De werkelijke grondslagen van het christendom

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 25

1 juli 1956

Wij hebben natuurlijk reeds vele malen niet direct geregistreerde en vastgelegde uitspraken van Jezus met U nader beschouwd. Maar er komt een ogenblik, dat het voor ons noodzakelijk wordt de leer van Jezus eerst in zijn geheel te beschouwen, waarna we dan misschien verder kunnen gaan met bepaalde aan wijziging van Jezus bijzondere inwijdingsleer verder naar voren te brengen.

Dit laatste zullen we ongetwijfeld eerst goed beginnen waar het een groot werk is wanneer de vakanties en de zomerse onrust weer een klein beetje achter de rug zijn. Op het ogenblik echter meen ik er goed aan te doen U juist de kern van het christendom, de ware kern, voor te leggen, opdat U in verloren uren misschien dit kunt overpeinzen, kunt nazoeken en daardoor Uzelf voorbereiden op de reeks lezingen, die daarop later gebaseerd worden.

In de eerste plaats moeten we goed begrijpen, dat Jezus werkelijke leer inderdaad een esoterische geheimleer was. Zij wordt niet weergegeven in de Evangeliën. Integendeel, Jezus spreekt tot de eenvoudigen altijd in gelijkenissen. En in de Evangeliën vinden we niet veel anders dan juist deze gelijkenissen plus een beschrijving van de wonderen, die Jezus heeft gedaan, de handelingen, die Hij heeft volbracht.

In het begin werd deze esoterische lering overgeleverd van priester tot priester; dat wil zeggen van oudste der gemeente tot oudste der gemeente. Wij zien dan tot ongeveer 400 na Chr. nog verschillende gemeenschappen, waarin deze esoterische leer bijzonder geldt. Daarna echter raken deze bijzondere inwijdingen op de achtergrond en zien wij, dat priester of bisschop worden een barrière is. Dat de prediking gebaseerd wordt op de letter van de schrift i.p.v. op de geest, die daarachter schuilt. Willen wij terugkeren tot een werkelijk christendom, dan zullen we ook wel degelijk moeten terugkeren tot deze grondslagen, waarop alles is gebouwd.

Het ligt niet in de bedoeling, om op het ogenblik deze leerstellingen te gaan weergeven als een door Jezus uitgesproken redevoering, of een weergave van verschillende gezegden, zoals U dat tot nog toe zo vaak van ons hebt gehoord. In de hoop, dat U ook dit van ons zult willen accepteren, hebben wij besloten om in de eerste plaats een korte samenvatting te geven van het grondprincipe en U daarna in aanraking te brengen met een spreker, die waar hij ook persoonlijk deze leringen heeft bijgewoond en zelve tot ingewijde of priester werd gekozen U ongetwijfeld meer kan vertellen over de speciale geest en achtergrond.

Jezus hele leer draait in de eerste plaats om de Algeest, om het scheppend Principe. En wanneer wij Zijn geheime leer na gaan, dan blijkt steeds weer, dat Jezus leert:

“Wij kunnen de Vader kennen noch begrijpen. Want Hij de Scheppende is het voor ons Onkenbare. Echter Zijn wezen en denken werd geuit. En deze uiting is de schepping, waarin we leven.

Uit al het geschapene treedt de Vader ons tegemoet, vol liefde, vol rechtvaardigheid. Wanneer wij dan ook spreken over de Vader, spreken wij niet over het voor ons Ongekende, maar over de scheppende Gedachte, die het ontstaan van al het zijnde tot stand bracht.”

De tendens om God te stellen als een persoonlijkheid is de mens aangeboren. Maar wij kunnen toch nooit het Werkelijke benaderen. Hoe wij dit ook trachten te doen, via geloof, via de weg der filosofie of der rede, telkenmale weer staan wij voor een blinde muur. Een muur, die ons geen doorgang laat. Wij kunnen eenvoudig niet verder komen, omdat het begrip van een God zó groot, dat Zijn gedachte de schepping is voor ons onvatbaar blijft.

