De wereld van het wonder

8 november 1960

Vragengedeelte

(hoort bij teksten “Planeettypen” en “Verschillende geestelijke invloeden

 

We hebben vanavond een ietwat andere indeling omdat wij een gastspreker hebben. Ik geloof dat wij de eerste tijd daarom gunstig kunnen besteden aan het afdoen van de voornaamste vragen die er zijn. Daarna komt een gastspreker. Het kan daardoor iets anders lopen dan normaal, de tijd kan iets anders liggen. Graag de schriftelijke vragen en problemen.

U zei ten aanzien van de beschouwing van het symbool: waar ik volledig ben ingesteld op gelijk vlak, daar zal een harmonie, in mij bestaande, mijn wezen elders weerkaatsen. Aldus zal ik door het gebruik van het symbool als concentratiemiddel in staat zijn de hoogst mogelijke innerlijke harmonie elders gelijktijdig te manifesteren.
  1. Wat bedoelt u met: een instelling op gelijk vlak?
  2. Veronderstel dat ik mij op een schietlood concentreer als symbool van een denkrichting en bij uitbreiding als symbool van een geestelijke instelling; als ik mij vervolgens deze instelling nader bewust word als de fundamentele eenheid van al hetgeen geschapen is, in welke sfeer of sferen doet zich dan de echo voor? En krijg ik daardoor een symbolische wisselwerking waardoor mijn innerlijke ervaring wordt versterkt?

Elk symbool op zichzelf duidt een bepaald vlak van bewustzijn aan. Om een symbool te kunnen begrijpen moet je de inhoud daarvan niet alleen verstandelijk kennen, maar je moet ze ook aanvoelen. Wanneer ik dus een symbool beschouw en mij op een gelijk vlak instel, dan wil dit zeggen, dat ik het totaal van hetgeen voor mij in het symbool leeft, wat ik in denken en aanvoelen kan verwerken, ook tot uiting breng vanuit mijn eigen wezen. Bij het beschouwen van het symbool is dit dus een hulpmiddel. Want ik kan ook het symbool in mijzelf kennen en heb dan geen voorstelling nodig. In de praktijk echter zal de doodsneemens, wanneer hij zich op een voorstelling moet concentreren, niet in staat zijn deze volledig te doorvoelen. Zijn concentratie is te eenzijdig en te zeer op de voorstelling gericht om gelijktijdig een volledig opgaan in het symbool zelf mogelijk te maken. Het symbool is dus hulpmiddel. De instelling geschiedt op het vlak dat het symbool aanduidt en wij krijgen daaruit een zo hoog mogelijke harmonische werking. Wij kunnen nl. nooit een hogere harmonie verwekken dan ons eigen wezen aanvoelt. Wij kunnen niet verdergaan dan wij gekomen zijn. Wanneer u dus spreekt over het schietlood als het symbool van een richting, dan kunt u door die beschouwing met die richting één zijn. Die richting kan op aarde bestaan en dus alleen een zuiver menselijk harmonisch verschijnsel plus een groter bevattingsvermogen voor de gemiddelde gedachtestraling van die groep inhouden. Wanneer ik verder doordring in dat symbool en ik ga dus de richting uit van het kosmische, dan zal de hoogste sfeer, die voor mij bereikbaar is, de weerkaatsing geven. Dit is afhankelijk van mijn persoonlijke voorstelling, mijn concept van de kosmos. Het deel van de waarheid, dat ik onder het begrip kosmos erken bepaalt de sfeer, waarin de synchrone weerkaatsing ontstaat. Dan wil ik er verder nog op wijzen, dat dit spiegeleffect – want dat is het eigenlijk – altijd gaat via de trappen van het eigen wezen. Bij het stellen van de vraag is dit buiten beschouwing gebleven. Maar het gaat van binnen uit. Dus vanuit onze geestelijke voertuigen naar de wereld waarin die geestelijk voertuigen a.h.w. leven en via onze eigen geestelijke voertuigen keert de kracht tot ons terug. Dit volgt uit de vorige les zowel als uit het voorgaande in de les, waaruit het citaat is genomen.

Ik heb moeilijkheden met de schematische tekening. De basis van onze persoonlijke bewustzijnskennis is een punt, “ik ben”, gelegen in de basis van de gouden driehoek. Is de stoffelijke ervaring en beheersing dan ook slechts één punt, gelegen in de basis van de azuren driehoek?

Ja. Anders gezegd: wanneer ik uit het allerhoogste (dus het kosmisch bewustzijn) een loodlijn laat op mijn ogenblikkelijk bewustzijn (tevens de basislijn van die gouden driehoek), dan heb ik daarmede het punt bereikt waarop ik mij op dit ogenblik bewust ben. Mijn bewustwordingsmogelijkheid is in veelheid van verschijnselen uitgedrukt door de afmeting van de driehoek zelf. Ik ben het midden van de basislijn. En laten we nu eenvoudig zeggen dat zich naar rechts het goede en naar links het kwade (of het lichte en het duistere) dus uitstrekt voor mij. Dit is alles echter geestelijk, levend en lichtend. Daarnaast bestaat de mens uit materie. U moet goed begrijpen dat op het ogenblik dat u materie wordt, uw totaal geestelijk bewustzijn mede aansprakelijk is voor het stoffelijk voertuig dat u kiest. Daarover werd al veel gesproken. Het gevolg is, dat precies dezelfde verdeling als geestelijk bestaat ook stoffelijk zal ontstaan. Waar nu bij een plaatsen in de z.g. stervorm de driehoek materie wordt gekanteld en dus tegengesteld wordt – oorspronkelijk hadden we, zoals u weet, een congruentie, een volkomen gelijkvormigheid – zo zal de punt van beide driehoeken door een volkomen rechte lijn verbonden kunnen worden. De punten waarop de azuren lijn (die dan iets hoger ligt dan de gouden lijn) en de gouden lijn gesneden worden door deze lijn die beide punten verbindt, bepaalt dus de punten van ervaring en de punten van ik-bewustzijn in geuite vorm. Simpel gezegd: stel u een ogenblik voor dat beide driehoeken niet worden voorgesteld als elkaar snijdend en als symmetrisch patroon, maar als twee gelijkgroten en gelijkvormige driehoeken, die op elkaar liggen, dan kunnen we door één loodlijn te laten vanuit de punt – onverschillig van welke driehoek – op beider basislijn precies aanduiden waar het eigenlijk ik-bewustzijn (het brandpunt van ervaring) zich bevindt. Ook wanneer ik nu de tegenstelling stof/geest, zoals die voor ons bestaat, symbolisch ga uitdrukken door dit z.g. gevlochten zegel ervan te maken (dus deze twee elkaar snijdende driehoeken, die een volkomen symmetrische stervormen, met 6 volkomen gelijke punten dus) blijkt ditzelfde waar.

Ik heb nu de tegenstelling stof en geest aangeduid. Ik heb door de ruimte, die ligt tussen de laaggelegen gouden lijn en de hooggelegen azuren lijn en de bases van hun driehoeken aangegeven welk deel van mijn leven tot mijn huidig ervaringsgebied behoort. Daarbij zien wij het eigenaardige feit, dat de geest dus kan klimmen tot het maximaal stoffelijk bereiken en ervaren, dat de mogelijkheden voor beiden gelijk zijn. Kunt u zich het beeld voorstellen? Hier hebt u dus de gouden lijn, daar gaat de driehoek naar boven; daar hebt u de azuren lijn, daar gaat de driehoek naar beneden. Azuur is materie, goud is geest. Materie ligt in de levensuiting van de mens boven de geest, omdat zijn geestelijke vermogens zich moeten aanpassen en groeien naar de totale bewustzijnsmogelijkheid die stoffelijk onmiddellijk werd uitgedrukt. Dit is te danken aan het feit dat het geestelijk bevattingsvermogen en besef bepaald wordt door eigen voorstellingsvermogen.

Terwijl in de stof de geopenbaardheid van de stof en de stoffelijke verschijnselen op zichzelf te allen tijde de wereld vormen. Dan vloeit hieruit voort dat de geest over het algemeen een kleiner deel van de gouden basislijn bewust zal beleven en exploiteren dan de gelijksoortige waarde van de azuren basislijn die boven haar ligt. Wanneer een absolute eenheid van bewustzijn in stof en geest is ervaren, houdt het verschil op te bestaan. Dan is er geen sprake meer van onze twee driehoeksvormen en kunnen wij daarvoor terugkeren naar de congruentie, waar de volledige beleving van stof en geest – zijnde volkomen gelijk – de waarheid van leven weergeeft in beide factoren en als zodanig een besef van het Goddelijke hieruit mogelijk is, evenals een benadering.

