De zin van de dood

uit de cursus ‘ Zelfverwerkelijking ‘ ( hoofdstuk 8 ) – mei 1965

Eén van de punten, die in het menselijk leven altijd weer weerzin en onbegrip wekken, is in de eerste plaats wel het feit dat men in het leven niets of zeer weinig beseft omtrent zijn eeuwige werkelijkheid; en in de tweede plaats, dat een leven voor de wereld, waarin men leeft zo totaal en vaak zo abrupt kan worden beëindigd. De dood, het sterven, een voor de mens nu eenmaal bestaande noodzaak, wordt door hem weliswaar vaak aanvaard, maar de zin ervan wordt nooit begrepen.
Het is met het denken over de dood en met de houding tegenover de dood ongeveer als met de houding tegenover de waarheid. De waarheid, die overal aanwezig is, zoals b.v. de zwaartekracht, maar waaraan nooit iemand denkt. Aan de zin van de dood op zichzelf denkt men zelden. Op deze avond wil ik daarom juist op het probleem van de zinrijkheid van de dood ingaan en trachten u duidelijk te maken dat in het bewustwordingsproces, waarvan het mens zijn deel uitmaakt, de dood een genade, een noodzaak, ja, een voor de voltooiing van de eindbestemming onvermijdelijk iets is.
Laat ons allereerst beginnen met ons het menselijk leven te realiseren.
U wordt geboren. Door die geboorte komt u terecht in een voertuig. Dat voertuig heeft bepaalde eigenschappen. U bent ten dele reeds gericht. U leeft in een wereld, die haar eigen problemen, haar opvattingen, haar geloof, haar denkwijzen heeft. Uw bewustzijn wordt daardoor beperkt. U wordt ouder en u krijgt langzaam maar zeker een eigen wil en een eigen verantwoordelijkheid, ook in de eigen wereld.
Alles, wat u doet brengt gevolgen met zich moe. Elk gevolg op zichzelf beperkt a.h.w. de keuze Uit het totaal aan mogelijkheden. Hoe langer u leeft, des te beperkter uw mogelijkheden zijn en ook des te sterker het verleden op u gaat drukken. Ik meen, dat dit al duidelijk maakt, dat een oneindig leven in de materie zeker niet begerenswaard is. Want een leven, dat maar steeds doorgaat, betekent in feite dat u steeds meer vastgroeit in een vorm, die niet geheel de uwe is; dat u een leven leeft dat door de omstandigheden en door uw keuze uit het verleden wordt beheerst, maar niet door uzelf.
Het impliceert verder, dat er op den duur geen mogelijkheid meer bestaat om het “ik” waarlijk te vernieuwen. Want oorzaak en gevolg is een harde, rechtvaardige wet van het Goddelijke, die op het menselijk leven voortdurend invloed heeft. Er is geen mogelijkheid om oorzaak en gevolg uit te schakelen. U kunt zeker de werkingen ervan soms ombuigen, maar u kunt, nimmer een bepaalde werking beëindigen. U kunt ook niet zeggen: Nu houd ik even op met leven. Ik laat even al die acties, die reacties, welke in de materie liggen achter mij, opdat ik eerst voor mijzelf kan beseffen wat de juiste houding is, wat ik moet doen, wat ik ben, Het leven gaat door; het kent geen enkele pauze.
De dood maakt een einde aan het leven. Een einde dat volledig is. Want er is geen mogelijkheid meer de oorzaak en gevolg ketenen, die in de materie zijn ontstaan en waarvan u wel deel bent maar die eigenlijk in uw wezen toch niet helemaal verankerd zijn te volgen. Er zijn verplichtingen, die misschien niet feitelijk op u rusten, maar die u in uw menselijk leven ziet als deel van uzelf. En daarom zult u er nooit aan kunnen ontkomen dan door die dood.
Er zijn geestelijke processen, waarbij men zo vergroeid is met een bepaalde theorie of met een bepaalde mening dat men eenvoudig niet meer in staat is om enig ander argument, ja, zelfs enig ander bewijs te aanvaarden. Men zou in het leven niet van mening kunnen veranderen, zonder daaraan zelf ten onder te gaan. De dood echter maakt daar een einde aan.
Hierin ligt al de eerste betekenis van de dood. Een bewustwordingsproces kan nimmer eenzijdig zijn. Men kan niet een deel van zijn wezen ontwikkelen en de rest buiten beschouwing laten, zonder een zinloze persoonlijkheid te worden. Iemand, die b.v. alleen maar een wil heeft en geen verstand, is een ramp voor de mensheid en voor zichzelf. Iemand, die alleen verstand heeft en geen wil, is al even gevaarlijk.
Kijk, dat gelijkmatig ontwikkelen is noodzakelijk. Je moet steeds meer beseffen, waar eigenlijk het leven ligt, Want die kleine delen, die je daarvan in de materie of in een bepaalde sfeer beleeft, zijn tenslotte maar zo onvolledig, dat je nooit je hele wezen, je hele persoonlijkheid of zelfs maar een erkenning van de werkelijke God kunt bereiken, tenzij je die beperking opzij zet. De dood doet dit.
