De ziel van de volkeren

image_pdf

11 maart 1969

Oorspronkelijk had men voor dit onderwerp gevraagd naar de psychologie van de volkeren. Psychologie echter is beperkt, want zodra wij alleen spreken over de psychologie van de volkeren, dan is dat vooral het functioneren van het denken van een volk. Maar in de mentaliteit, in het gedrag, in de achtergrond van een volk zit meer. Er is dat vreemde, ongrijpbare, onredelijke, niet te verklaren iets, dat een volk tot een volk maakt. En dan moet u niet redeneren vanuit het Nederlandse standpunt.
Het Nederlandse volk is ten slotte een verzameling van invloeden uit andere gebieden, samengevoegd in een geloof, dat eigenlijk niet eens algemeen is en uitgegroeid tot een mentaliteit, die met een uiterste zelfwaardering en zelfrechtvaardiging de wereld verwijtend in de ogen wil zien. Dergelijke dingen zijn nevenverschijnselen. Als wij trachten de ziel van een volk te vinden, dan moeten wij ons realiseren wat er op de achtergrond ligt, verder zelfs dan het psychologisch verklaarbare.

Een Fransman bv. is een pur sang materialist. Als hij denkt en rekent, dan is dat in de eerste plaats in zijn eigen belang en inkomen, zijn glaasje wijn, zijn genoegens. Toch wordt diezelfde Fransman plotseling tot een geheel ander wezen, indien er iets (het onzegbare) van het Franse volk in het geding komt.
Frankrijk is een heel vreemd land, zoals u weet. Als Frankrijk kan beslissen over de wereldvrede, dan zal het er waarschijnlijk niet toe komen, omdat er net een vervoersstaking is die eerst moet worden opgelost. Maar op het ogenblik dat men zegt: “Frankrijk deugt niet meer”, dan vergeten al die Fransen ineens dat ze eigenlijk alleen voor zichzelf willen zorgen; dan lopen ze warm voor idealen zonder zelfs helemaal te beseffen wat die idealen zijn. Dan ontstaat er een Gallische massa (iets anders dan een gaullistische massa), die met een enorm temperament improviseert en de meest eigenaardige middelen toepast om zich te handhaven.
Denkt u maar eens aan de taxi’s van de Marne. In die tijd stond de grandeur van Frankrijk inderdaad op instorten en al die taxichauffeurs zullen heus niet even enthousiast deze voor hun wagens toch wel zeer zware belasting naar het front hebben aanvaard. Maar zeker is wel, dat ze – eenmaal meegesleept in het gebeuren – niet meer dachten aan inkomsten, aan het kostbare bezit van hun wagentje, maar slechts dachten aan soldaten, dat ze eigenlijk bijna zelf weer oorlog gingen voeren. Dit is typerend voor de volksziel van Frankrijk.
Frankrijk is een materialist, die ingedommeld is in zijn kleine eigenbelangen, voortdurend vit en twist op de kleinste dingen, in staat is zich op te winden over de meest onmogelijke stellingen en verschijnselen, maar die indien het er op aankomt – in een soort zelfvergetelheid verzinkend – ineens emotioneel een massieve eenheid vormt met anderen. Dat is wat de Fransman onverslaanbaar maakt.

In de laatste wereldoorlog was Frankrijk een veroverd land; en in tegenstelling tot hetgeen later is beweerd, hebben – zoals trouwens ook in Nederland – 99 van de 100 Fransen op de een of andere wijze wel gecollaboreerd; d.w.z. ze hebben geprobeerd van de Duitsers wijzer te worden, eraan te verdienen. Maar als het niet meer te dragen was of als het persoonlijke gevaar te groot werd, dan verdween men; men dook onder. Onderduiken betekent eigenlijk je afhankelijk stellen van een ander.
Indien iemand een beroep op me doet als Fransman of als Franse vrouw, dan kan ik niet meer weigeren. Nog eigenaardiger is misschien wel de houding geweest van de maquisards, de mensen in de maquis (het struikgewas), die vaak levend van niets en lopend in vodden een soort eigen grootheid en een eigen mentaliteit wisten te krijgen, die vreemd genoeg is overgeslagen op de Franse bevolking. Als men zo nadenkt, dan krijgt men van Frankrijk een heel ander beeld dan Marianne, ofschoon velen tegenwoordig Marianne door Charles willen vervangen. Ik vind overigens, dat de gratie van Marianne groter is. Wat hier belangrijk is, is niet alleen maar Frankrijk, de Franse mentaliteit of een bepaalde weergave.

Een volk heeft een eigen sfeer. Die sfeer wordt ook in de incarnatiecyclus mede versterkt. U weet, als men incarneert, dan doet men dat zoveel mogelijk bij gelijkgerichten; en dat betekent, dat er in Frankrijk een sfeer is ontstaan – het is overigens een sfeer, die hoofdzakelijk is ontstaan ongeveer in de jaren 1870 – die bepalend is gebleven voor de hele mentaliteit en voor de sfeer van Frankrijk tot nu toe. Alle uiterlijke veranderingen ten spijt is er in de benadering van het leven uit die periode en van het leven in de huidige tijd eigenlijk weinig verschil. De omstandigheden zijn veranderd, maar de mentaliteit is dezelfde. Daardoor zou je kunnen zeggen:

Er is een bezielende invloed, waardoor een volk langzaam maar zeker een karakteristiek krijgt, die niet meer alleen psychologisch verklaarbaar is. Zoeken we het in de massapsychologie, dan blijkt dat dat eveneens niet houdbaar is, omdat zelfs met die massapsychologie bepaalde verschijnselen niet te verklaren zijn. Daarom zou ik willen spreken over de ziel van de volkeren en niet over de psychologie.

Als we de ziel van de volkeren willen definiëren, dan hebben we natuurlijk in de eerste plaats te maken met de omgeving, dat is duidelijk want de sfeer die er heerst, bepaalt de vorm van incarnatie. Degenen, die die incarnatie kiezen, zijn harmonisch met de sfeer en bezitten dus dezelfde soort eigenschappen.

De Verenigde Staten bv. is een smeltkroes, in de Verenigde Staten zijn zoveel verschillende rassen en volkeren met elkaar versmolten, dat – zelfs al bestaat er nog een kleurverschil – in feite mag worden gezegd: dit is een geheel eigen mentaliteit geworden. Daar blijkt verder, dat degenen, die vroeger in de Verenigde Staten leefden, mensen waren van een zekere pioniersmentaliteit. Eerst zij, die de Far West hebben ontgonnen, maar daarnaast ook de pioniers: de mensen, die het aandurfden om uit landen als Ierland, Polen, Letland, Litouwen, Italië te emigreren en het leven in een geheel nieuwe wereld te beginnen. Die mentaliteit heeft dus de voorwaarde gevormd voor een bepaald aantal incarnaties.

Deze mentaliteit is tweeledig. Ze is in de eerste plaats er een van grandeza. Het is de wereld van het grote gebaar, van het wat exhibitionistisch tonen van eigen bekwaamheden. Daarnaast de meestal niet begrepen introverte neiging om eigen fouten te ontdekken en te betreuren. Er bestaat op het ogenblik op de wereld geen enkel volk, dat in wezen zoveel zelfkritiek kent als het Noord-Amerikaanse. Er bestaat geen enkele volksziel, die zozeer verdeeld is tussen uiterlijke materialistische behoeften en innerlijke onvolkomenheid, die ergens gecompenseerd moet worden in het meer geestelijke als die van de U.S.A. Je zult zeggen: Dat is helemaal niet verwonderlijk, maar als u het gedrag van de Ver. Staten gaat bezien vanuit dit standpunt, dan wordt u ook duidelijk waarom dat volk zich zo eigenaardig heeft gedragen in de wereldoorlog.

