De zevende hemel

Mohammed op reis door de sferen. Zijn einddoel was de zevende hemel.

Om duidelijk te maken waarom dit onderwerp juist in deze tijd van belang kan zijn, moeten we wel even terug naar de legenden, die behoren bij Mohammed en zijn belevenissen. Ik vertel het maar erg vrij, en hoop, dat u het mij zult vergeven dat ik de Arabische rechtlijnigheid omzet in een bloemrijk Nederlands. Mohammed was op weg door de woestijn Hij was bezig met zijn voorbereidingen voor de eerste hadi (de godsdienstoorlog), die hij zou voeren tegen Mekka. Hij kreeg toen een toeval, die kennelijk voor hem van groot belang was, want hij droomde.

In zijn droom kwam hij aan een berg en daar stond een wit Arabisch paard met zadel en alles eraan. Hij is toen op dat paard gestegen en had daarbij het gevoel dat een engel of een aartsengel hem dat zei te doen. En voorafgegaan door een lichtende gestalte kwam hij in een verblijf waar de zaligen (degenen die in het Paradijs zijn) rustten onder de bomen en genoten van al het schoons dat een paradijs te bieden heeft, zeker een Arabisch paradijs.

Hij ging weer verder en kwam in een wereld waar hij engelen zag en buitengewoon veel schoonheid. Hij ging weer verder en kwam in een we­reld van stralende lichten en grote uitgestrekte groene weiden. Waarin het leven plotseling heel anders en veel vitaler leek. Zo steeg hij van hemel naar hemel, totdat hij in de zevende hemel stond en daar Allah persoonlijk ontmoette. Hij werd doordrenkt door de uit­straling van Allah. Toen hij weer beneden kwam, zei hij ‑ en zijn schrij­ver was erbij om het op te tekenen ‑ dat hij in de zevende hemel was ge­weest en dat Allah hen had verzekerd dat er bepaalde voordelen waren aan een Heilige Oorlog, dat zijn opdracht was bevestigd en dat hij DE profeet was waardoor Allah zou spreken.

Dit is een heel vrije vertaling. Dat mag ook wel, want de eigenlijke legende, stamt pas uit de 4e opvolging, de richting van Ali. In die tijd werd dit verhaal heel veel verteld. Daarbij werden er bepaalde mystieke mogelijkheden aangestipt, die voor elke goede moslim zouden bestaan. Voor ons is dat allemaal niet zo erg belangrijk behalve dat ene: Mohammed is een prediker van een godsdienst: de verering van de God, van de juiste Weg. En terwijl alle andere, grote stichters van godsdiensten juist op aarde komen om ons daarvan het een en ander te vertellen en dan a.h.w. naar de zevende hemel op te stijgen ‑ of dat nu Jezus is die ten hemel vaart of de Boeddha is die a.h.w. verwaast of anderen die naar de zon gaan –  is Mohammed eigenlijk de enige die ons een heel verhaal komt vertellen over de wereld, die achter de grens van de dood ligt.

Hij ziet sferen. Waarom zeven? Ach, ook in zijn tijd werd er al het een en ander gedaan aan sterrenwichelarij. In die sterrenwichelarij had je zeven planeten. Zeven planeten zijn zeven sferen. Ongetwijfeld zit hierin ook de invloed van het Griekse denken. Dat Mohammed het getal zeven gebruikt, is helemaal niet zo gek. Maar dat hij die sferen achtereenvolgens beschrijft eerst als een men­selijk geïdealiseerd wereldje, dan als een wereld waarin je ook lich­tende figuren ontmoet, vervolgens als een wereld van grote natuur­schoonheid met oneindige verten en heel mooie lichtende engelen en lichtende zuilen, dat is wel bijzonder. Zo gaat hij verder en komt steeds in een wereld, die in onze termen uitgedrukt intenser licht is. Wij moeten dan wel aannemen, dat de man werkelijk iets heeft beleefd. Of hij daarbij inderdaad de gezondene Allah of niet, ik zou zeg­gen: zoek dat maar zelf uit. Het feit echter, dat hij die reis maakt en beschrijft, betekent voor mij dat Mohammed tenminste innerlijk bepaal­de mystieke belevingen heeft gehad, en dat hij in de toevallen, die in zijn leven zo’n grote rol hebben gespeeld, in vele gevallen gevoelig is geweest voor onze werelden.

