De werelden van het hiernamaals

10 februari 1967

Ik mag u er allereerst op wijzen dat de sprekers van deze groep niet onfeilbaar of alwetend zijn. Ik verzoek u dan ook uzelf een oordeel te vormen over alles wat door ons met u besproken wordt. Allereerst nu een inleiding op het discussiepunt van deze avond: De werelden van het hiernamaals.

Het hiernamaals is een eigenaardige uitdrukking, een soort geloofsartikel, waaraan men gelooft of erop hoopt, wanneer men er niet in durft te geloven.

Wanneer wij de voorstellingen bezien, die de mens zich in de loop der tijden van dit hiernamaals heeft gemaakt, zo valt ons hierbij allereerst wel de enorme diversiteit der beelden op. Wij vinden uitgebreide beelden van hemelwerelden, die gaan vanaf een wat geïdealiseerde vorm van een natuurlijke wereld via een soort hemel en hel in een wat minder natuurlijke, maar nog steeds stoffelijke vorm, tot fantastische werelden met demonen, engelen, onbegrijpelijke toestanden en zelfs een soort eeuwige verstarring van de overgeganen in een soort eeuwige aanbidding. Wij zouden na kunnen gaan waar al deze denkbeelden vandaan komen.

Wanneer wij bijvoorbeeld kijken naar de wijze, waarop men in Tibet geloofde (waarbij ik niet alleen denk aan de lamaïstische invloeden, maar mede aan het sterker daar heersende natuurgeloof) zo zien wij dat de onderwereld betreden kan worden door langs onheilspellende en vreemde spleten in de aarde. Dit doet denken aan het rijk onder de vulkanen, waar men in een ander land zich eens als heerser Vulcanus dacht, de eenogige hinkende smid. Het is duidelijk dat bijna altijd weer de verschrikkingen van het onbekende en de angst voor het duister bij de mens mee vormend waren voor beelden van de hel. Zelfs in Egypte, dat toch een hoogontwikkelde dodencultus kende, was de hemelwereld een veredelde replica van de mensenwereld, terwijl de onderwereld een duisternis was, waarin de zon slechts slapende binnentrad. Een wereld waarin alleen onderaardse vuren nog licht gaven. Direct of indirect speelt de angst voor vulkanische verschijnselen ook hier een rol en zien wij de angst door de aarde verzwolgen te worden, als beeldende factor bij het schetsen van het lot der verdoemden.

Hemelwerelden zijn bij zogenaamde primitievere beschavingen en volkeren eigenlijk een soort eeuwige weide, waarin eeuwige lente heerst en de mens de geliefde vreugden ten volle zal kunnen genieten. Zelfs de hemel, waarin Dante zijn geliefde Beatrice ontmoet, is niet veel meer dan een dergelijk lentelandschap zonder zorgen. Zo kennen wij het beeld van de eeuwige jachtvelden, de Elysische velden steeds weer uitgebeeld als streken, die in wezen eigenlijk niet van de eigen wereld verschillen. Alleen de actie van de mens is er vrijer, minder blijvend en beperkt. In het noorden vinden wij bijvoorbeeld het Walhalla, een soort eeuwig jacht- en slagveld vlak bij het Asenheim, waar de mensen kunnen vechten en sneuvelen naar believen, kunnen jagen om (strijders zowel als wild) bij het vallen van de avond uit de dood te herrijzen om de avond te vieren met een vrolijk drinkgelag. Pas wanneer het beeld van God abstracter wordt en de godenwereld verder van de mensheid af komt te staan, wanneer het monotheïsme de ene almachtige en onmenselijke God introduceert, verwateren de wereld gelijke beelden van hemel en hel meer en meer. De hemel is voor de primitieven een soort paradijstuin, een begrensde wereld dus, waarin bijvoorbeeld God de Vader rondloopt om complimenten en sigaren uit te delen, zoals in green pastures waarin een primitieve versie van een negerhemel wordt gegeven. Voor anderen is de hemel geheel van de wereld vervreemd en wordt tot een soort groot theater met God op het toneel, waarbij de zaligen geen andere taak en geen ander genot meer kennen dan voortdurend de Schepper toe te juichen. De hel echter blijft realistischer, wordt niet zo abstract gezien. Begrijpelijk, want er is nu wel één God, maar die ene God is het ene middelpunt van de hemel. Duivels zijn er nog steeds vele. Misschien spreekt hier de zelfkennis van de mens, die het hem onmogelijk maakt alle kwaad tot een enkel punt te herleiden. Het goede is bij de mens, zelfs in zijn voorstelling, altijd beperkt en beperkend. Het kwade is grenzeloos in mogelijkheden, overschrijdt alle grenzen in zijn werking en ontstaan.

Het zijn dergelijke beelden, gemengd misschien met de ontkenning van een persoonlijk voortbestaan (zoals wij dit bijvoorbeeld ook in het marxisme aantreffen) die aansprakelijk zijn voor de toestanden na de dood, die wij hier de werelden van het hiernamaals noemen. Er is immers geen vaste reeks van gefixeerde geestelijke werelden. Men stelt het graag zo voor. Men wil na de dood binnentreden in een wereld, waarin men bijvoorbeeld door familieleden wordt afgehaald, dan wel door juichende engelen of desnoods zwoegende voor een hemelpoort belandt en wacht, waarschijnlijk met de geestelijke tong op de geestelijke schoenen, of de gebaarde sleutelbewaarder misschien toegang wil verlenen.

De werkelijkheid is eigenlijk als volgt. De dood is een soort van slaap. Nu denk ik daarbij niet alleen aan de lichamelijke rust, maar vooral aan de eigenaardige toestand, waarin het bewustzijn zich bevindt gedurende deze rust: alle beelden en herinneringen, alle impulsen die men heeft opgedaan, alle impressies ook die men nog onbewust van buitenaf ontvangt, kunnen zich met elkaar verweven tot een wonderlijk spel, een caleidoscopische reeks van ontwikkelingen en gebeurtenissen, die men een droom pleegt te noemen. De werelden na de dood zijn in zekere zin als een droom. Het is het eigen ik, dat deze werelden creëert. Uit jezelf maak je als het ware een beeld van de toestand waarin je je bevindt. En wanneer vele mensen een zekere primitiviteit in zich dragen, zo komende tot een Zomerland, of menen op te stijgen door de lotusvijvers om in tuinen en de hof van rust te wachten, tot zij rijp zijn on te gaan rusten onder de boom der herinneringen, dan is dit voor hen (naar ik meen) een waarheid, iets wat voor hen werkelijkheid schijnt te worden.

Zoals er ongetwijfeld ook waarheid schuilt in de voorstelling van hellewerelden, zoals wij die bij bepaalde boeddhistische sekten aantreffen. Hier spreekt men van het rad des levens en laat de mens door een reeks van pijn vertrokken werelden gaan, waarin de ene kwelling de andere opvolgt, een eindeloze opeenvolging, die telkens eindigt in hergeboorte. Een voorstelling, die sterk herinnert aan de beschrijving van het vagevuur zoals Dante dit beschrijft. Het is de kern van het menselijke zijn zelf, die tot uiting kont in deze voorstellingen. Bij de Chinezen blijkt de verwantschap nog duidelijker, omdat de demonen daarin optreden zoals de keizerlijke beulen wel deden. Daarin kent men een hellewereld, waarin men door helse boogschutters met pijlen wordt gekweld. Wanneer men zoveel pijlen in zich draagt, dat men tot een soort stekelvarken geworden is, is er even pauze. De pijlen smelten weg, maar de pijn blijft en de beschieting begint opnieuw. Overal werelden van duisternis en koude, werelden waarin de mens als het ware met zijn diepste angsten wordt geconfronteerd. Zoals de hemelwerelden voor hem uiteindelijk werelden van bevrijding zijn. Werelden, waarin hij loskomt van zijn vroegere status en verheven wordt, vrij wordt gemaakt van alle belemmeringen. Want, zo denkt de mens nu eenmaal graag, zo droomt de mens vaak.

Daarom zijn zijn werelden na de dood ergens een evenbeeld van zijn dromen. Ook dan spelen begeerten en angsten een grote, ja alles beheersende rol. Het is natuurlijk moeilijk een omschrijving te geven van een toestand, waarin je geen gestalte meer hebt, waarin het hersendenken ophoudt en je te maken krijgt met een eigenaardige flux van energieën binnen iets, waarvan je eigenlijk de begrenzing vaak niet eens meer juist kunt vaststellen. Maar ik kan u in ieder geval zeggen: Wanneer je de werelden van het hiernamaals betreedt, droom je. Zoals elke droom zijn de werelden, die men meent als werkelijkheid te ervaren, gebaseerd op een samengaan van menselijke verwachtingen en vrees.

