De wereldleraar

uit de cursus : Kosmische leringen ( hoofdstuk 1 ) – oktober 1972

Inleiding

Als wij spreken over een Wereldleraar of een Wereldmeester, dan duiden wij daarmee een figuur aan die bepaalde waarden, die in de kosmos bestaan op aarde tot uitdrukking brengt in de termen van de tijd en volgens de behoeften van die tijd. Er zijn in het verleden vele Meesters geweest; in de toekomst zullen er ook nog vele komen. Elk van hen heeft op zijn eigen wijze één en dezelfde waarheid tot uitdrukking gebracht. Die waarheid kunnen we misschien kort omschrijven met het volgende beeld:
De mensheid is een geheel. Wie deel is van de mensheid kan niet los staan van alle anderen. Het is in deze verbondenheid met het totaal der mensheid dat de mens zijn hoogste bereiking vindt, dat hij treedt voor God en dus bewust het gehele bestaansprincipe kan erkennen en beleven.
Dat ieder daarnaast wetten en aanwijzingen heeft gegeven was, geloof ik, onvermijdelijk. Het is vaak noodzakelijk de mens door middel van eenvoudige regels te confronteren met iets wat hij in de algemene zin daarvan niet kan verwerken. Hoe wonderlijk dat kan zijn, kunnen we zien, als wij het christendom ontleden, waarin de feitelijke regel is: Heb je naaste lief. Sta in voor je naaste. Probeer je medemens te helpen, indien hij je hulp nodig heeft. Dat is op zoveel manieren verkeerd geïnterpreteerd.
Jezus zegt o.m., dat het goed is de gevangenen te bevrijden. Christenen hebben gevangenissen gebouwd. Hij zegt, dat het goed is de bedroefden te troosten. Men volstaat meestal met een gebaar van edelmoedigheid, waarin geen enkel begrip en dus ook geen enkele werkelijke troost is gelegen. Ik zou zo kunnen voortgaan en aanduiden waar het christendom in zijn praktijk afwijkt van de algemene regels die gegeven zijn.
In het verleden hebben de Meesters het daarom goed geacht een aantal sociale wetten te stellen. Wetten waardoor de gehele samenhang van de maatschappij (de menselijke samenleving) werd geregeld. Voorbeelden van veelomvattende regelingen vinden wij b.v. nog in de hindoeleer. De regeling van het persoonlijke leven van de mens klinkt nog sterk tot ons door uit de wetten van de Korán. In al deze gevallen zijn de wetten niet de hoofdzaak. Ze zijn een nevenverschijnsel van de kosmische waarheid, die tot uiting wordt gebracht.
Wij zullen trachten in de komende reeks lezingen u niet alleen te confronteren met datgene wat in deze tijd als kosmische lering is ontstaan en voor de eerste paar honderd jaren een grote invloed zal hebben, maar u daarnaast te doen zien hoe in de gehele kosmos altijd weer dezelfde waarheden kristalliseren en hoe achter de schijnbaar verschillende vormen van de vele godsdiensten dezelfde wetmatigheid is gelegen.

De wereldleraar

Het woord wereldleraar doet de mens denken aan iemand met een ontstellend leergezag. Dit is niet helemaal juist. Onder de mensen vindt hij vaak een zeer beperkte erkenning en wordt veelal tenslotte door de mensen verworpen, gedood of als een dwaas beschouwd. Het feit dat hij wereldleraar heet is dan ook niet te danken aan het leergezag dat hij bezit, maar wel aan het feit dat hij iets brengt dat voor een wereld voor een lange tijd meestal voor een periode van omstreeks 2000 jaar belangrijk is. Hij brengt dit meestal in een bepaald deel van die wereld, zodat een herhaling van soortgelijke lessen, aangepast aan andere delen van de wereld, in die periode kunnen voorkomen.
Wij hebben in de afgelopen tijd een wereldleraar gehad. Hij werd vergeleken met Johannes de Doper, die a.h.w. de voorbereiding vormde voor het optreden van Jezus. Daarnaast hebben wij een Wereldmeester van wie nog veel minder bekend is. Een leraar, die in dezelfde gebieden van het Nabije en zelfs het Verre Oosten is opgetreden en die heeft geprobeerd daar de regels van het leven (het innerlijk en menselijk juiste leven) tot uitdrukking te brengen.
Als wij naar de Wereldleraar kijken, dan valt ons op dat hij – ook dank zij zijn opvoeding, hij was nogal westers opgevoed – veel technische beelden gebruikt. Hij dringt er bij de mensen op aan gebruik te maken van al datgene wat hij nodig heeft, maar om zijn behoeften te beperken.
Hij stelt, dat de mens niet moet dromen van een algemene vrede, maar dat hij innerlijk en voor zichzelf de vrede moet weten te bereiken. En daarmee grijpt hij vooruit naar wat de Wereldmeester later in misschien schonere en zeker meer omvattender leringen en lezingen de mensheid voorhoudt. Ik mag hier citeren. De bronnen zal ik niet afzonderlijk vermelden.
“Leven betekent allereerst in jezelf bewust bestaan. Slechts hij, die in zichzelf bewust bestaat, kan zijn naaste erkennen. Leef op grond van de harmonieën, die je in jezelf erkent, maar beperk ze nooit tot jezelf.”
“Er zijn duizenden wegen om iets waar te maken. Er is over het algemeen slechts één enkele weg, waarop je zelf iets kunt waarmaken op een voor jou aanvaardbare wijze.”
“De gehele wereld is vol wetten. Maar elke wet, die bindend is, kan niet overtreden worden. Besef dit wel! Alle andere wetten zijn onbelangrijk. Ze zijn het spel der mensen. De goddelijke Wet echter is het onvermijdelijke, waarmee wij geconfronteerd worden. En de goddelijke Kracht, die wij eraan kunnen ontlenen, is gebaseerd op ons bewust aanvaarden van de begrenzingen die ons zijn gesteld.”
Wie deze uitspraken hoort, vraagt zich misschien wel af wat die Meester nu eigenlijk op aarde komt doen, en wat die Leraar aan bijzondere waarden te bieden had. Wat de Leraar betreft, moeten wij vooropstellen dat de wereld wel de kernwijsheid bezit, maar dat ze daarvan geen gebruik weet te maken.
De wereld is niet in staat de leringen, die ze heeft ontvangen ook maar enigszins om te zetten in een realiteit. Ze loopt steeds weer vast in allerlei systemen. Ze houdt vast aan allerlei regels, die niet voortkomen uit een innerlijke erkenning of openbaring, maar die alleen maar voortkomen uit de behoefte van de mens om het zo goed mogelijk te hebben, waarbij zijn voorstelling van “zo goed mogelijk” over het algemeen slecht is. Wij moeten ons dus realiseren dat de Wereldleraar eigenlijk het oude in nieuwe termen brengt. Hij probeert geen reformatie tot stand te brengen. Hij probeert de oude waarden opnieuw te doen spreken, maar nu helder en zuiver, ontdaan van allerlei menselijke bijbedoelingen en gezagconflicten.
Wanneer de Meester komt, dan voegt hij daaraan nog iets toe.
