De wijsheid van de Schepper om Lucifer de dood als kind mee te geven

25 november 1980

Aan het begin van een bijeenkomst vertellen wij altijd veer dat wij niet alwetend zijn of onfeilbaar. We hopen, dat u zich de moeite zult getroosten om zelf na te denken, want het is beter, dat de mens zijn eigen fouten maakt dan dat hij het goede doet zonder te weten waarom.  Het onderwerp door u gegeven is: De wijsheid van de Schepper om Lucifer de dood als kind mee te geven.

Dat is een hele mooie zin. Ik hoop niet, dat u het me kwalijk neemt, maar ik begin om de vele veronderstellingen, die daar in zitten eerst te ontrafelen. De wijsheid van de Schepper, wijsheid is doorzicht en inzicht. De Schepper zal dit waarschijnlijk wel bezitten, maar we weten er niets van.

Dan de Schepper. De Schepper is iets waar we gevoel voor hebben. We weten wel, dat er iets meer is, maar of hij nu geschapen heeft en in welke zin hij geschapen heeft, dat moeten we maar aannemen. Ook hier staan we voor allerlei vraagtekens.

Dan Lucifer, de zoon van de morgen, de heer van het licht, ja dat is een figuur, ongetwijfeld, maar is hij een realiteit? We weten, dat er heel veel Goden zijn geweest waar achter zich andere werkelijkheden verborgen hebben. Waarom zouden we aannemen, dat Lucifer concreet bestaat zonder meer. Dat lijkt me moeilijk om dat nou de dood als kind mee te geven. Dat is, wanneer je aanneemt, dat al die verhalen over engelen en dergelijke, juist zijn, een grove belediging.

Want Asraël, de engel van de dood behoort tot de aartsengelen en tot de hemelse heren en is dus geen kind van Lucifer. Er zijn wel andere, Lucifucium bijvoorbeeld wordt voorgesteld als kind van Lucifer, zijn eerste zoon. Zo zijn er nog een paar. Wanneer ik het allemaal bekijk dan vind ik het een hele mooie zin, maar een zin, die alleen betekenis heeft wanneer we al hetgeen er in gesteld wordt overdrachtelijk te bekijken. Neem me niet kwalijk, dat ik dat zo zeg, maar ik heb er een beetje een hekel aan om iets wat een geloof is voor te stellen als een werkelijkheid of een zekerheid in menselijke zin.

Ik vind het ook altijd weer onaanvaardbaar, dat men op geloofsgronden conclusies trekt en komt tot een oordeel, dat algemeen geldend zou moeten zijn voor de materie.

Nu ik dit dan heb afgewerkt, wordt het tijd na te gaan wat we er over denken. De Schepper is de voortbrenger. Of die voortbrenger bemoeienis met ons heeft of niet is een kwestie van denken. Niemand weet het. Onze voorstelling ervan is overigens de volgende. Wij geloven, dat God de basis en oerkracht is, waaruit alles bestaat. Anders gezegd: God is zowel de structuur van de ruimte als het geheel van alle energie en voorkomende vormen, die daaruit kunnen bestaan, inclusief de mens, inclusief de geest. Wanneer we die God zien dan worden er menselijk aan die God allerlei zaken toegeschreven. U weet het allemaal, hoe vaak hebt u het zelf niet gehoord: God is alwijs, God is alwetend, almachtig, alom tegenwoordig, enzovoorts.   Uitgaande van de stelling, die ik zo-even heb verkondigd als de onze zijnde – maar die evenmin bewezen is als al het andere – moeten wij zeggen: dat God almachtig is lijkt me wel. Als hij meester is van zichzelf, is hij meester van alles wat er bestaat.

Alwijs, ja, we weten niet wat wijsheid in de Goddelijke zin betekent, maar vanuit ons standpunt doorziet hij zaken, die wij niet doorzien. Vanuit dat standpunt is hij dus wijs. Als die God echter alomvattend is, kan er geen tweede God tegenover bestaan. Dan zitten we dus met de grote moeilijkheid van het dualisme, dat we eigenlijk in alle kerken en godsdiensten aantreffen: de goede en de kwade Goden of de goede God en de duivel, Jehova en Lucifer.

Wanneer je het zo bekijkt, dan zeg je, dat God Lucifer heeft geschapen. Hem scheppende, was hij alwijs en alwetend, in staat te overzien wat hij zou betekenen. Dientengevolge is het bestaan van Lucifer met alle consequenties ervan voor bet geheel van de schepping, een bewust deel van de Goddelijke wil. Al van hetgeen er gebeurt gaat niet tegen God in, maar is een vervulling van hetgeen God wenselijk acht. Als je dat zo gezegd hebt, zullen er een hele hoop mensen een beetje raar met de oren kwispelen. Ze hebben altijd geleerd, dat Lucifer de vijand van God is. God is in ieder geval nooit de vijand van Lucifer, hij is de voortbrenger.