Uit onszelf zijn we geneigd de dingen af te sluiten. Je hebt altijd een idee; als er iemand sterft, dan blijven er heel veel losse draden hangen. Daar zijn de banden in de materie, de verplichtingen. Daar zijn de werken, die men nog had kunnen verrichten. Daar is misschien ook het tekort dat voor anderen ontstaat door het afwezig zijn van hun persoonlijkheid. Kortom, je zou voor jezelf die dood niet gauw kiezen. En als je haar kiest, dan is het omdat je de taken niet wilt volbrengen, die vóór je liggen. Als de dood komt, dan stelt hij de mensen ineens voor een abrupt einde. Er is geen mogelijkheid meer om de verantwoordelijkheid nog verder te dragen. Er is geen mogelijkheid meer om een nieuw werk te beginnen of om, een oude taak af te, maken. Het is als een mes, dat ineens een deel van uw bestaan afkapt; een deel van het bestaan, dat is opgebouwd uit denkbeelden en illusies, die lang niet altijd een werkelijk bestanddeel van uw wezen of van uw bewustwording vormen
Men moet de dood dus dankbaar zijn. Men moet God dankbaar zijn dat Hij de dood heeft toegelaten. Want door die dood kunt u zich bezinnen. Dan pas is het mogelijk de balans van uw leven werkelijk op te maken. Dan pas is het werkelijk mogelijk te zien wie en wat u bent; en wat meer is: U kunt niet verdergaan, voordat u dat hebt erkend. Ik geloof, dat de dood dus wel zeer belangrijk is, alleen al van uit het standpunt der bewustwording.
Er ligt echter nog een ander aspect in. Indien men steeds in één wereld zou leven (b.v. in de materie), ook al zou men het hele Al door zwerven, dan zou men God alleen stoffelijk erkennen. Want zelfs de meest abstracte begrippen op deze wereld zijn gevormd uit stoffelijke voorstellingen en redeneringen. Men spreekt b.v. over theologie. Maar is dat eigenlijk niet de logica van de theios van God? Menselijk.
Maar God en het leven zijn meer. Een vorige maal hebben wij geprobeerd u duidelijk maken wat dat eeuwige leven allemaal inhoudt. Door dus een voortdurende afwisseling van werelden te stellen, waarbij je van de aarde naar een Zomerland overgaat of desnoods naar een duistere wereld en vandaar weer verder je weg zoekt naar nieuwe werelden of terug naar de aarde, word je aan steeds wisselende omstandigheden en condities onderworpen. Je ervaringen, maar ook je besef van noodzaak en van onbelangrijkheid, wisselen dus voortdurend. Het is niet alleen het bewustzijn, maar ook de vaardigheid, die hier een rol speelt.
Wanneer wij de Brahmanen zien dan horen wij hoe ze zich trots “de tweemaal geborenen” noemen. Ze zeggen: “Juist omdat wij tweemaal geboren zijn, kunnen wij op aarde de wijsheid die er is beter begrijpen. Wij zijn in staat om grotere machten te erkennen en te hanteren dan zij, die slechts eenmaal geboren zijn.” 0, ik weet het, het is een stoffelijk beeld en misschien ook wel een stoffelijke overdrijving. Maar iets zit er in.
Elke keer, als je naar een andere wereld overgaat, neem je de ervaringen, die voor jou persoonlijk waren, die deel waren van je wezen mee naar die andere wereld. Elke wereld is een verrijking van de ervaring. De ervaring betekent ook dat je je daardoor ook juister kunt oriënteren, desnoods zonder precies te weten waarom, temidden van de omstandigheden waarin je leeft.
Het maken van de juiste keuze en daardoor het bevestigen van jezelf is van groot belang. Want door steeds meer jezelf te bevestigen in de wereld waarin je leeft, krijg je steeds meer vertrouwen in jezelf; en zelfvertrouwen is een noodzaak. Zolang je voelt dat je aantastbaar bent, wordt gedreven door demonische krachten, het gevoel hebt dat je kunt worden beheerst en bestuurd door anderen, ben je niet in staat jezelf te leven.
Een mens, die geen begrip van zichzelf heeft en geen vertrouwen in zichzelf, is als een spiegel, waarin de, grillen en invallen van de wereld voortdurend worden weerkaatst. Zo iemand heeft geen nut; voor zichzelf niet en voor de wereld niet. Hij is niet positief, hij is zelfs niet passief. Hij is negatief, want hij absorbeert al wat hem vreemd is, zonder in staat te zijn er iets goeds van te maken. De dood, de verandering van wereld, maakt daaraan voortdurend een einde.
Je kunt dus zeggen, dat door het feit dat de dood bestaat in de plaats van een bewust verdergaan desnoods naar een andere wereld, de mens in staat wordt gesteld om zijn bewustzijn, maar ook zijn kunnen te vergroten.
God is de scheppende Kracht. De mens is een verkleinde replica van deze Kracht. Gods wezen, voor zover wij het erkennen, is in eerste functie scheppen. De mens, die bewust de menselijkheid van zijn wezen uit, schept. Leren scheppen i.p.v. de scheppingen van anderen herhalen is op zichzelf een grote taak. Als je de vaardigheid hebt en als je daarbij de mogelijkheid tot nieuw beginnen hebt, zul je veel meer kunnen bereiken.
En nu wil ik overgaan naar een ander punt.
Men heeft zelden een volledig besef van zijn vorige bestaanswaarde. Misschien herinnert men zich enkele beelden uit een vorige incarnatie. Enkele beelden uit een geestelijke wereld. Maar veel verder gaat dat niet. Er zijn heel veel mensen, die op aarde stellen: “Ja, maar daardoor wordt de zin van mijn leven kleiner.” Neen, dat is niet zo. Want dan zou de voortzetting van het verleden nog steeds gebeuren.
Wanneer u op aarde wordt geboren, dan slaat er tijdelijk iets in. Zeg het geheugen of de herinnering, waarin ge uw werkelijk wezen kent. U begint werkelijk met een schone lei. En als u sterft, dan blijft u iets bij van dat bestaan op aarde, want u krijgt uw geheugen, de herinnering terug. Maar heel veel van wat op aarde uitermate belangrijk heeft geleken, wordt eenvoudig vergeten. U bent ook daar in staat om grotendeels met een schone lei te beginnen. Hoe prettig is dat eigenlijk niet. Te weten, dat men met alles wat was heeft afgerekend, voorlopig. Te weten, dat alle schulden en alle verdiensten van het verleden terugvallen tot een vaardigheid, tot een besef, een gerichtheid, maar niet tot iets, waarop men zich beroept of waarop men rekent, of waaronder men gebukt gaat. De vrijheid om elke keer opnieuw te beginnen is een van de grootste waarden, die de dood kan geven. De zin van de dood is dus ook de bevrijding, de vrijheid.
