De wetten die de schepping regelen

12 oktober 1956

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u allereerst erop, dat wij noch alwetend, noch onfeilbaar zijn. Wij verwachten dus van u, dat u zelfstandig na zult denken. Gaarne zou ik daaraan toevoegen, dat de door ons naar voren gebrachte punten zover ons bekend in overeenstemming zijn met de waarheid. Dat “zover ons bekend” is tamelijk uitgebreid. Vandaag zou ik met u willen spreken over: De wetten die de schepping regelen.

Wetten bestaan er overal. Zij bestaan in de natuur, zo goed als in de wereld der mensen, zelfs in de wereld der dieren. Wij moeten aannemen, dat de wetmatigheid een eigenschap is van al het geschapene. Nu lijkt het ons vaak, of tegen een wet een uitzondering kan bestaan. Of het dus mogelijk is een wet te omzeilen. Maar indien wij aannemen, dat de wetten inherent zijn aan het wezen der schepping, dan kan geen wet overtreden worden, waar een overtreding van een wet gelijktijdig een plaatsen van een deel der schepping buiten de schepping zou betekenen. Sprekende over de sterren, die ontstaan, of over de mens, die naar bewustzijn zoekt, hebben wij een beeld gegeven, niet van enige dramatiek ontbloot, dat u toont, hoe een schepping zich ontwikkelt of evolueert, vanuit het standpunt der schepselen. Dit echter behoeft niet noodzakelijk meer te zijn. Wat voor ons een evolutie schijnt te zijn, kan een proces zijn, dat binnen de schepping van te voren is vastgelegd. Op grond hiervan wordt het noodzakelijk, dat wij, voor wij de mens nader beschouwen, allereerst ons afvragen: welke wetten kennen wij?

De eerste, u allen bekend, de vele citaten daaromtrent gegeven: oorzaak en gevolg.

Oorzaak en gevolg echter mogen wij niet alleen uitdrukken als iets van: “Och, je doet iets en dan gebeurt er iets”. Want oorzaak en gevolg zijn een voortdurende continuïteit. Er is geen enkele onderbreking tussen de feiten. Zij volgen elkaar aaneengesloten op.

Een vergelijking makende, zouden wij dus kunnen zeggen: Elk deeltje van een film is een evolutie uit het vorige beeldje een gevolg daarvan en origineert, veroorzaakt, weer het daarop volgende beeldje”. Iets, wat inderdaad juist kan zijn. Maar de film als geheel omvat al deze beeldjes en wij kunnen niet een beeldje als een afzonderlijk deel van de film beschouwen. De eigenschap “film” wordt bepaald door het aanwezig zijn van een reeks beeldjes op een aaneengesloten band. Ik hoop, dat dit voorbeeld modern en duidelijk genoeg is om u te doen begrijpen, waar het bij de oorzaak en gevolg hoofdzakelijk om gaat.

Oorzaak en gevolg zijn niet los aaneenhangende feiten. Het is een voortdurende relatie tussen al het geschapene, die in de schepping zelf is ingelegd en door de geaardheid van de schepping wordt bepaald.

Dit brengt ons een ogenblik op een klein zijpad, n.l.: de vrijheid van wil. Wij kunnen dit echter zeer eenvoudig weer met onze vergelijking oplossen. Wanneer de ontwikkeling van het filmverhaal het nodig maakt, verplaatsen de filmfiguren zich binnen het kader van hun beeldje, dat een zoveelste seconde betekent. Wat die filmspelers doen is wel vastgelegd, maar werd eens door hun originelen bepaald. En ofschoon de houding vereeuwigd is, die een of ander heeft aangenomen, was deze oorspronkelijk overgelaten aan het initiatief van de acteur. De vrije wil kan ons zeer goed binnen het raam van ons ogenblikkelijk bestaan een redelijke vrijheid laten, zonder daardoor de werkelijke continuïteit van oorzaak en gevolg te onderbreken. Voor ons echter zullen oorzaak en gevolg waarden zijn, die wij voortdurend tegen elkaar gaan afwegen. In de kosmos is dit niet zo. Wat wij noemen de wet van oorzaak en gevolg, kan worden vertaald in andere termen, wanneer wij zeggen: Het is de wet van de levende Kracht, die Al in zich sluit.

Om deze te formuleren, meen ik het best de volgende termen te moeten gebruiken: De levende kracht is zichzelf en blijft zichzelf gelijk. Maar draagt in zich een veelheid van vormen, die opeenvolgend ervaren kunnen worden, wanneer wij ons door deze stroom van vitaliteit langs haar begrenzing laten dragen.,

Daarmede heb ik dan de eerste wet gezegd. Het is dus niet zo, dat de Schepping zo maar evolueerde, of dat een ster krachtens natuurkundige wetten alleen maar haar baan koos. In feite moet het zo geweest zijn, dat elke ster op een bepaalde plaats haar omloop begon. Haar eigen gedragingen in deze omloop behoeven niet geheel vast te staan maar het feit, dat zij juist daar zal moeten werken, bewustzijn zoeken, staat wel vast. Wanneer u op deze wet terug wilt komen, dan kunt u dat zo dadelijk doen. Ik zou eerst verder willen gaan.

