De wereld

‘Ontwikkeling’

Inleiding

Er zijn altijd weer splitsingen op de weg van de mensheid, kruiswegen waar twee ontwikkelingen elkaar schijnbaar even beroeren om weer verder te gaan. En datzelfde wat we zien in de historie, zien wij ook in de mens.

Ik zou graag een verhaal willen vertellen om duidelijk te maken waar het om gaat.

Er was eens een roverhoofdman in China (dat is nu ruim 10.000 jaar geleden) die Wu heette. Wu had nog tijd over van zijn roverijen en zo kreeg hij een zoon die hij Chang noemde. Chang werd al heel vlug door zijn vader uit het roversbedrijf gestuurd want hij moest generaal worden. Dat werd hij dan ook en wat meer is, hij was zo’n goede generaal dat hij keizer werd: Keizer Chang.

Chang had veel geleerd in zijn jeugd en dat moest hij verklaren. Zo zei hij altijd, als hij een vreemd besluit nam: Dat is de stem van mijn voorvaderen in mij. Ze vroegen hem toen: Waar komt dat dan vandaan? Waarop hij vertelde dat zijn voorvaderen in hem leefden. Veel mensen dachten toen: in de keizer is wel veel plaats, maar toch niet zoveel. Hij bedoelt waarschijnlijk: daarbuiten. En zo noemden ze dan het hiernamaals vanaf die tijd Chang‑ti.

Chang‑ti is, als je het zuiver vertaalt, niet alleen het hiernamaals, het is ook ‘het offer aan de keizer of van de keizer’, beide vertalingen zijn mogelijk.

Door deze wonderlijke Chang kwam er in een animistisch geloof een geheel nieuwe ontwikkeling. Wij kennen dat later als voorouderverering maar het was wel nog iets meer. Het was een vorm van spiritisme. Er waren zelfs priesters die als medium optraden. Er waren huisaltaren en sommige diensten voor de voorouders hadden het karakter van een seance waarbij de oudste dan het hele voorgeslacht representeerde en inspiraties kreeg en uitspraak deed over bepaalde problemen. Dat zou overigens voor de ouden van dagen ook een voordeel zijn want lange tijd werden ze in China zeer geëerd.

Nu is er in datzelfde China, zo ongeveer rond Jezus’ geboorte, een aantal filosofen die wij allen wel kennen. Kung-fu-tse, Lao‑tse, mensen die uitgaan van de leer van Tao: de juiste plaats, de juiste rangorde, de juiste evenwichtigheid. En dan zien wij plotseling Meng-tse (later wel Mencius genoemd) optreden, die de zaak anders bekijkt.

Hij zegt: De plaats is niet belangrijk. Het is belangrijk dat je lief hebt, niet alleen persoonlijk maar in het algemeen. Hij vertelt de mensen: Het belangrijkst is het om het volk lief te hebben, de mensen. Die stel ik voor de keizer en voor God. Een wat wonderlijk iets in die tijd. Ook hij bracht weer een nieuwe factor, een soort humanisme in een tijd (dat is al voor de geboorte van Jezus) waarin verstarring de Chinese ontwikkeling teniet dreigde te doen, vooral omdat veel contact werd gemaakt met barbaren van allerlei soort; iedereen die geen Chinees was, was een barbaar en men had dus iets nodig om de aard, de beschaving van het volk te binden. En het wonderlijke is dat deze Mencius dat meer gaf dan een ander. Van alle filosofen die tegenwoordig verworpen zijn, is er één die nog wel eens wordt geciteerd in Rood‑China: Meng‑tse, misschien wel de eerste humanist die we ken­nen in de gehele Chinese geschiedenis.

Dat zijn dus gewoon mensen en zij veranderen de loop van de historie. Maar ze zijn alleen belangrijk omdat ze komen op een moment dat de we­reld juist rijp ervoor is. En nu kun je niet zeggen: het zijn Meesters. Meesters zijn iets anders. Maar ze zijn de beslissende factoren.

In de gehele historie van de mensheid treffen wij op een beslissend moment die ene persoon aan, die a.h.w. de geschiedenis verandert maar daarmee ook het gedrag van de mens. En in elk menselijk leven vinden wij die paar contacten met de buitenwereld waardoor een mens wordt ge­troffen en iets in zijn leven en denken verandert, ja, soms de mens in zijn hele ontwikkeling zelfs verder wordt bepaald.

Hiermee hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat ontwikkeling iets is waarbij factoren van buitenaf een rol spelen. Maar ook in de mens zelf vinden wij factoren die het leven wijzigen. Een enkel denk­beeld kan soms je gehele gedrag, je benadering van je medemensen, je hele voorstellingswereld zoals je die in je draagt, een ander aanschijn geven. Er als je nagaat wat daarin een rol speelt, dan kan het soms een signaal zijn uit de buitenwereld maar even vaak gebeurt het dat er alleen maar een flits is in die mens. Een flits alsof er een nieuwe sterrennevel is ontstaan. Er is een innerlijke chaos. Alles moet zich a.h.w. opnieuw vormen. Maar wat eruit komt, is een andere innerlijke we­reld met een andere innerlijke beleving.

Wat wij in deze cursus zullen proberen na te gaan, zo goed en zo kwaad als dat mogelijk is, is juist deze ontwikkeling. Een beeld van de wereld, van de geestelijke mens, van zijn contacten met sferen, met ande­re werelden, met Meesters. Een beeld vooral ook van de metamorfose waardoor de mens langzaam maar zeker zich ontworstelt aan de sterfelijk­heid van bewustzijn waaraan hij op aarde nog laboreert.

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 1)- oktober 1974

De wereld

De aarde is ontstaan in een ontmoeting van de velden van twee sterren. Ze is in wervelingen van vuur langzamerhand afgekoeld en gewor­den tot die wonderlijke bal, zwevend in de ruimte, die u nu kent als uw wereld. Het leven daarop heeft vele wonderlijke invloeden ondergaan. Er is dat moment dat een komeet te dicht bij de zon kwam en daardoor een enor­me uitbarsting plaatsvond, zo fel dat hierdoor stralingen hele planeten hebben veranderd, ook de aarde.

Op de aarde ontstond leven. Van buitenaf zijn alle omstandigheden gekomen waardoor het leven zich vormde. Er zijn allerlei zuiver materiële oorzaken te geven voor het ontstaan van meercellig leven, voor het ont­staan van de landdieren, van de planten enz. Maar in alles is een bezie­ling, een bewustzijn. En het wonderlijke van dat bewustzijn is dat het een heel lange tijd gebonden blijft.

