De ziel als originator van het leven

Laat ons beginnen met een korte definitie te geven van het begrip “ziel”, zoals het hier wordt gehanteerd.

Ziel: kern van het wezen, deel van de goddelijke kracht, waar omheen de geest zich beweegt als bewustzijn en eventueel vorm, welk geheel op zijn beurt zich in de stof als leven kan manifesteren.

Als ik de ziel zo definieer, dan lijkt het of de ziel alleen menselijk is. Ik wil trachten aan te tonen, dat wij het begrip “ziel” veel wijder moeten interpreteren dan alleen menselijk. Wij geloven in een God. God schept. Al hetgeen is geschapen, komt voort uit God, kan niet buiten God bestaan en kan alleen door de instandhouding Gods blijven bestaan. Wat u verder onder het begrip God wilt verstaan, is uw eigen zaak. Het gaat mij erom te constateren, dat wij God gebruiken als een absolute oorsprong‑, kracht‑ en milieuomschrijving en dat wij het begrip God, zoals de mens dit gewoonlijk interpreteert, moeilijk op een andere wijze kunnen uitleggen.

Wanneer er iets ontstaat is dat een deel van het Goddelijke. Als er een kracht is, die zich afzonderlijk of verschillend van andere krachten openbaart dan ligt daarin een deel van de oerkracht. Als er een verschijnsel is, dan is het Goddelijke daarin aanwezig. Dit Goddelijke is ‑ tijdelijk althans ‑ voor de beschouwer gescheiden van de goddelijke totaliteit. Het is de kern geworden van een verschijnsel en als zodanig valt het onder de omschrijving, die wij voor ziel hebben gebruikt. Dan is alles dus bezield. Niet in de zin, dat alle leven volkomen gelijkwaardig is, maar wel in de zin dat de ziel overal moet bestaan, voordat er een verschijnsel of een vorm kan zijn.

Nu ik dit heb gesteld – een punt dat sommigen van u ongetwijfeld enigszins aanvechtbaar zullen vinden – komen wij aan de kwestie hoe de ziel dan als originator kan optreden, want de ziel (een deel van God) wordt in dit onderwerp gesteld te zijn de voortbrenger van het leven.

In mijn definitie heb ik reeds gezegd, dat zich rond de ziel een bewustzijn vormt. Misschien kunnen we ook zeggen: in de ziel; want iets, wat geen massa heeft, wat niet ruimtelijk omschrijfbaar is, wat zelfs in tijd niet definieerbaar is, daarvan kunnen we zeggen: rond of in.

Bewustzijn. Een ziel zal pas originelen kunnen optreden, wanneer ze bewustzijn heeft. Bewustzijn ontstaat door een wisselwerking met het milieu, met het andere. Op het ogenblik, dat een deel van het Goddelijk zich bewust wordt te verschillen van de andere delen van het Goddelijke, ontstaat de eerste bewustwording, het eerste denken.

Hoe primitief dit denken kan zijn, ach, dat weet u zelf wel. We kennen daarvoor het bekende rijtje: Eerst het onderscheid tussen “ik” en “niet‑”ik”, waarbij “ik” niet nader wordt gedefinieerd en “niet ik” alleen een vaagheid blijft. Daarna “ik” en het voor het “ik” aanvaardbare en niet‑aanvaardbare van buitenaf. Dus een verschil, een onderscheid tussen waarden. Van daaruit differentieert zich dit steeds meer, totdat we ten slotte komen tot een erkennen van fenomena en dan vanzelf tot een reactie daarop. De reactie is het begin van bewustwording.

Nu kunnen wij, indien er alleen sprake is van een simpele reactie, niet spreken van een geest, een menselijke geest. Maar wij kunnen ons aan de andere kant voorstellen, dat een dergelijk bewustzijn zich toch in het milieu materie kan gaan bewegen en zich kan vereenzelvigen met de materiele begrenzing; of dat nu een cel is, een stuk steen, misschien iets groters; een plant, een eencellig wezen, doet niet veel ter zake. Wanneer die ziel er is, dan eerst komt er leven.

