De werking van voertuigen

uit de cursus ‘ zelfverwerkelijking’ ( hoofdstuk 3 ) – december 1964

De mens, levend in zijn schijnwereld met zijn onvolledig inzicht en zijn eenzijdigheden, realiseert zich vaak al te weinig hoe zijn geestelijke voertuigen elk voor zich actief, elk voor zich een afzonderlijke betekenis hebben en — niet ten laatste — ook elk voor zich bijzondere effecten en resultaten in zijn leven tot stand brengt. Deze voertuigen, die algemeen worden omschreven als fijn stoffelijke etc., moeten in de eerste plaats worden gezien als een hoeveelheid kracht. De beste vergelijking is misschien een hoeveelheid warmte of een hoeveelheid electriciteit, die al iets stoffelijker is, maar voor ons als mens ook onzienlijk.
Deze kracht is door het gedachtepatroon gevormd; en dat wil voor de lagere voertuigen zeggen, dat ze ongeveer een lichamelijke vorm aannemen; voor de hogere voertuigen betekent dat over het algemeen dat zij een weerkaatsing vormen van de Straal, waarop iemand leeft, dus dat ze een bepaalde kleur hebben en daarbij ook een zekere hoeveelheid andere kwaliteiten kunnen vertonen, waaronder zijn: fluctuaties, verkleuringen, verloop van het schema, begrenzingen, uitstulpingen en wat dies meer zij.
Elk van deze voertuigen heeft nu ook in het normale dagelijkse leven een functie. En juist voor de mens, die in een wereld leeft, welke niet geheel reëel is, zal de functie van die voertuigen soms van buitengewoon groot belang zijn. Daarom zullen wij heden hieraan een ogenblik aandacht wijden en zou ik willen beginnen met te wijzen op de meest eenvoudige vormen, die men astraal voertuig, levenslichaam, mentaal lichaam e.d. pleegt te noemen.
Deze voertuigen hebben alle dit gemeen, dat zij een weerkaatsing zijn van de voorstelling, die men van zichzelf heeft. Dit impliceert dus dat de vorm, die wordt aangenomen, niet identiek is met de stoffelijke maar eerder een weerkaatsing is van het beeld, dat men van zichzelf in zich draagt. Soms betekent dit een betrekkelijk grote afwijking van de feitelijke werkelijkheid der materie en de vorm van het voertuig.
Deze voertuigen kunnen natuurlijk onderling op hun eigen vlak kracht uitwisselen. Zij kunnen op hun eigen vlak worden aangevallen, zich verdedigen, zelf aanvallen, zij kunnen grote schade lijden en misschien ook grote winsten behalen. Van een dergelijk voertuig kan worden gezegd dat het leeft in een wereld, waarin de gedachten niet alleen van het “ik” maar ook van anderen bepalend zijn.
Alle suggestieve invloeden, die wij van buitenaf ondergaan, zijn mede verwant aan het astraal gebied en lopen in hun beïnvloeding dan ook nog tot en met het mentale gebied. Deze invloed wordt voor werkelijkheid aangenomen. En hier ontstaat nu voor de mens in de stof dit eigenaardige verschijnsel:
Hij heeft van zichzelf een bepaalde voorstelling. Die voorstelling – en niet zijn werkelijk wezen – wordt geconfronteerd met de beelden, die door anderen zijn voortgebracht. De reactie op die beelden zal dus niet geschieden van uit een ogenblikkelijke werkelijkheid, maar van uit de voorstelling. Het gevolg is dat in het “ik” impulsen, gedachten, spontane beïnvloedingen, ja, zelfs inspiraties kunnen ontstaan, die voortvloeien uit een sterk vertekend beeld van het ego en een even sterk vertekend beeld van de kosmos of van de wereld. Het resultaat is, dat wij krachten kunnen ontlenen aan die voertuigen (de drie door mij genoemd), in overeenstemming met het wereldbeeld, waarin zij voor ons bestaan.
Een mens, die zich van het “ik” een voorstelling maakt als zijnde machteloos of onbelangrijk, zal nolens volens deze eigenschappen overdragen aan de vorm van zijn voertuigen in die werelden, welke met de stof verwant zijn. Door dit denkbeeld zal hij altijd ergens in het nadeel zijn tegenover andere krachten of denkbeelden. Nederigheid is goed, indien zij voortkomt uit een bewuste zelferkenning tegenover God. Zodra zij voortkomt uit een beoordeling van het ik” in vergelijking met anderen, is zij uit den boze. Deze vorm van nederigheid maakt ons ondergeschikt aan de denkbeelden (de geprojecteerde gedachten) van anderen en ontneemt ons dus ook de mogelijkheid om zelfs ons wezen door te zetten. Ik geef een klein voorbeeld van de mogelijke resultaten.
U heeft de vorm van nederigheid, waarbij u meent dat u ten opzichte van anderen niets waard bent. U heeft dit gebaseerd op een vergelijking van uw persoonlijkheid (of de voorstelling daarvan) met anderen of op de voorstelling van die anderen. Nu gaat u toch verder door het leven als een gewoon zelfbewust mens. U komt in de buurt van iemand, die een geringer geestelijke inhoud heeft dan u, die veel minder presteert dan u, die veel minder waarheid kan beseffen dan u. U zult nu die ander accepteren als meerwaarde; en wat meer is: u zult diens gedachten en elke beïnvloeding door hem die maar mogelijk is — onverschillig op welk terrein — zo sterk ondergaan, dat u zich in uw leven instinctief niet richt op uw eigen mogelijkheden en noodzaken maar op het beeld, dat door die ander is geprojecteerd.
Dit betekent, dat u, indien u wilt genezen, een tekort aan genezende kracht en mogelijkheden heeft of indien u wilt werken en daartoe capabel bent door deze suggestie uw kundigheden niet vertrouwt. Er ontstaat een lusteloosheid. U heeft geen moed om het werk aan te vangen. Het betekent verder, dat de werkelijke mogelijkheden, die u in het leven hebt evenals de occulte kwaliteiten die u bezit dus voor u altijd ver beneden de norm zullen blijven.
Ik hoop dat dit voorbeeld duidelijk maakt, hoe belangrijk het is om juist voor het “ik” een beeld op te bouwen, dat zo dicht mogelijk bij de waarheid ligt. Dit beeld kunnen wij nooit helemaal (ik herinner u aan de voorgaande les) in overeenstemming brengen met de feiten. Wij blijven de feiten interpreteren. Maar wij kunnen die interpretatie toch wel zo stellen, dat er althans een redelijke evenwichtigheid bestaat in het beeld, dat we van onszelf vormen. Daarvoor kunnen wij dan het best de volgende regels in acht nemen:
1. Ontken nimmer uw fouten, maar ook uw deugden niet. Wees ervan bewust, dat een ieder deugden en fouten heeft. Het is niet belangrijk, dat deze dingen in u bestaan; wel is belangrijk, dat u daarvan een voor u verantwoord gebruik maakt.
