De wereld

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 10 )- juli 1975

De wereld

Als je je bezighoudt met ontwikkeling, met het licht en met al die andere dingen die er zo zijn, dan vergeet je wel eens dat je eigenlijk met de wereld te maken hebt. Ik heb dat laatst met een collega besproken. Ik zei tegen hem: Wat had je voor een gezelschap vanavond? Waren het ontwikkelde mensen? Ja, zei hij, intellectueel wel, maar geestelijk gezien prut. En dat tekent enigszins de zaak.
Als wij een innerlijke ontwikkeling doormaken, dan is dat in de eerste plaats ons bewust worden van licht. Maar wat heb je aan een lamp, als je het licht niet gebruikt om te zien wat er rond je is? Wij kunnen ons bezighouden met alle kosmische invloeden, maar als we er geen gebruik van maken, wat hebben we er dan aan?
Als ik zo de wereld bekijk en de hele wereldgeschiedenis, dan denk ik altijd: Ja, de mensen missen veel kansen. Soms omdat ze niet zien wat er op hen toekomt, maar heel vaak ook omdat ze zo druk bezig zijn met hun innerlijke beelden, hun dromen, dat ze vergeten dat je het ook nog moet waarmaken.
Dat is gebeurd in de tijd van de farao’s, toen de Twee Kronen werden verenigd. Men droomde toen van een wereldrijk in de termen van die tijd. En wat is het tenslotte geworden? Een soort provinciale bananenrepubliek (al verbouwden ze meestal gierst) en daarbij de voortdurende geschillen. Het was een zeer oligarchisch‑democratische republiek waarin de farao weliswaar alles voor het zeggen had en iedereen verder probeerde te doen wat hij zelf wilde, maar waarin er van de wereldmacht en van de grote beschavingsontwikkeling eigenlijk weinig terecht kwam.
Natuurlijk, er zijn grote bouwwerken geweest. Maar bouwwerken zijn altijd het kenteken geweest van mislukte volksdictaturen met democratische pretenties. Dat kunt u in uw eigen land nu ook zien; de zakelijke monumentale stijl. Dat kunt u zien in Duitsland, waar men het in een pompeuze stijl heeft willen zoeken. Dat kunt u zien in landen als Rusland, waar wij te maken hebben met een ambtelijke democratische architectuur, die op zichzelf zeer vermoeiend kan werken. Dat kunt u zelfs zien daar waar een zakendictatuur is zoals in de V.S., waar de eenvormigheid en de gelijkvormigheid in haar geheel misschien overrompelend werkt, maar waar je echt kunt zien dat het niet gaat om de mensen die daar leven. En dat is waar het in alle beschavingen om gaat: de mensen die erin leven. Of u nu vandaag de dag vakbondslid bent in Nederland of in de Middeleeuwen bij een gilde zou behoren of in een verder verleden tot een broederschap of tot een magische inwijding behoord zou hebben, het lijkt dan wel anders, maar het komt allemaal op hetzelfde neer. Want in alle vormen hebben wij te maken met groepen, die proberen zich angstvallig te beschermen tegen eenieder die anders is. Wij hebben te maken met het gevoel dat wij het voor het zeggen hebben, dat wij de eisen kunnen stellen waaraan anderen moeten beantwoorden. En als dat zo in de maatschappij is, dan zeg je: dat is de wereld. Wij behoeven ons er niet helemaal bij neer te leggen, maar het is niet anders. Maar komt het op geestelijk en innerlijk licht neer, dan wordt het heel wat anders.
Als ik u innerlijk licht wil overdragen, dan kan ik dat alleen doen indien ik dat licht besef en geen grenzen stel aan de wijze waarop dat licht door mij werkt. Ik kan niet zeggen: Dat is alleen bestemd voor b.v. Ordeleden. Het zou anders een goede zaak kunnen worden: “Kom, en ontvang het innerlijk licht”.  Alleen voor Ordeleden. Maar zo werkt het niet.
Kosmische, goddelijke en eeuwige kracht zijn voor allemaal of voor niemand. In een wereld waarin het zwart‑wit denken langzaam maar zeker wordt opgevangen door het relativeren der zaken, krijg je toch vaak het idee dat het zwart‑wit in geestelijke zin een heel grote rol speelt.
Als ik licht wil uitstralen, moet ik mij eerst openstellen voor dat licht. Dit betekent niet dat ik bijzonder goed of bijzonder braaf moet zijn, dat hebben de mensen ervan gemaakt. Het is gemakkelijk om een ander aan de lijn te houden, als je dat zegt. Het is doodgewoon: ben ik bereid dat licht te aanvaarden, ook als het mij zou verteren? Want een niet‑kosmische waarde wordt door dat licht verteerd. Als ik het aanvaard, is dat licht in mij en gaat het ook van mij uit. Maar dan kan ik niet zeggen voor wie het bestemd is en wat het moet doen. Ik kan alleen zeggen: Dat licht is er en ik draag het over.
Soms denk ik wel eens aan de mythe over Diogenes die in een vat zou hebben gewoond. (Naar zijn vorm te oordelen, was hij meer een vat en soms een zeer hol vat, ofschoon er ook wel wat gedachten in scholen.) Diogenes ging overdag met een lampje op zoek naar een mens. Dat klinkt allemaal mooi en het is heel filosofisch, maar wie stelt hier de maatstaven? Is een mens datgene wat Diogenes ‘mens’ noemt of is een mens mens door het feit dat hij zo is geïncarneerd? Het is maar een vraag.
Kijk eens, zo min als ik kan bepalen wat het licht, dat van mij uitgaat, zal zijn in en voor een ander, zo min kan ik bepalen wat een mens is, zo min kan ik ook bepalen wat leven moet betekenen voor een mens. En dat is voor velen een wat moeilijke zaak. Wij bekijken het vaak zo, dat we precies vaststellen wat er moet gebeuren. Dat is zeer opvallend.
U weet waarschijnlijk dat het Romeinse recht vandaag de dag nog in­vloed heeft. Zo lang hebben die regels van ‘zo hoort het, zo moet het’ al een rol gespeeld. Als je de Nederlandse wetgeving bekijkt, zie je daar ook nog een stuk Nieuw‑Germaans recht in. Dat is ook rustig bewaard gebleven. Kijken we naar de mentaliteit van de smerissen, dan blijkt dat ze zich eigenlijk van al die regels niets aantrekken. Voor hen zijn regels iets waardoor je een ander kunt beoordelen. Het is de fortificatie waarmee je jezelf be­schermt.