Want de mensheid is wijzer geworden. Je zou het misschien op het eerste gezicht niet zo zeggen, maar de mens heeft veel geleerd, Hij weet meer omtrent de stoffelijke wereld die hem omringt. Natuurkrachten, die eens magische geheimen waren, zijn nu algemeen gekend. De mens staat in een totaal nieuwe relatie tot de kosmos, die zich voor hem heeft uitgebreid van een schaal met wat lichtjes tot een bijna oneindige ruimte vol sterren en planeten. De mens kan in deze periode een confrontatie met levende wezens van andere werelden verwachten en ook verdragen. Maar dan móet die mens ook begrijpen wat de waarheid is. Want zo er een heelal is en een God, Die dit heelal schept, moet er een waarheid zijn die voor allen gelijk geldt. De Meester poogt de menselijke waarheid te ontdoen van haar te menselijke achtergronden en haar a.h.w. klaar te maken voor een algemene aanvaarding van levensessentie in plaats van levensvorm.
Ik zou enkele voorbeelden kunnen geven, die dit onderstrepen.
Waarom zou de Meester anders hebben gezegd:
“Bedenk wel, dat het uiterlijk niet het kenteken is van het innerlijk. Maar hij, die bewust is, ziet het innerlijk en laat zich niet meer door het uiterlijk misleiden.” Hier wordt niet alleen geduid, zoals sommige van zijn leerlingen nu al proberen te zeggen, op de bewuste, die veel uit zijn medemensen kan afleiden, die kan zien wat ze betekenen, die aan de hand van hun uitstraling precies weet wat ze denken en wat ze eigenlijk zijn. Hier wordt gezegd dat het leven, dat wij menselijk noemen, eigenlijk verder reikt dan de menselijke vorm; dat het in vele vormen kan voorkomen.
Een ander opvallend citaat:
“Hij, die trots is op hetgeen hij heeft bereikt, benijdt een ander zijn bereiken. Hij echter, die voortdurend leert, wordt voortdurend vaardiger en wijzer. Het besef van eigen onvolkomenheid is de basis voor verdere bereiking. De illusie van eigen bereiking is over het algemeen gelijktijdig, de dood van geestelijke ontwikkeling en de stilstand van stoffelijke mogelijkheden.”
Ik heb in het bijzonder deze citaten geselecteerd om daarmede mijn betoog te onderstrepen. Want als wij ons willen bezighouden met al deze kosmische leringen, dan moeten wij ook begrijpen wat zij eigenlijk als achtergrond hebben. Die achtergrond is uit de aard der zaak filosofisch esoterisch wel te stellen.
Er is een God. God is een onbekend Wezen. God is een naam voor het Onbekende. Wij nemen echter aan dat er iets is dat alle dingen heeft voortgebracht en in stand houdt. Het onbeschrijflijke omvat niet alleen één wereld en één zon, het omvat ongetelde werelden en ontelbare sterren. Als wij dat begrijpen, dan zien wij ook dat dit in zijn samenhang moet bestaan. Er kan geen kosmische wet zijn, die op aarde wel en elders niet geldt. De werkelijke wetten zullen overal gelden.
Ze zullen misschien door verschillende omstandigheden in verschillende vormen naar voren treden, maar wie de essentie ervan ziet, moet erkennen dat ze gelijk zijn.
Als de mens leeft in een wereld, waarin ook de geestelijke sferen voor hem onbekende planeten zijn geworden, onbekende bestaansvormen, zodat b.v. de doden ver van hem af schijnen te staan, dan is het ook hier zeer moeilijk voor hem te begrijpen dat de wetten, die zijn bestaan regeren ook die anderen zullen regeren. De anderen, die zijn overgegaan, leven in sferen, die misschien hoog verheven zijn of liggen in de afgrond diepe duisternis van absoluut egocentrische concentratie op het ik. Al deze werelden hebben één wet. Maar het besef van de mens is niet altijd zover ontplooid dat hij dit kan begrijpen en aanvaarden.
De Meester is a.h.w. één tik van een kosmische klok die zegt “de tijd is voorbij, er begint een nieuwe tijd” en die daarbij de nadruk legt op de eigenschappen van die tijd. Niet, het is een minuut verder, maar: nu begint de middag of: nu begint de avond, nu groeit het licht, nu gaat het duister komen. De volgorde die kosmisch vaststaat, de eeuwige slingerbeweging waarlangs elke ontwikkelingslijn zich voltrekt, wordt door de Meester onderstreept.
De Leraar kondigt aan. Hij vat het leven samen, opdat men begrijpt dat het nieuwe komt.
De Meester drukt uit wat er gaat komen.
Onze Wereldleraar heeft geprobeerd de mens duidelijk te maken dat vrijheid noodzakelijk is. Hij heeft bij zijn pogingen om die vrijheid te verkondigen bepaalde taboes aangetast. Zijn opvatting ten aanzien van b.v. seksualiteit week af van het geijkte patroon, waarin kinderen het enig belangrijke zijn. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien niet erg religieus, niet erg goddelijk, maar in een overbevolkte wereld is het kind minder belangrijk. Dat moet men eenvoudig begrijpen. Dan moet de nadruk ergens anders op komen te vallen en zijn de spanningen, die door een bepaalde seksuele codex ontstaan niet noodzakelijk. Integendeel, ze zullen vaak hinderlijk zijn voor de verdere ontwikkeling. Ze zullen sterke frustratiepatronen tot ontwikkeling brengen. Ze zullen de mensen verwijderen van innerlijke vrede en innerlijke werkelijkheid. Het is duidelijk, dat dat gezegd moest worden. Zoals het duidelijk is dat eens een kleine gemeenschap voor zichzelf kon leven en streven, omdat ze a.h.w. geïsoleerd was in de ruimte om zich heen en omdat ze werkelijk kan verschillen van alle andere kleine gemeenschappen. Dat is denkbaar, als de reis van een dorp naar een stad meer dan een dag duurt. Het is niet meer denkbaar in een wereld, waarin je in één dag van werelddeel tot werelddeel kunt gaan. Dus moet er wel de nadruk gelegd worden op die nieuwe wereld.
Als de wereld wordt beheerst door techniek, dan heeft het geen zin met esoterische argumenten aan te komen. Dan is het noodzakelijk dat je met argumenten komt, die passen in die technische wereld. Het is dan ook heel begrijpelijk dat iemand op een gegeven ogenblik zegt, zoals de Leraar heeft gedaan:
“De techniek is er om ons te dienen. Wij moeten haar echter zo weinig mogelijk gebruiken, opdat wij haar meester kunnen blijven. Want indien wij haar toestaan ons in beslag te nemen, zo beheerst zij ons. Zij beheerst ons echter niet alleen naar lichaam en leven, maar ook naar de ziel. Wij worden gebonden aan haar systemen en kunnen in ons de waarheid en de God in ons niet ontdekken.”
Het is alsof hij wil zeggen; als je je teveel bezighoudt met techniek en technische ontwikkeling en vooruitgang, dan wordt daardoor de mogelijkheid in te gaan tot het Koninkrijk Gods voor jou teniet gedaan.
Het is ook begrijpelijk, dat hij aan de andere kant aan zijn leerlingen zegt: Als de dingen er zijn, zijn ze er om te gebruiken. Ze zijn er niet om te verwerpen. Gebruik de dingen zolang je er meester over kunt zijn. Hij zegt letterlijk:.