2. Elke mens is verbonden met een eeuwige Krachtbron. Theoretisch is daarom de kracht, die hij geestelijk kan uitoefenen, onbeperkt en zou zelfs lichamelijk een zeer grote, zoal niet oneindige kracht kunnen worden ontleend aan deze bron. Houd rekening met het feit, dat u op een krachtbron buiten of in u alleen in zoverre een beroep kunt doen, als u zelf gelooft in de mogelijkheid ervan.
3. Besef, dat de wereld weliswaar veel wijsheid heeft voortgebracht, maar dat wijsheid pas zin heeft, als ze in uw leven een directe plaats heeft en leefwijze. Alle wijsheid, die voor u niet praktisch bruikbaar is, is waardeloos. Door dit te stellen onttrekt men zich aan een suggestie van op zichzelf goede en fraaie stellingen, die echter door de aandacht daaraan geschonken het “ik” het onmogelijk zullen maken om zijn eigen meer juiste regels te volgen.
4. Al datgene, wat u denkt te kunnen, ligt binnen uw vermogen, Het falen in de materie moet worden erkend. Het betekent niet, dat de kracht of de mogelijkheid niet bestaat. Door op de meest juiste wijze voortdurend te experimenteren*) en daarbij uzelf niet vast te leggen met één enkele reeks experimenten maar deze desnoods jaarlijks of op korter termijn af te wisselen, zult u voor uzelf een zo juist en zo bewust mogelijk geestelijk leven produceren, met als gevolg een eveneens juiste en bewuste hantering van uw “ik” in de stof.
*) Als experiment zou ik willen noemen b.v. yoga, pogingen om helderhorendheid of helderziendheid te ontwikkelen, magnetiseren. Verder kunt u denken aan andere disciplines tot zelferkenning, zoals die in bepaalde loges en genootschappen gebruikelijk zijn. U kunt hier zelfs denken aan de zuiver religieuze disciplines van verschillende godsdiensten.
Wij hebben daarnaast een aantal voertuigen, die geen directe vorm meer kennen. Ik heb ze aangeduid als kleur hebbend volgens de Straal, waartoe men behoort met vele mogelijke varianten. Deze voertuigen nu zijn voor ons niet meer een directe bron van gedachten. Ze kunnen ons dus niet inspireren; en eventuele ontmoetingen van deze delen van het “ik” met andere delen van een levend wezen op ditzelfde niveau betekenen dan ook geen bewuste beïnvloeding of een beïnvloeding, die kan worden omgezet in een inspiratie of in woorden. Het blijft hier eerder een kwestie van kracht en krachtverhoudingen. Van deze voertuigen moet worden gesteld, dat — naarmate men meer zelfvertrouwen heeft, meer respect voor zichzelf en een grotere zelfkennis — hun licht a.h.w. stralender is. Dit is belangrijk. Als nl. het “ik” zichzelf niet erkent, als dit “ik” zichzelf minderwaardig acht of om enigerlei reden zichzelf verwijten maakt, dan zal de lichtende kracht, die in deze voertuigen van het hoogste belang is, afnemen. Wij kunnen dan de volgende vergelijking maken:
Als ik twee schijnwerpers heb, de een met geel en de ander met rood licht, dan zal indien de rode schijnwerper het felst is ook dat deel van de wereld, waarop het gele licht zich doet kennen, een rossige gloed krijgen. Wij krijgen te maken met een verandering van kleur en kleurwaarde. Naarmate het rode licht meer wordt getemperd, zal het gele licht aan heerschappij winnen. Is het gele licht echter constant helder en wel op zijn hoogste niveau, dan zal elke bron van rood licht zover worden onderdrukt, dat het karakter van het geel gehandhaafd blijft.
Indien u een dergelijk voertuig hebt en u straalt dit licht uit, dan kunt u onder invloed komen van andere, soms zeer grote en machtige entiteiten. Indien die entiteiten van Straal (dus van richting, van ontwikkeling) van u verschillen, dan kunnen zij uw leven overheersen, maar dan wordt u daardoor beïnvloed tot een gebruik of een hanteren van krachten op een wijze, die niet in overeenstemming is met de rest van uw wezen, want uw wezen is een geheel.
Wanneer in een bepaald deel een overheersing van een buiten liggende factor optreedt, dan hebben wij dus met iets te maken, dat met enige fantasie kan worden vergeleken met een infectieziekte. Hoe goed en hoe groot die ingrijpende kracht ook is, ze zal altijd een deel van onze eigen kracht, onze eigen vermogens wegnemen. Zij geeft daarvoor in de plaats wel vele impulsen, maar die zijn voor ons ook weer niet praktisch in te passen in onze bewustwording, in ons eigen leven. Dus mogen wij stellen: Zelfbewustzijn, vertrouwen in eigen wezen en in de rechtvaardigheid van eigen wezen — voor zover mogelijk — is van het hoogste belang. Alleen op deze wijze kan men bereiken dat de krachten, die met het “ik” harmonisch zijn, dit “ik” bevorderen en de levenskracht (dus indirect ook de mogelijkheden tot bewustwording op lager vlak) vergroten. Krachten, niet met ons wezen overeenstemmend en die ons beïnvloeden, kunnen ons nimmer verder bewust doen worden. Zij kunnen het ons slechts mogelijk maken een deel van onze energie te verspillen aan situaties, die voor ons niet belangrijk zijn. Wij komen in een waantoestand te verkeren; en deze toestand betekent, dat hetgeen wij nog aan energie bezitten wordt gericht op die bestrevingen en punten, welke in wezen van geen belang zijn. Dan kunnen wij hieraan nog een paar punten vastknopen. Onthoud:
1. Het “ik” vindt zijn meest juiste en snelste ontwikkeling en bewustwording slechts in overeenstemming met harmonische wezens en krachten. Daar, waar die harmonie niet aanwezig is, mag het “ik” onder geen beding door andere krachten worden gedomineerd.
2. Elke innerlijke harmonie en ook elk vertrouwen in het “ik” bevordert niet alleen de bewustwording maar vergroot ook de vermogens van de gehele persoonlijkheid. Daar juist de kracht van de hogere voertuigen, die wij nu bespreken, in het leven van groot belang is, kunnen wij hieruit concluderen dat handelend volgens boven gegeven artikel men komt tot een versterking van eigen vermogens op elk niveau, inhoudende: alle z.g. occulte gebieden, eigen levenskracht, grotere reserves, sneller reageren en ook vaak een aanmerkelijke versnelling van het denkproces.