Waarom? Wel, men zou kunnen zeggen: de ziel is kracht; ze is energie. Als een mens leeft, dan is er energie in het totaal van zijn weefsels. Als hij sterft, is die energie er niet. We kunnen niet zeggen: hoe of waarom. We kunnen zeggen dat bepaalde spieren die energie niet meer leveren, dat het chemisch proces in het lichaam is stilgelegd. Dat is allemaal heel aardig en waar, maar als het komt tot het eerste leven, het eerste verschijnsel, zelfs de eerste eiwitcel op aarde, hoe kan ik dan bepalen waar dat leven vandaan komt? Niet uit ander leven. Niet zonder meer uit een chemisch proces. Het is er ineens.

Als we dat eerste leven verder onderzoeken, en we gaan na wat de waarschijnlijkheden zijn, dan blijkt dat wanneer straling van een bepaalde hardheid optreedt in een bepaalde solutie (hoofdzakelijk zouten en metaal zouten in water) dat die levensvorm dan kan ontstaan. De mens kan dit wel imiteren, maar hij is tot nu toe niet in staat om werkelijk vitale, zichzelf voortplantende culturen tot stand te brengen.

De Ziel komt dus in een cel. Maar als wij te maken krijgen met een groter object, dan kan dat b.v. een berg zijn. In een berg is geen energie, zoals we dat in een cel zien. Toch is ook daar een bepaald proces aan de gang. U zoudt kunnen zeggen: een gerichtheid, waar door de druk van de berg de massaverhoudingen van de berg voor een groot gedeelte worden bepaald.

De inboorlingen kennen nog verhalen van bergen, die zich verdedigen, die met stenen gooien, die stormen verwekken e.d.. En al haal je als modern mens een beetje je schouders daarover op, toch is het wel opvallend dat er dergelijke verschijnselen voorkomen. De uitleg ervan kan misschien verkeerd zijn. Misschien is die berg geen kwaadaardige godheid of demon, maar er moet toch iets zijn, wat reageert op de mens in de omgeving. Want als er 100‑maal mensen een berg opgaan en 99‑maal volgt er een zware steenslag, waardoor ze worden teruggedreven, dan kunnen we toch niet meer zeggen: Dat is toeval. Vooral niet, als die ene keer de mensen zich psychisch en misschien ook fysiek van de andere keren onderscheiden. In de annalen van de parapsychologie heeft men een groot aantal van die gevallen geregistreerd waarvan vele toch een zeer betrouwbare indruk maken.

Als ik nu zeg dat er in massa en massaverhouding ook spanningen bestaan, dat er in een berg (al is hij niet helemaal uit één steensoort, er zijn spleten in, er zijn bepaalde tussenliggende steenlagen) een spanning ontstaat, een vorm van energie, waaraan een ziel zich kan binden, dan ben ik een eind verder. Dan kan ik zeggen: Een bewuste reactie van zo’n berg is dus mogelijk, indien hij bezield is. Maar een mens zal dat toch niet als leven beschouwen.

Als we nu een geest hebben (dus een ziel met een bewustzijn dat verder ontwikkeld is), dan zoudt u kunnen zeggen: Zo iemand kan meer dingen tegelijk doen. Er is op een prikkel van buitenaf een groter aantal reacties mogelijk. Er is een grotere mogelijkheid tot erkenning. Hij kan meer dingen tegelijk zien.