Ik gebruik dit beeld van de muur, omdat het eens werd gebruikt door één van Jezus leerlingen, toen hij inwijdingsscholing gaf in Antiochië. “Want,” Zo zegde hij, “wij kunnen niet als eenling dóór deze muur gaan en de Vader kennen. Maar wij kunnen déél zijn van de muur. En dan vanuit dit standpunt God aan schouwen ook zonder. Hem te begrijpen. En in deze aanschouwing zal Zijn kracht geopenbaard in ons de totaliteit van Zijn denken althans voor ons duidelijk maken.”

Wanneer wij leven op aarde, wanneer wij leven in een sfeer of wereld, onverschillig waar, dan blijft voor ons steeds weer de moeilijkheid: Hoe kunnen wij de eenheid van het Goddelijke verenigen met het afgescheiden zijn van ons eigen wezen? Er moet hier een lering gevonden, worden, die ons in staat stelt juist deze grens te overwinnen, deze nauwe beperking van het “ik”, deze vervreemding van de Werkelijkheid. Jezus heeft dit simpel uitgedrukt in het “heb Uw naasten lief.” Maar wij kunnen niet zonder meer heel de wereld liefhebben. Wij zouden het misschien wel willen, maar er zijn nu eenmaal gebieden, waarvoor bij ons geen liefde mogelijk is. Wij kunnen liefde hebben vanuit de sfeer voor degenen, die in het duister leven. Maar wij kunnen niet de duistere sfeer, zelve liefhebben. Wij zijn in zekere zin eenzijdig. Vandaar “de naasten.”

Wanneer de christelijke lering – ook van heden ten dage – de naastenliefde stelt als de grondslag van het christendom, hebben ze gelijk, maar op een andere manier dan ze zich voorstellen. Er is geen sprake van een onderworpen zijn aan goddelijke Machten. Er is geen sprake van slaafs je laten voeren door de wil Gods. Er is sprake van een aanvaarden van de wereld. Je naaste is – zoals Jezus door een gelijkenis duidelijk heeft gemaakt – degene, die met ons in persoonlijke relatie en contact staat; degene, die voor ons iets betekent.

De gelijkenis van de man, die gewond werd langs de weg en de barmhartige Samaritaan, geeft dan ook maar een zeer beperkt beeld van de werkelijke betekenis. Onder “naaste” moet al dat gene worden verstaan, wat een actief deel heeft in ons leven.

Dat schijnt beperkend te zijn. Maar wanneer een mens of een geest actief deel heeft aan ons leven, dan kunnen wij daarmee een band vormen. Zoals eens de gewonde zich ongetwijfeld verbonden voelde met de Samaritaan, die goed voor hem was, zo voelen wij ons verbonden met al degenen, die ofwel van ons afhankelijk zijn, ofwel van wie wij afhankelijk zijn. En dit deel hebben is belangrijk. Want in de kern van de christelijke leer horen wij op een gegeven ogenblik de volgende verklaring:

“Wanneer ik deel heb aan een gedachte van een mens en ik begrijp deze volledig, dan ben ik deel van zijn wezen geworden. Door deel van deze mens te zijn zal ik alle verbindingen delen door de wereld, die deze mens bezit. Het is beter, dat ik in één mens werkelijk mijn naaste vind, dan dat ik heel de wereld mijn naaste “noem”. Want naarmate mijn bewustzijn zich uitbreidt, zal meer van de wereld voor mij geopenbaard zijn, zal ik meer van de goddelijke Gedachte in al het geschapene neergelegd in mijzelf kunnen realiseren. En zo, door de verschijnselen des levens tot deel van mijn bestaan te maken, niet mij daartegen verzettende, maar ze begrijpende en zolang ik een persoonlijkheid heb ze vormende naar mijn eigen persoonlijk inzicht, zal ik in staat zijn om tot God te gaan, tot de Vader, en van daaruit te komen tot de grote Werkelijkheid, die de eeuwigheid omspant.”