Wilt u nog even herhalen van de lijn, die u naar beneden laat en die dan lager of hoger is voor het stoffelijke en het geestelijke. Die lijn is toch congruent?

De lijn is congruent wanneer wij beide driehoeken op elkaar leggen. Wanneer ze echter tegengesteld zijn, dan houdt voor ons bewustzijn de congruentie op te bestaan, omdat wij met twee gescheiden waarden te maken hebben. Hieruit vloeit dan weer voort, dat er voor ons een verschil aan beleving kan bestaan in goud (of geest) en in azuur (of materie). Dat verschil in beleving moet worden opgeheven om een perfecte harmonie te verkrijgen. Een perfecte harmonie waarbij alle waarden van geest en stof gelijkelijk en volledig worden beseft, maakt echter voor ons een verschil tussen beide driehoeken niet meer noodzakelijk, want het vloeit samen. En in die eenheid komen wij tot de kosmische waarheid, die dan weer in de driehoek is uitgebeeld.

Bij een tekening zouden we dus beter de blauwe driehoek in zijn volheid kunnen tekenen, en de gouden driehoek gedeeltelijk weglaten waar hij door de blauwe driehoek wordt overschaduwd.

Voor de mens, ja. Maar het is niet de bedoeling dat zij dit altijd zal doen. En daarom geeft van onze zijde uit het z.g. gevlochten tekenen een beetje meer inzicht. Wanneer wij ze nl. gevlochten tekenen (dus de gouden driehoek volledig links naar boven gaande en de azuren driehoek rechts naar onder gaande, waarbij dus beide eenmaal onderbroken zijn in de tekening), geven wij de continuïteit van verschijnselen gemakkelijker weer dan door het onderbreken van één van de driehoeken op de vier punten van beroering.

Dus dan in de ruimte het als een kegel voorstellend.

Bij een piramide kunnen wij deze symboliek niet gebruiken, omdat het voor de mens praktisch niet mogelijk is een vierdimensionale uitslag te tekenen van de piramide, die weer noodzakelijk zou zijn om op een vlak de verhoudingen aan te duiden die tussen beide piramiden zouden bestaan. Waar de beide piramiden elkaar doorkruisen kunt u zich nl. tekenkundig niet voorstellen, omdat u op een tweedimensionaal vlak werkt. Als zodanig is het ook voor het menselijk oog niet mogelijk dit symbool te tekenen, omdat automatisch dan één van de piramiden voor een groot deel wordt weggedrukt door de andere piramide, met als gevolg dat we hier dus nooit een kruising zullen gebruiken, maar bij de piramide altijd spreken van een spiegeling, waarbij de basis dus voor beide gelijk en in het midden ligt en de één zich naar beneden en de ander naar boven ontwikkelt. Dit voert tot andere interpretaties en andere symboolwaarden, zodat dit hier niet vergelijkbaar is.

Hoe groter het gebied ervaring wordt, hoe korter wordt de lijn bewustzijn, is gezegd. Maar is in die lijn bewustzijn de “persoonlijke” bewustzijnskennis slechts een onderdeel? Want alleen in dat geval kan ik tot de constructie van een zeshoek komen. De lijn bewustzijn verbindt nl. de opstaande zijden, terwijl de zeshoek slechts een deel van deze lijn bevat.

In de praktijk komt het eigenlijk hierop neer: dat de lijn bewustzijn, die wij aangeven en die steeds kleiner wordt naarmate wij hoger komen, dat deel van bewustzijn aangeeft dat wij persoonlijk bezitten. Het houdt niet in dat het bewustzijn niet gelijktijdig versmolten kan zijn met waarden buiten het ik. Om het heel simpel uit te drukken: naarmate het bewustzijn van het ik meer intens één wordt met God, wordt de beleving van al wat buiten staat minder een bewustzijnskwestie dan wel een soort instinct. Het is dus automatisch aan het wezen toegevoegd, maar vraagt geen eigen acties, ofschoon het wel voor het ik bruikbaar is.

Ik heb getracht het voor mijzelf heel simpel uit te drukken door de gouden driehoek die van het kennen en de azuren die van het kunnen te noemen. Maar dekt dit eigenlijk wel wat u ervan zegt?

Neen, dat dekt het niet. Want zowel kennen als kunnen zijn voor de mens stoffelijke waarden. Kennen is nl. een bewustzijnsfunctie. Kunnen vloeit uit het bewustzijn voort, maar impliceert verder vaardigheid, dus ook stoffelijke waarden. Wij brengen daarbij het hele symbool terug tot een zuiver menselijke relatie. Dit is niet de bedoeling. U kunt wel spreken van het geestelijk ik en de nu actieve ik-heid, het nu actieve voertuig. Dat zou u nog wel kunnen doen.

Dat laatste zou dan in het azuur schuilen en het geestelijk ik in de gouden driehoek?

Inderdaad, omdat de geest dus het hogere gebied omvat, de materie het lagere. Waar wij deze als tegenstelling kennen zien wij ze aan elkaar tegen gericht. U dient dus altijd te onthouden: wat wij als azuur of blauw hebben uitgedrukt, dat zou wetenschap kunnen zijn bijvoorbeeld. Dan zou daar tegenover komen te staan: de gouden driehoek als innerlijk weten. Dan komen wij wat dichter in de richting. Maar wij geven dan nog niet zuiver het symbool weer, zodat het beter is u te houden aan de misschien wat ingewikkelder benamingen die wij hebben gesteld.

Elk verlangen, dat intens opkomt, betekent dat het ligt boven de ogenblikkelijk bestaande stoffelijke toestand en beneden de geestelijk bereikte toestand, is gezegd. Zijn de woorden “boven” en “beneden” hier niet per ongeluk verwisseld? Wij hebben nl. de gouden driehoek met de spits opwaarts en de azuren met de spits neerwaarts.

Inderdaad. Wanneer wij ons aan het symbool vasthouden moeten die woorden inderdaad worden verwisseld. De bedoeling van de weergave was hier dus waarschijnlijk te menselijk gericht, omdat wanneer wij een werkelijk al-overheersend verlangen hebben, dit niet meer is terug te brengen tot een zuiver lichamelijk iets. Een lichamelijke begeerte kan nl. niet al-overweldigend zijn voor de mens, evenmin als een zuiver lichamelijke angst of een lichamelijke pijn. Op het ogenblik dat wij daarbij de mentale factor in het geding brengen gaan wij bepaalde niet aan de stof of aan het begeerde of het gebeuren inherente, maar eigen waarden toevoegen aan de oorspronkelijke stoffelijke waarden. Daardoor liggen wij dus vanuit menselijk standpunt op een terrein dat ligt boven het stoffelijke. Inderdaad. Maar dat kan nooit geestelijk zijn, want geestelijk worden de waarden a.h.w. omgedraaid en daar kunnen angst en begeren heel weinig uithalen. Het gevolg is dat wij liggen tussen het geestelijke en het stoffelijke in en dat wij op dat ogenblik niet in staat zijn een volledig geestelijke realisatie in onszelf te doen ontstaan, maar ook niet in staat zijn een volledige stoffelijke realisatie van de werkelijkheid te geven. De wereld, waarin wij leven, is dus een persoonlijke, een soort fantasia, dat omringd wordt door werkelijke waarden en naar boven en naar beneden door werkelijke waarden wordt begrensd. Vandaar dus dat het lichamelijk verschijnsel – en dat is iets typisch – op een gegeven ogenblik symptomatisch wordt voor hetgeen in dat fantasia, gebeurt, (ik spreek hier niet over een eenheid van stof en geest, want daar kunnen stoffelijke en geestelijke werkingen volledig parallel verlopen; maar het bewustzijn zal dan bv. volledig geestelijk zijn, het ervaren kan dan daarbij volledig stoffelijk zijn.) Bij de versterking echter leven wij steeds weer in fantasia. Niet omdat die wereld een zuivere fantasiewereld is, maar omdat de persoonlijke interpretatie die wij plegen te geven aan feiten, de voorstelling die wij plegen te maken, zowel van de geestelijke werkelijkheid als van de stoffelijke werkelijkheid verwijderd zijn. Dit kan dus tussen stof en geest ook onevenwichtigheid doen ontstaan wanneer het één van deze of beide gebieden overvleugelt. Omdat dan de punten “ik” niet meer in de rechte lijn liggen (en nu gaan wij dus even terug naar het symbool) maar t.o.v. elkaar verschuiven. Bij deze verschuiving ontstaat dus een wisselwerking die niet juist meer is; wij zijn disharmonisch geworden. En uit deze disharmonie zien wij dan dat alleen het punt “waan”, dat in het midden ligt, nu in de ledige ruimte noch met de top boven (de goddelijke openbaring in de geest) noch met de top beneden (de goddelijke ervaring in stof) in lijn ligt. En deze vertekening is dan de oorzaak voor allerhande onaangenaamheden, ziekte, enz. Daarnaast voor geestelijke kwellingen, afwijking van sfeer, enz.