U zegt dan: om hem als kind de dood mee te geven. Maar wat is de dood? De ervaring leert, tenminste ons en voor u komt die tijd ook ongetwijfeld, dat dood eigenlijk eerder een soort verpoppingsstadium is. Het is een verandering van vorm, van leven, niet een beëindiging van leven. Dan is de dood dus eigenlijk niet veel meer dan datgene wat voor de ene wereld de andere in de plaats stelt. Het ene element is vervangen door het andere, zoals de rups aardgebonden is – de engerling is dat zelfs helemaal – maar de vlinder en de meikever eigenlijk voornamelijk in de lucht dartelen, dus door hun vlucht ineens een dimensie hebben toegevoegd aan hun bestaan.

Als dat Goddelijke wijsheid is, dan geloof ik, dat het alleen zin heeft wanneer de tegenstelling bewustzijn met zich brengt. Dan kom ik tot de volgende redenering. Als er geen goed is, is er geen kwaad. Als er geen kwaad is, is het goed niet kenbaar. Goed en kwaad zijn nodig om tot een beoordeling te komen. Als er altijd licht is, weet je niet wat duister is. Je kunt het niet verwerken. Als het altijd duister is, kun je het licht niet verdragen. Ook daarvoor kunt u op aarde voldoende voorbeelden vinden. Men heeft in grotten dieren gevonden, die altijd zonder licht hebben geleefd. Men heeft de dwaasheid uitgehaald om enkele van hen gewoon in daglicht op te stellen. Het resultaat was, dat ze zich zeer eigenaardig begonnen te bewegen en na korte tijd aan een shock overleden.

Licht en duister zijn nodig als grenzen. Dan is voor ons om God kenbaar te maken ook een begrenzing nodig. Dat moet een begrenzing zijn, die in ons besef een tegenstelling is. Misschien dat we de ene kant van God goed noemen en de andere kant kwaad. Als dat zo is, kunnen we niet zeggen, dat God Lucifer iets mee heeft gegeven. Dan kunnen we alleen zeggen, dat het bestaan van deze beiden voor ons gezien – of voor ons kenbare normen van goed en kwaad,van God en duivel – niets anders zijn dan een middel om ons volgens ons eigen wezen te kunnen oriënteren in de totaliteit van de schepping waarvan we deel uitmaken.

Nu weten we, dat het heel erg moeilijk is om in die dood iets anders te zien dan een verandering. De dood brengt bepaalde belevingen met zich mee. Wanneer je sterft is het eerste gevoel, dat je hebt vallen in een soort donkere trechter. De verenging van het bewustzijn en de waarneming, die stoffelijk nog mogelijk waren, geeft je het gevoel, dat er helemaal niets meer is, dat je geen houvast meer hebt. Dan zie je aan het eind van die trechter weer licht, want je gaat je instellen op de ervaring van andere waarden, die je dan ook als licht en duister kunt gaan interpreteren. Wanneer je daar mee bezig bent komt er een ogenblik, dat je toch eigenlijk even rust moet houden. Het is alsof je even zweeft tussen de wereld, die je verlaten hebt en nu duister voor je is en dat nieuwe licht, dat je nog niet helemaal kunt binnen gaan. Op dat ogenblik begint de herinnering een enorme rol te spelen. Het is wel geen complete herinnering, omdat in de geest maar een deel van het geheel van alle beleving is vastgelegd, toch is het voldoende om alles wat voor jou in je leven van werkelijk belang is geweest, wat je werkelijk beroerd heeft, te herbeleven.

Wel met één verschil: je speelt nu zowel de rol van je eigen wezen als van de ander. Wanneer je iemand slaat weet je niet alleen waarom je geslagen hebt, maar ook hoe de ander het ondergaan heeft. Dat is dan een proces waarbij sommigen zeggen: dat kan ik niet aan. Die blijven dan in het duister. Anderen zeggen: Zo ben ik nu eenmaal, ik moet dat accepteren. Ik zal proberen om het beter of anders te doen. Meer mezelf te zijn. Die gaan verder naar het licht. Die dood is dus een periode waarin goed en kwaad weer in evenwicht komen. Je zoudt kunnen zeggen, dat goed en kwaad op aarde motiverende factoren zijn.