Nu weten we allen wat Zomerland is. Dat is een fantasiewereld. Maar in die fantasiewereld leef je dan toch. Het paradijs, zoals Mohammed dat beschrijft in de eerste hemel, lijkt er wel een beetje op, vind ik. Wat hij vertelt over de tweede wereld klopt wel, met Hoog‑Zomerland. Elke sfeer, die hij beschrijft, vindt een parallel in een werkelijkheid die wij kennen. En de hoogste beleving is dan voor hem geweest de mystieke eenwording met God. Nu kunnen we over God altijd wel mooie verhalen vertellen, hij zegt toch niets terug. En als hij een profeet stuurt, zeggen we: Die vent kletst uit z’n nekharen en aan zijn we er ook van af. Dus we kunnen daar veel over zeggen, maar wat we eigenlijk moeten zeggen is dit. Wat gebeurt er met een mens, die een mystieke inwijding doormaakt? Die mens wordt geconfronteerd met een deel van zijn droomleven en zijn droomwerelden. Hij moet die overwinnen. Wat is zijn voertuig bij die overwinning? Zijn eigen gevoel voor harmonie, zijn aanvaarding. Noem die nu het paard van Mohammed.

Als je bewuster gaat worden, kun je niet van de ene wereld naar de andere springen zonder meer. Je moet werkelijk die werelden achtereenvolgens kennen en beleven. En eerst als je die reis al eens een keer hebt gemaakt, dan is dat hoogste punt, die explosie van opgaan in het geheel, ook bereikbaar zonder dat al die tussenwerelden en de belevingen daarin een rol spelen. Mohammed beschrijft ons in zijn reis eigenlijk een innerlijke werkelijkheid, niet een uiterlijke. Zijn reis, zoals trouwens ook sommige van zijn andere visioenen, is eerder een verklaring van datgene wat zich in de mens afspeelt dan wat er buiten bestaat. Dat het een legende is, ach, er zijn zoveel legenden. Een legende is dat wat je ineens droomt, als hij een feit erkent en dat niet zonder meer kan aanvaarden. Wij hebben binnenkort alweer Kerstmis. Denkt u nu werkelijk dat ze uit de hemel een engeltje met een rol in zijn handjes hebben opgehan­gen boven de grot? In de eerste plaats een engel is veel te goed om opgehangen te worden­. In de tweede plaats, waarom zouden ze dat doen? De meeste mensen kon­den toch niet lezen in die tijd.

Dan verder: Gelooft u werkelijk dat er engelenkoren zijn geweest? Wij horen dat soort verhaal zo vaak. Wij horen zo’n verhaal over de Boeddha. We horen het over Mohammed, maar ook over sommige heiligen. Zelfs van Franciscus van Assisi wordt verteld dat zijn moeder moeilijkheden had met de bevalling. Er kwam een zwervende dokter‑priester langs, die zei: Leg haar maar in de stal. Ze hoorde muziek, er waren heerlijke geuren in die stal en toen werd hij geboren. Is het niet wonderlijk, dat een mens altijd een verhaal eromheen moet maken? Dat komt omdat hij innerlijk de werkelijkheid niet kan aanvaarden, als er niet ergens een tussenweg is. De werkelijkheid is alleen aanvaardbaar, indien je haar a.h.w. fase na fase kunt verklaren, kunt omgeven met allerlei dingen die voor jou van betekenis zijn, ook al bestaan ze helemaal niet echt. Dan pas kun je haar accepteren.

Het kindeke Jezus in de kribbe, dat is allemaal goed en wel. Het is waarschijnlijk een armoedige geschiedenis geweest. Maar die armoedigheid past niet bij een messias, een verlosser. Dus gaat de mens het verhaal vertellen van het wonder dat het moet zijn geweest. Ik geloof, dat dit ook bij Mohammed een grote rol heeft gespeeld. De man is een wat vreemde figuur, dat zult u mij toegeven. Hij is in de eerste plaats een hippie van zijn tijd, want hij loopt van huis weg. Inde tweede plaats: hij is een zwerver. Hij is een tijd kameel­drijver. Hij weet te huwen met de eigenaresse van een karavaan: dat was in die tijd een heel kapitaal. Daarna bereikte hij allerlei waardighe­den, hij werd zelfs sjerief van Medina. Die man klimt langzaam maat­schappelijk op. Maar dat ene wat hij wil, kan hij niet bereiken. Hij wil namelijk een levende werkelijkheid, die niet onderworpen is aan allerlei projecties, aan goden, aan beeldjes die ergens tussen staan. En dan is deze droom van de reis naar de zevende hemel dus eigenlijk niets anders dan de laatste rationalisatie van een persoonlijkheid t.a.v. zijn einde­lijk bereikte eenheid met de Totaliteit.