Ze hadden Duitsland nog niet verslagen en verteld dat het eigenlijk moest worden vernietigd, of ze begonnen er al kapitalen in te storten om te zorgen dat het niet te gronde ging. Ze beginnen de vrijheid in Vietnam te verdedigen en kwamen op een gegeven ogenblik zo ver, dat er in het land zelf een feitelijke oorlog ontstond over de vraag, of dat nu wel of niet gerechtvaardigd is. Al die dingen bij elkaar, zelfs de conflicten tussen de rassen zijn hiervoor bepalend. Want de neger mag dan in het begin misschien een slaaf zijn geweest, maar hij leeft langzamerhand in een wereld, waarin de begrippen van het extrovert tonen van eigen bekwaamheid en gelijktijdig het introvert zelfbeschouwend gevoel van onvolkomenheid, een rol te spelen. Het is duidelijk, dat ook in het donkerder deel van de bevolking steeds meer entiteiten zullen incarneren, die voor zich de behoefte hebben naar buiten toe luidkeels te tonen wie en wat ze zijn en die tegelijkertijd innerlijk worden gekweld door allerhande onzekerheden.

Wil men de grote opponent Rusland daar tegenover zetten, dan moet men ook hier weer uitgaan van de situatie, zoals die zich heeft gevormd: de sfeer van het land. De sfeer van Rusland is altijd tweeledig geweest. Aan de ene kant een enorme verambtelijking – die bestond overigens al onder Catharina II en zelfs eerder, denkt u maar aan de dorpen die Potemkin liet bouwen – en aan de andere kant de horigen, de slaven. Deze mentaliteit heeft een zekere gespannenheid tot stand gebracht, waardoor enerzijds een vorm van onderwerping, een enorm respect voor autoriteit is ontstaan en anderzijds er gelijktijdig de behoefte is aan emotionele uitbarstingen, die bijna het gehele Russische volk beheerst.
Nu moeten we goed begrijpen: Rusland is niet één volk, het bestaat uit zeer verschillende stammen en bevolkingsgroepen. Maar aangezien de algehele toestand in dit gebied ongeveer gelijk is geweest, kunnen we spreken van een Russische volksziel, die van de Kaspische zee tot de Baltische landen, Archangel en Siberië toe het geheel toch samenvatten. De ziel van een volk is niet de rasseneigenschappen van een volk.

Wat ontdekken we? In de eerste plaats een ontzettend sterke bewogenheid, veel sterker dan u zich kunt voorstellen, maar niet redelijk. Het is een zekere onbeheerstheid, waarbij het enthousiasme uitbreekt – of dat nu gecommandeerd is of niet – met volledige inzet van de persoonlijkheid en waardoor iemand, zelfs als hij op bevel een held moet huldigen, zo nadenkt over heldendom en zich zo identificeert met de held, dat de tranen hem in de ogen schieten en hij in staat zou zijn op dat moment zichzelf op te offeren om een eerbewijs te brengen aan die grootheid.

Aan de andere kant is het een land van een harde, ijskoude mentaliteit, die voor een westerling onvoorstelbaar is. Want de regel is heilig; en ze is zo heilig, dat ze overal geuit moet worden. Het is niet de vraag: “wat is opportuun?” ofschoon vele leiders van Rusland opportunisten zijn en menige Rus zich zeer opportunistisch weet te gedragen. Het is hier doodgewoon een kwestie van het onaantastbare. Het onaantastbare, is de grootsheid van het volk, niet van het communisme, zoals u misschien zou denken. Het is de mentaliteit, waardoor de horige, de lijfeigene van voorheen zich – ondanks alles – verenigd voelde met de Bojaren: de tirannieke, moordzuchtige landheren, de strijders. Het is de mentaliteit, die eens iedereen deed knielen voor vadertje Tsaar. De mentaliteit, die op dezelfde manier Lenin tot een heilige maakt, die in een mausoleum beter wordt aanbeden dan God in menige christelijke natie.

We moeten dat goed begrijpen. Het volk is hard, keihard naar buiten toe. Waar de Amerikaan met al zijn exhibitionisme betrekkelijk gemakkelijk te beïnvloeden is, daar is de Rus niet werkelijk te beïnvloeden. Hij is hard: want dit is de regel, dit is de leer, dit is de stelling, dit is het voorschrift. Haast ambtelijk registreert hij het leven en weigert enige afwijking van zijn beeld van het leven te accepteren. Toch wordt hij diep geroerd, innerlijk emotioneel beroerd en meegesleurd door alles wat er op de wereld gebeurt. Hier hebben we te maken met een mentaliteit, die gevormd werd door de grote standentegenstelling, die er altijd heeft geheerst. Een middenstand is er in Rusland bijna nooit werkelijk geweest. Er waren de heersers en de slaven.

Datzelfde heeft zich in de revolutie voortgezet en daarna. De benadering van het leven werd daardoor iets, wat voor u onvoorstelbaar is. Iemand die met tranen in de ogen kijkt naar een flatgebouw, dat met vrijwillige arbeid verrijst, is voor u iemand die een klein beetje getikt is, vooral als je er niet beter van wordt. Maar deze mens ziet hierin een bereiking. En dan gelooft hij misschien niet eens helemaal in de communistische partij, maar dat is deel van zijn volk, van zijn leven. Diezelfde mens buigt voor een regel, die u onmiddellijk aan kritiek zou onderwerpen. En als hij in verzet komt tegen de uitleg van een regel, dan is dat eerder een soort reformatiegedachte binnen het christendom dan een verwerpen van het christendom zou zijn in uw maatschappij. Er zijn schismatieken; er zijn geen werkelijke heidenen. Wie te maken heeft met dat volk, moet zich dat realiseren.

In China hebben we weer te maken met een heel andere achtergrond. Hier is ook de ambtenarij wel degelijk van belang geweest, maar die was geen harde bureaucratie, integendeel. Ze was eigenlijk het toonbeeld van geleerdheid. Ik geloof niet, dat er ergens een land bestaat, waarin men van een ambtenaar vergt dat hij bepaalde filosofische werken kent. In China was dat zo.
Een goed ambtenaar was geschoold als filosoof, had dichterlijke bekwaamheid, was een goed verteller en misschien dat hij daarnaast dan ook nog eigenschappen had om op te treden als beambte. Als u zich dat realiseert, dan ziet u dat de ambtenarij en de bureaucratie in China een totaal ander karakter had. Zij stonden wel voortdurend bloot aan kritiek, maar die werd niet geuit met geweld, zoals hier op het groene Zootje wel is gebeurd. Ze werd geuit in zoveel zilverstaven of zoveel onsen zilver of zoveel strengen munten. Omkoperij.
Het is juist deze eigenaardige mentaliteit met daarnaast de interne gebondenheid aan familie, aan volksgroep, welke aanleiding is geworden tot die bijzondere sfeer, die het China van vandaag kenmerkt.

De ziel van China, zoals we haar nu kennen, begon te ontwaken in de tijd van de z.g. Boksersopstand. Toen de verschillende geheime bonden een verzet tegen de blanke duivels begonnen, was dat eigenlijk nog niet eens een verzet tegen de blanken als zodanig, al heeft men het wel zo geïnterpreteerd. Het was meer een verzet tegen een andere filosofie, een andere denkwijze; en door dit verzet ontstond er een sfeer van onrust. Men moest zich handhaven; en daaruit kwam de behoefte voort om zich steeds sterker uit te drukken en werd de taak veel belangrijker dan de filosofische achtergrond, zonder dat men die kon missen.

Het Chinese volk van vandaag valt ook uiteen in zeer verschillende groepen; en natuurlijk heeft elke groep bepaalde karaktereigenschappen, die men elders weer niet aantreft. Maar we kunnen zeggen, dat dit gehele volk langzaam maar zeker aan het groeien is naar een vlekkeloze, vooral een ambtelijke eerlijkheid en een groot respect voor die eerlijkheid, omdat men uit de idee van omkoperij is gegroeid naar het denkbeeld, dat de ambtenaar – dat ben ik zelf, want ik ben een deel van de staat – in de eerste plaats rechtvaardig en eerlijk moet zijn. Zowel de opstanden in China als ook de continuering van het systeem en al wat daarbij te pas komt, wordt eigenlijk in de eerste plaats gedreven door deze intense behoefte aan een eerlijk, rechtlijnig bestaan met groot respect voor de filosofische achtergrond.
Het rode boekje van Mao en de uitspraken van bepaalde belangrijke personen worden in China niet in de eerste plaats vereerd omdat ze politiek belangrijk zijn, maar omdat zij een antwoord geven op de behoefte van de mens, die – eenmaal geletterd zijnde – een wijsgerige achtergrond van node heeft, want dat is de rechtvaardiging van je leven.

