De wereldmeester

4 januari 1959

 Er zijn een paar dingen veranderd en het lijkt mij daarom prettig voor u om het een en ander van de stellingen van de nieuwe wereldmeester te horen. Wanneer het u niet interesseert kunnen wij natuurlijk op de oude voet verdergaan.

De kwestie is n.l. deze: Wij hebben te maken met een moderne wereld, die zichzelf praktisch heeft vastgezet, heeft gevangengezet in haar opvattingen en gebruiken. Het resultaat is geweest, dat geen enkele leer onverschillig of het boeddhisme is of christendom of islam in staat is geweest ook maar een tiende van hetgeen de meesters indertijd geleerd hebben, werkelijk in praktijk te brengen. Het is misschien juist daarom, dat men de leer van de nieuwe meester als controversieel zal beschouwen. Maar er is geen feitelijke tegenstelling tussen de oude leer en de nieuwe. De nieuwe leer echter is gebaseerd op deze wereld. En wanneer u een krot opruimt, moet u eerst afbreken, voor u kunt gaan bouwen. Hetzelfde vinden we terug in de eerste nu openbare lezingen van de nieuwe gezondene.

Ik wil natuurlijk niet woord voor woord al die redevoeringen gaan herhalen. In de eerste plaats hebben wij daartoe de tijd niet. En in de tweede plaats, als het voor u noodzakelijk zou zijn al deze dingen woordelijk te horen, dan zou de meester wel in uw omgeving geboren zijn. Maar de hoofdlijnen menen wij u toch niet te mogen onthouden. Wij zullen dan ook in de loop van de komende jaren telkenmale, wanneer er iets belangrijks is, proberen dat punt op vereenvoudigde wijze naar voren te brengen en daarbij zullen wij natuurlijk ook trachten het aan te passen aan de westerse begrippen.

De leerstellingen tot nog toe verkondigd, zijn  eigenlijk deze. Wanneer een mens door zijn gewoonten en zijn eigen oordeel een gevangene wordt van zijn wereld, kan hij niet tot een werkelijke ontwikkeling komen. Om vrij te kunnen denken mag je niet belast zijn met duizenderlei oordelen en opvattingen, die niet uit je eigen wezen voortkomen. Jezelf te zijn is ook niet voldoende. Natuurlijk, het is prettig, wanneer je jezelf bent. Maar als je alleen maar jezelf bent, is er geen verbetering, geen vordering.

In de eerste plaats moet je alle doelstellingen van de oude tijd a.h.w. terzijde zetten. Er bestaan op de wereld geen slechte mensen en er bestaat op de wereld geen kwaad. Wanneer je kunt beginnen dit voor jezelf waar te maken, ben je al een aardig eind gevorderd. Want op het ogenblik, dat je voor jezelf geen kwaad meer kunt zien in de wereld, zul je al het goede in die wereld activeren.

Er is echter nog een tweede punt. In elke mens leeft een afzonderlijk bewustzijn. En dit bewustzijn is een directe openbaring van een goddelijke kracht. (Let wel, ik citeer hier dus even, wat de meester naar voren bracht.) Deze goddelijke kracht houdt zich niet bezig met een toekomstig leven of met het verleden. Zij is steeds het heden. Degenen, die zich te zeer bezighouden met wat eens geweest is of wat komen zal, een hiernamaals of een toekomstige wereld, zullen altijd tekort schieten, wanneer de goddelijke wil hun in het heden vraagt om op een bepaalde wijze te reageren en te handelen.

Daar mag ik dan wel enig commentaar op geven. Het leven-in-het-heden is iets, waar wijzelf ook al heel veel op hebben aangedrongen. Begrijpelijk. Wanneer u zich bezighoudt met morgen, zult u uw volledige aandacht niet aan vandaag kunnen geven. Maar wat vandaag gebeurt is uw volledige aandacht waard. Anders zoudt u niet leven en zouden deze gebeurtenissen voor u niet bestaan.

Wanneer je nu verder in je reacties op die wereld wordt beteugeld door je opvattingen van wat wel en wat niet mag in de wereld, kom je tot vreemde anomalieën, zoals bv. een mens met handschoenen aan op een zeer warme dag. “Het is onplezierig, maar desnoods doe ik nog een bontcape ook om, want dan zien de buren tenminste, dat ik deftig ben.” Of: “Wanneer ik er zo bij zou lopen, als ik mij prettig zou voelen, zou de wereld daarop iets te zeggen hebben.” Er is natuurlijk altijd een middenweg te vinden, maar hoe meer je gaat letten op wat de wereld van je verlangt, wat de wereld zegt, wat de wereld denkt, hoe kleiner de mogelijkheid is, dat je vrij bent om de aandacht aan je eigen zaken te besteden.