Nu gaan we eens zien wat die zevende hemel is gaan betekenen. Dat Mohammed de zevende hemel heeft bereikt is eigenlijk een legende, een soort sprookje. Maar nadien horen we die term steeds weer gebruiken. De zevende hemel wordt a.h.w. een eindbestemming, het is het hoogste dat voor een mens mogelijk is. Dat hoogste is een beleving waarin de persoonlijkheid oplost. Je kunt ergens misschien jezelf nog wel zijn, maar je kunt jezelf niet meer afzetten tegen de totaliteit. Je kunt niet meer zeggen: Hier sta ik en daar staat het andere. Je kunt alleen existeren in het geheel met alle besef erbij. De mens dramatiseert en romantiseert. Als we ons realiseren hoe de hofzeden worden in de tijd dat Europa kennis heeft gemaakt met de krijgers van de kalifaten, dan kunnen we ook begrijpen dat voor die men­sen de mystiek eigenlijk in het gehele leven werd doorgevoerd. Het leven zelf was een romance. Denk eens aan de ridderslag, de mystiek van het zoeken naar het heilig avontuur, de verheerlijking van histori­sche figuren die tot legenden zijn geworden, bv. het verhaal van Koning Arthur en de Tafelronde. Denk aan de dramatische verering van mannen voor hun uitverkoren vrouwen. Het is duidelijk, dat de zevende hemelbereiking is gaan betekenen. Als wij over de zevende hemel praten, dan hebben wij het natuurlijk niet alleen over wat Mohammed heeft gedroomd of wat sommige mensen bereiking hebben genoemd. Dan spreken wij over de werkelijkheid van het bereiken, die voor iedereen mogelijk is. We moeten maar eens beginnen met wat punten neer te zetten.

In de eerste plaats: Eerst als ik alles wat in mij bestaat heb leren aanvaarden hoe dan ook, zelfs ten koste van een verandering van inhoud en gestalte van delen daarvan, kan ik verder gaan.

In de tweede plaats: Een bereiking kan nooit een zaak zijn die ligt buiten de werkelijkheid, waarin ik nu meen te leven, ze zal er altijd deel van moeten zijn.

In de derde plaats: Bereiking zal altijd moeten inhouden: kracht, inzicht en de mogelijkheid om beide gericht en bewust te gebruiken.

Als wij die drie punten stellen, dan klinkt dat misschien een beetje dwaas. De mensen zeggen dan: Wat ik nu bereik, is belangrijker dan wat ik ermee doe. Neen. De bereiking op zichzelf is eigenlijk een instrument geworden. Het bereiken brengt je bepaalde krachten. Het brengt je nieuw inzicht. Het brengt je vooral, indien het gaat om de mystieke bereiking, een enorme innerlijke zekerheid. Dat die zekerheid vaak wordt geboren uit een enorme innerlijke onzekerheid, doet eigenlijk niet veel ter zake. Het is alleen voor de verklaring belangrijk.

Als we weer aan Mohammed denken op weg voor de eerste hadj, dan weten we dat die man voor een geweldig avontuur staat. De mensen geloven niet allemaal in hem. Bijna 7/10 van het legertje dat hij bij elkaar heeft geraapt, bestaat uit roofzuchtige woestijnstammen, die helemaal niet in Mohammed geloven, maar die toevallig wel een hekel hebben aan die grote en vaak dominerende stad Mekka. Die man heeft dus grote problemen en hij moet die zekerheid vinden. En uit zijn innerlijke onzekerheid wordt volgens mij de neiging geboren om alle voorstellingen van de wereld achter zich te laten. Hij vlucht weg in zichzelf en zegt. Er moet een zin, een reden voor zijn. Wat kan er zijn? En dan betreedt hij zijn eerste wereld. Zijn wil, zijn poging om eenheid te gevoelen (zijn voertuig het paard) brengt hem naar die wereld, naar hij kan het nog niet alleen. Een lichtende gestalte gaat hen vooraf. Later wordt er in bepaalde versies zelfs een aartsengel van gemaakt, die hem beleefd verzoekt of hij wil meekomen, want God zou hem even willen spreken.

Mohammed is kennelijk een epilepticus: ergens toch al onzeker. Hij leeft in omstandigheden, die in zijn tijd en zijn wereld op z’n minst genomen buitengewoon zijn. Hij staat voor een probleem dat hij niet kan overzien. Hij heeft in zich een roeping, een woede en een eenzijdigheid waarvan hij zelf aanvoelt er geen raad mee te weten. Hij gaat dan verder en verder en dan komt de explosie: het absolute opleven van alles wat “ik”‑begrenzing heet: de zevende hemel. Hij spreekt dan met God.

Als je spreekt met God, met wie spreek je dan? Dan spreek je in feite met je eigen stem tot jezelf uit een besef dat je voor jezelf niet kunt waarmaken en dat toch ergens als deel van je bestaat. In die bereiking vind je de zekerheid. Het is niet meer jouw zekerheid. Je kunt niet zeggen. Ik ben het, dan zou je alles weer verliezen. Je moet terugkeren als iemand anders dan je bent, en dat doet Mohammed bij zijn ontwaken. Hij vertelt: Vanaf dit ogenblik ben ik de stem van Allah en de enige stem. Het “La ilaha illa illhu….” enz. (er is maar één God. God de Grote en Mohammed is zijn profeet) is in die tijd ontstaan.