U zult zeggen: Maar er zijn zoveel mensen, die verkeerd sterven, die in de bloei van hun leven teloor gaan. Er zijn zoveel mensen, die voor de wereld zoveel hadden kunnen betekenen. Van uit het standpunt van de wereld is dat te begrijpen en te rechtvaardigen. Maar laat ons nu de zaak anders stellen.
Als je op een gegeven ogenblik voor jezelf een richting hebt gevonden en de wereld kan die richting niet accepteren en er is geen enkele weg om die gerichtheid in jezelf, die waarheid in jezelf tot uiting te brengen, dan is de dood de logische eindfase. Want dat, wat in je leeft, kun je nu niet meer uiten. Het zou vervallen, het zou teniet gaan. Je moet dus ophouden. Ophouden met leven, opdat de waarden, die er in liggen, niet teloor gaan.
Als u met een distillatie proces begint, dan is het heel normaal te zeggen: Wij mogen niet voortdurend voortgaan met distilleren, want op een gegeven ogenblik is er een product dat compleet is. En gaan we dat verder distilleren, dan wordt het minderwaardig.
Zo is het met het leven. Het leven bereikt ergens een hoogtepunt. Dat hoogtepunt kan net zo goed liggen in een zelfbevestiging voor een vuurpeloton, in het sterven om een ander te redden, in een kruisweg, als in een eenvoudig onverklaarbaar overlijden. de zinrijkheid van het bestaan ligt niet in het verschijnsel, dat men op aarde leven noemt. Het ligt in de verrijking van de energie, die de bron, de kern van het werkelijke leven is. En zo zal juist die voortijdige dood (vaak voorafgegaan door lijden, hetzij ziekte of wat anders) in wezen de juiste bekroning zijn.
Ik weet, dat het voor een mens moeilijk is dit alles te aanvaarden. Maar toch vraag ik u: Denk er eens over na. Want de dood is een gunst, niet een last. De dood is niet een vijand, die je moet overwinnen, maar het is een kracht, die je helpt jezelf steeds te hervinden.
Ik heb u reeds gezegd, dat je dus vaardigheid kunt gewinnen en dat je oorzaak en gevolgwerking kunt onderbreken, waardoor je de rust krijgt om te overzien wie en wat je bent, wie en wat zich in en rond je als belangrijk heeft getoond.
Er is nog een volgend punt.
Een onderzoeker zal nimmer door de studie van één object alleen tot een juist en objectief oordeel kunnen komen, Hij zal moeten vergelijken. Nu weet u, dat die vergelijking meestal bestaat uit een aantal onafhankelijke proeven, die later worden gecoördineerd. Wanneer u op deze wereld leeft, dan is dat een experiment. U schept een waarde, die moet worden vergeleken met een andere waarde, hetzij van een stoffelijk of van een geestelijk leven. Beide uitingen, niet hun tegenstellingen, met hun complexen, met hun eigenaardigheden maken het eerst mogelijk een conclusie te trekken.
Indien de dood er niet zou zijn, dan zou er geen wijsheid kunnen worden verworven. De wijsheid ligt voor de mens zelfs reeds in het besef van zijn eindigheid; en geestelijk gezien in het erkennen van de verschillende mogelijkheden van eigen wezen in de onafhankelijke fasen van bestaan, die dit wezen doormaakt.
De dood vormt wijsheid, vormt begrip, vormt weten. Nu hebben wij al drie factoren, die de dood schenkt. Niet slechts het afsluiten van oorzaak en gevolgreeksen, die anders oneindig zouden zijn, maar ook het verkrijgen van vaardigheid, van inzicht, van wijsheid. Zo gezien is de dood dus niet alleen belangrijk en nuttig, ze is onmisbaar. En hoe ver die onmisbaarheid gaat, kunt u pas begrijpen, indien u zich de eeuwigheid voor een ogenblik voor ogen probeert te stellen.
Er is geen sprake van een mens, die door de tijd gaat; dat is de waarneming, de beleving. Er is sprake van een lijn, die de hele oneindigheid doorkruist en in zichzelf oneindig is; de oude cirkel, symbool van de oneindigheid, symbool van het grote, van de scheppende Kracht. Die cirkel kan alleen worden beleefd als geheel (dus in haar betekenis worden beseft), indien elk segment van die cirkel afzonderlijk is geconstrueerd. Een juiste cirkel verkrijgt men alleen, indien elk punt op de lijn op precies gelijke afstand van het middelpunt staat. Een leven kan alleen juist georiënteerd zijn, indien de oriëntatie op God en de erkenning van God in elke richting dezelfde zijn geworden. De dood doet dus eigenlijk niets anders dan zeggen: Op dit punt is de relatie voorlopig juist. Een volgend punt is noodzakelijk.
De vele malen dat men sterft (want ook het overgaan naar een andere sfeer, al is het proces wat anders dan de dood die u kent, is ten slotte een vorm van sterven, want een oude, wereld verdwijnt en er komt iets anders voor in de plaats) geven overzicht. De dood, teken van eindigheid voor elke mens, is in wezen de eigenschap van het bestaan, waardoor de oneindigheid overzichtelijk wordt.
Dat laatste zeggen we zo en misschien loopt u aan de betekenis daarvan voorbij. Maar als ik zeg dat een oneindigheid overzienbaar wordt, dan betekent dit dat gij oneindig moet worden. En hierin ligt dus een meer esoterisch probleem: Zijn wij oneindig? Ja, omdat wij kunnen sterven, zijn wij oneindig.