Neem nu eens Churchill, de man die de sigaar rookte totdat hij zelf de sigaar was. Die kreeg eens te horen dat wat hij deed, niet volgens de regels was. Toen zei hij: “I am not there for the rules. The rules are there for me.” Daarmee drukte hij iets uit wat eigenlijk iedereen in zijn hart doet, regels zijn er voor mij. Ik ben er niet voor de regels. Maar de praktijk is wel dat wij op die manier de werkelijkheid vervalsen en daardoor ook niet in staat zijn om de krachten te aanvaarden en over te dragen.
De ontwikkeling van de mens is dan ook helemaal niet het leren kennen van regels. De ontwikkeling van de mens is eerder het beseffen wat je zelf bent en dat waarmaken. Er zullen veel mensen wel hiertegen protesteren. Ik herinner mij lang geleden een van mijn lievelingsvijanden, Savonarola. Een man die zei: In boeken staat veel goeds, maar de mensen die ze lezen begrijpen ze verkeerd en daarom moeten we de boeken verbranden. Hij redeneerde precies als vele anderen. Natuurlijk, ze verbranden nu geen boeken.
Helemaal niet. Maar ze schrijven u een hele boel andere dingen voor zoals veiligheidsgordels, valhelmen en andere zaken. Wat doen ze? Zij willen u tegen uzelf beschermen. Ze erkennen dat ze iets goeds teniet doen om zo een ander a.h.w. in de pas te laten lopen. Daar komt het op neer. En zo­lang mensen in de pas lopen, komen er oorlogen. Het is gewoon krankzinnig als je dat eens nagaat.
Duitsland is altijd in zichzelf verdeeld geweest. Er waren heel veel ruzietjes maar echte oorlogen waren er niet, totdat het grote godsdienst­geschil ontstond. Het is heel typisch dat de Reformatie de eerste werke­lijke, het hele land doortrekkende, oorlog met grote wreedheden heeft ge­baard in de geschiedenis tussen het jaar 800 en heden. Dat kwam zo:
Toen men een leuze had en daaraan regels kon gaan verbinden, waren er veel mensen die zeiden: Die regels zijn op iedereen van toepassing, be­halve misschien op mijzelf. Daarom gingen ze heel goed op elkaar letten. Ze maakten het elkaar onmogelijk om uit de pas te lopen. En vanaf het ogenblik dat dat communiteitsgevoel was omgezet in een wetsgevoel, was er geen kans meer. Er waren twee partijen met verschillende opvattingen, dus moest de zaak wel botsen.
Dan kunnen we natuurlijk vertellen over Tilly, Pappenheim en niet te vergeten Gustaaf Adolf (koning van Zweden) en Wallenstein, die zo mooi vereeuwigd is door Schiller, maar als je het goed bekijkt, waren die men­sen alleen maar pionnen op het schaakbord. Een ontwikkeling was onmogelijk geworden.
Indien het geloof van de mensen was geëvolueerd naar vrijheid, was er geen oorlog gekomen. Dan hadden ze gezegd: Je moet vrij zijn met je God en daarom moet je de waarheid zelf kunnen zoeken. En daarmee zou eenieder het eens kunnen zijn. Maar wat zeiden ze? Luther heeft de waarheid gevon­den. Calvijn, Zwingly en zelfs Hus hebben allemaal de waarheid gevonden. Dat is de enige waarheid. De andere partij zei: Wij hebben de eeuwige moe­derkerk. Dat is de enige waarheid en dus mag er niets anders bestaan. Kijk, op het ogenblik dat wij zeggen: dit is de waarheid en dus mag er niets anders bestaan, kunnen we net zo goed zeggen: ontwikkeling en voor­uitgang zijn voor ons voorlopig uitgesloten.
Aan het einde van een reeks lezingen vraag ik mij altijd af: wat voor boodschap heb ik nu eigenlijk voor de mensen? Als je een lezing houdt, moet je tegenwoordig een boodschap hebben. En als je dan na vele lezin­gen vraagt wat dan de boodschap is, vind je een rebus waarvan de oplos­sing vaak moeilijk is omdat de gegevens onvolledig zijn. Dat geldt bij ons ook wel. Van mijzelf weet ik: ik kan het soms moeilijk maken. Soms ben ik zelf zo overtuigd van de helderheid van mijn historische voorbeelden, dat ik vergeet dat u niet weet waar ik het over heb. Waar het mij om gaat als ik iets probeer te zeggen is dit:
Kosmos is alomvattend. Licht is alomvattend. Waarheid is alomvat­tend. Ik kan geen enkel voorbehoud maken of mijn licht wordt duister, mijn waarheid wordt onwaarheid en mijn kosmos wordt een innerlijke bekrom­penheid. Daar is niets aan te veranderen. Daarom moet ik proberen niet alleen licht te ontvangen en over te dragen, kracht te ontvangen en over ­te dragen, maar ik moet vooral proberen mijn eigen begrensdheid in ieder geval teniet te doen.
Als je iets doet, moet je een doel hebben. Dat is volkomen waar. Als je wel eens Julius Caesar hebt gelezen, dan kom je tot de conclusie dat de man bij al zijn filosofie ook steeds weer een doel aangeeft. Niet alleen een bedoeling maar een omschreven bestemming. Voor ons is dat niet noodzakelijk, mits wij ons realiseren dat onze bestemming voor ons de bepaling is van onze reactie op de oneindigheid.
Om dit te verduidelijken, als ik zeg: daar is het middelpunt van de Melk­weg en ik wijs zo naar die lichtende streep aan de met sterren bezaaide nachtelijke hemel, dan zeg ik eigenlijk iets wat niet juist is. Ik zou moe­ten zeggen: De Melkweg bestaat zo en zo. Het middelpunt is daar en daar gelegen en wordt daardoor bepaald. Maar dat weet ik niet. Als ik echter in die algemene richting wijs, dan ga ik de goede kant uit en kan ik mij later realiseren waar ik misschien heb gefaald en de zaak nader concretiseren, indien dat nodig is.
