De Wereldleraar

11 augustus 1963

De nieuwe Wereldleraar staat aan het begin van een nieuwe ontwikkeling, dat zult u allen wel begrepen hebben. Nu zou ik daarover graag eerst een paar saillante feiten geven, opdat u kunt begrijpen wat hij eigenlijk is. We gaan uit van het standpunt, dat de ontwikkeling van de wereld plaatsvindt in een aantal z.g. rassen.

U leeft bv. op het ogenblik in het 5e wortelras en in de zoveelste evolutie daarvan. Elke evolutie in een ras staat onder toezicht van een grote lichtkracht. Men heeft die eens met de naam van een grote wetgever Manu genoemd, maar dat is een willekeurig gekozen naam. Nu is de kracht, die een bepaald ras ontwikkelt, ook de kracht die de aarde mede regeert gedurende de tijd, dat dat ras bestaat. Wanneer daarin (in dat ras dus) op een gegeven ogenblik een vernieuwing ontstaat, dan zien we hoe dit ras langzaam maar zeker op uitgekozen plaatsen rijpere lichamen (d.w.z. voertuigen bestemd voor rijpere geesten) produceert. Wanneer er dus voldoende van die evoluties in de lichamelijke structuur hebben plaatsgevonden en er zijn voldoende entiteiten rijp voor een volgende fase van bestaan, dan komt er meestal een wereldleraar.

Deze is a.h.w. degene, die de kern moet scheppen voor een ras. Die kern wordt in de eerste plaats geschapen door een leer; dus het kweken van een mentaliteit, die het scheppen van juiste lichamen a.h.w. bevordert, in de tweede plaats door een geestelijke instelling, die rijp maakt voor het vrij komen van alles wat er tot nu toe was, opdat men een nieuwe wet, een nieuw bestaan, een nieuwe wijze van denken en leven aanvaardbaar gaat vinden.

Pas wanneer dit alles is gebeurd en dat is soms een betrekkelijk langdurige kwestie kunnen er in kleine centra (meestal afgezonderd en heel vaak ook nog levend onder bijzondere wetten) groepen mensen komen, waarin dus de werkelijke geesten (de bevoertuigde geesten) van zo’n nieuwe cyclus (de 6e of de 7e cyclus) gaan leven. Onze Wereldleraar heeft dus eigenlijk met zijn leer gelijktijdig datgene wat was tot een apotheose moeten maken. Zijn werk is een synthese van alles wat is geweest. Gelijktijdig moet hij echter regels en wetten ontwerpen, die het mogelijk maken om zo dadelijk (en dat “zo dadelijk” kan honderden maar ook duizenden jaren zijn) een aantal centra te stichten, waarin de ingewijden van deze tijd langzaam maar zeker gaan optreden als de ouders van het nieuwe ras.

Dit alles bij elkaar genomen verklaart dus, waarom de wereldleraar niet zo openlijk en in het openbaar werkt, zodat de hele wereld ervan hoort. Dat heeft geen zin. Hij werkt in een bepaald milieu, waarin die verandering het gemakkelijkst kan gebeuren. Hij bereidt een ontwikkeling voor, die zo dadelijk (over een paar duizend jaar kan het ook zijn) haar hoogtepunt zal hebben, vermoedelijk in Zuid Amerika. Hij heeft daarvoor nu gewerkt op plaatsen, waar de mogelijkheden tot inwijding groot genoeg zijns plaatsen waar zijn leer vaste voet kan krijgen en waar gelijktijdig een onevenwichtigheid en een onrust heersen, die zijn stellingen aanvaardbaar maken in de eerste plaatsen in de tweede plaats de gebondenheid, aan oord en bodem minder maakt.