Dan hebben wij daarboven een gebied, dat moeilijk te omschrijven is. Een deel van onze voertuigen bevindt zich in wat wij noemen de sfeer van wit licht. Deze sfeer van wit licht geeft ons praktisch alles en niets tegelijk. Alles voor zover het betekent: leven en energie. Alles vooral voor zover het betekent: contact met de werkelijkheid. Niets echter voor zover wij in de stof hieraan directe gedachten, denkbeelden, inspiraties e.d. willen ontlenen. Wij moeten bij deze hogere voertuigen goed onthouden, dat zij voor ons alleen actief, dus werkzaam zijn, indien de lagere voertuigen een voldoende mate van harmonie bezitten. Hoe groter de innerlijke vrede, de innerlijke rust of de harmonie van het “ik” met de omgeving is, des te sterker zal de uitdrukking worden van de hoogste kracht binnen het totaal van ons wezen. De hoogste kracht zal ons altijd bereiken door het hoogste voertuig, dat in ons wezen bewust actief kan zijn. Dat betekent dat deze voertuigen voor velen van minder belang zijn. Zij behoren tot een wereld, die zodanig vormloos is, dat het bewustzijn weigert deze in gedachten om te zetten. Verder, dat dit bewustzijn — en dat is misschien nog veel belangrijker — niet in staat is om zich daarop te richten. Het is hier een kwestie, die zelfs ligt achter de gevoelswaarde. Het is een vorm van zekerheid, die zelfs niet meer met een emotie, met een aanvoelen of een innerlijk weten alleen te verklaren is. Het zijn eenvoudig zekerheden. Van deze laatste factor kunnen wij alleen zeggen:
1. Naarmate de aanvaarding van het hoogste licht binnen het “ik” groter is, zal de activiteit en de energie van alle lagere voertuigen (inclusief het stoffelijke) eveneens groter zijn.
2. Naarmate het innerlijk vertrouwen en de innerlijke vrede groter zijn, zal een groter en juister begrip ontstaan omtrent de wereld waarin men leeft, het Al waaraan men deel heeft en de taak of mogelijkheden die men binnen dit Al bezit.
3. Wanneer de hogere voertuigen actief zijn, kan het “ik” in geen van zijn lagere voertuigen worden betrokken in een kringloop van hetzij hemel of hellewerelden, hetzij van waanwerelden of waantoestanden, die niet gelijktijdig een directe bevordering betekenen van het hogere bewustzijn van het “ik” en die wordt onderbroken op het ogenblik dat alle bewustzijnsmogelijkheden daarin zijn uitgeput.
Misschien vindt u dit alles een tikje abstract. Ik kan mij dat voorstellen. Maar als wij begrip willen hebben voor ons eigen wezen, als wij willen begrijpen, hoe wij ons kunnen aanpassen aan de wereld waarin wij leven, als wij willen beseffen wat onze betekenis is in het Al, dan zullen wij deze factoren van het “ik” toch zeker niet verwaarlozen. Wat meer is, wij zullen moeten leren — zelfs al kunnen wij ze grotendeels niet bewust beheersen — met het bestaan van deze voertuigen rekening te houden en met de kracht, die daaruit wordt geput.
Nu wij de voertuigen op zichzelf dus enigszins hebben omschreven en ook de mogelijkheden die eraan verbonden zijn, moeten wij trachten dit geheel te transponeren naar de stoffelijke wereld en daaraan voor de stoffelijke wereld een aantal conclusies te verbinden. Ik wil dan beginnen met een aantal regels te stellen, die ik u nog nader zal verklaren voor zover mij dat noodzakelijk lijkt.
1. Datgene, wat ik op het ogenblik als goed ervaar, is goed, ook als ik later moet beseffen dat een andere benadering volgens het nieuwe standpunt misschien beter zou zijn. Dus heeft het geen enkele zin spijt te hebben of berouw te koesteren over iets, dat men in het verleden heeft gedaan, mits men in dat verleden naar beste weten en bewustzijn handelde. Vermijd dus berouw.
2. In de materie hebben wij voortdurend behoefte aan kracht. Wij kunnen deze kracht verkrijgen door een beroep te doen op het hogere. We kunnen haar soms op ongedachte wijze uit onszelf putten. Indien wij op het ogenblik, dat wij actief zijn, overtuigd zijn van de noodzaak van de daarin gelegen mogelijkheden en vertrouwen hebben in de resultaten, zullen wij — naarmate wij intenser geconcentreerd zijn — over grotere kracht kunnen beschikken. Deze houdt ook in: vergroting van stoffelijk uithoudingsvermogen, vergroting van stoffelijk prestatievermogen, en voor velen een haast ondenkbaar snel en juist overzicht van een werkelijke situatie.
3. Doordat wij onze voertuigen baseren op een harmonie, die wij in onszelf en ook rond ons trachten te vinden of te scheppen, kunnen wij komen tot een steeds verder gaand begrip voor de wereld. Begrip voor de wereld schakelt de persoonlijke reactie steeds meer uit en stelt daarvoor in de plaats de feitelijke beoordeling. Wat overblijft wordt vaak omschreven als barmhartigheid; niet in de zin van medelijden maar van een delen van aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden in alles wat met het “ik” harmonisch is en van het vervullen in dit “ik” van alle functies (ook die van anderen) voor zover die als noodzakelijk worden gezien.
4. Dit punt is misschien wel het belangrijkste. In het stoffelijk denken is er altijd sprake van de factoren: winst, verlies en verplichting. Wil men komen tot een zo groot mogelijk gebruik van zijn geestelijke vermogens en krachten, dan zal men “winst en verlies” niet moeten tellen. Het begrip “verplichting” is voor ons tevens een begrip van harmonie. Zolang dus onze innerlijke harmonie in verband staat met het erkende of met de innerlijk aangegane verplichting, zullen wij door die verplichting te vervullen de juiste resultaten verkrijgen. Men kan geen contracten verbreken, geen overeenkomsten of zelfs maar menselijke plichten verwaarlozen, zonder zichzelf daardoor te schaden. Daar staat tegenover, dat bij de uitschakeling van het begrip “winst en verlies” (of zo u wilt: begeerte en angst) het “ik” kan komen tot een feilloos juiste beoordeling van de werkelijke betekenis van elk moment van leven. Dit is van het hoogste belang. En dan wil ik nog opmerken — en dit lijkt mij praktisch toch ook wel erg belangrijk — dat degene, die tracht verplichtingen te beoordelen in verband met zijn totaal besef, zelden of nooit erin zal slagen aan een verplichting werkelijk tegemoet te komen. Elke verplichting moet daarom worden gezien van uit het moment, waarop men leeft, handelt of denkt. Geen enkele verplichting blijft voortdurend gelijk. Sommige nemen in belangrijkheid toe, andere nemen af. Men kan dit het meest juist beoordelen door zijn ogenblikkelijke toestand en status zo nu en dan voor zichzelf te overwegen. Het zal u blijken, dat het begrip “verplichting” in dit geval zeer sterk parallel loopt met persoonlijke harmonie plus karma, ofwel oorzaak en gevolgwerking.