U kent allen het bekende geheugenspelletje: U legt 10 voorwerpen op een tafel. U kijkt 20 seconden, gooit er een doek over en dan schrijft u op wat u heeft gezien. Iemand, die niet getraind is, brengt het tot 3, 4 of misschien 5. Iemand, die wel getraind is, brengt het in die periode tot 10, correct en volledig. Het is een kwestie van training. Wanneer een ziel steeds meer te maken krijgt met een milieu, waarin zij zelf actief optreedt, dan zal zij steeds meer ervaring opdoen; de geest wordt steeds groter. Maar vergeet niet, dat die geest alleen het bewust is; de kracht is en blijft de ziel. Nu zal de ziel op een gegeven ogenblik een behoefte hebben, die wat groter is dan de mogelijkheid. We nemen weer een eenvoudig voorbeeld:

Een eencellig wezen. Er is dus een ziel met een geestelijk bewust zijn, dat naar meer mogelijkheden vraagt dan door eencellige wezens nog kunnen worden gegeven. Dat is energie. Celdeling berust op energetische principes en verschijnselen op het moleculair vlak. Een geest kan die betrekkelijk geringe energie wijzigen. We krijgen een onvolledige celdeling en er ontstaat een tweecellig wezen. Als we ons nu verder realiseren, dat die groei van eencelligheid tot meercelligheid op deze wereld zeker niet onmiddellijk heeft plaats gevonden, maar dat het een langzaam groeiproces is geweest, waarbij tevens de celvorm oorspronkelijk zeer eenvoudig blijft (alle cellen gelijk) en eerst langzaam een functievariatie van die cellen gaat optreden, dan kunnen we toch wel aannemen dat de ziel hier door haar bewustzijn voor zich steeds grotere mogelijkheden schept. Nu kan ik wel zeggen, dat God de Originator is van alle leven, maar ik kan ook zeggen, dat Hij via de ziel de vormgeving daarvan helpt bepalen.

Een belangrijk punt waar we altijd weer even dreigen te stranden is de kwestie van de soort‑ of de rassengeest. We weten dat er grotere entiteiten bestaan, die in het vormgevend werk helpen. Maar wat doen zij? Maken zij zonder meer de stoffelijke vorm? Dan zal er altijd een bewoner moeten zijn, anders blijft die vorm leeg. U kunt een menselijk lichaam met al zijn bestanddelen imiteren, maar u kunt het niet tot leven wekken. Het leven komt ergens anders vandaan; dat is de ziel. Ik geloof niet, dat in een natuurlijk groeiproces een geest, hoe groot ook, in staat is zelfstandig een vorm te scheppen en dan een bewustzijn tot stand te brengen dat zich binnen die vorm kan bewegen. Dientengevolge ga ik zeggen: De geest kan worden opgevoed, geholpen en geleid door krachten met meer inzicht, die het milieu van die geest kunnen helpen beïnvloeden of daar in zelfstandig kunnen optreden.

Een grote geest kan een aantal zielen a.h.w. scholen. Hij kan zorgen, dat hun geestelijke capaciteiten groter worden, maar er is altijd de ziel nog nodig om het levensverschijnsel in de materie mogelijk te maken. Dat alles klopt betrekkelijk aardig. Dat is allemaal heel logisch gedacht, indien men de punten van uitgang maar aanneemt. Maar nu worden we in de natuur geconfronteerd met een heel eigenaardig feit.

Er bestaan stoffen, die zich het ene ogenblik gedragen als dode stoffen en het andere ogenblik als levende wezens. Als wij spreken over virussen e.d., dan worden wij dus geconfronteerd met wezens, die op de een of andere eigenaardige manier het ene ogenblik leven en het andere ogenblik dood zijn. Dat zou een absolute bestrijding betekenen van al hetgeen ik heb gezegd, tenzij we aannemen dat de geest zich niet geheel in de stof behoeft te verzinken om op die stof invloed uit te oefenen. De ziel kan de stof dus ook van buitenaf manipuleren en dan zou kunnen gelden: Indien er voor de geest bepaalde prikkels ontstaan, die voor haar een reactie noodzakelijk maken, zal zij reageren. Zij wordt dus leven en de materie, welke aan die reactie gehoorzaamt, gedraagt zich als leven. Op het ogenblik, dat de geest niet wordt getroffen (dat er voor haar dus geen prikkel, geen ervaringsmogelijkheid is), is zij in de materie niet actief en de materie is dood. Dat is een heel eigenaardig iets.