Als wij de oude mythen nagaan en wij gaan daar eens over nadenken, dan zien wij dat Adam en Eva het eeuwige leven hadden. Zij wandelden met God in het paradijs. Het was allemaal best, het was allemaal mooi. Maar ze begrepen God kennelijk niet. Zij hadden geen begrip voor Zijn raadsbesluiten en Zijn wil. Zij leefden op hun manier en ze vonden God een heel aardige man, als Hij eens een keertje kwam buurten. Maar op het ogenblik, dat de dood zijn intrede deed in de wereld en het paradijs werd afgegrendeld, dat er lijden was en pijn, beseften zij hun God beter dan in de tijd, dat zij met Hem wandelden. Afgescheiden zijn van het geheel — al is dat ook maar symbolisch of denkbeeldig — is eigenlijk noodzakelijk om het geheel te zien en te kunnen beseffen.
Je bent in God, want God is in alle dingen. God is in jou, jij bent in God. Maar alles tezamen genomen, erken je niet de God in jezelf of de God, die rond je is als één en dezelfde. Maar je erkent slechts de verschillen tussen het verschijnsel, dat die God aanneemt in jou en de verschijnselen buiten jou, die niet “ik” zijn. Als je God als geheel zou ervaren, zou de buitenwereld geen zin hebben. En dat impliceert, dat geen uitbreiding van Godsbegrip, geen uitbreiding van eeuwigheid mogelijk zou zijn. Het is niet alleen wortelen in de aarde en gaan langs de takken tot de top van de boom is bereikt. De top, die de hemelen beroert. Het is gelijktijdig de wortel zijn èn de top. Gelijktijdig de hemel kennen èn de aarde; en beseffen dat niet jij de kracht bent, die twee tegengestelde waarden verbindt, maar beseffen dat je juist door die verbinding deel bent van een oneindigheid. van een proces dat ad infinitum doorgaat. En dan weten, dat je niet de actie, de energie bent, waarin het proces zich afspeelt, maar dat je het proces zèlf bent. De vorm, waarin de energie zich giet.
Dat is voor sommigen misschien weer een beetje abstract. Maar met enige overdenking zult u er toch wel uitkomen.
De dood is de tegenstelling, waardoor wij op den duur in staat zijn te beseffen, dat wij niet het verschijnsel zijn, maar de energie die in elk verschijnsel aanwezig kan zijn.
Het is de dood, die het niet alleen mogelijk maakt om het Koninkrijk der Hemelen op een andere wijze te beleven en te betreden, maar die het ook mogelijk maakt dat het op aarde bestaat èn in de hemel.
Azraël, de bittere engel, is geen wrede, geen zielloze zeiszwaaier. Azraël is het goddelijk begrip, dat het ons mogelijk maakt de tegenstellingen in onszelf te overbruggen. Wij sterven eigenlijk niet buiten onszelf. Wij sterven in ons, omdat wij voortdurend van het ene deel van ons wezen naar het andere deel wisselen.
En nu wij dit hebben gesteld, is het misschien goed hieraan enkele conclusies te verbinden. En dan wil ik stellen:
1. De dood is een verandering van besef van leven.
2. Slechts een voortdurende verandering van dit besef maakt een erkenning van het werkelijk leven en het werkelijk “ik” mogelijk.
3. Op het ogenblik, dat een fase is voltooid, zal deze dood, deze wijziging van besef, automatisch optreden; en wel op een wijze, die in overeenstemming is met het bereikte besef.
4. Elke poging om te sterven, voordat een dergelijke fase is bereikt (door eigen hand b.v.), impliceert dus dat een wisselen naar een ander besef nog niet mogelijk is. Er zal dan eerst een verdergaand bewustzijn van de stoffelijke waarden moeten worden bereikt, voordat men verder kan gaan.
5. Alle wisseling van wereld, sfeer of leven is niets anders dan een belichting van dezelfde waarden van uit een andere gezichtshoek. Door steeds een nieuwe gezichtshoek in te nemen, zal de werkelijke waarde dus volledig worden gekend.
6. De dood moet dus worden gezien als een overbrenging of transformatie van de energie, die ons werkelijk wezen is naar een ander niveau. Niets van hetgeen door de dood achterblijft gaat teloor. Het keert slechts terug tot zijn eigen belangrijkheid en wezen. Het werkelijk belangrijke blijft in het bewustzijn, dat ook na de dood verdergaat.
En dan aan de hand van het voorgaande nog enkele commentaren, die ik voor het gemak ook puntsgewijs wil indelen, maar die u dus niet moet zien als vaststellingen, maar eerder als punten van overweging.
Waar de dood zinvol is, moeten wij dus aannemen, dat de erkenning van de zin van de dood een van de belangrijkste dingen is, die in het leven kan worden bereikt.
Als wij van uit het leven tot een nieuw leven gaan, dan zal elke fixatie van het eigen “ik” alléén op dit leven ten gevolge hebben dat de overgang voor ons een pijnlijke en moeilijke wordt.
Als wij de wereld waarin wij leven willen verloochenen, zullen wij niet in staat zijn om het juiste te bereiken. Methusalem wordt oud, maar dat betekent niet dat hij wijs was. Want ware hij in geestelijke zin een wijze geweest, waarlijk, hij zou eerder zijn heengegaan dan hij deed. Laat de mens ook dit beseffen.
De zin van het leven kan nooit worden uitgedrukt in stoffelijke bereiking alleen. Stoffelijke beleving en stoffelijke bereiking kunnen hoogtepunten zijn. Ze kunnen zelfs van het hoogste belang zijn. Maar — en dat moeten wij met nadruk vaststellen — ze zijn dit alleen, indien daardoor een nieuw licht op onze persoonlijkheid, op ons werkelijk leven wordt geworpen. Daarom moeten wij er vrede mee hebben, dat vele aspecten uit ons leven verdwijnen of daarin opeens een andere plaats gaan innemen.