Hier heb ik dan een paar punten gegeven, die in de praktijk zijn uit te werken Ik zou dit willen afronden door erop te wijzen, dat ook in het gewone dagelijkse bestaan de mens voortdurend voor een keuze wordt gesteld. Wij menen heel vaak, dat die keuze onrechtvaardig of zwaar is. In wezen is zo dat niet. Want wij zullen — ook al willen wij dat niet toegeven — nimmer reageren volgens de werkelijke waarde van keuze, die wij uiterlijk zien. Wij zullen altijd reageren volgens ons innerlijk gevoel. Ons gevoelsleven regeert hier de rede. Wij moeten dus goed begrijpen, dat de gevoelsharmonie eigenlijk belangrijker is dan de harmonie van denkbeelden.
Wanneer wij in ons gevoel vrede, rust kennen, dan hebben wij daarmede het belangrijkst gedaan dat wij kunnen doen. Wij hebben nl. in alle vormkennende voertuigen een zeker begrip van kracht en zelfs van enige onaantastbaarheid geschapen. Dit zal ons ten goede komen bij elke ontmoeting met andere krachten. Daarnaast hebben wij door dit gevoel van vrede ook een mogelijkheid geschapen om uit die voertuigen, welke in de Straal (dus eigenlijk in de kleur) liggen, energieën en inspiraties te ontvangen, zonder dat deze ons in conflict brengen met onze redelijke beoordeling van wezen, toestand en wereld. En ten laatste hebben wij het ons hierdoor mogelijk gemaakt een beroep te doen op de allerhoogste kracht in ons. Het is betreurenswaardig te zien, hoeveel mensen hun bijzondere krachten en krachtreserves alleen dan aanboren, indien zij zich in een toestand van wanhoop bevinden. In deze toestand verwerpen zij de redelijkheid; en door dit verwerpen van de redelijkheid trekken zij inderdaad krachten aan uit hun eigen voertuigen en de werelden, waarmee zij verwant zijn. Maar gelijktijdig geven zij zichzelf prijs aan elke wel harmonische kracht, die zeker in de lagere drie sferen die ik heb genoemd aanwezig is.
Wij moeten leren voortdurend een beroep te doen op onze uiterste vermogens. Wij moeten voortdurend de moed hebben — en daarvoor is enige durf nodig — om van onszelf het uiterste te vergen. Wij moeten daarnaast altijd aan onze gevoelsargumenten — ook al beseffen wij misschien niet precies hoe zij tot stand komen — voldoende belangrijkheid toekennen om ons daardoor in onze beslissingen te laten leiden.
Een mens, wiens gemoedsleven verstoord is door beslissingen, die hij overigens verstandelijk denkt genomen te hebben, zal misschien later die harmonie krachtens zijn argumenten in zichzelf wel herwinnen, maar op het ogenblik, dat die toestand optreedt, is hij met zichzelf in strijd. Hij is kwetsbaar en wordt tot slachtoffer van elke kracht.
Ik heb u nu gesproken over al die voertuigen. Ik heb u gesproken over de harmonie. Voor menigeen zitten daarin nogal wat moeilijke en strijdige punten. Niet dat er sprake is van een feitelijke tegenstrijdigheid in de stellingen, maar voor het “ik” wordt b.v. het verstand vaak als erg belangrijk gewaardeerd. Ik kan mij dat alles voorstellen. Maar indien wij enig inzicht willen krijgen in de wijze, waarop onze persoonlijkheid werkt, dan zullen wij moeten beginnen met te accepteren dat onze voertuigen onder bepaalde omstandigheden een invloed op ons uitoefenen, die wij niet eens wensen. Dat onze actie, die stoffelijk gezien zo mooi en goed lijkt misschien, kan voeren tot precies het tegengestelde van wat wij beogen, omdat zij op enigerlei wijze niet strookt met hetgeen geestelijk belangrijk is. Het leven als een eenheid is moeilijk. Het is gemakkelijker om als mens uit te gaan van de stoffelijke redeneringen en zelfs van de stoffelijke vertekening van de werkelijkheid, waaraan u nu meestal gehecht bent. De vraag is alleen, of het verstandig is de gemakkelijkste weg te kiezen. Er is geen enkele reden een te moeilijke weg te kiezen. Heel vaak probeert men een berg te beklimmen, terwijl men door enkele schreden zijdelings te doen langs een gemakkelijke serpentineweg boven had kunnen komen. Maar wij mogen van onszelf ook niet verlangen, dat wij alles bereiken. Actie en inspanning zijn noodzakelijk. En wanneer men innerlijk zo tevreden is over de inspanningen die men doet, dan is dat in vele gevallen een teken, dat men zich niet voldoende inspant.
Hier zit waarschijnlijk weer in uw ogen een schijnbare strijdigheid. Tevredenheid komt echter voort uit de stoffelijke redenering. Men is tevreden over zijn inspanning, maar men is niet tevreden over de reactie van de wereld daarop. Die ontevredenheid heeft in wezen een eigen plaats, eigen mogelijkheid en eigen vermogens. Men projecteert dat naar buiten toe en zegt: “Maar ik doe toch mijn plicht. Ik doe toch genoeg.” Indien u zo denkt, moet u nog eens denken; want dan is de kans zeer groot dat u een groot deel van de strijdigheden in de wereld, van de onverdiende tegenslagen, van het onbegrip van de medemensen, de disharmonie met anderen, dat men die kan overwinnen door eerst zichzelf meer in te spannen. Eigen activiteit is noodzakelijk. En juist omdat ze zo noodzakelijk is, moeten wij er zeker van zijn dat wij actief zijn.
Nu kan ik mij voorstellen dat een activiteit, die steeds in dezelfde richting gaat, vervelend wordt. Maar er staat nergens dat u altijd hetzelfde moet doen. Een atleet, die zich oefent, zal afwisselend a.h.w. elk deel van zijn body in het bijzonder trainen door steeds de oefeningen die hij doet te wisselen.
Iemand, die geestelijk gebruik wil maken van zijn vermogens, die wil voorkomen door anderen te worden gedomineerd, moet zichzelf niet alleen voortdurend trainen, hij moet zich dus niet alleen inspanning getroosten, maar hij moet ook weten op welke manier dit moet gebeuren.
In dit tweede deel van de les wil ik trachten u een inzicht te geven in de manier, waarop dit het eenvoudigst kan geschieden.
In de eerste plaats zal elke training van de mens er één moeten zijn, waarbij het voorstellingsvermogen mede betrokken is. Het voorstellingsvermogen plus het emotioneel bestel (het onderbewustzijn) is nl. de band, die men heeft met zijn geestelijke voertuigen. En daarom stellen wij:
Het is belangrijk, dat wij steeds trachten op verschillende punten een zo volledig mogelijke voorstelling te bereiken. Wij nemen daarvoor afwisselend: contemplatieve oefeningen, waarin wij voor onszelf een beeld opbouwen en beschouwen; meditatieve oefeningen, waarin wij de ontwikkelingen van een beeld volgen en ten dele richten; en zuiver imaginaire oefeningen, waarin wij voor onszelf een beeld opbouwen en aan dit beeld een willekeurige waarde toekennen. Indien wij dit laatste doen, moeten wij het beeld ook weer afbreken.