Zo is dat ook als ik een doel heb. Dat doel op zich is niet bepalend. In 9 van de 10 gevallen is het mis. Als ik iets wil doen, doe ik het meest­al verkeerd. En aangezien dat voor mij geldt, neem ik aan dat zoiets wel meer zal voorkomen. Dat is echter helemaal niet erg. De kracht die in mij is, werkt juist. Als mijn voorstelling van de werking van die kracht juist is, zal ik op den duur wel zien dat ik mis gemikt heb. Als ik nu niet pro­beer om die kracht bij te stellen, maar om mijn begrip bij te stellen, dan komt alles in orde. De situatie van waaruit wij leven is gebaseerd op beperkingen. Ons eigen leven is gebaseerd op het onbeperkte. En dat geeft een conflict. Alle voor­uitgang op de wereld, alle bewustwording in de mens vloeit eigenlijk uit dit conflict voort. Indien wij in onszelf te beperkt zouden zijn, zouden wij het onbeperkte nooit kunnen benaderen. Indien wij het onbeperkte zonder meer zouden beseffen, zou er geen denkproces nodig zijn, zou er geen leven zijn, alleen maar een existeren. Juist door de verschillen, de tegenslagen, als het ware, die je hebt door je beperkt begrip van je onbeperkt vermogen, leer je voortdurend dat de beperkingen niet juist gesteld zijn. Zoek je verder, dan kom je nog wel tot een beperking, maar die bevat meer van de wer­kelijkheid dan voordien het geval was. Er zijn tegenwoordig heel aardige voorbeelden hiervan aan de gang waaruit dit duidelijk is af te lezen.
Kijk eens naar Engeland. Het is een koninkrijk waarin de koning minder te zeggen heeft dan een arbeider, want een koning kan niet staken. We hebben te maken met een land dat beweert socialistisch te denken. Maar dit socialistisch denken blijkt te ontaarden in een ongedisciplineerd denken. Het socialisme bleek gericht te zijn op het welzijn van een bepaalde groep en niet op dat van het gehele volk. Toch was dat de leuze waarmee deze re­gering zichzelf probeerde te handhaven. Wat is nu het wonderlijke, dat ge­beurt? Omdat deze mensen hun doel verkeerd hebben gesteld (bepaalde klas­sen) en niet het volk, zijn er grote moeilijkheden gekomen.
Nu hebben ze voldoende potentiaal. U moet niet denken dat Engeland binnenkort bankroet moet gaan, dat is helemaal niet nodig. Het heeft enorme veerkracht. Het heeft heel goede werkers, als ze werken. Het heeft zelfs grote staatslieden, als ze niet bezig zijn om elkaar vliegen af te vangen. Nu moeten ze gaan denken in termen van de gehele natie. Indien ze in staat zijn dat tot stand te brengen, zal Engeland over 4 jaar ‑ en dat is niet lang ‑ weer een van de sterkste EU-partners zijn en waarschijnlijk zelfs ster­ker zijn, zowel in zijn invloed als in zijn sociaal‑economische achtergronden, dan b.v. West‑Duitsland. Dat lijkt ondenkbaar, als men dat op dit moment be­schouwt. Maar ja, indien die mensen niet inzien dat je moet denken aan het geheel om de delen ervan te kunnen beschermen, dan is één ding zeker: Engeland is binnen een jaar failliet. Dan kan het niets meer, dan is het volkomen afhankelijk geworden, dan leeft het in een chaos.
Nu is een mens zo, dat hij de chaos altijd erg dichtbij laat komen, an­ders zou hij moeten toegeven dat hij zijn doel verkeerd gekozen heeft. Maar op het ogenblik dat hij ziet wat de gevolgen zullen zijn, is hij ge­neigd om zijn doel te veranderen. Hij noemt het nog precies zo, maar het is toch een beetje anders gericht.
Dat kan je in Nederland ook zien. Daar heeft men het grote plan gehad, het grote keerpunt. Als je nu kijkt naar het keerpunt, dan is het langzaam maar zeker een omkeerpunt geworden. Dat is helemaal niet zo erg, want wat zich daar nationaal afspeelt, dat speelt zich bij ons precies zo af, alleen maken we dan vaak een fout. Wij zeggen niet: Toen ik beperkt mijn doel koos, heb ik goed gedaan, want ik deed het beste dat ik kon. Wij zeggen nu: te­rugziend heb ik fouten gemaakt. En dat moet je nu net niet zeggen.
Een ontwikkeling komt niet voort uit de erkenning dat u met de ken­nis van heden in het verleden anders gehandeld zou hebben maar uit de erkenning dat u, zo juist mogelijk handelend in het heden, in de toekomst weer een nieuwe visie, een nieuwe beleving, een nieuwe mogelijkheid zult zien die vandaag voor u niet bestaat. Dat is het leerproces, het ontwikke­lingsproces. En het wonderlijke is dat de hele wereld daarin op het ogen­blik zo enorm is gemoeid.
Mag ik iets zeggen over de wereld zoals ik haar vandaag zie?
Als je de wereld op het ogenblik beziet, dan lijkt het net alsof iemand met een stok in een mierenhoop heeft zitten prikken. Iedereen loopt een an­dere kant uit. Iedereen is bezig te redden wat hij kan en er gebeurt niets. Dat is ook begrijpelijk, want in de wereld hebben ze de laatste tijd altijd ge­dacht in bepaalde termen, in een bepaalde richting. Men heeft gezegd: ­Mensen, wij moeten een groeiende economie hebben, want dat is welvaart. Maar ze hebben vergeten dat een groeiende economie alleen daar kan bestaan waar een toenemend verbruik is. Daarnaast hebben ze ook nog vergeten dat een toenemend verbruik alleen economisch te bereiken is, indien de verbrui­ker over de middelen beschikt om de productie ervan te betalen. Dat is ken­merkend. Je ziet het overal. Zelfs in de televisieprogramma’s.
Eén van de populairste dingen in de Ver. Staten was al lang de z.g. ‘give away-show’, de cadeautjes‑show. Bij u heet het: B.B.‑kwis. Weggeven. Dan denk je dat het alleen een kwestie is van de mensen wat gunnen. Neen. Het is een mentaliteit. Er moet zoveel mogelijk onder de mensen worden ge­bracht. Nu ontdek je op een gegeven moment dat dat eigenlijk niet kan. Maar wat moet je nu doen? Dan kun je verschillende richtingen inslaan.
