente komt, vol van zon, vol van bloesem, vol van vreugde, dat ge zorgt uit de ervaringen van het verleden, uit de bereikingen van het verleden, datgene te puren en te bewaren, dat noodzakelijk is om U ook in een andere wereld te doen leven in licht en zon en vreugde.