“Wanneer de weg lang is, waarom zouden wij geen voertuig gebruiken?”
Daarmede duidt hij aan, dat het voor hem heel normaal is dat iemand een vliegtuig, een trein of auto gebruikt; dat het helemaal niet zo belangrijk is dat je helemaal op jezelf bent aangewezen zoals de mensen in Bijbelse tijden. Maar hij zegt erbij: “Wij moeten zorgen dat onze wegen ons voeren naar ons doel.”
Dat doel omschrijft hij dan verder. Hij zegt:
“Leven in deze wereld is het erkennen van het geluk van het bestaan, zodat wij verrijkt door hetgeen wij hebben ervaren in volgende vormen van bestaan de grotere blijheid van een volledig bestaan kunnen aanvaarden.” Dat zegt hij niet zomaar. Het gaat hem werkelijk erom de mensen duidelijk te maken, dat de dingen ons moeten dienen. Wij kunnen natuurlijk overal heen gaan, maar het heeft alleen zin ergens heen te gaan om iets te doen, om ergens naar toe te streven, indien het voor ons een bevestiging is van iets wat wij nodig hebben. Wij moeten het overbodige overboord zetten. Dit lijkt misschien niet zo kosmisch. U zult zeggen: het is eigenlijk stoffelijk zo logisch. Maar als u nadenkt, zult u begrijpen dat het hier ook een kwestie is van licht reizen. De Meester heeft in een van zijn gelijkenissen gezegd:
“Een reiziger wil op reis gaan. Hij verzamelt al wat hij bezit en torst dat met zich mee. En ziet, traag en uitgeput bereikt hij zijn doel; en hij is niet meer in staat datgene te volbrengen waarvoor hij de tocht heeft gemaakt. Ik zeg u; reis licht! Laat alles achter wat voor u niet werkelijk noodzakelijk is. De wereld en de kosmos zijn er om u te dienen, maar dan zult u moeten betrouwen op deze krachten.”
Jezus heeft ook tot zijn leerlingen gezegd: “Wie uitgaat, neme niets mee, zelfs geen tweede paar sandalen. Eet daar waar ge de leer verkondigt en als ze niet luisteren, ga verder.” Dat is eigenlijk precies hetzelfde, maar nu uitgedrukt in de termen van bezit. Het vreemde is dat de Meester, veel minder dan de Wereldleraar, ageert tegen dingen als televisie en radio. De Leraar ziet daarin iets wat je kan afleiden. De Meester zegt:
“Neen, dat is helemaal niet zo erg. Alle dingen die wij erkennen, zelfs het spel dat ons moet ontspannen, het schimmenbeeld dat ons vermaakt, moeten ons confronteren met iets in onszelf. Zo wij ons daarvan bewust zijn, vinden wij onszelf steeds duidelijker weer en zullen wij steeds juister handelen volgens datgene wat wij in ons en omtrent onszelf hebben erkend.
Een fantastische opvatting! Geen verwerpen van de dingen. Zeker, ik zou u enkele peroraties van de Meester kunnen geven, die niet mis zijn. Bijvoorbeeld als hij op een gegeven ogenblik uitroept:
“Allen, die elkaar bestrijden om de macht, zijn dwazen: Want ziet, zij binden zich aan lasten, die zij niet kunnen afwerpen. Zij willen zich voeden met hun eigen ondergang.” Het is begrijpelijk, dat de man boos wordt. Hij ziet hoe het spelletje van belangrijkheid en macht in de plaats komt van menselijkheid. Maar hij zegt er onmiddellijk na:
“Heb medelijden met degenen, die bezeten worden door hetgeen hen opvreet en vernietigt. Hij heeft medelijden met b.v. een politicus of met een generaal of met de mensen die bezeten worden door wat ze zijn. Misschien is dat wel het meest kentekenend voor alle Meesters. Zij hebben een onmetelijk en onbeperkt medelijden. Ze zijn niet degenen, die komen om te oordelen en te veroordelen. Ze zijn degenen, die duidelijk maken, die wakker roepen. De reden daarvoor meen ik in een van de uitspraken te hebben gevonden. Er wordt gezegd en ik citeer zo letterlijk mogelijk:
“Wij allen zijn één. Dat wat ziek is in de een, zal de ziekte van de ander zijn. Dat wat gezond wordt in de een, wordt de kracht tot genezing in de ander. Onze verbondenheden dwingen ons samen te gaan, want niemand van ons kan alleen staan in het aangezicht van de waarheid.” Hier wordt letterlijk gezegd: Wij kunnen niet zeggen; jij wel en ik niet; of: jij hebt ongelijk en ik heb gelijk; en dat is een ziekte en dat is iets wat ons aantast. Wij moeten eerder proberen elkaar te helpen om steeds beter te zijn. Niet proberen iedereen aan elkaar gelijk te maken, maar gewoon elkaar helpen steeds beter te zijn, elkaar te begrijpen, elkaar te helpen en te dragen. Niet omdat wij dan zo goed zijn, maar omdat alleen op die manier een harmonie tot stand komt, waardoor wij in onze harmonie met de mensheid tenslotte het licht kunnen aanvaarden.
Over mystiek heeft zowel de Meester als de Leraar uitspraken gedaan. Maar de Wereldleraar is misschien wel degene, die ik hier bij uitstek mag en moet citeren.
“Degene, die in het verliezen van de redelijke beperkingen de eenheid van de oneindigheid vindt, is te loven en te prijzen. Gelukkig is hij, want hij brengt een waarde voort die niet tot hemzelf beperkt blijft. Maar wee degene, die zich afsluit van de werkelijkheid en in zich een heil zoekt dat alleen voor hem bestaat. Hij stoot anderen af en belast hen met datgene wat hij in zich denkt te bereiken.
Een andere keer toen hij misschien liever wat schertste, maakte hij de volgende opmerking:
“De ware mysticus is de mens, die leert de wereld met zijn geest te omvamen, zonder haar te verlaten. De dwaze mysticus is degene, die denkt dat hij in zijn geest de wereld kan verlaten en daardoor voortdurend met de wereld in botsing komt.` De visie is helemaal niet van “trek je nu maar terug uit de werkelijkheid”. Mensen proberen wel eens te vertellen dat dat in het verleden. het geval is geweest; dat Jezus een totaal nieuwe werkelijkheid heeft geopenbaard. Dat was niet waar. Hij heeft een andere manier van leven geopenbaard. Maar die wijze van leven had alleen zin, indien ze in de wereld gebeurde. De mens, die zich terugtrok als anachoreet (kluizenaar), was zeker niet iemand die Jezus kon dienen. Zeker, terugtrekken om rust te vinden hebben alle Meesters wel gedaan. Jezus zo goed als de laatste. Zelfs Mohammed trok zich terug. Maar als ze dan weer terugkwamen, dan was het om met versterkte kracht te werken in de menselijke werkelijkheid. En dat is wat anderen wordt voorgehouden als begeerlijk en goed. De visie van de Wereldmeester en van de Wereldleraar omtrent het Al kan ook zeer interessant zijn. De Leraar stelt op een gegeven ogenblik:
“Daar de gehele kosmos de uitdrukking is van één wil en één wet, zal aan de samenhang van de delen van de kosmos het geheel van wil en wet kunnen worden afgelezen. Hij, die begrijpt, leest in de hemelen maar ook in de wateren, in de structuur van de aarde en in de groei van de planten dat wat op dit ogenblik de wet doet, wat zij veroorzaakt,”
De Meester bekijkt het wat milder. Soms lijkt haast of hij de Leraar van repliek wil dienen. Hij zegt
“Het is de liefde die alle dingen verbindt. Want zonder de wederkerige erkenning, het elkaar in evenwicht houden, kan er niets bestaan. En als de evenwichten verschuiven, zo zullen wij mee moeten verschuiven. Indien wij dit niet willen beseffen en gelijk willen blijven aan dat wat wij zijn, zo gaan wij ten onder aan de starheid waaronder wij gebukt gaan,”
De een zegt: er is een klok, waaraan je de toekomst kun kennen en waaraan nu de betekenis van het heden en van het verleden is af te lezen.