Dat is vroeger ook eens zo geweest. Er was toen ook zo’n Meester, die zijn leer heeft gebracht. Hij behoorde tot de restanten van de Atlanten, de Atlantische priesters, die zijn weggetrokken. Uit hun gezelschap trokken toen (men zegt dat het de voorvaderen van de Ariërs waren) de voorvaderen van dat ras naar de Gobi. In de Gobiwoestijn vormden zij die bekende priesterbeschaving, waar inderdaad de hogepriester een soort incarnatie was, die steeds terugkeerde en Manu werd genoemd, de grote wetgever. Die wetten zijn ook het begin geweest van het Hindoestelsel. Enfin, er zat van alles en nog wat bij en het was doelbewust gericht op een zekere selectie van voertuigen, waardoor dus een nieuw ras kon ontstaan. Op dezelfde manier zullen we dat in de toekomst weer krijgen. Ik wil niet zeggen, dat ze weer naar een Gobi zullen trekken (die overigens in die dagen nog zee was), en ik wil ook niet vertellen, dat ze zich nu plotseling helemaal zullen gaan afzonderen. Het verloop van zo’n ontwikkeling wordt steeds aangepast aan de wereld en aan de tijd, waarin men leeft.

Maar om die ontwikkeling mogelijk te maken moest er dus een leer worden geschapen, die aanstonds, wanneer het noodzakelijk is, kan worden tot de wet van een nieuw onderras. Nu ik dit allemaal heb gezegd, hoop ik dat u de citaten, die u volgens uw verlangen nu zult krijgen, beter kunt interpreteren. Wat is, dat is eigenlijk een beetje onbelangrijk geworden. Het heersende ras van deze tijd of ze het nu willen aanvaarden of niet is over zijn hoogtepunt heen. Deze golf van evolutie is praktisch voorbij.

Wat we nu krijgen, is een langzaam afzakken van de hogere rassen; en uit die hogere rassen het ontstaan van het nieuwe.   Dan beginnen we allereerst maar eens met een paar stellingen van de Wereldleraar, die u bij ons ook vaak hebt aangetroffen, omdat ze voor deze tijd belangrijk zijn.

“Er is geen band die bindt, behalve de kracht die ge in uzelf erkent. Wees vrij in alle dingen en beperk u niet, maar vervul uw wezen. Want slechts uit deze vervulling van uw wezen, volgens uw innerlijk aanvaarden van dat wat goed is, zult ge komen tot een waar bereiken in geest, en stof.”

Dat klinkt allemaal een beetje, of hij wel heel erg vrijzinnig is. Ik geloof niet, dat we de nieuwe Meester vrijzinnig mogen noemen, maar wel mogen we hem de Meester van de persoonlijke verantwoordelijkheid noemen, van de grote vrijheid. Zo zegt hij bv.:

“Heb uw naasten lief door hen de vrijheid te geven, die zij voor zichzelf eisen en hun uw hulp en steun niet te onthouden, waar en wanneer ge hun die verantwoord kunt geven.”

Dat is zo heel eenvoudig gezegd. De grootste liefde, die je kunt hebben, is iemand vrij laten. Dat is gericht tegen alles wat op het ogenblik aan bindende krachten, bindende werking bestaat. Hij zegt bv. ook:

“De dood is het leven, dat terugkeert tot zijn ware oorsprong.”  

Hij wil niet spreken over een hemel of een hel. Voor de nieuwe Wereldleraar was dat ook niet belangrijk. Hij wist hoe hij dit alles moest zien. Hij was zelf bewust van alle werelden en hij kon de mens dus alleen maar duidelijk maken: Kijk eens, dit is een terugkeren tot je bron, tot je oorsprong. Zo zei hij bv. tegen een boeddhist, die zich heel erg druk maakte over zijn zoveelste incarnatie, op een gegeven ogenblik:

 “Indien de vlieg zich druk maakt om haar vleugelslag, hoe zal zij vliegen? Indien de bloem zich bezighoudt met het aantal harer meeldraden, hoe zal zij bloeien in de juiste kleur? Niet toeven met de gedachte bij de verhevenheid van dit zijn, maar het bestaan beleven in volledige harmonie met het “ik”, is de juiste erkenning van de Schepper en de scheppende kracht in ons.”

Hij bezemt daarmee al die mooie bedoelingen en mooie bestrevingen naar de hemel a.h.w. over boord. Hij wil helemaal niet horen van mensen, die geestelijk zo verheven zijn. Je zou kunnen zeggen dat deze, een hoge geest in zich dragende mens, eigenlijk probeert om stof en geest samen te voegen. En wanneer u nu bedenkt wat ik zo even heb gezegd, dan ziet u ook waar dat naar toe gaat.

