De Witte Orde van Atlantis

12 januari 1958

Wanneer wij  zoeken naar lering, die ook wijding in zich bevat, dan voel ik mij geneigd om te gaan in de richting van oudere en minder bekende leerstellingen en wel speciaal in de tijd van Atlantis. Ongetwijfeld zou daarover veel te vertellen zijn, dat boeiender en meer van algemeen belang is, Maar juist de Witte Orde die in Atlantis heeft bestaan en die voor u veel van het goed van Atlantis heeft gered en neergelegd in latere overleveringen en leerstellingen, lijkt mij toch belangrijk genoeg om daaraan een ogenblik de aandacht te wijden.

Een groep als deze broederschap baseert zich in de eerste plaats op het directe contact, dat mogelijk is tussen de mens en de geest, tussen de mens en zijn God. Zij tracht daaruit krachten en leringen te verwerven om zo aan anderen op aarde leiding te geven en vooral voor zichzelf een harmonie te vinden met de omgeving. Vandaar dat de tempels, die stonden op de toppen der heuvelen en der bergen, steeds weer gevuld werden met een eigenaardige kracht en een eigenaardig licht, pijnlijk voor hen, die te dicht bij de aarde stonden.

De grootste leer, die zij misschien verkondigd hebben, is vast te leggen in drie punten, drie regels:

De eerste is: Wanneer de mens niet hecht aan de wereld, hecht zich de geest (of de hemel, zo U wilt) aan de mens.

De tweede is: De mens, die niet voor zichzelf begeert, verwerft rijkdom.

De derde is: De mens, die voor zichzelf niet spreekt, hoort de stem van de scheppende krachten.

In deze drie stellingen ligt het principe van deze Witte Orde grotendeels vastgelegd. Zij zocht naar een inniger contact met bovennatuurlijke waarden, maar voelde natuurlijk al heel snel, dat het niet mogelijk was een dergelijke onthechtheid, een dergelijke wereld verlorenheid te bewaren gedurende alle perioden. En juist uit de derde periode van deze priesterontwikkeling, de tijd dus dat de zwarte magie al bloeide, stammen dan ook een reeks leerstellingen, die m.i. nog voor uw tijd en voor uw wereld belangrijk zijn. Ik wil niet voortdurend hier met citaten blijven werken – dat heeft weinig zin – maar zal samenvatten, wat verschillende van de grote denkers in die periode daarover hebben gezegd en gedacht.

Wanneer een mens te sterk zich hecht aan materie, te sterk zich hecht aan bepaalde regels of wetten, wanneer een mens te zeer ondergaat in de belangrijkheid van zijn eigen persoonlijkheid, zal hij nooit kunnen komen tot een werkelijk ontrukt zijn aan de aarde, een werkelijk intreden in de hogere rijken, die wij modern noemen: de rijken van lichtende kracht. Toch zal de mens ook niet geheel afstand kunnen doen van zichzelf, van zijn belangstelling voor goederen en aardse waarden, zal de mens niet altijd kunnen zwijgen, wanneer hij zijn mening toch eigenlijk naar voren zou moeten of kunnen brengen. Daarom is net voor de mens belangrijk, dat hij leert althans voor korte tijd afstand te doen van deze dingen. Om een ogenblik deze gedachte letterlijk aan te halen: “Zo gij al gebonden zijt, ontbind uzelf in de korte ogenblikken, dat gij zoekt naar uw God, Indien gij gekluisterd zijt, slaak uwe kluisters; want de geest is machtig en kan gaan “boven de rijken, die de stof kent.” Dit zou ik dan ook gaarne willen toepassen voor u, voor alle mensen op de wereld, ja, zelfs voor de geest in de lagere sferen.

Wanneer wij werkelijk zoeken naar een bewustwording, dan komt er een moment, dat wij alles – maar ook werkelijk alles – moeten loslaten. Er blijft geen wet over, waaraan wij ons kunnen vastklampen, want er is maar één Kracht en verder niets. Angsten of vrezen, die samenhangen met een behoud van de persoonlijkheid in zijn huidige vorm, moeten terzijde worden gesteld. Ook deze zijn van geen belang, zij hebben geen werkelijke waarde. Slechts het contact tussen ons en onze God telt en verder niets. Datgene wat we zouden willen zeggen kan rustig verzwegen worden, want dat wat wij zouden willen zeggen, heeft God allang geformuleerd in het totaal van Zijn schepping. En als wij dit begrijpen, kunnen wij indringen in een andere wereld. In een vreemde, een droomachtige wereld, die de priesters van Atlantis omschreven als “de wereld der vele sluiers.”

Een dichter heeft daarover ongeveer geschreven – ik kan het niet precies metrisch vertalen, dat gaat helaas niet – Velen weven de sluiers van lichtende kleuren, die mij omringen en steeds nog verhullen de werkelijkheid, die is mijn wezen. Doch sluier na sluier wordt door het lichte verteerd en keert tot mij en wordt tot Licht en voert mij op, tot het aangezicht van Hem, Die heerst, ook door mijn wezen wordt aanschouwd.