Je kunt, b.v. zoals in Nederland, proberen het bestaande te handhaven door kunstmatig een productie op te schroeven waardoor je in feite een groot aantal niet bruikbare of niet belangrijke producten krijgt ten koste van de gemeenschap en zo de schijn van arbeidsgelegenheid etc. kunt hand­haven. Je kunt het ook anders doen, zoals de Rode Khmers hebben gedaan. Zij heb­ben gezegd: Het is een rommeltje. Er zullen slachtoffers moeten vallen, maar dat is niet erg. Iedereen terug naar het land. Wij moeten eerst de rijst verbouwen waarmee wij onszelf kunnen voeden voordat we verder kunnen gaan. Een stap terug dus. Een andere mentaliteit. Nu jammert iedereen natuurlijk dat het zo verschrikkelijk is. Dat is waar, maar aan de andere kant, als je ziet dat iets op een bepaalde manier fout loopt en je gaat een andere kant uit, dan vallen er altijd slachtoffers, dat kun je niet voorkomen. Als je nu maar probeert het beste te doen voor het geheel, zal het met de slachtoffers wel meevallen, zolang iedereen voor het geheel wil werken. Pas op het ogenblik dat men tracht tegen het geheel in te gaan, tegen beter weten in, ontstaat er een wonderlijke discrepantie. Dan krijgen we wat je noemt ‘duisternis’.
Duisternis, dat zijn problemen. Dat zie je overal. Neem nu Portugal. Een heel mooi land. In dit Portugal, dat links is geworden zoals dat heet, ontdekken nu degenen die dachten dat ze links waren, dat ze al rechts ge­worden zijn. En waarom? Omdat bepaalde groepen extremisten zich niet afvra­gen hoe men eerst de werkelijke leefmogelijkheid in het land kan verbeteren, maar ten koste van alles zelf de baas willen spelen. Het resultaat zult u zien en ziet u al ten dele: toenemende chaos, verminderde productie, een minder juist gebruik van de aanwezige middelen enz., en ten slotte weer moord en doodslag. Daar kun je niets aan doen. Je kunt zeggen: het is jam­mer. Maar eerst moeten de mensen dat ervaren, anders kan het niet. Nu kun je dat van Portugal nog een beetje begrijpen. Een volk dat dicta­toriaal is geregeerd, heeft de neiging absolutistisch te denken, zelfs als het tegen deze dictatuur is. Dan is het extremistisch, dus in feite is dat een ander woord voor een vorm van dictatuur.
Maar heb je te maken met een land als Italië, dan zie je daar de te­genstellingen op een heel andere manier. Zij zeggen: De communisten winnen. Neen, de communisten winnen niet. Het vertrouwen van de socialisten en de christelijke partijen is echter zozeer afgenomen dat men geen andere mogelijk­heid ziet. Als nu alle mensen die daar aan politiek doen, proberen te denken aan de belangen van de burger van Italië, dan kan dat vlug overwonnen zijn. Maar zolang ze blijven denken aan eigen partijbelangen, kleine groepsbelangen, gaat het land ten onder en zullen veel mensen daarvoor de rekening moeten betalen. En zo kan ik doorgaan.
Ik kan spreken over Brazilië, Argentinië, Chili, Venezuela, de ontwik­kelingen in Mexico enz. Altijd weer zie ik op de wereld dat men te weinig begrijpt, dat men moet denken in termen van het geheel. Maar ik zie ook dat steeds meer mensen zich losmaken uit de beperktheid van dit alles. En dan zeg je: dat is een gunstige ontwikkeling geworden omdat de mensen, die ver­der durven denken, altijd de pioniers zijn.
Neem nu b.v. de geschiedenis van Columbus, een Genuees in Spaanse dienst. Deze man had niet alleen het inzicht dat de theorie dat de wereld rond zou zijn, waar was (overigens een theorie die allang bestond maar door eenieder was verworpen), maar hij had bovendien de moed om dit te bewijzen. Hij opende nieuwe continenten door het voorbehoud en de behoudzucht van an­deren af te wijzen. Hij dacht niet alleen aan zichzelf. Zijn proef was in feite om de hele beschaafde wereld, inclusief Ferdinand, de koning, een klein beetje te kijk te zetten, om te laten zien waar de fouten zaten. Dergelijke situaties ontmoet je steeds weer.
Het zal u waarschijnlijk niet bekend zijn dat de elektrische gloeilamp door Edison werd uitgevonden omdat iemand zei dat het onmogelijk was. Die iemand was toevallig een geleerde. En Thomas Alva (al was hij reeds er­kend) erkende de geleerdheid niet, zolang ze alleen op theorie berustte. Daarom heeft hij net zo lang gewerkt totdat hij de kooldraadgloeilamp had gevonden, die een heel lange tijd de bron van het elektrisch licht is geweest. Met dergelijke dingen, met die doorbreking van de beperking, krijg je de wer­kelijke ontwikkeling.
Als we kijken naar de wereld van vandaag, dan zien we overal polarisering (een woord om van te rillen). Wat is er echter in feite aan de gang? Afrika maakt zich los van Europa, Azië maakt zich los van Europa en Amerika. Europa maakt zich steeds meer los van Amerika. Zuid‑Amerika maakt zich los van Noord‑Amerika. Het is alsof de zakelijke en economische bindingen steeds meer onder druk komen te staan. En het wonderlijke daarbij is dat dit in feite de mensheid ten goede komt. Want je kunt niet spreken over Europa, zolang je het hebt over een handjevol landen die voortdurend onderling aan het kiften zijn. Je kunt niet spreken over Amerika zolang er sprake is van een betrek­kelijk kleine belangengroep, die alle andere groepen op de een of andere ma­nier domineert en exploiteert. Je kunt pas spreken over een volk indien er een eenheid is ontstaan. Tot nu toe was er de eenheid van taal, kleding en gedrag. Ik ben bang dat die eenheid niet voldoende zal zijn. We zien namelijk dat deze onderscheiden steeds meer verwateren. Daarvoor in de plaats komt nu de eenheid van denken, van idealisme. En als die eenheid van idealisme wordt gevormd, kan ze niet mondiaal zijn, ze kan niet de gehele wereld omvat­ten.