Ik geloof, dat het duidelijk is dat deze volkszielen, die ik zo goed mogelijk heb beschreven, weer aanmerkelijk zullen verschillen van India. India is een uitermate vreemd en wonderlijk land. De meeste mensen weten dat niet. Het is altijd in zichzelf verdeeld geweest. Kleine heersers bestreden en intrigeerden elkaar. Terwijl ze aan het strijden waren, lagen daar de grote wegen waarlangs de zwervers en de ossenkarren trokken, maanden lang, bruiloften voorbij trokken, alsof er niets aan de hand was. Zelfs toen de grote opstand, aangevoerd door de Kali-vereerders losbarstte, toen er soms gekozen moest worden tussen trouw aan een Engelse meester of meesteres en iets wat trouw aan het volk zou kunnen heten, ging het leven ondanks alles normaal door. De scènes van geweld waren bijkomstig. Het bloedvergieten was iets, wat men constateerde en waar men met een boog omheen liep zonder zich veel ervan aan te trekken.

Het leven van India is een zekere gelijkmatigheid, een aanvaarding van het lot, die nog niet zonder meer een onderworpenheid inhoudt. Het is eigenlijk alleen maar uit het veelvoud terugkeren tot de feiten: Ik leef, en het leven kan goed zijn. Als het leven goed kan zijn, dan moet ik vergeten dat er ellende is in de wereld. De Goden bepalen dit. Ik ben machteloos. Maar daar, waar ik zelf leef, moet ik de feestvreugde van het leven doen zegevieren, daar moet ik in de uitbundigheid van het bestaan gewoon vergeten dat er ellende, geweld en dood is.
Dat klinkt een beetje eigenaardig voor westerse oren, maar het is waar. Als er een bedelaar sterft op de straatstenen, dan kijkt niemand ernaar, want dit zijn dingen die je niet aangaan. Als een mens een zegepraal behaalt en je kunt juichen en bewonderen, je verheugen in het schouwspel, dan is dat wat anders. Als mensen elkaar doodslaan, als er grote charges worden uitgevoerd, dan is het alleen maar zaak om om te lopen. Dat gaat je niet aan. En dit terugvallen op jezelf, op de rechtvaardiging van je leven, de vreugde van je leven, de sterke gebondenheid ook aan eigen familie, heeft de ziel van India bepaald.
Het is een beschroomde, vaak wat wijsgerige ziel, die normalerwijze verder gaat als een beekje, dat ergens door een woud op de meest romantische wijze voortkabbelt met wat kibbelpartijtjes misschien en luidruchtigheid, die voor u exotisch zijn, maar eigenlijk toch wel met een zeker welbehagen en bezinning. En dan komt er een steen in dat riviertje en wordt het vredige bestaan bedreigd; dan bruist het water en kookt en kolkt het en slijpt het weg, net zolang totdat de steen op het droge is blijven liggen en de stroom een eindje verder rustig, zonder storing kan voortvloeien.

India is het land, waarin de volksziel tracht haar eigen vrede te handhaven door het ontgaan van de moeilijkheden en waarbij de behoefte om in de moeilijkheden van anderen te delen alleen maar kan worden bepaald ofwel door zelf verplicht te zijn aan de anderen – familierelatie bv. – dan wel door een gevoel van lotsverbondenheid: het is mijn bestemming, ik vind hierin alleen mijn vrede. De vrede is het meest belangrijk.

Zo vreemd als het moge klinken, diezelfde mentaliteit vinden we ook enigszins terug bij de Pakistani. In Pakistan is de godsdienst een andere, maar we mogen niet vergeten, dat de ontwikkeling van Achter India lange tijd bijna gelijk is geweest. De grote verandering ligt eigenlijk voornamelijk in de opmars van de Islam, die overigens – dat mogen we toch niet vergeten – ook in India zelf een heel grote invloed heeft. Daardoor is de voorstelling van het leven wel wat strijdbaarder geworden en begrippen als eer worden langzamerhand vereenzelvigd met begrippen als de hemel bij u. Men kan niet zalig worden, men voelt zich voor een voortbestaan niet beschermd, indien men zijn eer niet handhaaft.

Dit eerbegrip en de verschillende conflicten daaruit voortkomend zullen dus veel sterker de gelatenheid verstoren, die we in India hebben opgemerkt. Daar staat echter weer tegenover, dat de Pakistani de oplossing zoeken door eigenlijk terug te keren naar de kleine gemeenschap. De kleine gemeenschappen in Pakistan hebben een ontzettend grote gemeenschapszin en hebben dus ook een gezamenlijk denken, een gezamenlijke vorm van gelukkig zijn. Maar zodra het over meer gemeenten en verscheidene bevolkingsgroepen zou moeten gaan, dan blijkt dat elke groep onverschillig is voor het geluk van anderen, maar allereerst rekening houdt met zichzelf. Een wat eigenaardige zelfzucht misschien van uit uw standpunt, maar iets wat meer voorkomt.

Als wij gaan kijken naar Indonesië, een land dat sommigen van u misschien beter bekend zal zijn, dan zien wij ook daar de invloed van de sfeer van het land optreden. Ook hier vormt zich een ziel, een niet helemaal redelijk te verklaren mentaliteit. Nu moet u wel begrijpen, dat Indonesië uit een aantal eilanden bestaat. Elk van die eilanden heeft zijn eigen landschap en eigen sfeer, zodat de verschillen aanmerkelijk veel groter zijn, gerekend voor bv. de grote Soenda-eilanden dan in heel India en Pakistan samen. Daar zijn de werkelijke verschillen van de ziel veel kleiner.

Als we kijken naar Java, dan moeten we rekening houden met een zekere trots, maar ook met een zekere slavernij. Vooral daar, waar de kolonisten betrekkelijk vroeg de macht in handen hebben gekregen – zoals in de omgeving van Batavia, Soerabaja – daar is de volksmentaliteit langzaam maar zeker onderdanig geworden, maar gelijktijdig heeft ze zich ook afgewend van grootheid, want grootheid kon je in het leven toch niet meer hebben. Het enige was dus laten we proberen het zo prettig mogelijk te hebben. Dit is tot uiting gekomen in de houding van bv. de werklieden, die als ze een paar ringgits (rijksdaalders) hadden, zeiden: “Nou, dan werken we maar eens een paar dagen niet; dan gaan we feest vieren”.

Gaan we kijken in de Vorstenlanden, dan blijkt dat daar de traditie wat langer blijft gehandhaafd en daardoor een wat grotere invloed heeft. Maar ook hier bestaat de neiging om alles nu maar heel vriendelijk te accepteren, totdat men aan de grens komt. Als we de Javaan over het geheel nemen, dan zouden we kunnen zeggen: Dat is eigenlijk een romantische volksziel. Het leven wordt geromantiseerd, het wordt doorspoeld door allerlei invloeden, die de betekenis ven de dingen voortdurend weer veranderen. Het is een wereld, die niet werkelijk magisch is, maar er wordt een magische glans aan gegeven, omdat alleen zo die wereld te verdragen is en alleen vanuit deze magische realiteit een verwerpen van het onaangename van het leven mogelijk is. Maar dan komt er een ogenblik, dat dit gevoel van magische realiteit – waarvan je zelf deel bent – wordt aangetast; en dat kan vaak een heel klein beetje zijn. Het kan één onjuist woord zijn, een onjuiste beroering zelfs. En wat gebeurt er? Dan is mijn wereld gebroken; dan is er alleen nog maar razernij. Men denkt niet aan de ander. Ik leef in mijn eigen wereld en als ik 10.000 mensen moet doden, omdat zij een gevaar schijnen te vormen voor mijn wereld, dan ben ik daardoor een held en geen schurk, ook als iedereen dat veroordeelt. Als ik een slaaf ter dood breng, dan is dat mijn recht, dat is mijn grootheid en niemand moet dat bekritiseren, dat is onlogisch.

Zo is heel veel wat westers logisch zou zijn voor de Indonesische ziel eigenlijk onaanvaardbaar; de waarderingen liggen anders. Een te groot gedeelte van het ‘ik’ leeft in dromen en de realisatie van die dromen is het enig belangrijke. Al het andere, ach, daar kun je mee wachten. Zelf deel te zijn van een droom, maar dan van een steeds grotere droom, dat is belangrijk. Dat wil dus zeggen, dat het realiteitsgevoel in Indonesië aanmerkelijk achter staat bij dat in India en Pakistan. Aan de andere kant wil dat ook zeggen, dat daardoor dus de mogelijkheden tot het goede en tot het kwade op korte termijn in Indonesië weer veel groter zijn dan in India en Pakistan. U ziet, op zo’n betrekkelijk klein terrein vinden we dus een totaal andere emotionele achtergrond. Een onverklaarbaar iets.