Als ik dit zo stel en ik leg er nog eens de nadruk op (bedenk wel, dit zijn voor een groot gedeelte geloofswaarden; dit zijn geen wetenschappelijke feiten zondermeer, dit is een afleiding van wetenschappelijke feiten, een soort filosofie, ofschoon ik aanneem dat het volledig strookt met de werkelijkheid), dan kan ik zeggen: De geest kan van buitenaf, door haar kracht, dus door de kern van haar wezen (de ziel) optreden als werkzame factor en de materie beïnvloeden. Dan kan hierdoor de materie tot een tijdelijk leven worden gewekt, dat echter ophoudt zodra de interesse, de gebondenheid van de geest en met haar ook van de ziel verdwijnt. Dan ben ik al heel dichtbij mijn doel.

Ik heb geprobeerd een redelijk logische afleiding te geven, waarmee aannemelijk wordt gemaakt (indien men de stelling aanvaardt dat elke ziel bezielend kan optreden voor alle materie), dat elk verschijnsel dat leven lijkt (dus een beheerst gedrag, dat niet alleen uit de aard der materie zelf verklaarbaar is, dus bezield) onder de invloed van een geest en de kracht van haar ziel staat. Maar hoe moeten we het dan zien, als er een geest is, die een mens kan beheersen en er ook een ziel met een geest moet zijn in een vlo, in een schrijvertje op het water, in een mug of een vlieg? Zouden daar dan geen verschillen tussen bestaan? Me dunkt, dat er om een vlieg te hanteren minder kracht nodig is dan om een mens te manipuleren en dat het totale energieverbruik voor het leven van een vlieg heel wat minder zal zijn dan voor dat van een mens. Maar misschien kunnen we ook dat verklaren.

Er is een tijd geweest, dat de mens met machines werkte, die een krachtomzetting gaven (dus een rendement van nuttige kracht) van 2 à 3% maximaal. De mens is verder gaan denken. Hij heeft steeds meer geleerd. Nu kan diezelfde kracht voor ‑ laten we zeggen – 40% omzetten en er zijn nu reeds machines in ontwikkeling, ofschoon, ik niet weet, of ze al worden gebruikt, die dat rendement kunnen opvoeren tot 84 à 85%. Met dezelfde hoeveelheid brandstof, dus met dezelfde hoeveelheid oorspronkelijke energie wordt mijn nuttig effect groter.

Als een ziel over een bepaalde kracht beschikt, dan is het nog lang niet zeker dat ze die kracht ook nuttig kan gebruiken. Zij moet steeds de sterkte a.h.w. leren om die kracht op de juiste manier te gebruiken en haar niet te verspillen. Ze moet leren welke toepassing, welke gebruiksvormen van kracht wel binnen het leven past in welke niet. Dan kunnen we zeggen, dat de mens waarschijnlijk ergens in het midden staat. In de mens heeft de kracht van de ziel een betrekkelijk aardig nuttig rendement, maar er blijft nog altijd veel over. Als die kracht dus toch wordt gebruikt (en bij een mens gaan we dat ontdekken), dan blijkt zij niet in het stoffelijke zelf te liggen, maar in een uitbreiding van bewustzijn en van invloedsmogelijkheid vanuit het stoffelijke. Het stoffelijke gaat dan als kern fungeren voor een invloed die daarbuiten sterk kan optreden, zonder dat er een stoffelijke handeling voor nodig, is; zoiets als een magneet, die een eigen veld rond zich spreidt en daarmee eigenschappen kan geven aan bepaalde stoffen in de omgeving. Op deze manier kunnen we dus ook verklaren, dat de ziel het leven voortbrengt.

Dat wil zeggen: het verschijnsel leven eerst mogelijk maakt, wat zonder haar niet mogelijk is, terwijl elke ziel in principe in de kern even krachtig is, maar waarbij het verschil van bewustzijn bepalend zal zijn voor de wijze, waarop die kracht wordt gebruikt.