Er bestaat een wet van evenwicht, of: van de voortdurende compensatie. Deze wet vertelt ons, dat het totaal aller dingen voortdurend gelijk moet blijven, zodat voor elke waarde, die op één punt vergroot wordt, gelijktijdig op een ander punt vermindert. Alweer in simpele woorden te zeggen. Wij zouden dit zo uit kunnen drukken. Het geheel van de schepping bestaat uit een bepaalde, ofschoon onmetelijke, hoeveelheid kracht. Deze kracht kan zich in zeer veel verschillende vormen openbaren en uiten. Maar wanneer een materie teniet gaat, moet daarvoor deze kracht een uiting vinden op een ander plan.

Omgekeerd: wanneer een geest tot de materie gaat, ontstaat er een leegte bij geest, waarbij dus een krachtenvermeerdering binnen de materie op moet treden. Een voortdurende wisselwerking tussen alle kenbare en niet-kenbare aspecten der schepping, handhaaft voortdurend de totale waarde als een gelijkblijvende.

Ik hoop nu niet, dat u denkt, dat ik vervelend ben in mijn betoog. Ongetwijfeld is de dramatiek hiervan op het eerste gezicht minder. Toch ligt hierin iets opgesloten, wat voor ons uitermate belangrijk is.

Het feit, dat wij niet ten gronde kunnen gaan, want ook wij zijn kracht binnen het geheel der krachten. Zij kunnen in een andere vorm komen, wij kunnen op een geheel ander plan leven, al hetgeen in ons is, zou kunnen veranderen, maar het wezen, dat wij zijn, kan niet veranderen. Het kan opgaan in iets anders, maar teniet gaan kan het niet. Zijn eigenschappen verloochenen kan het ook niet. Want wanneer ik een bepaalde eigenschap hier afleg, op dit ogenblik, dan moet ergens om het evenwicht te handhaven de impuls, die ik verworpen heb, versterkt geuit worden. Dit is noodzakelijk: om de wetten van gelijkblijvende velden ook beter te begrijpen.

Gelijkblijvende velden betekent, dat er in het Al twee krachten zijn, elkaar voortdurend beïnvloedend, daardoor vorm gevend aan de schepping, terwijl elk van deze velden op zich gelijk blijft in zijn totale waarde. De wisselwerking kan dus nooit het ene veld in het andere over doen gaan. Wanneer dit zou gebeuren, dan zou alle schepping ten einde zijn.

Ik probeer alweer zo eenvoudig mogelijk dit te formuleren.  Wij hebben nu drie wetten genoemd. Deze drie wetten willen wij gaan toepassen op de ontwikkeling, waarover wij spraken.

Er komt een bewustzijn in de geest, die temidden van de chaos is. Hier is een vormgevende waarde werkzaam in het veld, dat wij “geest” willen noemen. Maar de waarde van de geest kan niet veranderen als totaal. Wij moeten het dus zo uitdrukken, dat de krachten van het gelijke veld “geest tijdelijk geconcentreerd” worden in het bewustzijn van een aparte groep, een aparte kracht binnen dit veld, die zich nu “persoonlijkheid” gaat noemen.

Wanneer dit gebeurt, zullen, langs inductieve weg, verstoringen plaats vinden van het evenwichtsmaterie. Er is nl., zoals ik zeide, een wisselwerking. Het verschijnsel, dat in de geest ontstaat, weerspiegelt zich in de stof. Het verschijnsel, dat in de stof ontstaat, zal zich ook in de geest weerspiegelen.

Zo boven, zo beneden, zegt men wel eens. Ik zou erbij voegen: zo beneden, zo boven.

Dat is begrijpelijk. Wanneer een mens op dit ogenblik begint aan een bewustwording, dan vergaart hij binnen zich krachten en waarden, die hij tot op dat ogenblik niet bezat. Die kracht, die waarde, moet ergens vandaan komen. Wij kunnen nu wel met een groots gebaar zeggen: zij komt uit het Goddelijke. Wij kunnen het ook, zoals men op aarde meent, bekrompen op doen en zeggen: Die wordt gegeven door de hogere geest.

In beide gevallen hebben wij evenzeer gelijk. Want wanneer wij onszelf verhogen in capaciteit, dan kan dit, ofwel door een samenvoegen, tijdelijk of voorgoed, van onze eigen kracht met de krachten van een ander wezen, dan wel van een in ons opnemen van nog niet aan vorm gebonden, of binnen begrenzing vastgelegde, krachten, die in het Al nog bestaan en deel uitmaken van het oorspronkelijk veld.

Hierin komt dan onze volgende vraag. Hoe moeten wij nu gaan verklaren, dat een reeks van opeenvolgende mutaties uiteindelijk de mens heeft geschapen? Hoe komt het, dat van die vreemde wilde wezens met hun stootklanken en harige borsten mensen zijn geworden met een japon, of een colbert, met goede manieren – hopen wij – en met een moraal, die ook alweer naar wij hopen hoger staat dan van deze vroegere wezens.

Ik heb u reeds gezegd: oorzaak en gevolg betekent een continuïteit van ontwikkeling. Wanneer de kracht zich eenmaal begint te ontwikkelen, binnen een beperking als de geest uitmaakt, zal zij noodzakelijkerwijze deze voortdurend: moeten voortzetten, hetzij in positieve, of negatieve richting.