Wie blijft terughaken naar datgene wat was, zal eigenlijk gelijktijdig ergens sterven — want het heden heeft geen zin voor hen — en hij zal zijn dood a.h.w. uitstellen. Hij komt nl. niet tot de rijpheid, die voor het sterven nodig is. En zo hij die rijpheid al bereikt — voorwaardelijk misschien — zo zal de onmogelijkheid om in het lichaam meer te leren eerder van beslissing zijn dan de volledige bereiking binnen dit lichaam, die de dood als een zoete vriend doet komen.
Het is gemakkelijk te spreken over sterven en dood, als je bent gestorven in de ogen der mensen, zoals wij. Het is misschien voor een mens moeilijker dit alles te begrijpen, te aanvaarden en te verwerken. Maar als je werkelijk inzicht wilt hebben in je eigen persoonlijkheid, als je jezelf verder wilt ontwikkelen, dan geloof ik dat het goed is om juist dit begrip “dood” in jezelf te herzien. Niet als een uitweg naar een andere glorieuze wereld, naar als een mogelijkheid om te ontsnappen aan de zorgen en problemen, die je nog moet oplossen en afwerken. Want een ontsnapping is hij nooit. Maar als je de dood, wanneer hij komt, eens kunt zien als een bevorderd worden, dan is er niet meer de vraag Wat moet ik nog doen? Maar dan is er: Ik heb gedaan wat voor mij nodig was.
Dan een laatste punt. Wanneer wij leven — ook in de materie — dan zullen wij een deel van onszelf vaak projecteren in anderen: echtgenoten, kinderen, vrienden. Er zijn zoveel mogelijkheden. En daar komt nog een heel typisch verschijnsel naar voren: zolang datgene, waarin ik een deel van mijn leven projecteer bestaat, heb ik daardoor en alleen voor het geprojecteerde deel nog status en bewustzijn in de wereld. Een verbintenis met de materie, zoals wij die kennen, vloeit dus voort uit dat deel van ons wezen, dat in die materie nog voortleeft. Het nieuwe besef wordt hierdoor niet belemmerd, maar al datgene wat de materie betekent, wordt in het nieuwe geheel ingevoegd.
Degeen, die dus — al zou het theoretisch misschien slechts mogelijk zijn — alle mensen op aarde liefheeft gelijk zichzelf, leeft gelijktijdig op aarde in allen en in de gehele wereld, van de geest. Hij kan gelijktijdig de geestelijke normen erkennen en toch putten uit het materiële. Het bewustwordingsproces wordt daardoor onnoemelijk versneld. Het overzicht van de eeuwigheid wordt daardoor veel juister en veel beter bereikt. Maar of wij nu snel — zoals omschreven — dit tot stand brengen of langzaam, er zal eenmaal voor ons voor de laatste maal een verduistering van een wereld zijn, waarin wij menen te leven. Dan komt het ogenblik, dat wij alle werelden tezamen zien en nooit meer kunnen sterven. Dood, overgang, verandering van sfeer houden daar op, waar de totaliteit van leven en sferen, liggende binnen het “ik” en geuit zijnde binnen het “ik” worden beseft, binnen het “ik” worden beheerst en het “ik” in zich scheppend werkzaam kan zijn in al die werelden en sferen.

De verborgen kracht in de mens

De mens gebruikt over het algemeen naar een zeer klein deel van zijn werkelijke krachten en zal — hetzij door luiheid of door gebrekkige omstandigheden — zelfs zijn lichamelijke krachten en weerstandsvermogen zelden geheel uitbuiten.
Indien men inzicht wil krijgen in zijn eigen persoonlijkheid, dan zal men zich allereerst moeten afvragen wat de punten zijn, waarop men het meest lui is. Het is nl. typisch dat iemand, die een bepaald talent of een bepaalde gave heeft en zich toch aan de norm aanpast, juist op dat terrein het meest lui is. Kijkt u maar eens naar kinderen, die goed kunnen leren in de klas. Ze zijn over het algemeen luier dan de anderen, want ze krijgen toch wel goede resultaten.
Bent u op een bepaald gebied lui, dan kunt u zeggen: Ik heb hier mogelijkheden, ook al verwaarloos ik die misschien.
Dit geldt in veel sterkere mate voor de geestelijke capaciteiten dan voor de stoffelijke. Want door stoffelijke luiheid kunt u een stoffelijke mogelijkheid werkelijk kwijtraken. De geestelijke kwaliteiten echter verkommeren niet. Ze blijven onderontwikkeld gebied. Misschien hebben ze door die luiheid wat steun nodig, maar ze zijn altijd en soms zelfs zeer krachtig aanwezig.
Het resultaat van zo’n ontdekking is in de eerste plaats, dat u zich afvraagt. Hoe moet ik nu daaraan beginnen? De oplossing is, zoals de noeste belangrijke oplossingen, eenvoudig.
Wanneer u ontdekt, dat u zeer traag bent in het gebruik van bepaalde capaciteiten, dat u zich daarvoor weinig of geen moeite behoeft te getroosten, zou ik u de raad willen geven uzelf juist op dat terrein steeds zwaardere opgaven te stellen. Door dit te doen nl. ontwikkelt u allereerst de direct aanwezige mogelijkheden Maar die mogelijkheden zijn altijd uitgedrukt op het verstandelijk vlak. U kunt daarmee, misschien nog werken als genezende kracht of zo, maar verder dan dat gaat u niet. Op het ogenblik, dat u dit nu volledig ontwikkelt, krijgt u er een vreemde soort gevoeligheid bij.
Iemand, die heel veel tennist, krijgt op een gegeven ogenblik een feeling, voordat de ander heeft geslagen, waar de bal zal worden geplaatst. En als hij goed is en veel traint, dan slaat hij ook zelden wat dat betreft, mis.