Dan komen we vanzelf tot de kwestie van de mens. We hebben aanvaardbaar gemaakt, dat die ziel dat kan doen. Maar nu ontstaat er menselijk leven. We weten allemaal hoe dat gaat. Ik geloof zelfs dat u tegenwoordig per TV seksuele voorlichting krijgt en daar staan toch wel enkele principiële feiten in. Het komt daarop neer: in de man en in de vrouw zijn cellen, die reeds leven. Dat leven moet dus deel zijn van het leven van de ouders. Ze treffen elkaar en daardoor ontstaat er een proces van celdeling. Naarmate dat proces zich voortzet, maakt dat leven zich meer en meer onafhankelijk. Je kunt eigenlijk niet meer zeggen, dat de kracht de bezieling van de ouders is. Je kunt hoogstens zeggen: de kracht van de ouders is de eerste schok, waardoor een reactie ontstaat waarbij andere krachten in het geding komen. Dat vinden we ook bij heel veel dierlijk leven in vele verschillende vormen.

We kennen bv. de ontwikkeling van het ei buiten het lichaam, zo als dat bij de vogels is, ook bij amfibieën. In al die vormen geldt, volgens mij: de bezielende kracht van de ouders is in staat om de mogelijkheid tot krachtopenbaring voor een andere ziel en geest te vereenvoudigen. Maar we weten tevens, dat niet zonder meer het samentreffen van het manlijk en vrouwelijk element de vorming van leven garandeert. Er zijn heel veel voorbeelden te geven, waarbij we zien dat weefsel inderdaad wordt gevormd; maar dat weefsel gedraagt zich niet normaal, het woekert eigenlijk een beetje voort en op een gegeven ogenblik heeft het geen energie meer, het laat los. Dan hebben we te maken ‑ en dat gebeurt vaak in de eerste maanden ‑ met een vorm van beperkt spontane abortus. Een lelijk woord misschien in de oren van velen, maar het is nu eenmaal zo. Dan vloeit de zaak eenvoudig af. De vrouw heeft wat hevige bloedingen, er komen wat eigenaardige dikkere stukjes in voor en verder merkt men niets; het is voorbij.

Men zou dus zeggen; de ouders kunnen dat niet zonder meer doen. Maar het feit, dat de omstandigheden gunstig zijn, maakt het voor een ziel met een zeker bewustzijn wel mogelijk om sneller en eenvoudiger aan de gang te gaan dan wanneer zij eerst zelf zo’n lichaam zou moeten vormen. Het is bijna zeker, dat het vormen van een menselijk lichaam mogelijk is. Maar alleen al het scheppen van de verschillende soorten cellen, het stellen van hun onderlinge verhoudingen (dus het aanbrengen van de oerpatronen, die erfelijk in de mens liggen) zou misschien 100 jaar vergen en enorm veel energie. Het is echter mogelijk. Mag ik dan stellen, dat alleen indien er een ziel aanwezig is (een bezielende invloed) een vrucht werkelijk tot volledige rijpheid en eigen leven kan komen? Als u die stelling accepteert, dan hebben we ook hier weer gezegd: het is de ziel, die het leven voortbrengt.

Maar wat is leven? Het is aardig om al die dingen te definiëren, maar we zitten steeds te praten over: de ziel origineert het leven. Wat is leven? Leven is niet alleen lawaai, al lijkt het er tegenwoordig misschien wat op. Leven is de reactie op de buitenwereld, zeker. Maar leven manifesteert zich bovendien als een vorm van energie. Dat is nog niet voldoende. Het leven openbaart zich als een vorm van energie, die zichzelf in stand houdt door een binnen het “ik” gerichte omzetting van stoffen of andere gebonden energie; met andere woorden: leven is een fabricageproces. Kracht, die vrij komt en op de juiste manier wordt gedirigeerd.