Zowel de droom als het bestaan in het hiernamaals worden gekenmerkt tot zekere hoogte door het scheppen van een wereld, waarin men af kan reageren. Een wereld, waarin de mens door de impressie, door de beleving, een evenwicht probeert te vinden met een persoonlijk zijn of een wereld, waarin hij eigenlijk zich niet thuis gevoelt. Wanneer u overgaat, draagt u een grote reeks van begrippen met u, die niets te maken hebben met de werkelijkheid van in uw stoffelijk bestaan en voorstellingen die niets te maken hebben met de werkelijkheid van een leven na de dood. Zij zijn misschien onjuist of onbelangrijk, maar voor u maken zij uw wereld uit. Daar spreken kwesties, die in werkelijkheid zeer onbelangrijk waren, maar die u voor uzelf steeds groter en belangrijker gemaakt hebt. Want in het menselijke denken kan soms zelfs een vlo een berg baren, zoals u in uw eigen voorstellingen en gevoel te maken hebt met verdiensten, die in werkelijkheid niet bestonden, maar die voor u een soort recht betekenen op het goede.

Deze dingen tegen elkander afwegende komt u tot een beleving, die u dan uw sfeer of uw wereld zult gaan noemen. Het is natuurlijk wel mogelijk om algemene aanduidingen te geven. Eenieder weet heus wel wat ik bedoel wanneer ik spreek over Zomerland. Maar wat is dan dit Zomerland in feite? Zomerland is de tuin, de moderne versie van de Elysische velden of de eeuwige jachtvelden. De hoge krachten, die zich aan de mens in een dergelijke wereld kunnen openbaren, krijgen gestalte als een soort weldoende manitous of als tijdelijk afgedaalde goden, die even vorm aannemen, om dra in een regenboog van schemerende kleuren weer te vergaan naar een andere wereld. Wij denken, wanneer wij overgaan, meestal zeer materialistisch. Maar wanneer wij het goede kunnen aanvaarden, zo menen wij ook recht te hebben op het goede. Wanneer wij de werkelijkheid van eigen wezen kunnen aanvaarden en niet door schuldbewustzijn worden gekweld, trachten wij alles, wat rond ons is, dan ook als goed te interpreteren. Wij doen dit via beelden, die in onszelf bestaan. Daarom meent men te leven in een wereld vol tuinen, met verre bergen aan de einder en kleine tempels, waarin onderricht gegeven wordt, vredige bossen en perken vol fantastische bloemen.

Het is geen onaantastbare werkelijkheid, het is een droom. Maar in die droom erkennen wij elkander, beïnvloeden wij elkander als vage geluiden, die uit een niet besefte buitenwereld tot ons komen in de slaap. Terwijl wij met elkaar spreken, geven wij aan delen van elkanders droom gestalte. Het is zoals iemand die slaapt en in zijn dromen beïnvloed kan worden door geluiden uit een ander vertrek en een verre fabrieksfluit die loeit of een trein die eentonig voorbij dendert in de nacht. Dit beïnvloeden brengt de mogelijkheid tot wisselwerking, een in zekere zin gezamenlijk dromen (en daarmede een gedeelde, ofschoon imaginaire) wereld tot stand. Men kan dus trachten met anderen te spreken en uiting te geven aan alles wat in het ik leeft. In feite zal de ander echter niet horen wat jij wilt zeggen. Je herschept eerder iets in de innerlijke wereld van de ander. Zo kan er een harmonie ontstaan, waardoor men vele dingen gemeen denkt te hebben en zelfs elkander leert begrijpen, maar dat wil nog niet zeggen dat je werkelijk hetzelfde ziet en beleeft, dat je werkelijk in een precies gelijke wereld of sfeer leeft.

Ben ik innerlijk vredig, dan zal mijn droomwereld een gelukkige en vredige kunnen zijn. Indien ik echter innerlijk geen rust kan vinden, zo zal ik te maken krijgen met een soort angstdroom. U kent dit soort dromen wel, een nachtmerrie, waarin je opeens in je hemd midden op straat staat, wegvlucht voor de mensen, een trap op stormt waaraan geen einde schijnt te komen, om ineens voor een deur te staan waarbij je echter, zodra je haar wilt openen, de deurknop in de hand houdt. De scene wisselt vaak zonder enige reden, zodat u een ogenblik later (en nu weer geheel gekleed) weg denkt te vluchten door een lange gang voor iemand die u achtervolgt. Vaak eindigen dergelijke dromen met een plotseling misstappen of tasten in een vreemde duisternis, gevolgd door een schier eindeloze val, die je met een snikkende schreeuw achter in de keel doet ontwaken. Kenmerkend is hier de tegenslag, het door noodlot en andere wezens vervolgd worden. Wanneer wij spreken van een duistere wereld, zo denken de meeste mensen aan een soort officiële hel, vol van de kwellingen, die officieel als helse pijnen te boek zijn gesteld. In feite is de hel, de duistere sfeer, echter een angstdroom die voortkomt uit de noodzaak een evenwicht in onszelf te vinden. Wij moeten komen tot een aanvaarding van ons Ik en door deze aanvaarding ook de toestand, waarin wij verkeren (het geestelijke bestaan), leren aanvaarden zonder angsten en vrezen.

Het bestaan in de geest op zich is vormeloos. Het kent wel uitwisseling van krachten, het optreden van energieën. Maar dergelijke dingen kun je menselijk niet meer juist weergeven. Je spreekt bijvoorbeeld van kleuren, terwijl er in feite geen kleuren zijn, maar werkingen. En geen geluiden, al spreekt men van gezangen en stemmen. In feite is het geestelijk bestaan een soort prikkelende stilte, waarin toch aanwezigheid beseft en beleefd kan worden. Een werkelijk vredig mens kan dit aanvaarden. Iemand die vrede in zich kent, maar nog aan voorstellingen gebonden is, zal een goede wereld vormen, door alles te vertalen in stoffelijke beelden. Maar de geest, de mens die onevenwichtig is, zal steeds weer de angst kennen en zo voortstrompelen door moerassen, die hem het voortgaan belemmeren, zal verzinken in drijfzand. Een droom, waarin je voortdurend en zonder onderbreking met al je angsten wordt geconfronteerd, is dan ook de beste omschrijving voor alles, wat men een duistere of hellewereld pleegt te noemen.

Lichte werelden zijn een droom waarin alle idealen waar worden, duistere werelden zijn een voortdurende nachtmerrie. Tussen beiden ligt het schaduwland, het land van hen, die niet goed en niet kwaad zijn, die niet te veel in idealen vertrouwen en niet te veel angsten kennen, maar ook zichzelf nog niet kunnen aanvaarden. Dit is de sfeer die vaak wordt beschreven als het tasten door een dikke nevel. Indien ik spreek van een nevelsfeer, zo moet men zich daaronder niet iets voorstellen dat enig verband houdt met Londense mist of desnoods moderne smog. Men gebruikt de term nevel om aan te geven hoe alles van een vaagheid is, een gebrek aan concreetheid, waardoor geen gevestigd beeld ontstaat. Je ziet schimmen rond je, maar geen enkel beeld neemt werkelijk gestalte aan. Soms herkent men elkander vaag, dit gebeurt wanneer men ongeveer gelijke onzekerheden, ongeveer gelijke emoties en verwachtingen koestert. Op den duur komt men dan zelfs tot het erkennen van elkander als geheel gevormde gestalten, zodat men zich wel in groepen door het nevelland beweegt.

Kenmerkend voor het bestaan hier is het gevoel van zoeken zonder einde. Soms meent men een lichtpunt voor zich te zien. Maar is er dan werkelijk sprake van Licht? Neen. Het is eerder een ogenblik waarop men meent dat vastere vormen gevonden kunnen worden, dat de vliedende wereld voor een ogenblik zich zou kunnen kristalliseren tot iets concreets, iets waaraan je je vast kunt houden, iets wat je aan kunt. Maar men is niet evenwichtig genoeg, men heeft geen vormbesef genoeg en het Licht verdwijnt als een dwaallicht, wanneer je meent naderbij te komen. Soms is er iemand, die een deel van je denken en angsten met je kan delen, zonder daarbij eigen evenwichtigheid (en dus eigen wereld) geheel te verlaten. Dan volgt uit het contact vaak de mogelijkheid de prikkels en suggesties te geven, waardoor men de vaagheid achter zich laat en eigen bestaan en wereld als meer concrete waarde gaat ervaren.