Deze mens probeerde daarmede aan te geven: Juist wanneer wij doordringen op hooggeestelijk terrein, een beter geestelijk gebied, dan worden wij vaak door allerhande lichtende krachten, door nieuwe realisaties bedreigd. We zien plotseling een nieuwe wereld, ontdekken andere persoonlijkheden. We erkennen plotseling in ons eigen leven factoren, die wij helemaal hadden voorbijgezien. Zeker zijn dit bewustwordingen, die uit het licht voortvloeien. Maar zij mogen niet belangrijk zijn op het ogenblik, dat wij verder willen doordringen, dat wij zullen komen tot de Kracht, Die achter het lichte, achter alle schepping is verborgen. En wanneer men – zoals die priesterorde waarover ik spreek – juist dit heeft gesteld als doel in zijn leven, als enige mogelijkheid tot zelfverwezenlijking, dan moet men ook afstand doen van het geestelijk bewustzijn.

Menigeen zal zeggen; “Wat is dat dwaas. Nu streven we allen naar bewustwording en dan wordt zo heel nuchter gezegd, dat we op een gegeven ogenblik bewustzijn terzijde moeten stellen.” Maar ook dit is duidelijk aangegeven, want wie kan zoveel kennen en weten, dat hij wetend kan aanschouwen wat in hem reeds leeft? Wie is zozeer meester van alle krachten en gedachten, dat hij ze tot eenheid kan samensmeden en de verdeeldheid van zijn eigen wezen ontgaan? Dat is de typische zin van het “terzijde leggen” van alle dingen.

U zegt in uw tijd wel eens: “Een mens moet leeg worden, een mens moet afstand doen van het denken, tot er niets meer overblijft dan een blank vlak,” Maar hoevelen zijn het, die iets dergelijks in praktijk kunnen brengen, zelfs na langdurige oefening? Hoevelen zijn in staat zelfs de dan nog opdringende gedachten terzijde te schuiven zonder gelijktijdig weer in een gedachtestrijd verward te raken, waarin zij spelen met het begrip “leeg” en daardoor zichzelf toch weer vullen? Dat zijn er maar heel weinigen. Daarom is het niet praktisch, dat wij de leegte aanvaarden. Neen, deze ouden hebben het wel goed gezien. Wij moeten door de sluiers van licht heen en wij moeten de sluiers van licht samenvoegen tot een gedachte. Wanneer de gedachte gelijktijdig niet bepalend is – onverschillig voor wat – en toch aanvaardend is voor het totaal van alle dingen, dan wordt ook daarin een realisatie van net licht mogelijk.

Zoeken naar de inhoud van het leven is al evenzeer een taak, die sommige priesters in het oude Atlantis op zich hadden genomen. En zoals zij de zin des levens omschrijven, wordt het ook weer om het nu maar heel zwak te zeggen interessant.

De zin van het leven.

Wanneer ik mij afvraag: “Leef ik?” dan stel ik mij een leven vast. Evenzeer zal ik, wanneer ik mij afvraag: “Heeft mijn leven een doel?” vaststellen, dat er een doel is. Want de doelloosheid bewijst zichzelf, maar het doel moet eerst erkend worden. Wanneer mijn leven mij leeg en doelloos schijnt, is het niet het ontbreken van richting, van inhoud, maar het ontbreken van begrip, dat mij tot een dergelijke vraag brengt. Het doel van het leven zou dan ook moeten worden erkend aan de hand van bepaalde regels, die elke mens voor zichzelf zou moeten stellen en verder moeten verwerken. Daarbij zou dan als leidraad kunnen dienen een reeks van stellingen, die ik maar weer zo letterlijk mogelijk voor u vertaal:

De zin van het leven is het leven. Leven betekent echter niet “bestaan”, maar als het ware “doormaken, ondergaan en leren”. Ik geloof, dat die zin in zichzelf duidelijk is. Leven betekent een voortdurend deelhebben aan een grotere activiteit. Het is niet voor niets, dat bv. in de Nederlandse taal leven kan betekenen: bestaan (dus leven hebben) maar ook: leven maken, geluid (trilling) veroorzaken. Nu waren de Atlantiërs juist in die trillingsleer betrekkelijk ver gevorderd; vandaar dat zij dus in de eerste plaats leven zien als een actieve trilling. En ze zeggen, dat die trilling inhoudt: het doormaken of ondergaan (dus het beleven van dingen) en ook het leren, het vergroten van eigen inhoud.

Dan stellen ze als tweede regel om ‘s levens doel te bepalen, dat ge u afvraagt: “Wie was ik? Wie ben ik? Wie hoop ik te worden? Want hierin drukt ge uit het wezen, dat u regeert.” Dat laatste vraagt natuurlijk weer uitleg.

Het wezen, dat u regeert, kan het best worden vergeleken met de elementaire indeling van de mensentypen, zoals wij die kennen in de astrologie. Ook zij deelden de mensen in bepaalde hoofdtypen in en uit deze typen werd dan gedistilleerd een zekere richting, een zekere klasse van ontwikkeling. Die was niet voor ieder gelijk. Dus wanneer je nu de zin van je leven wilde kennen, dan moest je je afvragen; “Wat heb ik nu werkelijk bereikt?” En uit dat werkelijke bereiken zou je dan kunnen opmaken, in hoeverre je eigen ideaal vervuld is en zou je ook kunnen vaststellen, hoe je gedachten van vroeger en die van heden verschillen. Dan is het verschil tussen wat je was en wat je geworden bent de uitdrukking van de stoffelijke ervaring. Dat wat je vroeger wilde zijn en wat je tegenwoordig wilt zijn is het verschil in ideaal. Dus een bewustzijnsverschil, waarin de eigen benadering van het kosmische nader wordt aangegeven.