Het zijn de dingen, die je eigenlijk een beetje sturen bij alles wat je doet. Zo lang als dat blijft bestaan, ben je niet in staat om een nieuwe wereld te betreden omdat die wereld haar eigen wetten en haar eigen mogelijkheden heeft. Dus moet er eerst een evenwicht gevonden worden waarbij je al die dingen van goed en kwaad volgens je eigen denken kunt herleiden tot er erkenning van hetgeen je werkelijk bent komt. Pas daarna kun je binnen gaan in die nieuwe wereld. Dan kunt u zeggen: Waar blijft Lucifer dan? Ik denk, dat Lucifer overal is. Zo goed als God. Ik meen, dat beiden in wezen vanuit ons standpunt praktisch gelijk zijn, niet gelijkwaardig, maar identiek. Helemaal hetzelfde. Dan denk ik zo, dat ons eigen wezen, ons eigen denken, ons enorm beïnvloedt bij alle waardering die we kennen. Laten we het dan ook reëel zeggen. Goed, er is een duivel voor ons. Wanneer er een Lucifer is, dan is het waarschijnlijk onze trots, die ons niet alleen brengt tot het verwerpen van God zoals u misschien geleerd heeft, maar eveneens tot het stellen van: mijn beeld van God is het ware beeld. Het is het verwerpen van onze eigen onvolkomenheden, het creëren van een schijnbaar absolute zekerheid, waardoor de Luciferiaanse gedachte in ons wakker wordt. Zekerheid is een deel van God, maar ook de enorme veranderlijkheid. Die twee kunnen we niet bij elkaar brengen. Er zijn maar weinig mensen, die begrijpen, dat God zowel de chaos als de absolute vorming is.

Toch kunnen ze geen van beiden bestaan zonder die God. Dat geven ze toe, maar ze zeggen: de chaos is slecht, dat ligt achter ons. In de eeuwigheid kan niets achter je liggen, want de eeuwigheid is tijdloos. Wanneer je eeuwigheid voorstelt als een eindeloos voortgaan van de tijd, dan heb je nog geen omschrijving van het werkelijk oneindige. Dat kan alleen wanneer je er een kringloop van maakt. Daarom geloof ik, dat je heel verstandig doet om te zeggen, dat wij vanuit onszelf vaak duivels of demonen zijn. Dan trekken we al datgene vat met ons verwant, ongetwijfeld aan. Die duivels of demonen kunnen ons soms op een ander niveau ontmoeten in een andere harmonie en voor ons engelen zijn. Onze God kan onze duivel worden wanneer die God rechtvaardiging wordt van alle dingen, die we tegen onszelf niet kunnen verantwoorden. De duivel kan onze God worden, wanneer we datgene wat we in hem erkennen aan afkeurenswaardig juist daarom in onszelf proberen om te vormen tot iets goeds.

Dit is waarschijnlijk een ander onderwerp dan u verwachtte toen u het stelde, maar ik kan er ook niets aan doen. Ik ben een geest, of beter, ik wordt geacht een geest te zijn, je moet alle zekerheden vermijden. Ik ben een geest. Als geest heb ik verschillende levens achter me, Ik heb verschillende werelden doorleeft. Wat ik nu ben is eigenlijk een eindproduct van steeds meer besef. Ik wil niet zeggen,dat ik die andere werelden niet meer betreden kan of dat ik daarin geen deel meer heb, maar ze zijn van wat eens het belangrijkste voor mij was, geworden tot een onderdeel van een veel groter geheel dat ik nu beleef. Ik geloof, dat je daar de kern hebt van de zin van de dood ook. Die dood maakt het mogelijk om een nieuwe wereld te betreden en in die nieuwe wereld heel voorzichtig alle bewustzijn wat je van die vorige wereld nog hebt overgehouden te verwerken in de relatie met die wereld. Dan is het God, die ons de dood heeft meegegeven, niet die hem heeft meegegeven aan Lucifer om het kwaad zo nu en dan om hals te brengen. Trouwens, dat hoef je niet te doen, want menselijk kwaad brengt gewoonlijk zichzelf om hals, tenzij het voor die tijd zo rijk wordt, dat het door de toekomstige erfgenamen vermoord wordt. Laten we eerlijk zijn, het is een mooie zin, maar veel betekenis heeft ze toch eigenlijk ook weer niet. Het is een mystieke zin. Van een mystieke zin kun je zeggen, dat ze een gevoelswaarde bezit, maar dat ze geen werkelijke begripsmogelijkheden met zich brengen.