Iemand, die een begaafdheid of een talent voortdurend gebruikt, krijgt op den duur een gevoeligheid, die verdergaat dan het redelijke Dit komt doordat dan in die mens de geest en bepaalde in het onderbewustzijn liggende elementen voortdurend sterker worden ingeschakeld. Er vindt op dit terrein een integratie plaats van de totale persoonlijkheid.
Nu zult u zeggen: Maar wij willen die integratie van de gehele persoonlijkheid niet bereiken. We vinden het helemaal niet belangrijk om dat op een bepaald punt te doen; en bovendien, wat dat punt met zich meebrengt, vinden wij lang niet altijd prettig. Ik kan dat begrijpen.
Iemand, die een eerste vlaag van b.v. helderziendheid ontwikkelt, zal zich vaak eerder doodschrikken en ergeren dan dat hij zich verheugt over datgene, wat hij nu eens extra kan waarnemen en ervaren. Maar daar moet je dan maar doorheen bijten. Het is een zure appel, dat weet ik.
Degeen, die als begaafdheden zich gaan openbaren, daarop bewust een beroep doet en daar steeds bewuster gebruik van maakt, zal op één terrein integreren. Maar hij heeft op dit punt een volledig contact met zijn werkelijk “ik” (zijn superego) en kan via dit werkterrein, via dit ene punt, ook andere intenties en noodzaken aan die totale persoonlijkheid mededelen.
Men zou het kunnen vergelijken met een betrekkelijk klein gat in een dijk. Het water sijpelt. Het gaat betrekkelijk langzaam, het is modderig. Maar er staat druk achter. Naarmate die druk groter wordt, wordt het gat in de dijk groter en op den duur is de waterspiegel achter de dijk nat zo hoog als daar vóór.
Op die manier moet u het nu zien, als wij spreken over de verborgen kracht in de persoonlijkheid. Want de kracht, die u oorspronkelijk gebruikt, is meestal slechts op één terrein aanwezig. Maar op dit terrein kunt u dus ook andere delen van uw persoonlijk, uw bewust bestaan in de stof gaan projecteren. Er wordt dus van uit dit punt een voortdurende verbreding van contact bereikt.
De logische vraag is natuurlijk weer: Hoe?
Wanneer u b.v. helderziend bent of blijken van helderziendheid of precognitie vertoont, dan is het goed om — wanneer u met totaal andere problemen zit die er eigenlijk niets nee te maken hebben — te trachten deze om te zetten in de termen van precognitie.
Als u alleen maar kunt genezen — en zelfs dat lukt vaak niet altijd — dan zult u toch op een bepaald terrein weten, dat u een zekere sensitiviteit hebt. U werkt dan op een bepaalde manier. U hebt een wijze, waarop u dat allemaal tot uiting brengt. Stel nu, dat u wilt weten, of het morgen regent of niet bij de voetbalwedstrijd. U zou zeggen: Dat heeft met genezen niets te maken. Toch wel. Want dat genezen berust op een zekere gevoeligheid plus kracht doorgave. Probeer nu eens, een denkbeeldige weersgesteldheid te behandelen als een patiënt. Krankzinnig natuurlijk, maar het resultaat is dat u t.a.v. de weersgesteldheid morgen op een bepaald uur onderbewust dezelfde gevoeligheid ontwikkelt, die u t.a.v. de patiënt hebt. En zoals u onbewust misschien de juiste instelling tegenover de patiënt vindt, de juiste passes vindt, de juiste beelden plukt uit een toekomst b.v., zo plukt u nu dus de juiste relatie met de toestand van morgen uit het werkelijk “ik”. Het resultaat is verbluffend. U zult, hoewel u eigenlijk niet weet waarom, een regenjas meenemen of zeggen. Laten we de paraplu maar thuislaten. En u heeft gelijk in tegenstelling tot dat, wat er normaal gebeurt.
Met dit voorbeeld zal u reeds een klein beetje duidelijk zijn geworden, hoe men dus eigenlijk alles steeds weer kan herleiden tot dat punt, waarop men gevoelig is.
Die kunst van het herleiden vergt oefening. Ik weet het. Maar oefening baart kunst. En op den duur kan elk aspect van het stoffelijk leven dus worden geprojecteerd in dat geestelijk “ik”. En dat geestelijk “ik” kan direct invloed gaan uitoefenen op het totaal van het stoffelijk leven.
En daar komen nu die vreemde verborgen krachten pas goed aan het woord. De geest van de mens is een vorm van zuivere energie, die door zijn speciale structuur en gesteldheid aan de kosmische kracht voortdurend een aanvulling van eigen energie en van energie tekorten kan onttrekken.
Het resultaat is, dat er aan de gebruikte energieën geen beperking behoeft te worden gesteld.
Op aarde is dat alles beperkt, maar de geest neemt die beperkingen weg tot het ogenblik, waarop het eigen bewustzijn of de structuur van de wereld weigert dit te accepteren. Het eigen bewustzijn is echter wel het voornaamste.
Het resultaat is, dat onbeperkt kracht kan worden geput in elke vorm, die behoort tot de eigen sensitiviteit; en dat deze vorm van sensitiviteit zodanig kan worden gehanteerd, dat zo het gehele terrein van het bewuste leven gaat beslaan.
Ik ben nogal een liefhebber van definities. Daarom zou ik zeggen:
De verborgen kracht in de mens is zijn geestelijk kapitaal, dat hij over het algemeen in een oude sok bewaart en niet op rente zet.
De verborgen kracht in de mens wordt actief op het ogenblik, dat hij — bewust en voortdurend — een beroep doet op zijn eigen talenten en deze niet slechts beperkt tot hun eerste en ogenschijnlijk moest juiste gebruik, maar overal waar de mogelijkheid tot gebruik bestaat deze talenten toepast.