Vrienden, ik hoop dat u mij niet kwalijk neemt dat ik dit op zichzelf interessante punt beëindig, want het wordt tijd dat ik plaats maak voor onze gastspreker van vanavond. Ik geloof niet dat ik u daarop verder behoef voor te bereiden. Het is nu niet direct wetenschappelijk, maar het is zeer zeker een kern van de esoterie. Uw aandacht voor onze gast.

De wereld van het wonder

Wanneer ik op deze avond tot u spreek, zo komt dit voort uit een zekere behoefte mijnerzijds of onzerzijds. U bent hier als groep samen en u zoekt naar esoterie, innerlijke kennis en bewustwording. Daarbij worden sommige punten helaas te veel vergeten. Ik wil u wijzen op de wereld van het wonder, het werkelijke wonder dat bestaat voor ons allen. Wij kunnen natuurlijk trachten aan de hand van menselijke wetenschappen, aan de hand van beredenering, door te wijzen op toeval en kansrekening, het mirakel te ontkrachten. Maar ik mag toch wel uitgaan van de stelling dat voor de doorsneemens het wonder noodzakelijk is. Een mens komt pas tot de intensiteit van geestelijk beleven, die nodig is voor een werkelijk opstijgen tot de hogere waarden van het ik, wanneer hij steeds weer geconfronteerd wordt met het onbegrijpelijke, wanneer hij steeds weer attent wordt op het ingrijpen van grotere krachten en grotere wezens in zijn persoonlijkheid.

Het wonder wordt heel vaak tegenwoordig een toeval genoemd. En wij kunnen praktisch alles wat gebeurt redelijk verklaren. Maar hebt u er wel eens over nagedacht, hoe wonderlijk het is, dat in ruimte en tijd de juiste condities elkaar ontmoeten op het ogenblik dat dit voor u belangrijk is? Hebt u zich ooit afgevraagd, hoe het komt dat u juist deze kleine en haast onopvallende hulp, deze inspiratie, deze kleine stoffelijke gave of dit enkel geestelijke woord juist verneemt op het belangrijke ogenblik? Er zijn in de wereld (de wereld van de geest en van de stof) krachten actief die veel groter, veel sterker en veel machtiger zijn dan menselijk weten zich kan voorstellen. Deze krachten te noemen ware overdreven. Maar hun bestaan mogen wij vaststellen.

Wij kunnen met deze krachten in contact komen. Er bestaat een mogelijkheid om die kracht te beleven, ook als mens. In enkele gevallen zijn wij in staat om in een mystieke bespiegeling door te dringen tot het allerhoogste Licht en de allerhoogste Kracht, zelfs vanuit de stof. Maar daarvoor is iets noodzakelijk wat menigeen ontbreekt: een vertrouwen misschien, een erkennen van die Kracht niet alleen als hypothese maar als een werkelijk verschijnsel in het eigen bestaan. Ik wil hier niet spreken over de noodzaak om God te aanvaarden. Wel over de noodzaak de werkingen, die mede uit God zijn, in eigen bestaan en leven te erkennen en daaruit voor jezelf aan te voelen wat nu de mogelijkheden zijn. Daaruit voor jezelf de kracht te putten om nu op dit ogenblik geestelijk verder te gaan, een hoger en intenser geestelijk beleven in jezelf zich te doen afspelen.

Het punt van uitgang is voor de meesten onzer de liefde Gods, de eeuwige kracht van het Licht die rond ons is. Wij moeten echter goed beseffen, dat wij – ofschoon wij altijd deel zijn van het Licht en de goddelijke Liefdekracht altijd voor ons bestaat – niet gelijkelijk ten allen tijde in staat zullen zijn om deze kracht te ervaren of met deze kracht te werken of vanuit deze kracht verder te gaan. Er zijn voor mens en geest zekere beperkingen. Wanneer in een mensenleven of wanneer in een geestelijk bestaan een ogenblik komt van werkelijke behoefte – ook al is deze niet gerealiseerd – zo zal het wonderbaarlijke, het paranormale, het occulte zich manifesteren. Daarover hebt u in de loop der tijden reeds veel gehoord, naar ik aanneem. Besef echter wat dit betekent. Het is niet alleen een proeve of een beproeving. Het heeft op dat ogenblik volledig zin, indien u het kunt ondergaan als een werkelijk deel van het hogere, niet alleen als een verschijnsel.

Het is noodzakelijk om in jezelf één te zijn. En die eenheid houdt vele dingen in, die voor mensen vreemd lijken. En toch, laat ons het eenvoudigst voorbeeld nemen: wanneer er werkelijk liefde is in je hart voor één, die niet in je eigen wereld vertoeft, dan kan die zich manifesteren. Dan kun je hem/haar zien en soms spreken. Het is echter dwaasheid en waan in stoffelijk opzicht. Maar het betekent gelijktijdig vaak de kracht en de zin van je leven. Dat is geen toeval, dat is niet alleen het spel van een verworden fantasie. Dat is het mirakel, het wonder van de grens die wegvalt, waarbij de verschijnselen van uw eigen wereld een ogenblik hun realiteit moeten achterstellen bij iets, wat u leven geeft, wat u inhoud en kracht geeft.

Wanneer u door het leven gaat dan gebeuren er soms toevalligheden. U mist een tram of trein of bus of u wordt opgehouden door een verkeerslicht en juist daardoor maakt u contact met een mens die interessant is, juist daardoor ontmoet u iemand die u in lange jaren niet gezien hebt, juist daardoor gebeurt er iets in uw leven. U bent niet besloten, u staat in twijfel en een schijnbaar toevallig gebeuren – eenvoudig een klok die slaat, een geluid op straat, een zinsnede in een hoofdartikel in een krant – treft u en brengt u tot een beslissing. Dat is geen toeval. Wanneer u juist bent ingesteld, wanneer u werkelijk zoekt goed te handelen en goed te doen, dan blijkt de inspiratie die daaruit voortkomt uw eigen leven rijker, weidser en groter te maken. Het geeft u een nieuwe taak, het geeft u een nieuw licht, het geeft u nieuwe veerkracht. Dat zijn wonderen. Tegen elke toevalligheid in en tegen elke berekening van menselijke kant gebeuren de vreemdste dingen. Een verkiezing misschien die anders uitloopt dan ieder had gemeend. Of een loterijprijs, die juist daar valt waar ze nooit verwacht had kunnen worden. Steeds weer toeval. Eenvoudig toeval. Een mens koopt een lot om een ander een genoegen te doen en wint een hoofdprijs en zijn leven verandert. Allemaal toeval. Of …. een wonder?

Ik wilde dat ik u het geloof in het wonder zou kunnen geven. Want er zijn er onder u die ziek zijn, er zijn er onder u die verward zijn, er zijn er onder u die niet weten wat te doen en die in een soort gelatenheid ondergaan waar zij zouden moeten handelen. Dat u zo bent dankt u aan het feit, dat u aan het wonder voorbijgaat. Het wonder, dat zoveel groter kan zijn dan hetgeen wat u werkelijk begeert of verlangt. Dat u voorbijgaat aan de verwachting, dat – zelfs ondanks natuurlijke zaken en verklaringen – het ingrijpen in uw leven een teken is van een werkelijke kracht van boven, een werkelijk levende kracht.

Hoe wilt u opgaan in uzelf tot God, hoe wilt u zichzelf leren kennen, hoe wilt u waarlijk leven, wanneer u niet – gesterkt door het feitelijk ervaren – steeds weer u voelt opgeheven boven de norm? Er zijn zoveel vreemde dingen. U gaat op reis en door een toeval wordt u tegengehouden. Maar het verandert iets in uw leven en in het leven van anderen. Dat is geen toeval. Toeval is een uitvlucht die de mens heeft gevonden om het wonder te verklaren. Het wonder dat – stoffelijk gezien – positief en negatief kan zijn, dat stoffelijk een gift, een vreugde en een verheffing kan betekenen en soms een beperking, maar dat altijd weer werkt in jezelf, in jezelf krachten omhoogstuwt, in je dat doet ontstaan wat noodzakelijk is om voort te gaan.