De meeste mensen zijn niet in staat te weten wat de wereld is. Als een Europees staatsman moet onderhandelen met b.v. Moboetoe, dan begrij­pen ze wel elkaars woorden, maar niet elkaars mentaliteit. Als Amerikanen spreken met Europeanen, dan is er ergens iets wat ze niet kunnen begrijpen, wederkerig. Ze verstaan elkaar niet. Daarvoor moeten ze eerst per wereld­deel eenheden worden, voordat de zaak zich verder kan ontwikkelen. Maar het is wel een wegvallen van al1erlei beperkingen. Dat zou in de U.S.A. betekenen: het wegvallen van allerlei ras‑ en geloofsgrenzen die daar op dit moment een heel grote rol spelen. Het zou in Europa betekenen: het weg­vallen van landsgrenzen en gelijktijdig van vooroordelen, die verschillen­de groepen ten aanzien van elkaar hebben. Het zou in Azië moeten beteke­nen: het wegvallen van de systeemgrenzen, en daarvoor moet in de plaats komen: het samen zoeken van een reële leefmogelijkheid. Die is er.
Japan is in staat tegenwoordig te produceren wat industrieel nodig is voor een groot deel van Azië. Het overige deel kan Rood‑China gemakkelijk aanvullen. En als de anderen dan hun landbouw en verdere ontgin­ningen ontwikkelen, dan is Azië een unit die kan bestaan. Maar dan moet je ook niet meer praten over Japanners, Chinezen, Cambodjanen, mensen uit India en Pakistan enz. Dan moet je spreken over Azië. Wanneer die eenheid wordt gevonden, heeft de ontwikkeling een nieuwe fase bereikt en is het doel dat men zich stelt niet meer zo beperkt.
Nu zie ik u denken: wat moet ik daar nu mee beginnen? Als je spreekt over de ontwikkeling van de wereld, dan moet je de moed hebben te zien dat in die wereld op dit moment de processen zich al aan het afspelen zijn, die zich ook in de enkeling moeten gaan afspelen: ­het verbreken van begrenzingen, het wegvallen van vooroordelen, het zoe­ken naar samenwerking, het zoeken naar licht, want licht kan in elke mens leven. Maar als het in elke mens leeft, dan zal elke mens door dat licht, dat voor hem tot vuur wordt daar waar hij niet harmonisch is, gelijktijdig een reinigende procedure ondergaan. Hij zal veel moeten verliezen. Zonder verliezen kun je de eeuwigheid, de oneindigheid of het licht niet gewin­nen. En dat is nu hetgeen ik als een soort boodschap vanavond probeer duidelijk te maken.
Als ik met u spreek over wat er in u gebeurt, knikt u allemaal waar­dig ‘ja’. Als ik met u spreek over alles wat er in de wereld niet in or­de is, dan knikt u allemaal waardig ‘ja’. Maar op het ogenblik dat ik zeg: Mensen, u moet veel verliezen om de hogere waarden te kunnen omvat­ten, zegt men: Is dat nou nodig? Dat is onzin. Alles wat ik heb en meer daarbij, is samen de hogere waarde. (Ik zeg niet dat u dat zegt. Dat zeg­gen alleen die andere stommelingen.) Je moet op een gegeven ogenblik ge­woon durven verliezen om te kunnen winnen. Je moet je zekerheid verlaten om iets te bereiken waarvan je anders alleen blijft dromen. Je moet jezelf op de proef stellen. Niet alleen om te weten wie je zelf bent, maar ook om beter te weten wat je moet zijn in het geheel zoals je het beseft. En dat betekent dat we allemaal een klein beetje filosofisch moeten gaan leven en denken om in staat te zijn dat te verdragen, want dat is altijd nogal moeilijk.
Neem nu eens Nero, een man waarover ontzettend veel geroddeld werd. Nero was een man die graag erkenning wilde. Hij hield ook voordrachten. Niet onverdienstelijk voor een amateur maar u begrijpt wel, als Jantje van tussen de schuifdeuren wil promoveren naar het toneel naast een Ko van Dijk of Steenbergen, dan is het duidelijk dat hij het nooit kan winnen. Wat deed nu die arme Nero? Hij betaalde de mensen om te applaudisseren en als er met hem een ander verscheen (wat wel eens gebeurde), om die uit te fluiten als hij na hem kwam. Dat is nu een typisch menselijke reactie. Maar het was dezelfde Nero die een wagenrace wist te winnen omdat hij van tevoren ervoor zorgde dat de paarden van zijn tegenstanders het een en an­der met hun voedsel binnenkregen waardoor ze niet direct rap ter been wer­den. Het is zelfs een keer gebeurd dat een ijverige slaaf zich had vergist. Het was een race met zesspannen. Dat kwam maar zelden voor. Nero zou eens laten zien wat hij kon. Maar wat gebeurde er? De paarden van een van de wagens (het was de blauwe wagen, Nero reed de rode) hadden teveel van het goedje gekregen. Het gevolg was dat ze steeds langzamer gingen lopen en op een gegeven ogenblik zakten enkele paarden in elkaar. Ook dat was niet zo erg, maar die beesten snurkten. Op dat moment wist Nero niets beters te doen dan de race te onderbreken. Iedereen zei: Kijk, hij wil niet winnen als zijn tegenstander. unfair wordt behandeld. Toen kreeg Nero toch nog een hoeraatje en dat wilde hij alleen maar hebben.
Wij doen vaak hetzelfde. Wij willen graag applaus. Maar applaus dat we niet werkelijk verdienen, kunnen we niet kopen. We kunnen niets waar­maken met andere middelen dan alleen met onze eigen bekwaamheid en onze eigen gaven. Vooral als je teveel tegelijk wilt zijn, lukt je dat nooit. Een handige duizendpoot is nooit weg, maar je kunt nooit een ster worden. Zoals iemand eens zei: Een groot kunstenaar is een monomaan. En dat is waar want je moet één ding zien als het meest belangrijke, anders kom je er nooit. Maar je zult wel zien dat, als je dat ene nastreeft, er steeds meer bijkomt. Of je verengt zozeer dat er niets meer overblijft, of je we­reld wordt zoveel groter dat je totaal verandert. Je blijft wel jezelf, maar je bent veel meer geworden. Nero heeft het nooit zover gebracht, maar er zijn mensen die dat wel hebben gedaan.
Het is eigenlijk de ontwikkeling van de mens, die uit een streven voortkomt. Een streven moet beginnen met het op de proef stellen van je­zelf, het verlaten van je veilige geborgenheid, het avontuur misschien. Pas als je dat aandurft, als je durft bewijzen wat je wel en wat je niet bent, manoeuvreer je jezelf in een positie waarin je steeds meer licht kunt verdragen omdat je steeds minder probeert illusies in stand te hou­den en steeds meer feiten ontmoet. En door die feiten kun je dan ook meer licht overdragen aan anderen. Je kunt het licht aan anderen meedelen. Je wordt een reinigende factor. Dan geeft het niet wat je bent en wat je doet, maar je moet het wel helemaal zijn.