Wanneer je het mystieke zonder meer ervaart, dan is het een waarheid voor u. Maar wanneer je een mystieke verklaring hoort, dan is dat een misleiding omdat je voortdurend probeert haar aan te passen aan de dingen, die voor jou werkelijkheid zijn, zonder dat je het waar kunt maken. Mystiek moet meer zeggen dan woorden. Wanneer ik probeer mij mystiek uit te drukken, dan zeg ik “het allerhoogste licht, dat duister is voor hen, die het lichte niet verdragen, doortrilt mij alle dagen en doet mij waarlijk zien, waar ik verbonden ben.” Dat klinkt ook mooi. Voor mij is het een waarheid, maar is het dat voor u? Wanneer u het ontrafelt, heeft het zin, betekenis, waarheid? Ik dacht voor de meesten van u niet. Als ik zeg: “God verschijnt mij als een wervelend rad,” goed, dan heb ik wat gezegd over mij, maar heb ik wat gezegd over God? Dat is de fout, die de mensen maken. Ze kunnen niet begrijpen, dat menselijk denken, menselijk waarnemingsvermogen eenvoudig niet in staat is iets van God te omschrijven. Als je het niet van God kunt, kun je het toch ook niet van de duivel? Ja, je kunt het doen van geesten, je kunt het doen van kleine demonen, inderdaad. Kleine demonen zijn onvolmaakte wezens, net als u, levende en denkende in een andere richting, strevende in een andere richting. Wezens, die zo dicht bij u liggen, dat er een vergelijk mogelijk is. Hoe wil je dat doen ten aanzien van de grootste, als u het hebt over de vorsten van de hel of de vorsten van de hemel? Je kunt je Michaël voorstellen als aanvoerder van het hemelse leger. Je denkt dan onwillekeurig aan een kruisvaarder met vleugels zittend op een enorm paard, die naar beneden komt om de vijanden van het geloof of van iets anders uit te roeien. Denk even na, is dat reëel?

Wanneer Michaël de heer der heerscharen is, de aanvoerder-God, dan is hij toch zeker in de eerste plaats: licht. Dan zou je kunnen zeggen: wanneer zijn licht komt naar een wereld waar het duister is, dan zal alles wat in het duister leeft wegvluchten. Op die manier kan hij de slag winnen, maar niet door met een zwaard zwaaiend langs de hemel te rijden. Neem Gabriël, de profeet en bovendien een Louis Armstrong van de hemel als je sommige mensen moet geloven. Waarom een bode? God is in alle dingen tegenwoordig, moet hij dan spreken door een engel? Misschien is de vorm van de engel het enige wat het ons mogelijk maakt, de Goddelijke boodschap te verstaan. Begrijpt u waar ik naar toe wil? Wij hebben de beelden nodig. Wij bouwen de beelden op, maar die beelden zijn niet rationeel, die zijn uitdrukking van alles wat op de achtergrond ligt. Lucifer, de zoon van de morgen, de heer van het licht. Deze prins des hemels zou diep gevallen zijn door zijn trots. Wanneer dit zo is, dan is hij met die trots geschapen, want de engelen benijden – zo wordt verteld – de mens omdat die mens met God kon leren wandelen, omdat hij kon groeien, omdat hij eeuwig kon worden. Zij waren het kennelijk niet helemaal. Dat is toch strijdig met elkaar als je dat gaat zeggen. God doet het ene wel, het andere niet.

  • Waar wordt dit op gebaseerd?

Op oude mythologieën.  Die baseren toch ook weer ergens op. Oude mythologieën, ja. Die hebben een basis. Ik zal even afwijken. De oudste mythologieën zijn pogingen geweest om het onverklaarbare te verklaren. Wanneer een mens werd geconfronteerd met machten, die hij niet kende, dan was zijn eerste neiging om ze te vereren of om zich daarvan af te wenden. Dat is de eerste periode in praktisch elke cultuur. Het is totem of taboe. Dat hebben een hond en een kat ook. Zelfs een kanariepiet. Als deze rond mag vliegen in een kamer, zal hij in een bepaalde hoek niet komen omdat hij er iets ontdekt heeft waarvoor hij bang is. Hij heeft ook gezien, dat er ergens een bijzondere of prettige lichtval is of iets dergelijks wat hem aangenaam is. Daarmee vereenzelvigt hij zich. Zelfs wanneer hij terug is in de kooi, kijkt hij er zo nu en dan nog eens naar. Zo is de mens ook begonnen. Het is iets wat we via de dierlijke instincten zien afspelen. De mens denkt echter. Omdat hij denkt, probeert hij iets van zichzelf terug te vinden in alles wat hij niet begrijpt. Daarom schept hij goden. Begrijp ik de donder niet, dan moet er een God zijn die het veroorzaakt. Begrijp ik de vulkaan en zijn werking niet, dan moet er ergens een God zijn, die er mee bezig is, al maak ik er maar Vulcanus van, de manke, eenogige smid. Op die manier heeft men dus niet alleen verhalen gemaakt over goden, waarbij alles op zich een God werd, denk maar eens aan Seketh bijvoorbeeld, aan Maät en al die andere goden van Egypte. Seketh heeft veel met het wassen van de Nijl te maken, Maät is de hemel in wezen. Zo heeft ieder zijn eigen functie. Wanneer je al die dingen bij elkaar vat dan zie je, dat de mensen geprobeerd hebben goden te scheppen vanuit zichzelf en naar hun eigen beeld en gelijkenis om zo een soort figuur te krijgen, waarmee je kunt handelen, waarmee je kunt spreken.