Deze oefeningen brengen u er reeds toe om wat vlotter, wat minder stijf a.h.w. te reageren op de invloeden van buitenaf en de inwerkingen van uw voertuigen De voorstellingswereld wordt opengebroken. Maar dit is niet voldoende.
Daar het lichaam een voertuig is, dat ten slotte voor al die geestelijke voertuigen op het ogenblik van het hoogste belang is, is het noodzakelijk dat wij ook dat lichaam oefenen. Voor dat lichaam is belangrijk: levenskracht. Goed. Dan zullen wij ons — binnen de perken blijvend — in de eerste plaats enige ademhalingsoefeningen en wat beweging in de frisse lucht moeten permitteren.
In de tweede plaats zullen wij moeten voorkomen. dat dit lichaam door te grote gelijkvormigheid van activiteit (b.v. altijd zitten of altijd bukken) eigenlijk een beetje gepreconditioneerd wordt in één bepaalde richting. We zullen dus moeten nagaan wat wij het meest doen (wat wij van ons lichaam dus het minst gebruiken) en wij zullen moeten proberen om daartegenover een activiteit te stellen, waardoor wij die delen van het lichaam juist wel gebruiken.
Verder hebben wij — lichamelijk gezien — ook nodig een zekere vitaliteit. Die vitaliteit komt ten dele uit het prana, dus a.h.w. uit de lading lucht, die wij door de ademhalingsoefeningen binnen krijgen. Daarvoor bestaan er concentratieoefeningen. Concentratie op levenskracht kan dus ook, vooral na afloop van enkele lichamelijke oefeningen, bijzonder belangrijk en goed zijn. Ze kan ons tot een grotere vitaliteit en grotere prestatie brengen.
Dan moeten wij ons wel realiseren, dat aangezien geestelijk een herhalen van steeds hetzelfde niet goed is, dit ook lichamelijk waar is. Wij moeten trachten te voorkomen dat wij lichamelijk (of bij gebruik van occulte gaven dus ook bewust met geestelijke waarden) steeds hetzelfde doen. Wanneer u tien patiënten wilt behandelen in geestelijke genezing en u doet dat achter elkaar, dan zult u uzelf schaden en daarbij misschien uw patiënten tekort doen. U zult dit dus moeten afwisselen met andere activiteiten, andere oefeningen.
Als u helderziend waarneemt, dan moet u zich aanwennen op een bepaald ogenblik de waarneming af te breken en gewoon te kijken of misschien zelfs helemaal niet te kijken.
Als u helderhorend bent, dan moet u zich aanwennen om u op bepaalde ogenblikken daarop te concentreren en zo mogelijk daarvan gebruik te maken; maar op andere ogenblikken elke impuls te negeren en dit te beheersen. Door dit te doen bereikt u niet alleen maar een beheersing van gaven, u bereikt een grotere beheersing en daarmee een grotere evenwichtigheid van alle voertuigen.
Dan is het misschien ook belangrijk erop te wijzen, dat het denkvermogen van de mens door sommigen ook zeer eenzijdig wordt gebruikt. Sommigen gaan geheel op in geestelijke wijsheid. Wanneer u dat hebt gedaan, dan zult u het moeten afwisselen met iets anders. Om u een voorbeeld te geven: Studeer een uur Brunton, maar houdt u dan een uur bezig met Simon Carmiggelt, Agatha Christie e.d. Meen niet, dat die laatste tijd verspild is. Ontspanning is even belangrijk als inspanning. Wij kunnen alleen tot maximale prestatie komen, indien wij ook tot maximale ontspanning komen.
Dan wil ik nog erop wijzen, dat als u zo aan die dingen werkt, u soms een klein beetje in de war raakt. U gaat zich nl. afvragen. Is dit de moeite waard? U gaat sommige dingen overschatten en andere onderschatten. Ik geloof, dat we juist hier gebruik moeten maken van twee voor ons — zeker in het stoffelijk bestaan — even belangrijke waarden. De eerste is regelmaat en de tweede is inspiratie of gevoelsreactie.
Indien wij voor onszelf zeggen. “Wij mediteren elke dag tien minuten” en wij doen dat op dezelfde tijd, dan moeten wij dit volhouden. Maar ons gevoelselement mag bepalen, waarover wij mediteren. En niets belet u te mediteren over de Beatles in plaats van over het Witte Licht. U bent daarin niet alleen vrij, maar het is zelfs goed een dergelijke diversiteit te bereiken.
Wanneer u gebruik maakt van uw gaven, dan zult u soms innerlijk voelen dat het noodzakelijk is te reageren. Reageer dan op die noodzaak, maar tracht deze reactie a.h.w. over te brengen binnen het kader van uw normale schema. Wijk hiervan alleen af, indien de stoffelijke omstandigheden dit kennelijk noodzakelijk maken. Op deze manier bereikt u een begrip voor uzelf, dat met woorden niet gemakkelijk te omschrijven is. Want juist door deze afwisseling van regelmaat en diversiteit, door dit voortdurend ergens een beroep doen op de hoogste krachten in uzelf, door het bereiken van de maximale prestatie, die lichamelijk en geestelijk voor u mogelijk is en toch de ontspanning, gaat u de begrenzingen van het eigen “ik” beter leren kennen. En juist als u elk ogenblik dit beeld van het “ik” hernieuwd in u laat ontstaan, wordt het duidelijk waarom het “ik” bepaalde functies heeft en waarom in het leven bepaalde dingen onvermijdelijk zijn. U leert niet alleen vrede te hebben met dingen die stoffelijk misschien verzet wekken, of vrede te kennen ondanks geestelijke verschillen en strijdigheden, die u eigenlijk toch erg onaangenaam vond, maar u leert vóór alles zien dat uw eigen plaats en functie er niet een is van beslissende kracht, maar van het geven van het juiste element binnen het geheel. Zoals soms een instrument in een orkest een dissonant kan spelen, die op zichzelf dissonant is, en door de musicus als zodanig wordt ervaren, maar die toch voor het melodisch beeld van het totale orkest nodig is.
Wij moeten leren begrijpen, dat wij in een groot samenspel actief zijn. Zijn wij ons dit bewust, dan treedt die onaantastbaarheid op, waardoor wij niet van ons eigen wezen en van onze eigen weg vervreemd raken. Ik geloof wel, dat dit één van de meest belangrijke lessen is, die ik u kan geven.
Deze lessen moet u niet slechts bestuderen en niet alleen maar in praktijk brengen. Hier moet u ook oordelen van uit uw gevoel; en u moet voor uzelf uitmaken wat u werkelijk wilt, wat daarin voor u belangrijk is. Doe dat niet één keer. Herhaal dat b.v. elke week of elke maand, opdat u steeds weer voor uzelf kunt uitmaken wat op het ogenblik belangrijk is.