Een negatieve richting stoot echter op net bezwaar, dat er geen bewustzijn aanwezig is, en dus geen stimulans, die in den beginne deze negatieve ontwikkeling tot stand zou kunnen brengen. Er blijft dus in het begin alleen over de positieve gang, maar als een persoonlijkheidsbewustzijn ontstaat, dan kan er geen persoonlijkheidsontkenning meer bestaan, tenzij wij ons wenden tot een ontwikkeling, die stof en geest gelijkelijk tracht te verwerken.

Nu is het eigenaardige: wij verwerpen gaarne alles, behalve onszelf. Zo is het ook met die vroege geest geweest met haar beperkt bewustzijn. Hij wilde misschien alles prijsgeven, behalve zichzelf. Zo moet zij voortgaan, op de enkelingen, die wij later hebben leren noemen: demonen of duivels. Dezen zoeken n.l. terug te gaan tot het niet. En dus de kracht, die in hen leeft, weg te werpen in de ruimte. Maar ook zij kunnen hun persoonlijkheid niet verloochenen en worden daardoor de sterke krachten van de chaos, die streven naar eigen vernietiging slechts andere vernietigen, andere vernietiging tot stand kunnen brengen, maar niet in staat zijn te voorkomen, dat de krachten, die zij bij anderen vernietigen, gelijktijdig hun eigen krachten versterken.

Daar heeft u dan meteen de smarten van Satan een beetje technischer uitgedrukt. Te willen ondergaan en niet te kunnen ondergaan, je strijd om ondergang voortdurend te zien worden tot een versterking van je eigen wezen. Begrijpelijkerwijze zal dus een evenredigheid van ontwikkeling mogelijk zijn. Deze houdt weer in, dat naarmate de bewuste gang, dus via de vorm, naar de Alkracht, naar het oorspronkelijk veld, toeneemt, de demonische gang, die de chaos weer toe streeft, vermindert. Want het totaal van beiden blijft gelijk. Wij kunnen hieruit verder concluderen, dat, wanneer het “ik” wordt erkend en een zoeken naar bewustzijn door dit “ik” als een zijns waarde wordt aangenomen, dit “ik” zichzelf voortdurend zal moeten evolueren. Verder volgt hieruit, dat deze evolutie in het veld der stoffelijke ontwikkeling gespiegeld wordt, zodat de geest altijd het voertuig aan zal treffen, waarop zij krachtens haar bewustzijn recht heeft. Dit is een zeer belangrijk punt.

Uitgaande van de groepsgeesten, de oorspronkelijke leiders van de ontwikkeling op deze wereld, zou men soms geneigd zijn aan te nemen, dat een groot bewustzijn de vormen heeft geschapen, die thans bestaan en leven. En dat is niet waar, Zij hebben de geest het vermogen gegeven, indien zij dit wensten, haar eigen geestelijke krachten te vergroten. Het resultaat daarvan was het ontstaan van de toepasselijke vorm. Zij werd niet eerst geschapen en dan de geest daartoe opgeleid, Eerst moest de geest het bewustzijn hebben, voordat de vorm kon bestaan. Dit brengt ook weer een onderwerp in het geheugen,  nl. de paradijsmythe.

 Aan deze paradijsmythe zitten ook weer bepaalde punten vast. Wat is hier beslissend? De keuze tussen goed en kwaad. Blijkbaar is er dus een bepaalde mogelijkheid om bepaalde richting te kiezen. Wat blijkt dan kwaad te zijn? Het op eigen gezag en zonder hogere krachten zoeken naar een persoonlijke bewustwording. Goed wordt dan geacht wanneer wij op de paradijsmythe afgaan het feit, dat men zich overgeeft aan de leiding van andere krachten, die hoger staan. Goed en kwaad in deze wereld bestaan nog steeds. En in feite is hun betekenis niet veranderd. In plaats van de hoge leidende geest zegt men nu: de gemeenschap. Maar het is nog steeds zo, dat een ieder voor een keuze komt te staan, waarbij ofwel de grote geestelijke kracht, die stuwt, moet aanvaarden, onverschillig waarheen zij voert: dat is goed, ofwel deze mens moet zijn eigen weg gaan. Dit kan voor deze mens heel goed zijn, maar is altijd t.o.v de gemeenschap kwaad. Goed en kwaad moeten evenzeer in evenwicht zijn als alle andere dingen, maar volgens ons bewustzijn zullen wij steeds naar het goede streven. Wat kunnen wij hieruit concluderen?

De voorstellingen goed en kwaad, zoals zij leven in de mens, zijn geen vaste waarden. Het zijn voorstellingswaarden. Goed en kwaad bestaan beiden wel degelijk. Maar naarmate de richting der gemeenschap, in geestelijke en stoffelijke ontwikkeling, zal men datgene wat in feite kwaad is goed heten en omgekeerd. Het resultaat voor onze persoonlijke bewustwording kunnen wij ons niet houden aan de normale, waardering van goed en kwaad. Wij zullen ons zoveel mogelijk daarbij aanpassen. Maar zij mogen voor ons niet beslissend zijn. Dat is een gevaarlijke stelling, denkt u misschien. Toch heeft zij reden. Want goed en kwaad zijn willekeurige wisselende waarden, die in het voorstellingsleven van de mens bepalen, hoe hij staat t.o.v, zijn omgeving, niet t.o.v. zijn God, zoals men foutievelijk meent.