Voor jezelf is alles wat je als doel nastreeft, eigenlijk alleen maar het doorprikken van een blaas waardoor er een opening ontstaat die je een grotere wereld laat zien.
“Ik tik tegen de rand van de wereld”, zei het kuiken. En toen de schaal eenmaal gebroken was, kroop het snel onder de warme vleugels van de kloek en zei tot zichzelf: “Hoe groot is mijn wereld.” Toen het wat later zijn eerste worm uit de aarde probeerde te plukken, zei het tot zichzelf : “Wat zijn er een monsters.” En toen hij nog wat groter was, zei de kip tot zichzelf: “Waar blijft de haan.”
Zo verlopen de dingen in het leven. Je verandert en met jou veran­dert je doel, maar ook je wereld. Als je dan wat meer bewust bent dan een kip en je begrijpt de samenhangen en je eigen functie in het geheel ook een beetje, dan maak je een werkelijke ontwikkeling door. Zoals uw wereld op dit moment een ontwikkeling moet doormaken of ten onder gaan, omdat de be­perktheid die nu bestaat, een vuur in zich draagt als er licht komt waar­door veel van de wereld zal worden verteerd. Maar als de wereld zich open­stelt en daardoor verandert, dan krijgt ze een kracht waarmee ze, zelfs in deze uithoek van het Al, misschien anderen een gave van licht zou kunnen geven.
Ik heb op mijn manier geprobeerd u duidelijk te maken wat ontwikkelin­gen kunnen zijn. Ik heb u willen laten zien wat er aan de hand is, niet al­leen met de wereld en de kosmos maar met uzelf. Want eenieder die zich bezighoudt met ontwikkelingen, op welke wijze dan ook, zal dit allereerst moeten herleiden tot zijn eigen ontwikkeling. Als je zelf niet groeit, kun je niets helpen te groeien, behalve wat je niet kunt beheersen. Maar als je zelf kunt meegroeien, krijg je steeds meer kracht om daardoor de veran­dering kenbaarder te maken voor anderen en zo die anderen de mogelijkheid te geven eveneens te groeien naar een ruimer bewustzijn, een sterker inner­lijk vermogen en misschien ook wel een grotere innerlijke zekerheid waardoor je het avontuur van het leven toch wat gemakkelijker aandurft.
Ik moet nu afscheid nemen. Hartelijk dank voor uw gehoor, voor de ge­dachten die u ook buiten deze cursus om soms aan de inhoud van mijn lezin­gen hebt gegeven. Ik hoop dat u er wat aan heeft gehad. Tot ziens.

Harmonie

Harmonie is een veel gebruikt woord. De meeste mensen weten echter niet wat het betekent. Veel mensen denken dat harmonie bestaat uit een soort eenvormigheid. Dat is niet juist. Harmonie kan alleen dan bestaan, indien de meest verschillende elementen zich samenvoegen tot iets wat toch weer een geheel is.
Als wij het harmonisch-zijn van de kosmos bekijken, bestaat dat uit een enorm aantal tegenstellingen die elkaar zozeer aanvullen dat wat er ontstaat, toch een homogeniteit is. Al ons harmonisch streven mag dan ook niet gericht zijn op het zoeken naar alleen datgene wat bij ons past.
Heel veel mensen denken: ik ben erg harmonisch als ik alles wat bij mij past, dichterbij haal en al het andere wegschuif. Maar dat is in feite een vorm van disharmonie, want daardoor maak je een verschuiving mogelijk waarmee je wit en zwart tegenover elkaar stelt zonder aan te nemen dat er tussentinten zijn. De werkelijkheid is deze:
In de eerste plaats moet ik in mijzelf harmonisch zijn. Harmonie in jezelf bereik je door te beseffen en te aanvaarden wat je bent. Dan zul je de verschillende eigenschappen ten goede en ten kwade (volgens je eigen oordeel) die je bezit, kunnen accepteren als een geheel en uit dit geheel kunnen ageren tegen de wereld, of reageren op de wereld.
Als je dit hebt bereikt, zul je verder zoeken in de wereld naar wat er bij je past. Dat is een normale menselijke reactie. Zo zal elke mens een omgeving creëren die ongeveer past bij hetgeen hij zelf is en bij hetgeen zijn leven betekent. Daarnaast kijk je naar alle dingen die schijnbaar niet bij je passen. Maar al datgene wat niet bij je schijnt te behoren, heeft toch een functie in je bestaan. Je moet het aanvaarden zoals het is en je moet pro­beren het een plaats te geven waardoor je ermee kunt leven en kunt werken. Dit geldt geestelijk, dit geldt ook stoffelijk.
Er is iemand geweest die heeft gezegd dat het Koninkrijk der Hemelen bestaat uit lichte werelden die, in tegenstelling tot het buitenste duister, één geheel vormen. Het buitenste duister blijft daarbuiten. Maar als het buitenste duister erbuiten blijft, dan is er een disharmonie in de totali­teit en dat kan niet bestaan. Dientengevolge moeten wij zeggen: Alle werelden tezamen ‑ lichte en duistere ‑ vormen een eenheid waar­in de totaliteit van de schepping tot uiting komt.
Dat wij die duistere werelden als zodanig niet aanvaarden, is heel be­grijpelijk. We behoeven namelijk niet duister te zijn als wij in ons licht zijn. Maar wij moeten wel aanvaarden dat er duister bestaat en wat meer is, wij moe­ten dat duister niet verwerpen. Wij moeten het bestaan ervan accepteren en gelijktijdig proberen om al het licht dat voor ons mogelijk is, zodanig te han­teren dat het duister, dat in zijn eigen waarde kan blijven bestaan, niemand kan verslinden die niet geheel harmonisch is met dat duister. Dit zal ongetwijfeld voor de meesten van u enigszins een raadselspreuk zijn.