De ander zegt: dat is allemaal niet zo belangrijk, Belangrijk is dat je verandert. Want alleen in de verandering kun je voortdurend harmonie vinden, nooit in de blijvende gelijkvormigheid.
Ook de mens zelf wordt vooral door de Leraar nogal eens hevig aangevallen; iets wat voor ons van de Orde iets bekends heeft. Ook wij doen dat wel eens. De Leraar zegt, dat de mens in het najagen van hersenschimmen vergeet hoe hij moet leven. Hij stelt dat de mens, die een leer boven zichzelf stelt en zo zichzelf doodt voor de werkelijkheid, gevangen raakt in de spookbeelden van zijn illusies en in zijn koortsdromen datgene vernietigt wat hem dierbaar is. De Meester heeft ook voor de mens een wat andere instelling, wat milder misschien ook. Hij zegt, dat als de mens begrijpt dat alles van hemzelf moet uitgaan en dat niets, behalve de feiten waarin hij leeft en de feiten die hij in zichzelf erkent, een ware betekenis kan hebben voor zijn eigen ontwikkeling zowel als voor die van de wereld, hij voortdurend de kosmische wet zal uitdrukken op aarde en daardoor een verbondenheid met de hoogste kracht voortdurend in zich zal beleven, Want hij, die de wet uitdrukt, is één met de kracht die de wet tot stand brengt. Het is een verschillende benadering en misschien dat wij in deze eerste lering daarop toch wel de nadruk mogen leggen.
Het is al te gemakkelijk om alleen maar parallellen te zoeken. Ik kan u aantonen, dat wat er in de Upanisjaden geschreven staat, correspondeert met wat andere Meesters over de gehele wereld hebben verkondigd. En ik kan u verklaren waarom. Maar wat hebben wij aan deze parallellen, deze gelijkluidende betekenissen en instigaties, als wij ook niet begrijpen waar de verschillen liggen. Al te zeer zijn wij geneigd om eerbiedig uit te roepen: Hier is de Leraar en daar gaat de Meester! Hierbij moeten wij stilstaan. Maar wij moeten niet stilstaan en ondergaan en aanvaarden. De Meester is iemand waarmee wij ons voortdurend confronteren, niet iemand aan wie we ons zonder meer onderwerpen. Er moet een wisselwerking zijn tussen de kracht, die hij betekent en datgene wat wij zijn. Dan eerst is een ware harmonie, is er een beleven met begrip mogelijk.
De Leraar is niet iemand, die ons alleen maar de wetten opsomt of ons vertelt wat er verkeerd is. Hij is iemand, die ons confronteert met onszelf en ons dwingt goed en kwaad zelf voor ons te bepalen. Het zal u niet verbazen dat goed en kwaad termen zijn die beiden met aarzeling hanteren. Zo zegt de Leraar:
“Als men zegt: dit is kwaad, zo vraag ik u: waarom? Want kwaad is iets wat ge alleen in uzelf ervaart. Dat wat ge als kwaad ervaart is kwaad voor u, maar het kan goed zijn voor de ander. En dat wat ge goed noemt, kan een dodelijke lust betekenen voor anderen die het ondergaan.”
Hij stelt hier de relativiteit. Een relativiteit, die ook een heel grote rol heeft gespeeld in de leringen van de Orde in de laatste tijd. Het evenwicht tussen licht en duister wordt langzaam maar zeker het begrip dat licht en duister slechts de grenzen zijn van het waarneembare en dat het daartussen liggende gebied het geheel van ons besefsvermogen, ons begripsvermogen, ons daadvermogen bevat. Verder dat het oordeel dat wij stellen eigenlijk niet objectief is; dat het door onszelf wordt bepaald.
De Meester drukt het op de volgende wijze uit: In de wereld kun je maar op één manier zo leven dat je in jezelf weet: ik heb goed gedaan. En dit goede vind je bevestigd in jezelf en in het geluk, dat je hebt in het leven. Je kunt voor jezelf maar op één wijze waarlijk kwaad doen: dat is als je beseft ik heb hier verkeerd gedaan en jij je hierdoor ongelukkig of onzeker voelt in het leven. Andere maatstaven zijn er niet. De Schepper heeft alle mogelijkheden voortgebracht en alle mogelijkheden zijn de onze, als wij ze maar kunnen voegen in dat wat wij zijn en wat wij leven.
De mens is nu niet direct een prettig beestje. Wat de mens doet met geweld en met al die andere dingen is natuurlijk verwerpelijk.
De Wereldleraar stelt het als volgt:
De geest, die niet rijp is strijdt. De geest, die rijp is erkent harmonisch. De geest, die niet rijp is, voelt zich beperkt en vreest grenzen. De geest, die rijp is erkent haar eigen onbeperktheid van zijn en bekommert zich niet om de vormen, waarin het zijn tot uiting komt.”
De Meester zegt het op zijn manier:
“Zij, die geweld bedrijven, zijn de armen van deze wereld. Want ziet, zij moeten vernietigen om hun eigen bestaan te kunnen aanvaarden en zo vernietigen zij delen van zichzelf en daarmede de mogelijkheden voor hun eigen ontwikkeling in dit bestaan.” Hij maakt duidelijk dat geweld iets betreurenswaardigs is. Dat strijd en dood geen dingen zijn, die waarlijk behoeven te bestaan. Ze zijn dingen waaronder je lijdt, ook als je ze bedrijft tegen anderen.
In de uitspraken van de Wereldleraar komt reïncarnatie niet zo vaak naar voren. Maar de Meester vindt het op een gegeven ogenblik wel nodig om dit heel duidelijk te stellen:
“Velen roepen uit: slechts één keer leef ik? Maar ik zeg u, dat ge vele malen hebt geleefd. En wie zegt u dat ge niet zult terugkeren tot dezelfde problemen, werelden en vormen, die gij meent met de dood voorgoed achter u te laten?”
Dit duidt volgens mij zeer duidelijk op reïncarnatie, maar vooral op het probleem ervan. Het probleem is niet dat er reïncarnatie bestaat. Het probleem is wel dat wij niet in staat zijn ons te ontworstelen aan datgene wat ons tot de herhaling dwingt. Misschien is het volgende ook wel bedoeld als een aanduiding van reïncarnatie, ofschoon dat in de samenhang niet helemaal helder naar voren komt.
“Als ik roep, is er een echo. De echo herhaalt wat ik zeg. Is de echo mijn stem?”