Het is misschien voor velen prettiger om te spreken over het zuiver wetenschappelijke of om in het magische te dolen, zich te houden aan de filosofische regels der esoterie en de betekenis van de symbolen. Maar vrienden, er is meer in het leven dan dat. Wanneer u er werkelijk op durft letten, wanneer u het durft accepteren voor wat het is, bestaat in uw leven het wonder, elke keer weer. En wat meer is: de mens die eenmaal het wonder beleeft en aanvaardt, put daaruit kracht om in zichzelf op te gaan. En dan mag dat verklaard worden met het wekken van spiegelingen en weerkaatsingen in andere sferen. Maar wanneer een spiegel een beeld werpt naar een andere spiegel, wanneer licht langs vele hoeken terugkeert tot zijn bron, dan is het niet de spiegel die bepaalt en ook niet de lichtbron, maar de kracht die in de bron het licht veroorzaakt. Datgene wat u doet leven, wat u doet denken, verlangen, streven en dromen, datgene wat u maakt tot mensen die zoeken naar esoterisch beleven, is het Licht, is de werkelijkheid, het Goddelijke.

Daaruit ontstaan de wonderen. Niet uit u en niet uit het toeval van de omgeving.

Misschien klinkt het u vreemd wanneer ik hier wil spreken over een bewuste kracht Gods en een bewuste liefde in uw leven. De meeste mensen nemen dit aan als een theorie en gaan eraan voorbij. Maar ik zeg u, het is u praktisch onmogelijk werkelijk reëel en gelukkig te leven in geest en stof beide, zonder een intens geloof aan en een intens vertrouwen op uw God. Wij kunnen zeggen dat het toch verstandiger is het stoffelijk en redelijk te zien. Misschien hebt u gelijk vanuit uw standpunt. Maar vrienden, er is zoveel gedaan, er is zoveel gegeven, er is zoveel geleden om dat licht en dat wonder in uw leven te brengen. Het is het product van opofferingen in de geest, van goddelijke liefde, die door alle eeuwen heen straalt. Het is het product van alle bewustzijn tezamen. En daarvan ben jij het brandpunt. Want al wat met u betrekking heeft vloeit in u samen uit geheel de kosmos. Het is niet mogelijk voor u uw zonden te dragen. Maar het is wel mogelijk u de middelen te geven uw schuld goed te maken. Het is mogelijk u een kracht te geven om intenser te leven. Het is mogelijk u juist, indien u het wonder niet verwerpt, maar wanneer u het bewust durft ondergaan, de weg te tonen naar dat innerlijk, dat heet het Koninkrijk Gods.

Kennis is goed en schoon, wetenschap is belangrijk, begrip voor alle mooie verhoudingen in het Al is lovenswaardig en prijzenswaardig. Maar zeg mij, wat in uw kennis is groter dan het Licht waaruit je leeft? Dat Licht te erkennen, dat Licht te beleven in elke zin, is het meest belangrijke zowel voor de esotericus als voor elke mens. Er zijn velen geweest op deze wereld die – bewust dit belevend – hun leven hebben gegeven om dit aan elke mens te bevestigen en te tonen. Er zijn ongetelde geesten die steeds op deze wereld werken, zonder verpozen, om de mens die kracht van het wonder deelachtig te doen worden, hem aan te tonen waar zijn weg ligt naar innerlijke vrede. Wees in uzelf één met de Kracht die u bezielt, door te erkennen hoe die Kracht steeds en altijd weer u leidt en helpt. Weet dat – al noemt u het meester of leider of goeroe, engel of heilige – uit de grote Kracht steeds weer het vermogen tot u komt, dat uw leven in ruimte en tijd samenvoegt met andere wezens, dat inhoud geeft en betekenis door het juiste ogenblik.

Ik heb u niet veel te zeggen, alleen dit: wanneer u mijn vrienden, u mijn broeders en zusters, werkelijk wilt streven in uzelf, dan zult u eerst moeten trachten de doelmatigheid van alle dingen te beseffen. Dan zult u moeten trachten in te zien hoe alle toeval, elk schijnbaar tegenwerken of meevallen behoort tot een plan. U kunt aanvaarden of verwerpen, maar het wonder wordt u gegeven. Put u daaruit de kracht die erin ligt, dan wordt u sterk. Dan dringt u door in uzelf en dan vindt u in uzelf de gloed des Lichts. Dan vindt u God. Maar indien u alleen oordeelt naar uw eigen maatstaven en misschien zelfs uw eigen ik wilt oordelen met eigen maatstaf, dan gaat het wonder u voorbij. Dan zult u niet weten dat het is geschied en zult u klein en onbeholpen blijven in uzelf.

Ik spreek hier voor vele groten, hen die op deze wereld waren en hem die nu op deze wereld leeft. De tijd van wonderen en mirakelen neemt toe, niet af. De tijd van wonderen en mirakelen is intenser en dichterbij dan ooit voor elk van u. Niet als de toverkunst van het onbegrijpelijke, maar als het samenvloeien van begrijpelijke omstandigheden op dat ogenblik, dat zo belangrijk is. Deze kracht wordt aan alle mensen in grote volheid gegeven.

Zij die zichzelf willen leren kennen dienen op deze kracht acht te slaan en daaruit de innerlijke kracht, het enthousiasme, de zekerheid, het geloof te putten, waardoor zij in zichzelf meer zijn, groter waarheid beseffen, zelfstandiger en bewuster handelen en helpen om wat kosmisch noodzakelijk is op deze wereld in zich te verwerkelijken en buiten zich voor te bereiden. Dat is alles wat ik u te zeggen heb. Vrienden, vrede zij u op uw paden. God zij met u op al uw wegen.

Commentaar

Ik voel mij genoopt, vrienden, om iets meer te zeggen omtrent hetgeen naar voren is gebracht en dat, naar ik meen, uw belangrijkste les voor deze bijeenkomst inhoudt. Naast alle esoterie, waarmede wij ons zo graag bezighouden, naast alle zoeken naar betekenis van driehoeken en vierkanten en zo meer, zullen wij rekening moeten houden met een werkelijkheid die bestaat. Deze werkelijkheid wordt door onze meester en vriend het wonder, het mirakel genoemd.

Ongetwijfeld zult u bij enig nadenken in uw eigen leven en bestaan punten kunnen aangeven, die eigenlijk wonderlijk zijn en misschien onverklaarbaar. Maar ik ben er zeker van dat de meesten onder u deze op het ogenblik van gebeuren zijn voorbijgegaan als iets wat nu eenmaal gebeurt, iets wat er nu eenmaal bij hoort. Wij weten allemaal dat het buitengewoon belangrijk is in deze periode om zo groot mogelijke krachten te ontketenen van zuiver geestelijk gehalte en geestelijk belang. Wij weten dat toenemende vrijheid, zelf aansprakelijk zijn, enz. op deze wereld praktisch het enige redmiddel is. We hebben daarbij misschien niet genoeg de nadruk gelegd op de bevestiging die de mens krijgt door het leven zelf. Misschien kan ik het eenvoudigst zo uitleggen:

Wanneer het in je leven niet precies gaat zoals het moet, wanneer je in je eigen streven niet volledig juist bent, dan is er in je een soort pijn. Deze pijn pleeg je te verdoven door amusement, door mopperijtjes, ruzietjes, uitgaan en wat er verder bij hoort. In sommige gevallen ook – wanneer het te ernstig wordt – door dromen, het verwerpen van de werkelijkheid en wat daar verder bij komt. Deze pijn neemt toe naarmate u in een richting gaat die niet strookt met het kosmisch plan. (Misschien moet ik zeggen: met de schepping en de wetten van de schepping zelf). Naarmate u meer gehoorzaamt aan die wetten en u juister beweegt, zult u minder pijn voelen, terwijl het volledig juist gaan (dus het juist reageren in de stof) een bevrediging met zich brengt zonder enige kater. Ik zeg dit erbij, omdat anders mensen zouden denken, dat dus de bevrediging van het ogenblik alleen voldoende is. Het gaat hier om een bevrediging die vrede achterlaat, die stimulans is en kracht.

U zult zich afvragen: wanneer dit nu werkelijk zo is, hoe kunnen wij dan die pijn vermijden? Ik kan u alleen dit zeggen: die pijn zal over het algemeen bij de mens bestaan uit een zekere onrust, gebrek aan belangstelling en concentratie soms, in heel veel gevallen uit prikkelbaarheid, disharmonie met de omgeving en wat erbij hoort. Zolang deze condities bestaan weet u dat u niet goed gaat. U blijft dus voortdurend wijzigen. U zult merken dat deze verschijnselen afnemen wanneer u in een zekere richting streeft. Maar ze zijn dan nog niet geheel weg. Dan gaat u in die richting zoeken naar de meest juiste taak, de meest juiste wijze van leven. Op deze manier komt u tot deze vrede en kracht die in volledige tegenstelling staat met de onrust, de innerlijke pijn, zoals ik dat heb genoemd.