Ik hoop niet dat ik u teleurstel. De meesten van u verwachten van iemand die spreekt over de werelden van het hiernamaals een soort reisbeschrijving, compleet met engelen, vorsten van geestenrijken en beschrijvingen van dorpen, bezigheden, zangkoren, zoals die in bepaalde sferen zouden optreden. Men verwacht als het ware een beschrijving van hockeyspelers, die op de groene vlakten van de eeuwige jachtvelden de eer van good old England hooghouden. Maar je kunt de werelden van het hiernamaals nu eenmaal niet zo concreet gaan beschrijven zonder zo subjectief te worden, dat het in feite bijna liegen wordt. Men kan natuurlijk wel enkele beelden ontwerpen, die voor het merendeel van de mensen ongeveer juist zullen zijn. Maar je kunt nooit een geestelijke werkelijkheid op een voor mensen begrijpelijke en bruikbare wijze geheel weergeven.

En nog een punt. Wanneer wij spreken over de werelden van het hiernamaals, zo moeten wij begrijpen dat deze werelden voor de mens niet alleen maar bestaan na de dood. Zij bestaan nu. Uw wereld van later bestaat in feite reeds nu ergens in u. Ofschoon zij later misschien veranderen zal, daar uw reactie op materiële gebeurtenissen uw innerlijk beeld nog beïnvloeden kan, zo kan toch worden gesteld dat ook nu reeds in u primaire angsten en verwachtingen aanwezig zijn. Primaire impulsen, die reeds nu in die geestelijke werelden voor u een opbouw of een afbreken kunnen betekenen. Al lijkt het u misschien dromen, toch zult u reeds nu, tijdens het stoffelijke bestaan, soms binnengaan in een tuinachtig Zomerland, of droefgeestig reizen langs de ruïnes van verwoeste verwachtingen, door gevoelens van schuld gedragen naar een duister, om je daarin te verschuilen. De werelden van het hiernamaals kennen dus een continuïteit en komen niet eerst na de dood opeens tot stand.

Om jezelf te kennen moet je natuurlijk een zekere ervaring kennen. De droom wordt vaak gebruikt om een analyse te maken van de mens en van alles, wat zich onder de oppervlakte in die mens al zo afspeelt. Nu weten wij wel dat niet alle interpretaties van droomsymbolen juist zullen zijn, zoals ook niet alle voorspellende dromen werkelijk een toekomst voorspellen. Zelfs zijn niet alle zogenaamde dromen echter dromen, daar er ook belevingen als uittreding mogelijk zijn. De kern van alles is en blijft echter uw eigen persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid is in het verleden gevormd. Dit ik moest zichzelf nader definiëren, moest nieuwe termen vinden om zich in de vormloze werelden van het hiernamaals toch bevredigend tot uitdrukking te kunnen brengen, om contact te krijgen met delen van een goddelijke werkelijkheid, die tot dan toe in de vaagheid van de geestelijke sferen voor het Ik onbereikbaar waren. Dit is het, waardoor in zekere mate de mogelijkheden tijdens een aards bestaan zullen worden gericht en/of beperkt. Het is deze tendens ook, die uitmaakt welke werelden van de geest je na de dood bewust zult kunnen betreden.

Er is een vervagingsproces ten aanzien van het leven op aarde in het hiernamaals, dat is wel zeker. Het is als op aarde, waar je kunt proberen een landschap te ontleden en langzaam maar zeker overspoeld wordt door emoties, het geheel absorberend, tot er van de gehele beschrijving alleen maar een dichtregel overblijft of een verzuchting, een herinnering aan één enkele kleur. Want zo vereenvoudigt de mens in het hiernamaals zijn eigen bestaan. Langzaam maar zeker komt hij tot rust, begint te absorberen wat er rond hem is en wil dit niet meer met alle geweld terugbrengen tot de vormen en verhoudingen, die zo’n lange tijd voor zijn bestaan bepalend waren. Door deze vervaging ontstaat iets wat je met woorden niet meer kunt uitdrukken. Er wordt niet meer gesproken over een landschap, een wereld. Eerder zou men nog kunnen spreken van een soort eeuwige paarlemoeren glans waarin de spiegelingen voortdurend wisselen en waarin je toch steeds weer hetzelfde vindt en beleeft. Een glans, waarin je contact hebt met wezens, die niet meer een vorm of gestalte kennen, maar die slechts vaag nog iets weg hebben van een herinnerde stem of zelfs terugvallen tot iets, wat eerder op een intens besefte aanwezigheid duidt.

Maar voor je zover komt, zul je eerst een evenwicht moeten vinden, waardoor de wereld aanvaardbaar wordt. Dit nu is het meest belangrijk in de werelden van het hiernamaals. Het is zo gemakkelijk te denken dat het een kwestie zal zijn van boete doen voor je zonden en beloond worden voor je deugden. Waarbij overigens het eigenaardige is, dat men in de hemel steeds weer die deugden beloond schijnt te willen zien, die men op aarde te kostbaar vindt om er zelf iets voor te geven. Terwijl men als zonden vooral die dingen wil straffen, die men zelf wel begeert, maar die men toch te hinderlijk vindt wanneer anderen ze begaan. De mens staat in feite in zichzelf als rechter tegenover zichzelf. Dat dit een goddelijke wet, een deel van de goddelijk wil en rechtvaardigheid is, doet niet ter zake. De mens moet ín zichzelf zoeken naar een evenwicht, een erkenning. Het kan zijn dat je op een bepaald ogenblik niet meer verder durft gaan met zoeken. Wanneer alles rond je vaag wordt en eigen wezen ijl wordt, moet men wel reeds een grote innerlijke vrede kennen, een grote rust, om daarin te kunnen blijven erkennen wat er leeft in werelden, die nog in vormen denken en leven. En toch is dit noodzakelijk, indien men zich niet geheel van het rest van het Al wil vervreemden. Men kan het zonder dit besef niet stellen. De moeilijkheid ligt in het voorkomen van de aangrijping van het ik door de beelden, die dan als een draaikolk worden, die je naar beneden zuigen.

Men mag niet overspoeld worden door de vormenwereld, maar mag ook niet daarboven trachten te zweven in een sereniteit, die gelijktijdig onverschilligheid betekent. Het vreemde bij dit alles is dat, naarmate je meer innerlijke rust vindt en aanvaarding van de vervagende wereld, men gelijktijdig meer bewust en intens deel gaat nemen aan hetgeen de werkelijke zin van de wereld van vorm is. Je beseft meer en meer de werkelijke zin en betekenis van de vormenwerelden en zelfs van de menselijke wereld. De scheppende evenwichten van schuld en verdienste, die eeuwige worsteling om een juiste uitdrukking van het eigen Ik, bestaat immers in vormenwerelden en op aarde, zoals overal. De waarde der dingen is niet alleen in hun vorm en uiterlijkheden gelegen, hoe graag de mens ook alles, zelfs de werelden van een hiernamaals, zo hij daarin gelooft, tracht terug te brengen tot wereld van vormen en verstandeljk vatbare regels.

Maar de werelden van het hiernamaals zijn dit zeker niet. Zij zijn werelden van evenwichten en evenwichtsverstoringen. Meer niet. En daardoor zoekt men van bovenaf als het ware vanzelf de evenwichtigheden en onevenwichtigheden van het andere en de anderen te erkennen, daar zij belangrijk zijn voor het begrip van eigen ik en eigen evenwichtsmogelijkheden. Invloeden van buitenaf beroeren soms werkelijk het eigen ik, soms ook schijnen zij daaraan voorbij te gaan. Maar je erkent de wereld in haar verstoringen. Je kunt door de erkenning alleen reeds als het ware een rol gaan spelen in de droom van een ander, die voor hem leven heet. U kunt vanuit de werelden, waarin alle vorm reeds lang is vervaagd, optreden als iemand die leringen geeft, als iemand die een leermeester wordt voor anderen, die krachtens hun denken en voorstelling nog in een Zomerland bestaan, zonder daarom ooit hun wereld of Zomerland te beseffen zoals zij het beseffen.

Dit is echter ook niet van belang. Het gaat niet om de wereld, die je immers toch nooit geheel met een ander kan delen. Het gaat om het probleem, de onevenwichtigheid, die in eigen bestaan op gelijke wijze op kan treden en daarom wel irriëeel beseft kan worden. Zo kun je uit een wereld die in feite geen vormen meer kent, terugkeren naar een wereld van vormen. Spreken over alles wat die wereld op dit moment bezighoudt, recente gebeurtenissen bezien, toekomstige ontwikkelingen zien, zonder dat je daaraan in feite deel hebt op menselijke wijze. De vervaging is geen isolement (of hoort dit niet te zijn) maar is eerder een reduceren van wereldbeeld en ik-voorstelling tot alleen acties, veranderingen, belangrijk blijven. Het is dan een bestaan waarin het alleen nog gaat om schuld en verdienste, om positieve en negatieve waarden, zover die kenbaar zijn voor het ik.