Je kunt niet spreken tegen de donder, maar je kunt een dondergod aanroepen. Daar ligt het verschil. Op diezelfde manier heeft men gebeurtenissen van overleveringen langzaam maar zeker verwerkt. U weet het waarschijnlijk niet, maar er bestaan op aarde, zelfs nu nog, ongeveer 120 verschillende verhalen over de zondvloed. Het wonderlijke is, dat die zondvloed niet altijd dezelfde schijnt te zijn. Het wonderlijke is verder, dat ze bijna allemaal een voorvader van een bepaald volk ten tonele voeren, die dan kennelijk het begin is van de stam, de uitverkorenen, de gespaarden, die daardoor de superioriteit van de stam verzekeren. De meeste goden zijn ook stamgoden. Ze worden als het ware eigendom van de stam, ongeveer zo als de Sioux de adelaar nemen als vogel, als totem van hun eigen stam. Symbolen. Jezelf associëren met andere dingen. Zodra de godsdienst omvangrijker gaat worden, kun je dat niet zonder meer doen. Er moet dan een samenhang worden geschapen.

Wanneer je nu kijkt naar de Grieken, dan blijkt, dat voornamelijk de schrijvers, de vertellers en de dichters samen eigenlijk verantwoordelijk zijn voor de hele Olympus en alles wat er op en aan is, maar dat de goden, die zij daar hebben samengebracht in een vast verband, voordien als plaatselijke goden hebben bestaan. Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar Abraham, dan weten we, dat Abraham een zonaanbidder was die is weggevlucht uit het gebied van Ur omdat het daar maanvereerders waren. Hij wilde niet erkennen, dat de maan even sterk was als de zon. Daar begint het. Wanneer we kijken naar het volk van Israël, zoals het gevormd wordt, dan is er zelfs in de Bijbel wel het één en ander te vinden waaruit blijkt, dat er onder hen ondermeer vuuraanbidders, maanaanbidders en zonaanbidders waren.

Dat sommige van hen aanbidders waren van vaste goden zoals de Apisaanbidding, die vreemd genoeg als de dans om het gouden kalf bekend is geworden. Nu zie je tegenwoordig nog wel heel veel ezels rond het gouden kalf dansen, daar gaat het niet om, maar het heet geen Apis meer en het heeft ook geen Goddelijke waarde meer. Alleen de emotionele verbetenheid waarmee men het vereert is nog even groot als eens. Als we kijken naar wat Mozes doet wanneer hij Jahweh schept – neem me het niet kwalijk als ik het zo zeg – tot een vaste God met vaste geboden, dat hij daarin alle eigenschappen, die voor die stammen belangrijk zijn, moet samentrekken. Dat zie je o.a. aan de versierselen die van begin af aan in de tabernakel aanwezig zijn, zoals de broden, de kaars enz. Naarmate de godsdienst groter wordt, wordt net belangrijk om die ene God te vinden. Die ene God is de factor waardoor alle verschillende nominaties toch kunnen worden samengetrokken, kunnen worden gebracht onder één noemer.

Denk aan het Hindoeïsme. Hoeveel Goden worden daar niet vereerd. Al die Goden vallen weer samen onder één oppergod, die zich weer manifesteert in vier gezichten. Het is eigenaardig, maar het is zo. De verlossersfiguren komen we overal tegen. Misschien is het de ene keer een Prometheus, die het vuur uit de hemel heeft gestolen; de andere keer is het Krishna, de danser of zelfs een deel van de Godheid zelf, Vishnoe, die het wereldgif drinkt uit de wereldzee. Wanneer we dit alles tezamen bekijken dan zeggen we, dat ons godsbeeld een langzaam maar zeker losmaken van onze behoefte om te verklaren en het daarvoor in de plaats stellen van een beeld, dat steeds meer geprofileerd wordt in een alomvattende zin. Ergens hebben we iets nodig wat ons verenigt en dan hebben we ook een God nodig, die aan dit hele denken beantwoordt.