Dan stellen ze verder: “De jeugd kent de onvrede en van uit de onvrede het streven. De ouderdom kent de vredigheid, die “is terugzien en trots op bereiken.” Dat laatste is natuurlijk niet altijd waar. Maar het wordt hier algemeen gesteld en men wil hiermee aangeven: Wanneer je jong bent, zie je alleen maar vooruit. Dan wil je nog steeds meer bereiken. Maar naarmate je ouder wordt, begrijp je, dat je je in hetgeen je nastreeft moet beperken. Daarvoor echter zie je ook terug en verheug je je meer over hetgeen je bereikt hebt. En dat is een intrinsiek verschijnsel van het levensproces, het geeft zin aan het leven. Want niet, wat ik hoop te bereiken, noch wat ik bereikt heb, doch het verschil tussen deze beide geeft mijn leven aan.

Die laatste zin is van mijzelf. Dat is geen citaat. Maar ik geloof, dat zij de zin van deze Atlantische leer toch ook mede uitdrukt. Het gaat om het verschil tussen wat ik was en wat ik ben. Hierin zoekt men de zin van het leven. En dan mag ik misschien even grijpen naar iets van grotere diepte, n.l. de levensleer, die bij de Atlantiërs maar ook bij vele andere volkeren een. lange tijd heeft bestaan en die nog de achtergrond is van menige esoterische leer.

Wanneer u als wezen – dus onverschillig waar u leeft of hoe – u bewust bent van uzelf en aan uzelf een zekere kwaliteit toekent, dan impliceert dit een bewustzijn. De grondslag van het bewustzijn kan niet uit uzelf zijn voortgekomen. Want u heeft immers het aanzijn gekregen, het ontstaan doorgemaakt in een punt, waar geen bewustzijn voor u persoonlijk bestond. Dan is er dus een kracht, die van den beginne af aan in u aanwezig was en die door haar vormgeving en uitdrukking de leiding geeft aan uw eigen bestaan. Deze leiding impliceert ook, dat deze grondgedachte te allen tijde met het kosmische harmonisch blijft.

De harmonie tussen het grondprincipe van het “ik” en het kosmische realiseren is de voortdurende wens van een ieder, die een bewuste vordering in het bestaan wil doormaken. Want naarmate het bewustzijn groter wordt, kan de oerkracht dus het eerste principe, dat in ons werd gelegd – in vele vormen en facetten – gerealiseerd worden. De Atlantiërs drukten dat zo uit: “De mens verveelvuldigt zichzelf in het licht, dat hij is.” En zij stelden dus daar begrijpelijk in een land, dat licht als het Goddelijke ziet, of dat de wereld tot voor kort nog steeds in nevels was gehuld, het licht is eigenlijk God. En het licht, dat jezelf bent, is dus God in jezelf. En nu stelden ze dus, dat je dat verveelvuldigt. Je maakt het licht in jezelf groter. Je zou ook kunnen zeggen; Je komt dichter bij God en maakt een groter deel uit van Zijn bewuste schepping. Dat is dan volgens hen ‘s levens zin.

Dan wil ik hier een heel aardige, bijna anekdotische rede van een van hun grote priesters herhalen, die hij hield tot de bevolking van de grote stad, toen zij vroegen, waarom het nog zin had naar de hoge heiligdommen te gaan. Hij zegde tot hen; “Gij zijt rijk door Uw slaven en de goederen, die men u brengt van over de zee, Ge hebt huizen gebouwd, schoner dan elders op de wereld mogelijk is. Ge gaat met een statigheid, die niet overtroffen wordt door dier of mens. Maar…,wat bezit gij werkelijk? De kleren, die u sieren, zijn een verhulling van uw werkelijkheid. Het huis, dat gij bezit, is een misvorming van de natuur. De statigheid, waarmee ge u beweegt, is een bemaskering van de werkelijkheid, waarin ge bestaat. De zin van uw leven is u ontgaan. Vraag uzelf af: Ken ik nog de blijdschap van het kind? Ken ik nog de levenshonger van de jonge mens? Ken ik nog het werken en streven, dat daarop volgt? Ken ik de vreugde niet over het verworvene, maar over het bereikte in de ouderdom? Eerst wanneer ge op al die vragen kunt antwoorden, zal ik u zeggen: Gij leeft tenminste. En wanneer gij zo leeft, stel u dan de vraag: In hoeverre heb ik mij vrij gemaakt van al hetgeen rond mij ligt? Zal ik afscheid kunnen nemen van al die stof? Stel ik niet wetten aan anderen om zo mijn, eigen angsten te verbergen?”

Het verwijt, dat men die priester deed, was toen; “Gij predikt opstand en wetteloosheid,” Toen zegde hij: “En als ik zie, hoe gij mij antwoordt, zeg ik u: Ik tracht de doden tot opstand “aan te sporen.” Hij bedoelde: Jullie zijn begraven in je materiële belangen.