Als ik zeg dat er een ziel is, dan zeg ik dat er kracht. Maar nu heb ik dus meer gezegd. De kracht, die wij ziel noemen is a.h.w. de richtingaanwijzer, de beheerser van alle processen, waardoor kracht kan ontstaan. De samenhang en het evenwicht van deze processen worden door de ziel bepaald. De ziel maakt daarvoor gebruik van het erfelijk patroon. En zo kom ik toch weer terug op de vraag: Is er dan ergens een grondvorm? We hebben daarover op een vrijdagavond al tamelijk uitvoerig gesproken. Ik geloof niet, dat we dat nog eens behoeven te doen.

Op een gegeven moment hebben we een vorm, die energie is aan de ene kant. Kijken we aan de andere kant, dan is zij materie en gedraagt zich als zodanig. Energie, die wordt omgezet in materie, is niet iets, wat wij zondermeer aan een ziel kunnen toeschrijven, of het moet een ziel zijn, die enorm veel grote mogelijkheden en ook een groter bewustzijn heeft dan de mens. Laten we eenvoudig zijn en zeggen: Dit is niet menselijk en niet in overeenstemming met de principes van leven, zoals wij die nog kennen en beschouwen. Daarom zullen wij deze functie goddelijk kunnen noemen. Maar we weten ook, dat die verschijningsvorm door de beschouwer wordt bepaald en dat de eindreactie, hetzij van de straling (eigenlijk vibratie), hetzij van de materie, kenbaar wordt door de middenstof; dus door datgene, wat ze ontmoet. Als ik dan daarop voortborduur, kan ik zeggen:

Er is een goddelijke origine. Daaruit wordt de oervorm, de oerkracht, de oermaterie geboren en mede ook de ziel, die een in begrensde vorm van de oerkracht is. Wanneer deze ziel wordt beroerd door de in het Goddelijke geschapen krachten of materievormen, kan zij daaraan een binding en een vorm geven.

Ik heb hier in feite geponeerd, dat de kern van het leven (de ziel plus de geest) meester is over de materie. Ik heb verder gesteld, dat de grootte van de ontwikkeling (de geestelijke bewustwording) bepalend zal zijn voor de wijze waarop en de mate waarin die beheersing kan worden uitgedrukt. Ik heb daarbij één ding buiten beschouwing gelaten: dat het mogelijk is, om met de eigen kracht goddelijke kracht, althans een grotere kracht, te richten en het effect daarvan te bepalen. Deze mogelijkheid bestaat ook. Het is maar een stelling.

Ik meen te mogen zeggen, dat de mens door zijn geestelijke inhoud voor een groot gedeelte zijn materiële vorm en verhoudingen, mogelijkheden en eigenschappen bepaalt.

Ik zou verder willen zeggen, dat de mens niet alléén beperkt is tot het beïnvloeden van datgene, wat zijn eigen belichaming is, hij zijn energie kan gebruiken op elke minder sterk georganiseerde vorm van materie of energie in zijn omgeving. Anders gezegd: De ziel origineert het leven en de geest bepaalt de vorm ervan. De ziel kan de kracht verschaffen en de geest het bewustzijn, waardoor een vorming mogelijk is overal waar de kracht juist wordt gebruikt.

Dat is misschien in dit verband toch ook wel belangrijk, want we kunnen ons nu voorstellen dat b.v. een engel afdaalt tot deze wereld, worstelt met Tobias de jongere en hem een recept geeft voor de blind geworden Tobias de oudere, en dat dat recept werkt. Het heeft niets te maken met de heerlijk wassende eigenschappen van de een of andere rivier. Het heeft doodgewoon te maken met een geestelijk gezag, dat groter is dan het gezag en het bewustzijn dat in deze Tobias leeft. De sterkere kracht is in staat om de bezielende macht in de eerste te leiden bij haar gebruik van krachten en in de tweede plaats direct invloed uit te oefenen op de vormen van alle materie, die niet geheel doordrenkt zijn van de geest en de zielekracht a.h.w. van de oorspronkelijke ziel.