De naastenliefde alleen is natuurlijk niet voldoende om een gehele leerstelling op te baseren. Want Jezus leerde in Zijn tijd reeds, zoals ook vóór Hem menige school heeft geleerd, dat het voor ons noodzakelijk is ons te onthechten. Op het ogenblik, dat wij bepaalde delen van de schepping zien als ons bijzonder eigendom, als onze bijzondere zorg, onze bijzondere nood, dan worden wij hierdoor verblind voor de dingen, die verder rond ons bestaan. Wanneer men Hem vraagt: “Hoe moet ik U volgen?” zegt Hij: “Verlaat Uw huis, Uw vader, Uw moeder, Uw vrouw; geef Uw bezittingen weg aan de armen en volg Mij.”

Het lijkt een zeer extreme eis. Maar praktisch gezien, binnen de esoterische bewustwording, is ze zeer logisch. Want op het ogenblik, dat ik een huis hoger acht dan andere huizen, dat ik mijn ouders verhef boven andere mensen, dat ik mijn bezit rechtvaardig en verdedig tegen anderen, die geen bezit hebben, vervreemd ik mijzelf van de mensen. Jezus zegt niet: “Ge zult niet bezitten.” Hij zegt: “Gij zult niet meer bezitten dan noodzakelijk is.”

Hierover vinden wij dan ook meerdere commentaren, vooral in de eerste tijd na Jezus dood. En ook hieruit krijgen wij een na der inzicht in de werkelijke achtergrond van Jezus leer en bestaan:

“De Meester bezat vele dingen, die kostbaar zijn. Zijn kleed behoorde onder de gaven, die een vorst waardig zijn. En menigmaal noemde Hij Zijn eigendom voor een korte tijd….paleizen, groter dan de rijken bezaten. Maar dit bezit was slechts van Hem, zolang Hij het van node had. Hij was meester over het bezit en hier in de meerdere van de mens.”

Esoterie wil zeggen uiteindelijk: tot God gaan. Zeker, er zit een weg bij: de geheimen. Maar de kern van dit alles is eenheid met God. En die eenheid met God kunnen we alleen bereiken, wanneer we leren de middelen, die God ons geeft, te gebruiken; de vreugde, die God ons geeft, te genieten; de taak, die wij voor onszelf binnen het Goddelijke erkennen, te vervullen. Zonder te vragen. Zonder te menen, dat wat heden bestaat, ook morgen nog recht van bestaan zal hebben. Vandaar de leer van onthechting.

Men zou waarschijnlijk Jezus gehele leerstelling zeer kort en simpel kunnen samenvatten:

“Tracht je eigen wezen te vergroten, totdat het de wereld omvaamt en elke wereld, die je kent. Hoe meer je van de beelden der wereld kent, hoe duidelijker het je zal worden, hoe God de schepping wil. Streef er naar niets meer lief te hebben dan iets anders. Niets intenser te bezitten of te begeren dan iets anders. Wat je gegeven wordt, is een vreugde, die je moogt genieten. Maar datgene, wat je begeert ten koste van anderen of ten koste van mogelijkheden in jezelf, is schadelijk. Zo beheers het begeren, verwerp het bezit en ken slechts de vreugde van het bestaan.”

U zult zich afvragen, wat deze leefregels alle te maken hebben met het werkelijke grote geheim. Want dat Jezus een groot geheim heeft bezeten, is ons allen duidelijk. Hij was Zoon des Vaders. En zoals de Zoon in Zich de waarden draagt van de Vader, zo droeg wel degelijk Jezus in Zich een groot aantal waarden, die behoren tot het zuiver Goddelijke. Vanuit een aards, een stoffelijk standpunt mogen wij dus zeggen, dat Hij en de Vader… qua kwaliteit, qua mogelijkheid, qua inhoud één zijn.