Een volksziel, die in de psychologie wel kan worden gebruikt en die we wel gedeeltelijk psychologisch zouden kunnen omschrijven, maar waarmee we niet ver genoeg kunnen gaan. Zo zijn er meer van die dingen.

Gaan we eens kijken op de pampa’s in Zuid-Amerika. De mensen leven daar wijds en open. Het leven is aan de ene kant zo, dat je heerser bent van alles wat er rond je is; je bent trots. Aan de andere kant leef je in een gemeenschap. In die gemeenschap is ergens een vaderfiguur, een heersend en beschermend principe, waaraan je je onderwerpt, waar je niet eens over denkt als aan een gezag, dat je eenvoudig aanvaardt, omdat dat deel is van je leven. Een wereld, waarin de mensen ruimte hebben en vaak op elkaar aangewezen zijn, waar edelmoedigheid een verplichting is, waar maniërisme en hoffelijkheid tot op zekere hoogte onvermijdelijk zijn geworden.
Een wereld, waarin alles zo groots is, dat je als mens soms bescherming moet zoeken in een feestvreugde, een fiëstasfeer, in een ondergaan a.h.w. in de kleine gemeenschap om dan even los te barsten. Een wereld, waarin de wijdsheid ongetwijfeld ook bijdraagt – zelfs voor degenen, die in de steden worden opgesloten – tot een vreemde verwantschap met de natuur, een gevoel van verbondenheid met allerhande krachten die rondzweven.

De ziel van Argentinië is in feite de ziel van vlakten en bergen. Het is de ziel van trotse mensen die zo’n grote behoefte hebben aan de geborgenheid van een sterke figuur. Die zo graag willen ontvluchten aan de eenzaamheid van een te groot en te wijds leven in de ontzettend bindende energie-uitbarsting, die zij feest noemen of in een godsdienstige plecht – zeker het zuidelijk deel – is eigenlijk iemand, die als een kind in het leven staat en gelijktijdig zijn overmacht voelt over alle dingen en zijn onmacht beseft, die behoefte heeft aan een toevlucht.
Het is de aarzelende zoeker, die niet weet wat wreed is en wat goed en kwaad is, die alleen maar weet hoe je in vrede kunt leven met het gezag dat boven je staat, of dat nu God heet of wat anders. Je weet, dat je alleen in die edelmoedigheid, maar gelijktijdig een strijdvaardige edelmoedigheid, jezelf kunt handhaven, omdat alleen de mens, die het grote gebaar kan maken, zich als mens geloofwaardig maakt. Niets is zo belangrijk als mens zijn. Zaken zijn ondergeschikt aan het mens zijn. Geloof is ondergeschikt aan het mens zijn. En in dat mens zijn moet ergens een functie of een kracht zijn, waaraan je hangt, waar je een zekere bescherming bij vindt.

Ga je naar Brazilië kijken, dan vind je weer een andere mentaliteit. Het hart van Brazilië klopt niet in de structureel mooi uitgevoerde hoofdstad Brazilia of in de drukke steden aan de kust. Het hart van Brazilië klopt ergens in de haast ontoegankelijke gebieden, de bovenloop van de Amazone; ergens in de vreemde wildernis van het achterland waar de rubbertappers misschien nog hun weg gaan en waar de goud- en edelsteenzoekers misschien nog hun leven riskeren.
In dit vreemde land is de natuur alles beheersend. Alles beheersend is het leven. De grond, de dieren, de lucht, de rivieren spreken. De mensen zijn bijkomstigheden. Hun maatschappelijke situatie en al dat is ondergeschikt aan de natuur en aan de wisselingen van de natuur. De krachten van de natuur zijn nog veel sterker dan in Argentinië de meesters van de mens; en op die mens drukken zij hun stempel. De mensen zijn in uiterlijk veramerikaniseerd, maar ze worden bewogen door vreemde invloeden in de lucht, zoals een vogel met de wind misschien zijn vluchtrichting verandert of zijn vleugelslag vertraagt. Zelfs tot aan de kust toe treft men deze vreemde, onberekenbaarheid aan, dit gedreven worden door de natuur, door de omstandigheden.

Het is misschien vreemd om de vergelijking te maken, maar het lijkt mij vaak toe, dat het leven van de Indios (indianen) daar ergens in het oerwoud is overgeslagen naar het hele land. Het vreemde zoeken naar een zijnsrechtvaardging aan de ene kant, de angst voor het onbetrouwbare onbekende rondom en dan toch weer de primitieve, levensvreugde, die zonder een kenbare reden of oorzaak zich plotseling kan ontladen als een onweer in een roes van feesten en gewelddadigheid, misschien in een bloedroes of alleen maar in een uitputtend zoeken naar een ritme van beweging, waarbij niets meer van belang is dan de roes zelf, totdat je ineen stort. Dat is de ziel van Brazilië.

En kijk eens naar Mexico, een oud land. In Mexico zijn er steden. Die steden zijn modern, maar de mensen zelf zijn een vreemd mengsel van Indianen met magische kennis en bijgeloof, trotse Spanjaarden en verlopen gelukzoekers. Mexico is dan ook geworden tot een volksziel die in zichzelf enorm tegenstrijdig is. De ziel van Mexico is de ziel van een dief met eergevoel.
De ziel van Mexico is de ziel van een mysticus met oog voor vlugge verdienste. De ziel van Mexico is de natuuraanbidder, die geld put uit het verkrachten van de natuur, die hij aanbidt. Een tegenstrijdigheid, waarin de kracht pas ontwaakt door het gevoel van eigenwaarde dat overal een rol speelt. Zoals in vele landen speelt ook hier de grandeza een rol. Het meer zijn, het gebaar, de geste zijn belangrijk. De vriendelijkheid en de hoffelijkheid moeten worden gehandhaafd, zelfs indien ze misschien gepaard zouden gaan met verraad als dat onvermijdelijk is, maar voor alles is houding belangrijk. De ziel van Mexico kijkt naar zichzelf, kijkt naar de wereld en zegt: “Zie je hoe groot, hoe schoon, hoe sterk ik ben”?

Zo kun je de hele wereld afgaan. Je kunt spreken over de Teutoonse ziel en dan denken aan het Duitse rijk, dat op het ogenblik in twee delen is verdeeld. Maar het wonderlijke is, dat die twee stukken één en dezelfde ziel hebben. De Duitse ziel is er een, die het gevoel heeft dat ze te laat komt. Ergens in Duitsland is de jacht naar hetgeen men bereikt had moeten hebben. Het is altijd, of de praktijk een paar stappen achterblijft bij de werkelijke noodzaak, of men al te laat is. En juist daardoor krijgt men dit innerlijk gevoel van bedreigd zijn, van te laat komen, van niet voldoende doen. Of je nu Ulbricht heet of Heinemann. En of je nu kijkt naar Adenauer of naar West Duitsland in zijn geheel, het gedrag van Beieren of van Noord-Duitsland en je kijkt naar Oost Duitsland met al die verschillende mentaliteiten erin, dan vind je één en hetzelfde gevoel: dat men te laat is, dat men iets in orde moet maken en dat dat alleen maar kan door heel systematisch te zoeken naar een oplossing en al het andere terzijde te gooien.
De Duitse volksziel is een dichter met het uiterlijk van een bulldozer. De Duitse volksziel zou weemoedig de schoonheid van de zonsondergang willen bezingen, indien ze niet het idee had dat ze haar dagtaak had verzuimd. Dit vreemde gevoel van je moeten rechtvaardigen is geloof ik wel een element, dat men haast overal elders kan tegenkomen bij volkeren, die – juist door hun verdeeldheid en groei – een gevoel hebben dat zij als natie eigenlijk geen betekenis hebben.