Ons onderwerp heeft ons dus iets verder gevoerd dan alleen maar een poging om te bewijzen: de ziel is de originator. We hebben daaraan conclusies verbonden en die kunnen we natuurlijk heel ver doorvoeren. Men heeft dat dan ook ten dele gedaan. Er bestaan vele oude wijsheden, tegenwoordig misschien wel als zuiver filosofie beschouwd, die volgens mij toch op de feiten zijn gegrondvest en waarbij men de beheersing van de materie door de geest niet alleen aanneemt maar gebruikt. Mijn conclusies voeren in dezelfde richting:

Indien het leven werkelijk voortkomt uit een ziel, indien het een feit is, dat de geest (het bewustzijn, dat in of rond die ziel bestaat) vormbepalend en werkingbepalend is voor de kracht in die ziel, zo zal eveneens moeten worden gesteld, dat alle materie kan worden beïnvloed door het bewustzijn van een geest en dat de kracht van een ziel daarbij altijd vormgevend kan optreden. Indien er een tegengerichte kracht is, zo zal deze moeten worden overwonnen.

Bepalend voor het scheppend succes van een ziel en haar bewustzijn is dus wel de mate, waarin zij haar eigen kracht positief kan uiten in vergelijking tot de kracht, aanwezig in het object, waarop ze zich richt.

Nu heb ik voor u nog een paar punten om over na te denken. Mensen worden erfelijk beïnvloed; een feit. Wij weten, dat men lichamelijk wordt beïnvloed door de vorm van het lichaam; dat de eigenschappen, temperamenten, verhoudingen in het lichaam kunnen worden bepaald door de dingen, die van de vader en de moeder komen, of misschien via de vader en de moeder van een ver voorgeslacht.

Indien we aannemen, dat daarmee de vorm van het lichaam vaststaat, ja, dan is er een voorbeschikking. Maar indien wij aannemen, dat de ziel door haar kracht en de geest door haar bewustzijn uit de aanwezige mogelijkheden kan selecteren, dan hebben we al een beperkte vrijheid van denken en van wil; dan is er een zekere mogelijkheid om het eigen leven en de eigen vorm reeds in de vorming te bestemmen. En als ik aanneem, dat het mogelijk is bepaalde eigenschappen te elimineren en andere in beginsel te doen ontstaan, dan neem ik zelfs een absolute vrijheid aan, die ook de eigen vorm omvat. Wat is voor dat laatste nodig?

Wel, de eigenschappen (chromosomen) worden eigenlijk in de genen bepaald door een zeer complexe structuur van moleculaire geaardheid; het zijn een aantal moleculen in een bepaalde binding. Een molecule heeft een betrekkelijk geringe kracht. Als er een bewustzijn bestaat dat die kracht precies kan zien, dan is het heel gewoon mogelijk haar te elimineren. De mens zou dat kunnen doen met kunstmatig gerichte straling, maar beschikt ‑ naar ik meen ‑ nog niet over de instrumenten, waarmee zo scherp kan worden gericht. Wanneer de mogelijkheid er is om genetische eigenschappen voor de mens te wijzigen, dan zal die er ook zijn voor de geest. Niet alleen brengt de ziel het leven voort, maar krachtens het bewustzijn (de geest, die zij bezit) is zij in staat haar eigen bestaan in elke vorm voor een steeds groter deel te bepalen. Zij is in staat van zich uit niet alleen haar opvattingen, het contact met de wereld, maar ook haar betekenis in die wereld, haar vorm en waarde in die wereld te beïnvloeden.

Als je dat dan ook nog hebt gezegd, dan heb je geloof ik wel het allervoornaamste, dat er in dit onderwerp naar voren kan komen, ook werkelijk naar voren gebracht. Dat de ziel het leven voortbrengt, ach, dat willen we wel geloven. En dat het allemaal is, zoals ik heb gezegd, dat zullen sommigen onder u ook wel zonder meer klakkeloos aannemen. Maar er zit meer bij: het feit dat het een ziel is, waaruit uw leven en levenskracht voortkomt; het feit, dat de geest een bewustzijn is (niet te verwarren met het stoffelijk‑redelijk bewustzijn), dat bepalend is voor de vorm.