We vinden in de heel vroege geschiedenis van de mensheid wezens, bijna robachtig, die zich evenveel in het water als daarbuiten bewegen. Ze verblijven hoofdzakelijk in moerassen en aan de kust, die al besef hebben. Er zijn voor hen goden, of tenminste invloeden, die ze volgen en vereren. Maar ze zijn gebonden. In hen is een geketend zijn aan patronen die in de natuur zetelen. Dat zal een heel lange tijd zo blijven.

In die dagen gebeurt er niet zoveel. Maar terwijl de jaren verder­gaan (wij hebben het hier over honderdduizenden jaren), zien wij lang­zaam maar zeker de mens aarzelend uitgrijpen naar iets wat niet bij hem behoort. Hij gebruikt de zwaartekracht om iets te bereiken. Hij doodt waar hij zelf niet kan doden met de zwaartekracht. En daarmee is iets geboren wat zich ontwikkelt tot de mens van vandaag. Er zijn een paar kritieke punten in die ontwikkelingen; daarom is dat voor ons belangrijk.

Het hanteren van werktuigen. Een werktuig hanteren, is niet alleen een kwestie van: ik grijp iets en ik gebruik liet. Het is het vermogen om te zien dat je het kunt gebruiken en het vermogen om je voor te stellen wat het resultaat van dat gebruik zal zijn. Het gaat dus niet om het feit dat iemand een steen grijpt en daarmee een dier verjaagt, of dat iemand een lans maakt en daarmee een dier verwondt of doodt. Het gaat om de gedachte die er achter ligt.

Wanneer de tijd verdergaat, ontstaat er een soort rangorde, een recht van de sterkste misschien, een recht van de sluwste. Ook hier blijkt weer iets erg belangrijk te zijn. De mens absorbeert kennis en op grond van die kennis maakt hij zich een voorstelling van het mogelijke. Dat is het geheim van de oude magiërs, die in bijeenkomsten het jacht­wild bezworen die ergens verborgen waren in grotten in de bergen. Het is het geheim van de eerste mensen die materiaal gaan gebruiken en die, in plaats van een gewone steen, een eerste vuisthamer, een eer­ste vuistbijl, een scherf‑mes maken. Het is het denken. In de mens ont­staat een vermogen tot combineren dat ook is gebaseerd op onthouden. Als je voldoende feiten kent, dan kun je deze combineren en een con­clusie bereiken die niets meer te maken heeft met de werkelijkheid, zoals je die nu ziet, maar met een werkelijkheid die morgen zo kan zijn, of met een werkelijkheid die alleen bereikbaar is indien je iets in je omgeving zelf eerst schept of verandert.

De innerlijke wereld van de mens ontwikkelt zich. Dat de uiterlijke vorm zich daarbij op den duur wijzigt, zeker, dat is van belang als wij kijken naar genus homo, de mens van vandaag, die zich ludens zou willen noemen, maar die eerder loederlijk is.

Als ik zoek naar belangrijke punten, dan ontdek ik dat er contac­ten zijn met de wereld buiten de aarde. Er zijn enkele contacten in le­genden en soms zelfs in geloofsoverleveringen geregistreerd waarbij we­zens uit de ruimte de aarde betreden. Ze geven de mens nieuwe denkbeel­den. Let wel, ze veranderen niet de wereld maar ze brengen de mens op andere gedachten. En het is die andere gedachte waardoor de eigenlijke wijzen ontstaan, die voor een deel misschien al bekend zijn uit Mu, die in Atlantis ongetwijfeld een broederschap vormen, maar die nu overal gaan optreden. Steeds weer met een nieuw denkbeeld, een nieuw visioen a.h.w. dat naar buiten toe is waar te maken.

Wij kunnen hier denken aan Meth (?) een oude Egyptische god, die waarschijnlijk dezelfde figuur is die we later als Amon van Thebe kennen. Een zonnegod, die eigenlijk een mens was, die in staat was om bepaalde innerlijke krachten te hanteren. Want in de verre geschiedenis, in de toekomst zowel als in het verleden, is het de mens die werkt met zijn innerlijke wereld en die zijn innerlijke krachten gebruikt.

Zeker, het is niet alleen die die de grote torens (de ziggoerats, de piramiden) heeft gebouwd. Magie kwam er wel bij te pas. Er kwam een innerlijk visionair besef bij te pas en vaak het gebruik van krachten die in deze tijd door sommigen worden toegemeten aan een mens als Uri Geller. Telekinese, zelfs bepaalde vormen van teleportatie bestaan.

In het oude Egypte, voor de vereniging van de twee Kronen, waren er tempels waarin men in wonderlijke gesmolten glaspiramiden keek, soms ook in metaalpiramiden, maar dat kwam pas later en zo door concentra­tie en gelijkvormigheid van concentratiepunt over grote afstand contac­ten in gedachten bereikte. Zo werd de mythe geschapen die later de priesters een hoop geld heeft gekost, namelijk dat men in de tempel al­les van tevoren wist. Maar toen de gaven verdwenen omdat de mens zich steeds meer naar buiten toe oriënteerde, moesten deze telepathische contacten door spionnen en boden worden vervangen en zelfs misschien wel door postduiven of soortgelijke zaken. Er is tenminste één geval bekend van een gedresseerde feniks, die werd gebruikt om tussen een tempel aan de grens en de grote tempel van Amon in Thebe berichten over te brengen, zoals men tegenwoordig een hond zou gebruiken. Het is een wonderlijke wereld.

Maar wat zien wij op elk punt? Waar een belangrijke ontwikkeling plaatsvindt, zijn er twee facetten:

  1. verstoring van de oude orde.
  2. een figuur met een denkvermogen dat eigenlijk in zich niet eens revolutio­nair is, maar dat het de mens mogelijk maakt een nieuwe innerlijke wereld op te bouwen.

Bewustwording is iets wat buiten en binnen je geschiedt, ook in een mens. De wereld kan veranderen maar als u uw innerlijk niet verandert, betekent het niets. Dan wordt u alleen steeds ontevredener. U kent die leuze wel: ‘in mijn tijd was het anders’. Maar als we innerlijk beseffen wat er gebeurt, dan blijven we wel naar buiten toe onszelf met onze beperkingen maar gelijktijdig worden onze gedachten anders, we zien de dingen innerlijk anders en daardoor ontstaan er innerlijk andere harmonieën voor ons.

Ik zou nu een paar grote stappen willen nemen en u wijzen op het feit dat er op zo’n kruispunt altijd weer denkers zijn of profeten. Meesters, gezondenen of verlossers, die het denken van de mens een andere nadruk geven. Vaak denkt men dat zij de enigen zijn die deze boodschap brachten, maar dat is niet waar. Als wij een vergelijking maken tussen de filosofie van Mencius en het christendom, dan valt een enorm grote vergelijkbaarheid op. De termen zijn anders, de volken zijn anders, de omstandigheden zijn anders, maar de boodschap is in wezen dezelfde.