Ik vind het zeer logisch, dat de wereldmeester hierop de nadruk legt. Hij probeert ons allereerst wakker te schudden en eigenlijk te bewijzen, dat wij niets waard zijn. Hij vertelt daartoe o.a. de bekende gelijkenis van de twee mensen, die samen aan het wandelen zijn. Beiden dragen ze een bontjas. Dan zegt de een tegen de anders “Wat heb jij een mooie bontjas. De ander kijkt eens naar boven, ziet dat de zon warm begint te worden en zegt: “Draag jij die jas maar voor mij.” Waarop de eerste verder gaat met bewonderen en zegt: “Je hebt ook een mooie koffer.” “Ja,” antwoordt de ander, “die mag je ook hebben.
Draag jij die maar.” En zo gaat deze verder, tot hij alles, wat hem eigenlijk lastig was, aan die eerste heeft gegeven. Aan het einde van de wandeling is degene, die alles heeft gegeven, volledig fris en voelt zich prettig, opgewekt. De ander echter is doodmoe. En wanneer het dan tot het werken moet komen, waarvoor zij eigenlijk beiden zijn uitgegaan, kan degene, die weinig lasten heeft te dragen, veel beter werken dan de ander. Hij schiet veel beter op, hij is opgewekter, opgeruimder, heeft er meer plezier en meer vreugde in.

Wanneer zij teruggaan….is het koud. Nu denkt degene, die zo moe is geweest; Nu zal ik handig zijn. Hij zegt: “Ik heb zo net die jassen gedragen, nu mag jij ze dragen.” “Dat is goed,” zegt die ander, “maar je kunt je jas altijd terug krijgen.” “Je mag onze koffer met gereedschap ook dragen,” zegt de eerste weer. Dat is helemaal geen bezwaar, want de ander weet, dat het in de avond fris is. Nu loopt hij beladen en de eerste wil nu eenmaal handiger zijn en blijft daardoor kou lijden, waardoor hij met reumatiek en verkoudheid naar bed gaat, terwijl de ander, lekker warm thuisgekomen, eigenlijk voor zijn plezier nog een ommetje gaat maken.

Het is een verhaal, dat dan in een andere vorm wordt verteld. Maar het geeft enigszins het idee weer. En dan komen wij meteen aan het hoofdpunt van de leringen, die deze meester geeft; Wat is onze taak in de wereld? Dan vertelt hij dat als volgt:

“Toen de wereld geschapen word, toen alles ontstond in het heelal, schiep God daarmede een voertuig, een lichaam voor Zijn gedachten. Wij zijn een deel van dat voertuig. Het is onze taak niet binnen dat voertuig belangrijk te zijn, maar om de gedachten te vervullen, ommentwille waarvan het voertuig geschapen werd. De gedachte nu van de goddelijke Schepper, van de grote kosmische Kracht, is er in feite een van eenheid, van perfecte harmonie.”

Hier maakt hij ongetwijfeld ook beïnvloed door het land, waarin hij geboren is een vergelijking. “Elke goddelijke gedachte is een eenheid als het gebaar van een danser, die met het gehele lichaam een woord spreekt, waarbij zelfs elk kleinste gebaar de betekenis versterkt en de inhoud beter weergeeft.”

Op deze manier ziet de nieuwe wereldmeester het geheel van de wereld. Het is niet belangrijk of wij nu een vinger zijn of een teen, of dat wij ergens anders zitten in dat lichaam; het is alleen belangrijk, dat wij de gedachte uitdrukken. En deze gedachte Gods is het hooglied der eenheid, de perfecte liefde, die niet vragende, slechts gevend voor zover noodzakelijk in zich de vreugde der verbondenheid kent.

Dat heb ik dan even zo nauwkeurig mogelijk vertaald. Een leer, die dus wel heel erg dicht komt bij de christelijke, zo ze al niet identiek is daarmede. Het Koninkrijk der Hemelen wordt hier vervangen door de eenheid, waarin wij Gods wezen uitdrukken. Maar dat impliceert ook, dat op het ogenblik, dat wij dus beantwoorden aan die goddelijke wil, wij als het ware één zijn met God. Want zoals het lichaam perfect de gedachte uitdrukt bij de danser, zo drukt de schepping, wanneer ze harmonisch is met God, perfect Gods gedachte en Gods wil uit. En dan is er geen onderscheid meer tussen beide. Het enige verschil is misschien, dat de gedachte door zich te wijzigen een nieuwe toestand teweeg kan roepen in het lichaam. Maar beide zijn verknoopt, het lichaam volgt de gedachte. Verder zijn ze gelijk.

Onze wereldmeester is zeker niet vrij van kritiek. Hij heeft het o.a. het spijt mij, dat ik het moet zeggen nogal voorzien op bepaalde politici en industriëlen. En zoals Jezus eens tegen de farizeeërs tekeer ging “Gij witgepleisterde graven, buiten verblindend wit en van binnen vol van verderf” zo zegt de wereldmeester dit; “Men spreekt ons over idealen, maar de idealen zijn slechts de mantel, waarin de zelfzucht van enkelen zich verborgen heeft en ons leegzuigt als een spin een vlieg.”