Het leuke hiervan en misschien ook het treffende is, dat degene, die dus materieel schijnbaar buitengewoon welvarend is, om die reden door een van de hogere priesters, een van de lichtende figuren, wordt gezien als dood. Hij beschouwt het stoffelijk leven als een graf op het ogenblik, dat het met zijn bezit, met zijn dus volgens vaste waarden berekende gevoelens en mogelijkheden, de mens kluistert. Hij noemt het een graf. En degene, die zich daaraan overgeeft, noemt hij dood. De zin van het leven ligt in het beleven. En niet alleen maar in het gezapig toeschouwen, hoe het misschien wel eens zou kunnen zijn en ondertussen je verheffen op dat, wat je hebt en wat je steeds maar vasthoudt.

Naarmate je meer geeft aan de wereld, zegt men elders, zul je meer ontvangen van de wereld en van God. Naarmate je meer eist van de wereld, zul je armer worden in de wereld, en zal God je meer verlaten. Dat is begrijpelijk, God verlaat ons niet, wanneer we ons vastklampen aan alle dingen, omdat we ons daaraan vasthouden, maar omdat wij niet in staat zijn boven de stoffelijke of laag geestelijke belangen door te dringen tot een hogere oneindigheid. We worden armer, niet omdat we geen bezittingen meer hebben, maar omdat de bezittingen op zichzelf een last worden, die ons voortdurend tot beperkingen aansporen, naarmate we meer hebben.

Denkt u maar eens aan die anekdote van die miljonair, die f.100,000 had verloren op de beurs. Hij ging naar huis en ontsloeg al zijn personeel. Want, zei hij, ik moet zuinig worden, anders word ik tot de bedelstaf gebracht. Toen leefde hij vanwege een betrekkelijk klein verlies in verhouding armer dan menigeen, die veel minder bezat.

Hoe vaak doet de mens niet hetzelfde? Je hebt vaak heel grote rijkdommen in je leven. Je hebt ogenblikken van absoluut geluk gekend. Je hebt door strijd en worstelen jezelf bepaalde geestelijke waarheden eigen gemaakt. Je bent langzaam maar zeker gestegen boven het normale uit misschien. Je hebt in al je verdriet en al je zorgen dan toch in ieder geval altijd je voedsel gehad en mensen rond je, die je interesseerden en waarmee je kon werken, waarmee je kon spreken. Je hebt altijd nog een doel in je leven gehad. Dat is een zo grote rijkdom, dat je rustig van dat kapitaal kunt uitgeven.

Het vele, dat je gegeven wordt, wanneer je op aarde komt – zeker in uw tijd – het vele, dat je gegeven wordt, wanneer je een Zomerland binnentreedt, is alleen maar een kapitaal. En we moeten niet trachten dat krampachtig vast te houden, want dan verarmen we. U hebt het wel eens gehoord: Wanneer je te lang in Zomerland blijft, wordt de gelijkmatigheid van bestaan daar langzaam maar zeker tot een kwelling. Het is, of het licht dooft, of de kleuren flets worden en of al, wat je eerst tot verrukking heeft gebracht, geen enkele betekenis meer heeft. Omdat er geen groei in zit, geen bewustwording, geen voortgang.

Datzelfde geldt voor het leven in de stof. Zolang u besloten blijft in uw eigen kringetje, misschien vastgebonden aan eigen bitterheid of aan eigen bezit, dat je in Godsnaam toch niet verliezen wilt, ben je arm. Dan staat het leven stil. Dan heeft het geen inhoud. De zin des levens – kort en modern opgesomd – is: gaan tot God. Meer niet. Leven zelf betekent: de weg vinden tot God. Meer niet. Maar dan is ook de praktijk van het werkelijke leven: in een voortdurende wisseling van waarden steeds nader komen tot een begrip van de wereld, van jezelf en zo ook van de God, die in je woont.

Als u zich dit nu voor ogen kunt stellen, zult u misschien ook de rijkdom van uw eigen leven beter beseffen. Want de meeste mensen zijn rijk, maar ze beseffen het niet. Rijk, omdat er voor U is een wereld, die voortdurend verandert, die voortdurend van crisis tot hoogtepunt en van hoogtepunt tot crisis gaat. Een wereld, waarin gedachten aan vrede en krijg elkaar voortdurend afwisselen. Waarin de technische vernieuwing van heden morgen vergeten en oud is geworden. Een wereld, die misschien niet zo rustig is, niet de ideale Hof van Eden, die u verlangt, maar een wereld, die in haar voortdurende verandering een verrijking betekent van een ieder, die daar mag leven. Wanneer men tenminste de moed heeft in die wereld te leven. Wanneer men de moed heeft haar te aanvaarden, met al haar moeilijkheden en al haar tegenslag.

Een staatsman heeft eens gezegd: “Wanneer je ziet achter de schermen der politiek, dan kost het je vaak moeite niet misselijk te worden.” En daarmede heeft hij iets gezegd, dat m.i. volkomen verkeerd is. Want wat is beter dan de processen te zien, waardoor datgene, wat de wereld beheerst, tot stand komt? Wat is beter dan de processen te zien, waaruit wijsheid is geboren, waaruit inspiratie en licht voortkomt, de processen, waaruit het leven bestaat? Je moet werkelijk deze dingen kunnen aanschouwen, ook wanneer ze niet beantwoorden aan het verfijnd geïdealiseer, waarmee je jezelf misschien hebt beziggehouden. De wereld is niet verfijnd en het leven is niet verfijnd, maar het leven is kosmisch. En de wereld is daar een weerspiegeling van.