Deze hele situatie bestaat niet alleen voor Mohammed, ze bestaat voor elke mens. Zoals de zevende hemel, de echte zevende hemel en niet de seksueel getinte imitatie, voor iedereen bereikbaar is. Want ook wij komen op een zeker ogenblik tot angst en verwerping van onze wereld op aarde en soms zelfs in de sferen. We zeggen: Ik kan het niet meer aan, het is niets meer, het heeft geen licht. Maar ik moet verder, want ik voel dat ik iets ben. Ik ben voor méér geboren dan voor deze waanzinnige bekrompenheid. En dan vluchten we weg en denken misschien dat we naar buiten gaan, maar we gaan in onszelf, in een somber land. Het eerste waar we innerlijk binnentreden is altijd somber. En dan is er die wil om door te breken. We willen een duisternis, we willen geen wanhoop, we willen geen verveling. We willen a.h.w. door de koepel van spleen heen breken naar een nieuw zinrijk en vol bestaan. Dat bestaan moet iets zijn wat ons waarmaakt hoe dan ook. Dan gaan we misschien fantaseren wat er gebeurt. Maar al fantaserende komen we in een wereld, die voor ons echt is. En op een gegeven ogenblik zien we het ineens: hier is een wereld waarin ik iets kan betekenen. Dan staan we misschien in onze droom, als leraar voor anderen of we treden binnen in een wereld waar iedereen gelukkig is waar we ook gelukkig zouden kunnen zijn. Maar …. we willen meer dan dit. We zoeken niet alleen het bevredigende van het ogenblik: de vergetelheid. We willen zijn, we willen wat betekenen. En als vanzelf zoeken we naar een nieuw symbool. Dat nieuwe symbool kristalliseert zich in een nieuw wereldbeeld. En ook daar blijkt dat we het ook niet helemaal kunnen waarmaken.

Als Mohammed wordt voorgegaan door een lichtende geest, dan heb ik wel eens het gevoel dat een mens wordt voorgegaan door zijn superego of zijn volledige persoonlijkheid, dat lichtende dat hij in werkelijkheid is. Dan ga je weer verder en verder. Maar hoe verder je gaat in jezelf hoe meer de werelden en de droombeelden die je kent niet meer passen. Je komt uit de wereld van de gewone vormen in een wereld van mathematische structuren waarin de taal een soort algebraïsche vergelijking is, een ideëel kortschrift, waarin goddelijke gedachten alleen nog kunnen worden uitgedrukt in a + b. En ook dat is niet genoeg, want het begrip is onvolledig. Dan gooien wij ook die grens weg. Die taal is niet voldoende. Laten we het dan maar beleven. Die vormen, die structuren begrenzen teveel. Wij willen onszelf zijn. En dat betekent: vrij, onbegrensd leven. Dan komt er een ogenblik, dat wij inderdaad niet meer weten waar we zijn. Het is een flash. Het is alsof iemand een blitzlampje ontsteekt. Het is alsof er rond je een zee van licht is die zich enorm uitbreidt en waarin je bent opgenomen. Je bent machteloos, je bent hulpeloos en toch spreken er duizend stemmen tegelijk in je, maar je verstaat ze niet eens. Het is een zacht gemurmel dat pas veel later, als het licht alweer begint te doven, de gestalte krijgt van een naam, van een woord, van een begrip. Je keert terug en je zegt: Ja, dat is mijn bereiking, dat is mijn zending. En dan kun je gelijk hebben ‑ of niet.

Mohammed heeft gelijk gehad. Hij heeft gewonnen. Had hij de eerste hadj verloren, dan was hij een van de vele idioten geweest, die dachten dat ze iets bijzonders waren. Zoals Jezus in zijn leven een van de vele profeten was, die in Galilea rondzwierven en zeiden dat zij messias waren of de aankondiger van de messias. In het hele land leefde ook toen een messiaanse gedachte. Altijd weer, als er zo’n denkbeeld is: er moet iets gebeuren, dan komen die mensen naar voren en zeggen: Ik ben het. Degenen die slaven zijn dan de leiders van de wereld, de stichters van een nieuwe godsdienst, van een nieuwe filosofie, van de nieuwe mathematica, van de nieuwe we­tenschap. Maar allemaal moeten ze voordat ze zover kunnen komen – zowel degenen die in onze ogen mislukken als degenen die wel slagen ‑ dat ogenblik kennen van een opgaan in een geheel waarin je weet dat je niets weet en gelijktijdig toch alle weten kunt bevatten. Als je dan uit die verdwa­zing, dat zelfverloren daar terugkomt, dan heb je de regels voor je ge­drag en je hebt in die beleving gelijktijdig ‑ zoals Mohammed het had ‑ de rationalisatie voor hetgeen je gaat doen.