Wanneer je verder gaat in de werelden van het hiernamaals, zo kun je stellen dat elk land, ja, elke groep, misschien wel elke mens in een eigen wereld bestaat. Een supergereformeerde hemel kan nu eenmaal niet gelijk zijn aan een katholieke hemel, al is het alleen maar omdat een katholieke hemel nog wel een carnaval denkbaar acht, terwijl de zondigheid daarvan het uitsluit voor de gereformeerde voorstelling van een hemel. Je kunt je een boeddhistische, maar evengoed een Hindoehemel voorstellen. De wel zeer materiële tuinen, waarvan sommige moslims nu nog dromen, bestaan in het hiernamaals evenzeer als de eeuwige jachtvelden en als de vruchtbare werelden van het eeuwige rijk in Egypte, waarin de graanhalmen reiken tot aan de bodem. Alles bestaat, alles kan bestaan. Het hiernamaals is, zover het vorm heeft, een enorme diversiteit van voorstellingen en vormen. In het begin ben je gebonden aan je eigen voorstelling, gevangen in eigen dromen. Wanneer je echter wat losser komt te staan van alles wat jou innerlijk jaagt en dwingt, krijg je contact met de ander, met de wereldvoorstellingen die in anderen bestaan. Hierdoor kun je dan gestimuleerd worden en iets van die wereld van anderen mede beleven.

Ik herhaal hier nogmaals, dat je nooit werkelijk en helemaal de wereld, waarin een ander bestaat, kunt beleven. Dat is maar een illusie. Maar er zijn zoveel ervaringen, verlangens en angsten, die men met anderen gemeen heeft, dat het lijkt of je reizen kunt door alle verschillende hemelsferen en alle hellewerelden kunt betreden. Of zij nu worden beleefd als diepe grotten, als poelen van vuur en ijs of als de diepe kloof, waarover de ware gelovige het paradijs zoekt te betreden, balancerend over het zwaard der gerechtigheid. Al deze dingen zijn er, al deze dingen kun je uiteindelijk beseffen en enigszins beleven. Wanneer u een wereld zoekt in het hiernamaals, moet U niet zoeken, zelfs niet in een bijbel, een evangelie, of boeken vol wijsheden over verborgen waarheden, naar een onveranderlijke werkelijkheid die na de dood zal bestaan. Wanneer u iets wilt beseffen van de werelden van het hiernamaals, moet u zoeken in uzelf.

Want wat u in uzelf draagt, is uw hel, uw hemel. Datgene wat u het meest in uzelf veracht, verwerpt en toch niet van u af kunt zetten, is uw hel. Dat is de bron van uw angsten, de uiting van uw schuldgevoelens. Dat wat u in uzelf het meest aanvaardt, het meest bewust tracht te uiten en tot openbaring te brengen, de idealen die u werkelijk probeert te beleven en na te volgen, zijn uw verdiensten, uw hemel, uw positieve waarden.

Tussen deze beide factoren speelt de eeuwige balans, waarin wij op den duur zullen leren de gehele kosmos te ervaren. Niet (laat ons dit wel beseffen) zoals God ze ziet, want wij vinden niet de goddelijke werkelijkheid zoals God deze kent, wij vinden het beleven van de goddelijke werkelijkheid, waar wij als het ware door eigen ogen de goddelijke werelden leren kennen en beseffen. Wij komen van de beperkte gevormdheid van het ik in eigen voorstellingswereld tot een aanvaarden, waarin wij als een gasvormig verdund ik doordringen in het totaal van de schepping en toch onszelf blijven. Wij zijn een breukdeel misschien van de totale goddelijke gedachte. Maar als breukdeel beseffen wij het bestaan en misschien zelfs de waarden van de totaliteit wel, maar alleen op een bepaalde manier, die door de kern van ons eigen zijn, door het breukdeel dat wij zijn, wordt bepaald. De werelden van het hiernamaals zijn, volgens mij, een soort schimmenspel, dat ons langzaam voorbereidt op de enige werkelijkheid die van belang is: de werkelijkheid van een goddelijke wereld, waarin je door totale overgave, door algehele aanvaarding eerst leert waarlijk en volledig jezelf te zijn.

Met deze ongetwijfeld in uw ogen korte inleiding wil ik voor heden volstaan. Ik kan mij voorstellen dat juist over dit onderwerp in u vele vragen leven. Ik kan mij voorstellen dat zelfs deze wat summiere uiteenzetting bij u vele strijdvragen doet rijzen. Ik voorzie nu reeds vragen als: Hoe is het dan nog mogelijk dat wij met overgegane familieleden in contact komen. Enzovoort. Indien u over die vragen echter even nadenkt, zo zult u beseffen dat ik u het antwoord daarop in wezen reeds gaf: als je overgaat en je bent verbonden met mensen op aarde, zullen dezen ook in de geest deel uitmaken van jouw wereld. Zij zijn deel van je schulden en verdiensten, deel van je daadnoodzaak en zoeken naar evenwicht, zoals zij deel kunnen zijn van de rust die je vindt en de beelden van voldoening, die tijdens een vormbewustzijn voor jou kunnen bestaan.  Zij zijn een deel van je droom. Omdat deze persoonlijkheden ook buiten je droom nog ergens bestaan als een werkelijkheid, blijft er een contact, een wederkerige beïnvloeding, die soms zelfs een symbiotische verbondenheid gelijk komt. Zo het hiernamaals met een droom vergeleken kan worden, zo zijn deze dierbaren een deel van die droom, een deel van de noodzaak tot erkennen en misschien ook handelen, zij vormen een blijvend, zij het soms klein deel, van de caleidoscopische werveling van mogelijkheden waarin je tijdelijk gevangen bent. Boodschappen en dergelijke zijn dan niets anders dan een uiting van de band, die tussen de innerlijke wereld van twee individuen kan bestaan.

Misschien wilt u weten, wat ik denk van de duivel. Wel, de duivel is voor u hoofdzakelijk uw eigen angst. Er zijn in het Al, gezien vanuit onszelf, positieve en negatieve krachten. Maar zij kunnen voor ons weinig betekenen, tenzij men het positieve dat in hen bestaat, ook in u aanwezig is, het negatieve ook in u bestaat. Een duivel is de resonantie tussen iets buiten uzelf en iets in uzelf, waaraan voor u een vorm wordt gegeven die u vreest of meent niet te kunnen verwerken. Een engel kan een resonantie zijn met desnoods precies dezelfde waarde in het Al, mits men haar beseft en ziet als mogelijkheid tot zelfuitdrukking, godserkenning en zo als verdienste en goed.

Het geloof aan een voortbestaan, aan een oneindigheid van zijn voor de mens, niet alleen een soort noodzaak is, een rechtvaardiging van dingen in het eigen bestaan, maar meer betekent. Het is een vaag beseffen van de onafhankelijkheid, die men bezit van bepaalde beelden en toestanden in het ik, die men niet kan fixeren volgens goddelijke regels. Het is het onzegbare, het onbegrijpelijke, het metafysische in eigen bestaan, dat door de mens dan wordt gerationaliseerd in een geloof. Ook in een geloof aan bepaalde vast gevormde sferen, aan een bepaald hiernamaals.

Ik hoop er toe te hebben bijgedragen, dat u beseft hoe relatief ook deze dingen zijn. Want gij zijt uw eigen hemel en uw eigen hel. Gij bouwt uw eigen wereld in het hiernamaals op en uw belevingen van heden fixeren reeds datgene wat de eerste periode na de dood voor u aan werelden zal brengen en aan mogelijkheid en beleving zal betekenen. Nog een enkele, voor sommigen misschien geruststellende opmerking: in de diepste schuld, in het diepste duister, zowel als in het hoogste Licht, zullen wij uiteindelijk komen tot een aanvaarding en overgave, waarin wij niet meer over onszelf oordelen. Wij zullen altijd een punt bereiken, waarin iets wat ik bij gebrek aan beter maar geestelijke werkelijkheid zal noemen, een intrede gaat doen in ons geestelijk bestaan. Dan zullen wij, door de overgave aan het goddelijke, aan het werkelijke leven, onszelf gaan zien voor wat wij zijn: een functie van het onbekende.

Ik zal nu overgaan tot het beantwoorden van uw vragen, zover zij betrekking hebben op het onderwerp en geen zuiver persoonlijk karakter hebben. Ik hoop u hierdoor hetgeen ik in mijn inleiding reeds heb gezegd, meer aanvaardbaar en duidelijk te kunnen maken.

  • Zolang een overgegane in ons bewustzijn aanwezig is, bestaat hij dus in onze wereld. Maar is dit nu de reële persoonlijkheid, die in de sferen bestaat of slechts een gedachtebeeld, waarbij de werkelijke persoon zich verder kan ontwikkelen?