Ik geloof, dat het belangrijk is, dat je dit begrijpt. Het christendom bijvoorbeeld denkt, dat het erfgenaam is van het Judaïsme. Dat is niet zonder meer waar. Wanneer we nagaan hoe de eerste interpretaties van een eredienst tot stand zijn gekomen, dan vinden we er bepaalde denkwijzen in, die dicht in de richting komen van de Griekse filosofen. We vinden er gebruiken in, die direct ontleend zijn aan de moederverering, zoals die nog bestond in Syrië, Perzië. We zien daarnaast nog bepaalde denkbeelden van onder andere de Jupiter Tonans, die in Rome een rol hebben gespeeld. Als je je realiseert hoezeer ons beeld van God en onze wijze om over hem te denken en te spreken een samenvloei zijn van al dat oude, dan moeten we niet zeggen: “Dus is het onzin”. Integendeel, het is voor ons een rationalisatie, waardoor het onbekende benaderbaar, bespreekbaar wordt. Dat we die rationalisatie gaan stellen boven onze eigen werkelijkheid, is een groot gevaar. Indien God wil, dat wij leven zoals we leven en ons de vrije wil geeft om te beslissen, dan moeten we ook zelf beslissen en niet afwachten tot God voor ons beslist.

Denk niet, dat dit van mij is, het is één van de lichtere opmerkingen, die een zekere kerkvader Augustinus eens heeft gelanceerd toen iemand hem zei, dat hij ging bidden om een beslissing van God te vernemen.

We hebben een mooi onderwerp gesteld. Waar hebben we eigenlijk over gepraat? Over onszelf. Ik geloof, dat een ieder die spreekt over God, wat hij van God verwacht, dat moet begrijpen, die spreekt over zichzelf. En dat degene, die voortdurend bezig is te dreigen met de duivel in feite in die duivel een deel van zichzelf moet terugvinden waar hij bang voor is. Het beleven van God kan niet in woorden worden uitgedrukt, kan niet worden omschreven. Het kan zeker niet worden verdeeld in verschillende afdelingen. Het is er eenvoudig. Het is een emotie. Die emotie is voor ons een absolute waarheid, wanneer we haar ondergaan. Op het ogenblik, dat we haar stellen zonder in staat te zijn haar te ondergaan hebben we de neiging om onze eigen werkelijkheid, inzichten en mogelijkheden af te wijken in de richting van iets wat voor ons misschien niet aanwezig is.

De mens moet leven volgens zijn eigen verantwoordelijkheid. Dan zal hij ontdekken, dat de dood inderdaad alleen maar de vreugdige verwisseling is van de ene wereld voor de ander. Dat kan ik uit ervaring wel zeggen. Een mens leeft, zeker. En wat hij ziet als Gods wil zal heel vaak datgene zijn wat in hemzelf leeft. Daarom moet hij zichzelf aan die wil volledig houden, zonder zich te vermeten deze wil aan anderen op te leggen. Dat zijn misschien harde punten. Wanneer wij bang zijn voor Lucifer en van de schoonheid iets afzichtelijkste maken, dan is het misschien wel omdat we bang zijn, juist voor de schoonheid wanneer we de prins van het licht naar het buitenste duister verbannen, is dat misschien wel omdat we bang zijn voor het licht, dat ons aan onszelve openbaart zoals we zijn.

Vrienden, de wijsheid van God kan ik niet begrijpen. Om dat te kunnen doen zou ik een God moeten zijn. Wanneer men dus zegt, de wijsheid van God om aan Lucifer de dood als kind mee te geven, dan kan ik alleen maar zeggen: misschien is het Gods genade, die de dood heeft gesteld als een grens aan elke fase van bewustwording, zodat we even niet te zeer belast door het verleden, onze nieuwe wereld kunnen aanvaarden en leren kennen en zo verder kunnen groeien. Wat onze eindbestemming is? Wat ze vanuit God is, weten we niet. Dat kan niemand weten. Ook niet middels openbaringen, die immers ook altijd worden uitgelegd zoals het toevallig iemand uitkomt. Maar vanuit mijzelf weet ik het wel. Voor mij is het bestaan het zoeken naar de meest perfecte vrede en vreugde, die ik kennen kan. Dat is wat ik zie als het opgaan in God. Ik ben bang, dat als ik in God opga, dat ik dan één word en met God en met Lucifer en dat de dood, de voortdurende verandering, voor mij dan alleen maar een deel is geworden van mijn aandacht waardoor ik soms delen uit het geheel bijzonder kan beleven, beschouwen en bezien, zonder daardoor ooit het contact met het geheel te verliezen. Dat is mijn visie.

  • Wat er in de Bijbel over Lucifer wordt gezegd, daar is toch ook letterlijk iets mee bedoeld?