Wat onze vriend nu hier vertelde over het mirakel is hiervoor direct bruikbaar. Naarmate wij nl. juister leven speelt het mirakel, het schijnbare toeval, een grotere rol in ons bestaan. Te beseffen hoe deze toevalligheden ons leven stimuleren en in een bepaalde richting voeren, te beseffen hoe deze toevalligheden ons ook vaak weerhouden van handelingen en daden, die achteraf bezien misschien minder juist zouden zijn, betekent een begrip krijgen hiervoor. En door het juist en bewust aanvaarden van die werkingen zal ook het aantal werkingen, dat per tijdseenheid kan optreden aanmerkelijk vergroten. Anders gezegd: wanneer het eerste wonder bewust wordt ondergaan en ervaren, zal het tweede wonder niet zo lang op zich laten wachten als anders. Het “toeval” gaat zich steeds meer richten op de mens naarmate hij juister is ingesteld, juister handelt en denkt. Hoe verder hij gaat met zijn handelen en denken, hoe reëler hij leeft. Dat betekent heus niet “heilig” volgens menselijke opvattingen, maar dat betekent harmonisch en sterk. Hoe meer de wereld zal blijken zijn dienaar te zijn i.p.v. zijn meester. Hoe duidelijker hem zal zijn dat ongekende krachtsreserves tot zijn dienst staan. Dit geldt voor u zowel in beroep, in het dagelijks leven, in emotioneel leven e.d. als in het geestelijk leven.

Ik kan mij volledig neerleggen bij de conclusie die onze meester en vriend hieraan toevoegt, nl, dat de mens daardoor meer één wordt met zijn God. Dat hij innerlijk stijgt. Want het feit dat wij bewust a.h.w. gebruik gaan maken van die toevalligheden, dat wij de samenloop van mogelijkheden en omstandigheden bewust gaan hanteren om het door ons als juiste erkende te bevorderen, houdt tevens in dat wij meer begrip krijgen voor het doel dat wij ons stellen, dat wij een juister onderscheid maken tussen het belangrijke en onbelangrijke in ons eigen leven.

Hieruit vloeit voort dat die wereld, waarover wij het zo even bij een vraag hadden en die ik fantasia heb genoemd, aanmerkelijk kleiner wordt. Wij handelen veel reëler volgens ons eigen wezen in geest en in stof. Wij zijn daarbij veel consequenter. Wij kennen minder ontduikingen van de werkelijkheid. Wij zijn niet geneigd de zaak te veranderen of te vertekenen of iets voor onszelf goed te praten. Wij zien onszelf zoals wij zijn en wij erkennen in dit beeld van het ik – beperkt als het voor een stofmens moge zijn – het contact dat bestaat met de hogere kracht, waaruit het wonder (zo u wilt: het juist geplaatste toeval) geboren wordt.

De conclusie zal duidelijk zijn: het erkende ik maakt een contact met hogere krachten steeds sterker mogelijk en men gaat zich meer en meer op deze krachten baseren. Men erkent dus meer van het innerlijk en de innerlijke wereld. De esoterische bewustwording is een zekerheid. Daarnaast mag worden gesteld dat de esotericus die werkelijk bereikt ook tevens magiër is. Want een esoterische bereiking houdt in: het verkrijgen van bewustzijn, handelingsvermogen en kracht op gebieden die voor de normale mens gesloten zijn. Als zodanig de mogelijkheid om resultaten te produceren, die volgens de menselijke norm niet waarschijnlijk, onmogelijk of wonderbaarlijk zijn. Het één vloeit uit het ander voort. Verder kan worden gesteld dat de mens, die zichzelf kent zonder vertekening, in staat is om zeer veel van een medemens te beseffen, te begrijpen en te absorberen, zonder ooit door emoties en gevoelsverwarringen buiten de werkelijkheid te komen. Hij kan dus juist reageren op het werkelijk beeld van de personen met wie hij in contact komt, ongeacht hun eigen bemanteling van die werkelijke persoonlijkheid. Hierdoor kan hij voor de medemens een veel intenser en groter betekenis krijgen en in vele gevallen zijn medemens helpen terug te keren tot het besef van de waarheid.

Dit korte gesprek, dat onze meester-vriend met u had, blijkt dus wel te liggen in zijn consequenties. Ik ben zo vrij geweest die consequenties voor u uit te spinnen. U duidelijk te maken waarom voor ons in zekere mate het wondergeloof en het geloof noodzakelijk zijn, het erkennen van het wonder, willen wij verder komen. U oordeelt bv. over uzelf. U zult vinden dat uzelf geen enkele geestelijke vordering maakt. Maar u maakt zich een imaginair beeld van uw omgeving en ziet zo niet werkelijke verschillen. Uw beeld van de omgeving evolueert echter met u mee. Daardoor bent u niet in staat werkelijke geschillen en verschillen te zien. Het schijnbaar nutteloze blijkt soms later een grote vooruitgang te zijn. Het schijnbaar zinloze blijkt later vaak inhoud en betekenis te hebben, wanneer je kunt doordringen tot de werkelijkheid van je eigen wezen en kunt openstaan voor de werkelijke toestand van anderen. Dat geloof hierbij nodig is en je baseren op God en goddelijk Licht is duidelijk. Een mens is geneigd zijn eigen krachten voortdurend te onderschatten. Op het ogenblik echter dat hij weet te putten uit een krachtbron die zich ook kenbaar voor hem manifesteert, die altijd rond hem is, voert hij zijn vermogens op tot het maximum. Bij dit opvoeren van vermogen is hij verder in staat krachten te hanteren veel groter dan normaal, door te dringen in diepere problemen dan anders voor hem te doorgronden zijn. Kortom, zijn wezen en handelingsvrijheid worden aanmerkelijk groter.

Dat hier de nadruk wordt gelegd op het wonder is waarschijnlijk mede te danken aan het optreden en werken van de wereldmeester van heden en de concepten, die op het ogenblik van verschillende andere grootmeesters (uit het verleden en die nog in de toekomst zich zullen openbaren) naar de aarde worden gezonden. De instelling van de mens op het mysterieuze heeft alleen dan zin, wanneer de erkenning van het mysterieuze een innerlijke bezieling ten gevolge heeft die in staat stelt het mysterie op te lossen en te beseffen en het ik juist te definiëren. Voor de wereld zoals die thans bestaat en dus ook voor u, mijne vrienden, lijkt het volgens deze meesters onmogelijk te komen tot een juiste instelling op deze wereld of elders, een juiste aanvaarding van het leven, zonder een besef van een actieve, onmiddellijk merkbare en beleefbare goddelijke kracht die inhoud geeft aan al hetgeen voor u betekenis heeft, die zin geeft zelfs aan de meest zinloze ceremoniën; kortom die de bezieling betekent van de uiterlijke vorm. Door de bezieling van de uiterlijke vormen en verschijnselen krijgen deze dan een waarde, die deze zonder dit nooit zouden kunnen bezitten.

Uiterlijkheden zijn er genoeg in de wereld en zelfs zeer schone uiterlijkheden en zeer schone namen en mogelijkheden. Indien de mens door een intenser geloven en werken met het Goddelijke, een reëler begrip voor zijn eigen wezen en omstandigheden, deze dingen bezielen kan, zo vindt hij een waarde, een actieve waarde, die een overwinning mogelijk maakt van alle stoffelijke en de meeste geestelijke problemen die op het ogenblik voor mens en geest bestaan in verband met uw wereld. Wij zijn dan ook zeer dankbaar dat onze meester en vriend heeft aangeboden voor u te spreken en wij zijn ervan overtuigd, dat u bij nader beraad en overwegen de grootsheid van de gebrachte boodschap zult beseffen, ondanks de schijnbare eenvoud ervan.

Vragengedeelte

Na het eerste gedeelte wil ik eerst de vragen afdoen en dan heb ik daarna nog enige kleinigheden voor u in het vat.

Wat precies verstaat u onder een stoffelijk dieptepunt?

Een stoffelijk dieptepunt, daaronder verstaan wij de maximale projectie in materie. Er komt nl. een ogenblik dat materie zelfs geen vorm meer heeft en toch materie is. Dus a.h.w. het oeratoom, de oerkracht, die materieel gericht is. Dit is het dieptepunt in materie, wanneer we dit beschouwen in een symbolische voorstelling.