Wat de Meester probeert te doen, dat is de mens losweken van zijn idee dat hij gebonden is aan een milieu, aan een wet, aan een plaats. De hele wereld staat voor hem open. Het hele leven ligt voor hem. Hij heeft maar één plicht; te beantwoorden aan de geest, die in hem leeft; dus eigenlijk aan zichzelf. Alleen op die manier kan zo dadelijk een hogere geest incarneren op aarde en daar een zekere vrijheid kennen. Alleen op die manier kan het nieuwe zich ontplooien; en dat is dus de voornaamste reden, dat hij de vrijheid en de persoonlijke aansprakelijkheid voortdurend predikt. Natuurlijk heeft hij daarnaast heel veel gebracht dat meer esoterie is, en daarbij spreekt hij heel vaak (hij heeft gewerkt in het Nabije Oosten en het Verre Oosten) in de wat bloemrijke taal van die streken. Hij leert ons bv.:

“De bron, die uit de aarde welt, vraagt niet: Vanwaar ben ik gekomen. Doch ziet, zij brengt vruchtbaarheid langs haar oevers en de stroom, die zich voortzet, is een vreugde voor mens, plant en dier. Weest gij als een bron; niet vragende: Vanwaar kom ik; niet vragende: Waarheen zal ik gaan, maar zeggende: Ziet, ik leef; en in mijn leven ben ik een vreugde voor al het zijnd.”

Dat is echt zijn idee. Je leeft a.h.w. om het leven tot een harmonie te maken. In deze tijd is de harmonie teloor gegaan. En wil men komen tot een nieuwe evolutie, tot een verbetering van de menselijke structuur, maar ook van de entiteit die in zo’n verbeterde structuur kan incarneren, dan moet men uitgaan van harmonie. Een zeer groot gedeelte van zijn leringen gaan uit van harmonie, zowel de innerlijke als de uiterlijke harmonie. Wanneer ik bv. denk aan hetgeen hij leraart aan een groep Moslims:

 “Indien gij in uzelf Allah erkent, zo zeg ik u: Ga tot Hem. En zoals de Profeet opsteeg tot de zevende hemel, gaat gij in uzelf tot de zevende hemel, opdat gij moogt weten wat gij dient. Doch zo gij spreekt met de letter van uw wet, doch zo gij uitgaat van uw eigen gerechtigheid, hoe zult gij ooit uw God aanschouwen?”

En dan gaan we heel rustig meteen een stap verder. Hij is in hetzelfde milieu bij de Ipaki geweest;

 “Alle rijkdom is in uzelf gelegen. Dat wat gij aanschouwt en beleeft is uw eigen, ook wanneer gij het nimmer meer zoudt aanschouwen. Doch datgene wat gij wegsluit als uw bezit, datgene wat gij niet erkent in zijn werkelijkheid, zal nimmer tot u behoren. Verrijk zo uw geest, opdat ge uit de rijkdom van uw geest moogt leven in waarheid, verrijk niet uw stof, opdat uw stof niet in haar rijkdom verstikke en de geest ontneme de mogelijkheid te rijzen tot het licht.”

Weer een heel eenvoudige filosofie. Jezus zei: “Geef al uw goederen weg aan de aarde.” De nieuwe Meester zegt: Neen, dat is niet direct nodig, maar bind je nu alsjeblieft niet teveel aan die begrippen van rijkdom, van geld en alles wat erbij behoort. Als je dat alles zo beziet, dan zul je je onwillekeurig gaan afvragen nu we zijn taak zo’n beetje hebben bezien: Wat wil eigenlijk deze Meester? Wat is het belangrijke in zijn leer? Nu kan ik dat samenvoegen in citaten en dan zijn we morgen nog bezig en weten we nog niets. Daarom wil ik proberen nu hij is heen gegaan (u zou zeggen: is vermoord) een heel eenvoudige samenvatting te geven.