Uit het leven, uit uw wereld wordt u de grootste kostbaarheid geboden, die door alle tijden aan een mens of geest gegeven kan worden; De mogelijkheid om in de voortdurende wisseling en verandering der dingen – zonder verbittering maar met een begrip – zelf te beleven (zelf dus door te maken en te ervaren) een groei, waarmee je het misschien niet eens bent, omdat hij nog niet voor jou aanvaardbaar is, maar die een aanduiding is van hetzelfde, dat zich ook in jou afspeelt.

Ook in jou zijn veranderingen, die je misschien niet aankunt, die je misschien nog niet kunt of wilt aanvaarden. En wanneer je in de wereld leert de dingen realistisch te nemen, te aanvaarden wat er bestaat, te accepteren wat er is, niet jezelf wereld vervreemdend afwendt van al wat je niet bevalt, dan zul je leren ook jezelf te accepteren zoals je bent met je eigen leven. Eerst wanneer je dat kunt, zul je de richting kunnen vinden, die leidt tot God. Dan zul je kunnen beantwoorden aan de eisen, die ik U aan het begin van mijn betoog noemde als de eisen, die de Atlantische priesters zich stelden om tot God te komen.

o-o-o-o-o

Wanneer wij dan na zo’n zwaar betoog voor onszelf zoeken naar een zekere uitdrukking van alle waarden, die erin staan, word ik onwillekeurig weer getrokken naar de vergelijking en tracht dan op mijn wijze iets weer te geven van leven en levenswaarden en ook van de kosmische beleving van alle waarden, die uit de eeuwigheid tot ons komen.

Wanneer ik dan de mens zie in verhouding tot deze dingen, dan doet die mens mij denken aan een oudere vrouw, die eens uitging om een grote slamatan bij te wonen. Het zou een heel groot feest zijn met dansen en worstelen, met hanengevechten en grote maaltijden, met de levende en de gesneden wajangvertoning, kortom een feest zonder gelijke. Zo ging zij op weg en verbaasde zich, dat niemand zich in dezelfde richting spoedde. Het was een lange weg, die zij had af te leggen en toen zij eindelijk bij haar doel kwam, vond zij in de galerij de gasten niet reeds gezeten. Verwonderd vroeg zij zich af: Waar is dan dit grote feest? Zij ging naar de ingang, ze werd ontvangen en men gaf haar gastvrij sirih en wat er verder bij de gastvrijheid alzo behoort, zelfs al was zij een oude vrouw. Toen zei zij tot de gastheer: “Waar is dan het grote feest, dat gij mij beloofd hebt?”

“Moedert je,” zei de oude, die haar ontving, “het duurt nog bijna een maand, voor dat dit feest komt. Hebben wij u al geroepen tot dit feest? Neen, nietwaar? Hebben de boden gesproken over de samenkomst? Neen, nietwaar? Hoe is het dan, dat gij vandaag zijt gekomen? Maar wees welkom.” Daarna liet hij haar over aan de zorgen van zijn vrouw.

Maar de oude werd woedend en zij schreeuwde haar gastheer achterna; “Wat hebt gij mij dan laten komen, wanneer er geen feest is,” En zij noemde hem zwijn en nog veel meer niet zeer vleiend.

Ziet u, deze oude vrouw is een beeld van de doorsneemens. De mens maakt zich grote verwachtingen van het leven. Hij bouwt zich beelden op van rijkdom en goede oogst, hij denkt eraan, hoe hij zich sieren zal en hoe hij tegenover de andere mensen groot en machtig zal optreden. En dan blijkt, dat hij nog niet ver genoeg gekomen is. Dan zegt hij niet tot zichzelf: “Ik ben te vroeg met mijn eisen.” Hij zegt tegen het leven: “Je hebt mij teleurgesteld,” en hij scheldt het uit. Een dwaasheid, een grote dwaasheid.

Een dergelijk mens ging eens naar een grote wijze toe. Deze wijze had altijd een goed woord voor iedereen. Toen kwam deze mens en zegde: “Heer, gij zijt nu zo groot, gij zijt zo wijs, gij zijt zo machtig, ik verneder mij voor u, maar geef mij een antwoord op mijn probleem. Waarom brengt mijn leven mij niet, wat ik ervan verwacht?”

Toen keek de wijze hem eens aan en sprak: “Het leven geeft u niet, wat gij verwacht, omdat gij zelf niet aan uw eigen verwachtingen tegemoet kunt treden. Wees eerst wat gij behoort te zijn, dan zal uw leven u brengen wat gij verwacht dat het brengen zal.”

Ge begrijpt, dat was een antwoord, dat nu niet direct aangenaam was. Ik kan u verzekeren, dat die man met pijn in het hart huiswaarts ging, niet over wat de wijze gezegd had maar over de kip, die hij had geofferd voor zo’n antwoord.

Zo gaat het altijd. De mensen komen en zij zeggen tot zichzelf: “O, de wereld zal schoon worden.” Wanneer een jonge man een jonge vrouw ziet, droomt hij van een wereld, waarin nooit regen valt, waarin de vogels zingen, de bloemen bloeien, de oogst vanzelf rijpt op de velden en hij niets behoeft te doen dan haar een liedje te zingen en wat nog meer de bezigheden van verliefden kunnen zijn. En wanneer het dan gebeurt, dat zij samengaan, dan komt de dag dat hij werken moet. En dan zegt hij met blijdschap: “O, voor haar zal ik werken.” Misschien komt zij hem helpen en dan is hij blij. Doch de blijdschap slijt wel, maar het werk niet. Het werk gaat voort.