Wanneer u het bv. over die driehoekenkwestie hebt, dan stellen we dat het materieel dieptepunt gelijk is aan het toppunt van de azuren driehoek. En dat houdt in, dat waar God begint in het onkenbare – het niet vormkennende maar alle mogelijkheden in zich bergende – voor ons geestelijk de materie precies zo begint: in zich dragende alle mogelijkheden, maar niet gevormd zijnde. Dat is een materieel dieptepunt in deze zin. Maar nu kun je het ook nog op een andere manier hebben.

Men heeft de gewoonte om tijdperken bv. uit te zetten op een rechte lijn. En dan zegt men: deze tijdperken hebben een eigen neiging, een eigen mogelijkheid. Voor Aquarius is deze bv. lichtelijk gericht op mystiek en occultisme, maar hoofdzakelijk een geestelijke activiteit. We zeggen dan: dit is een geestelijke periode en die kent een geestelijk hoogtepunt. Nu blijkt als wij dat uitzetten dat we een kromme krijgen, die dus van de rechte lijn naar boven gaat. Het punt waarop de maximale ontwikkeling is bereikt aan geestelijk actief zijn, ontplooiing van geestelijke gaven en geestelijke krachten, noemen wij een geestelijk hoogtepunt. Maar nu gaat dus de beleving en de beïnvloeding van de aarde weer terug. Er gaat een andere heerser komen en die is materieel. Hier hebben we de scheidslijn, die gaat naar onder toe. In het begin zijn er nog geestelijke tendensen, maar die worden nu allemaal stoffelijk gericht. Er komt dan een ogenblik dat de materie op zichzelf schijnbaar alles is. Van daar kun je niet meer dieper. Dan zou je weer naar boven moeten gaan. Dan komt er weer een andere heerser. Die geeft alweer zijn tendens aan, het stoffelijk bereiken krijgt weer een geestelijke achtergrond en blijkt dat het stoffelijke onbelangrijker wordt en het geestelijke belangrijker, totdat wij weer die nullijn hebben. En dan krijgen we weer de volgende geestelijke periode. En dan zegt men dus: het geestelijke hoogtepunt is het maximum aan geestelijke inspanning en bereiking met een minimum aan stoffelijke belangstelling in een periode; terwijl een stoffelijk dieptepunt het ogenblik is, waarin alle wezen, alle belangstelling en alle pogen gericht is op de materie en in de materie en niet vanuit de materie onmiddellijk een hoger doel kent.

Dat wordt natuurlijk nooit helemaal verwerkelijkt, maar je komt er soms erg dicht bij. Er is bv. een periode geweest in het afgelopen tijdperk – dus in het Vissentijdperk – dat zelfs alle godsdienst eigenlijk materieel en materialistisch werd gezien, dat alle voorstellingen materieel waren en dat men uiteindelijk zocht om alles met de materie op te lossen. Denk maar eens aan de verkoop van aflaten, gereserveerde hemelplaatsen, enz. Erg materialistisch. Dat was dan een stoffelijk dieptepunt. In een stoffelijk dieptepunt bestaat geen enkele abstractie buiten de abstractie die noodzakelijk is om een stoffelijke berekening te maken. Bij een geestelijk hoogtepunt is alles abstract en worden slechts zoveel werkelijke waarden geaccepteerd als noodzakelijk is om de abstracte waarden zo goed mogelijk in zich te erkennen, te beleven of daarmee werkzaam te zijn.

De kleine topdriehoek is de volledige beleving van de drie aspecten der schepping of de drie-eenheid. Zou u die drie aspecten nog even in het kort onder woorden willen brengen?

Daar zijn heel veel namen voor. Men stelt heel vaak: de Vader, of de originerende kracht; de Zoon, ofwel de vormgevende kracht; en de Geest, ofwel de bezielende kracht. Dat is dus de originele drie-eenheid zoals men die kent. Daarnaast wordt ze ook nog wel zo gezien: opbouw, afbraak en wezen. Dus ook weer een drie-eenheidsvorm. Daarnaast zien we ze heel vaak als: bestaan, wil en energie. Er zijn dus heel wat mogelijkheden om die driehoek te omschrijven. De kleine driehoek overigens, waarover hier wordt gesproken, geldt alleen voor de piramidevorm en dan hebben wij hier te maken met de topsteen. De topsteen die, volgens de oude opvattingen, uit één stuk en volledig aansluitend op de piramide moest worden gebouwd. Dat is dus ook wel een kleine driehoek, maar hij heeft dan drie zijden, een driehoekige piramide. En dan zeggen we dit:

In het grondvlak wordt een driehoek uitgebeeld. Deze driehoek geeft het menselijk aanvaarden van de Godheid, zijnde leven, bewustzijn plus openbaring. Dat zijn dan nl. de drie aspecten waarbinnen het Goddelijke voor de mens bereikbaar wordt. En dan kennen we nog drie aparte driehoeksvlakken in die top zelf. En deze worden dan achtereenvolgens omschreven als: scheppend principe, vormend principe en bewustzijnsprincipe. Als het weten, het willen en het doen. En dan weer als Vader, Zoon en Geest. Daarmede hebben we dan een voorstelling van het Al, dat in dit driehoekig afzonderlijk piramidetje a.h.w. volledig is weergegeven.

Die kleine driehoek, zoals je het dan kunt noemen, wordt dan tevens de steen der wijzen. Want wie alle aspecten beseft en hun onderlinge congruentie in het voorstellingsvermogen kan uitdrukken, kent de totale inhoud. Dus uit de waarden van één der vlakken kan men de piramide berekenen, de andere vlakken. Uit het kennen van de andere vlakken, volgt de inhoud. Uit het kennen van de inhoud volgt de mogelijkheid om met het bewustzijn op te gaan in het Goddelijke. En dat is dan de top van inwijding.

Er werd een voordracht gegeven over de kosmos en daarbij werd uiteengezet: het is uw heelal waarin u leeft. Klaarblijkelijk gaat het om de voorstelling van het heelal die in ons leeft en door onszelf wordt geschapen. Zo heeft een ieder zijn eigen kosmos. Dan rijst de vraag: hoe komt het dat wij allen één en dezelfde voorstelling hebben van hetgeen wij waarnemen? Of is deze gedachte inherent fout, omdat er geen enkele zekerheid bestaat dat er buiten het eigen ik iets bestaat? Zo zou dan ook deze bijeenkomst, uw lessen en onze aandacht slechts in mij kunnen bestaan. Hoe komen wij uit deze impasse? M.i. ligt het antwoord in het grote Zelf waarin we bestaan en dus ook onze denkprocessen en de daaruit volgende voorstelling. Het bestaan van het persoonlijk “ik” zonder meer is de waan, waaruit dan ook slechts een waan ter zake van de kosmos kan ontstaan. Slechts door het beleven van het grote Zelf wordt deze waan doorbroken. Wat is hierop uw commentaar?

Mag ik beginnen met te stellen, dat elk mens in zijn eigen wereld leeft, ongeacht wat hij meent met anderen gemeen te hebben. Voorbeeld: u kunt er niet zeker van zijn dat u alle kleuren precies gelijk ziet, maar omdat u een gemeenschappelijk woord hebt, waarmee een bepaalde kleur wordt aangeduid zult u menen dat wat voor u rood is bv. voor iedereen rood is. Toch is aan te tonen dat er bepaalde verschuivingen in gezichtsvermogen bestaan waarbij de kleurwaardering gemakkelijk kan afwijken.

Op dezelfde manier hebt u andere begrippen. U denkt bv. wanneer u spreekt over eerlijkheid dat een ander precies hetzelfde bedoelt. Maar dat is lang niet zeker. Anders zouden er niet zoveel mensen wegens oneerlijkheid worden veroordeeld, die altijd over eerlijkheid hebben gesproken.

U spreekt over liefde. Hoeveel dingen bestaan er niet die onder het mom liefde verborgen worden? Sommigen menen dat liefde alleen dit is en niets anders.

God. Elke mens heeft zijn eigen beeld van God. Maar als je het woord gebruikt neem je aan dat een ander ongeveer hetzelfde bedoelt als jij.

Hierdoor is dus te verklaren dat op grond van verschillen in waarneming (dus tastzin, gevoel, gehoor, gevoel voor ritme, klank e.d.) geheel verschillende belevingen kunnen bestaan, die door dezelfde begrippen uitgedrukt een uiterlijke waan van gezamenlijke beleving kunnen veroorzaken en ook van waardering.