Degeen, die dit doet, zal ontdekken dat hij op den duur haast inspiratief de juiste mogelijkheden gebruikt en de juiste kansen grijpt. En het grijpen van wat men noemt “de juiste kansen in het leven” betekent in 9 van de 10 gevallen het juist afronden van een oorzaak en-gevolgsequentie, waardoor voor het “ik” een groter bewustzijn en een grotere vrijheid kan ontstaan.

Fantasiewereld en werkelijkheid

De fantasiewereld van de mens is gebaseerd op de tekorten van de werkelijkheid. Datgene, wat hij zich in zijn verbeelding voorstelt, is altijd de aanvulling van datgene, wat hij beleeft of de vervanging daarvan. Als zodanig is het zeer belangrijk, dat wij deze wereld van schijn, van gedachten of van dagdromen kunnen beschouwen als deel van een realiteit. Het is nl. wel degelijk reëel voor de persoon, die deze dingen beleeft. Hij tracht hiermede voor zich de tekorten van zijn eigen dagelijks bestaan op te heffen. Maar daarnaast zal hij ook vaak voor zichzelf stipuleren wat zijn werkelijke behoeften zijn. Het is meen ik belangrijk genoeg om hieraan enige aandacht te besteden.
Ik wil dan allereerst erop wijzen dat niet altijd datgene, wat in de fantasiewereld op de voorgrond wordt gezet, zijn eigen waarde of betekenis vertegenwoordigt. Zo zien wij bepaalde, soms bijna ziekelijke vervreemdingen, waarbij men zich b.v. een ander voorstelt. De man stelt zich voor, dat hij met een filmster is getrouwd, de vrouw dat zij met een filmheld is gehuwd.
Hier zou sprake kunnen zijn van een poging tot sublimatie; maar dat is niet waar. Het gaat hier niet om een ideaalbeeld van een onbekende vrouw of man. Het gaat zelfs niet om de tekorten van b.v. de eigen partner. Het gaat hier om het vinden van een wereld, die betekenis heeft, omdat in het eigen leven de gewoonte overheerst. Naarmate de gewoontevorming in het eigen bestaan sterker is, zullen wij meer personen zien optreden in het fantasieleven, die a.h.w. deze eentonigheid moeten vervangen of verbreken.
In de fantasie speelt vaak ook een zekere wraakzucht een rol. Wij kennen deze wraakzucht uit het kinderbestaan, waarin het kind b.v. droomt dat het doodziek wordt; dat het dood gaat door schuld van de ouders om hen daardoor te straffen voor de hardheid, die deze ouders tegenover het kind zouden hebben getoond, volgens de opvattingen van het kind. Maar toch is het wraakmotief vaak veel ingewikkelder. Wij zien b.v. dat iemand, die eigenlijk een op zich heel behoorlijk leven leidt, droomt van grote rijkdommen. En dan zult u zich afvragen, wat hier de motiverende factor is. Het is niet alleen de begeerte naar rijkdom, het is de behoefte om een gevoel van minderwaardigheid te compenseren door meerwaardigheid. De rijkdom komt a.h.w. in de plaats van een aangevoeld tekort aan prestatie en aanzien.
Deze fantasiewereld kent b.v. ook de geestelijke bereiking als een tegenstelling tot het dagelijks bestaan. En wij zien hier de mens, die b.v. droomt dat hij magiër is, dat hij dromen kan uitleggen, dat hij mensen kan genezen, dat hij demonen oproept, dat hij door magische handelingen het lot van de wereld in handen heeft. Degenen, die aan dergelijke dromen lijden, realiseren zich vaak niet waarom juist dit element in hun fantasiewereld zo sterk op de voorgrond treedt. En toch is het eenvoudig: zij voelen zich afgesneden van de wereld. Er is een isolement, dat ten dele misschien bestaat uit een gevoel van miskenning, maar aan de andere kant ook uit een zekere persoonlijke schroom, die niet zo gemakkelijk overwonnen wordt. Door nu aan het “ik” magisch occulte krachten toe te kennen en met deze krachten a.h.w. de wereld te regeren zegt de dromer tot zichzelf, dat hij wel meer waard is dan een ander en dat hij dus over een macht beschikt, waardoor hij niet tot de ander behoeft te gaan (hetgeen hem moeilijk valt), maar de ander dwingt om tot hem te komen.
Deze analyse kan natuurlijk met vele andere beelden worden aangevuld. Als illustratie is dit echter voldoende om aan te tonen, dat de droom (dus de illusie, de fantasie) niet alleen maar een eenvoudige droomwereld is. Het is ook niet slechts een compensatie van het heden, maar het is een poging om het “ik” te oriënteren op een wijze, waarop het aan zijn eigen problemen kan ontkomen met een minimum aan verandering en vaak ook een minimum aan moeite.
De interessantste gegevens vinden wij over het algemeen bij de mens, die bepaalde capaciteiten bezit en deze niet kan ontplooien. Wij hebben b.v. iemand met artistieke begaafdheden. Deze zal die begaafdheden in de praktijk niet gebruiken, maar hij droomt dat een tekening, een schilderij, een melodie of een klein geschrift van hem zal worden ontdekt en aan de wereld gegeven. Dit is niet alleen maar de behoefte zich te uiten, want deze mens probeert ook zichzelf te bevrijden van een soort vergrendeld zijn. En het is juist daarom, dat wij de fantasiewereld moeten beschouwen als zeer reëel. Het is een deur, die wij willen openen tot iets, wat feitelijk in ons bestaan. En de symbolen, teruggebracht tot hun werkelijke betekenis, geven aan waar wij ons kunnen ontwikkelen.
Het is zeer moeilijk hiervoor regels te geven, die onmiddellijk in de praktijk bruikbaar zijn. En ik kan mij ook voorstellen, dat menigeen onder u daarom dit onderwerp toch minder praktisch vindt. Indien wij echter willen weten, wat wij fantaseren, kunnen wij al heel wat verder komen; want de meeste mensen verloochenen hun dagdromen zelfs voor zichzelf.
Indien wij echter aannemen, dat die dromen een reële betekenis hebben, dan komen wij alweer een stap verder, omdat zij voor ons potenties, aangeven in hun diepste betekenis. En deze potentie kan worden omgezet in een realiteit. Vandaar dat bepaalde dagdromen en fantasieën op een gegeven ogenblik prognoses lijken,. want zij komen uit. Wel niet precies zo als wij ze gedroomd hebben, maar voor ons gevoelsleven, ons denkleven zo bevredigend, dat wij — de werkelijke inhoud van de fantasie vergetend — zeggen dat zij is uitgekomen, dat zij waar is geworden.
Hoe komt dat? Door die fantasiewereld wekken wij in onszelf bepaalde energieën op en aan de andere kant maken wij bepaalde remmingen los. Iemand, die in gedachten duizendmaal een bepaald gebaar heeft gemaakt of een bepaalde handeling heeft verricht, zal — wanneer de werkelijkheid een gelijksoortige situatie schept — dat gebaar gemakkelijk maken. Hier is de overeenkomst van een zuiver materiële werkelijkheid niet een in de fantasie reeds bestaande werkelijkheid onbeseft vaak zo groot, dat de mens — uitgaande van één punt van gelijkvormigheid — van daaruit komt tot verwerkelijking van zijn dagdromen. Dit is dus zijn eigen energie, die dit doet. Anders gezegd: hij verwerkelijkt alleen een mogelijkheid, die wel degelijk in hem bestaat; hij maakt waar wat in hem reeds lang sluimert. Hij brengt een innerlijke werkelijkheid naar buiten.