Zo kan men hieruit de conclusie trekken dat de mens, die in zich waarden kan vinden die niet redelijk zijn (ze mogen een redelijk element bevatten, maar ze kunnen nooit in hun totaal redelijk zijn) en die de verhouding tot het milieu bepalen, daardoor zijn geest a.h.w. nieuwe mogelijkheden geeft en zo zelfs een verandering van eigen leven, vorm en vermogens tot stand kan brengen.

Afsluiting:

We hebben gesproken over een probleem, dat enigszins abstract en filosofisch is. Het is niet belangrijk, dat wij ons met die problemen voortdurend bezighouden. Belangrijk is wel, dat wij onszelf vinden. Om onszelf te vinden moeten wij soms ook nadenken over het begrip “ziel”, over het begrip “geest” en moeten wij trachten een formulering te vinden, waardoor ons bestaan voor ons natuurlijk en aanvaardbaar wordt.

Geest zowel als mens moeten eerst ergens zichzelf vinden. Beschouwingen als die van deze avond kunnen daartoe bijdragen. Maar dan moet men ook begrijpen, dat deze problemen alleen in verband met het “ik” belangrijk zijn en dat zij als een algemeen vraagstuk betrekkelijk weinig belang hebben, want in de algemeenheid worden ze immers niet omgezet tot een wijze van leven, tot een gebruik van krachten of tot een stuwen van het “ik” naar nieuw bereiken. Dat is het wat belangrijk is.

Filosofische debatten zijn aardig, maar zolang zij het “ik” niet een nieuwe vorm van zekerheid geven, een nieuw begrip van daadkracht een nieuw beleven van het bestaan zijn zij eigenlijk tijd verspillen, nutteloos, doelloos. Ik hoop, dat u mij niet kwalijk neemt dat ik u dit aan het einde van deze avond zeg.

De problemen kunnen belangrijk zijn, indien we onszelf vinden. Want eerst als we onszelf kunnen vinden en accepteren, zoals we zijn, als we voor onszelf een desnoods foutieve voorstelling hebben van het bestaan en daardoor tot een aanvaarding komen van de vele onzichtbare dingen, die we ergens aanvoelen, waarvan we weten dat ze er zijn en die we toch niet helemaal kunnen inpassen in ons bestaan, kunnen we misschien de waarheid vinden.

Een mens, die gelooft, weet misschien weinig. Hij zal weinig over zijn geloof praten, maar door zijn geloven kan hij God ontmoeten.

Een mens, die zichzelf volledig kan omschrijven, maar niet begrijpt dat dit zijn leven is, bereikt niets.

Een mens, die enkele van zijn persoonlijke eigenschappen beseft maar deze dan ook verbonden ziet met het hogere, met het eeuwige, kent niet slechts zichzelf, maar hij put een kracht uit zijn erkenning.

De ziel neemt de stoffelijke vorm aan. Zij is de bezielende factor van het leven, maar zij bezielt niet om het spel. Zij bezielt, omdat het een zelfvervulling is; omdat de groei van de geest (bewustwording en realisatie) een noodzaak is voor haar en voor haar bestaan. Hoe kan een ziel de noodzaak kennen, die niet voortkomt uit haar Bron, uit de Schepper zelf? Mag ik daarom eindigen met deze woorden:

Denk over deze dingen na, totdat ge voor uzelf het leven, uw bestaan, uw streven kunt aanvaarden. Strijd niet erover, of het waar is of niet waar, als ge het in uzelf maar ervaart en er iets mee kunt doen.

Leef steeds sterker verbonden met de bronnen van uw bestaan. Besef steeds meer de vreemde oneindigheid, die zelfs in het menselijk tijdelijke tot uiting komt. Dan zult u niet alleen leren uw kracht te richten en te gebruiken, maar dan zult u leren uw geest te beseffen, uw geest te uiten in de stof en het wezen van uw ziel in de schepping te vervullen.