Waar hij dit zegt in verband met daden en gedachten, krijg ik het gevoel dat hij hiermede wil zeggen: alles wat wij doen, keert tot ons terug. Het is niet allen maar de directe reflectie van wat wij zijn. En als hij dan zegt: `Hoe vele malen zal de echo zich herhalen,” dan kan hij volgens mij hier ook doelen op het feit, dat bepaalde instellingen en daden van ons zich voortdurend blijven herhalen, zodat ze steeds tot ons terugkeren en niet slechts eenmaal. Ik vind het werkelijk een opvallend verschijnsel dat deze Meester de herhaalbaarheid van het leven in vele van zijn redevoeringen en ook in zijn persoonlijk conversaties naar voren brengt. Het is alsof hij de wereld wil wakker schudden en wil zeggen: Je leeft niet maar één keer. Je hebt de tijd. Doe het liever goed dan dat je veel doet. Ik heb het gevoel dat dat wel juist is.
Misschien kan ik deze eerste les het best afronden door u te wijzen op persoonlijke ervaringen, die wij hebben gehad met de Wereldleraar en de Wereldmeester.
De Wereldleraar is een licht, een wit licht. Wat hij weergeeft is wel helder, scherp en klaar, maar het is alsof het te felle slagschaduwen veroorzaakt. Als ik daarentegen de uitstraling van de Meester zie, dan zou ik dit willen vergelijken met het zonlicht. Een gloed, die alles kleur geeft en alles a.h.w. nadrukkelijk nog eens zichzelf laat zijn. Wij hebben uit de aard der zaak met beiden te maken gehad. Zulke grote krachten treden op aarde niet op, zonder dat ook de geest voortdurend hun spoor volgt.
Machtige geesten in een stoffelijk voertuig. En toch, hoe verschillend. Fel licht: alleen maar duidelijkheid, verduidelijking, aansporing en openbaring. Het kenbaar maken van wat er is in al zijn details, in al zijn rijkdom. Wij vergeten maar al te snel de Leraar als wij de Meester volgen. En in vele gevallen zijn wij bang voor hetgeen de Meester ons onthult en dan beroepen wij ons op de Leraar om hem niet te volgen. Maar zijn beiden niet een onverbrekelijke eenheid? Is er niet altijd weer de ontwikkeling, waarin de voorloper a.h.w. de oorzaak wordt van het optreden van de Meester? Is er niet steeds de noodzaak van de voorloper, omdat de Meester zonder hem geen klankbord zou kunnen vinden?
Omdat er eerst uiting moet zijn gegeven aan de werkelijkheid van een tijd, voordat de wijsheid voor de komende tijden kan worden begrepen. De Wereldleraar is een voorloper. En wel een voorloper, die met een bijzondere helderheid en scherpte de mens confronteert met datgene wat hij zelf is en wat hij van zijn wereld heeft gemaakt. Als de Meester openbaart wat aanwezig is, zo constateert de Leraar datgene wat de mens is en kent.
“Gij zoekt naar bezit, naar rijkdom en aanzien. Gij zoekt naar alle dingen, die ge onmiddellijk kunt verliezen. Maar de ervaring, die in u is, acht ge niet en toch zeg ik u; de enige rijkdom, die ge waarlijk bezit is de rijkdom, die ge in uzelf draagt.”
“Gij vraagt mij: Hoe kunnen wij anderen dwingen om juist te handelen? Ik zeg u: Zo ge anderen dwingt, zo zult ge zelf niet in staat zijn juist te handelen.”
“Gij zegt altijd: Indien men mij een voorbeeld geeft, zo zal ik volgen. Daarom gaat de wereld niet vooruit. Want een ieder wil volgen. Maar waar is degene die wil voorgaan? Wil voorgaan ook in de nederigheid van het persoonlijke bestaan, zonder dat van anderen aan te tasten?”
“Gij denkt te bezitten. Gij meent rechten te bezitten op mensen (hij geeft voorbeelden als: mijn man; mijn vrouw, mijn kinderen, mijn bedienden enz.), maar ge kunt niet waarlijk een mens bezitten, zoals ge niet waarlijk een geloof kunt bezitten. Gij kunt slechts in u de erkenning daarvan bezitten en in die erkenning leven. Uw verlatenheid en armoede zijn uw werkelijke rijkdom want alleen zo zult ge waarlijk leven; niet eisende dat de wereld geeft, maar zijnde in de wereld en gevende, omdat het u een noodzaak is te geven.”
Ik meen, dat ik met deze inleidende beschouwing een schets heb gegeven van de Meester, maar vooral van de Leraar. Wij kunnen uit de aard der zaak in deze cursus niet, volstaan met alleen maar het opdreunen van citaten. In de volgende lessen zullen wij zeker verder moeten gaan met een poging de betekenis ervan voor onszelf te onderkennen.
Wij hebben geen behoefte aan een nieuwe godsdienst of een nieuw filosofisch systeem. Wij hebben behoefte aan een mogelijkheid om geconfronteerd met onszelf en met krachten die zijn een eigen weg te kiezen, onszelf te zijn, onszelf waar te maken op een wijze waardoor wij gelukkig kunnen zijn; dat wil zeggen in harmonie kunnen zijn met het leven, het levende en de totaliteit.

De tuin der vrijheid

Er was eens een paradijs. Een ieder kon gaan en staan waar hij wilde: De bomen en bloemen groeiden en bloeiden voor iedereen. Totdat er iemand kwam die zei: “Ach, de mooiste weg door deze tuin ken ik nu,” en hij begon een pad aan te leggen. Hij zette er een paar richtingborden bij, opdat iedereen kon zien welke kant hij moest uitgaan.
Toen kwam er een ander die zei: “Die man heeft gelijk. Dit is inderdaad de mooiste weg. Maar als anderen er nu zo tussendoor lopen, dan valt er iets van die schoonheid weg.” Dus zette hij op de grasvelden overal bordjes neer met “verboden te betreden”.
Toen kwam er weer iemand anders en die zei: “Ja maar, als iedereen nu maar achter elkaar alleen die schoonheid loopt te genieten, dan komen er zo ontzettend veel mensen” en hij zette dus aan het begin een bordje met “verboden toegang” en een eindje verder een huisje waar hij kaarten uitgaf,
Tenslotte kwam er iemand die zei; “Deze weg is niet de juiste” en hij legde een tweede pad aan. Vanaf dat ogenblik werd het een rommel in de Tuin der Vrijheid, Want omdat er twee paden waren in het paradijs, rukte men op beide paden (ieder had een eigen pad gekozen) alles uit wat in de buurt was om het de anderen naar het hoofd te gooien. En zo waren er geen bloemen meer, het grasveld was een modderpoel geworden en zelfs de bomen werden omgehakt voor de vervaardiging van knuppels waarmee men de anderen van het onjuiste pad kon verjagen.
Toen kwam het ogenblik, dat er alleen nog maar een zandloze vlakte was; een vlakte waar alleen maar rots was en verder niets. Geen plant, geen leven, geen vogel, niets. De wolken dreven nog wel voorbij, maar dat was dan ook precies alles. En toen de mensen daar stonden, zeiden zij: Nu weten wij eindelijk wat vrijheid is.