De goddelijke wetten spreken niet van goed en kwaad. Zij spreken hoogstens van positief en negatief. Er zijn punten, waarop het negatieve hoofdzakelijk wordt, terwijl het positieve niet meer aanvaardbaar wordt: Op het ogenblik, dat de mens zich wil verheffen boven God en dus in kracht het scheppend vermogen tot zich te trekken en eventueel te overheersen, begaat hij een grote fout, ofschoon zijn streven positief is. Een negatief streven daarentegen kan komen tot een ontkenning van de goddelijke krachten. Men zou zeggen: vanuit menselijk standpunt is dit dwaas en kwaad. Maar het kan voor de mens noodzakelijk zijn, dat hij krachten, die hij niet kent, ontkent en zo te komen tot een bewust en verantwoord leven van zichzelf uit, Een willekeurig aanvaarde God is een misleiding. Slechts een beleefde God heeft betekenis.

Daarmede kom ik weer een klein beetje op een ander terrein.

Hier is een wet, die moeilijk in woorden uit te drukken is. Wanneer ik het dan probeer is het eerder om de volledigheid, dan in de hoop, dat ik geheel zal slagen u duidelijk te maken, wat ik bedoel: Ik zou het zo willen uitdrukken: Voorstellingswereld en werkelijkheidswereld zijn één en de daaruit optredende verschillen schijnbaar, want het schijnbare is de werkelijke veerstolling, de mogelijke voorstelling is echter werkelijk. Nu zegt u: Dat is woorden gegoochel. Maar toch is het de beste en kortste formulering, die ik vinden kan. Ik zal proberen het duidelijker uiteen te zetten. Het schijnbare is datgene, waarvan wij weten, dat het niet waar is, maar waarvan wij doen, alsof het waar is.

Neem bv. het medium. Als het medium nu zou gaan zeggen: “Ik ben een mooie jongen”, dan zou dat schijnbaar zijn, want al zou hij zelf nog zozeer daarin menen te geloven, de spiegel zou hem van het tegendeel kunnen overtuigen. Ik wil niet zeggen, dat het erg is, maar het feit blijft bestaan. Dat zou voor u ook gelden. Men kan zeggen: “Maar ik ben intelligent”, men weet in feite, dat men afhankelijk is van de werkzaamheid van anderen. En dat men slechts door een coördinerend vermogen, dat betrekkelijk weinig intellect, alleen veel getrouwheid vereist, tot zijn prestatie kan komen. Dat “weet” men. Deze schijnwaarde is in het “ik”gerealiseerd, of men dit nu toe wil geven, of niet.

Dit schijnbare is dus nooit waar. Toch zijn de gedachtewereld en de werkelijkheidswereld één. Al het denkbare kan in ons slechts gedacht zijn, omdat het werkelijk bestaan kan. Ook het onmogelijke, want anders kunnen wij het ons toch niet voorstellen. Het resultaat is, dat binnen een volmaakte schepping al het voorstelbare moet bestaan, onverschillig waar. Echter moeten wij wel erg oppassen, want zolang wij niet van de werkelijkheid van onze droom overtuigd zijn, blijft zij voor ons weerschijn, dus: nietwaar.

Dit betekent voor ons, dat de sentimenten, de gedachten en de dromen, die mens en geest kennen, onverschillig in welke vorm. De hond droomt van de jacht, de kat van het visje, dat zij stelen zal en wie weet de vlo misschien van een gladde huid, waar rijkelijk bloed onder aanwezig is. Wie zal het zeggen?

leder heeft zijn droom, zijn voorstelling, al is die nog zo beperkt. Deze droom en deze voorstelling is werkelijk. Omdat zij werkelijk is, betekent de realisatie ervan binnen ons het aanvoelen van een deel der werkelijkheid, wat wij nog niet beleven.

Naarmate wij ons sterker in deze gedachtewereld inleven, vergroten wij onze mogelijkheden in onze totale geestelijke wereld. De vergroting van mogelijkheden in de totale geestelijke wereld betekent weer, dat zij een sterkere invloed zullen uitoefenen op de materie naarmate wij sterker geloven in het beeld, dat wij geestelijk aanvaarden.

Zo is het zeker ook het denken geweest, de voorstelling van mogelijkheden, die uiteindelijk deze aarde heeft gemaakt tot wat zij is. Dromen van vernietiging heeft woestijnen geschapen. Woestijnen door mensen gemaakt, of door de natuur veroorzaakt. De droom van schoonheid heeft de bloei der bloemen bevorderd, totdat ontelbare variëteiten een kleurig dek kunnen leggen over het land. Al deze dingen waren eerst gedacht, eerst gedroomd.

Zo zullen dus ook de dromen van de primitieve schepselen hun eigen geestelijke ontwikkeling zover hebben beïnvloed, dat wederom het huidig resultaat niet alleen voortkomt uit een logische ontwikkeling, dus een gestadige vergroting van vermogen binnen de geest en weerkaatsing daar van in de stof, maar wel degelijk sprongen, of zo u wilt sprongmutaties, mogelijk werden, doordat het bewustzijn zich iets voorstelt, dat nog niet bestond, maar zozeer verknoopt was met de werkelijkheid, dat de sterke voorstelling alleen daarvan binnen de geest voldoende was een kracht te ontketenen, die weerkaatst in de stof de uiteindelijke verwerkelijking betekende van het droombeeld.