Idealisme is niet uit den boze natuurlijk, maar het wordt misbruikt. En dat is het, wat de meester hier zeggen wil; Laat je niet verleiden de idealen van een ander na te streven, wanneer ze niet volkomen identiek zijn met je eigen idealen. Want zou je je kracht geven, omdat een ander iets moois heeft gezegd of een mooi idee heeft, dan zul je ontdekken, dat al je krachten in de idee van die ander worden uitgestort; en in vele gevallen is die ander ofwel onwetend ofwel egoïstisch, Het is niet je taak om het leven van een ander te leven, maar om je eigen leven te leven. Om je eigen begrip van de goddelijke wil zo sterk mogelijk tot uitdrukking te brengen.

Natuurlijk behoort er ook een zekere band te bestaan tussen de mensen en ook daarover heeft hij reeds iets gezegd. Ik zal het hier maar weer zo netjes mogelijk vertalen. “De mensen zijn velen en toch een, (Dat is eigenlijk hetzelfde als “het Koninkrijk Gods is in u allen.”) Wanneer mens spreekt tot mens, moet de eenheid daarin tot uiting komen. Wij dienen de mensheid niet ommentwille van de mensheid, maar slechts ommentwille van de eenheid, die daardoor in onszelf ontstaat. Wij hebben de mensheid lief, omdat de mensheid haten zou betekenen onszelf haten en verwerpen.”

Hij gaat dan verder met een hele serie voorbeelden en komt tot de conclusie; “Wanneer wij leven volgens de wet (hij bedoelt daarmede het ingeschapene) en de eenheid in onszelf kunnen ervaren, zullen wij de eenvoud kennen van de kinderen, van hen, die de wereld onwetend noemt. Want zij, die zich slechts in het genot van het kunstmatige kunnen bevrijden van de neerslachtigheid, die uit eenzaamheid geboren wordt, zij zullen nooit de werkelijkheid in de goddelijke schepping vinden. Wie de schoonheid kan zien in boom en struik, tot wie de zon spreekt en wie de geuren der aarde zelve een vreugde zijn, wie lachen kan, alleen omdat de zon schijnt, die leeft. De anderen, zij zijn gestorven zonder het te weten, nutteloze kristallen in het leven van de eeuwigheid.”

Ja, de taal is daar natuurlijk bloemrijker dan bij ons. En ik kan dat niet allemaal volkomen nuchter vertalen. Maar het idee is u misschien duidelijk. Hoe complexer de gedachtegangen worden, hoe meer van ons gaan, beroepen op filosofieën van buitengewone ingewikkeldheid, hoe meer wij onszelf denkers gaan noemen en ons voortdurend overgeven aan de raadselen zonder het feitelijke te aanvaarden en te genieten, hoe verder wij van God afstaan. Wij zouden het eigenlijk zo kunnen vertalen; De natuur is God of althans het beeld van God, dat wij kunnen ontvangen. Op het ogenblik, dat wij ons te ver van de natuur verwijderen, komen wij vanzelf terecht in een wereld vol van menselijke verwrongenheid en onvolmaaktheid en zullen wij nooit een werkelijke vrede of een werkelijk geluk kennen.

Dit zijn eigenlijk de voornaamste leringen, die reeds gebracht zijn. Er zijn nog wat voorspellingen bij genoemd, o.a.; “Gij, die uzelf groot noemt, beef, want gij zult vallen,” Daarmede bedoelt hij, dat degenen, die zichzelf verheffen ten koste van de gemeenschap, van de massa, dus zullen ondergaan door datgene, wat zij hebben opgeroepen. En zo spreekt hij ook op een ander ogenblik; “Hoed u wel van anderen te eisen. Want, vooral, wat ge eist, zult ge een duizendvoudige tol betalen.” Dus ook al weer; Geef nu niet je eigen belangrijkheid de nadruk door tegen de wereld te zeggen “ik heb recht hier of daar op.” Aanvaard, maar eis niet. Want, op het ogenblik dat je meent, dat iets je recht is, zul je het moeten handhaven. En het handhaven van een vermeend recht kost veel meer dan alles, wat je erdoor verwerven kunt, ooit waard is.