Als wij teruggaan naar het oude India, dan vinden wij daar profeten die duidelijk maken wat de magische ban van de gemeenschap is. Maar dat vinden we ook bij de druïden. Gaan we terug naar de oude rijken van Zuid‑Amerika, dan vinden we daar heel veel verschillende stammen die we allemaal een belangrijke rol kunnen toekennen. Wist u dat er b.v. in noordelijk Peru bijna 40.000 jaar geleden een stam heeft geleefd die de zon ging aanbidden en in die zonaanbidding kwam tot wat men noemde ‘zonnemagie’, wonderlijk genoeg ook nu nog weerspiegeld in de zonnemagie van Benares? Er waren veel vergelijkbare facetten. Daarbij trad een figuur op de voorgrond die zoiets als Irtico heette. Deze bracht het denkbeeld van ordening, de geordende maatschappij.

Kijk naar de Chinezen ‑ Tao als begrip. Grijp naar de vroege gemeenschappen van Europa en we zien plotseling de splitsing tussen krijgsgezag en burgerlijk gezag. Dat heeft zo een lange tijd geduurd. De laatste tijd zijn ze hier en daar bezig om dat weer te beëindigen. Ze maken de militairen weer de baas. Vergelijkbaarheid dus.

Maar wat zien wij ook nog? In deze periode ontstaat er een enorme bloei van wetenschappen. De mensen in India, Zuid‑Amerika en zelfs in Europa hebben een vorm van mathematica. Een kennis die lang daarna vergeten zal worden. Maar het is een nieuw wereldbeeld. Het beeld van een wereld waarin de mens wetten kent en door het hanteren van die wet­ten, in staat is om van wat hem beheerst, een werktuig te maken. De hele geschiedenis zit vol van dergelijke vergelijkbare punten. Ik heb er maar enkele geciteerd.

Maar wat is er in de mens gebeurd? Eerst was de mens iemand die naar buiten keek. Hij zag de wereld en stelde zich er niet veel van voor. Hij was gebonden aan allerlei wetten en die wetten beheersten zijn voorstellingsvermogen. Hij was echter niet zelfstandig, want in hem was geen wereld, in hem was chaos. De eerste boden van licht die op de wereld verschijnen, zijn zij die de mens duidelijk maken dat er in hem een andere wereld schuilt. Een wereld waarmee je kunt werken en waaraan je de wereld buiten je kunt aanpassen.

Wanneer de innerlijke wereld eenmaal goed tot leven is gekomen ‑ dat is heel lang geleden ‑ dan zien wij ook een ander, heel eigenaardig facet: de mens maakt zich vrij van de natuurlijke dwang der seksualiteit. Tot op dat ogenblik heeft hij paringsperioden gekend en in de paringen een betrekkelijk grote willekeur. Nu ontstaat er een grote verandering. De paring wordt een wilsdaad, een bewuste daad, maar gelijktijdig een voorstelling die je in jezelf kunt dragen voordat het feit er is. Van daaruit ontwikkelt het zich verder. Het menselijk geslacht is, voor zover bekend op deze wereld, het enige geslacht waarin beide seksen in staat zijn om een volledige bevrediging te ervaren. De innerlijke wereld gaat invloed uitoefenen op de uiterlijke wereld en het organisme res­pondeert.

Er komen dan meesters, denkers, die duidelijk maken hoe de wereld is. Dat je niet alleen maar behoeft te vergaren wat er is, maar dat je kunt kweken wat je nodig hebt. Dat je niet alleen maar behoeft mee te trekken met de kudden van wilde dieren maar dat je soms dieren kunt houden op een bepaald terrein, als je maar voor ze zorgt, en je dan je wild naast de deur hebt. Uiterlijke veranderingen, maar ook innerlijke veranderingen. Want als je niet meer voortdurend zwerft, noodlotsgebonden bent, maar een eigen wereld opbouwt, dan bouw je met die wereld ook innerlijk een vast we­reldbeeld op. En dat is het belangrijke.

Bijgeloof speelt ook een rol. U kent het hele verhaal: totem, ta­boe enz., maar vooral ook een erkende relatie tot het onkenbare. “Waar buiten mij het onverklaarbare optreedt”, zegt de mens, “daar moet ik in mij daarvoor een voorstelling vinden. Ik schep dus een analoge wereld in mij waarin al het onverklaarbare is gepersonifieerd en bena­derbaar is geworden”. Dan komen er weer de grote profeten, de grote denkers die, als een soort Prometheus, hun vuur brengen, het innerlijke vuur.

Misschien heeft u zich wel eens afgevraagd hoe het komt dat ze de H. Geest voorstellen als vurige tongen. Ze zeggen dat Prometheus het vuur uit de hemel haalde, terwijl in vele andere legenden het vuur ook een rol speelt, tot zelfs een regen van vuur uit de hemel, die het kwaad verderft of die de mensen terugdrijft in aardse geborgenheden, totdat zij ‑ zichzelf vermand hebbend ‑ een nieuwe wereld kunnen betre­den. Wonderlijk vuur. Vuur zit van binnen.

Er zijn profeten die het vuur vorm geven. Ze geven het klank. Ze maken het magisch. De innerlijke en de uiterlijke wereld vloeien in­een in een magisch concept. De innerlijke krachten en de krachten van buiten zijn verwant en onwillekeurig haast hanteert de mens geestelijke, innerlijke en uiterlijke stoffelijke waarden als een en dezelfde, als vergelijkbare waarden. Pas als het veel verder gaat, als de herders naar de hemel kijken, de eerste Priesters aan de hemel het schrift van de goden willen zien en de mens voor het eerst tracht door te dringen in het geheim van zijn lot, zien wij een nieuwe ontwikkeling ontstaan.

In deze ontwikkeling spelen denkers een rol. Denkers die systemen scheppen. Je zou er veel namen aan kunnen geven maar ze zijn alle onvol­ledig. Wie kent in deze tijd nog het beginsel? Zelfs de Pythagoreeën zijn vergeten in hun werkelijke betekenis. Hun discipline was er niet een van mathematisch denken. Het was een magisch denken waarin inner­lijke harmonieën, beheersing van klanken, het beheersen van ritme, het wisselen van ritmen eerder dan het wisselen van ideeën een hoofdrol speelden en waarbij de meetkundige structuren de taal waren waarin men het onzegbare exact probeerde weer te geven.