U leeft in uw eigen heelal, u bent uw eigen heelal. Dat is ook logisch. U kunt nooit vanuit een ander denken. U kunt hoogstens trachten uzelf in de plaats van een ander te denken, maar dan nog bent u het en is het niet die andere die reageert, oordeelt of definieert. Alles wat gebeurt betrekt u op uzelf. D.w.z.: ieder reageert op zijn eigen manier. Wanneer u hier komt om een betoog te horen, dan zal ieder daaruit juist datgene puren wat voor hem in zijn wereld belangrijk is. Logischerwijze leeft dus een ieder in zijn eigen Al.

Dit eigen Al heeft een God. Die God is in het begin niets anders dan de perfecte voorstelling van wat je zelf zou willen zijn. Later wordt het een abstract beeld. En op de duur wordt het begrip van die God meer een zoeken naar een bepaalde beleving of een bepaalde invloed. Daarbij valt het meer persoonlijke van die godheid weg en wordt – omdat nu een kosmisch voelen in de plaats komt van een stoffelijk reageren of een aan de hand van stoffelijke ervaringen reageren in de geest – een groter eenheid van wereld beseft en bereikt. Maar voor de mens geldt dat elk in zijn eigen Al leeft. Dat houdt helemaal niet in dat er buiten die mens niets anders bestaat. Dat betekent alleen, dat het voor hem onmogelijk is iets te beseffen wat niet in hem bestaat.

Ik geloof dat u mij zover kunt volgen. Dan is het dus niet logisch te zeggen, dat bv. deze lessen alleen in u bestaan. Maar wel is het logisch om te zeggen, dat deze lessen voor u allen, ongeacht hetgeen u daarin gemeenschappelijk kunt begrijpen en bespreken, toch een andere zin, een andere betekenis, een andere nadruk zullen hebben.

Ten laatste: er wordt gesproken over het grote Zelf of het grote Ik. Laten we maar rustig zeggen God. Dat is precies hetzelfde. Wanneer wij daarover spreken kunnen wij wel zeggen: dit is de enige werkelijkheid. Maar het is een werkelijkheid die dan moet bestaan buiten tijd en buiten ruimte. In tijd en ruimte treden nl. variërende verschijnselen op. Een “Ik”, dat in zichzelf het totaal van de kosmos bevat, maar bestaat buiten tijd en ruimte, is voor de mens niet voorstelbaar. Dientengevolge is dit grote Zelf of grote IK of deze God wel beleefbaar, maar nooit te begrijpen. Te zeggen dat dit grote Ik de enige werkelijkheid is, is dus een fout vanuit menselijk standpunt. Integendeel, er moet worden gesteld, dat elke mens krachtens zijn eigen wezen en instelling, zijn eigen geestelijke achtergronden en zijn stoffelijke vermogens een bepaald Al schept voor zichzelf, waarin hij a.h.w. alleen leeft. Oorzaak en gevolg, wetten van gelijkblijvende velden en evenwicht, wetten van kracht en vermogen komen binnen dit veld, binnen dit ik tot uitdrukking volgens dit ik en niet volgens een grote kosmische Ik-heid. M.a.w. oorzaak en gevolg bijvoorbeeld werkt in uw eigen leven, maar zal vooral werken binnen het Al dat u zichzelf heeft geschapen, omdat u alleen de gevolgen zult ervaren van hetgeen u inderdaad als oorzaak binnen uw eigen wereldconcept hebt geschapen.

Dan is de eindconclusie: dit eigen heelal waarin je leeft is werkelijk. Het is geen waan. In het eigen heelal kan waan of begoocheling inderdaad bestaan, omdat men de werkelijkheid van dit eigen Al lang niet altijd wil beseffen. Het neemt niet weg dat dit eigen Al werkelijk is. Het is als “klein Al” niets meer of minder dan een bouwsteen van het grote Al. Zoals de eigen persoonlijkheid een weerkaatsing zijnde van de goddelijke persoonlijkheid in zichzelf niet meer of minder is dan een bouwsteen van de goddelijke uiting.

Het ligt toch voor de hand, wanneer je een eigen heelal hebt (dus een omsloten geheel), dat je dan nooit zeker kunt zijn dat er iets anders bestaat? Het kan wel een waanvoorstelling van mij zijn dat u daar zit. Ik heb er geen enkele zekerheid van. Want elke zekerheid die ik daarvan zou kunnen hebben, die is voor mij wel zeker, maar die behoeft niet te bestaan in absolute zin.

Ongetwijfeld hebt u in zoverre gelijk, dat u – door te stellen dat alles buiten u waan kan zijn en alleen voor uzelf werkelijk is – zozeer aan uw zinnen zou gaan twijfelen, dat u niet meer in staat zou zijn om zinnig te leven, maar tot een waanzin zou komen. Het is voor de mens niet mogelijk te bepalen wat wel of niet reëel bestaat buiten zijn eigen ik. Maar zolang het voor zijn eigen ik een realiteit is, moet hij volgens deze realiteit handelen, omdat nl. binnen deze voor hem bestaande realiteit alle kosmische wetten volledig tot uiting komen en als zodanig alle wetten van het Goddelijke, van oorzaak en gevolg, van kracht enz. binnen dit ik volledig gelden. Verder zal hij ontdekken dat factoren van buitenaf, die zeer duidelijk een zelfstandig bestaan voeren, in dat ik ingrijpen. Of anders gezegd: een schepper, die in een eigen Al leeft, dat geheel en al uit hem is geboren, zou volledige kennis en wetenschap moeten hebben omtrent alle factoren die in dat Al optreden. Hij zou met enige training tot beheersing van al die factoren kunnen komen. Waar dit zeer duidelijk niet zo is, is het redelijk aan te nemen, dat buiten het eigen Al factoren bestaan die zich echter slechts onder de grondcondities van het eigen beperkte Al binnen dit Al kunnen openbaren als verschijnsel.

Dat is dus het mysterie.

Juist.

Leeft u ook in een dergelijke eigen wereld?

Natuurlijk. Wie zou dat niet? Misschien is alles wat ik hier doe – en wat volgens mij een weg van licht en van kracht is – voor sommigen van u onbelangrijk. Voor mij is het het meest belangrijke in de wereld. Want alleen door zo te handelen vind ik innerlijke vrede. Dientengevolge is het voor mij een volledige realiteit en ik ben mij ervan bewust dat u reëel bestaat. Ik ben mij er ook van bewust dat ik uw reacties tot op zekere hoogte opvang, en ik weet, dat dat niet uw volledige reactie kan zijn, omdat er verschillen tussen u en mij bestaan. Maar naarmate je geestelijk hoger komt vallen de persoonlijke waarnemingen weg en komt in plaats van de persoonlijke waarneming de gemeenschappelijke beleving. Onze taal is telepathie, een soort telepathie. Ik kan dus met een deel van mijn wezen op een ogenblik zijn als een deel van een ander wezen in dit wezen en onderworpen aan de wetten van dat wezen. Het resultaat is dat dus een steeds grotere eenheid van wereld of Al kan bestaan tussen mij en het wezen, waarvan ik zo nu en dan een deel ben. Daardoor groeien wij naar een gezamenlijk heelal toe, waardoor wij niet meer eenzaam staan in een eigen heelal, maar met meerderen in een voor allen precies gelijkzijnd Al werken. En wij menen (dat is dus onze gedachtegang), dat wij op de duur allen deze gelijkheid van waarden zullen kunnen verwerven, zodat i.p.v. een persoonlijk heelal een voor ons allen gelijk bestaand heelal mogelijk is. En wij menen dat dit gezamenlijke heelal een noodzaak is om te komen tot erkenning van wat onze vriend hier het mysterie noemt, wat in feite is de Godheid, het grote Zelf waarbinnen wij menen te leven.

Kunt u een voorbeeld geven van een uiterlijke daad, die als effect geeft een geestelijke bewustwording?

Ik kan er wel geven. Alleen weet ik niet of al die voorbeelden voor u even prettig zullen zijn. Bv.: wij kennen de havenplaatsen van de oudheid, vooral in Rome, de Venustempels. De priesteressen daarvan waren, zoals dat heet, priesterlijke prostituees. Nu is het eigenaardige dat vele zeelieden niet voor hun genoegen a.h.w., maar als een zuivere eredienst, hier een stoffelijke paringsdaad stelden en aan de hand daarvan een geestelijke ontspanning en rust konden ervaren, die heel wat intenser was dan diezelfde mensen bv. alleen door denken zouden kunnen realiseren. Hier werd een stoffelijke handeling omgezet in een geestelijke invloed van waarde. Het vreemde is verder dat dit op hun uiterlijk gedrag weinig verschil uitoefende, maar dat zij heel vaak een innerlijke vroomheid vonden a.h.w. en daardoor een grotere zachtmoedigheid tegenover anderen, dan zonder dat mogelijk zou zijn geweest.