Kijken we nu naar de Israëli van vandaag, dan vinden we ook hier weer datzelfde eigenaardige gevoel van een zekere overmoed en aan de andere kant de angst dat men te laat is; de voortdurende neiging om eigenlijk vooruit te lopen op de feiten en ook weer de innerlijke onzekerheid. Over het hele wereldbestel kan men de verschillende incarnatiekrachten zien, die er aanwezig zijn en dan komt men tot de wonderlijkste ontdekkingen. De mentaliteit van de farao’s en Egyptenaren uit het Middenrijk vinden we nu soms terug in Haifa en Jeruzalem. De eigenaardige instelling, die eens in Italië regeerde, vinden we wonderlijk genoeg nu terug in Engeland en in bepaalde delen van Noord Amerika. De trotse legers, die eens Afrika deden sidderen onder hun gestampvoet en koningssaluut, marcheren nu in Rusland en hebben gemarcheerd in Duitsland. De kruisvaardersgeestdrift van Frankrijk schijnt te zijn opgestoken, plotseling als herboren, in bepaalde delen van China. En het haast besluiteloze en toch ondanks zichzelf en eigen geluk, terugkerend zoeken naar verlossing, dat de ziel van India heeft gekenmerkt in het verleden en nu nog kenmerkt, dat vinden we terug in Nederland en België, in delen van Engeland, in Schotland. Het is wonderlijk, als je het zo beziet.

De psychologie van een volk is alleen een momentopname, maar de ziel van een volk is het groeiproces. De ziel van een volk is de sfeer, de tendens, waarin in elke gemeenschap afzonderlijk zich een ontwikkeling voltrekt, die incarnaties tot zich zuigt in gelijkgestemdheid en daardoor voortdurend beelden uit het verleden reproduceert onder andere omstandigheden, met andere helden misschien, maar toch hetzelfde doet herrijzen.

Het is misschien een boute vergelijking, als ik u zeg, dat de strijdkreten van de kruisvaarders, die optrokken, op het ogenblik worden weergegeven in de strijdkreten van de mensen, die met een Mao boekje ergens in een stadion staan te stappen om de toekomst te bedwingen. De wereld trekt steeds weer uit om het Gulden Vlies te veroveren, om het heilige Graf te bevrijden; en je weet eigenlijk niet waarom. Totdat je gaat beseffen, dat de ziel van de volkeren een sfeer is, die bepaalt wat daar geestelijk nodig en mogelijk is, die begrijpt hoe eigenlijk elke wereld en elke sfeer weer op zich een soort reservaat is geworden voor een bepaalde mentaliteit, die juist daar op dit moment zich kan ontwikkelen en uitbreiden en zich evenwichtiger kan maken.

Ik zou alle landen kunnen ontleden. Ik geloof niet, dat het zin heeft. Ik denk dat we tevreden moeten zijn met de constatering, dat achter alle redelijke verklaringen ergens de onbestemdheid is van een mentaliteit, van een bepaalde levensbenadering, die de ziel van een volk mag heten. De sfeer, het onbenaderbare, dat als een fijn parfum, zich uitspreidt door zo’n heel volk. Datgene, wat je doet voelen: het is hier vreemd, en dat je soms aantrekt met een gevoel van verbondenheid en verwantschap, wanneer je het ontmoet. Dat vind je in alles terug. Dat vind je terug in de vormgeving van een industrieel product, in een kunstwerk, in een taal, in een lied, een melodie.

De ziel van een volk is de weergave van een ontwikkeling van gelijkgestemde zielen, die elkaar treffen in omstandigheden, die materieel misschien niet zo aangenaam zijn, maar die dan toch door de sfeer die er heerst de beste mogelijkheden geeft.

Ik hoop, dat ik met deze inleiding mijn afwijking van de voorgestelde titel heb gerechtvaardigd.

Vragen

  • Is het verstandig voor mensen te emigreren naar een land, naar een ander volk? Wordt men dan geleidelijk in die andere sfeer opgenomen of blijft men in de oude sfeer hangen?

Dat is heel sterk afhankelijk van de eigen mentaliteit. U kunt uit ervaring constateren dat mensen, die hun volksziel niet als de enige en directe eigen noodzaak ervaren, zeer snel de emoties, de eigenschappen en kwaliteiten gaan overnemen van het gastvolk waar ze heentrekken. Het is dus wel heel duidelijk, dat er een mentaliteitsverandering plaatsvindt. Het beste voorbeeld daarvan kunt u in Nederland ongetwijfeld vinden bij de Oud Indische gasten, die in hun mentaliteit zeker niet meer Nederlanders zijn in de volste zin van het woord. Ze hebben een andere benadering van het leven, een ander denken en zelfs hun gevoelsleven is enigszins veranderd door de invloed van een volk, waarin zij – of ze dit nu hebben beseft of niet – toch ergens zijn ingegroeid in de volksziel, waarin zij deels opgenomen zijn geweest.

  • Maar het gebeurt toch ook wel eens, dat door immigratie een stempel wordt gedrukt op het ontvangende volk?

Dat gebeurt heel zelden, omdat door immigratie een stempel drukken op het ontvangende volk alleen dan mogelijk is, indien de immigrerende groep sterker is dan het ontvangende volk.
Het lijkt mij toe dat het stempel, dat bv. de Mayflower-groep en andere emigrantenvolken hebben gedrukt op het land aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, een feit is. Mag ik opmerken, dat dat ongetwijfeld mede gelukt is dank zij het feit, dat men de oorspronkelijke bewoners praktisch heeft uitgeroeid.

  • U heeft toch gezegd, dat in China en in Holland de mentaliteit een andere is enz. enz..

Mag ik corrigeren? In de eerste plaats heb ik geen vergelijking gemaakt op enigerlei wijze tussen Nederland en China, ofschoon de Nederlander zelf wel beseft, dat hij vaak een rare Chinees is. In de tweede plaats heb ik over roofridders, niet over kruisridders gesproken. Een kruisridder is een roofridder, die zijn praktijken met een ideaal bedekt, terwijl de roofridder het doet met zijn gewin zonder meer.

  • Staat achter ieder volk een entiteit aan wie deze ziel toebehoort?

Neen, er bestaat wel wat men noemt de beschermgeest of de geest van een volk, maar dat is eigenlijk een soort groepsgeest, een hogere Geest, die de ontwikkeling in een bepaalde mentaliteit helpt vormen voor zover dat mogelijk is. Het staat niet in verband met de volksziel, ofschoon er tussen de volksziel – zoals door mij aangeduid en besproken – en de geneigdheid van de eventuele groep- of beschermgeest soms een zekere overeenkomst te bespeuren valt.
De groepsgeest van een volk houdt zich bezig met de ontwikkeling van het volk en daardoor ontstaat er een evolutie. De volksziel is een tijdopname van de sfeer, maar van niet al te lange duur, waarin een volk op een bepaald moment leeft. En dat betekent dus, dat de geaardheid van de volksziel in enkele honderden jaren zich aanmerkelijk kan wijzigen.

  • Valt dat astrologisch te verklaren? Ja. Kan men het astrologisch berekenen?

Neen. Omdat daaraan invloeden deel hebben, die niet van stoffelijke aard zijn en als zodanig dus astrologisch moeilijk te berekenen zijn.

  •  Maar men zegt wel, dat in de astrologie een volk onder een bepaald teken valt.

Dat is niet helemaal juist, zoals u het stelt. Men zegt wel, dat een staat of een volk onder een bepaald teken zijn huidige vorm heeft gekregen. Bijvoorbeeld: Wanneer is Nederland in de huidige vorm (als koninkrijk) tot stand gekomen? Dat is dan het geboorteteken van het Nederlandse volk.

  • In hoeverre is een ingrijpen t.a.v. de ontwikkeling van volkeren geoorloofd, daar het voor de mens toch onmogelijk is alle consequenties en verdere mogelijkheden te overzien?

Ik geloof, dat een ingrijpen in de ontwikkeling van een volk alleen in zoverre is geoorloofd, indien het noodzakelijk is voor de zelfhandhaving, zonder dat daarbij enigerlei uitbreiding van invloed of belangen op de voorgrond wordt geschoven.
Een volk mag dus trachten een zeker zelfbehoud, een behoud van eigen sfeer en eigen wijze van leven voortdurend te bereiken, op het ogenblik dat het volk verder wil gaan dan dit, is het m.i. niet meer juist en verantwoord. Er moet dan worden gesproken van een verkeerd ingrijpen. Als zodanig beschouw ik bepaalde missies, die men tegenwoordig naar z.g onderontwikkelde gebieden zendt, vaak een aantasting van de evenwichtige ontwikkeling van de volksziel ter plaatse en als zodanig op de duur voor deze volkeren eerder schadelijk dan gunstig.