Dit geldt slechts voor de wereld. De esoterie, die Jezus dan ook leert, is aangepast aan de behoeften van de wereld. Het is een vernieuwing van oude leerstellingen. Het is een weergave van gedachten en stellingen, die reeds lang tevoren door de 24 Boeddha’s zijn gebracht, die gefluisterd werden aan de wieg der mensheid en die zullen doorklinken, tot de laatste mens deze wereld verlaat.

De gedachte, die Hij brengt, is eeuwig, omdat zij uit de Vader voortkomt. En zij kan worden teruggebracht, ontdaan van alle franje, alle ritueel, tot de simpele woorden: “Wees één met hetgeen, waarin God U kenbaar wordt, en God zal één zijn met U.” Daarin ligt het grote geheim.

Ik hoop, dat het mij gelukt om mij hier duidelijk uit te drukken. Want het onderwerp heeft zo’n kleine omvang en zo’n grote diepte, dat ik soms vrees, dat woorden tekort zullen schieten om zuiver uit te drukken, wat ik hier bedoel.

Er wordt niet van U gevraagd, dat ge om Jezus te volgen of om tot God te gaan afstand zult doen in feite van al hetgeen ge bezit. Er wordt niet van U gevraagd, dat ge U uit het leven zult terugtrekken en in eenzaamheid en ascese een lange tijd leven. Er wordt slechts van U gevraagd, dat ge zult leren die dingen prijs te geven. Er wordt van U gevraagd niet te zéker te zijn van Uw vechten, van Uw bezit.

En ook dat heeft weer zijn redenen. Want voordat ik dit betoog beëindig en het woord overgeef aan iemand, die deze leringen ook persoonlijk heeft leren kennen en ook heeft verkondigd, zou ik U willen wijzen op consequenties:

Een mens moet kunnen bidden. Dat klinkt misschien dwaas. Bidden is zo kinderachtig. Bidden lijkt zo kinderlijk, een soort van gebedel aan kosmische krachten. Maar degenen, die dat zo bezien, zijn te modern in hun opvatting van het gebed, te oppervlakkig.

Bidden wil zeggen: een toestand in jezelf wekken, waarbij je zo veel mogelijk één bent met je Schepper. Bidden wil zeggen: je stem richten tot God en luisteren naar hetgeen Gods stem in je openbaart aan je wezen.

Wanneer dat gebeurt, dan wek je een zekere sfeer om jezelf. Maar U denkt, U overweegt, U contempleert, U mediteert een kort ogenblik en vraagt zich misschien af, waar de waarden des levens gelegen zijn. Wanneer ge dat intens doet en sterk, dan wekt ge rond U een sfeer, een uitstraling, een kracht, die andere krachten in de kosmos aantrekt.

Indien ge voorbeelden wilt hebben omtrent de mogelijke resultaten, zou ik U zeggen: “Denk aan de heiligen. De levens der heiligen, die de Katholieke kerk zo vaak beschrijft.” Hoe zien wij daar niet, dat mensen, juist wanneer zij in contemplatie en gebed verzonken zijn, onderworpen worden aan wat dáár heet “de duivelse list, de verleiding,” enz.

We zouden ook kunnen zeggen: “Dezen zijn gevoeliger geworden voor de krachten rond hen. En de sfeer, die ze in zichzelf wekken, doet hen doordringen in werelden, die liggen buiten de stoffelijke. Wie dan geen meester is van zijn begeerte, wie dan geen afstand kan doen van alle bezit, wordt het offer der demonen.”

Maar om tot God te gaan, om een werkelijke inwijding te bereiken, een esoterische bewustwording, moeten wij gaan tot in gebieden, die in onze eigen wereld en sfeer niet bekend zijn. Ons bewustzijn moet zich uitbreiden over groter wereld, over omvangrijker gebied. Wij moeten dichter komen tot het wezen niet slechts van de goede dingen, maar van alle dingen. En daarin ligt het gevaar.