Er zijn heel veel van die wonderlijke ogenblikken. Er zijn zelfs ver­geten figuren, zoals Dimistines, onbekend voor de meesten, meester van de eerste Orfische mysteriën in Griekenland. Hij was niet eens een Griek. Hij was vermoedelijk van Italiaanse afkomst en heeft in de vroege zee­vaart schipbreuk geleden op een van de eilanden, vermoedelijk Cyprus. Daar heeft hij waarschijnlijk een deel van de Kretenzer wijsheid van iemand overgenomen. Als hij dan in Griekenland komt, een Griekenland dat nog niet eens in staat was om de mythen van de goden tot een volledig ver­haal, een soort superwerkelijkheid, samen te voegen, dan brengt hij daar het mysterie van de elementen. Maar hij is niet alleen.

Ergens in Perzië is er een aanbidder van zon en vuur. Later wordt dat Mithras en de Mithrasdienst. “Zon en vuur zijn één,” zegt hij. “Zon en vuur zijn leven. Maar hij, die tot het leven wil komen, moet de elementen beheersen.” Het is een leer en een discipline, die weer de innerlijke wereld stelt, verenigd met de uiterlijke wereld. Je moet de angsten voor de elementen overwinnen, maar je moet ook een beeld hebben van die elementen. Je moet weten wat de aarde is, wat het water is, wat de lucht is, wat het vuur is, voordat je de zon kunt aanschouwen.

De mens bouwt innerlijk visioenen op. Hij geeft ze weer in mysteriën en mysteriespelen. Hij probeert ze uit te beelden in de beproevingen van de adept. Maar in werkelijkheid bouwt hij in zich een wereld waarin plaats is voor God. Langzaam maar zeker wordt de innerlijke chaos van de mens een centrisch Al met een kracht in het middelpunt. Langzaam maar zeker worden alle goden en godinnen a.h.w. gegroepeerd rond een element. Noem dat tijd, noem dat het begin van vuur, noem dat de leven­de adem, maar het is een kracht.

Vanaf dat ogenblik begint een van de wonderlijkste ontwikkelingen die wij ons kunnen indenken. Een ontwikkeling die uiterlijk niet wordt weerkaatst in de wereld van vandaag maar die daarin verborgen is. Misschien zou men het kunnen noemen: de mythos van de verborgen rijken.

Ergens onder de aarde slaapt de Heer der Wereld. Ergens boven de wolken wacht de profeet om terug te keren. Begraven in de bergen rust de Keizer, maar hij zal opstaan wanneer zijn raven hem wekken en uit­trekken om zijn volk te bevrijden. Het graf ‑ de afstand. Dat is de af­stand tussen innerlijk en uiterlijk.

Het verborgen rijk is de innerlijke weerklank van eenheid die, wanneer de nood aan de man komt, naar buiten toe kan worden waarge­maakt. Het is de wekroep van een innerlijke kracht die nu vraagt ook buiten zich als werktuig te worden gehanteerd. De hele wereldgeschie­denis is een gang van de ontdekking van je innerlijk en je mogelijkheid de buitenwereld te beheersen middels een verdieping in de essentie en het wezen van de wereld buiten je en een erkenning van de eenheid tus­sen innerlijke en uiterlijke wereld met het vermogen de innerlijke krach­ten te richten in de wereld buiten je en, buiten ruimte en tijd levend, in ruimte en tijd oorzaak‑en‑gevolg te bepalen.

Er zijn veel geheime Meesters geweest. Wij zullen sommige van hen in de komende reeks betogen ongetwijfeld ontmoeten. Namen die u niet veel zullen zeggen maar denkwijzen die mogelijk u iets bewuster zullen maken. Laat mij zeggen dat zij in de wereldgeschiedenis de bouwers zijn van het innerlijke rijk van de mens. Want als de mens innerlijk voldoende visie en grootheid heeft, kan hij de wereld buiten zich beheersen, dan is hij er meester van. Zolang hij alles buiten zich zoekt, is hij slaaf. Zolang de mens alleen maar met de wetten en krachten buiten zich wil spelen, bouwt hij zich een mausoleum waarin hij zijn eigen grootheid ver­heerlijkt, terwijl hij zijn eigen ondergang bepaalt. Maar leert de mens om in zich zijn wereld te bouwen en zijn innerlijke kracht te gebruiken als zijn werktuig, dan beheerst hij dat ene element dat alle mensen schijnt te beheersen en dat men ‘tijd’ noemt. Dan kan de mens een ruim­telijke structuur vormen vanuit zijn geestelijk weten en meester zijn van de uiterlijkheid, zijn innerlijke terrein beproevend en voortdu­rend verrijkend, totdat hij ook de ruimte kan verzwelgen en zich één kan gaan voelen met het centrale punt van het centrisch Al, dat Kos­mos heet en dat mens heet.

Ontwikkeling is een samenspel van je innerlijke waarden en de uiterlijke wereld. Je kunt alles kennen en niets weten. Je kunt alles weten en niets kennen. Maar waar weten en kennen samengaan, ontstaat het kunnen, het vermogen om waar te maken.

Ik wil een verborgen Meester citeren: “Datgene wat je in je gedachten zo duidelijk en gevormd kunt schep­pen dat het voor het innerlijk oog zichtbaar wordt, is gelijk aan de werkelijkheid buiten je. En zo er een ongelijkheid is, zal de wereld van de materie zich aanpassen aan de wereld van de geest, want de wereld van de geest is essentie. De wereld van de mate­rie is slechts vorm, ontstaan door de omkleding van essentie.” Dat zegt u misschien genoeg.

Ons gehele bestaan is een wonderlijk spel tussen rede, emotie en innerlijke waarde. Het is de emotie die vaak de brug bouwt tussen een innerlijke wereld en de wereld die daarbuiten bestaat. Wij moeten niet zeggen dat de emotie op zich belangrijk is. Ze is mis­schien geestelijk wat onbelangrijk en stoffelijk vaak wat te onredelijk, maar de innerlijke wereld en de buitenwereld kunnen alleen samengaan indien de emotie de brug tussen die beide slaat. Het is de emotie, die in de innerlijk wereld erkenning mogelijk maakt die vastlegt wat in de stof is ervaren. Maar het is ook de emotie, die een brug bouwt waardoor de krachten van een innerlijke wereld zich in de materie kun­nen storten en daar kunnen veranderen wat noodzakelijk is.

Ontwikkeling is niet iets magisch, het is ook niet esoterisch, het is een normaal kosmisch iets. Ontwikkeling is ons noodlot; wij kunnen er niet aan ontkomen. Altijd weer staan we ergens voor een kruising, een splitsing van het pad. En als we goed willen kiezen, dan moeten we kiezen uit de emotio­nele erkenning. Niet ` omdat dat redelijk juist is of omdat dat goddelijk juist is, maar omdat dat voor ons de harmonische mogelijkheid biedt innerlijke erkenning en de innerlijke wereld over te brengen naar buiten en omgekeerd.