Uit het geheel van hetgeen ik nu gezegd heb, hebt u waarschijnlijk zo’n beetje een beeld kunnen vormen van wat die nieuwe wereldleraar op het ogenblik aan het doen is. Waarop is de maatschappij op het ogenblik gebouwd? Op wetten, op verdragen, op contracten, enz. enz. Op een precies stipuleren van de verhoudingen. Die is iets belangrijker dan gene en gene heeft weer wat minder te zeggen dan deze. En zo gaat het steeds verder. Alles is in hokjes en vakjes ingedeeld. Het geheel van het goddelijke Wezen als geopenbaard in de schepping is door de mens uit elkaar gehaald, gedemonteerd. Maar als je nu een motor uit elkaar haalt en je legt alle onderdelen in een apart vakje, dan heb je wel een motor, maar het ding, kan niet goed meer functioneren, het werkt niet meer. De eigenlijke kracht, waarvoor het geschapen is, bestaat niet meer. En de nieuwe wereldmeester begrijpt dit. Hij komt a.h.w. de wereld vertellen; Denk erom, je teveel specialiseren op dit of dat, je teveel richten op de verschillen der dingen, betekent alleen maar het leven zelf nutteloos maken. Dat betekent de zin van het leven weghalen. Je bent een geheel met de mensheid. En of die mensheid nu toevallig minister is of professor of putjesschepper, dat maakt niets uit. Elk deel van de mensheid hoort bij jou, Alleen met deze mensheid tezamen kun je functioneren, kun je de goddelijke wil vervullen en dus voor jezelf de vervulling, de volmaaktheid verkrijgen.

Precies hetzelfde is het met grenzen, enz. Het is alsof hij de wereld toeroept; Wat zijn jullie nu voor dwazen. Denken jullie nu, dat een door de politici getrokken lijn ergens over het landschap werkelijk een verschil uitmaakt tussen landen en volkeren? Ja, langzaam maar zeker hebben jullie die grens getrokken en steeds sterker doen opleven. Er is een verschil gekomen, dat er niet behoort, te zijn. Je hebt de functionele eenheid van de mensheid verbroken. Je hebt de ouderwetse clan en stamgeest van een ver verleden gecontinueerd tot in een tijd, die juist dit niet meer kan gebruiken, omdat men is toegegroeid naar de nieuwe tijd. De tijd, die op het ogenblik begonnen is, de tijd, waarin slechts de mensheid als eenheid iets kan bereiken, maar als eenheid dan ook een perfecte weerspiegeling kan zijn van de goddelijke openbaring in dit deel van de schepping.

Het zal natuurlijk heel veel mensen erg onplezierig in de oren klinken. Wanneer hij spreekt over “bankdirecteuren als huichelaars”, zijn er veel mensen, die onmiddellijk opspringen en zeggen; “Dat zijn de meest respectabele mensen, die er bestaan.” Maar als u begrijpt wat hij bedoelt, dan heeft hij toch weer een klein beetje gelijk. Want per slot van rekening, geld is eigenlijk iets wat niet bestaat. En elke transactie in geld is iets, wat dus in feite geen waarde heeft. Je kunt geld niet eten en je kunt er niet gelukkig mee zijn. Alleen zolang anderen geld als een ruilmiddel accepteren door er waarden aan toe te kennen, die het in feite niet bezit, kun je er wat mee doen.

En wanneer hij die bankdirecteuren aanvalt, dan doet hij dat niet als mensen, maar dan bedoelt hij alleen maar, dat dit systeem van vaste valuta’s (een gouden maatstaf, een gouden standaard e.d.) het functioneren van de mensheid niet bevordert, zoals men denkt, maar in feite verminkt. Want daardoor wordt een vraag geschapen naar veel dingen, die niet nodig zijn. Daardoor wordt een verschil gemaakt tussen arm en rijk, wat er niet behoort te bestaan. Het moet zijn; Wat de mens is bepaalt zijn plaats in de gemeenschap: niet wat een mens toevallig bezit of wat een mens aan krediet kan verwerven. Kijk, al die dingen zijn natuurlijk in een huidige maatschappij, die voor een groot gedeelte is opgebouwd uit krediet en de rest op afbetaling heeft, nu niet erg gezellig.

Wanneer er wordt gezegd van politieke partijen, dat ze voor een groot gedeelte bestaan uit dwazen en uitzuigers, dan is dat ook weer precies hetzelfde. Dan zeg je: “Ja:,. maar er zijn toch heel veel mensen, die het eerlijk bedoelen, die idealisten zijn.” Zeker, dat weet die wereldmeester ook wel. Maar wat hij bedoelt is dit: Wanneer je begint met op deze en gene manier beginselen te verdedigen, wordt het op de duur een exploiteren van de behoeften van mensen en een suggereren van bepaalde wensen aan de mensen om zodoende je eigen macht te bevestigen. En daardoor wordt niet alleen de eenheid van de mensheid verstoord, maar ook de vrijheid van de mensen beperkt. Dat is het, wat hij zo gevaarlijk vindt.