Vrijheid is de vrijheid om je eigen weg te kiezen. Elke mens heeft een eigen persoonlijkheid. Hij heeft een voorgeschiedenis, hij heeft een aantal droombeelden, verwachtingen, angsten en die maken uit wat voor hem het beste pad is. Wie kan dan in het paradijs van het bestaan ooit een pad afbakenen dat voor iedereen goed is? En wie zou het recht hebben in iets wat door de Schepper voor een ieder is gesteld eisen te gaan stellen aan degenen, die daar zouden willen binnentreden?
De wereld is een en al schoonheid. De mens begrijpt het niet en verknoeit het omdat hij de schoonheid een beetje wil verbeteren. De mens redeneert: Dit is een mooi landschap, dat moeten vele mensen zien. En hij hakt bomen om, die de schoonheid van het landschap hebben uitgemaakt om er een weg te maken. Dat is natuurlijk vanuit zijn standpunt wel aardig, want dan kan iedereen er doorheen rijden. Dat de schoonheid dan teloor is gegaan, zegt hem weinig.
Is het eigenlijk niet precies eender als wij kijken naar alle leerstellingen en alle esoterische ideeën? Er zijn grondwaarden, waaraan wij ons allemaal moeten houden. Bijvoorbeeld: Heb uw naaste lief. Ik vind het een fantastisch woord. Maar dan wordt dat liefhebben onmiddellijk beperkt en ingeperkt totdat de in een corset geregen naastenliefde tenslotte bijna barst van bloedarmoede. Wat is het resultaat? Je mag je naaste wel liefhebben, maar alleen indien hij je naaste is op een bepaalde wijze en alleen onder bepaalde omstandigheden; en de liefde moet dan vooral niet te handtastelijk worden. Wat blijft er dan nog over van liefde?
Je zegt tegen de mens: Alles wat op deze aarde gebeurt is Gods wil. Waarop je prompt begint alles te veranderen. Waarmee je dus tegen Gods wil ingaat! Ik geloof, dat de mens een beetje dwaas is, als hij aan de ene kant zegt dat God ons alles heeft opgelegd en dat Hij dit alles toelaat en aan de andere kant er tegen te keer gaat als de duivel in een wijwatervat.
Ik, voor mij geloof, dat de beelden, die ik u heb gegeven voor zichzelf spreken, dat zij duidelijk maken waaróm het gaat. Je bent jezelf. Je bent niet iemand anders. Je bent niet de appendix van iemand anders. Je bent niet het aanhangsel van een leer, van een dogma of van de een of andere meester. Je kunt zeker de weg gaan die de Boeddha of die Jezus is gegaan, maar je zult die weg zelf moeten lopen. Je kunt natuurlijk doordringen in de essenties van de hoge filosofie en van de oudheid, maar je zult ze zelf moeten verwerken. Je zult er je eigen leven mee moeten maken. Je kunt er eenvoudig niet omheen. En als je dan in deze moderne wereld probeert jezelf te zijn, dan stoot je onmiddellijk tegen de hele maatschappij.
Het is vreemd, zolang je midden in het gedrang in het gelid loopt, word je door de menigte voortgedragen. Maar op het ogenblik, dat je zegt: Dit is mijn weg niet, is iedereen plotseling bezig om je als een sta in de weg op te ruimen. En zou je soms het pad toch nog kunnen verlaten, ach; dan bots je tegen alles wat men heeft opgebouwd. Men zegt dan: Zie je wel, het is Gods wil niet dat je de massa verlaat. Maar die massa op zichzelf is de dwaasheid.
Wanneer een mens leeft, moet hij leven voor en vanuit zichzelf. Als hij samenwerkt met een ander, moet hij dat doen omdat hij zelf voelt dat dit voor hem zinvol is. Als hij iets maakt, moet hij het doen omdat het voor hem een bevrediging is het te maken. Hij heeft geen recht van een ander te eisen, maar ook een ander heeft geen recht iets van hem te eisen. Alles wat je geeft in de wereld moet vrijwillig gegeven zijn, zonder beperking, zonder voorbehoud als het even kan, maar in ieder geval vrij en vrijwillig. Wie zich de moeite getroost na te gaan wat er in de wereld nu feitelijk telt, komt tot de ontdekking dat het voor een groot gedeelte illusies zijn.
Er zijn mensen, die doodongelukkig zijn, omdat een bordje van hun goede servies is gebroken. Zijn die mensen eigenlijk geen dwazen!? Een.bord is iets wat je dient. Het kan daarbij schoonheid zijn, maar als je het zelf niet hebt gemaakt, zou je moeten zeggen: ik zal zelf iets beters proberen te maken; of: ik zal zoeken naar iets wat nog beter bij mij past. Treuren over datgene wat het verleden aan je heeft misdaan, maakt je nooit beter voor de toekomst. Vandaag leven. Werken met de middelen van vandaag en bouwen aan hetgeen je op dit moment ziet als goed voor morgen. Niet de problemen. oplossen voor het jaar 2000, maar voor morgen.
De mens zegt: we moeten toch “plannen” op lange termijn. Er moet toch in alles orde en regelmaat zijn. Maar zijn orde en regelmaat niet voldoende geschapen? Dacht u dat de sterren van hun baan zouden afwijken? De sterren trekken hun baan zoals die geschreven staat. De planeten wentelen in het tempo dat door de natuurwetten voor hen is vastgelegd, totdat ze misschien zich ineens in een ster storten en uitdoven. Die dingen zijn vastgesteld. Maar wat de mens heeft vastgesteld is vergankelijk. Wat gisteren was, is vandaag vergaan. Wat gisteren de grootste kennis was, is nu de belachelijke dwaasheid van voorouders. En zo gaat het met u. Zo gaat het met een ieder.
De tijd gaat verder. Wat je bent en meent te betekenen op een gegeven moment gaat voorbij. Is het dan niet veel belangrijker dat je aan jezelf werkt, aan het enige dat niet voorbijgaat? Is het niet veel belangrijker om zelf harmonie te vinden met de schepping, met God en met de totaliteit, dan op dit ogenblik er zorg voor te dragen dat de schijn van harmonie wordt gehandhaafd, totdat de een of andere treurige organisatie die illusie weer verbreekt? U moet doodgewoon leren leven!!
De Tuin der Vrijheid, waarin wij allen rondlopen, bestaat nog steeds. Het is nog steeds niet de barre, troosteloze woestenij geworden van alleen maar rots, waarboven nog een enkele wolk voorbij drijft. Er is wel degelijk nog sprake van een tuin van leven vol ervaringsmogelijkheden, vol mogelijkheden tot erkennen, tot doen. Moet je dan, omdat anderen paden hebben getekend gaan meedoen aan de nutteloze vernietigingsstrijd? Of kun je misschien een pad vinden dat iets terzijde loopt, waardoor je geen groot pad aanlegt waar iedereen je kan aanvallen, maar een plekje van schoonheid scheppen waar je misschien de planten, die door anderen zijn uitgerukt, toch weer kunt planten, zodat de schoonheid tenminste behouden blijft. Kun je de harmonieën niet opbouwen buiten de disharmonieën die er in de wereld bestaan?
Wie wil beginnen in de wereld zoals ze is, zal moeten werken met de middelen, die de wereld heeft, wordt gezegd. Maar dat wil niet zeggen, dat je werkt met de middelen, welke die wereld aanbeveelt of goedkeurt. Je moet werken met de middelen, welke er in die wereld bestaan, met de mogelijkheden die je bezit en die de wereld je biedt, maar verder ook niet.