Er is geen Meester te vinden in de gehele geschiedenis van de mens­heid die zonder meer logisch is. Vaak zijn delen van zijn betogen logisch en redelijk, maar dan komt daar weer de emotionaliteit bij, deze gevoels­wereld, waardoor ze een andere betekenis krijgen. In de geschiedenis van de mensheid zien we dit op grote schaal. In elke mens vinden wij voortdurend het bewijs dat dit voor elke mens ook nu geldt. Wat u innerlijk schouwt en waarlijk gevoelt en erkent en niet alleen maar ontleedt als waar, dat wordt buiten u tot werkelijkheid„ soms tot uw eigen verbazing.

Al wat er buiten u gebeurt, geeft u indrukken en deze moet u in de innerlijke wereld vervlechten. U moet niet weglopen voor de feiten. Als u ze voelt en beleeft, neem ze in u op, dorstig als iemand die dagen zonder water in de woestijn dwaalt. Absorbeer ze en voeg het aan uw innerlijke wereld toe. Laat het uw innerlijke wereld niet overheersen. Maak het niet ondergeschikt aan de innerlijke wereld, voeg het in. Laat de emotie zich voegen in het geheel van de erkende en aangevoelde werkelijkheid die u in u draagt. Alleen zo ontwikkelt u zich tot meer dan zuiver mens zijn. Alleen zo vindt u de overwinning van tijd en ruimte waar de innerlijke eenheid wordt tot een weerspiegeling van een kosmische eenheid, die niet meer uitdrukbaar is in tijd of ruimte.

Enkele aanvullende commentaren.

  1. Als je een beeld opbouwt ‑ en ik heb getracht dat te doen ‑ dan bouw je niet alleen een beeld op, maar ook een sfeer en een emotie. Zonder die emotie is het argument niets waard. Maar zon­der het argument is de emotie doelloos. Dat geldt voor mij, maar dat geldt ook voor u.
  2. Als mens leef je altijd tussen ‘liever’ en ‘kan niet’. ‘Liever’ is een beeld van een harmonie. ‘Kan niet’ is een beeld van onvermogen. Maar een harmonie, die in ons bestaat, heft het onvermogen op. Wij moeten die harmonie in onszelf scheppen en niet vanuit de wereld.
  3. “Het is zo gemakkelijk goed te zijn, als alle goedheid wordt beloond”, riep eens een denker uit “en het is zo ontzettend moei­lijk goed te blijven als slechtheid zo voordelig is.” Dat is ook waar, al geef je het voor jezelf niet toe. Daarom moet je in jezelf eerst die wereld vinden waarmee je vrede hebt en dan kun je daaraan de buitenwereld aanpassen. Maar je kunt nooit de buitenwereld eerst aanpassen om je innerlijke vrede te vinden, want dan kan de wereld nooit iets scheppen waarin jij jezelf her­kent. De wereld krijgt dan de schuld. Je moet het zelf doen.

Bewustzijn en tijd

Een mens heeft twee soorten bewustzijn. Hij heeft een geestelijk bewustzijn, dat steeds verder kan groeien, en een stoffelijk bewustzijn dat over het algemeen tamelijk snel zijn uiterste grenzen bereikt. In het stoffelijk bewustzijn speelt tijd een heel grote rol. Dat is begrijpelijk omdat de mens is gebaseerd op allerlei fasen die zich in zijn wezen afspelen, terwijl hij in de buitenwereld eveneens met bepaalde fasen wordt geconfronteerd waaraan hij eigenlijk niet kan ontkomen. Neem b.v. de wisseling van dag en nacht. Licht en donker zijn kenmerkend voor de mogelijkheden van de mens, voor het geheel van zijn beleven. Het zal dan ook duidelijk zijn dat hij komt tot een telling van de wisselingen en dat is tijd. In de geest ligt het een beetje anders. In de geest is tijd niet meer uitdrukbaar als een vaste waarde. Het is een relatieve waarde geworden en het geestelijk bewustzijn vergroot zichzelf. Nu zou men daarvoor misschien een formule kunnen vinden. Geestelijk kun je zeggen dat tijd minder betekenis krijgt naarmate de omvang van het bewustzijn toeneemt. Waar dus een volmaakt bewustzijn is, daar is geen tijd. Hoe minder volmaakt het bewustzijn is, des te sterker ook het tijdsver­loop is en bepaalde fasen, die nu alleen stammen uit eigen bewustzijn en relatie met de wereld, voor het ‘ik’ dus bepalend worden.

Tijd is ook een wat wonderlijk verschijnsel. Men kan zich ervan af maken door te zeggen: Tijd is een uitdrukking van beweging in ruimte. Maar je zou het ook nog anders moeten uitdrukken: Tijd is de afwezig­heid van besef omtrent de gelijktijdigheid der dingen. Ik meen dat ik dat verder duidelijk kan maken door u erop te wijzen dat een tijdsmaatstaf kan verschillen.

Een muis b.v. leeft korter en leeft sneller dan u. Voor die muis is het gehele gebeuren beperkter; hij ziet minder maar gelijktijdig is alles wat er gebeurt belangrijker en daardoor beleeft hij meer in de­zelfde tijdsspanne. Als u kijkt naar een aantal muizen in een kooitje, dan ziet u alleen wat gewriemel. Maar die muizen hebben allerlei socia­le contacten gehad. Ze hebben honger en eten (bevrediging) uitgedrukt. Ze hebben misschien geslapen en zijn weer ontwaakt. Op dezelfde manier kijkt een geest nu naar een mens. Een geest kijkt naar de mens en hij ziet de samenhang. Hij ziet het totaalbeeld. In dat totaalbeeld zijn de details op zichzelf wel ken­baar maar niet belangrijk. Tijd wordt eigenlijk bepaald door de details en de belangrijkheid van de details voor het ‘ik’.

Het bewustzijn kan slechts een bepaald aantal impulsen tegelijk op­nemen. Een heel bekend voorbeeld daarvan is de dame die naar de eta­lage kijkt. In die etalage staan 400 artikelen. Maar als je haar later vraagt wat ze heeft gezien, is het die ene voordelige aanbieding van een hoedje; meer heeft ze niet gezien. Nu kun je zeggen: een bewustzijnsvernauwing. Die komt ook bij de man voor. Die bewustzijnsvernauwing zou je kunnen opheffen indien je zou gaan kijken wat er allemaal omheen ligt. Je kunt dus ook als mens in je besef veel opbouwen door uit te gaan van dat brandpunt dat je hebt waargenomen: ik heb een ding gezien, maar dat ene voorwerp heeft rond zich een kader. Ik kan het kader gaan beseffen en dan kan ik misschien van de 400 ar­tikelen 20 prijzen terugvinden, artikel plus prijs. De rest blijft ver­getelheid.