Allereerst moet ik hier opmerken dat, wanneer iemand in uw gedachtewereld leeft, hij dus een deel is van uw persoonlijke denkwereld. Het hoeft dus niet noodzakelijkerwijze ook een reële persoonlijkheid te zijn, de voorstelling berust niet noodzakelijkerwijze op een werkelijk contact. Dit zal u misschien aanvaardbaarder voorkomen wanneer u zich realiseert, hoe ver dergelijke herinneringsbeelden zich van de werkelijkheid plegen te verwijderen. Het beeld dat u zich van iemand maakt in uw gedachten, heeft niet meer dezelfde eigenschappen, dezelfde kwaliteiten en mogelijkheden, die de persoon in kwestie eens voor u op aarde bezat. Het is heel goed mogelijk dat het beeld in de herinnering alleen maar iets is, wat voor u nog van waarde is, wat voor de schepping van een persoonlijk evenwicht voor u ook van belang blijft, zonder dat daar nu ook een concreet contact aan verbonden is. Van een werkelijk contact kan eerst gesproken worden, wanneer ook u voor de ander in zijn wereld bestaat en ook hier het beeld niet al te veel van de bestaande werkelijkheid is weggedreven. Er behoort voor een dergelijk contact dus sprake te zijn van een wederkerige erkenning.

Voorbeeld: Man gaat over. Vrouw blijft hieraan denken, daar de man voor haar zeer belangrijk is geweest. Zij was dit voor de man echter in feite niet. Wij zien dan dat de vrouw zelfs een soort cultus op gaat bouwen rond deze man en haar herinneringen aan hem. Zij kan contact hebben met dit beeld, dat in haar eigen wereldje bestaat, zonder dat de werkelijke persoon van de overgegane daarbij ooit in het geding komt. Voor sommigen onder u is het misschien niet prettig dit zo te horen zeggen, maar het is in ieder geval werkelijk zo. Indien een wederkerige erkenning bestaat, zo zijn er ook gemeenschappelijke belangen. Er zijn punten, die in het bewustzijn van de overgegane en de persoon op aarde gelijkelijk als belangrijk bestaan. Ten aanzien van deze punten en al wat daarmee in verband staat, is werkelijke communicatie mogelijk en wel vanaf het ogenblik, dat de overgegane zich de mogelijkheid tot dit contact realiseert.

Richt men zich op een dergelijk punt van de aarde af naar de overgegane, zo kan men een erkenning van het contact in de sferen wel bevorderen, maar men kan slechts zelden een werkelijk contact en antwoord afdwingen. Om dit tot stand te brengen dient men over behoorlijk ontwikkelde geestelijke vermogens te beschikken en een groot bewustzijn omtrent de geest te beschikken. Ik meen echter dat degenen, die reeds zover zijn gekomen, een dergelijk contact niet meer af zullen dwingen, omdat zij de gevaren beseffen die daarin gelegen kunnen zijn.

Verder moet ik opmerken, dat het voor de mens nu wel aangenaam is zich voor te stellen, dat het contact zal blijven bestaan zoals dit op aarde was. Of liever, zoals men zich dit nu wenst te herinneren. Hiervan is geen sprake, al kan dit voor jezelf en in je houding tegenover eigen wereld een lange tijd een rol spelen. Dit laatste is echter altijd schijn, illusie. In de werkelijkheid zullen alleen contacten van mensen die op aarde voor elkaar, ook geestelijk, een werkelijke aanvulling betekenden, zodat zij in elkaars gedachteleven zijn dóórgedrongen en daaraan deel hebben gehad, een blijvend karakter hebben. Het contact zal dan altijd het gezamenlijk gedeelde gebied van denken omvatten en, indien dit groot genoeg is, wat betekent dat het geestelijke contact dus zeer intens is geweest, zal men niet meer van elkander los kunnen komen. Men blijft dan altijd met elkander verbonden, ongeacht verdere verschillen van wereld, beleving, sfeer enzovoort. Hier hebben wij te maken met contacten, die door alle tijden en sferen heen gehandhaafd zullen blijven en vaak tot een uiteindelijke versmelting van persoonlijkheid voeren, daar men een zo groot deel van het leven en erkennen reeds gemeenschappelijk bezit.

  • Er komt soms bericht, dat men een ander moet loslaten, omdat men deze remde in zijn ontwikkeling. Is ook dit een illusie of bestaat deze mogelijkheid  inderdaad?

Het is wel een werkelijke mogelijkheid. Maar de kans is toch zeer groot, dat een dergelijke boodschap het gevolg van een illusie is. Ik zal trachten dit duidelijk te maken.

Wanneer u gemeenschappelijke belangen en interesse hebt gehad, zowel materieel als anderszins, en men tracht voortdurend contact op te nemen met de ander, hetzij door het melden van een gemis dan wel een behoefte enz., zo is de kans groot, dat deze impulsen de ander in zijn geestelijk bestaan wijzen op deze dingen en daarmede voor hem deze delen van het bestaan belangrijker maken, dan zij in feite mochten zijn. Er ontstaat dan voor de persoon in de geest een onevenwichtigheid. Dit kan inderdaad dus een belemmering zijn bij het vinden van de innerlijke rust, die voor een juistere waardering van eigen mogelijkheden en geestelijke werkelijkheid toch wel waarschijnlijk nodig is.

Dit kan dus wel bestaan. Of het vaak voorkomt, is een andere vraag. Er zijn echter ook andere mogelijkheden en juist deze zullen, volgens mij, voor vele verschijnselen op seances aansprakelijk zijn. Begrijp mij goed, ik zeg dus niet dat het volgende altijd het geval is, maar wijs erop, dat het wel degelijk een grote mogelijkheid betekent.

Wanneer een mens te veel opgaat in een overgegane en die in zijn eigen wereld steeds belangrijker opbouwt, zo komt er een ogenblik, dat men (ofschoon niet geheel bewust) zich door de overgegane gedomineerd gevoeld. Er bestaat innerlijk tegen deze toestand een verweer, omdat men, ondanks zijn denkbeelden en gevoelens, toch zichzelf wenst te blijven. Dit verweer komt tot uiting als een zekere onevenwichtigheid in de persoonlijkheid en diens gedachteleven, welke desnoods zelfs telepathisch aan een gevoelige persoon kan worden overgedragen, dus zonder dat zelfs maar een geest in het geding komt. Zelfs in dit geval zal, gezien de voorstellingen die men heeft van het leven na de dood en de verbondenheid die men veronderstelt, de formulering van dit besef zijn: je moet die persoon loslaten. Er is in dit geval sprake van iets, wat in uw eigen denkwereld passend, nuttig en zinvol is, maar wat geen betrekking meer heeft op bestaande relaties tussen u in uw wereld en de wereld van de overgegane. Realiseer u dit zo goed mogelijk. Want men vervalst de werelden van het hiernamaals al te vaak tot een menselijk concrete realiteit, en dit zijn zij zeker niet.

De werelden van de geest vormen een vreemde, vlottende wereld, waarin de voor u geldende begrippen en waarden alleen nog maar kunnen bestaan, zolang u ze erkent. Dit geldt voor elke overgegane en met zekere beperkingen ook voor u in uw stoffelijk bestaan. Wanneer dus in uw eigen wereldje zoiets optreedt, zo kunnen wij stellen dat, zelfs wanneer voor allen buiten u uw denken een illusie is, het voor uzelf werkelijkheid blijft. Vandaar ook dat een boodschap als de door u bedoelde zeker niet alleen het resultaat van een telepathische overdracht van gedachten hoeft te zijn. Indien een geest met u een voldoende contact heeft om deze verstoring van innerlijke evenwichtigheid en innerlijke wereldwaarden te erkennen, zal deze entiteit u moeten adviseren hieraan iets te veranderen. Maar ook dan zal het advies alleen zo gegeven kunnen worden, dat het nog past in uw wereldbeeld en in uw wereldbeschouwing. Ook dan zal gezegd worden: laat hem (haar) los, want u belemmert de bewustwording. Dit is noodzakelijk, daar u de opmerking, dat het alleen maar herinneringsbeelden zijn, die u in eigen leven en bewustwording hinderen, zeker niet zou willen aanvaarden.

  • Als wat wij in de stof waarnemen geen werkelijkheid is, wat is dan  werkelijkheid?

De werkelijkheid is de basis, waarop elke illusie wordt opgebouwd middels een persoonlijke interpretatie daarvan.