Er komt een kind het werk gaat voort. Er komen twee kinderen het werk gaat voort. Drie kinderen het werk wordt nog groter. Vier kinderen – hij weet niet meer waarheen te gaan. Vijf kinderen – hij wordt oud, zijn rug gaat steken, zijn karbouw is niet sterk genoeg, het leven is slecht. Dan zegt hij niet: “Ik heb gedroomd over het leven en ik heb het verkeerd gezien.” Neen, dan zegt hij: “Het leven is onrechtvaardig. Waarom geven de geesten mij niet wat ik vraag: welvaart, rijkdom, aanzien? Waarom moet ik, arme, hier voortdurend zwoegen?” En hij kijkt eens naar zijn vrouw en zegt: “Eerst was zij als een bloem, thans als de apen in de bossen,” En zo voelt hij zich beledigd.

Dan wordt hij weer ouder en hij wordt misschien wat rijker, want de kinderen worden groter en zij helpen hem. Misschien gaat een van hen ergens in dienst en leent van zijn meester of meesteres geld om naar zijn ouders te sturen om mooie sieraden te kopen. En dan voelt hij zich groeien. Hij wordt grijs en de anderen in de dessa luisteren met eerbied naar hem, wanneer hij spreekt. En dan zegt hij; “Het leven is wel goed geweest.”

Maar dan komt de dood. En wanneer de dood komt, denkt hij vaak: “Ik zou nog belangrijker kunnen worden, ik zou nog machtiger kunnen zijn. Mijn kinderen beginnen nu pas goed te verdienen, nu pas kan ik werkelijk leven, zoals mij betaamt.” En dan heeft hij grote strijd met de dood.

Dat is iets, dat veel voorkomt. Het is niet voor niets, dat men altijd probeert de dood van de dood van de overgegane te gebruiken om hem ook meteen de weg bijster te maken, zoals men zegt in Holland. Men moet eenvoudig de geest van de dode altijd dwingen om de dessa, zijn positie en al, wat hij heeft achtergelaten te vergeten. Het volksgeloof zegt dit, maar het ligt in de mens zelf. Want wanneer je zo erg gelukkig bent, omdat het je eindelijk stoffelijk een klein beetje goed gaat, ben je niet van zins om iets anders, iets onbekends te aanvaarden en dan klaag je weer tegen het leven, dat het je precies wanneer het goed gaat worden de dingen afneemt.

Er is een gezegde: “Geen man is beter dan de man van een weduwe.” Dat is een bitter gezegde misschien, omdat alles, wat men verloren heeft, schoner en beter lijkt dan wat men bezit. De mens houdt zich voortdurend bezig met zijn verliezen op te tellen. En daardoor wordt hij steeds armer.

Er was eens een koopman, die langs de huizen ging met velerlei waar. Hij had een grote vriend, die zich regelmatig met zijn openluchtrestaurant langs de straten stelde om de hongerigen te voeden. Die beiden waren goede vrienden, maar zij hadden verschillende eigenschappen. Degene, die kookte en in het blad de goede gerechten overreikte aan een ieder, die daarvoor de penning kon betalen, zegde altijd: “Ziet, wanneer ik deze avond rijker ben aan ervaring, aan vreugde, wat geeft het dan, wat ik misschien verlies?

Wat ik op een gerecht verlies, verdien ik op het ander. Wat ik de één meer geef, zal hij mij door mij klanten te brengen zeker vergoeden. Is het niet heden, dan is het op een andere dag.” En het ging hem wel en hij werd steeds rijker. Ja, zo rijk dat hij op de duur zelfs trachtte om – net als de Chinees – bier en al wat er bij hoort te gaan verkopen.

Maar de ander? O, hij verkocht alles, alles wat van hout gemaakt is. Hij maakte mooie kisten, maakte mooie meubelen, Wanneer men het hem vroeg. Maar steeds berekende hij: “Nu heb ik weer zoveel hout verloren. Nu is mijn gereedschap weer versleten.” En hij was nooit tevreden met de prijs, die hij maakte voor zijn werk. Zo kwam op een dag de toestand zo ver, dat niemand hem meer riep. Want een ieder zei: “Zie deze ontevredene! Wanneer men hem de prijs niet geeft, die hij verlangt en die altijd veel te hoog is, dan werpt hij U eenvoudig voor de voeten, dat hij verlies heeft. Laten wij hem zijn verliezen besparen.” Zo verloor hij door zijn angst voor verliezen alle werk.

Hij ging naar zijn vriend en zegde hem: “Vriend, ik heb niets meer, Geef gij mij te eten,” De vriend zei: “Terwille van onze vriendschap, hier, eet. Maar zeg mij, wat wilt gij doen?” “Ach,” zei de ander, “ik wil eerst mijn verliezen overzien.” En toen hij dat zei verloor hij nog meer, n.l. zijn enige vriend, die niet van plan was om zonder meer maar jarenlang de ander in de kost te nemen.