Als er misschien iemand is die zegt: Die zevende hemel geloof ik wél, dan mag dat ook. Het is namelijk iets waar je zelf mee wordt geconfronteerd. De meeste mensen vergeten altijd dat je de hemel alleen kunt bereiken, indien je bereid bent het duister onder ogen te zien. Je kunt een lichte wereld alleen waarmaken ‑ in de geest zowel als in de stof ‑ indien je bereid bent te aanvaarden wat er aan duisternis is. Je kunt de volmaaktheid niet bereiken, indien je niet eerst de fouten aanvaardt die in je en rond je eventueel bestaan. Dat is nu eenmaal zo.

In deze dagen staan we ook ergens aan de grens van een grote verandering. Ik wil nu niet al te pessimistisch gaan doen, maar het zal toch zo langzamerhand wel duidelijk worden dat de wereld aan de grens van haar ondergang staat. O, niet dat ze zal ondergaan, maar ze zal zich alleen kunnen redden door haar denken te veranderen. En denken impliceert sociale ordening, economische verhoudingen. Dat betekent een ander begrip voor godsdienst, politiek en al die andere dingen meer. Het betekent zelfs een totaal nieuw concept voor wetenschap, voor onderzoek, voor wederkerige verplichtingen, voor verantwoordelijk­heid en alles wat daarbij behoort. De wereld staat dus op een eigenaardig punt. Dat blijft nog een paar jaren zo, want de aarde schiet niet zo hard op. Ze is net als de mensen. Alleen moeten we zeggen: De aarde is meestal iets vlugger dan een commissie van onderzoek!  Maar als die toestand er reeds is, dan zullen we ook worden geconfronteerd met mensen, die op de een of andere manier in die wereld zichzelf willen waarmaken, die voelen: we moeten optrekken tegen Mekka, tegen de stad met haar afgoden. En de een zal zeggen: Het is de Beurs en de afgoden zijn de aandelen en dividenden. Een ander zal uitroepen: We trekken op tegen het Capitool of tegen het Kremlin! Want eenieder heeft wel iets waar hij op gebeten is. Elke kruisvaarder moet een doel hebben, anders heeft de kruisvaart geen zin. Maar al die mensen zullen meer en meer moeten ontdekken dat ze machteloos zijn. Het is de strijd van de machteloosheid, die je vindt bij een Baader‑Meinhofgroep, bij de Palestijnse terroristen, bij de westerse politici naar ook bij de olie‑sheiks.

De mensen, die zichzelf willen waarmaken, zullen voor zich dan eerst moeten accepteren: ik ben eigenlijk machteloos. Ik sta in een we­reld waarin ik niets kan doen, want ik weet niet wat ik zou moeten doen. Dan zullen ook ze wegvluchten en zeggen: dat moet dat voor een wereld zijn? Er komt dan wel weer iets te voorschijn: het jaar 2000, het bellamyaans parades. Maar dan zeggen de mensen weer: dat is het toch eigenlijk ook niks. En de droombeelden gaan verder en verder en verliezen meer en meer hun vorm, want de denkbeelden die we in vormen hebben zijn leugens. Ze zijn beperkingen van de werkelijkheid, terwijl ze pretenderen werkelijkheid te zijn. En dan gaan we daarin verder zoeken.

Denkt u niet dat er heel veel mensen zijn, die in deze dagen op weg zijn naar de zevende hemel? Wij willen gewoon wat anders, maar we weten niet wat. Wij hebben er genoeg van zoals het nu is. De enige uitweg die we vinden is voor onszelf heen. We moeten beseffen wat voor vorm we hebben, wat voor gestalte, wat voor inhoud. Maar we kunnen niet zeggen: dat ben ik. Daarom zeggen we: dat is een wereld. Zo bouw je die werelden op, sfeer na sfeer. Laten we het heilige getal zeven naar erbij houden.

Je begint bij de droefgeestige werelden. Daar vind je eindelijk je voertuig: het idee, het gevoel waarmee je verder kunt gaan. Dan kom je in een droomwereld: je ideale wereldje, de geslaagde Oranje‑vrijstaat, het geslaagde kabouterreservaat of iets dergelijks. Maar dat vind je eigenlijk toch ook niets en je gaat verder. Maar dan zeg je: Ik kan niet werken met maniertjes, ik moet werken met ideeën. Dan kom je als vanzelf in een abstractere wereld terecht. Daar zeg je: Als ik al die ideeën overzie, dan ontbreekt er iets aan. Als je nu de moed hebt te zoeken naar de sluitsteen van het geheel, dan ga je van wereld tot wereld, van voorstelling tot voorstelling, dan kom je eindelijk in de zevende hemel.