Ze hebben er iets overdrachtelijk mee bedoeld, dat heb ik geprobeerd uiteen te zetten door te zeggen, dat wij de tegenstellingen nodig hebben om vanuit onszelf een oordeel, een voorstelling tot stand te brengen. Wat dat betreft wil ik u eraan herinneren, dat het de kennis van goed en kwaad is, waar Adam en Eva van eten. Vanaf dat ogenblik verdienen ze, naar men zegt, in het zweet des aanschijns hun brood. U ziet, dat dit al heel ver in het verleden ligt. De kennis van goed en kwaad, dus het vermogen tot oordelen. Het goede kan nooit bestaan op het ogenblik, dat ik oordeel. Dan moet ik altijd leven tussen goed en kwaad in, anders kan ik niet oordelen. Vandaar.

  • U zei, dat u in verschillende sferen hebt geleefd.

 U noemt het sferen, het zijn geen sferen, want de sferen waarover u spreekt is een Griekse misvatting van de kosmische structuur. Wanneer wij sferen zeggen, bedoelen we in feite een geestelijke wereld waarin wij tijdelijk bestaan. Dan denkt u, dat je ze kunt tellen. Dat is ook niet waar. Wat dat betreft doet het dan weer denken aan een sfeertje waarin de gelijkgezinden een harmonie bereiken. Dat is dan onze sfeer, maar het vormt voor ons een wereld met zeer complete mogelijkheden tot we eraan ontgroeien. Daarom heb ik gezegd, dat ik meerdere werelden heb gekend. Het is dus niet geografisch, niet geologisch, zelfs niet logisch.

  • Wanneer u aan die sfeer ontgroeit, betekent dat weer een terugkeer naar hier?

Neen, dat betekent het niet noodzakelijkerwijze. Wanneer je ontgroeit bent aan een sfeer, dan zou je een nieuwe wereld moeten kunnen aanvaarden. Dat wil zeggen, nieuwe waarden, nieuwe mogelijkheden. Maar wanneer je daartoe niet in staat bent om welke reden dan ook, dan zul je zeer waarschijnlijk na een periode van rust of zelfs van spleen een beetje, besluiten dat je dan beter op aarde weer ervaringen kunt opdoen, omdat je daar meer ervaringen hebt, die niet door je eigen denken geheel worden beïnvloed. De mens leeft op aarde wel volgens de beelden, die in hem bestaan, maar er zijn toch veel concrete waarden waardoor zijn zekerheid ten aanzien van zijn innerlijk wereldbeeld voortdurend op de proef worden gesteld. Daarom is de beleving op aarde heel vaak een mogelijkheid om zoveel nieuwe gegevens te verwerven, dat je opnieuw harmonische mogelijkheden krijgt.

  • Brengt dat ook wel eens teleurstelling met zich mee omdat men zich dat anders gedacht had?

Bedoelt u met de incarnatie op aarde?

  • Ja, natuurlijk.

Je denkt, dat je een ziel hebt waardoor je bijzonder sterke harmonische werkingen kunt ondergaan. Je denkt bijvoorbeeld aan een muzikant, een soort Mozart of iets dergelijks en het blijkt dan uiteindelijk, dat het kind straatmuzikant wordt en met een draaiorgel en een aap zijn brood verdient. Je hebt dan ergens geestelijk wel het gevoel dat je voor aap staat, ofschoon je aan de andere kant toch vel ervaringen opdoet, die misschien kostbaarder zijn dan de meest harmonische composities, die je had kunnen bedenken.

  • U hebt het gehad over de plaatselijke goden. Is dat te vergelijken met de groepsgeesten?

Niet helemaal, maar ten dele. Wanneer we het namelijk hebben over een groepsgeest, dan hebben we te maken met een entiteit die een ontwikkeling van een bepaalde groep bevordert. Wanneer deze benoemd wordt, kan hij inderdaad de stam- of groepsgod worden voor enige tijd. Het is niet de aanbidding van de god, die hem in stand houdt of die zijn wezen en zijn doel bepaalt. Hebben we het over de groepsziel, dan bedoelen we de gemeenschappelijk uitstraling van de groep, welke een dermate harmonisch geheel inkleed en gedachte-inhoud geeft, dat het ten aanzien van de groep werkt als een alles beïnvloedend hoger bewustzijn.

  • Wie benoemt?

Mag ik u een tegenvraag stellen. Als u nu besluit om muizen te gaan fokken of wat anders, wie benoemt u daartoe? Het is uw eigen harmonie met die dieren, uw eigen interesse, misschien ook een deel van uw eigen vak of ontwikkeling waardoor u erbij betrokken bent. Dan gaat u dus in zekere zin een soort stamgod of beschermgod spelen voor die dieren. U treedt in de plaats van hun normale milieu, u gaat hun milieu bepalen, u gaat een deel van hun beleving, hun voeding bepalen. U treedt dus op als iemand, die hun mogelijkheden beïnvloedt. Datzelfde doet dus de groepsgeest.