  • Zou u ons omtrent de achtergronden van de Deense volksziel kunnen inlichten?

Om het Deense volk te begrijpen moet u allereerst inzien, dat het een volk is dat onder zeer verschillende condities leeft en in zeer verschillende landschappen. Er zijn een groot aantal eilanden van zeer verschillende vruchtbaarheid, met andere leefcondities en zelfs ook klimaatcondities. Dan is daar Jutland, een wat zandiger gebied, dat qua landschap gelijktijdig woester en wat armer is dan de rest, voor zover men in Denemarken van een woest land kan spreken.
Hierdoor zijn er zeer grote verschillen. En daar de mensen met deze verschillende mentaliteiten elkaar zijn gaan ontmoeten, krijgen we dus een sterk egaliserende werking. We zouden kunnen zeggen: De Deen is in de eerste plaats gelijkmoedig. Hij is in betrekkelijk hoge mate verdraagzaam, vooral op redelijke grondslag. Zijn emotie wordt voornamelijk gewekt door het aantasten van zijn gemeenschap of van het landschap. Dat kan gebeuren, wanneer zijn familieverhoudingen worden verstoord, maar evengoed als de verhoudingen in een stad of een dorp, dan wel bepaalde instellingen worden aangetast. Daarvoor is hij bereid om onmiddellijk in te grijpen.
Daarbij moeten we rekening houden met iets, wat is overgebleven uit het verleden. Een betrekkelijk groot deel van de Denen heeft ergens een roversmentaliteit, die in deze vreedzame sfeer langzaam maar zeker is ondergedoken, maar die toch voor bv. scherpe handelspraktijken – het weten waar je eigen voordeel kunt krijgen en waar niet – zorg draagt. Een directe volksziel voor het gehele land bestaat slechts betrekkelijk omdat het land zelf in de Scandinavische sfeer is opgenomen en dus in vele aspecten zeer grote overeenkomsten vertoont met zowel Noorwegen als Zweden. De sociale en economische praktijken en toestanden in die landen verschillen dus wel, maar de mentaliteit verschilt veel minder dan u zou vermoeden.

  • Ook tussen Noorwegen en Zweden?

Ook tussen Noorwegen en Zweden. Het gaat hier nl. niet om de beoordeling. Ergens kunnen de zeden verschillen en toch kan de eigen opvatting tegenover die zeden dezelfde zijn. Ergens kan het milieu en de mogelijkheden van het milieu sterk verschillen, terwijl de benadering van eigen bestaan in het milieu dezelfde is. De volksziel houdt zich dus bezig met de balans tussen het onnoembare, het onredelijke, de emotionele sfeer van een land en de wijze, waarop de mens zich oriënteert t.a.v. die wereld.

  • Hoe is het mogelijk een harmoniserende of compenserende invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van een volkerengroep?

Harmonie kan alleen ontstaan, indien men uitgaat van de bestaande verschillen en zoekt naar een zodanig samengaan van verschillende waarden, dat ze hierdoor elkanders werking versterken. Als landen niet trachten een gemeenschappelijke norm te krijgen, maar daarentegen met hun verschillende normen voor zichzelf het uiterste proberen te bereiken dat volgens de volksmentaliteit te bereiken is – zonder dat grenzen een uitwisseling van producten, van mensen, zelfs van cultuur dit belemmeren – dan zou er een werkelijke harmonie kunnen ontstaan. Op het ogenblik echter, dat men vanuit zichzelf de ander blijft beoordelen en in feite dus een zekere grens tegen het andere tracht op te werpen, zal een harmonie niet bereikbaar zijn, omdat een gelijkmaking van volkeren nu eenmaal tot de onmogelijkheden behoort.

  • Geldt dat ook voor volkeren zoals de Baltische staten, die zo sterk verspreid zijn geraakt, dat de eigen sfeer dreigt te verdwijnen?

Indien de eigen sfeer gewelddadig wordt aangetast, zoals in Estland en Litouwen bv. dan krijgen we een overgangsperiode. In die overgangsperiode is de eigen karakteristiek zeer onbetrouwbaar. Daarna krijgt men in de jeugd door de verandering van sfeer een steeds grotere aanpassing; en ongeveer na het 3e geslacht zal een zodanige aanpassing aan de sfeer van de overheersende partij hebben plaatsgevonden, dat geen onderscheid in volksziel meer kan worden gemaakt tussen die groep en de heersende groep. Het is nl. niet iets, wat etnologisch of geografisch kan worden bepaald. De volksziel kan alleen door mentaliteitsbegrenzing worden bepaald.

  • Is uw voortreffelijke karakterisering ook globaal klassificeerbaar onder Dierenriemtekens of stralen. Er is immers een merkwaardige periodiek in deze kenmerken, zowel als de tekens en stralen. Zou u enkele voorbeelden willen noemen?

Er is in de karakterisering, die ik heb gegeven op grond van feiten, geen directe parallel of analogie te trekken t.a.v. de Dierenriemtekens of de stralen, ofschoon wij ongetwijfeld zullen kunnen stellen, dat op grond van de nu heersende eigenschappen, een bepaalde straal de grootst mogelijke harmonische werking kan bereiken en dus in een bepaald volk sterker is geactiveerd terwijl we aan de andere kant wel kunnen zeggen, dat de eigenschappen, die we aan het Dierenriemteken toeschrijven, in een bepaald volk sterk aanwezig zijn. Daar echter blijkt, dat de wisseling van de invloed van stralen niet in een vaste periodiciteit plaatsvindt, maar in overeenstemming met veranderingen van de volksziel en haar eigenschappen, kan hier dus geen vaste karakteristiek worden gegeven. Terwijl elke poging, om de astrologische karakteristiek die men heeft bepaald, aan te passen op grond van de astrologisch geldende periodiciteit blijkt dit uit te lopen op een grote vergissing. Dit geldt wel t.a.v. werkingen maar niet t.a.v. grondeigenschappen.

  • Wat is dus primair? De volksziel in dit geval?

Ik dacht dat ik dat duidelijk had gezegd. Ik wil het nog wel eens herhalen: Het is de volksziel die ontvankelijker is voor een bepaalde straal en daardoor de effecten van die straal sterker ondergaat en sterker tot uitdrukking brengt.

  • Hoe kan het dat men aangrenzende volkerensferen vaak over een afstand van enkele honderden meters kan voelen verschillen en dat deze soms vrij nauwkeurig, willekeurige lands- en gemeentegrenzen volgen?

Mag ik opmerken, dat de sfeer die u bedoelt iets anders is dan de uitstraling van de volksziel. We kunnen wel bij een betrekkelijk klein verschil tussen volkszielen en grensgebieden zien, waarin de eigenschappen van beide volkeren qua sfeer gelijk aanwezig schijnen te zijn.
Een van die voorbeelden voor Nederland is bv. Limburg. We kunnen echter niet zeggen, dat wat u merkt als u de grens nadert, dat het er anders uitziet, dat dat bepalend is voor de volksziel. Hier heeft u nl. te maken met een ander land, dus met andere algemeen geldende voorschriften en gewoonten, tot uiting komend o.a. in bouw, in bebakening van wegen etc., waardoor u inderdaad een andere detailwaarde in het landschap vindt en door deze verandering van waarde een andere sfeer meent te ondergaan. Het besef, dat men daarbij het buitenland binnengaat, versterkt natuurlijk deze indruk zeer sterk. Als men kijkt naar verschillen en het gevoel heeft dat er verschillen moeten zijn, dan ontdekt men ze altijd veel eerder, zelfs als ze er niet zijn.

  • Zijn er ook geen sfeerverschillen van continenten en zeeën en zou u hier voor rassen- of natuurentiteiten als verantwoordelijk kunnen aanwijzen?