Er zijn meer mystieke ervaringen in deze tijd dan u beseft. Die mystieke ervaringen gaan zelfs tot deze geluidloze explosie waardoor je plotseling opgelost, schijnt te zijn in een enorme verdunning, in een totaliteit die je alleen beleven kunt, die je niet kunt beschrijven. Die mensen komen terug elk op zijn eigen manier. En elk op zijn eigen manier zal zeggen: Allah spreekt door mij. Ik ben de stem en de tong van de waarheid. Wat ze zullen spreken, dat is het beeld van hun eigen wereld. Mohammed ontmoette Allah, maar daarom deed hij nog geen afstand van zijn wrok tegen zijn vaderstad. En zo gaat het op het ogenblik. Als wij die toestanden zo zien (terwijl we op aarde zijn, bedoel ik) dan zult u zeggen: Nu ja, die zijn gek, of, daar is een steekje aan los.

Zij lopen met geestelijke zaken aan het hoofd. Zoals men dat ook over Mohammed wel gemompeld heeft. Maar hij had heb voordeel dat hij man was. Kijk eens, als Joop den Uyl de geest krijgt, dan is dat anders, dan als Piet Pietersen dat krijgt. Want Den Uyl kan zeggen: Dit is mijn visioen, daar gaan we met de Staat naar toe. Piet Pietersen kan zeggen: Ik heb een visioen gehad. Ik hoop dat mijn huishouden het toelaat om daar wat aan te doen. De mensen zullen al degenen die zich met geestelijke zaken bezig houden uitlachen. Ze zullen zeggen: Jullie met je genezing, met je psi‑krachten, met je nieuwe visie, dat is onmogelijk. Maar het is mogelijk. Laten we één ding niet vergeten.

Mohammed, epileptisch avonturier als hij was, heeft het zover gebracht dat een groot gedeelte van de wereld nu nog leeft volgens de wetten die hij heeft vastgelegd, de Soera’s van de Koran. Jezus was in zijn tijd misschien ook een dromer, een profeetje dat wel een beetje lastig was, nu ja, die ruim je wel uit de weg. Anders hebben ze er niet over gedacht. En vele van de wonderen, die er onderhand zijn gebeurd, zijn er ongetwijfeld door de goedgelovige gemeente bij­gemaakt. Maar hij had God, hij had de Christus. Een groot gedeelte, van de wereld belijdt ‑ al leeft ze er niet naar – datgene wat hij heeft geleerd. Zo is het ook geweest met de Prins Siddharta. Zo is het geweest met de oude koningen, met de oude wijsgeren uit de geschiedenis, met de grote Indiaanse medicijnmannen en wat we verder ook maar vinden in de historie tot aan de eerste sjamanen toe, die zeiden te spreken met de voorouders.

De historie is gebaseerd op deze vervreemding waardoor de stoffelijk wereld plaatsmaakt voor iets wat je niet kunt omschrijven. De daden van de mensen zijn gedicteerd door dergelijke visioenen en de gevolgen ervan zijn lang niet altijd iets wat je als mens begeerlijk zult vinden. Peter van Amiens predikte de kruistochten. Hij werd heel handig gebruikt. Peter van Amiens meende dat hij een visioen had gehad en de bevrijding van het H. Graf was zijn Graalgedachte, zijn romantiek van de Beker van werkelijkheid en bevrijding, die je ergens moet vinden, en dan nog moet kunnen aanvaarden, dat is het mystieke verhaal, het werkelijk­heidsverhaal. Waar de wereld gist zijn er mensen die ontvluchten. Sommige van hen ontvluchten innerlijk naar het beste dat zij in zich dragen. En zo ontmoeten ze God, het Onbekende. Datgene wat stem krijgt door de mens voor de mens. Zij zijn het die tenslotte de oplossingen afdwingen in de tijd. Zij zijn het die krachten ontketenen die groter zijn dan de mens zich kan voorstellen.