De schepping, zoals gij die dus kent, vanuit uw standpunt, is het product van uw aller willen en wensen. Zij is in haar wezen de weerkaatsing van uw geestelijk vermogen en van de geestelijke mogelijkheden. Dit houdt in, dat zolang uw geest bestaat, gij wel werelden kunt vernietigen, maar nooit kunt ontkomen aan de problemen van deze wereld en zelfs aan de omgevingsvormen, die gij hier kent.

Wanneer gij weer in de stof zult terugkeren, dan zal die aarde weer voor u bestaan. Begrijpelijk? Ik hoop het. Niet begrijpelijk? U kunt vragen stellen. De zin van mijn betoog wil ik echter voordien nog kort samenvatten. Het totaal der schepping wordt beheerst door wetten, die onmiddellijk uit het Goddelijke voortspruiten, wetten, die niet overschreden kunnen worden en die, erkend of niet, ons aller leven, ons aller bewustzijn en zijn leiden. In ons bestaan de mogelijkheden krachtens deze wetten voortdurend vanuit de geest in de materie datgene te scheppen, dat voor ons aanvaardbaar en begerenswaardig is. Omgekeerd zullen wij binnen deze stoffelijke omgeving een voorstellingsvermogen verwerven, waardoor onze dromen omtrent mogelijke ontwikkelingen later vanuit de geest en verdere evolutie, althans vanuit ons standpunt, mogelijk maken. Deze evolutie speelt zich dus in de eerste plaats geestelijk binnen ons af en wordt slechts gespiegeld in de materie.

In God echter zijn al deze dingen een en één gesloten keten, die reiken van het goddelijke tot het goddelijke en die uitdrukkende de totale wil en het totale wezen van het goddelijke genoemd worden door ons, die haar gedeeltelijk ervaren: oorzaak en gevolg.

  • U hebt daarnet gezegd, binnen het kader van die voorstelling van die film, dat de auteur eigenlijk de richting aangeeft van waar de prikkels moeten gaan. Daarin zijn wij dus niet vrij.

De interpretatie is vrij. Het karakter is een aangenomen karakter en in het filmverhaal te blijven, waarin de ware persoonlijkheid zich tijdelijk verschuilt, zonder zich daarin geheel te verliezen. M.a.w. om terug te gaan tot het grotere beeld. Wij worden gestuwd door de goddelijke wetten. De mogelijkheden, die binnen het goddelijke bestaan, bepalen het verhaal, het scenario. Maar dat wil nog niet zeggen, dat wij gebonden zijn in onze persoonlijkheid alleen aan de directe interpretatie, die volgens de logische opeenvolging daaruit voortkomt. Wijzelf, als acteurs, hebben de gave een figuur, die edel had kunnen zijn, belachelijk te maken. Om een veroveraar te maken tot een groot banneling, om een eenvoudig klein mens te maken tot een grote geest. En deze mogelijkheid dus door interpretatie van het gegeven betekent voor onszelf een geheel andere wereldaanvaarding en beleving. Juist hierom zou ik willen stellen dat wij binnen de beperking der goddelijke wetten vrij zijn. D.w.z.: ons persoonlijk beleven van hetgeen in het goddelijke werd vastgelegd. De wijze, waarop, zelfs tot op zekere hoogte de volgorde, waarin wij ons bewustworden van deze feiten, berust bij onszelf. Het totaal met al zijn mogelijkheden is en blijft deel van het goddelijke en kan door ons niet worden beïnvloed.

  • Als ik het goed begrijp: een scenario geschreven door het goddelijke?

Door de eigenschappen van het goddelijke zelfs, maar ons daarin voegende. Wij kunnen niet anders. Wij kunnen ons zelfs niets voorstellen daarbuiten, bestaat voor ons wel degelijk de vrijheid om naar eigen inzicht en karakter, zo u wilt, maar dan geestelijk gesproken en niet over het stoffelijke beperkte karakter, dat naar een spiegeling en weerkaatsing is van een bepaald deel der geestelijke mogelijkheden, die om uiting vragen, terwijl door ons karakter bepaald, kunnen wij van een drama een klucht, of van een klucht een drama maken. Waar wijzelf klucht en drama tijdelijk als werkelijkheid beleven, is het dus onze levensvreugde, of onze levenssmart, of een groot gedeelte althans zeker, onderhevig aan onze vrije wilsbesluiten.

  • Volgens uw uiteenzetting van de wet van oorzaak en gevolg zijn die zo vast met elkaar verbonden, wanneer wij die wet teruggaan, moet uiteindelijk al die gevolgen in die eerste oorzaak zijn terug te vinden.

Dit is logisch en naar ik meen, door mij – zij het niet zo nadrukkelijk vastgesteld -, want indien ik zeg, dat al hetgeen bestaan kan binnen het goddelijke bestaat, en bepaald wordt door de eigenschappen van het goddelijke, houdt dit m.i. in, dat alle mogelijke verschijningsvormen opeenvolgingen van oorzaak en gevolg, wetmatigheden en krachten, voort moeten spruiten uit het goddelijke en voor, voor ons de schepping begon, binnen het goddelijke, zij het potentieel, berust moeten hebben.