We zouden kunnen zeggen, dat continenten veelal een eigen sfeer hebben die mede wordt bepaald door de natuurgeesten en de vormende entiteiten, die op dat continent een bijzondere rol hebben gespeeld. Overigens geldt dit niet alleen voor gescheiden continenten. Er is bv. een tamelijk sterk verschil tussen Europa en Azië, ofschoon beide – althans wat natuurkrachten betreft – als één continent zouden kunnen worden beschouwd.
Hier is o.a. de scheiding van de Oeral en de daaraan grenzende woestijnen, die een grote culturele grens vormen en daarmede voor de volksziel een zeer sterk verschil zonder overdracht mogelijk maken. In Siberië, waar deze scheiding veel minder intens is geweest, door een betrekkelijk vroeg en druk verkeer over de Oeral, vallen deze verschillen in verhouding minder op en vinden we de kentekenen van het Aziatisch continent voor een deel ook terug in het Europese en omgekeerd.

Wat betreft de oceanen, deze verschillen inderdaad op bepaalde punten qua sfeer van andere delen van de wateroppervlakte op aarde. Dit komt ongetwijfeld door de entiteiten, die daar hun eigen werk hebben, hun eigen rol spelen. Vreemd genoeg hangt dit vaak samen met het spel van diepte en ondiepte. In de buurt van troggen zal men de sterkste sfeerverandering ontdekken. In deze gevallen is dit meestal toe te schrijven aan een andere diffusie van de uitstraling van de aarde, vaak nog gepaard gaande met lichte afwijkingen in het aardmagnetisch veld, die door de mens eveneens als een sfeerverandering worden ervaren.

  • Als de Noordzee in die tijd was ondergelopen, is dan het land onder die zee eigenlijk nog bepalend gebleven of gaat die zee toch een eigen karakter aannemen?

Die gaat op de duur een eigen karakter aannemen, dat is duidelijk. Als u zegt: De Noordzee heeft een eigen sfeer, dat komt omdat er een menging is ontstaan van de oorspronkelijke natuurkarakteristiek van het vaste land – al is dat al heel lang geleden – en de invloed van de Atlantische Oceaan. Dat wil zeggen, dat de geesten van de Atlantische Oceaan in de Noordzee maar gedeeltelijk tot uiting kunnen komen. Aan de andere kant wil dat ook zeggen, dat de vroeger in dit land manipulerende en bezielende geesten voor een groot gedeelte minder sterk tot uiting kunnen komen en zich daarom vaak hebben teruggetrokken naar de grensgebieden en ondiepten.

  • Als men psychometrisch een occulte landkaart zou willen samenstellen, welke analogieën blijken er dan te zijn tussen geografische en etnische factoren qua sfeer? Kunt u hiervoor enkele suggesties geven?

Ik kan daarvoor geen suggesties geven omdat – uitgaande van de volksziel zoals ze door mij beschreven is – geen directe en blijvende analogie tussen geografisch en etnisch gevoel te geven is. Deze wijzigt zich nl. voortdurend, zodat geen vaste waarde constateerbaar is. Een goed psychometrist kan echter zijn eigen kaart altijd vaststellen, mits hij zich daarbij realiseert, dat een aanpassing van deze kaart per 3½ jaar bij voorkeur, in ieder geval per 14 jaar dient te geschieden.

  • Suggereerde u inderdaad, dat sferengroepen – bv. de oude Italianen – periodiek reïncarneren op andere plaatsen, bv. in Engeland en zijn daardoor de leidinggevende ego’s weer in zo’n ander volk opgetreden? Is dit nog tot Atlantische tijden terug te voeren, zodat cultuurvergelijking mogelijk wordt?

Cultuurvergelijking is nooit mogelijk. Per slot van rekening, wie de geaardheid en de grein van het hout wil bepalen aan de hand van de lak die vergist zich ook, dat zult u met me eens zijn.
Uw cultuur is gedeeltelijk de lak van het maatschappelijk verkeer, gedeeltelijk de verlakkerij van mensen onder elkaar. Dus geloof ik dat ik dat mag uitschakelen. Periodieke incarnatie is natuurlijk iets anders dan groepsincarnatie. Maar als van enkele honderdduizenden personen uit bv. Egypte gezegd kan worden: Ze komen in deze tijd in dit of dat land terecht, omdat daar de sfeer de grootste parallel vertoont en de gemakkelijkste continuering van de ervaringen van een vorig leven mogelijk is, dan betekent dat niet dat de hele groep incarneert, maar wel dat diegenen van de groep incarneren, die een gelijksoortig bewustzijn hebben. Dat pleegt in de tijd nogal eens bijna gelijk te vallen. Het smeert zich uit over een grotere periode; meestal een 200 jaar. We kunnen dan aannemen, dat een bepaalde groep in een bepaald volk incarneert. Dat zouden we terug kunnen voeren tot Atlantis, ofschoon we wel moeten zeggen: Degenen, die thans nog blijven reïncarneren, terwijl ze in Atlantis hebben geleefd, zijn niet de besten, zodat grote entiteiten uit Atlantis niet meer behoren tot hen, die binnen de normale cycli reïncarneren in bepaalde landen.

  • Zijn er nog enkele opvallende voorbeelden? Ik meen nl. dat u het als voorbeeld gaf – of was dat meer een suggestie – van Italianen, die in Engeland reïncarneren?

Dat is helemaal geen suggestie. Het is zuiver een weergave van een feit, zo goed als de kruisridders in China. Het is een beeldvergelijking, die een gelijkheid van mentaliteit toont, maar daarmee tevens aantoont, dat een reïncarnatie uit de kruistochtentijd, zeker voor de mensen die zich daarmee bijzonder bezighielden in het China van Heden bij een noodzaak tot incarnatie in deze tijd zeer waarschijnlijk wordt.

  •  U heeft Japan niet genoemd.

Japan is in zich een volk, dat door een volkomen statische cultuur – en dan moeten we cultuur toch maar noemen, want dat is daar gelijktijdig ook de sociale structuur geweest – is gekomen tot een zeer sterke gevoelsformulering. Deze gevoelsformulering en de sfeer van Japan kunnen ook door een optreden van het westen, en zelfs de op het ogenblik sterk Amerikaanse invloeden, niet worden verdreven. Een aanpassing van de manier is mogelijk, van de mentaliteit is veel moeilijker. De bijzondere sfeer blijft dus bestaan. Daarbij geldt verder, dat door de beperkingen van het leven een zekere beschouwelijkheid en overgave, aan het supernaturale voor de Japanner normaal is geweest en dat deze zich ook in de huidige periode zal doorzetten.

De organisatievorm wordt misschien Amerikaans, maar de intensiteit van beleving en de projectie van het ‘ik’ in het bovennatuurlijke om daardoor de rechtlijnigheid van eigen wereld en de statuseffecten daarvan voor zich te kunnen verwerken, die blijven gelijk. Door deze zeer sterke verbondenheid met het bovennatuurlijke, het zich gebonden voelen aan, gedreven en bedreigd ook dóór de krachten van de andere kant – zoals u het pleegt uit te drukken – blijft de Japanner een gevaarlijk mens in politieke zin, want hij mag dan rekening houden met de wereld, hij denkt binnen het kader van zijn eigen structuur. En die structuur is niet gebaseerd op de sociale of economische ontwikkeling, maar op de feitelijk bestaande menselijke verhouding.

De contactsfeer van die menselijke verhoudingen is dus meer bepalend dan het andere en ik geloof niet, dat we iemand die een tekort heeft, kunnen noemen. De poging om elkaar te overtreffen van voorheen – eens was dat een kwestie van zwaardgevechten e.d., tegenwoordig is het misschien een kwestie van de snelste spoorwegen of de mooiste boten – blijft in wezen dezelfde en de innerlijke reactie daarop is dezelfde. Men zou dus kunnen zeggen:

De Japanse volksziel op het ogenblik heeft de neiging zichzelf voortdurend te manifesteren als belangrijk. Ze heeft de neiging om eigen ingeboren verbondenheid met het bovennatuurlijke om te zetten in een praktische uiting tegenover de buitenwereld. De innerlijk erkende ordening blijft eigenlijk alle sociale werkingen domineren, zodat er een factor van eenheid blijft bestaan, die in de meeste westerse landen niet denkbaar is en die zelfs ook in China nu niet denkbaar is. Het is niet het volgen van een leider of van een bepaald geloof, dat hier een rol speelt, maar het is eerder de praktische verbondenheid met het bovennatuurlijke, waaraan men zelf uiting geeft en zich gelijktijdig beschermt tegen het bovennatuurlijke.