Ook in deze dagen keren er mensen terug uit de zevende hemel. Ook in deze dagen zal men zich afvragen wat het te beduiden heeft. Maar ook in deze dagen zal men niet kunnen ontkomen aan de enorme kracht en geladenheid, die dergelijke mensen bezitten. Misschien dat Mekka vandaag aan de dag heel iets anders betekent dan men denkt. Misschien is het wel de verheerlijking van de luxe van het menselijk bestaan, de begeertemaatschappij, want dat is het toch eigenlijk. Maar ze zal aangevallen worden. En vele van degenen die de aanval doen, zullen niet eens beseffen waar het om gaat, dat de stad zal vallen. De ideeën zullen veranderen. Deze maatschappij zal zich aanpassen al zegt ze duizendmaal dat het onmogelijk is. Deze maatschappij zal zich keren naar een vrijheid die stoffelijk maar ook geestelijk veel groter is. En in een schijn van onthechting van het vermogen jezelf te zijn, kun je eigen rechten verwerven. Dat had ik nu te vertellen over de zevende hemel.

Slotwoord:

Als ik vertel over de zevende hemel, dan vertel ik eigenlijk niet alleen over Mohammed, maar over deze tijd. In de vragen is dat gelukkig tot uiting gekomen. Iemand heeft gevraagd: Hoe kunnen wij wat doen? Dat is eigenlijk een verkeerde vraag, hoe goed bedoeld en hoe juist ook in dit verband geformuleerd. De vraag moet zijn: Hoe kan ik iets zijn? Dat is heel wat anders. Wat ik doe, is altijd het resultaat van wat ik ben. Als mijn zijn anders wordt beseft, dan handel ik anders. Dus als je in deze tijd de krachten wilt vinden die je nodig hebt, (voor de een zijn dat enorme krachten en een ander begint misschien op een laag niveau) en je vindt die en je kunt met en vanuit die krachten leven, dan heb je eigenlijk alles gedaan wat nodig is. Als je zo spreekt over de zevende hemel, dan denkt iedereen: dat zou ik ook willen bereiken, dat zou ik willen meemaken. Je zoudt eigenlijk voortdurend in de zevende hemel moeten zijn.

Ja, lieve mensen, als iedereen in de zevende hemel was, dan liep op aarde alles in zeven sloten tegelijk en dat zou ook niet leuk zijn. Wij hebben gewoon een taak. De taak die u heeft, ligt in uw wereld. De taak die ik heb, ligt in mijn wereld. Het is niet iets wat, mij wordt opgedragen, maar het iets waardoor ik mijn waarmaak: en dat zal voor u precies hetzelfde zijn. Wij zijn iets. En als we leven, dan gaan we dat beseffen. Hoe positiever we leven hoe meer we ons bewust worden van hetgeen er in ons bestaat en van wat onze mogelijkheden zijn en hoe min­der wij ons bezighouden met het aantrekken van die dingen in de wereld, die eigenlijk niet bij ons passen. Ik mag daarover wat meer zeggen.

Er zijn mensen, die het allemaal wel heel goed bedoelen, maar wat ze doen (hun denken, hun streven) is eigenlijk gebaseerd op het verwer­pen van iets. Er zijn mensen die bv. zeggen: Die vrienden die ik nu heb, deugen voor geen cent. Geen interesse, dooie elementen en als ze eens wat hebben dan is het ook niets waard. Neen, ik ga nieuwe vrien­den zoeken. Weet u wat dan het vreemde is? Ze vinden vrienden, die precies zo zijn als degenen die ze verlaten hebben, want ze zijn daarop georiënteerd. Dat is dus een verkeerde manier van benaderen.

Als je begint met iets te verwerpen, dan zul je ondanks jezelf ook weer getrokken worden naar een herhaling van die situatie. Maar als je zegt: Wat is er goed in die vrienden? Ik ga mij met dat goede bezighouden en al het andere schuif ik opzij, dan ga je vanzelf positief reageren. Je zult dan ook aanvullende elementen aantrekken uit de wereld, maar die zijn positief: die beantwoorden meer aan wat je bent en wat je kunt. Dat is zuiver stoffelijk zo, maar dat is geestelijk ook zo. Als u positief denkt en streeft, zult u ook wel eens wegvluchten in uzelf, want niemand kan steeds de hele werkelijkheid verdragen, maar dan zult u het doen in positieve zin. Dan zult u niet kijken naar een bevrediging van iets omdat u tekorten heeft, maar dan zult u kijken naar de betekenis van hetgeen u bezit en daardoor a.h.w. een gesublimeerd ervaren krijgen waarbij langzaam maar zeker de begrenzingen van het “ik” ‑beginnen te versmelten.

De zevende hemel daar komen sommige mensen wel aan toe. In deze tijd zullen het er wel wat meer zijn, omdat de situatie, de spanningen, de mogelijkheden daartoe nu gunstig zijn. Maar als u het niet haalt, is dat toch niet zo belangrijk? Het is niet belangrijk dat u die zevende hemel haalt, maar wel dat u op weg bent. Een sportman die aan snelwandelen deed (die eigenaardige sport waarbij een mens bewegingen raakt die gelijktijdig een eend, een gans en een ooievaar jaloers maken) vroeg men eens: Is het nu zo belangrijk om ergens snel te komen?