Dit antwoord is kennelijk te kort voor u. Er is dus een werkelijkheid. Hoe die er uit ziet weet u niet, omdat u deze werkelijkheid vanuit uzelf interpreteert. U verwaarloost bepaalde delen ervan, ontkent de aanwezigheid van bepaalde waarden, terwijl u weer andere delen van die werkelijkheid onevenredig versterkt en zo meer nadruk geeft dan zij in werkelijkheid ooit kunnen bezitten. Er ontstaat zo een meer persoonlijke wereld, waarin de waarden en betekenissen die in de werkelijkheid bestaan, zo zeer verschoven worden, dat alle overeenkomst met de werkelijkheid haast incidenteel lijkt te zijn geworden. Deze verschuiving noemen wij illusie. Deze illusoire wereldwaarden, deze persoonlijke wereld, (die ik zover het mijn inleiding betreft, opzettelijk niet heb aangestipt) is bepalend voor het leven van de mens. U moet begrijpen dat denkbeelden als goed en kwaad, rijk en arm en dergelijke tegenstellingen die in uw leven een zo grote rol plegen te spelen, in feite maar zeer betrekkelijke en persoonlijke waarderingen zijn. Deze voor vele mensen alles beheersende waarderingen zijn interpretaties, beoordelingen, geen werkelijkheid. Want iemand kan zeer rijk zijn met zeer weinig en iemand kan arm zijn, terwijl hij zeer veel bezit. Innerlijk hanteert men dergelijke beoordelingen, evenals behaalde eenzijdige benaderingen, als onomstotelijke werkelijkheden en zo vormen deze de persoonlijke- of denkwereld, waarvan ik sprak. Dit veroorzaakt ook grotendeels alle onevenwichtigheden in uw bestaan, zowel stoffelijk als geestelijk.

U kunt nu wel stellen, dat er voor u een werkelijkheid bestaat, die met anderen gedeeld wordt, een wereld waarin dingen bewijsbaar zijn. Maar zelfs die bewijsbaarheid is betrekkelijk. Zij veronderstelt dat u over geheel juiste gegevens beschikt en dat de conclusies juist zijn ten aanzien van de feiten waarop het bewijs is gebaseerd. Verder neemt u dan aan, dat u alle actie, fenomeen enzovoorts binnen het bewijs geheel juist en volledig erkent en die plaatst in het kader, waarin zij binnen de niet persoonlijke werkelijkheid staan. Zelfs bij zogenaamde wetenschappelijke bewijzen is niet noodzakelijk van een juiste erkenning, waarneming en interpretatie sprake.

Zover het de persoonlijkheid betreft, kan dan ook de wereld als een reeks van illusies worden beschouwd met dien verstande, dat de illusies in de stof binnen bepaalde perken zullen moeten blijven, daar men geconfronteerd wordt met een werkelijkheid, die de persoonlijke interpretatie daarvan corrigeert. Zodra de mens zich met zijn illusies te ver verwijdert van de feitelijkheid waarin hij bestaat, zullen zijn ervaringen niet meer stroken met zijn stellingen. Dit kan een correctie ten gevolge hebben, ofschoon sommige mensen daar de voorkeur aan geven dan het gehele feit uit hun bewust bestaan te bannen. De correcties zullen de mens overigens niet tot een aanvaarden van de buiten hem bestaande werkelijkheid brengen, maar hem er eerder toe brengen zijn persoonlijke interpretatie van die werkelijkheid te wijzigen.

In de geest bestaat deze correctieve factor niet meer zo intens. Vandaar dat ik de werelden van het hiernamaals meende te mogen vergelijken met een droomwereld. De ontmoeting met het buiten het ik vaststaande zal immers daarin niet meer voorkomen op de wijze, die voor menselijk voorstellingsleven en kenvermogen zo zeer beslissend kan zijn.

  • Indien in de geest de confrontatie met de stoffelijke werkelijkheid wegvalt, komt daarvoor in de plaats dan niet (relatief) een confrontatie met een werkelijkheid, die  behoort tot het hogere leven?

Dat is zeker waar. Maar die verandering van buiten het ik bestaande werkelijkheid vindt plaats op zodanige wijze, dat het bewustzijn en de wijze waarop men buiten het ik meent waar te nemen, niet in staat is de nieuwe werkelijkheid te zien, zelfs maar als een corrigerende factor in eigen denken. Zij blijft te vaag. Men kan zeggen dat deze hogere werkelijkheid langere tijd na de overgang iets heeft van een diffuus licht, dat nog wel enige mogelijkheid tot waarneming geeft, maar geen juiste definities van contouren meer mogelijk maakt.

Een ongelukkig beeld, maar misschien bent u wel eens op de hei geweest in diepe schemering. U weet dan dat u geen dennenbomen en jeneverbesstruiken meer ziet, maar de meest vreemde vormen en gestalten meent te ontdekken. Pas wanneer je heel dichtbij komt, is een vormconstatering weer mogelijk. Dan verdwijnt het beeld, dat vaak dreigend is en voortkomt uit eigen gedachten (een interpretatie dus) om plaats te maken voor de realiteit. Stel u nu voor dat er buiten u geen gedefinieerde vormen meer zijn, die u benaderen kunt. Uw vage waarneming van buiten u bestaande waarden is dan niet meer voldoende om tot een werkelijkheidserkenning te komen. Een vaststelling is niet meer mogelijk, zodat de eigen interpretatie blijft overheersen. En deze, zoals ook op de hei gekeurd, blijkt gebaseerd te zijn op eigen herinneringen en angsten.

  • Hoe ziet u vanuit het hiernamaals de mensen tot wie u spreekt? Is dit ook een  illusie? Of is dit werkelijkheid?

Ik ben mij ervan bewust, dat de voorstelling, die ik mij van u maak, in vele gevallen en illusie zal zijn. Ik weet echter ook dat ik op bepaalde punten een antwoord krijg. Dit is natuurlijk niet vergelijkbaar met deze gedachtewisseling, maar kan eerder omschreven worden als een aanvoelen, een verweer, een onderzoek, zekere aanvaarding, een ogenblik van begrip misschien ook, waardoor u in mijn wereld een actieve en voor mij reële factor bent. Het is dus slechts het punt van gemeenschappelijke belangstelling, de wederkerige reactie, die in dit contact voor mij werkelijkheid is. Al het andere kan illusoir zijn. Zouden deze reacties dus uitblijven of geheel met mijn wensen en inzichten stroken, zo acht ik het zeer wel mogelijk, dat ik slechts droom dat ik via een medium tot u spreek.

Het is dus wel zeer moeilijk je te realiseren wat hier in dit contact nu waar is en wat niet waar is. In het begin zal dit, zowel voor de mens op aarde als voor iemand in de geest, een grote belemmering zijn. Men is niet in staat eigen beelden (illusies) en factoren van een werkelijkheid buiten het ik, van elkander te scheiden. Eigen denken en impulsen die van buitenaf komen worden vermengd tot een brij, waarin geen onderscheid meer mogelijk is. Langzaam maar zeker leer je echter erkennen, wat zeker van jezelf stamt. Je ontmoet impulsen die daarbij wel passen, maar kennelijk niet uit eigen evenwichtigheid voort kunnen komen. Zij vragen een compensatie, een reactie. Dit gaat men dan als de buiten het ik bestaande werkelijkheid beschouwen, ofschoon je daaraan beelden en voorstellingen verbindt, die illusie blijven. Ik hoop echter, dat deze voor degenen met wie ik een werkelijk contact meen te hebben, steeds van vleiende aard zullen zijn.

  • Wat is het doel van alle leven, wanneer alles voor ons toch maar een droom is?

Een moeilijke vraag. Ik meen dat het doel van het leven is te ontwaken tot de werkelijkheid van de kracht, die het leven is, zo ontwakende uit de droom, die je omtrent dit leven droomt zonder het in feite te kennen. Maar dit is een geloofspunt. Indien u vraagt wat de zin van het leven is, kan ik alleen spreken vanuit de ervaringen, die ik heb opgedaan. Ik kan niet spreken vanuit het absolute, het goddelijke. Ik kan wel mooie thesen en filosofieën opbouwen, maar die kunnen ineenstorten als een toren van Babel of blijven staan als een boom des levens, die hemel en aarde verbindt. Dat weet je nooit van tevoren. Daarom is de volgende verklaring een zuiver persoonlijke, wat een relativering inhoudt: Voor mij is de zin van het leven gelegen in het besef dat je leeft. Ik geloof dat het niet zozeer de kwestie is van hetgeen je doet en bent, als wel van het bewustzijn, dat je bestaat. Ik meen dat door dit bewust bestaan niet alleen de zin van het leven gevonden wordt, maar ook het doel van het leven bereikt zal worden. Voor mij is dit de volkomen erkenning van eigen bestaan als een onveranderlijke werkelijkheid. Zodra dit punt bereikt is, kunnen er nog vele ontwikkelingen zijn. Maar al wat ik daarover zeg zou nog meer speculatief zijn dan, ook gezien vanuit mijn innerlijke wereld, deze laatste zin reeds is.