Ik mag misschien een van zijn eerste uitspraken hier nog citeren als een klein bewijs, dat wat ik hier zeg niet dwaas is,.. “Slechts de mens, die werkelijk vrij is, kan zijn God werkelijk dienen. Slechts wie zijn God werkelijk dient, zal aan zijn doel beantwoorden en de lichtende band met de Oneindigheid kennen.” Weer dat typische vrij en gelijk ook dienen. Per slot van rekening, alles wat ik moet geven is voor mij geen verdienste. Integendeel. Dat is een soort gif, dat aan mij vreet. Denkt u maar eens aan het ogenblik, dat u het belastingbiljet invult, dat u uw aanslag weer krijgt. Hoe bitter is dat eigenlijk niet, als je het goed bekijkt. Daar gaat weer zoveel geld voor niets. Er wordt een hoop goed mee gedaan, maar dat is zeker geen verdienste van u. Voor u is het een ergernis. Maar wanneer u op een gegeven ogenblik zegt: Daar is een instelling, die ik wil helpen of daar is een arme, die ik wil helpen en je geeft iets, dus voor een bepaald doel, dan is het een vreugde, dan is het een soort verdienste geworden. Maar op het ogenblik, dat ze zeggen; “Je moet het betalen,” zoals bv. in Rusland, is het weer een ergernis geworden.

Pas wanneer je vrij bent, dus zonder verplichtingen dient, kan die dienst voor jezelf een bewustwording, een vreugde, een grotere harmonie betekenen. En dat is de reden, waarom dus deze nieuwe wereldmeester al die gevestigde instanties aanvalt. Niet omdat hij die dingen op zichzelf nu zo verachtelijk vindt. Helemaal niet. Ook niet omdat hij meent, dat een ieder, die politicus is of iedereen, die in het bankwezen zit of ieder, die winkelier is, slecht is. Helemaal niet. Neen, hij bedoelt alleen maar dit te zeggen: Er zijn op een gegeven ogenblik dingen, die het ons beletten de profijten van onze eigen daden te plukken, omdat er een moeten, een dwang achter staat.

Dat zijn altijd dingen, waarmede de wereld in conflict zal zijn. De wereld kan dat niet aanvaarden. De wereld meent, dat er een dwang tot dienen moet bestaan, omdat anders deze maatschappij niet kan bestaan.

Waarbij ze dus niet de dienst zelve als een waarde rekent, maar alleen het product ervan en zoveel mogelijk producten van diensten wenst te krijgen. En dat is nu geestelijk precies het dwaze. Want in het product van een dienst ligt niets. Jezus heeft de apostelen de voeten gewassen. Dat was op dat ogenblik prettig, want ze waren moe en stoffig en waren ineens een eind opgefrist. Maar de volgende dag waren ze weer moe. De betekenis lag dan ook niet in het feit, dat die apostelen even schone voeten hadden en een beetje uitgerust waren, maar ze lag in het feit, dat Jezus vrijwillig a.h.w. de dienst bewees, dus dat hij zich bracht op een peil van verbondenheid met die apostelen, dat voordien misschien niet bereikt was, omdat er altijd nog de afstand meester en leerling bestond. En dat geldt voor alle dingen. Het dienen op zichzelf moet nooit gaan om de resultaten. Het moet gaan om het kunnen dienen. Dat is de werkelijke zin van het leven.

De nieuwe meester zal ongetwijfeld nog veel meer vertellen. Ik kan alleen al uit deze eerste reeks van toespraakjes en lezinkjes u wel degelijk zeggen, in welke richting hij zal gaan en wat zijn boodschap is, ook al kan ik die nog niet zo precies definiëren. Zijn boodschap tot de wereld zal zijn; Mens, leer vrij te zijn van verplichting; en leer dienen, omdat je je één voelt met de mensheid, vrijwillig, zonder dwang en zonder voor die diensten een vergoeding te eisen, al is het alleen maar waardering. Eerst zo zal de kosmische eenheid in het heden zozeer kunnen worden uitgedrukt, dat God onmiddellijk geopenbaard is in de materie, dat stof en geest tot eenheid worden, dat weten en scheppen enerzijds en aanvaarding van het Goddelijke anderzijds samenvloeien tot een perfect geheel, waarin de volledigheid van Gods schepping aan u wordt geopenbaard.

Er is eigenlijk niet veel, wat ik er verder over te zeggen heb, dus zal ik er het zwijgen aan toe doen. Maar u hebt misschien een beeld gekregen. Ik wil er alleen nog dit aan vast knopen; Wat deze wereldmeester, wereldleraar, brengt is niet alleen maar bestemd voor toekomende tijden. Het is zelfs niet iets, wat alleen maar met woorden aan de wereld wordt gebracht. Het is een soort essentiële verandering in de sfeer rond de wereld. U zult waarschijnlijk merken, wanneer u ook maar enigszins gevoelig bent voor die dingen, dat u enerzijds banden en verplichtingen gaat afwijzen, dat u anderzijds dingen gaat doen, die u helemaal niet behoeft te doen, alleen maar om daardoor een zekere band met de mensheid te scheppen, om daardoor een zekere dienstbaarheid aan de mensheid voor uzelf te ervaren als een deel-zijn van de wereld en een betekenis hebben in die wereld. Wanneer u dat nu ervaart, dan weet u, dat hetgeen wordt uitgesproken door de wereldmeester ook in u reeds actief is. Ik hoop, dat u daaruit kracht zult putten om en verleden en toekomst een beetje met rust te laten en daarvoor in de plaats het heden te maken tot een actief deelzijn van de wereld.