Al deze dingen zo bekend als ze u in de oren moge klinken zijn inderdaad gebouwd op of ontleend aan hetgeen de Meester heeft gezegd. Hij probeert de mens duidelijk te maken, dat het geen zin heeft naar de tempel te gaan, als er in jezelf alleen maar een leegte gaapt, waarin geen God kan spreken. Hij probeert duidelijk te maken, dat de mens zelf de tempel is, waarin God aanwezig moet zijn; dat de mens de innerlijke kracht, het innerlijk besef en zijn vermogens met anderen moet delen. Hij zegt niet, dat de mens nu verder maar niet moet studeren, omdat het wel goed gaat. Maar hij zegt wel, dat de mens in de eerste plaats op zijn innerlijke kracht moet betrouwen en pas daarna, op de andere dingen.
Letterlijk werpt hij één van de leerlingen voor: ” Je wilt genezen met pillen. Maar heb je ooit de vrede in jezelf aangeroepen en je hand gelegd op een zieke en gezegd: genees? lndien dat niet helpt en je kunt geen andere weg vinden, gebruik dan je pillen, maar niet vóór die tijd.”
Ik geloof, dat daar zuiver de nadruk naar voren treedt, die voor ons noodzakelijk is, als wij de vrijheid willen vinden. Eerst wat in mij is en indien dat niets uithaalt, indien ik daarmee niet verder kom en ik moet anderen toch helpen, laat mij dan grijpen naar de middelen, die er dan nog zijn. Een kwestie die voor veel mensen misschien onaanvaardbaar is.
Iemand was eens druk bezig allerlei voorwerpen op te graven (potjes en pannetjes), laagje na laagje. De Wereldleraar komt daar voorbij. Hij bekijkt dat allemaal zo, praat met de man en vindt dat die man gelukkig is in zijn werk. Hij zegt: “U bent gelukkig, want u bent hiermee in harmonie.” “Ja,” zegt de man, “maar het belangrijke is dat ik hier het verleden blootleg.” “Neen,” zegt de Leraar, “het belangrijke is dat u uzelf hervindt in een verleden, maar belangrijk zal het eerst waarlijk zijn, indien u daardoor uw werkelijkheid vindt in het heden.”
Daarin zit nu precies wat ik wil zeggen met mijn verhaal over de Tuin der Vrijheid, over het paradijs dat wordt afgebroken, omdat de mensen paden willen maken. Wat ik wil zeggen over mensen, die aan de leiband lopen van een massa die ze voortstuwt (misschien wel gemakkelijk, want je behoeft zelf niet veel te lopen en vallen kun je haast niet), maar die juist daardoor voorbij gaan aan alles wat voor hen belangrijk is.
Als wij kosmische leringen willen begrijpen, dan moeten wij eerst beseffen dat het belangrijk is dat wij ze begrijpen. Niet dat de hele wereld weet wat die kosmische lering is, dat is niet belangrijk. Het is niet belangrijk dat leringen overal worden uitgedragen en dat iedereen er weer een nieuw boek van samenstelt en er weer op gaat zweren als zijnde het enige boek der waarheid. Het is belangrijk, dat wij in onszelf iets van die waarheid ontdekken en dat wij met die waarheid gaan leven en werken.
Het is vaak gemakkelijk te zeggen: zo staat het geschreven. Het is veel moeilijker te zeggen: hoe beleef ik het? Als alle mensen, die in de heilige boeken lezen zich eens niet zouden afvragen: wat staat er, wat zeggen de letters, wat zijn de woorden, wat zijn de uitleggingen en verklaringen, maar zouden zeggen: wat roept het in mij wakker? Zou het dan niet anders zijn? Ik geloof het wel.
Alles wat ik ontdek in de kosmos, is niet een kwestie van volgens ons denken organiseren, want er is al een organisatie. De kosmos zit al in elkaar. Die behoeven we niet in elkaar te timmeren. Maar het is uitvinden: waar pas ik in het geheel, zoals dit door de Kracht, die alles heeft voortgebracht, tot stand is gebracht. Wat is mijn plaats? Wat is mijn functie? Hoe kan ik harmonisch zijn met een zo groot mogelijk deel van de kosmos? Als we dat vinden, dan dwalen we misschien uit de massa. Wij zullen dan ons hoofd wel eens stoten en zeggen: de mensen reageren toch anders dan ik had gedacht. Maar aan de andere kant zullen wij in ons kracht vinden, harmonie vinden. Wij zullen gelukkig kunnen zijn ondanks alles. Dat zeggen de mensen dan: ondanks alles! Nu ben ik zo goed geweest en ze zijn slecht tegen mij. Maar die goedheid is mijn vreugde. Dat ik volgens mij goed ben geweest, dat is belangrijk. Niet wat die ander ervoor teruggeeft. Dat is hoogstens een bonus.
Er zijn meer van die dingen. Als je op een gegeven ogenblik wordt geconfronteerd met het leven, dan denk je wel eens: er zijn zoveel dingen, die voor mij niet mogelijk zijn. Want dit kan ik eigenlijk niet én dat kan ik niet betalen en dat andere zal nooit waar worden. Je dénkt het; en omdat je het denkt, begrens je inderdaad jezelf. Maar we weten ook dat er mensen zijn, die gewoon erkennen: dit is noodzakelijk, of dat is juist op dit ogenblik en die het dan maar doen. Het eigenaardige is, dat zolang die noodzaak bestaat het inderdaad plaatsvindt. Ze krijgen het geld dat ze nodig hebben. Ze krijgen de kracht die ze op dat moment nodig hebben. Ze krijgen het inzicht of de wetenschap op het juiste ogenblik. En dan zegt mens Ja, dat is het ingrijpen van de geest, dat is van God.
Als we ons houden aan de kosmische leringen, zoals ze in de laatste tijd gegeven zijn, moet je het anders zeggen: We zijn harmonisch geworden met de grotere kracht en daarom kunnen we blijven voortgaan op de wijze, die bij ons past. Op het ogenblik dat wij eisen stellen, valt alles weg. Op het ogenblik dat wij noodzaken erkennen en waarmaken, ook als de consequenties ervan misschien niet helemaal te overzien zijn of erger nog, als wij menen dat wij die consequenties niet kunnen dragen, dan is er altijd een uitweg.
De praktijk is eigenlijk doodeenvoudig. Als wij een harmonie weten te vinden met het heelal en in deze harmonie ons uitdrukken in de wereld waarin wij leven, dan zullen wij heus niet in die wereld alle vormen en verschijnselen zien in overeenstemming met wat wij willen, maar dan zullen wij het allemaal kunnen aanvaarden en verwerken; en wij zullen er beter van worden. Onze harmonie zal er door groeien; ze zal er niet door teniet gaan. Wij zullen niet verbitterd worden door onze mislukkingen, maar wijzer en tenslotte gelukkiger.