Want zo het goed tot ons spreekt, kan het kwaad tot ons spreken. En indien wij niet meester zijn over onszelf, zullen wij door de beelden des kwaads verhinderd worden in de realisatie van het goede. Daarom… het verwerpen. Daarom… de onthechting. Daarom….de beheersing.

Indien ge dit alles wilt overdenken, zullen we U hiervoor zeer dankbaar zijn. Want wanneer onze Zondagochtenden meer en meer het karakter krijgen van een wijdingsbijeenkomst, zo willen we toch het cursuskarakter daaraan niet geheel ontnemen. De meesten onder U hebben lang genoeg toegehoord. Zij hebben genoeg leren kennen van mogelijkheden en meditaties.

Wij willen trachten ook in deze bijeenkomsten een vaste lijn te leggen, een lijn, die voert naar het ware christendom. En op dat ge U hier een zuiverder beeld van zult kunnen vormen, ga ik thans het woord overgeven aan een spreker, die uit eigen stoffelijke ervaring Jezus’ leer en de consequenties daarvan zal weer geven voor U, hopende dat wij hier gezamenlijk juist daardoor een mogelijkheid tot grotere bewustwording vinden, geest, zowel als stof.

o-o-o-o-o

God zij met U.

Het is lang geleden, dat ik heb getracht om de menselijke weergave te vinden van de kosmische gedachte, die de Meester ons heeft gelaten. De woorden komen moeilijk en zijn soms zwaar te kiezen. Maar de gedachte is helder en zuiver als op de eerste dag, toen ik het licht mocht ervaren, dat voortkomt uit de bevrijding van de geest, de bewuste eenheid van de ziel met haar Schepper.

Wij leerden gezamenlijk in meditatie, nadat offer en herdenkingsmaal voorbij waren gegaan. In de stilte van onze afgezonderde plaats van bijeenkomst werden de gedachten rustig en de ziel voelde zich bevrijd en roerde zacht de vlerken. Het is een vlucht van het eigen wezen, een vlucht niet van de schepping, maar tot de schepping, die de kern uitmaakt van alle waarlijk christelijke bewustwording.

Veel heb ik moeten prijsgeven om te kunnen komen tot deze beleving. Maar toen ik de leer aanvaardde, heb ik nooit meer de wijngaard mijns vaders betreden, noch mij laten verzorgen door de slaven, die in de weidse gebouwen van de villa een wens moesten voorkomen.

Afstand heb ik niet gedaan, omdat ik dit wenste of omdat het noodzakelijk was. Maar reeds toen ik als leerling mij had aangemeld, roerde mij een enkele uitspraak en beheerste mij voor mijn verdere stoffelijke leven: “Wat gij doet aan de minsten dezer, dat hebt gij Mij gedaan.”

Eenheid in de wereld, eenheid tussen de simpele slaaf en de Grootmeester der ethische krachten. Eenheid tussen de scheppende God en het onbetekenend schepsel, dat in de tijd des levens ver sterft reeds bij de geboorte. Hierin ligt het grote geheim van het allereerste bewustzijn: het weten, dat allen gelijk zijn, het weten, dat men niet één mens kan dienen of één God aanbidden zonder een verplichting tegenover de mensheid, een verbinding met alle Godheid op je te nemen.

De betekenis daarvan wordt scherper en scherper duidelijk, naarmate de lering voortgaat. Er mag geen grens bestaan. En, let wel, zelfs de scherpen en hartstochtelijken als de Paulus, die ik met brandende ogen en groots gebaar heb horen spreken, geladen met een hartstocht der bekering, kenden dit geheim:

Men mág niet zeggen “dit verwerp ik en dat aanvaard ik.” En Paulus zelve – verwerpende en aanvaardende in één zin zegde eens tot ons, een inwijding zoekende groep: “Oordelen moet, ik, want zonder oordeel kan de mensheid nooit tot de Meester komen. Maar oordelend, veroordeel ik mijzelf. En in de waarheid, die ik spreek voor de menigte, spreek ik de onwaarheid en onwaardigheid van mijn wezen.” Geen grens, geen band.