De wereld wordt door dergelijke fantasieën en dromen sterker geregeerd dan menigeen zich realiseert. Want als wij denken aan b.v. een Churchill en wij zien deze mens voor het eerst een loopbaan in het Lagerhuis aanvaarden, dan leeft in hem, de gedachte dat hij eens de man zal zijn, waarnaar iedereen luistert; die voor iedereen de gezaghebbende persoon is, de stuwende kracht van de staat. En of hij het weet of niet, hij heeft zijn gehele bestaan gericht op de verwezenlijking van die droom. Hij betrekt alles daarin: zijn vrienden, zijn bezigheden, ja, zelfs zijn ontspanning, later zijn schilderwerk. Ze geven uiting, aan deze behoefte om in zich een synthese te brengen, een centraal punt te worden. Op een andere manier vinden wij dat in de droom van de jonge artillerie officier Bonaparte, die later Napoleon I wordt. Ook deze droomt. Door zijn droom gestimuleerd en van uit zijn fantasie verder grijpend maakt hij dingen werkelijk, die zonder deze droom, zonder deze visie nooit zouden worden bereikt. Hetzelfde kan worden gezegd voor Herr Schickelgruber (Hitler) en voor vele anderen.
Het is curieus te zien hoe belangrijk de fantasiewereld kan zijn bij de vorming van een kind tot volwassene; te zien hoe de droom van een jonge mens, mits regelmatig gedroomd, vormend werkt voor zijn later leven en zijn reactie in vele omstandigheden bepaalt.
En dan moeten wij natuurlijk rekening houden met het feit, dat in die fantasiewereld de beperkingen van het normale bestaan afwezig zijn. Iemand droomt, dat hij bezit verwerft. Voor iemand, die binnen de maatschappij past, betekent dit nemen een sociale actie, het is een verwerven. Voor iemand, wiens moraliteit en sociale gevoelens minder ontwikkeld zijn, kan dit leiden tot een loopbaan als inbreker.
De behoefte te zijn echter, wordt in de droom het best uitgedrukt. De werkelijkheid van eigen wezen wordt — zij het omkleed met velerlei symbolen en schijnbaar niet ter zake doende voorstellingen — uit de fantasie geprojecteerd op de werkelijkheid. Er bestaat een bekend gezegde, dat stelt: “Eerst is de gedachte, uit de gedachte komt de overweging, de overweging voert tot de daad. Zo zal er geen daad zijn zonder gedachte”.
Een waarheid, die we ten dele kunnen bestrijden, gezien de ingeschapen erfelijke waarden van de mens: zijn instinctieve reacties. Maar van uit het standpunt van de fantasiewereld is zij wel bijzonder doeltreffend.
De actie naar buiten toe is vaak een wraak, omdat de wereld niet beantwoordt aan de fantasie. Geweld tegen anderen wordt vaker gebruikt, omdat men zichzelf en zijn eigen fantasiebeeld a.h.w. verloochent dan omdat men die ander werkelijk wil schaden. Een initiatief naar buiten toe komt het sterkst tot uiting, indien er eerst een droom is geweest, een fantasie, die dat verder heeft ontwikkeld. Het is de fantasiewereld, die gestalte geeft aan de werkelijkheid, want zij bepaalt welke wegen wij zullen inslaan.
Elk ogenblik in de tijd geeft ons een keuzemogelijkheid. En er zijn vele mogelijkheden. Wij kiezen daarvan er altijd één. En die ene, zeggen wij dan, wordt bepaald door ons karakter, door het noodlot dat wij ons, uit vroegere levens misschien ook op de hals hebben gehaald. Maar in wezen worden wij in onze keuze beïnvloed door onze fantasieën, onze dromen. De schijnwereld, waarmee wij de realiteit schijnen te compenseren, geeft ons gelijktijdig aan hoe wij zullen kiezen. Ge zult van uit een geestelijk standpunt kunnen zeggen: Zeg mij hoe de droomwereld, de fantasiewereld van deze mens is en ik kan u zeggen wat hij zal worden. En dat is veelal waar, zo niet altijd.
Werkelijkheid en fantasie zijn dus niet twee verschillende werelden. Wij zouden kunnen zeggen, dat de fantasiewereld de embryonale gestalte is van morgen, van de komende werkelijkheid.
Gedachten zijn krachten. Een bekende slagzin, die zeer veel wordt gebruikt. Een slagzin, die ongetwijfeld gebaseerd op de gedachtenuitstraling en een voldoende validiteit bezit. Maar voeg hier nu bij: de gedachte is de weergave van de fantasiewereld, van de droomwereld en deze vormt de werkelijkheid, dan kunnen wij daaraan nog toevoegen, dat niet alleen anderen door de gedachtenkracht worden beïnvloed, maar dat de mens met de kracht van zijn voorstellingsleven zichzelf vormt en vervormt.
Er is geen wonder onmogelijk. Dat is tot op zekere hoogte waar. Slechts indien het wonder niet meer aanvaardbaar is voor het “ik”, zal het niet kunnen geschieden. Maar als in de fantasiewereld het wonder duizendmaal is beleefd, heeft het “ik” daarvoor geestelijk maar ook lichamelijk de voorwaarden geschapen, waardoor het wonder kan worden verwezenlijk. Wanneer de mens bepaalde dingen verstandelijk onmogelijk acht en hij droomt er voortdurend van dat zij waar zullen worden, dan zal hij altijd op den duur deze dingen verwezenlijken. Dit klinkt misschien fantastisch, krankzinnig, maar ik wil u een klein voorbeeld ervan geven.
Iemand droomt in zijn fantasie voortdurend dat hij de hoofdprijs in een loterij trekt. Zozeer, dat hij daarmee voortdurend is vervlochten. Dan zal er elke keer toch een niet uitkomen. Hij trekt dus een niet winnend lot en zijn droom gaat niet verder. Laat hij zich daardoor beïnvloeden, dan kunnen wij zeggen dat de actie ophoudt. Maar stel, dat hij verdergaat. Wat ontstaat er dan?, Een steeds groter wordende geestelijke affiniteit voor winst of voor wat u kunt noemen: een winnend nummer of een winnende mogelijkheid. Het resultaat is, dat die mens steeds meer wordt getrokken naar deze winst en deze winnende mogelijkheid. Er zijn mensen, die zo sterk de zekerheid hebben dat het goed zal gaan, dat zij daardoor een prijs krijgen. En dan mogen wij niet aannemen dat het direct de hoofdprijs zal zijn misschien, maar het zal steeds een grotere prijs worden. Er zijn mensen, die hele series van gelukkige nummers trekken. Waarom? Omdat zij in zich de droom zover hebben doorgevoerd, dat hun eigen gevoeligheid voor iets, waarop zij normaal geen invloed en geen weet van hebben, groter wordt. En deze band zal hen in de werkelijkheid stuwen in alle richtingen, waarin de verwezenlijking naderbij komt. Zij doen deze keuze niet bewust.