  • Wanneer u zegt, dat een vermeerdering van positieve richting een vermindering der negatieve richting met zich meebrengt, hoe staat het dan met de wet van evenwicht? Dan zou er op een gegeven ogenblik alleen nog maar iets positiefs kunnen zijn en niets meer van het negatieve.

Waarmee u dus toegeeft dat op het ogenblik, dat het negatieve zijn uiterste negatie bereikt, nl. het Niets, het positieve evenzeer over kan gaan tot het Niets, waarbij het evenwicht bewaard blijft.

  • Dat is een uiterste. Maar zolang het uiterste niet bereikt is, hoe dan? En wanneer het uiterste bereikt is, is er helemaal niets meer.

Dan blijft het totaal der krachten zichzelf gelijk gelijkblijvend veld. Het blijft ook in evenwicht, omdat – zoals ik reeds gezegd heb – het positieve mijn uitingen noodzakelijkerwijze zo negatief zal stellen in zijn positief streven, als nodig is voor de handhaving van eigen bestaansmogelijkheid. Kunt u het nu begrijpen?

  • Neen, ik kan het nog niet begrijpen.

Dan zullen wij trachten het duidelijker te zeggen. Wanneer ik een weegschaal heb dan kan ik dus over evenwicht gaan spreken dan kan ik zeggen: “Ik ga hier wat wegnemen en daar wat bijleggen”, dan zegt u: Het evenwicht wordt verstoord”. Dan zeg ik: “Dat is inderdaad waar”, indien wij met twee volledig gescheiden waarden te doen hebben. Maar als u te maken heeft met twee communicerende vaten, zullen zij dan niet automatisch door een overvloeiing van het ene wat naar het andere voortdurend het evenwicht blijven handhaven, tenzij zij kunstmatig uit het evenwicht worden gebracht? Dat natuurkundig proefje zult u ongetwijfeld nog wel kennen?

Stelt u zich nu voor, dat wat wij positief en negatief noemen één is binnen het goddelijke en is altijd met elkaar verbonden Wij streven naar het positieve. Dit positieve wordt in ons bewustzijn vastgelegd, maar binnen het totaal van het bestaande komt een ogenblik, dat ons positief bestreven op een punt komt, waar wij vroeger spraken van negatief. Voor ons is het dus een cirkelgang.

In het goddelijke daarentegen wordt…..  Laat ik het zo zeggen: Er is een grote kracht. Die kracht noemen wij het positieve. Naarmate zich deze kracht sterker wordt zal uit het totaal der krachten meer kracht worden afgezonderd naar het gevormde. Er komt dus een groter tekort aan kracht in het goddelijke of het Niet. Ook hier blijft het evenwicht gehandhaafd.

De grotere bewustwording betekent dus slechts, dat de kracht, waarmede het goddelijke in dat ogenblik negatief t.o.v. het persoonlijk gevormde, de hoog gestegen, de grote krachten in zich dragen, tot zich trekt en aanmerkelijk groter wordt.

Dit houdt weer in, dat wanneer een bepaald kritiek punt in de bewustwording is overschreden, het goddelijke haast automatisch deze geest tot zich trekt en slechts diens ommekeer, waarbij dus demonisch gaat worden en zichzelf tracht te vernietigen hem kan behoeden voor het opgaan in het goddelijke. Wij hebben dit als doel van ons positief streven plegen te stellen, wordt onze positieve richting een opgaan in God, waarbij het totaal van onze krachten wederom in het negatieve wordt opgenomen en van daaruit in andere persoonlijkheid en vorm desnoods weer geuit kan worden in een nieuwe bewustwordingsgang.

  • Is het goddelijke Zelf ook onderhevig aan een dergelijke wetmatigheid?

Ik neem aan van wel. Het is moeilijk en het goddelijke te bepalen en te definiëren, waar het in wezen en door zijn wezen voor ons het onkenbare wordt. Maar indien wij aannemen, dat de wetten, die wij kennen als onomstotelijk, als de werkelijke grenzen van het bestaan, dus vanuit het goddelijke voortkomen, dan moeten wij ook aannemen, dat zij in het goddelijke leven. En aannemende, dat het goddelijke niet tegen zichzelf verdeeld is, zullen zij dus ook het goddelijke beheersen.

  • Kunnen wij het niet zo stellen: het totaal blijft gelijk. Neem ik van het negatieve iets af, dan komt er bij het positieve iets bij.

Men kan het inderdaad eenvoudiger stellen. Nemen wij een kindervoorbeeld. U kunt zo zeggen: Ik heb hier honderd peren en daar honderd peren in mijn weegschaal. Nu kan ik twintig peren van daar hier naar toe, mits de overblijvende tachtig peren hier zo zeer zwellen, dat zij toch de schaal in evenwicht houden.

  • Wilt u iets zeggen over inspiratie. Dit ook in verband met wonderkinderen als vroeger bv. de jonge Mozart? Op het ogenblik het meisje Minoud, die een grote dichteres lijkt.