  • Onveranderlijke werkelijkheid? Bestaat er een onveranderlijke werkelijkheid?

Volgens mij wel. Ik geef echter gaarne toe, dat dit mijnerzijds een speculatie blijft, zij het dan, dat ik mij baseer op bepaalde ervaringsfeiten, die voor mij persoonlijk en ook in de werelden waarin ik mij beweeg of meen te bewegen (ik wil voorzichtig zijn met mijn formulering) tot uiting komen. Het is namelijk een feit, dat het effect ‘tijd’ in de geestelijke wereld niet meer als een vast meetbare waarde definieerbaar is en dus niet bestaat uit een vaste opeenvolging van momenten, maar uit een opeenvolging van besef of feiten. Vanuit mijn standpunt sprekende kan ik dan verder zeggen dat de reeks van momenten van besef (de frequentie, waarmede veranderingen van besef optreden dus) voor ons tijdsduur zijn. Nu blijkt het echter vaak mogelijk een aantal van deze momenten van bewustzijn als een eenheid te overzien, zo vele ervaringen of vaststellingen als een geheel ervarende, ofschoon zij in zich normalerwijze alleen een opeenvolging van feiten zouden kunnen zijn. Er bestaat dus een mogelijkheid, waarbij grotere sequenties van ervaren weer tot een eenheid van een soort hoger ervaren herleid kunnen worden. Vanuit uw standpunt kan dan gezegd worden, dat wij soms jaren van tijd overzien in één ogenblik. Ook is het mogelijk dat tussenliggende delen van de tijdssequentie weg schijnen te vallen, zodat ons bewustzijn als opeenvolgend bijvoorbeeld de jaren 1900, 1970 en 2020 ziet.

Dit voert mij tot de conclusie, dat de tijd een schijn van veranderingen inhoudt, maar dit in wezen niet hoeft te zijn, daar zij op sommige ogenblikken van bewustzijn een gefixeerde waarde voor het ik kan zijn, terwijl zij voor anderen gelijktijdig en hetzelfde omvattend een ontwikkeling schijnt te zijn. Indien tijd een gefixeerde waarde is (kan zijn) moet het bestaan eveneens een gefixeerde waarde kunnen zijn. De erkenning van afzonderlijke delen in de op zich gefixeerde werkelijkheid die wij tijd noemen, zou dan hetgeen zijn, wat wij als mens leven noemen. Een speculatie. Ik baseer haar op het feit, dat buiten het genoemde de tijd voor ons in de geest, vaak een variabele factor is, die bewust beheerst en gebruikt kan worden.

Tevens blijkt, dat voor de geest bewustzijn van plaats gelijk is aan aanwezigheid ter plaatse. Indien het Ik beschouwd kan worden als mogelijk ook bestaande buiten ruimte en tijd, is het redelijk aan te nemen, dat een gefixeerde werkelijkheid bestaat, althans kan bestaan. Volgens mij bestaat er dus een onveranderlijke werkelijkheid, die het totaal van alle mogelijkheden van ruimte en tijd zozeer omvat en overbrugt, dat alle ontwikkelingen en mogelijkheden die wij in het normale levensproces menen waar te nemen, een factor zijn in deze totaliteit en daarin vast verankerd zijn.

  • Bestaat de mogelijkheid, een tijdsverloop als een afstand te meten alleen voor  u?

Ik meen dat het ook voor u bestaat. Allereerst denk ik hierbij aan de sterke associatieverschijnselen die wij bij sommige mensen zien, waardoor zij via een bepaalde indruk in het heden opeens ook het verleden weer volledig beleven. Sterker zien wij dit bij bepaalde hersenoperaties, waarbij een stimulans van bepaalde hersencellen, een deel van het verleden als een tweede werkelijkheid door de nu bestaande werkelijkheid hen als volledig echt projecteert. Binnen eigen hersenen en kennen bestaat dus in ieder geval wel een dergelijke mogelijkheid van tijdsoverbrugging en momentidentificatie. Verder kunt u constateren dat het zien in de toekomst, ofschoon niet geheel definieerbaar, voorkomt. Voorspellingsmogelijkheden bestaan. Geen vage of beredeneerde voorspellingen, maar als het ware visioenen. Al is het percentage van de volgens tevoren gegeven omschrijvingen niet groot (5 % ongeveer). Zo worden toch beelden van een toekomende tijd waargenomen, vóór deze voor de mensen werkelijk was, geheel vervuld. Wat volgens mij betekent dat de toekomst aanwezig is en erkend kan worden. Ik meen hierop een beheersbaar zijn van de tijd, een meetbaar worden van tijd als afstand als een voor de mens bestaande mogelijkheid te mogen baseren.

Voor de geest blijkt dit langzaamaan een deel van het normale beleven te worden. Ik meen dan ook dat het een kwestie van oriëntatie is. Ik weet niet wat tijd werkelijk is. Zij kan een gedachte of een werkelijke waarde zijn. Maar wel weet ik dat tijdservaren en tijdbeheersing voor ons identiek zijn met een zich verplaatsen, als het ware een je anders stellen in de ruimte. Hierbij moet ik echter weer vaststellen dat plaatsing in ruimte voor de geest geen kwestie is van beweging, maar van een anders oriënteren van het bewustzijn. Voor ons is

ruimte dus niet geheel reëel, daar het eigen denken de relatie tot ruimtelijke verhoudingen grotendeels schijnt te bepalen. Het tijdsbeleven (en op den duur erkennen) lijkt mij hiermede onmiddellijk gebonden te zijn. De geest kan delen van ruimte (en van tijd) als niet bestaand beschouwen en zo overslaan. Dit zou in moeten houden dat wij de tijd zouden kunnen reserveren, dus alles terug zouden kunnen doen gaan. Een teruggaan in tijd geschiedt echter, vreemd genoeg, steeds schoksgewijs, waarna wij dan weer in dezelfde richting de tijd kunnen gaan volgen. Wij zien dus bij wijze van spreken de mensen nooit achteruitlopen, maar kunnen hun loop wel terugvinden op een vroeger punt en dan de voor hen afgelegde weg deels of geheel gaan volgen. Mijns inziens houdt dit een zekere polariteit van het ik ten aanzien van de tijd of de kracht, die voor ons als tijd in verschijning treedt, in.

  • Kunt u natuurwetten of chemische formules die in uw wereld bestaan, in  formules uitdrukken?

Chemische wetten hebben wij geheel niet. Dat valt al weg. Het geven van waarden uit onze wereld in formules is moeilijk, daar voor ons geen mathematica geldt, maar slechts persoonlijke associaties, waardoor effecten en uitkomsten van persoon tot persoon verschillend kunnen zijn. Maar voor ons zou bijvoorbeeld gelden: Tijdsduur is besef plus verplaatsing ten aanzien van het beschouwde. Maar ik vrees, dat dit niet geheel is wat u bedoelt.

  • Is van een waarnemen van een geheel kloppend beeld uit de toekomst niet dat  de toekomst vastligt?

Volgens mij is de consequentie daarvan dat, gezien een bepaalde instelling van de persoonlijkheid en een bepaalde reeks illusies die zijn reactie op de werkelijkheid bepalen, voor een persoon een onontkoombaarheid die ten aanzien van toekomstige gebeurtenissen kan bestaan. Het feit echter dat slechts 5% van de bonafide visioenen geheel vervuld wordt, terwijl een groter percentage een redelijke betrouwbaarheid blijkt te bezitten, maar een afwijking in een of meerdere factoren vertoont, doet aannemelijk maken, dat het ik niet geheel aan het waargenomen beeld der toekomst is gebonden. De totale situatie kan dus wel vastliggen, maar de placering van het ik in deze situatie laat kennelijk wijzigingen toe. Ik meen dat het ik zich aan elke geziene toekomstige situatie zou kunnen onttrekken, mits het in staat zou zijn deze los van zichzelf voordien te beschouwen en op grond daarvan eigen gedrag en reactie te herzien.

  • U in de geestenwereld moet toch een soortgelijke oriëntatie in tijd bezitten als wij hier in de stof. Hoe kunt u anders afspraken maken maanden van tevoren en hier  op de juiste tijd met het juiste onderwerp aanwezig zijn….