o-o-o-o-o

Wanneer wij dan over de nieuwe wereldleraar hebben gesproken, wanneer pas hele reeksen van sombere en minder sombere feiten omtrent de toekomstige ontwikkeling van de wereld u ter kennis zijn gebracht, dan wordt het erg moeilijk om weer in het platgetreden spoor der ethisch esoterische beschouwingen terug te komen. Je zou het misschien nog het best kunnen doen door middel van een soort gelijkenis. En dan wil ik mijn idee van een kosmische eenheid eens proberen in een gelijkenis neer te leggen, ook al heb ik dat tot nog toe meestal, maar aan de meer bekwamen, de meer begaafden overgelaten.

Er was eens een kapitein ter zee. Hij was zich zeer bewust van zijn rang en zijn stand. En hij was niet alleen in woorden maar ook in feite schipper naast God op zijn schip. En God? Nu ja, Die zette hij meestal in een hoekje, zodat het soms leek, of hij als een tweede Van der Dekken probeerde om stormwind en regenval, golfslag en zonneschijn te regeren. Wat natuurlijk niet lukte. Nu kwam het in die oude tijd wel eens voor, dat er een bepaalde ziekte aan boord heerste en die ziekte maakte dan heel veel slachtoffers.” Die ziekte aan boord was niet gevaarlijk (het was een soort beriberi), maar de een na de ander verzwakte en viel uit. De stokers stookten de ketels niet meer op, de machinisten smeerden niet meer, de bedienden kookten niet meer en maakten niet meer schoon en op het laatst stond de kapitein alleen op zijn schip. Nu kon hij wel proberen met het roer er wat richting in te houden, maar dat hielp hem niet. Hij dobberde op en neer op de golven als een speelbal.

Hij was eerst heel erg verontwaardigd. Hij zei tot zichzelf: “Wat is er nu machtiger dan een kapitein op zijn schip? Dit is geen schip meer, dit is een levenloze klomp metaal geworden.” Maar toen het weer wat begon te betrekken en het glas begon te vallen, zei hij tegen zichzelf; “Maar ik ben verantwoordelijk voor alles, wat hier aan boord is. Hoe kan ik daar nu iets aan doen?” Toen vond hij op het laatst een bootsman, die hoewel zwak toch nog in staat zou zijn het stuur te houden (het werd ten slotte bekrachtigd door een overbrengingsmachine), wanneer er maar voldoende vuur in de ketels was en voldoende stoom op de machine. En toen besloot die kapitein iets heel eigenaardigs te doen. Hij ging naar de machinekamer toe en zei tegen de zwakkelingen, die daar misschien strompelend nog probeerden iets van hun plicht te vervullen “Kom jongens, ik ga op de plaat.”

Daar was hij niet aan gewend. Voor een kapitein is het een gek gezicht om daar in zo’n vurige muil te staan scheppen, scheppen, totdat er niets meer over is. Maar langzaam aan kwam de stoomdruk omhoog. Langzaam aan was dat voorbeeld ook voor anderen een aansporing om het uiterste te doen. En al werden die machines misschien niet prima onderhouden en goed gesmeerd, zo hier en daar ging er toch nog wel een vetprop over en een oliekan en de zaak liep. De bootsman boven kon in ieder geval het schip met de kop op de golven houden en zo bleef het behouden. Maar als die kapitein teveel op zijn stand had gestaan of er niet over had gedacht, dat hij ook als stoker zou kunnen fungeren, dan was de zaak misgegaan.

God is niet alleen maar de Bestuurder van de schepping. Hij is ook een onderdeel van de schepping en gelijktijdig het totale denken ervan. En wanneer er ergens in de schepping een hiaat valt, staat God onmiddellijk klaar om dat hiaat op te vullen. Zelf. Al is het door als mens op een wereld te leven, of de intensiteit van Zijn gedachten tijdelijk in de benauwde engheid van een menselijk denken onder te brengen. God is de kapitein van een schip, dat mensheid heet en Hij moet die mensheid in een behouden haven voeren, omdat Hij als Schepper ook volledig verantwoordelijk is, dat alles de mogelijkheid krijgt een haven te bereiken. Op die manier wil ik dan eigenlijk het optreden zien van wereldleraren, van gezondenen, maar ook ons eigen werken. Want wanneer wij op een gegeven ogenblik zwaar de duvel erin hebben, nietwaar, dan zeggen we wel eens; “Alles loopt ons tegen. En waarom moeten wij nu altijd met die grote problemen zitten?” enz. Maar als we nu goed opletten en niet alleen maar met onszelf bezig blijven, dan zien wij soms, dat God voor ons die karweitjes opknapt, die wijzelf niet aankunnen.