Als je dat gaat zien, dan ontstaat er als vanzelf een heel ander beeld van kosmos en leven. Daar waar ik harmonisch ben met een zo hoog mogelijke kracht zal het geluk, de waarheid, zoals ik die uitdruk ook een maximum bereiken. Echter niet in een continue toestand, want wij vergeten die harmonie wel eens en dan zeggen wij ook wel: Heer, als deze kelk aan mij voorbij kan gaan. Laat het a.u.b. niet gebeuren, maar Uw wil geschiede. Wij aanvaarden de harmonische drang als bepalend en het resultaat is dan een verheerlijking.
Wij zoeken naar contact met de mensen en als wij worden uitgescholden, zeggen we niet: Ach, wat vervelend, ik heb het zo goed bedoeld en nu gaan die mensen gooien. Dan zeg je: Waar heb ik gefaald? Dan kom je een volgende keer terug en er wordt weer naar je gegooid. En dan zeg je toch iets anders; en er gooien een paar minder. En later ontmoet je misschien dan iemand, die ook heeft gegooid met stenen, met rot fruit of met wat anders. Die persoon zegt dan: Ik heb daarover nagedacht. Mag ik nog iets meer daarvan weten. En dan zeg je: Ja, wat ik heb gedaan is de moeite waard. Het gaat niet om het antwoord dat ik krijg, maar het gaat erom dat er een harmonie is. Die harmonie is nu kennelijk ook in de ander ontstaan.
Misschien is de leer van de kosmos menselijk gezien een beetje hard. Ze kent niet zo die persoonlijke relaties. Ze zegt niet: ach, dat zijn twee zielen, die blijven van eeuwigheid tot amen bij elkaar. Ze zegt doodgewoon: kijk, dit is de harmonie en wat er in die harmonie bestaat, dat zal met elkaar verbonden zijn. Hoe en op welke manier daarover wordt niet gesproken. Het kan een heel ver flitsend contact zijn van alleen maar ideeën die overspringen. Het kan een kracht zijn, die misschien uit de ene sfeer naar een andere wordt overgeheveld. En het kan de meest intense menselijke binding zijn, die je je kunt voorstellen. Maar dat is niet bepalend. Bepalend is de harmonie; het andere is er alleen maar de uitdrukking van.
Op dezelfde manier sta je altijd weer te worstelen met het denkbeeld, de illusie ook als je je met die kosmische lering bezighoudt.
De hele wereld zit vol illusies. Alles is maya, begoocheling, waan! roepen de mensen uit. En dan zeggen anderen: Ja maar, hoe leef ik dan? Is dat dan misschien ook een illusie? Het antwoord is: het is voor mij werkelijkheid. En voor zover ik die werkelijkheid kan beïnvloeden door harmonisch te zijn, zal ik iets waarmaken. Het gaat er niet om, of de feiten zijn zoals ik ze zie, want dat kan niemand precies bepalen. Misschien zijn al die feiten voor een deel illusie, voor een ander deel een onveranderlijke eeuwige werkelijkheid. Maar de manier, waarop ik harmonisch ben, bepaalt hoe ik ze bleef en wat er voor mij uit voortkomt. En hoe groter mijn harmonie, hoe dichter ik als vanzelf naar de feitelijke waarheid, de kosmische waarheid wordt gebracht.
Iemand klaagde eens een keer. “Nu zijn er zoveel gezondenen en Meesters op de wereld geweest en ik heb er nooit één mogen ontmoeten.” Dat was in de sferen. Een ander hoorde dat en zei een beetje medelijdend: “Kerel, wat ben jij gelukkig!” “Wat, ik gelukkig!? En ik heb ze nooit ontmoet.” Toen antwoordde de ander: “Kijk eens, jij kunt harmonisch zijn zonder eerst achter iemand aan te lopen. Want het is geen verdienste, als je achter een geestelijke leider aankwispelt als de staart van een hond. Maar als je harmonisch bent en zijn denkbeelden, zijn besef kunt delen en daardoor de kosmische werkelijkheid nabij komt, dan heb je ook deel aan wat hij is, wat hij geweest is en wat hij zal zijn. Dan heb je deel aan een kosmische regel, een kosmische wet en een kosmische werkelijkheid zo goed als je deelhebt aan de wereld waarin je bestaat.”
Voor mij was dat een heel wijs antwoord. Het was wel geen antwoord van een Meester of een Leraar, maar het maakte mij een beetje duidelijk wat vrijheid eigenlijk is.
Vrijheid is het vermogen om harmonisch te zijn. Het is het bepalen van je eigen harmonie. Het is in jezelf zoeken naar de enige waarheid, die belangrijk is.
Als de mensen op die manier door de Tuin der Vrijheid wandelen, dan zal het soms op bepaalde plekken wel wat drukker zijn. Maar de tuin blijft bestaan en door de waardering, die men heeft voor de schoonheid ervan neemt de schoonheid overweldigend toe, totdat men de gezamenlijke verrukking kent van wat men een paradijs noemt en wat in wezen alleen de onderlinge vrede is, waardoor men de werkelijkheid besef van datgene waarin men vertoeft.

Weemoed

Als wij beperktheden zien en daardoor het gevoel hebben onze eigen kracht te verliezen door ons contact met de werkelijkheid, zo ontstaat er in ons een vreemde emotie, die wij weemoed noemen.
Het is geen werkelijke droefenis. Het is niet een werkelijk verwerpen of zich ontzeggen. Het is het haast aarzelend kennis nemen van een beperking, die voor ons gaat ontstaan.
Herfst is voor de mens vaak weemoed, omdat in de glorie van het rode blad en de langzaam opkomende nevels de zomer met haar rijkdom en warmte voorbij is. De mens wil de zomer vasthouden. Hij kan het niet. Daarom is hij weemoedig. Als wij dus weemoedig zijn, schrijven wij onszelf in feite een brief van onbekwaamheid uit.
Wij leven niet in het heden, maar trachten het verleden te herwinnen. Wie het verleden tracht te herwinnen, verliest de toekomst. Daarom moet de mens in het heden leven; en zo hij al een ogenblik weemoedig denkt aan wat is geweest, zo dient hij zijn gedachten te richten op wat kan zijn en vreugdig verwachtingen en krachten op te bouwen, opdat hij verder kan gaan naar wat voor hem morgen is.
Weemoed is een afscheid, dat je alleen kunt nemen van al wat voltooid is, maar niet van iets wat deel is van jezelf, deel schijnt te zijn geweest van jezelf. Het is niet een je ontzeggen van hetgeen voor jou werkelijk, mogelijk en noodzakelijk is. Dat kun je jezelf niet eens ontzeggen, dat wordt waar, dat is onveranderlijk. Er blijft alleen de emotionele illusie over, waardoor men zich onbewust haast onderwerpt aan dat wat men niet wenst.
Wie echter beseft wat voor hem belangrijk is, ziet niet terug. Hij zal de weemoed erkennen voor wat ze is: een rem, die het heden onmogelijk maakt. En hij zal in het heden weer de moed, de blijdschap, de levensvreugde en kracht vinden om morgen te maken tot iets dat is als een lente na de dorheid van winter en herfst.
Ik hoop, dat deze gedachtegang voor u bemoedigend is. Want de mens, die weemoedig is, geeft zich over aan gevoelens, die soms in al hun lichte treurnis aantrekkelijk zijn; maar die wanneer ze werkelijk voor je eigen leven tellen gelijktijdig betekenen, dat je in geestelijk opzicht insluimert of sterft.