Dit is een voorbeeld uit de oudheid. Nu wil ik het omzetten in het heden en kies daarvoor natuurlijk een beeld dat meer met het heden gelieerd is. Ik wil op een gegeven ogenblik een uitdrukking geven aan een eenheid die ik met anderen ken. Ik nodig hen daarom aan mijn tafel en wij eten gezamenlijk. Dit eten op zichzelf is de daad. Maar wanneer hierin een vriendschap wordt uitgedrukt, dan blijkt vaak dat het geestelijk resultaat veel groter is dan de stoffelijke consumptie ooit kan weergeven.

Dat laatste is de communie niet waar?

Onder meer. Maar wij zijn tegen de kerkelijke communie, omdat die een afscheiding van anderen teweegbrengt en alleen een eenheid met het godsbegrip op zich. Het is een innerlijke beleving, naar bij die innerlijke beleving wordt de buitenwereld teveel uitgeschakeld. Daardoor krijgt het geheel een ceremonieel karakter, waarbij de daad zelf een gewoonte wordt die weinig zegt. Indien wij daarentegen de gezamenlijke maaltijd krijgen, het avondmaal bijvoorbeeld, waarbij dus de onderlinge eenheid van de aanzittenden een grote rol kan spelen, wordt de betekenis veel groter. De z.g. broederschapmaaltijden, zoals wij die ook kennen, zijn nog weer intenser in hun uitdrukking. Dus het is heel sterk afhankelijk van wat u wilt zoeken onder die gemeenschappelijke maaltijd.

Voorbeeld: het eten van brood en zout, dat bestaat als ontvangstplechtigheid op het ogenblik in verschillende landen. Het heeft weinig zin of betekenis meer, omdat dit een gewone ceremonie is geworden. De daad heeft geen geestelijke achtergronden, ook al lijkt het veel op de communie, waar het een aanduiding is van gastrechten en verplichtingen. Wanneer ditzelfde echter bijvoorbeeld plaatsvindt bij woestijnvolkeren – en het gebruik van zout en brood betekent een bestaande broederschap of een bestaande beschermerverhouding van gastheer t.o.v. gastnemer – dan heeft het wel zijn volle betekenis en blijkt het een geestelijke verplichting, evenbeeld en beleving met zich te brengen, die veel verder gaat dan de uiterlijke gebeurtenis alleen kan aanduiden.

Wanneer er geen vragen meer zijn neem ik afscheid van u. Ik hoop dat u aan de artikelen, die ik vanavond heb opgesteld, de nodige aandacht zult willen besteden. Goedenavond.

Avondmaal

Maaltijd waarin eenheid wordt aangeduid. Eenwording in symbool. Uitdrukking van kosmische eenheid in de eenvoudige handeling van de maaltijd.

In al wat leeft bestaat God. Niets bestaat zonder God. In ons leeft God. Indien wij iets gemeen hebben in de naam van die God, zo zullen wij niet alleen de misschien stoffelijke uiting doormaken, maar zullen wij de eenheid in die God zien als een gezamenlijk beleven van die God. Hierdoor ontstaat een geestelijk harmonische toestand waarbij wij elkaar nader komen, elkaar beter begrijpen, een sterker contact tussen beider wezen tot uiting zien komen. Hoe meer mensen de eenheid in een werkelijk zoeken en beleven – als bij het avondmaal – ondergaan, hoe groter de vrede. Want de mens die met je in God is, is één met je.

Het avondmaal is de mystieke weerspiegeling van de absolute eenheid, zoals deze bestaat in de grote schepping zelf. De mens begeert deze eenheid. Hij wil niet eenzaam zijn, afgesloten in zijn eigen wereld. Zelfs de geest verlangt niet eenzaam te zijn en zonder contact met anderen. Integendeel, men verlangt naar een zo sterk mogelijk gezamenlijk beleven, gezamenlijk ervaren, een delen van wereld en denken. Zo is het avondmaal de symbolische aanduiding van al wat kan geschieden om deze eenheid groter te maken.

In de vormkennende sferen bestaat het z.g. broedermaal, dat eveneens een weerspiegeling is van het avondmaal zoals men dit op aarde kent. Velen van hoge en lage geest, doch allen gewijd aan het licht, komen samen. Ook mensen, die in de stof leven, kunnen geestelijk hierbij tegenwoordig zijn. Ofschoon allen weten dat voedsel geestelijk geen zin heeft, wordt – gezien de vormwereld – gezamenlijk brood en wijn genoten. Wij weten dat deze daad geen zin heeft, maar door haar te stellen als zijnde deel van de vormen die wij nog erkennen in deze sfeer, bevestigen wij de innerlijke eenheid die wij nastreven. Door de gemeenschap, die uiterlijk wordt geschapen, is het mogelijk een innerlijk contact te bevestigen dat veel verdergaat dan op andere wijze denkbaar is.

De mens die dit beseft zal zoeken naar zijn avondmaal. Het avondmaal zelf is een godsdienstige plechtigheid. Wanneer je niet met die godsdienst één bent zal het weinig zin hebben. Dan zal het dorre symbool geen vervloeiing van ziele- en geesteskrachten mogelijk maken. Maar elke mens en elk wezen kan voor zich een vorm vinden waarin hij die eenheid met anderen bevestigt. En wanneer dit gebeurt ontstaat harmonie. Harmonie die weerklinkt in hogere sferen; vanuit hogere krachten en hogere sferen beelden geeft, voor beiden gelijkbestaand en daardoor beiden of meerderen gelijkmatig opheft tot een nieuw besef van eenheid.

Er kan daardoor een ogenblik komen dat twee geesten, aan de hand van een stoffelijk symbool, handelen als volledige eenheid in de kosmos. Hun beslotenheid is teniet gedaan. Zij zijn niet alleen binnen het Al. Zij hebben meer dan slechts een bescheiden band met anderen. Zij zijn volledig één. Deze weg van eenheid is een zeer grote en een zeer belangrijke.

Wij allen begeren eenheid. En naargelang de sfeer of wereld waarin wij vertoeven zullen wij trachten daadwerkelijk deze eenheid uit te drukken, opdat de innerlijke eenheid moge ontstaan. En daar, waar een innerlijke eenheid is erkend, zullen wij zoeken deze daadwerkelijk tot uitdrukking te brengen opdat niets van ons wezen, bestaan of sfeer gescheiden zij. Slechts in deze erkenning van eenheid met heel ons wezen kunnen wij de waarlijk goddelijke eenheid benaderen en kunnen wij de volledige harmonie tot uiting brengen.

Zo is het avondmaal ons een middel en een weg. Een middel om de geestelijke eenheid te bereiken door een stoffelijk symbool. Een weg door de uitdrukking, die voor zich een gemeenschappelijke waarde schept, zodat wij kunnen doordringen in elkanders wezen, elkaar kunnen erkennen en kunnen komen tot een gezamenlijk werken en streven.

De mystiek van het avondmaal is de poging de goddelijke eenheid uit te drukken in menselijke beperktheid. Een ieder die streeft naar goddelijke kracht, inzicht in zichzelf, besef van de grote werkelijkheid, zal met alle middelen van stof en sfeer zoeken een eenheid te bereiken op voor hem juiste en verantwoorde wijze. Maar ook zo, dat hij zich één voelende met anderen in dezen zichzelf erkent en met dezen de goddelijke werkelijkheid openbaart in gedachten zowel als daad. Ik geloof niet dat ik hieraan veel behoef toe te voegen. Laat ons als slot de volgende spreuk citeren, die zeer oud is:

“In eenheid van daad komt eenheid van denken. Uit eenheid van denken komt eenheid van daad. Want uit daad en uit denken is het Al gebouwd. Wie vertrouwd is met beide, raakt vertrouwd met de Schepper van dat Al, doorstaat de proeven en leeft in de werkelijkheid.”

Ik meen hiermede te kunnen volstaan. Besef echter wel dat een eenheid alleen dan gevormd kan worden wanneer zij niet een scheiding veroorzaakt door bewustzijn van schuld, door vrees of door angst. Slechts waar van een volledig samengaan op voor beiden aanvaardbare wijze sprake is, is er ook sprake van die daadwerkelijke eenheid, die de geestelijke eenheid bevordert en lichtende kracht schept door de stoffelijke daad.

Daar, waar een geestelijke eenheid tot stand is gebracht, zal bij een verantwoord geestelijk gezamenlijk streven op een verantwoorde wijze een stoffelijke uiting daaraan moeten worden gegeven, omdat alleen zo de volledige eenheid werkzaam wordt en de kracht in waarheid is geboren die wij de goddelijke kracht binnen de mens noemen.