Het is niet zo, dat alles precies gebeurt, zoals wij het zouden willen. Natuurlijk niet. Maar wij moeten eerst een zekere graad van ellende hebben, van werkelijk niet kunnen, van onvermogen, voordat God in plaats van ons net als een kapitein a.h.w. desnoods met de zweep aan te zetten tot werken, zegt; “Doe maar kalm aan. Ik zal je helpen. Ik doe het wel.” Of zelfs zegt; “Doe jij nu maar eens wat anders.” Wanneer je goed oplet, zul je ontdekken, dat wanneer er werkelijke nood bestaat, werkelijke behoefte, God nabij is en dat God voor ons doet, wat wijzelf niet kunnen.

Die kapitein van dat schip was nooit erg populair bij zijn bemanning, tot die ene vaart. (Wat ik vertel is een gelijkenis, maar het is ook historisch geweest. Alleen was het geen groot scheepje, hoor. Ik denk, dat het ongeveer 500 ton was.) En dan kun je je voorstellen, dat van af dat ogenblik iedereen van die bemanning volledig vertrouwde op de kapitein. Want ze zeiden; “Die ouwe van ons mag dan wel eens een grote bek opzetten en op een afstand blijven, maar als het er op aan komt staat hij achter je.” Nu was er in feite niets veranderd op dat schip en de stoker moest hard stoken, de bedienden moesten hard lopen en hard werken en door de matrozen moest er geschuurd worden en gedaan. Er was niets veranderd, behalve dat ene: Ze hadden vertrouwen in de kapitein en daardoor werkten ze met plezier, al was die kapitein nog net zo kortaf als vroeger. Een kwestie van vertrouwen.

Nu heb ik zo het idee, vrienden, dat het probleem dus eigenlijk ligt in onze manier van tegenover God te staan. Wij kunnen ons haast niet voorstellen, dat als wij morgen al is het maar een kamer moeten opruimen en wij kunnen werkelijk niet en het is werkelijk noodzakelijk God zorgt, dat die kamer wordt opgeruimd, al moet Hij daarvoor onverwacht in
de gedaante van een werkster onze kamer binnenzeilen. Geloof er niet aan, toch is het zo. Wanneer wij dat vertrouwen nu maar eens kunnen vinden op de grote Baas, de grote Schepper, dan denk ik, dat wij ook met meer vreugde onze eigen taken zullen volvoeren, niet meer omdat wij moeten, maar omdat wij het als noodzakelijk voelen, dat wij ons deel doen. En dat is nu de hele kwestie van alle esoterie volgens mij. Weten wat je taak is en die volvoeren.

De mensen denken: Esoterie is innerlijke eenzaamheid. Ja, ho maar. Alleen is het zeker niet voldoende. Al weet je de hele waarheid omtrent de hele schepping en alles wat erbij komt en je voert geen bliksem uit, wat is er dan veranderd? Niets. Helemaal niets. Het enige, wat er dan veranderd is, is je eigen verwaandheid, omdat je dan denkt verheven te zijn boven anderen. Maar op het ogenblik, dat je al wat je leert, al wat je ervaart in jezelf, omzet in daden, dat je metterdaad door het concept, dat je in je draagt, de wereld helpt herscheppen zo goed als je kunt, zodat ze steeds volmaakter wordt, dan is er wat gebeurd. En dat kun je alleen, als je werkelijk vertrouwt op de grote Baas, op de Schepper, de kapitein a.h.w. van de schepping.

En ja, als wij soms niet weten Wat Hij wil dat gebeurt op een schip ook wel eens dan moet je luisteren naar de telegraaf, of naar wat de boots vertelt of de stuur. Je kunt je bevelen op velerlei manieren krijgen. Het enige is; Leer ze als zodanig erkennen en doe het. Dat is voor ons de werkelijkheid. Het lijkt mij zo, dat je op geen enkele andere manier werkelijk gelukkig kunt zijn. Als je geen plaats hebt, nergens bij hoort, dan voel je je zo nutteloos, zo doelloos, Maar als je denkt, dat je iets doen kunt, geestelijk of stoffelijk, dan maakt het niet veel uit hoe je gelooft of hoe je denkt, wat je aanvaardt en wat je verwerpt. Als je ergens bijhoort, heb je oen doel in je leven. En wanneer je gelooft in die plaats, waar je bij hoort en van uit dat standpunt alles doet wat je kunt, dan heb je voor jezelf het geluk gevonden, de vrede en de tevredenheid ook. Dan heb je niets meer nodig.

Het klinkt misschien gek, wanneer ik het zo zeg, maar elke mens, die voortdurend met problemen loopt, die voortdurend alles wil uitpluizen van a tot z, elke mens die geen rust heeft om het goede te genieten weet u, dat zijn van die mensen, die krijgen een heerlijke pot op tafel, bv. snert en dan zijn ze niet gelukkig voor ze weten, hoeveel spliterwten erin zitten en hoeveel vlees en hoeveel krabjes en hoeveel beenderen er getrokken zijn, enz. Tegen die tijd is de soep koud en dan smaakt ze niet meer.