  • Toont de mentaliteit van Japan de eigenschappen, die worden toegekend aan de 6e straal?

Zoals ik u heb duidelijk gemaakt, is die toekenning van de werking van een straal een kwestie van het ogenblik. Als u heden wilt zeggen: de 6e straal, dan ben ik het ermee eens. Als u dat wilt zeggen vanaf – zeg 1933 – dan ben ik het ook nog met u eens, maar daarvoor niet.

  • Zal er een tijd komen, dat alle zielen samensmelten tot een ziel en we dan ‘het’ mensenras krijgen?

Die mogelijkheid bestaat wel, maar het is een theoretische, omdat dit veronderstelt dat alle incarnerende entiteiten een gelijke ontwikkeling hebben bereikt, waardoor ze een gelijke levenssfeer kunnen aanvaarden.

  •  Kan dat niet?

Dat kan wel, maar dat is theoretisch. Daarom zeg ik: de praktische mogelijkheid schat ik niet erg groot.

  •  Is er nog een straal vergelijkbaar met het Nederlandse volk?

Dat is een moeilijk antwoord. Het eerste wat me naar de lippen welt is: de lamstraal. Het Nederlandse volk staat op het ogenblik niet onder een bijzondere straal. Het heeft er onder gestaan tot ongeveer 1830 en het zal weer de bijzondere uiting van een straal kunnen worden waarschijnlijk vanaf het jaar 2017 voor een periode van ongeveer 400 jaar.

  •  Welke straal was het voor 1830?

Dat was de z.g. 5e straal

We hebben ons bezig gehouden met de ziel van de volkeren en dat is misschien voor sommigen van u een teleurstelling geweest, omdat u graag had willen horen hoe de psychologische indeling van de volkeren zou dienen te geschieden. Maar ik geloof, dat we de eigen sfeer en de daaruit voortvloeiende incarnatiekarakteristiek van bepaalde naties hoger moeten stellen, dan de op het ogenblik aanwezige psychologische werking. Als wij weten dat bv. de Verenigde Staten nu aan zeer grote psychologische spanningen bloot staan en dat daardoor deze natie als geheel een vaak schizofreen karakter heeft, dan is dat voor het ogenblik misschien een verklaring van de omstandigheden. Maar als wij ons realiseren, dat de neiging om eigen meerwaardigheid te tonen – een zeker exhibitionisme, gepaard gaande met een onderdrukt gevoel van onwaardigheid – zal overheersen en dat gedurende langere tijd deze verdeeldheid zal duren, dan kunnen we daaruit de conclusie trekken dat de Verenigde Staten naar buiten toe misschien wel een wat eigenaardig gezicht zullen behouden voor langere tijd, maar dat een integratie, waarbij de gespletenheid van die maatschappij wordt opgeheven, toch te verwachten is over laten en zeggen 20 jaar.

Kijk, dat zijn natuurlijk interessante dingen, als men wil nadenken over politieke verhoudingen. Ik ben echter bang, dat de mensen teveel aandacht schenken aan de politieke verhoudingen en te weinig aandacht hebben voor de zuiver menselijke sfeer. Het is daarom, dat ik dit onderwerp zo heb behandeld. Het is daarom, dat we dus ook van de zuiver psychologische benadering zijn afgeweken in een andere richting. Voor u is het belangrijk om dit te beseffen. Indien u in contact komt met een vreemdeling of met een vreemd land, dan is de vraag in de eerste plaats voor u wel: Hoe kan ik leven in die sfeer?

Iemand, die probeert in een vreemd volk zichzelf te blijven, zal na zeer korte tijd zich er toch niet thuis voelen. Hij zal mismoedig worden. Als een sfeer u absoluut niet ligt, kunt u er niets aan doen; dan kunt u beter weggaan. Maar indien u in staat bent u aan te passen, als u dus – al is het maar beperkt – een zekere verwantschap met dat volk tot stand kunt brengen, dan onthult het volk plotseling aan u zijn werkelijk wezen; dan gaat u kijken achter de schermen.

Dan ziet u dat de Italiaanse vrouwen, die daar schijnbaar zo hartstochtelijk staan te schelden, eigenlijk alleen nog maar bezorgd zijn en helemaal geen virago’s. Dan ziet u dat die schijnbaar bezonken Hollander alleen maar bang is dat het hem te veel zal kosten, als hij uitbundig wordt. Dan ziet u dat de Amerikaan, die daar zo buitengewoon expressief laat zien dat hij Amerikaan is, dit eigenlijk doet, omdat hij bang is dat hij anders de mindere zal zijn. Dan ziet u in de agressiviteit, die menige Duitser vertoont, ergens de angst voor het niet aanvaard worden. Dan ziet u zelfs in de neiging van de Israëli om te spreken over het recht dat men heeft en de eisen die men mag stellen aan de hele wereld, ergens het gevoel van alleen-zijn, van verlatenheid, dat een zo lang geïsoleerd volk – in de meeste landen was Israël geïsoleerd – haast automatisch heeft, om niet in wanhoop en wantrouwen – ook t.a.v. zichzelf – ten onder te gaan. Als je die mensen kunt begrijpen, als je begrijpt hoe hun sfeer, hun wezen, hun werk is, dan worden al die andere dingen vanzelf duidelijk.

De ziel van een volk kun je niet redelijk verklaren. Het zijn geen psychologische effecten alleen. Het zijn vreemde kerneffecten, die niets meer te maken hebben met erfelijkheid en rasseneigenschappen, maar die a.h.w. vastgeklonken zijn aan een landschap. Die voortkomen misschien uit de sidderende hitte van de dag in de woestijn en de plotselinge koele, koude nacht, waardoor de grote contrasten eigenlijk voortdurend moeten worden verwerkt – ook in het eigen ‘ik’ – en daardoor een zekere bandeloosheid en uitbarstingen aan de ene kant en een diepe bezonkenheid aan de andere kant kunnen veroorzaken, zoals bij vele Arabische volkeren. Dan ga je begrijpen, dat het lot van de wereld niet wordt bepaald door psychologische foefjes, maar alleen door de erkenning van de mens als mens in zijn eigen afkomst, in zijn eigen milieu. Ik geloof, dat dit het belangrijkst is wat je kunt zeggen.

De zielen van de volkeren zijn verschillend; maar het zijn allen mensenzielen. Zodra wij dit erkennen en ze in hun eigen waarde trachten te begrijpen en te absorberen, dan kunnen wij spreken van ziel tot ziel; dan kunnen wij plotseling begrijpen; dan kunnen wij plotseling elkanders gevoelens beseffen en respecteren en zijn de uiterlijke verschillen van veel minder belang.

Een mens moet niet vastlopen in formalismen, in het bedenken van menselijk, dierlijke reacties alleen, want in de mens leeft een hogere kracht, een hoger wezen. Een wezen, dat voort bestaat nadat de menselijke vorm ten onder is gegaan. En het is toch dit wezen dat het belangrijkst is. Indien men dat leert; kan men misschien een harmonie bereiken met anderen die nu onbegrijpelijk lijken. Dan gaat men begrijpen, dat systemen en filosofieën, dat godsdiensten en leringen veel minder belangrijk zijn dan een wederkerig respect en begrip van mens tot mens, waardoor men elkaars sfeer ten minste durft aanvoelen en durft trachten te begrijpen om althans daarmee enigszins een harmonie te bereiken.

Vrede op aarde komt niet voort uit hen, die de goede trucs hebben, alleen uit hen, die van goede wil zijn. Van goede wil om de ander te aanvaarden zoals hij is, om aan te voelen hoe die ander is, om a.h.w. met die ander een ogenblik verwant, gelijk te zijn.

Indien ik in mijn onderwerp iets heb kunnen duidelijk: maken, dan ben ik er dankbaar voor, want dan heb ik mijn taak, zoals ik mij die zelf had gesteld vanavond kunnen volbrengen. Indien het niet het geval is, dan hoop ik toch dat het vele dat ik heb getracht u duidelijk te maken u zal helpen om af te wijken van de bijkomstigheden; en waar het volkeren betreft, ook eens door te stoten naar de kern van de zaak, die aan te voelen en niet alleen te ontleden. Want een volk zal men nooit begrijpen op de sectietafel, maar men zal het leren en begrijpen in de ontmoeting.

image_pdf