Als wij uittreden, berusten al onze werkingen in de astrale sfeer ook op harmonie en disharmonie. Als ik een schrikvorm aanvaard door er bang voor te zijn, dan kan ze mij domineren want het is een vorm van harmonie. Indien ik die schrikvorm geheel afwijs, zal ze mij niet kunnen aantasten en ik kan ervoor vluchten. Maar op het ogenblik dat ik die schrikvorm zie voor wat ze is, past ze in mijn wereld zo goed als ik pas in de wereld van die schrikvorm, maar ze is voor mij dan geen angstvorm meer en kan mij niet domineren, terwijl ik omgekeerd die vorm niet zal aanvallen en vernietigen, daarvoor wegvluchten of haar doen wegvluchten. Ik zal haar alleen reduce­ren tot wat ze werkelijk is.
Harmonie is in het leven van de mens, en ook in het gehele kosmische bestaan, een doen wegvallen van pretenties om daarvoor de essentie in de plaats te stellen.
Wat ben ik werkelijk? Als je die vraag probeert te beantwoorden, is dat vaak heel moeilijk. Je hebt zoveel dingen geleerd en gehoord waar je bij wilt passen, dat je de werkelijkheid niet helemaal kunt aanvaarden. Ze is meestal veel te eenvoudig voor de doorsnee-mens. Ook voor de door­snee‑geest is de waarheid omtrent de eigen persoonlijkheid vaak verre van wat men graag zou willen zijn. Maar goed, aanvaard dan eens wat je bent. Zeg eenvoudig: Zo ben ik en niet anders. Al het andere is zo op zijn eigen wijze. De pretenties moet ik leren doorzien. Alle schijn moet ik terzijde kunnen schuiven maar ik mag niet daarmee de werkelijkheid, die er achter schuilgaat, eveneens verwerpen. Dan kom je tot een resultaat.
Een mens, die probeert om met iedereen in de wereld de vrede te be­waren, zal ontdekken dat dat niet gaat. Er zijn mensen die denken: harmo­nie betekent dat ik vol vredelievende bedoelingen eenieder zonder meer tegemoet treed. De praktijk wijst echter uit dat, als je dat doet, je een pak slaag kunt krijgen en je nog niet verder komt. Het is doodgewoon: Ik moet accepteren dat er geweld bestaat. Ik moet accepteren dat ik mij tegen geweld moet kunnen verdedigen, maar gelijktijdig moet ik accepteren dat achter het geweld iets anders verborgen kan zijn. Als ik dat verborge­ne nu kan leren kennen, dan is het voor mij mogelijk om geweld uit te scha­kelen. Maar niet zolang ik alleen reageer op geweld, niet zolang ik mij onderwerp aan alles in naam en ter wille van de harmonie.
Het is duidelijk dat ook bij verdraagzaamheid dergelijke factoren een grote rol spelen. Verdraagzaamheid betekent accepteren dat iets of iemand anders is. Het betekent helemaal niet dat je je daaraan moet on­derwerpen, want dan zou jezelf anders moeten worden en dat betekent: ver­loochening van je persoonlijkheid, wat onaanvaardbaar is. Je moet altijd pre­cies weten wat je bent, wat je wilt en wat je kunt.
Het kunnen is ook voor een groot gedeelte illusie. Wij denken dat wij erg sterk en machtig zijn of dat wij erg onmachtig zijn. Ik feite hebben wij een bepaalde mogelijkheid, die wordt bepaald door wat wij zijn, door het bewustzijn dat wij bezitten, door de kracht die in ons leeft en die wij tot uiting kunnen brengen. Als wij deze dingen samenvatten, blijkt dat wij daar­mee alleen in zekere zin kunnen reageren binnen de kosmos. O, geen lots­verbondenheid, geen voorbestemming, dat maken de mensen ervan. Het is duidelijk dat iemand, die alleen maar op de fiets zit, moeilijk de TT van Assen kan gaan rijden. En iemand die platvoeten heeft, grote moei­lijkheden zal hebben als hij ver moet lopen. Zo zijn er meer van die dingen.
Vraag je af: Wat zijn mijn kwaliteiten, wat zijn mijn eigenschappen, wat zijn mijn mogelijkheden? Dan blijkt dat die mogelijkheden erg beperkt zijn. Maar in die mogelijkheden ligt juist mijn kracht en mijn werkelijkheid. Indien ik die kracht en die werkelijkheid weet waar te maken, ben ik wel degelijk harmonisch met het geheel.
Er zijn mensen die zeggen: Iemand die vloekt kan niet harmonisch zijn. Nou, ik moet u één ding zeggen: ik heb veel mensen gehoord die niet harmo­nisch waren en die heel zoete woorden spraken. Per slot van rekening, als je met een krachtterm uitdrukking geeft aan iets wat er in je leeft en daarmede voor jezelf een houding bepaalt, dan heb je daarmee iets gedaan waardoor je jezelf hebt gesteld voor wat je bent. Probeer je daaraan te ontkomen, dan loop je vast. Maar accepteer je dit: zo ben ik en die ander reageert op mij, dan moet je dat kunnen aanvaarden en dan krijg je deson­danks harmonie. Er zijn heel veel mensen die dat niet begrijpen.
Er zijn mensen die denken: de kosmos is van God. Dat is iets wat ge­maakt is van gesponnen suiker en fondant. Dat wij daar nu in zitten, is toe­val want wij passen daar niet helemaal in. Maar Gods kosmos is een soort krentenbrood met allerlei soorten specerijen, kruiderijen, krenten, rozijnen en weet ik wat al niet meer er in. Daarom is het krentenbrood. Gods kosmos omvat alles: licht, duister, goed, kwaad, alles wat wij maar denken te zien, alle beperkingen, alle mogelijkheden en daardoor is zij de totaliteit. Als je het zo bekijkt, is het duidelijk dat je niets kunt afwijzen of ver­werpen.
Je kunt voor jezelf iets verwerpen: Dit past mij niet. Maar je kunt niet zeggen dat het dan ook een ander niet past. Wat een ander is, weet je niet. Hoe een ander is, weet je niet. Waarheen een ander gaat, weet je niet. Wat een ander werkelijk verlangt, weet je niet. Je denkt soms dat je het weet, maar in 9 van de 10 gevallen projecteer je op die ander alleen maar dat wat in jezelf leeft. Het enige dat je kunt zeggen is: kan ik met die ander, op welke wijze dan ook, die vreemde band krijgen zo­dat ik kan zeggen: Hier is een soort samenhang ontstaan. Hier is een we­derkerige reactie mogelijk.