Zo gaat het menige mens op aarde. Hij kijkt niet naar wat hij op het ogenblik heeft, naar wat hij gewonnen heeft. Hij houdt zich alleen maar bezig met al hetgeen hij verloren heeft. En terwijl hij zijn verliezen telt, verliest hij in het heden nog meer. Want wie heeft lust voor een ander de rekening te betalen van wat het verleden hem eens heeft gegeven? Dat doet geen mens voor hem. Zo is het beter om verstandig te zijn.

Weet u, die wijze man, waarover ik u sprak, leerde eens iets de kinderen van zijn dorp. Hij zei wel tegen hen: “Jullie zijn jong. Jullie werken, jullie luisteren naar mijn verhalen. Maar onthoudt nu één ding. Wanneer jullie oud zijn, zullen anderen naar jullie luisteren. En dan moet je hun niet vertellen, wat je allemaal voor onaangename dingen hebt gedaan, Jij daar moet niet vertellen over de tijger, die je bang heeft gemaakt. En jij daar, moet niet spreken over de slang, die in de alangalang was en die je ook bijna gedood had. Je moet niet spreken over de honger van een vorig jaar. Wanneer je met de kinderen spreekt, vertel hun altijd wat je bereiken kunt.”

Die kinderen zaten heel verbaasd naar de oude man te kijken. Ze dachten: “Wat vertelt hij ons, die jong zijn, wat wij later zullen moeten doen, wanneer wij zo oud zijn als hij? Dat duurt immers nog een eeuwigheid!” Maar de wijze wist het wel. En toen glimlachte hij. Hij zei tegen die kinderen: “Jullie denken jong te zijn, maar jullie zijn al oud. Want jullie kennen al de zorgen, jullie kennen al het ogenblik, dat je angst hebt voor het leven. En als het niet is voor het leven, dan misschien voor de moeder van vader of moeder. Jullie hebben nu eerbied voor de ouderdom. Maar je moet geen eerbied hebben voor ouderdom maar voor wijsheid.”

Dat kon de wijze gemakkelijk zeggen, want hij had wijsheid. Menige oudere heeft liever eerbied voor de ouderdom, omdat hij die tenminste altijd kan bezitten, terwijl wijsheid maar een zeldzaam goed is.

Toen die kinderen nu allen daar zaten, kwam een oudere man. Deze zegde: “Waarom leert gij deze kinderen ouderdom?” Toen zei de wijze: “Ik leer hun reeds thans, hoe het kostbaarste te aanvaarden dat een mens gegeven wordt; de ouderdom, waarin hij zijn leven terugziet en weet wat hij is en betekent. De kinderen dromen over wat worden zal; de ouden wanneer zij dromen zien wat zij bereikten.” En daarmee gaf hij de werkelijke inhoud van het leven weer. De zin is: bereik iets.

Hij vertelde ook aan de kinderen een sprookje over de zeeprinses. u weet, zij is een verschrikkelijke prinses. Zij is vaak toornig en zij heeft zich een paleis gebouwd, waarbij alle mensen, die onrechtvaardig zijn geweest of niet goed zijn geweest eenvoudig in dat paleis zijn ingebouwd. Wanneer zij iemand heel erg haat, maakt zij een drempel van hem, waarop iedereen kan treden. En wanneer zij hem toch nog acht, maakt zij hem tot een der dragers van het dak.

Die verschrikkelijke prinses, zo vertelde dan deze oude wijze, was een keer uitgegaan om te zien naar hen, die offers voor haar brachten. Een was er bij, die een heel groot offer bracht. En hij sloeg zich op de borst en zegde: “Wat een rijkdom geef ik u.” Maar toen eenmaal het ogenblik gekomen was om het offer in het water te werpen, nam hij toch heel snel voor zichzelf er nog een steentje en een lekker stukje gerecht af. Want – zo meende hij – wanneer ik zoveel geef, dan mag ik toch een weinig voor mijzelf behouden. Zij krijgt toch al genoeg, die zeegodin.

Er was ook een ander bij, die vergeten had een offer mee te brengen. Hij voelde zich ongetwijfeld erg schuldig. Want – zo dacht hij – wanneer ik geen offer breng en ik moet dadelijk langs de klippen dalen (u weet, zij plukken daar de vogelnestjes ), dan ben ik bang, dat zij zal uitgrijpen en ik zal vallen en zij mij zal meevoeren naar haar paleis. En toen dacht hij verder: Maar als ik nu een deel van mijn voedsel offer, misschien dat ik dan niet word aangevallen. Toen dacht hij nog eens na en zei: “Neen, ik mag arm zijn, maar per slot van rekening wanneer ik een vorstin of godin een geschenk geef, laat ik dan zorgen, dat het waardig is en al wat ik bezit.” En hij nam zijn hele maaltijd en gooide die in het water.

Nauwelijks waren zij langs de klippen afgedaald, of er kwam een storm. De touwen braken en zij vielen in de zee. De rijke en de arme werden samen meegevoerd door de zeegodin naar haar paleis. Daar zei ze tegen de rijke: “Ge hebt mij een goed offer gebracht, heer. Ik wil u mijn dank bewijzen.” Zij nam een grote oester met een heel schone parel, Zij nam uit een klein kistje, ergens verborgen in haar paleis, een groot snoer met lichtende stenen. “Hier,” zei ze, “dit wil ik u geven.”