Alles, wat je in het leven bent, moet worden uitgedrukt in de volledige harmonie van alle delen van je wezen. Jezelf te ontzeggen dat wat innerlijk voor je noodzakelijk is, is dwaasheid. Datgene uiterlijk te aanvaarden, wat innerlijk niet in je leeft, is dwaasheid. De mens, die eerst in zichzelf harmonisch is, kan zijn God op de ware wijze dienen. Hij moet dit doen met een volledige aansprakelijkheid voor alles wat hij tot stand brengt. Hij mag zich nimmer beroepen op het gezag van anderen, noch mag hij anderen dwingen in de naam van het gezag, dat hij zelf denkt te bezitten. In een volledige vrijheid levende, moet de mens vreugde voor zichzelf scheppen. Want harmonie is niet een lijdzaam ondergaan van het leven, maar een actief deelnemen eraan.

Die activiteit moet worden beleefd in overeenstemming met dat wat je bent. En dat wat je bent, daarvan geeft hij ook zijn definitie, die we om heel lange en differente beschouwingen kort te maken misschien het best zo kunnen formuleren. Wanneer je op aarde wordt geboren, dan wordt door de erfelijkheid bepaald wat je lichaam is; dan wordt door astrale verhoudingen bepaald wat het karakter is en door je geest wat het doel is van je leven. Het is je taak om die drie zo samen te voegen, dat het bereiken van het doel een vreugde is voor de waarden, die je zowel astraal als zuiver stoffelijk bezit. Het is de grote taak van de mens niet om zichzelf te maken tot wat hij niet is maar om de volmaaktheid te bereiken binnen het kader van wat hij is. Op deze manier moet hij zoeken naar een harmonie, die innerlijk een weerkaatsing vindt, verdergaande dan zijn eigen wereld. Het geluk, dat je in jezelf kent, mag niet alleen maar zijn: het geluk van een leven in je wereld dat je bevredigt, maar het moet als het ware de innerlijke bevestiging zijn dat dat leven goed is. Daarop komt alles neer.

Dan geeft hij daarnaast een groot aantal esoterische leringen en wetten, waarvan misschien een van de voornaamste wel is:

“Zo gij in uzelf keert, zeggende: ik wil mijzelf kennen, vergeet gij uw God. Doch zo gij in uzelf tracht uw God te kennen, zult gij door uw God uzelf aanschouwen, en daaruit zult gij de weg vinden, die gij waarlijk moet gaan. Want het is niet voldoende uzelf te vinden of uw God te vinden. Gij zult moeten beantwoorden aan de weg, die ligt tussen uw wezen en uw God, en deze gaande, kunt gij zeggen: Ik heb bereikt, datgene wat noodzakelijk is.” 

Dus de esoterie van de Wereldleraar is de esoterie van de mens, die zichzelf voldoende leert kennen om tot zijn God te gaan in volledige waarheid. En naarmate je meer tot die God gaat, zul je dan vanzelf jezelf wat beter leren kennen en zul je meer beantwoorden aan de goddelijke werkelijkheid. Maar totdat het zover is, moet je niet denken, dat je volmaakt bent en dat je alleen met het kennen van jezelf klaar bent. Op deze manier heeft hij dus bouwsteentje na bouwsteentje aangedragen, waarvan u in de loop der tijden ongetwijfeld steeds meer zult gaan horen, zowel via ons nog als via vele andere bronnen, want dit begint nu te werken. Dan zult u dus zelf zeggen: Ja, ik ga nu begrijpen wat deze Wereldleraar heeft gedaan. Hij heeft een synthese geschapen van al het goede en al het lichtende, dat is geweest. We vinden in hem de Boeddha en Jezus terug. We vinden de grote leraren van de oudheid, de vele grote filosofen terug, de grote ingewijden; en dit alles tezamen heeft hij in een nieuwe verhouding gesteld. Hij heeft dit gemaakt tot een nieuw begrip, een nieuw denken. Dit heeft hij nu voorzichtig aan zijn leerlingen en zijn volgelingen gegeven, opdat dezen door dit nieuwe denken ten slotte een vrije menselijke gemeenschap zullen scheppen. En daarmee heb ik dan wat dit onderwerp betreft wel een redelijk duidelijk beeld gegeven en meer zoudt u op deze dag toch ook niet van mij mogen verwachten.