Wij kunnen iets dergelijks alleen doen, omdat wij de afspraak eerst bij u maken en zo het punt van ontmoeting dus in uw wereld via u fixeren. Met andere woorden, door het vastleggen van een band tussen uw wereld en de onze in tijd en eventueel onderwerp, ontstaat iets, wat met tijd niet veel meer te maken heeft, maar een soort wekprikkel betekent. U zou dus eerder van een soort eierwekker dan van een gelijklopende klok kunnen spreken. Het denken aan het onderwerp en het ogenblik van samenkomst bij de mens vormt voor onze groep in het geheel en voor enkelen onder ons soms nog in het bijzonder een signaal, waaruit blijkt, dat op dit ogenblik onze aandacht op u gericht moet worden. Is eenmaal contact gemaakt, dan zal, omdat wij via een stoffelijk middel werken (middelen en krachten van uw eigen wereld dus) een zekere synchroniciteit van tijdservaren of bewustzijn kunnen ontstaan. Daarbij is voor ons een splitsing mogelijk, zodat de persoonlijke tijd voor ons in vergelijk tot uw tijdsbewustzijn aanmerkelijk versneld kan worden, terwijl de actie voor u synchroon schijnt te blijven. Tussen twee woorden kan dus een meditatie tijd van bijvoorbeeld een uur liggen voor ons, zonder dat u enige hapering in het gesprokene kunt ontdekken.  Voor ons is in dit geval sprake van een persoonlijke tijd en een tijdsbeleving door associatie, waarbij deze laatste uit de aard der zaak dan uw tijd is.

  • Stel een kruis. De verticale lijn is uw tijd, de horizontale de onze. Is dit een  weergave van wat u bedoelt?

Misschien is het gemakkelijker om daarbij nog te stellen: uw tijdsbesef is een horizontale lijn. De onze verticaal. Wij fixeren ons bewustzijn op het kruispunt, maken uw tijdsbeweging met u horizontaal mee, zonder dat hierdoor onze mogelijkheden in het verticale vlak worden aangetast. Naar ik meen, is dit een redelijke, zij het schematische voorstelling van de zaak.

  • Hoe komt men in het hiernamaals tot een leven, dat bevredigend is voor jezelf?

De oplossing ie zeer eenvoudig. Leer nu met uzelf tevreden te zijn, zonder daarom niets te doen. Leer vrede te hebben met uw wereld. Tracht in deze toestand tot een streven te komen, dat voor u geestelijk en stoffelijk bevredigend werkt, terwijl het gelijktijdig voor uw bewustzijn uw relatie met uw wereld bevestigt. Hierdoor ontstaan de innerlijke zekerheid en rust, die na de overgang in stand blijven, zodat men daardoor in een op eigen voorstellingen gebaseerde, maar voor het ik aangename en aanvaardbare wereld vertoeft, tot men in staat is meer van de onveranderlijke werkelijke reden van het zijn te beseffen.

  • Ik vind het verbazingwekkend, dat er zo weinig reële voorlichting gegeven wordt voor het leven na de dood. Waarom zijn wij eigenlijk allen zo bang voor de dood?  Waarom kunnen wij niet op natuurlijke wijze leven met de werelden buiten het stoffelijke?

Verschillende factoren spelen een rol. Een dier kent wel angst, maar deze angst is altijd weer gericht op het milieu. De dood op zich wordt door het dier nuchter aanvaard. Sterven is niet aangenaam, maar het feit dat men sterft, brengt voor het dier geen bijzondere angsten met zich. Het dier projecteert zich steeds in zijn werkelijkheid, leeft in voortdurend contact met de wereld. In het sterven houdt de relatie ik – wereld op te bestaan en is er dus geen reden voor vreugde of onrust en angst. De angst kan de wijze van sterven betreffen, maar niet de dood.

Bij de mens ligt het anders: hij pretendeert een relatie tussen ik en wereld, die niet gebaseerd is op de feiten van nu en de feitelijke mogelijkheden, maar op eigen voorstellingen en verwachtingen. Wanneer voor de mens een afsterven van het contact met de wereld dreigt op te treden (wat dus de dood met zich brengt) blijven vele pretenties, ook aangaande de voor het ik nog net werkelijk geworden stoffelijke toekomst en het ego onvervuld over. Dit schept onrust en angst. De dood is niet alleen het onbekende, maar gelijktijdig een confrontatie met eigen onvermogen, met een werkelijkheid omtrent eigen wezen, die de mens niet kan aanvaarden. Dit is de basis van alle angst voor de dood.

Het eerste geloof aan een voortbestaan treft u dan ook niet aan bij de gewone mensen uit het verleden. Het zijn de hooggeplaatsten als vorsten, generaals, priesters. Mensen met veel pretenties dus. De angst, hun rang (pretentie) te verliezen bracht hen tot voorzorgen, die wel zeer omvattend waren, als het met zich meenemen van voorwerpen, meubels, dienaren, dieren enzovoort. Bedenk eens hoeveel moeite men zich met het bouwen van piramiden, hunnebedden, koepelgraven, enzovoort heeft gegeven, alleen maar om zeker te zijn van zijn rang en aanzien in een hiernamaals. Doodsangst treedt eerst op, evenals respect voor het leven, waar van een zekere gevorderde cultuur sprake is. Een mens heeft nooit het denkbeeld dat hij klaar is met het leven. Hij wil altijd nog meer zijn, bereiken of doen, omdat hij niet meer in het heden leeft, zoals het dier, maar in zijn denken reeds morgen bestaat. De dood is een belemmering, die hem een zelfvervulling in dit morgen belet.

Juiste voorlichting kan alleen gegeven worden, wanneer men die wil aanvaarden. Zij werd wel meermalen gegeven binnen grote godsdiensten en leerstellingen, maar werd door de mens onmiddellijk via interpretaties gemaakt tot iets, wat hem de zelfvervulling in een hiernamaals als in een normaal morgen op aarde zou mogelijk maken (desnoods in gesublimeerde vorm). Het contact met andere werelden en sferen is voor de mens moeilijk, omdat hij zozeer in beslag wordt genomen door zijn heden en alle indrukken en denkbeelden die daaruit voortkomen, dat hij geen aandacht meer heeft voor de zwakkere impulsen van de andere werelden, die immers niet onmiddellijk schijnen te passen in zijn heden. Indien hij al dergelijke invloeden ondergaat, zal hij deze meestal toch proberen aan te passen bij zijn ogenblikkelijke pretenties en verlangens, waardoor de waarde ervan grotendeels te loor gaat.

Nog een kort slotwoord. Vele mensen zien het hiernamaals en de wereld van het hiernamaals in de eerste plaats als een compensatie voor alles wat op aarde wel (of niet) is geschied. Juist hierom heb ik getracht duidelijk te maken dat uw leven hier bepalend is voor het hiernamaals. Of u gelooft in een voortbestaan en leven na de dood is van weinig belang. Maar dat u een zekere evenwichtigheid bereikt in uw leven en streven op deze wereld is voor u van groot belang. Want het hiernamaals komt toch wel, het is onvermijdelijk, ook wanneer u het prefereert daaraan niet te geloven. Wat het hiernamaals voor u is, wordt echter niet bepaald door wat u gelooft, maar door wat u geweest bent, wat u gedaan hebt. Vooral ook wat u innerlijk bent geweest, dus met een buiten beschouwing laten van uw pretenties ten aanzien van en in de wereld.

Het leven na de dood, het contact met overgeganen, maken tot een soort verdovend middel voor de pijnen van het heden, lijkt mij dan ook geheel onjuist. Contact is mogelijk, zeker. Er is een communicatie mogelijk met een zeker redelijk peil van bereiken, ook voor u. Besef echter dat dit contact met de geest, de verwachting van een hiernamaals nooit iets vervangen kan in uw werkelijk en materieel bestaan. Het kan niet compenseren in uw stoffelijk bestaan. Het kan slechts een impuls vormen, die u rust en mogelijkheden geeft in uw huidige bestaan. Maar dan moeten die dingen door u zelf en niet door andere krachten worden waargemaakt.

Wonderen en mirakelen zijn mogelijk. Maar zij komen niet tot stand, ondanks alle menselijke krachten, zij ontstaan door de aanvaarding van het mirakel als realiteit en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om iets, wat desnoods voor u eens illusoir leek, in uw werkelijkheid te verankeren.

Uw leven hier is belangrijker dan menigeen beseft. Wat u nu doet, wat u nu bent, de manier waarop u nu in uw leven tracht waar en evenwichtig te zijn, bepalen wat later voor u uw wereld is. Maak u daarom niet al te druk over geloof, over dingen die abstract zijn, hoe interessant zij ook mogen zijn. Het zijn bijkomstigheden. Belangrijk is uw eigen reactie op uw wereld. Indien u eerlijk voor uzelf kunt zeggen: ik kan vrede hebben met wat ik ben en met wat ik doe, ik kan de wereld aanvaarden voor wat zij mij is, dan heeft u niet alleen mogelijkheden geschapen voor uzelf in de materie maar tevens mogelijkheden geschapen, die in het hiernamaals worden tot een gelukkig erkennen en bestaan.