De rijke was blij. Maar toen bekeek de godin het geschenk nog eens en zei: “Ach ja, het is eigenlijk onbelangrijk het geschenk is zo groot, ik kan best een weinig terugnemen.” Toen nam ze de stenen uit de keten en de parel uit de oester, wat overbleef was een schelp, die zijn voet doorboorde en een roestige keten, die zijn rug wondde. Toen hij werd gevonden, was hij half dood en hij is nooit meer rijk geweest, want hij kon niet meer werken en was aangewezen op de hulp van anderen.

Maar tot de arme zegde zij; “Uw offer was klein.” Toen zei hij; “Ik weet het, vorstin, maar ik was vergeten voor u een offer te zoeken van bloemen en ik heb u alles gegeven, wat ik had mijn voedsel voor de hele dag.” Toen glimlachte de verschrikkelijke zeegodin. Zij gaf hem slechts een kleine schaal en zei tegen hem; “Gaat. Neem dit als aandenken voor het kleine offer, dat gij hebt gebracht. Dit zal bestemd zijn voor u en uw nageslacht.” Hij is visser geworden, hij en zijn nageslacht. Want nooit is de schotel ledig en altijd ligt er zilver begraven onder de hoek van de balehbaleh.

Met dat verhaal wilde de oude uitdrukken, hoe het ons gaat in het leven. Wanneer wij menen, dat wij in het leven een ander wel eens iets tekort kunnen doen, dat wij wel eens een klein beetje aan onze verplichtingen kunnen ontkomen, gaat het ons slecht. Want dat kleine beetje, dat wij tekort doen, betekent dat wij de kostbaarheid van het leven zelve, het zoeken naar volmaaktheid, verwerpen. En wanneer volmaaktheid het enige is, wat waarde heeft, wat heb je dan aan de ledigheid van een leven, waarin geen werkelijke inhoud is? Maar wanneer je – al kan je nog zo weinig doen – probeert wat je doet volledig goed te doen, te beantwoorden aan een streven naar volmaaktheid, ja dan, dan zul je daardoor in het leven steeds weer kracht vinden voor al, wat je nodig hebt en meer dan dat. Want het is de vervulling, die vrede geeft en het is de vrede, die kracht geeft. En dit nu wilde de oude wijze leren aan de kinderen.

Maar voor ik afscheid ga nemen nog één klein verhaaltje. Onze wijze werd n.l. eens gekweld door wat gij zult noemen een krekel. Het was een voortdurend sjirpend geluid. En waar hij ook ging, dat geluid ging met hem mede. Nu was hij wel wijs, maar dat was hem toch een klein beetje te enerverend. En zo riep hij een ander, een krekelvanger, die vechtkrekels hield. Hij zei tegen hem: “Vang mij deze hindernis en ik zal U lonen.” En dat slaagde zeer goed.

Maar zelfs wijzen komen soms naar het dorp. En wanneer er gevochten wordt tussen de krekels, dan wil men wel eens een keer – ach, U weet hoe de hartstocht gaat, evenals bij de hanengevechten – een paar penningen of zelfs een zilverstuk zetten. Nu was het zo, dat de wijze een heel zilverstuk verloor voor twee vechtende krekels. (Een gebruik, dat overigens niet zo vaak voorkomt.) Daarom beklaagde hij zichzelf. Hij zegde: “Wat ben ik oud en wijs en toch dwaas genoeg,  om te wedden op een krekel, die verliest, of op een haan, die geen moed heeft.” Toen zei degene, die de winnende krekel bezat; “Maar heer, het is de krekel, die ik bij uzelf gevangen heb,” Toen sloeg de wijze zich voor het hoofd. Hij zegde: “Ziet ge, voor een klein beetje geluid heb ik alle verdiensten vergeten.”

Toen ging hij verder en hoorde weer een krekel. Die zong buitengewoon luid. Hij dacht; “Nu neem ik deze krekel. Want als er krekelgevechten gehouden moeten worden, dan zal zelfs een wijze toch de penning mogen terugwinnen of het zilverstuk, dat hij verloren heeft.” De krekel, die buitengewoon luid zong, vocht helemaal niet. Hij stierf reeds bij de eerste aanval van zijn tegenstander. Toen zegde de wijze tegen zichzelf: “Ziet ge, ik heb verkeerd geoordeeld. Wie de verdienste beoordeelt van mens of dier naar het geluid, dat hij maakt, vergist zich.”

Zo is het met allemaal, vrienden. Of het nu een grootmeester is in de politiek, een machtig staatshoofd of een vriend of misschien gijzelf wanneer ge gaat oordelen naar het geluid, dat zij maken, vergist ge u. Wanneer gij u laat storen door het geluid en daardoor u laat afleiden en iets wilt wegdoen uit uw leven, dat u niet bevalt, vergist ge u evenzeer. De ware zin van het leven is niet om eenvoudig te nemen of te verwerpen. Het is om te onderzoeken en het goede te behouden, het kwade daarentegen van u af te stoten, opdat het u niet hindert.

En daarmede ga ik dan ook eindigen. Ik ben een lange tijd niet bij u geweest en ik hoop, dat wat ik u verteld heb toch indirect enig licht heeft geworpen op de eerste spreker. Ik dank u allen voor uw aandacht.