Bewustzijn t.a.v. die kracht kunnen wij als volgt definiëren: De wil om de kracht te gebruiken is altijd bewust. Het bestaan van de kracht is vaak een emotie; een aanvoelen of een voorstelling.
Het gebruik van de kracht is het omzetten van de emotie of de voorstelling in een voor het bewustzijn hanteerbare waarde. U ziet, nu komen wij al een heel eind verder. Maar misschien dat wij de luiheid nog even moeten definiëren om het gehele beeld af te ronden.
Luiheid is een vorm van inactiviteit, die kan ontstaan zowel door een deficiëntie (lichamelijk of geestelijk) als door het aanwezig zijn van een te groot potentieel, dat daarom normalerwijze onvolledig wordt gebruikt. De eerste vorm geeft over het algemeen alleen zuiver lichamelijke luiheid; de tweede vorm blijkt hoofdzakelijk begrips– en denkluiheid met zich te brengen.
Richt u altijd op denkluiheid en probeer elke luiheid of onwilligheid tot nadenken of absorberen, overwegen en hanteren te volgen, want daarin ligt — nogmaals — uw grootste mogelijkheid.
Nu zult u wel begrijpen, dat er heel veel mensen zijn, die maar al te graag over verborgen krachten beschikken. Maar die verborgen krachten — en dat is nu het typische — zoeken zij zelden of nooit in de richting, waarin zij die werkelijk bezitten. Zij zoeken het altijd in de richting, die voor hen op dit moment volgens hun beperkt begrip het meest begeerlijk lijkt en die hen in staat stelt om de luiheid, waaronder ze lijden te continueren. Vandaar dat je ook moet zeggen:
Wie zijn verborgen krachten wil activeren, mag nimmer uitgaan van de wenselijkheid, zoals hij die op dat moment ziet. Hij mag alleen uitgaan van het punt, waarop hij — bewust of onbewust, — bemerkt, dat alles te gemakkelijk gaat en dat hij het te gemakkelijk neemt.
Zowel lichamelijke als geestelijke inspanningen blijken hiermede steeds gemoeid te zijn. U kunt niet de totale verborgen krachten van het “ik” alleen geestelijk uiten, er komt altijd lichamelijke actie, redelijke actie bij te pas. U kunt ook niet een geestelijke werking omzetten in een zuiver lichamelijke zonder de tussenfase van het bewustzijn daar bij te gebruiken.
Een volgend punt is de vraag, of deze geheimzinnige krachten misschien wat te maken hebben met de leeftijd. Ik meen die vraag ontkennend te mogen beantwoorden. Ofschoon het bekend is, dat in een bepaalde periode (in de puberteit) en vaak op latere leeftijd (na het ophouden van geslachtswerking, de vruchtbaarheid) die krachten weer plegen op te treden en dat ze in de tussenliggende tijd minder worden beseft, houdt niet in, dat in één van de genoemde perioden de verborgen kracht groter is. Het wil slechts zeggen, dat bewust of onbewust deze kracht eerder wordt gehanteerd als deel van het leven.
Misschien is dit een typisch voorbeeld. Het onbewust gebruik van verborgen kracht in de mens blijkt afhankelijk te zijn van zijn vrees voor de dood. Naarmate hij de dood meer vreest, doet hij een sterker beroep zijn verborgen krachten op elk terrein, ook het geestelijk terrein — en zal hij deze gebruiken bij gebrek aan bewuste gerichtheid. Zijn resultaten zijn echter over het algemeen slecht.
Het bewuste gebruik van de verborgen krachten vloeit voort uit realisatie van eigen mogelijkheid plus het bewust toepassen van die mogelijkheid op het leven. Wanneer hier angst optreedt, zal zij over het algemeen het gebruik van de kracht en de daarmee te bereiken resultaten verminderen. Is er sprake van een volledig zelfvertrouwen en een erkennen van eigen innerlijke mogelijkheid en waarde, dan zijn de resultaten altijd bevredigend.
Is deze kracht miraculeus? Moeten wij haar zien als een bijzonder gave, als een goddelijke genade of iets dergelijks?
De verborgen kracht van de mens maakt van af het ogenblik, dat ziel tot stand kwam, deel uit van zijn wezen. Zij is niet een bijzonder gave, een bijzondere gesteldheid, zij is eenvoudig deel van zijn persoonlijkheid en zijn bestaan en zal dus altijd en te allen tijde aanwezig en — zodra bewust wordt beseft — ook beschikbaar zijn. Alle methoden, die worden gebruikt om het besef van deze kracht te bereiken — ongeacht op welk basis zij berusten — zijn dus slechts een terugbrengen van het bestaande naar eigen bewustzijn en wereld.
Er zou over de verborgen krachten, die in u allen even goed schuilen als in de bijzonder begaafden, waarschijnlijk nog heel wat meer te zeggen zijn, naar uit de aard der zaak is de tijd, waarover ik de beschikking beperkt. Vandaar dat ik wil proberen een aantal eenvoudige zegswijzen te creëren, die als een handleiding kunnen dienen bij uw onderzoek in de richting.
1. Alles is mij onmogelijk, indien ik het slechts op zichzelf en op eigen merite beschouw. Alles wordt mij mogelijk, als ik mijzelf en mijn gaven volledig wil aanpassen aan, richten op en gebruiken tot het bereiken van het gewenste.
2. Niet de wijze, waarop een ander werkt, presteert of bereikt, is voor mij van belang. Slechts de kern van mijn eigen wezen en persoonlijkheid zullen die mogelijkheid voor mij scheppen. Daarom dien ik uit te gaan van mijn persoonlijkheid, mijn eigen wijze van leven, denken en reageren.