Het voorbeeld dat ik geef is misschien tamelijk cru, maar er zijn zoveel dromen. Dromen, waarin men een avontuur, een experiment, een beleving, een verandering van taak, een bereiking, een inspiratie najaagt. Is in de droomwereld, zo iets steeds reëel aanwezig, dan oriënteert ook stoffelijk het wezen zich op deze fantasie als een werkelijkheid. En dan moogt u hieruit misschien toch wel enige wat meer praktische regels trekken.
1. Een fantasiewereld, die in het begin dus niet bewust en beheerst met een bepaald doel is opgebouwd, maar spontaan aanwezig is, is altijd de weergave van een bestaande mogelijkheid. Zij geeft een deel van de toekomstige werkelijkheid weer, niet echter de eigen verbinding daarmee.
2. Een intenser worden van een bepaald feit in de fantasie wereld bevordert alle omstandigheden in de materie, die tot de verwezenlijking daarvan bijdragen.
3. Wanneer men in een fantasiewereld zo sterk verbonden is met de werkelijkheid, dat situaties kunnen optreden, waarbij fantasiewereld en werkelijkheid een ogenblik parallel gaan, dan zal het vaak voorkomen dat de fantasiewereld vanaf dat punt wordt omgezet in werkelijkheid.
4. Op het ogenblik, dat een fantasie haar hoogtepunt bereikt, zal zij over het algemeen ophouden. Een fantasiewereld bouwt altijd op tot een top, maar wil dan vaak niet verdergaan. Dit betekent, dat een verwezenlijking van de fantasie altijd gepaard gaat met een bereiking en een onmiddellijk probleem, omdat de verwerkelijking van het bereikte in het “ik” niet is gekend en het “ik” dus op dat moment zonder gerichtheid bestaat.
5. Alle krachten uit onze innerlijke fantasiewereld mogen worden beschouwd als aanduidingen van voor ons en in ons bestaande mogelijkheden. Op het ogenblik, dat wij deze mogelijkheid in de werkelijkheid ontkennen, komen wij met onszelf in strijd en ontstaat er een steeds grotere ontevredenheid met het feitelijke bestaan. Op het ogenblik, dat wij een weg zoeken, waardoor voor ons die overbrugging wel mogelijk is, zullen wij echter grote tevredenheid in het bestaan vinden.
6. Omdat voor de mens werkelijkheid en fantasie in de beleving zo sterk met elkaar verknoopt zijn, kan ook nog worden gezegd dat de fantasiewereld bepaalt wat de waarde van een beleving in de werkelijkheid zal zijn. Het is voor ons daarom belangrijk onze fantasieën, onze dagdromen eens te kennen en te ontleden en zo ons af te vragen wat onze gerichtheid is. En indien wij in staat zijn de werkelijke drijfveren achter de droombeelden te vinden, hebben wij tevens een beeld van onze eigen toekomst.
Eindconclusie: De fantasiewereld is de nog niet verwezenlijkte toekomst, die in de mens leeft. Het verwezenlijken daarvan is voor hem mogelijk, is verstandelijk bereikbaar en wordt slechts belemmerd, indien hij in moraliteit, in religieuze of andere concepten een scheiding maakt tussen droomwereld en werkelijkheid. Pas daarom voor uw werkelijk leven zowel als voor uw fantasiewereld zo mogelijk gelijke maatstaven toe, dan zult u zeker zijn van een zo juist mogelijke beïnvloeding van uw persoonlijkheid en daarmede van een zo snel en zo juist mogelijke realisatie van dat vele wat u aan tekorten en fouten uitdrukte op een wijze, die de oplossing van het probleem in de werkelijkheid volledig zeker stelt.

De sferen

Wanneer ge de aarde verlaat en als een reus staat boven eigen lichaam en terugzoekt naar de onbegrepen werkelijkheid, ziet ge rond u een eeuwigheid. En toch heeft die eeuwigheid een grens, die — zo ge haar overschrijdt als geest of mens — een nieuwe wereld zich wijd open spreidt voor u, zodat ge opnieuw beseft, opnieuw u verheft, opnieuw grenzen kent, grenzen overschrijdt en in een andere wereld zijt.
Sferen zijn elk voor zich als een huis, waarin ge woont. En als ge u er niet thuis voelt, dan wordt u een weg getoond om het huis te verlaten en een ander te betreden.
Het heden, de toekomst en het verleden zijn samengevlochten in de gangen en krochten van het samenstel van werelden, waarin hemel en hel ook te bereiken zijn met één pas en met hetzelfde gebaar. Waarin de grootste zekerheid en het grootste gevaar vermengd zijn, totdat het moeilijk is die beide te scheiden.
Sferen zijn werelden buiten de tijd, waarin het “ik” toch levend nog in een ervaren oneindigheid voor zich verdeelt en speelt met krachten, die het zelf nog niet beseft.
Wanneer de geest van de mens zich verheft om te gaan door de sferen, dan komt er een kracht, die het “ik” beproeft. Is de proeve volbracht, dan is die wereld veroverd. Gij zijt vrij om te gaan door al wat behoort tot de sferen; al te ondergaan, te leren en meer nog te beseffen en te begrijpen wat behoort tot de wereld, die ge u waardig hebt getoond. Maar kent ge angst en vlucht ge terug, ge wordt niet slechts tot stoffelijk bestaan, tot gebondenheden terug gehoond. Want de angst, die ge niet overwint, die blijft u begeleiden. De sfeer, die ge hebt aangetast en niet veroveren mocht, blijft bij u als een last, totdat ge meester van uzelf ten slotte de sleutel vindt, die past op die sfeer en op die wereld.
Leer daarom — zo ge sferen wilt betreden en in uw leven wilt streven naar oneindigheden en werelden, die niet zijn die van mensen en van menselijk bestaan — zonder angst, vertrouwend op de eeuwigheid van eigen wezen door alle grenzen te gaan.
Begeer dan niet meer uzelf te zijn, in eigen vorm steeds nog te leven en zo te evenaren misschien de oneindigheid of het beeld, dat u als voorbeeld werd gegeven. Verlang alleen te zijn, dat wat ge zijt; en weet, dat zijn u niet door enige kracht buiten de Schepper Zelf ooit kan worden ontnomen.
Dan is uittreding vrijheid. Dan zijn de sferen niet meer dromen maar werkelijkheid, die ge beleeft en ondergaat en die waarde geven, kracht en macht. Dan vindt ge dat de sferen zijn: de aanvulling in eeuwigheid voor het tekort van stof en tijd voortdurend u gegeven.