Ondanks het weerwoord van een groot componist, dat inspiratie uiteinde lijk op 3/4 transpiratie blijft berusten, meen ik toch, dat wij het inspiratieve werken op zichzelf gemakkelijk in ogenschouw kunnen nemen. Schijnbaar is het raadselachtig, dat een kind van bv. 12 jaar een redelijke compositie maakt, of een mooi gedicht. In feite echter is hier niet alleen de vraag van de materie, dus de stoffelijke en verstandelijke ontwikkeling, aan het woord. Er is tevens een vraag naar geestelijke waarde.

Ofschoon de wereld niet altijd een kindertekening als kunst kan erkennen, moeten wij toch toegeven, dat het kind vaak zijn voorstelling en met een doordringende eenvoud en een verbluffende zuiverheid weet te omschrijven. De wijze, waarop een denkbeeld wordt uitgedrukt nu, is wel degelijk bepalend voor de kunstwaarde. Een kunststuk, dat een prima naturalistische weergave is, zonder eigen interpretatie en idee, is geen kunst. Dat is alleen een te laat geboren vervangingsmiddel voor fotografie. Zo gaat het met deze kinderen ook. Zij geven dus een zieleninhoud, of geestesinhoud weer, met de stoffelijke middelen, die hen ter beschikking staan.

Nu zal bij de ene mens de stoffelijke mogelijkheid groter zijn dan bij de ander. Wanneer een kind van jong af aan interesse heeft voor melodie en muziek, dan kan het zijn, dat het een opvoeding ontvangt, waardoor het ook leert deze middelen zelf te gebruiken. Bv. instrumentaal uitdrukking te geven aan de klankgedachten, die in dat kind leven. Het is ook mogelijk, dat het geheel geen opleiding krijgt. Krijgt het geheel geen opleiding, dan zal het kind in zichzelf soms melodieën horen en scheppen, zonder in staat te zijn die weer te geven. Heeft het daarentegen de lichamelijke bekwaamheid, krijgt het kind onderricht, dan zal het geneigd zijn, extrovert als het kind is, nu deze in het “ik” levende beelden zo mooi, zo zuiver, zo scherp mogelijk naar buiten te brengen. Dan krijgen wij dus deze kinderlijke kunstenaars waar de inspiratie is natuurlijk niet beperkt tot het kind. Wat zijn de voorwaarden, die nodig zijn voor een inspiratieve gedachte? Kort opgesomd: geestelijk bereiken, of een geestelijk peil, waardoor men in staat is betere sfeer te bereiken, waardoor men dus harmonisch kan zijn met hogere krachten ook.

Ten tweede. Het vermogen om eigen ogenblikkelijk wereld ervaren tijdelijk achter te stellen bij de geestelijk opgevangen indrukken en ten derde het vermogen, dat bij de meeste mensen langzaam vergaat, maar bij elke mens in de eerste tijd van het leven aanwezig is, het vermogen om de in het “ik” opgevangen klanken in beelden om te zetten, die passen bij die wereld.

Bij een kind noem je dat fantasie, bij een volwassene kan het of dagdromen, of kunst worden.

Hoe moeten wij ons nu een muzikale inspiratie voorstellen? Er bestaat een hogere sfeer, waarin klank de totale levensuitdrukking is. Die totale levensuitdrukking wordt kenbaar als een harmonie, die voor een beperkt gedeelte, ook in lagere sferen reeds waargenomen kan worden.

Een geest op aarde, die in staat is met de laagste geest, die deze melodie nog opvangt, in contact te komen, kan dus deze melodie in zich gevoelen. Menselijkerwijze tracht men dan de aangevoelde melodie te vertalen in muzikaal bruikbare taal: de compositie. Deze compositie is gebonden aan gebruiken, wetten en modes. Maar de gedachte in klank, die voor het kunstwerk uiteindelijk bepalend is, uiteindelijk wordt die dan binnen dit keurslijf weer uitgedrukt.

Zo kan een kind, ook een volwassene, of een oud mens, plotseling leren, mits enige grondkennis aanwezig is, deze klanken weer te geven en uit te drukken. Een simpel voorbeeld van iemand, die niet de mogelijkheid daar toe heeft: Een mens, die een bepaalde melodie wel degelijk in zichzelf draagt en hoort, maar ze ten hoogste aan een ander kan voor fluiten, die ze dan eventueel op muziek zet, dus in noten noteert, en later tracht deze melodie door toevoeging van akkoorden enz. vervolledigen. Dan krijgen wij natuurlijk een sterk vervormde versie. Naarmate de bekwaamheid, die de gedachte ontvangt, de klank in zich draagt, groter wordt, zal natuurlijk de rijpheid, waarmede de gedachte wordt uitgedrukt, ook evenzeer groter worden.

Wat meer is, naarmate het muzikaal voorstellingsvermogen plus de kennis der muzikale mogelijkheden op deze wereld in een mens groter zijn, zal hij een massaler instrumentatie en weergave kunnen vinden, Wij vinden dan ook sommige kunstenaars, die met grote koren en orkesten werken en gehele klank-orkanen kunnen maken, tot een wonderlijke melodie, die elke mens kan beroeren. Denkt u maar eens aan het slotkoor van Beethoven:”Alle Mensen werden Brüder”.

Daar zult u mij toegeven, dat de toehoorder overspoeld wordt door een stortvloed van klanken en toch klinkt in deze vloed iets mee, dat zeer sterk tot ons spreekt. Wanneer je dat mee kunt voelen, dan voel je iets van een gedachte, die op hoger peil bestaan heeft, waarschijnlijk nog bestaat en die eens door een kunstenaar met zijn begrip omtrent middelen en uitdrukking, weergegeven in de materie.