3. Vroomheid, zelfs een geloof aan God is niet noodzakelijk voor het gebruik van de verborgen krachten. Wel kunnen deze dingen een gemakkelijk aanvaarden van deze krachten en de mogelijkheid, daarin gelegen, bevorderen. Ik zou willen stellen: Wie in zichzelf vertrouwt, maar zichzelf niet bedriegt omtrent eigen capaciteiten, heeft onbegrensde mogelijkheden, zelfs in de materie. Daarnaast wil ik opmerken: Niets van hetgeen men bereikt uit geest en stof gezamenlijk kan bij uitzondering in één van deze waarden worden uitgedrukt. Altijd is er een normaliserende invloed, waarop het evenwicht tussen de geestelijke en de stoffelijke wereld wordt gebaseerd en gehandhaafd.
4. Alles, wat ik uitzend tot de geest, zal in de materie tot uiting komen in een verveelvoudigde kracht. Ik zal mij daarvan echter slechts bewust zijn voor zover ik mij de kracht realiseer en vertrouw op mijn vermogen om deze te richten.
5. Alle richten van kracht is een kwestie van het beseffen van het probleem en de concentratie op de oplossing. Het is niet noodzakelijk een complete en reële oplossing te geven. Het is voldoende een voorstelling te hebben van een mogelijke oplossing, daar de kracht zelve zich aanpast aan de realiteit en niet werkt volgens het geschapen denkbeeld.
6. Elke vorm van meditatie, concentratie en wat dies meer zij is bruikbaar om de kracht te wekken. Zij hebben geen zin, indien de kracht niet wordt gebruikt.
7. Alle acties in het leven kunnen worden gemaakt tot het symbool van die kracht en — mits als zodanig en bij voortduring gebruikt — zullen zij de kracht onmiddellijk uiten. Dit is de zin van menige rite.
8. Wie over verborgen krachten spreekt, schept rond zich eisen in de wereld, waaraan hij niet kan beantwoorden. Daardoor zal hij zijn verborgen krachten niet meer kunnen gebruiken, daar hij in zichzelf geen voldoende vertrouwen bezit om ze bewust te richten.
Daarmee heb ik dan een aantal punten gegeven, die bij overweging een aardig inzicht kunnen geven in al datgene, wat in u verborgen ligt.
Elk van u zal een eigen weg moeten vinden om die kracht te activeren, dat is waar. Maar de weg daartoe heb ik u gewezen.
Zelferkenning is niet alleen maar de erkenning van je eigen moeilijkheden, problemen en mogelijkheden. Het is ook gelijktijdig zelfverwezenlijking door in en via jezelf uitdrukking te geven aan het totaal van de vermogens en krachten, die in je berusten.
De geestelijke bewustwording wordt zo vaak gediend door het materieel werken met geestelijke krachten. De stoffelijke ontplooiing en bewustwording wordt vaak gediend door dit werken met geestelijke krachten, omdat geestelijke waarden mede naar de stof worden overgedragen.

Bevrijding

Een bevrijding is de erkenning van een vrijheid, die je voordien nooit hebt gewaardeerd. Het is eigenaardig, dat de mens zich zelden bevrijd gevoelt, als hij vrij is. Hij voelt zich slechts bevrijd, als hij onvrij is. Hoe groter zijn onvrijheid, hoe sterker hij een bevrijding ervaart, zelfs wanneer hij geen volledige vrijheid vindt.
Als wij zoeken naar een geestelijke bevrijding, dan moeten wij ons eigenlijk eerst realiseren wat onze geestelijke gebondenheid is. Dan is elk besef van vrijheid een gevoel van bevrijd zijn. En bevrijd zijn is een gevoel van verlichting, opluchting, vreugde.
Indien Nederland nooit bezet zou zijn geweest, zou men nooit weten hoe goed het tenslotte in deze gammele democratie nog gaat.
Indien een geest nimmer in het duister was gevangen, zou zij de vreugde van een vrijelijk in het licht gaan nooit beseffen, ongeacht de bindingen en gebondenheden, die ook daarmede samengaan.
De bevrijding zou een mens moeten leren zijn plichten beter te beseffen. Maar dat is helaas niet altijd het geval. Geestelijk gezien zou ik willen stellen:
Niet de onbeteugelde vrijheid maar het vinden van die punten waarop je vrij bent, is de vreugde van het bestaan.
Niet de absolute zelfbestemming en beschikking maar, het besef, dat je niet meer zo beperkt bent in je mogelijkheden als vroeger, is de grootste vreugde die er bestaat. Dan is het ook niet noodzakelijk te streven naar het absolute, hetzij in vrijheid of in iets anders. Het is slechts noodzakelijk te streven naar een begrip van onze gebondenheid en de mogelijkheden om iets vrijer te worden door ons verzet tegen de banden, die al te zwaar op ons rusten.
Zoek uw bevrijding niet in een verwerpen van de lasten die op u rusten, maar in het gebruik van de vrijheid die u is gelaten. Gebruik die vrijheid om voor uzelf en anderen een steeds grotere vrijheid tot stand te brengen; en ge zult uzelf bevrijden door te leven in een vrijere wereld.
Dit geldt voor de geest en voor de stof. Want het noodlot bindt ons allen en schijnbaar met eenzelfde dictatuur als er ooit in enig land ter wereld ook maar te vinden is geweest., Maar door ons te verzetten, niet tegen de banden van dit lot en de regels daarvan, maar tegen de onredelijke punten, tegen die onredelijke situaties die daaruit plegen te rijzen en daarbij ons eigen besef en  begrip voortdurend te gebruiken, zullen wij op den duur een bevrijding van alle lot bereiken, en bewuste erkenning van onszelf en onze mogelijkheden en een leven, waarin onze dienstbaarheid aan anderen en onze beheersing van onszelf gelijkelijk zijn: de vreugde van ons bestaan.