Stel daartegenover dat je een foto neemt. Op die foto staan die 400 artikelen en de 400 prijzen. Nu is het de vraag in hoeverre ik die foto kan vergroten. Als de vergroting zo goed is dat ik elk detail apart kan zien, dan kan ik aan de hand van die foto zeggen wat voor 400 artikelen er in die etalage hebben gestaan en wat hun prijzen zijn.

Nu doet het bewustzijn van de mens eigenlijk zoiets als een foto nemen. Maar een groot gedeelte van die foto kan niet worden vergroot. De geest neemt die foto ook. Maar wat doet hij? De geest registreert niet de afzonderlijke voorwerpen maar de lijnen, die ze vormen. Wat voor u een aantal voorwerpen is, is voor de geest een soort web van lijnen en patronen. En daarin ligt niet alleen het verschil tussen het vergankelijk bewustzijn van de hersenen en het onvergankelijk bewust­zijn van de geest, maar er ligt ook het grote verschil in van de tijds­beleving. Want u ziet mensen. U ziet die mensen zich bewegen; dat zijn afzonderlijke dingen. U kunt die beweging reconstrueren, u kunt hun on­derlinge contacten reconstrueren, maar het blijven bewegingen van een­lingen. Een geest die naar hetzelfde schouwspel kijkt, ziet een aantal lijnen die elkaar kruisen en misschien iets van kleur veranderen wan­neer ze elkaar gekruist hebben door de wederkerige beïnvloeding. Hij ziet dus een beeld van een geheel ontstaan terwijl u alleen maar de details ziet, die u dan wel in het tijdsconcept kunt plaatsen maar waarbij het eigenlijke lijnenspel toch buiten beschouwing blijft.

Dan moeten wij natuurlijk hieruit enkele conclusies trekken.

In het menselijk bewustzijn kunnen samenhangen alleen achtereenvol­gens voldoende worden beseft. Zodra we de volgorde veranderen, ont­staat er een gebrek aan samenhang. Dit betekent ook een gebrek aan mogelijkheid om een conclusie te trekken. Als wij geestelijk echter iets overzien, dan is elk punt van uitgang altijd nog weer de reconstructie van het geheel. Het is niet mogelijk te zeggen: Ik ga dit in stukken breken en op een willekeurige manier samenvoegen. Ik kan het alleen in zijn geheel zien of niet zien.

Een geest die het geheel ziet, kent de onderlinge beïnvloedingen. Hij kent dus ook de werkingen die zijn ontstaan en eventueel de compen­serende mogelijkheden die uit die geest zullen zijn. Want als de geest zich als een contact voegt bij dat stoffelijke, dan is dat een verande­ring die blijvend is, ook voor die geest. Want elk contact dat die geest met de stof maakt, betekent voor die geest dat iets van het eigen ‘ik’ in het patroon dat hij ziet, verder verwerkt zal blijven. En dan krijgt u dit wonderlijke verschijnsel,

Een mens beleeft iets in een grote spanning. Hij gaat sterven. In menselijke tijd gezien zal dat te middernacht zijn. Daardoor breekt er iets wat normalerwijze geestelijk en stoffelijk bewustzijn van elkaar verwijderd houdt. Die mens overziet nu het hele patroon waarvan hij deel is en weet dat hij op een bepaald ogenblik de mogelijkheid heeft zich alsnog kenbaar te maken door projectie van zijn persoon of van zijn ge­dachten. En zo komt het dat hij zelf pas in stervensnood is om 12 uur maar dat hij om 10 uur (dus twee uren voordien) zich aan een familie­lid heeft gemanifesteerd in de toestand waarin hij pas twee uur later zou verkeren. Dat is in dergelijke gevallen voor de mens een beetje onbegrijpelijk. Maar tijd speelt geen rol.De tijd is voor de geest niets anders dan een kleurtje in de lijnen die de mensen met elkaar verbinden.

Als ik zie dat een mens lijdt, dan kan ik dat lijden niet opheffen want het is beseft maar ik kan wel de werking van dat lijden verande­ren. Op het ogenblik dat ik tot een geestelijk concept kom dat niet tijdgebonden is ‑ en dat is heel belangrijk! ‑ en dat alleen zegt: die toestand is er en die wijzig ik, kan ik er iets van mijzelf aan toevoe­gen. Ik kan dan aan het voorgaande niets veranderen, want dat is in de stof beseft, maar de normale consequentie van de gehele beleving wordt afgebroken en er ontstaat een nieuwe toestand die in de stof misschien als een verrassing zal worden beseft maar die verder logisch lijkt, terwijl ik in wezen iets van mijzelf heb gegeven en daarmee ook een deel van de gevolgen uit het patroon heb verwijderd. Maar ze moeten ergens naar toe.

In de kosmos kun je niets teniet doen. Je kunt echter alles omvor­men. Wat lijden is, kan worden omgezet in vreugde, in verbazing, in be­vrediging, mits ik eerst iets van lijden neem en in mijzelf die verande­ring tot stand breng. En nu zie ik weer iets wonderlijks.

Het geestelijk bewustzijn van de mens heeft het vermogen om ook stof­felijke vormen van lijden, die langs geestelijke weg ten dele zijn geabsor­beerd, voor zich om te vormen in een andere emotionaliteit die eveneens een kleuring van het normaal ervaren betekent.

Het geheel van de tijd wordt bepaald door de kleinheid die ik voor mij besef ten aanzien van de grootheid van het andere dat ik meen te be­seffen. Een heel gemene formule. Nu, daar moet u eens goed over nadenken.

Als ik de hele kosmos in mij draag, dan is hij voor mij gelijktijdig. Zijn veranderingen zijn niets anders dan mogelijkheden die ik realiseer uit een geheel dat ik ben. Heb ik maar de helft van de kosmos, dan zullen de veranderingen in mij nog steeds worden beseft als tijdloos. Maar gelijktijdig is er buiten mij een aantal veranderingen die voor mij iets van tijd gaan betekenen. Dit zijn niet beheersbare veranderingen. Word ik nog kleiner en ben ik b.v. een mens of een wereld, dan draag ik maar een heel klein deel van die werkelijkheid in mij en de tijd wordt voor mij meer bepalend. De veranderingen buiten mij betekenen voor mij een voortdurend aanpassen van besef en het onvermogen het geheel van het zijnde gelijktijdig te overzien. De tijd wordt sneller .