Als ik hier tegen u spreek en u zit allemaal te luisteren en u pro­beert te begrijpen, dan zie ik zo hier en daar golfjes naar mij toe komen van: dat is eigenlijk wel waar en juist. Daarop reageer ik dan weer. Dit is een harmonie. Dat wil niet zeggen dat wij gelijk zijn. Maar het wil wel zeggen dat wij, juist door de erkenning van de verschillen die er bestaan, ergens een contact krijgen waardoor wij tezamen een waarheid naar voren brengen, die groter is dan wat ik afzonderlijk kan doen of wat u afzonderlijk kunt formuleren. Het is deze samenwerking die de werkelijk­heid betekent. Deze samenwerking zullen wij overal moeten zoeken.
Als wij zoeken naar een kosmische harmonie, zullen wij moeten zoeken naar een harmonie die eerst alle delen van de kosmos omvat, omdat wij een­voudig niet kunnen beginnen met het aanvaarden van de hele kosmos en ge­lijktijdig ook delen daarvan afwijzen.
Als wij nu zoeken naar een harmonie met God, dan moeten wij God niet bepalen, dan moeten wij God beleven. Dan moeten wij, die kracht in onszelf erkennend, proberen hieraan uiting te geven door daarbij alles wat niet deugt, te accepteren en te brengen op de plaats waar het hoort, namelijk de onderlijning van wat wij erkennen als het positief Goddelijke. Dan heeft het zijn functie en zijn zin.
Als ik licht teken en ik zou dat willen accentueren, dan doe ik dat door er een donkere lijn naastte tekenen, zodat het licht naar voren springt; het krijgt dan reliëf.
Zo is het in mijn persoonlijkheid ook. Het licht in mijn persoonlijkheid (nu heb ik het even over mijzelf en niet over u) bestaat wel degelijk, maar er zijn ook duistere eigenschappen. Die duistere eigenschappen zijn noodzakelijk omdat ze de lichte eigenschappen de mogelijkheid verschaffen zich kenbaar te maken. In die samenhang is het licht. Zonder de omlijning zou het een vaagheid zijn. En als dat voor mij al geldt, dan moet het in de kosmos ook gelden.
Alles wat er kwaad is en alles wat er goed is, moeten samenspelen. Daarbij moet datgene wat z.g. kwaad heet, wat wij zien als duister, het licht kenbaar maken. Maar het mag het licht niet domineren. Zoals het licht ook het duister niet mag domineren. Ze moeten tezamen het beeld vormen van de volmaaktheid.
Als ik op deze laatste bijeenkomst van uw groep spreek over harmonie, dan doe ik dit niet voor niets. Als je je bezighoudt met allerlei filosofieën, met de ontwikkeling van de wereld, met alle grote en bezielende krachten die er in de wereld zijn, met de bezielende krachten welke in die wereld kunnen leven, dan komt er een ogenblik dat je je afvraagt: Wat ben ik nu? Hoe is een harmonie in dit alles mogelijk? Dan kun je zeggen: Die harmonie is alleen mogelijk door te accepteren dat het allemaal bestaat, te accepteren wat je zelf bent en dan te functioneren in het geheel.
Als je een kerk bouwt, dan kan een steen zeggen: Ik weet niet waarom ik groter of kleiner ben dan een andere steen. Maar dat is niet belangrijk. Het belangrijke is dat hij in dat gaatje in de muur past waardoor die muur een geheel wordt.
Dat is eigenlijk het hele raadsel van harmonie, niet meer of niet min­der willen zijn dan je bent. Maar dat wat je bent, bewust en volledig invoe­gen in een totaliteit zonder iets daarin te verwerpen en zonder daardoor iets in jezelf of omtrent jezelf te ontkennen. Dit is een samenwerking en een waarheid waaruit een sfeer voortkomt die de openbaring kan worden ge­noemd van de Schepper zelf.
Wie op deze wijze harmonie nastreeft, zal steeds meer ervaren dat hij in zich de kracht krijgt niet alleen zuiver zichzelf te kennen en te zijn, maar gelijktijdig de schoonheid van de totaliteit te erkennen, de wijsheid, het inzicht te gewinnen waardoor het geheel meer benaderbaar wordt uit het eigen begripsvermogen en, in de eenheid levend, gelijktijdig het bestaan van de totaliteit te accentueren, ook door zijn beperkt bestaan in welke wereld of welke sfeer dan ook.

Vakantie

Een woord dat de mensen graag gebruiken. Vakantie is vrij zijn, anders zijn. Als je goed kijkt, dan werken ze zo hard om anders te zijn, dat ze doodmoe zijn en blij dat het gewone sleurtje weer begint. Want zo is het altijd.
Wij stellen ons iets voor en denken dat wij vrij kunnen zijn. Maar wij kunnen niet werkelijk vrij zijn. We kunnen alleen maar onze gebondenheden, verplichtingen en activiteiten veranderen. En dit geldt in de gehele kosmos.
Wij kunnen geen vakantie nemen van het leven. Wij kunnen niet vrij zijn van het ­leven, maar wel kunnen de processen van leven zich afwisselen. Als ik in de geest ben, dan heb ik ongetwijfeld het gevoel dat ik vakantie heb van een stoffelijk bestaan. Maar omgekeerd, wanneer ik in de stof ben, dan heb ik misschien ook weer het gevoel dat ik enige vakantie heb verdiend, maar dan zoek ik die niet in geestelijke zin want ik weet eigenlijk niet wat ik zoek.
Het woord vakantie is een illusie. Het is het wegvallen van het werk, maar het is gelijktijdig het ontstaan van andere spanningen. Het is a.h.w. spanningen afwisselen met andere spanningen. En dan zeggen ze: Vakantie geeft evenwicht. Maar ontstaat het evenwicht niet veel eerder door de andere gerichtheid van de inspanningen dan door de feitelijke ontspanning?
Ik geloof dat wij in ons voortdurend de spanningen moeten opheffen. Dat wij onze eenzijdigheden moeten verbreken. Als je dit vakantie wilt noemen, is dat een goed woord daarvoor. Want het is de werkelijke ontspanning die ontstaat, wanneer we de eenzijdigheid van ons wezen verbreken en daardoor de veelzijdigheid, de pluriformiteit van ons werkelijk bestaan weer tot uiting brengen. In deze pluriformiteit van ons bestaan kunnen we de essentie ervan beter beleven en tevens de kracht vinden om in elk facet van ons wezen de totaliteit beter tot gelding te brengen.