Wanneer de gelovigen, de deelhebbers aan Jezus nieuwe richting van leven, samenkwamen, zo bracht een ieder zijne spijze. Soms waren onze tafels arm, soms overladen met weelde van gerechten. En wij kwamen tezamen ter gedachtenis van Jezus, die met Zijn leerlingen aanzat. En ziet, al was gelijk. De bedelaar at als de rijke, en de rijke schuwde de spijze niet van de bedelaar.

Dit is de ware christelijke gedachte, dit is de achtergrond van heel ons leven. Dit is de weg van ons aller bewustwording. Dit is Jezus zelf, de Verlosser, die ons vrijmaakt van de beperkingen van ons eigen wezen. Geen onderscheid tussen mensen. Geen onderscheid in rang of stand. Geen rechten.

Wanneer in de groep der ingewijden de rijken en edelen, waar onder ook ik behoorde, werden aangesproken door de simpelen, de kinderen van een slaaf, zelf als slaaf geboren slaaf tot aan het einde hunner dagen, zeiden: “Broeder, ik bid U, doe mij deze dienst”, zo was dit onze plicht. En indien wij henzelf iets verzochten,… ook in hen leefde de ware vrede, waardoor zij in staat waren meer te vervullen en meer te schenken, dan een mens zich kan voorstellen.

Men moet Jezus leer en de achtergronden daarvan niet zien in een sfeer van mystiek denken. Men mag dit alles niet zien als een geloof, dat je in je hart draagt. Jezus weg is een wijze van leven. Het is een vol en een gelukkig leven. En gelijktijdig is het een afstand doen van veel, wat je in het begin smart. Het is een wijze van leven, die aangepast is aan de natuur. De natuur van de wereld en ook van de mens. Het is een weg, die ons kan voeren tot een eenheid met de wereld.

Geloof mij, die dit woord tot U richt: Voor de bewuste is de steen een zachtere rustplaats dan het donzen bed der onrechtvaardigen. De graankorrel meer voedsel dan het rijkste gerecht. Dit is de kern van al, wat ik geleerd heb, van wat ik beleef en wat ik geloof. Nu nog, na zo lange tijd:

Wanneer de geest in ons bewust is van de eenheid met de schepping, zal heel de schepping met ons zijn, niet ons dienend of ons beheersend, maar samen met ons gaande, zoals broeders en zusters gaan, elkaar steunend. Gezamenlijk lachend en spelend soms twistend maar altijd in eenheid, in harmonie.

Hoe kan ik met deze mond de woorden spreken, die in mijn ziel leven? Hoe kan ik U duidelijk maken, wat deze leringen betekenen? Ik wil U slechts enkele herinneringen geven en dan zal ik heengaan. Bewust, dat misschien onze zielen tot elkaar kunnen spreken, maar dat mijn persoonlijk wezen, in woorden uitgedrukt, voor u zijn betekenis reeds verliest:

In het begin is er een strijd. Het is niet eenvoudig om Jezus’ weg te gaan. Naarmate je doordringt achter de verhalen, achter de lessen, die gegeven worden aan de eenvoudigen, voel je meer weerstand in jezelf komen. Omdat je die wereld niet wilt prijsgeven. Omdat je het dwaasheid acht datgene te schenken, wat je zelf met moeite en rechtens hebt verworven. Je durft niet vertrouwen, omdat het je dwaasheid lijkt te betrouwen op krachten, die je niet kent, i.p.v. op de mogelijkheden, die je in jezelf meent te bezitten.