Stel dat u zou kunnen leven op een elektron tijdens de omloop voordat het weer van baan verwisselt. Dan zou u in die tijd eigenlijk doormaken wat de aarde doormaakt in, laten we zeggen, 100.000 miljoen jaar. Het zou een enorme tijd zijn. Zou u het in menselijke tijd uitdruk­ken, dan zou het waarschijnlijk iets van een 2 honderdste sec. zijn.

Tijd is een persoonlijke zaak, gebonden aan onze waarneming en onze beleving. Het lichaam kan niet groter worden, de geest kan wel groter worden. En nu zien wij iets eigenaardigs in de relatie lichaam en geest. Naarmate de geest groter wordt, wordt het lichaam onbelangrijker. Want de factoren van verandering die eens het lichaam domineerden, worden nu alle geabsorbeerd door een geestelijk meer tijdloos, althans in tijd veel trager bewustzijn. Daardoor worden vele gebeurtenissen on­belangrijk die eens overweldigend belangrijk leken. En daardoor zijn de dingen die gebeuren vaak alleen een bevestiging van hetgeen in ons be­staat en niet meer de uitdrukking van een ontwikkeling. En daar zit nu een belangrijk punt.

Naarmate het innerlijk besef groeit, zal het gebeuren in de mate­rie niet zijn waarde maar zijn betekenis veranderen. De waarde van het stoffelijk gebeuren wordt in een stoffelijke kosmos bepaald en vastge­legd. De betekenis ervan echter wordt vastgelegd in de innerlijke we­reld en is afhankelijk van de relaties welke in die innerlijke wereld er­kend zijn.

Een conclusie die u hieraan kunt toevoegen is de volgende;

Wie meer samenhangen in de stof beseft en ze weet over te brengen naar zijn innerlijk bewustzijn, zal gelijktijdig meer tijd vinden. Of om het anders te zeggen: de stoffelijke tijd loopt voor zijn bewustzijn langzamer omdat hij in staat is in die tijd sneller te overzien en te combineren dank zij de inhoud van zijn geestelijk bewustzijn. Dit is dus een reden om te leren begrijpen. Hoe meer u in de materie begrijpt, hoe meer u leert en hoe meer u ook de werkelijkheid zult aanvoelen. U ziet niet meer enkele facetten van de zaak, u ziet een ge­heel. Dat overzien moet gepaard gaan met emotie, met een gevoelsbele­ving en wordt daardoor in het geestelijke ‘ik’ verankerd. In het geeste­lijk ‘ik’ verankerd, kan het niet meer teniet worden gedaan en dus zal dat overzicht blijven bestaan en zal de tijdsbeheersing, die voor de stof daaruit voortkomt, voortdurend uitgedrukt blijven. Ik weet niet of u tijd tekort komt. Als dat zo is, kijkt u dan eens naar uw bewustzijn. Hoe bewuster u bent, hoe meer tijd u heeft. Niet om­dat de tijd in de wereld verandert. Maar omdat uw besef dan mogelijkheden heeft om binnen hetzelfde stoffelijke tijdsverloop meer te overzien, meer te beseffen en dus juister te reageren. Elke juiste reactie betekent be­sparing van tijd en gelijktijdig weer het winnen van een groter overzicht. De situatie waarin u als mens verkeert, is over het algemeen van uw standpunt gezien wat bedroevend. Want u heeft dat geestelijk bewustzijn wel, maar u bent niet in staat om dat stoffelijk te omschrijven. Ook dat is dui­delijk te maken.

Daar waar de hersenen denken, kunnen ze alleen de in de hersenen geregistreerde waarden samenvoegen en wel volgens de wet van registratie. Daar waar het innerlijk bewustzijn denkt, is het mogelijk het geheel samen te voegen. Het wordt dan geen verstandelijke gedachte naar het wordt, een impuls, een intuïtie, een niet redelijk verklaarbare conclusie. Als je leert deze conclusies te erkennen en er gebruik van te maken, zul je enorm veel tijd besparen maar gelijktijdig ook je evenwicht met de wereld veranderen. En dat brengt mij dan weer tot een eenvoudige formule. Het evenwicht tussen ‘ik’ en wereld wordt bepaald door geestelijk overzicht plus het vermogen om stoffelijk daaraan vorm te geven. Hoe groter het innerlijk besef plus het vermogen om daaraan uiting te geven, des te evenwichtiger je in de wereld bent en des te groter je beheersing is ten aanzien van de wereldse ontwikkelingen.

Nu gaan we het wat abstract doen. Men heeft de neiging de tijd voor te stellen als een lijn die zich voortdurend vertakt waarbij elke nieuwe vertakking een keuze representeert. Dat is waar van een stoffe­lijk standpunt. Maar van een geestelijk standpunt is er maar één ontwik­keling die geheel beantwoordt aan het eigen innerlijk besef. De inner­lijke keuze ligt dus vast voor een veel groter deel van het menselijk leven dan stoffelijk denkbaar is. Hierdoor kan worden gesproken van een door eigen besef bestemde lotsbepaling. Dit moet u trachten goed te be­grijpen. Er is geen noodlot dat u dwingt maar uw eigen wezen bepaalt wat voor u mogelijk is. Indien u een verkeerde keuze doet, zult u er op moeten terugkomen. Dat kan niet anders. U kunt een beleving nemen en zeggen: Die heeft voor mij betekenis. Maar u kunt geen ontwikkeling nemen en zeggen: Die heeft voor mij bete­kenis, tenzij u innerlijk deze ontwikkeling voor uzelf bestemd heeft. Zou u een ontwikkeling kiezen die niet past bij uw innerlijk, dan breekt ze af en zult u tot de hoofdontwikkeling moeten terugkeren. Dit impliceert dat het geestelijk ‘ik’ en wat daarin bestaat, eigenlijk veel belangrijker is dan een mens pleegt te denken, en dat is ook de reden dat men moet komen tot een innerlijke ontwikkeling waarbij dat geestelijk deel van het ‘ik’ een zo groot mogelijke zeggenschap heeft.