  •  Hoe moeten wij doodgaan bekijken? Wat is de betekenis van lijden?

Doodgaan is het uittrekken van je winterjas omdat je naar zomerland gaat, daar komt het tenminste meestal op neer. Lijden heeft dus wel degelijk een betekenis. Lijden betekent een conflict in jezelf. Een conflict in jezelf kun je dus alleen maar oplossen wanneer je in staat bent dat als zodanig te beseffen. Dat blijkt ook als we kijken naar de mens of naar pijn alleen. Het blijkt, dat de pijngevoeligheid van de mens mede door zijn voorstellingsvermogen wordt bepaald. Wanneer hij zijn voorstellingsvermogen leert beheersen, is het daardoor mogelijk zijn lichaam zo sterk te beheersen, dat zijn pijngevoeligheid zeer sterk terugloopt. Dat is medisch aan te tonen. Lijden is voor ons, datgene waardoor we leren ons te ontdoen van het overbodige, vanuit geestelijk standpunt gezien. Dat je het op aarde als een onrecht ervaart, ja je weet niet waar je het aan te danken hebt. De meeste mensen zijn niet bereid toe te geven, dat het lijden heel vaak aan henzelf te danken is, doordat hun eigen visie op het leven niet strookt met de feiten. Omdat hun eigen oordeel over henzelf, hun eigen mogelijkheden, zelfs maar de evenwichtigheden in hun eigen lichaam niet de juiste is. Toch blijkt, dat dat voor het merendeel van het lijden aansprakelijk is.

 Ook in geval van oorlogen. De mensen, die zeggen, dat het onrecht is, dat zij lijden onder een oorlog, zijn vaak mensen die hun buren op hun donder willen geven omdat ze de trap niet geveegd hebben. Dan begrijpen ze niet, dat het hun eigen mentaliteit is, die mede de groei van dit geweld in de gemeenschap mogelijk heeft gemaakt. U ziet het, we kunnen er lang over praten.

  • Is het niet moeilijk, dat als je in het hiernamaals komt om je gedachten in bedwang te houden. Je springt anders van hak op de tak.

Wanneer je overgaat, dan heb je meestal kort voor het sterven of kort daarna contact met anderen. Die anderen treden op als geleiders, beschermers, hoe wilt u ze noemen. Ze bepalen niet wat u doet en waar u naar toe gaat, maar ze beschermen u en ze helpen u. Zij zijn degenen, die u leren hoezeer u zich eerst op uzelf moet concentreren. Dan krijgt u die rustperiode waarover ik gesproken heb. Daardoor komt u innerlijk als vanzelf meer in evenwicht. Heb je dat evenwicht, dan spring je heus niet zo van de hak op de tak. Wat dat betreft moeten degenen, die van de hak op de tak springen, weten dat het iets is wat een vogelbrein doet, ongeacht zijn vaardigheid in het vliegen.   Opmerking over de goede mensen, die zichzelf verlichten en op de aarde nog weer ervaring opdoen. De slechte mensen zitten in het duister, dat is nog veel vervelender. Die zoeken wanhopig naar een uitweg. Zodra ze die uitweg zien, dan zal deze met de materie, met de astrale wereld in verband staan, want veel hoger kunnen zij zich niet onmiddellijk bewegen, wanneer ze dan niet willen erkennen wat ze zijn, dan is de enige uitweg dus een vlucht in een menselijk lichaam, mits dat natuurlijk net in aanbouw is. Dat gebeurt dan ook. In beide gevallen is het dus in wezen een niet verder kunnen bestaan in je geestelijke toestand om welke reden dan ook, waardoor je probeert nieuwe ervaringen op te doen in de hoop, dat je daardoor een ander meer bevredigend bewustzijn kunt opbouwen en zo een beter geestelijk bestaan kunt voeren.

  • Wie bepaalt dat, jijzelf alleen?

Altijd jijzelf. Er is een wet, die zegt, dat je alleen daar kunt incarneren waar voldoende harmonie bestaat. Dat wil zeggen, dat je onderworpen bent in harmonie ook, als je de kosmische wet wilt gebruiken, In de eerste plaats is het de wet van gelijkblijvende velden, dus van compensatie en omdat je in de tweede plaats dus gebonden bent aan de zogenaamde harmonische wet waarbij alleen een wederkerige weerklank een overdracht van vermogen mogelijk maakt.