Ik zou u over deze inspiratie en het verschil tussen de geïnspireerde uitdrukking en aangevoelde werkelijkheid nog wel meer kunnen vertellen. Men vertelt, dat er eens een schilder was, een frater, die de “Heilige Maagd” wilde schilderen. Hij droeg haar beeld in zich. Maar toen hij net het kunstwerk klaar was en iedereen vol met bewondering stond, toen weende de schilder, omdat hij het licht niet had kunnen vangen, dat de kern van dit wezen was geweest in zijn voorstelling,

Inspiratie mag niet alleen worden gezien als een influistering van een andere kant. Het kan zijn, dat iemand in een andere wereld speciaal deze gedachte op u afzendt en dus ook zijn persoonlijke interpretatie van de ontvangen geestelijke waarde in een mens tracht uit te drukken. Maar het kan even goed zijn, dat de kunstenaar zelf in een ogenblik van wereld vergetendheid opvlindert naar een andere sfeer en wereld, daarin beelden vangt en die achter zijn brein verborgen houdt en dan later driftig weer te geven en uit te beelden, of in klanken om te vormen.

Men heeft wel eens gelachen om bepaalde soorten van experimentele poëzie. Ik heb zelf ook wel eens deze punten belachelijk gemaakt, omdat zij voor de mens geen betekenis hebben en toch kan ik mij voorstellen dat men bij gebrek aan woorden en het gevoel te uiten, overgaat tot het neerschrijven van zinloze klankreeksen, die alleen door een ritme en een bepaalde klankvorm zich onderscheiden. Faalt de kunstenaar hier, omdat hij zich niet houdt aan de noodzaak van het kunstenaar-zijn, de inspiratie is evenzeer aanwezig, maar de voor anderen kenbare herbeleefbare uitdrukking is nl. hier te ver zoek geraakt.

U ziet: inspiratie is iets, wat iedere mens kan beleven, maar waar niet iedere mens gelijkelijk uitdrukking aan kan geven. Wij zouden dit zelfs verder door kunnen voeren. Wij zouden kunnen zeggen, dat er ook onder u, mensen, zijn, die een dergelijk soort zelf ervaren inspiratie op de wereld uit drukken. Je bent een ogenblik één geweest met een andere wereld. Je weet het misschien niet eens, naar je stemming is veranderd. Je handelingen, je daden, de wijze, waarop je loopt, je beweegt, spreekt, geef je plotseling iets weer, dat buiten je normale bestaan ligt, nieuwe kracht. en gaat teloor. Een beeld kun je niet eeuwig bij je behouden. Maar zo’n ogenblik van kracht kan toch inspiratie worden genoemd, waarbij men zelf dus heeft gezocht en gevonden.

Nu krijgen wij natuurlijk een vorm van inspiratie, waarmee de spiritualistische mens zich vooral mee bezig houdt. Dat een geest bepaalde feiten kan afdrukken op een mens en deze niet ontvankelijk genoeg is, die ze door kan geven bv. in woorden, ofwel voor zichzelf in een weten vastleggen. Hier echter moet weer sprake zijn van een waarde, die eerst op dit andere terrein werd erkend. Het enige verschil, wat nu ontstaat, is, dat i.p.v. dat de eigen geest opstijgt en zelf beleeft, hij het beleven uit de tweede hand verkrijgt en op dezelfde wijze omzet in aanneembare woorden, feiten, daden uitdrukt in melodieën enz..

Inspiratie mag dus over het algemeen worden gezien als een uitdrukking van een geestelijk weten op stoffelijke wijze, daarbij in zijn vorm beperkt door de stoffelijke begripsmogelijkheid en uitdrukkingsmogelijkheid.

Heb ik commentators, critici? Tussen twee haakjes: Weet u, wat een geïnspireerd criticus is?

Een criticus, die zozeer zijn kritiek vergeet, dat hij door dringt tot de kern der dingen en in deze kern hernieuwd weergeeft op zijn eigen wijze. Weet u, wat een criticus zonder inspiratie is? Iemand, die afbreekt, zonder te weten, wat hij op moet bouwen.

Ik zit hier niet en dergelijke ongetwijfeld voor u aardige gezegden te debiteren. Ik meen, dat ik het onderwerp voldoende behandeld heb. Heeft u nog commentaar: zegt u het dan, anders heeft u geen gelegenheid meer om het te zeggen.

  • Weet u misschien, of dat Franse kind serieus of dubieus is? 

Er zijn altijd mensen en de natuur te verfraaien. De kern is wel degelijk waar. Maar de wijze, waarop men de feiten heeft aangekleed en in een enkel geval zelfs ouderen hebben getracht om het werk te verbeteren, wat lang niet altijd een verbetering was, hebben hier waarschijnlijk twijfelachtige waarderingen het mogelijk gemaakt een niet geheel ongerechtvaardigde twijfels geschapen. De inspiratieve kwaliteit van dit kind is echter m.i. buiten elke verdenking.

Ik hoop, dat ik geen literair geïnteresseerde teleur heb gesteld met dit antwoord, maar het was het beste antwoord, dat ik zo geven kan, naar mijn eigen beste weten.