Enkele praktische tips:

  1. Niet elke impuls komt uit de geest maar een impuls die zichzelf herhaalt, komt wel uit de geest. De zich herhalende im­puls namelijk representeert een in u niet bewust levende waarheid of werkelijkheid die voor u geldt. De uitleg die u er stoffelijk aan geeft, is niet belangrijk. Wel is belangrijk dat u probeert, op welke manier dan ook, die voortdurende impuls waar te maken. Hierdoor schept u een grotere mogelijkheid voor uw geestelijk ‘ik’ om in de stof harmonisch te zijn. En als u dan stoffelijk ook nog tot de juiste emoties komt, is er een wederkerige overdracht van waarden mogelijk waardoor het geestelijke wezen zijn overzicht duidelijker in de stof kan uitdrukken en gelijktijdig de stoffelijke ervaringen voor de geest nog eens nadruk kunnen geven aan datgene wat gezien het stoffelijk bestaan op dit moment belangrijk is.
  2. De geest beschikt over de energie die haar wezen uitmaakt, is dus in elke mens en overal waar een geest ook maar denkbaar is of aanwezig is, een grote hoeveelheid energie die kan worden uitgedrukt in elke wereld die wordt beseft. Ik kan nl. niet buiten dit lijnenstelsel, dat in mijn besef bestaat, mijn krachten uitdrukken en ontladen. Maar waar ik eenmaal de verbindingen, de relaties tussen dingen en mensen heb beseft, kan ik op elk punt mijn totale kracht doen inwerken zonder daardoor mijn wezen in welke zin of betekenis dan ook in inhoud of waarde te zien verminderen.
  1. Alle kracht die je kunt uitdrukken, moet echter stoffelijk­ vorm krijgen zodat het eigen besef hieraan kan deelhebben. Het heeft dus geen zin een geestelijke kracht uit te oefenen op een punt dat niet stoffelijk kenbaar is. Als u iemand wilt genezen en u kent die mens niet, u weet niet of het werkt, dan is dat van het standpunt bewustzijn al­thans zinloos. Als u iemand op afstand geneest en u heeft de mogelijkheid te controleren, dan is het zinvol. Hier is de rela­tie stoffelijk besef en geestelijk gebeuren samengekoppeld. Zoek daarom altijd naar datgene wat voor u controleerbaar blijft. Datgene wat stoffelijk niet te beseffen of te ervaren is, kan geestelijk betekenis hebben maar er is geen mogelijkheid om een brug te slaan tussen stoffelijke wereld en geestelijke wereld en zo zal er geen uitwisseling van krachten, vermogens of gegevens meer kunnen zijn. Dan kunt u een keer een kracht ontladen en ver­der bent u gefrustreerd, terwijl bij een stoffelijk kenbare reactie de herhalingsmogelijkheid blijft bestaan. De vonk kan a.h.w. voort­durend overspringen en zo kan een permanente reeks reacties of werkingen tot stand worden gebracht. Ook dit moet u onthouden. Voor een stoffelijk mens klinkt dat al­lemaal een beetje moeilijk. Daarom wil ik hierop een variant ge­ven georiënteerd op de stof.
  1. Als u, op welke wijze dan ook, een geestelijke kracht gebruikt en een voorstelling daaraan heeft verbonden en de resultaten er­van kenbaar zijn, dan zal deze zelfde voorstellingswijze, die dan voor een ander object bedoeld is, kunnen dienen tot het herontstaan van dezelfde werking, ook indien in het eerste geval er sprake was van een krachtvoorstelling die uw eigen kracht te boven gaat. U kunt dan zelf uit uw eigen geestelijk vermogen blijven reprodu­ceren wat u eens uit een groter vermogen meende te ontlenen.
  2. Tijd telt zwaarder naarmate je probeert haar meer te registreren. Om het anders te zeggen: Als je denkt dat je geen tijd hebt, krijg je steeds minder tijd. Als je wacht tot een bepaald ogenblik is aangebroken, duurt de tijd veel langer. Dat betekent dus dat we tijd niet moeten zien als een werkzame factor. Wij moeten ons niet met de tijd bezighouden maar met onze actie of met ons innerlijk besef en door de tijd te verwaarlozen waar dit maar mogelijk is. Dat betekent dus niet dat u moet zeg­gen: De trein vertrekt wel wanneer ik klaar ben. U moet zeggen: Als ik zeg dat ik op dat tijdstip bij die trein ben, dan loopt alles goed. Als u zegt: Als ik het maar haal, dan bent u of een uur te vroeg of 1 minuut te laat. Er is geen tussenfase.

Probeer dus altijd de tijd zoveel mogelijk buiten beschouwing te laten en ga in uw werken niet uit van de tijd die het zal kosten maar van het werk dat u wilt verrichten. Hoe meer u dat doet, hoe meer u presteert en hoe minder de prestatie u stoffelijk aan kracht en zenuwkracht kost en hoe groter uw mogelijkheid verder is om geestelijke energieën in te schakelen bij het gebeuren en bovendien nog te komen tot een prestatie die uw stoffelijke top benadert, bereikt of soms zelfs te boven gaat.

Tijd is en blijft voor de mens een wonderlijk verschijnsel. Het innerlijk bewustzijn, minder tijdgebonden, is in staat veel van die wonderlijke verschijnselen van de tijd te reduceren of om te vormen tot iets waar je eigenlijk alleen het voordeel van hebt, wat al­leen maar harmonie betekent.

In u is de kosmos en buiten u bestaat de kosmos. Waar beide één worden is er geen tijd. Waar een tijdelijke eenheid tussen innerlijke en uiterlijke wereld bestaat, heeft u alle tijd. Het is belangrijk u dat steeds voor ogen te stellen.

Einstein

Einstein. Een naam, en niet meer dan een naam, want het besef dat zo geheten heeft, bestaat nog steeds maar het heet anders. Dat wat was, is nu in een andere vorm. En dat wat nu is, herhaalt wat was zon­der zichzelf te veranderen maar anders in verschijning tegenover de wereld. Want niets is gelijk voor de mens wanneer de tijd erbij betrok­ken wordt. Maar is tijd eigenlijk niet slechts een uitdrukking van verandering? Een verandering van plaats, van uiterlijkheid of inhoud?

Einstein heeft op zijn wijze deze mystieke werkelijkheid gestalte gegeven. Hij heeft duidelijk gemaakt dat de tijd geen werkelijkheid is maar dat de tijd alleen maar een maatstaf is waarmee wij het verschijnsel meten en dat de relativiteit wordt bepaald door het enerzijds zus en anderzijds zo zien van een verschijnsel. Er is geen vaste regel en geen vaste wet die altijd kan gelden in de beperking van het menselijk zijn.

Het menselijk zijn is ontwikkeling. Maar ontwikkeling kan alleen ontstaan, indien wij uitgaan van de veranderingen die zich in en rond ons voortdurend manifesteren. Wij zijn geen meesters van de tijd wanneer wij leven in de tijd. Maar wij kunnen wel meesters worden van het besef dat de tijd uitdrukt.

Alles is betrekkelijk. Alles kent wetten die veranderen wanneer de omstandigheden veranderen zonder dat hun wezen daardoor wordt gewijzigd.

Dat is wat Einstein in mij wakker roept: de zekerheid dat in de voortdurende verandering één werkelijkheid leeft maar dat de wijze waarop we die werkelijkheid beseffen, steeds weer een andere zal zijn tot wij met die werkelijkheid verenigd zijn.