Maar naarmate je meer leert geven, meer leert overlaten aan het Goddelijke, meer leert je te bepalen tot een leven in het heden, het vervullen van Gods wil, zoals je die kent volgens je hoogste bewustzijn, wordt je wereld zonniger, wordt je leven gelukkiger, wordt de kracht in en rond je sterker en groter.

Het begin is als een enkele olielamp, gedragen in de flakkerende wind, nauw beschermd door de slaaf, die haar angstig verhult. Een schemer, die geen schrede weegs belichten kan. Maar het ontwaken na lang zoeken is als een zon, die de wereld dreigt te verteren, maar in je wezen een tintelende kracht wakker roept, waardoor je een intensiteit van geluk ervaart, waar van je niet wist, dat ze in het leven verborgen lag. Op aarde.

Op aarde, mijne zusteren en broederen. Niet in een hemel of sfeer. In een simpele, eenvoudige school. In ogenblikken, weggescholen misschien, voor de kwaadaardige vervolging der mensen. Een werkelijkheid, die gaat van paleizen tot hutten. Een werkelijkheid, die niet gedoofd kan worden. Dat betekent Jezus’ leer. Ze is de vrijheid van ons eigen wezen, anders kan ik U dit niet zeggen.

En nu ik tot U gesproken heb, kan ik slechts de wens uit drukken, dat ge U bewust zijt van de eenheid, die ook tussen ons bestaat. In de tijd scheiden ons vele jaren. In sfeer enkele graden van bewustzijn. Maar in wezen scheidt ons niets en zijn wij één, omdat wij deel zijn van God. En zo hebt gij recht tot mij te spreken, zoals ik recht heb U te vragen al, wat werkelijk noodzakelijk is, al wat niet berust op begeerte, maar op de waarheid van ons wezen.

Daarom zullen wij U bijstaan, waar wij kunnen. Niet omdat wij zo goed zijn, of omdat gij zo goed zijt, maar krachtens de eenheid, die God in ons heeft gelegd. De Heer behoude en behoede U.

POSITIEF DENKEN

In het zoeken, dat de wereld biedt, in het vluchten voor het niet, dat je steeds bedreigt, in het luisteren naar een stem uit het Al, die vaak nog zwijgt, word je gedwongen tot het denken, tot het vormen van een beeld, waarin je heel de wereld ziet.

Ziet, hoe het leven wordt gespeeld als kosmisch spel van vele waarden.

Door denken moet je eerst aanvaarden, al wat het leven biedt, moet je verwerken, wat het oog voor je ziet; moet je begrijpen als eenheid van krachten; al, wat zich rond je uit als machten van natuur, van de tijd.

En het voortsnellend uur moet voor U worden gedachte der eeuwigheid.

Een positief denken wil zeggen: erkennen in de wereld rond je, wat reeds in jou leeft.

En begrijpen, dat jij in de wereld slechts ziet datgene, waarnaar reeds je wezen al streeft.

Een positief denken is eenheid van leven, van streven en werken te allen tijd.

Omdat positief denken is puren uit ’t leven het middel tot de grootste strijd, het wapen, waarmee het “ik” wordt verwonnen, gemaakt wordt tot deel van ‘t ondeelbaar geheel tot deel van de God, bewust; en aanvaardend de waarden, die God in het leven ons geeft.

Positief denken wil zeggen: erkennen, waarheen in ons ‘t eigen wezen reeds streeft.

Eenheid van leven en eenheid van streven, ze zijn er een wonder, een wondere kracht.

Want in de eenheid van denken, de liefde der kosmos, worden wij tot eenheid teruggebracht.

Dan wordt ons Nirwana een veld van het leven, waarin het eigen “ik” niet meer streeft, maar de Schepper het leven en alle impulsen en krachten des levens voortdurend ons geeft.

Dan vinden wij vrede, einde van strijd, en vreugde daar leven, zo wonder intens, omdat we, herboren in ‘t goddelijk Leven, eerst binnen God zijn: de ware mens.