De mensen, die op die manier leven, zijn mensen die ongelukkig zijn en die op de een of andere manier nog niet voelen, dat ze erbij horen. Ze zoeken er vaak krampachtig naar en ze bereiken het niet; Dat komt, omdat ze in een verkeerde richting zoeken. Want zoals aan boord van een schip elke mens zijn vaste taak heeft, zijn vaste plek, waar hij moet zijn, een vast station a.h.w., waar hij aanwezig moet zijn als er gevaar is of wanneer er gemanoeuvreerd wordt, zo heeft elke mens – niet alleen in de maatschappij maar in het totaal van de tijd van de mensheid – zijn plek. Als je die plek gevonden hebt en je volbrengt daar, wat het bevel is van de Baas, niet vragend, waarom Hij manoeuvreert maar manoeuvrerend, dan is het goed en dan ben je gelukkig. Maar vergeet niet, dat op het ogenblik, dat de kajuitsjongen denkt, dat hij kapitein moet zijn, voordat hij een order uitvoert, omdat hij precies moet weten waarom die ouwe nu toevallig de koers 5 graden verlegt, dan zit het schip allang op de rotsen, voordat de kajuitsjongen er achter is, dat hij te stom is om er achter te komen, wat die ouwe nu precies bedoeld heeft.

En met deze kleine beschouwing wil ik dan mijn bijdrage maar gaan eindigen. Ik hoop niet, dat jullie vinden dat ik het te oppervlakkig heb gezegd. Wanneer je er even over nadenkt, zul je er achter komen, dat er veel waars in schuilt. Hoe vaak heb je in je leven je niet afgevraagd het hoe of het waarom? Hoe vaak heb je niet voor jezelf problemen gemaakt en daardoor ongelukken? In je is iets, wat zegt wat goed is. Handel daarnaar. En laat de rest aan God over, dan komt de zaak best voor elkaar.

0-0-0-0-0-0-0

DE SCHONE VORST

De schone vorst is gekomen, heeft het leven in de lucht gedood, zodat ze stil ligt en zwaar voor een wijle. De hemel is als lood zo grauw. Maar dan wordt feller, doordringend de kou en trekken de wolken weg. Als bevroren staat de hemel blauw en licht, lichter dan te voren.

De verstilling van de schone vorst ligt op woud en beemd. Het is alsof in die kille adem iets naar tekening, naar kristallen zweemt. En plots is ‘t al met witte rijm bedekt. Geen lijkwit maar een kleurenspel van wit kristal, waarin de vorm, de lijn, tot nieuw en ander leven wordt gewekt.

De schone vorst heeft dan een korte wijl de aard herschapen. Dan gaat zij voort. De schoonheid, weer gedoemd tot slapen, wacht op een lente en een nieuw ontwaken. Maar de herinnering blijft, De letter, die de schone vorst in de rijm soms op de bomen schrijft, blijft ons de naam van God.

Wanneer in de volheid van het bestaan soms de kille kracht komt kloppen, die zegt; “Het is gedaan, nu rusten en nu stille zijn, nu dragen lijden soms en pijn en vinden eigen nieuwe weg,” dan voelen wij dit als een dood. De hemel wordt ons grauw als lood. Een kilte neemt het hart gevangen.

Als een kristal van groot verlangen hangt de koude in je hart, kan de wolken weer verdrijven en kan pet lichte hand dan schrijven de lijnen van het leven, dat wat is geweest, dat wat werkelijk waarde had, dat wat zin en wat slechts voor een korte wijl wat lustigheid bezat.

Dan zie je de lijnen van het bestaan zo duidelijk kristallijn geschreven. Maar ‘t is nog koud, ontzettend kou. Je vreest soms, dat de kilte knaagt aan ‘t leven. Je voelt jezelf onmetelijk oud, Maar dat, wat als beeld je is gegeven, is een sleutel tot een nieuw bestaan.

“Gebroken is de waan, die eens je in ‘t bestaan heeft voortgejaagd. En daarvoor in de plaats blijft weten, dat je draagt….zelfs tot een andere wereld, ander leven. Want in de koude, schone vorst, werd je met enkele lijn omschreven de zin van het bestaan.

Uit lijden werd het leven je herboren. Dan kan het lente zijn. Verlaat de schone vorst je zijn, vergaat de kille nacht….herbloeit het leven, wetende, in schone, nieuwe pracht.

Dat is de zin van vorst. Tuchtmeester, die regeert het leven, maar ook je geeft het weten en de kracht om voort te streven tot in ‘t licht van God, waarin geen vorst bestaat, maar slechts een vreugde, die je langzaam met het Al versmelten laat, tot eeuwige lente is geboren.