Hij antwoordde. Neen, maar wel om er snel naartoe te gaan. Dat is nu een belangrijk punt, als je met je eigen onvolkomenheden, je probleempjes wordt geconfronteerd. De bereiking is niet zo belangrijk, die komt vanzelf wel. Het is belangrijk dat je op weg bent. Hoe meer je bezig bent over hetgeen je niet bereikt, hoe groter de kans dat je het nooit zult bereiken. Hoe meer je bezig bent over “het op weg zijn”, het gaan naar het positievere, naar het meer lichtende, hoe groter je moeilijkheden worden om dat lichtende concreet te beleven en om al wat eraan verbonden is in en vanuit jezelf waar te maken. Wij kunnen natuurlijk onze vooroordelen niet opzij zetten en wij hebben dat zo net gehoord. Maar Jezus was toch meer dan Mohammed. Het ligt er maar aan van welke kant je de zaak bekijkt. Maar is het belangrijk wie de beste was? Het is belangrijk, dat de weg die zij ons tonen voor ons begaanbaar is. Dat is belangrijker dan al het andere.

“Ik heb geen bewijs nodig, zo sprak een wijsgeer, “dat er een God bestaat. Voorlopig ben ik er tevreden mee te leven.” Daarmee sprak hij een wijs woord. Er zijn zoveel mensen druk bezig om te bewijzen dat God bestaat, dat ze niet leven. En wat heeft een dode eraan, als hij weet dat God leeft? Altijd weer moeten we onze weg kiezen naar wat groter, wat lichten­der, wat blijder is. Op het ogenblik, dat wij ons bezighouden met het som­bere lot der mensheid op deze wereld waar wij gaan door een dal van tra­nen, opdat wij eens vrijgekocht door het bloed …. etc.”, dan zitten wij onszelf de ellende, de duisternis aan te praten. Mogelijk zit je in een dal, maar zelfs daar valt wel een enkele keer de zon binnen. Maar als je aan die zon denkt en haar volgt, dan kom je eruit. En als je zegt dat het maar toeval is dat het licht in je is en de duisternis je wacht, nu ja, dan beschimmel je. Dus, besef goed. Wat Mohammed deed, was misschien een vlucht uit de werkelijkheid. Maar die vlucht bracht hem tot de hogere vorm van werkelijkheid, en die heeft hij toen metterdaad waargemaakt.

Dan kunnen we zeggen: Het zwaard is lelijk, dat is niet netjes. Ik vind dat één hele hoop mensen tegenwoordig op een verkeerde manier tegen alle geweld zijn. Je mag er wel tegen zijn voor jezelf, maar nooit t.a.v. een geheel, omdat je namelijk geweld nooit kunt uitroeien bij degenen die dit zien als een essentieel deel van hun bestaan. En als er geweld bestaat, dan moet er tenminste een verdediging tegen dat geweld zijn voor degenen die niet in staat zijn om een eigen vrijheid te vinden in het ondergaan van het geweld van anderen. Degenen die dat doen zijn in deze tijd vaak masochisten en geen bewusten.

Dus, vrienden, we moeten het gewoon zo zien: Wat Jezus doet en wat Mohammed doet is het vinden van een weg naar een beleving van licht. Het is het licht dat belangrijk is. Het is het terugkeren in zichzelf dat gelijk is. Jezus was ook doodmoe als hij een hele dag had gelopen en misschien nog een wonder op de koop toe had gedaan. Mohammed was uitgeput en moest verzorgd worden, als hij een hele dag op een kameel zat. Het waren gewoon mensen. Wij blijven ook mensen zolang we op aarde zijn. Zelfs als we geest zijn, blijven we gebonden aan de menselijke wereld. Het belangrijke is, dat wij het licht, de totaliteit, ervan bereiken en dat we steeds meer daarvan kunnen terugbrengen naar onze wereld.

Het is de kracht uit het geheel, die in ons en vanuit ons wordt weerkaatst, die de betekenis van ons bestaan voor anderen vastlegt. Het is gelijktijdig datgene waarin ‑ zo je in een God gelooft ‑ de goddelijke wil voor jezelf kenbaar wordt en door jezelf uitwerkt in de werelden die je beseft. Dat is nu volgens mij onze bestemming.

Zoek de zevende hemel ‑ en dan niet bij voorkeur in een “chambre separee” ‑ maar zoek die in jezelf. Zoek in jezelf dat ogenblik van beleving, van licht en van kracht. En als je dat niet in zijn volledigheid vindt, kun je altijd iets vinden van licht, een betere droom, een betere wereld. Put daaruit je krachten, opdat je het lichtende kunt waarmaken in de wereld waarin je leeft.